Mijn vroegere meditatielerares gaf ons leerlingen na afloop vaak een piepklein papiertje mee, met een spreuk of gedicht. Eentje hangt al zo’n twintig jaar bij mij thuis aan de muur. Het is een citaat uit een brief van dichter Rainer Maria Rilke (1875-1926).
Wellicht zijn alle draken in ons leven
Uiteindelijk prinsessen
Die er in angst en beven slechts naar haken
Ons eenmaal dapper en schoon te zien ontwaken.
Wellicht is alles wat er aan verschrikking leeft
In diepste wezen wel niets anders dan iets
Wat onze liefde nodig heeft.
Lees meer
Coverfoto: ANP/Patricia Rehe
Volgens Susan Bögels, hoogleraar Family Mental Health & Mindfulness, zijn kinderen onze beste zenleraren. “Zij wijzen ons vaak onbewust op kwetsbare delen van onszelf die dringend aandacht en compassie nodig hebben.” In dit ‘kerstnummer’ van de Pedagoog vertelt zij over de inzet van mindful ouderschapstrainingen. “Mindfulness is met aandacht en zonder oordeel in het moment aanwezig zijn. Zo oefenen ouders bijvoorbeeld om hun kinderen te zien zoals ze zijn. Met een beginner’s mind, alsof ze hen voor het eerst zien. Zonder de verwachtingen die ze er zelf opgeplakt hebben.”
Orthopedagoog en fotograaf Ellen Bakker maakte een prachtige serie portretten over kinderlijke verwondering. Zij is geraakt door de manier waarop kinderen de wereld tegemoet treden: open, nieuwsgierig en onbevangen. “Verwondering daagt een kind uit om echt te kijken. Wij mogen daar als opvoeders en pedagogen veel meer ruimte voor maken. Door te vertragen, door te wachten op het kind, door samen op te trekken en een zijpad te bewandelen.”
Julia Wijnen is vier jaar geleden wegens de liefde in Zuid- Afrika blijven hangen, vertelt ze in over de grens. Daar helpt ze kwetsbare kinderen en jongeren hun veerkracht terug te vinden. Met minder geld en minder professionals dan in Nederland. Maar met veel bevlogen ervaringsdeskundigen. “Als ik zie hoe een jeugdwerker met minimale middelen een veilige plek creëert voor kinderen die thuis geweld meemaken, besef ik weer wat professionele passie werkelijk betekent. En dat ‘verschil maken’ zelden zit in grote gebaren, maar in aanwezigheid, oprechte aandacht.”
Veel liefde gewenst in 2026. En vertrouwen.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Mediapedagoog Jacqueline Kleijer roept ouders, leraren en andere opvoeders op om pubers te leren wat democratie ook alweer betekent. De geraffineerde beïnvloeding door ultrarechts via sociale media baart haar grote zorgen. Net als het groeiende online seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zij gaat voor preventie.
Lees meer
Jacqueline Kleijer
“Bel me maar als je voor de deur staat”, tipte ze. Jacqueline Kleijer (Breda, 1969) zit met haar bedrijf Dig it for you op de tweede verdieping van de voormalige gevangenis aan het Wolvenplein, hartje Utrecht. Het is een hele tippel langs de ruim honderd ‘cellen’. De hare kijkt uit op een oude luchtplaats.
Eind september was ze te gast in het NPO-radioprogramma Nieuwsweekend, naar aanleiding van haar afstudeerthesis aan de Universiteit voor Humanistiek Piemels en Hakenkruizen, over de aantrekkingskracht van ultrarechtse online content op jonge jongens. Zoals de retoriek van Amerikaanse influencers als Andrew Tate en de eind deze zomer doodgeschoten Charlie Kirk. In het programma uitte ze haar zorgen over het voortbestaan van onze democratie als we de opvoeding en begeleiding van jongeren alleen overlaten aan internet.
“Ik geef al twaalf jaar gastlessen op scholen – basisscholen, middelbare scholen en alles wat daarna komt – en zag al een tijd de opkomst van ultrarechts. Drie jaar geleden schreef ik een opiniestuk over Andrew Tate en zijn tactiek in de Volkskrant. Toen wisten veel volwassenen nog niet wie hij was. Zij zitten in een heel andere bubbel dan jongeren en veel volwassenen hebben nog steeds niet in de gaten dat de online wereld dé wereld is voor jongeren. Ik moet nog wel eens denken aan Mark Rutte die over sociale media zei: ‘Dat gaat wel weer voorbij.’ Maar jongeren zitten daar zes tot acht uur per dag op, het is een onderdeel van hun leven en die beïnvloeding dus ook.”
Influencers als Andrew Tate spelen in op de onzekerheid van jonge jongens, legt ze uit. “Hij richt zich vooral op herkenning: ik begrijp dat jij je zo voelt! Hij geeft ze echt de aandacht die ze nodig hebben én zegt: ik heb de oplossing! In de filmpjes die hij online post zegt hij aan de ene kant: je moet discipline hebben, gaan sporten, gezond eten, et cetera. Dus veel ouders zagen hun puber die eerst niks deed, ineens gaan krachtsporten en z’n bed opmaken. Een positieve invloed. Maar Tate zegt ook dat vrouwen je bezit zijn en dat je hen mag slaan. Hele controversiële en extreme uitspraken, die alleen al om die reden de aandacht trekken, doorgestuurd worden en viral gaan.”
“Naast dat vrouwonvriendelijke is hij heel erg gaan koersen op ‘alles wat er in de media staat is niet waar’, ‘rechters zijn partijdig’, ‘wetenschap moet je niet geloven’, ‘school is onzin’, ‘stop met school en volg mijn university, daar kun je lid van worden voor zoveel dollar of euro per maand en dan kun je net zo rijk worden als ik.’ Oftewel: ‘al de mensen om jou heen spreken niet de waarheid.’
Als je dat als ouder of andere opvoeder niet weet, als je dan pas met zo’n jongen gaat praten en zegt ‘wat een onzin’, is hij al gebrainwasht en ben jij vooraf al kaltgestellt. Dat is heel eng en gevaarlijk en nu aan het gebeuren.”
Waar Andrew Tate drie jaar geleden nog heel populair was bij jongens, volgt nu bijna niemand hem meer, vertelt Jacqueline Kleijer. “Maar de zaadjes zijn geplant, de richting is bepaald. Hij heeft inmiddels een heleboel opvolgers die bijvoorbeeld via het sporten – die noem je dan fitfluencers – een bepaalde manier van leven voorleven. Maar ook ultrarechtse memes delen, waarin de hele cultuur van de manosfeer – anti-feminisme, vrouwenhaat, propaganda voor traditionele mannen- en vrouwenrollen – naar voren komt. Met meisjes, queermensen en vluchtelingen als zondebokken.”
“Daarnaast heb je de games, zoals Roblox en Minecraft, waar ultrarechtse bewegingen al tientallen jaren bezig zijn met het werven van jonge jongens. Jongens tussen 11 en 15 jaar, naar wie ik onderzoek heb gedaan, kunnen daar in een omgeving terechtkomen waar ze een beetje worden uitgedaagd om stoute dingen te doen, waarvan ze weten dat het eigenlijk ‘verboden’ is. Zoals het plaatsen van hakenkruisvlaggen en het bouwen van concentratiekampen. Als je daaraan meedoet, krijg je bevestiging en aanzien. Zo ontstaan er groepjes van gelijkgestemden.”
In Nederland zijn de PVV en Forum voor Democratie al tijden zeer actief op TikTok. Jacqueline Kleijer merkt het effect als ze scholen bezoekt.
“Een tijdje geleden gaf ik op een maandag les op een gymnasium, in klas 2. Mijn eerste vraag was: wie leest er hier een krant? Niemand! Wie kijkt er wel eens naar het Journaal? Dat deden er een paar, soms, met hun ouders. Hoe volgen jullie dan het nieuws, online via Nu.nl bijvoorbeeld? Daar keken ze ook niet naar. Een meisje in de klas was dat weekend in Den Haag geweest, waar toen die rellen van ultrarechts waren op het Malieveld, met geweld tegen de politie en vernielingen aan het kantoor van D66. Ik vroeg of zij wist waar die rellen over gingen. Zij zei: ‘Gaza of zo?’”
“Dus de connectie met wat er gebeurt, heeft deze doelgroep niet. Daar hebben ze ons voor nodig. We moeten echt aan de bak, we moeten gaan opvoeden! Toen ik dat meisje vroeg of ze iets wist van politiek en waar ze die kennis dan vandaan haalde, was het antwoord: van TikTok. Wie ze daar van kende? Thierry Baudet en Geert Wilders. Dat zijn ook de grote winnaars van de scholierenverkiezingen van 2023.1 En Thierry Baudet is dikke maatjes met Andrew Tate.”
De titel van haar thesis verwijst naar de fase waarin veel jongens piemels en hakenkruizen tekenen op tafels en muren. “Een afdelingsleider van een middelbare school vergeleek dit met het versturen van nazi-memes”, legt ze uit.
“Deze conformistische fase hoort bij je identiteitsontwikkeling, waarin je eigen keuzes gaat maken, je af gaat zetten, grenzen opzoekt. Ik heb acht jongens tussen de 11 en 15 jaar geïnterviewd die in die fase zitten. En twee jongens van tien, die er net voor zitten en zich nog vermaken met onschuldige scheet-memes. Met mijn twee zoons van begin twintig heb ik teruggekeken op die fase. Dat was best confronterend. De oudste vertelde dat hij rare dingen had uitgehaald op Minecraft en later even terechtgekomen was op 4chan, een ultrarechts platform. Ik herinner me dat hij in die tijd ineens rare dingen zei over vrouwen en politiek. Daar hebben we aan tafel flinke discussies over gehad.”
Op ouderavonden komt ze veel vaders en moeders tegen die geen idee hebben wat hun pubers online doen, achter die gesloten slaapkamerdeur. Laat staan dat ze discussies voeren over wat zij daar meemaken.
“Zo kunnen jongeren in die ene bubbel blijven zitten waarin ze bevestigd worden, leren dat er maar één waarheid is en één stem, in plaats van verschillende waarheden, die in een democratie allemaal naast elkaar mogen bestaan. Dat je het niet altijd met elkaar eens bent, maar afspreekt we agree to disagree, is superbelangrijk, en gebeurt veel te weinig. Kijk ook naar de politiek, waar steeds meer op de man gespeeld wordt. En naar sociale media, waar je meteen wordt geshamed en geblamed in plaats van gewoon met elkaar in gesprek te gaan. Ik denk dat ouders, leraren en andere opvoeders dat opnieuw moeten leren. We moeten aan de bak, anders maken we elkaar af.”
Ze tipt pedagogen om extra aandacht te geven aan jongens die dreigen te radicaliseren. “Dat zijn dezelfde jongens die kwetsbaar zijn in het offline leven.
Ga in gesprek over de games die ze doen, vraag of je eens mag meekijken, doe voor mijn part een spelletje met je cliënt. Gewoon om contact te hebben, want het is een manier van communiceren. Je kunt op school ook het lespakket gebruiken bij de tv-serie Adolescense, over een jongen die helemaal in de manosfeer terechtkomt.2 Zo kun je hierover in gesprek gaan, maar mijn bedenking is wel dat die jongen meteen in de daderrol gezet wordt.” “Pedagogen kunnen ouders steunen in het creëren van een vertrouwensband met hun kind, juist in die lastige fase waarin zij zich gaan afzetten. Help ouders om in contact te blijven met hun puber, zonder hen af te keuren. En organiseer veel verschillende offline activiteiten, in de schoolpauzes bijvoorbeeld, zodat pubers daar vriendschappen kunnen opdoen.”
Jacqueline Kleijer studeerde Sociaal Pedagogische Hulpverlening in Breda, omdat ze dacht dat ze graag met kleine kinderen wilde werken. Door een toeval – een blinde sollicitatie – kwam ze te werken met pubers, bij een organisatie voor jeugdhulp in Den Bosch. “En ik ben nooit meer bij ze weggegaan.”
Ze verhuisde naar Utrecht, werkte daar eerst in de meiden-crisisopvang, toen even in de pleegzorg en daarna lange tijd bij Pretty Woman.
“Pretty Woman steunt slachtoffers van seksueel geweld. Eerst alleen meisjes, later ook jongens en jongeren die zich anders identificeren. Sinds een paar maanden heet het Pretty Human. Wat ik daar zag – grensoverschrijdend gedrag, seksueel geweld en stalking – speelt nu nog steeds. In de loop van de tijd heb ik het zien verschuiven van offline naar online. Er was eigenlijk geen goed antwoord op van de politie en de hulpverlening. Daar ben ik me twaalf jaar geleden helemaal in gaan specialiseren en uiteindelijk naar de voorkant gegaan: de preventie.”
Het begon met meisjes en jonge vrouwen die haar vertelden dat hun naaktfoto – in vertrouwen gedeeld met een vriend of vriendin – op internet was verspreid. “Wat me erg opviel, was dat ze het heel erg vonden dat hun foto rondging, maar nog veel erger hoe de omgeving erop reageerde. Ze werden uitgescholden, vrienden lieten hen vallen. Dat was funest. Ik heb dat shame-sexting genoemd en ben daar aandacht voor gaan vragen.”
“Het wordt gelukkig wel minder, maar er doen nog steeds veel mensen aan victimblaming en zeggen: ‘Dan had je die foto maar niet moeten sturen.’ Mijn boodschap is: ‘Jij hebt dat telefoontje in je hand, jij kunt bepalen wat je met die foto doet. Ga je iemand stukmaken of ga je iemand helpen? Wat voor persoon ben jij?’ Je moet het terugleggen bij degene die verantwoordelijk is voor wat er gebeurt.”
Vorig jaar leidde ze een grote preventiecampagne in de gemeente Arnhem, CARE don’t share3 over het voorkómen van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
“De website staat nog steeds online en is heel compleet, met informatie voor enerzijds ouders en professionals en anderzijds jongeren. Voor jongeren hadden we een online campagne gemaakt, met gastlessen voor school en met medewerking van tien regionale influencers, zoals queerinfluencer Jessie Maya, kampioen skateboarden Douwe Macare en ultrarunner Sameena. De boodschap was heel positief: zorg voor elkaar, wees lief voor elkaar.”
Heeft ze nog tips voor pedagogen, als er toch naaktfoto’s of filmpjes rondgaan?
“Ga eerst troosten. Zeg nooit tegen een kind: ‘Wat stom dat je dat hebt gedaan’, maar: ‘Wat rot dat dit is gebeurd, dat had niet gemogen. Wat kan ik voor je doen?’ Kijk welke acties je kunt ondernemen, zoek samenwerking met school.”
“Samen met collega Solange Jacobsen heb ik voor Bureau Jeugd & Media een stappenplan gemaakt voor scholen: www.stappenplansexting.nl. Dat is nu onderdeel van de Toolkit L.O.V.E. Online.4 Een soort EHBO-koffer met wat je precies kunt doen als school, met voorbeeldbrieven voor ouders, gesprekstips, wanneer je wel of geen wijkagent inschakelt.”
“Als jij het als pedagoog eerder weet dan de ouders, ga dan nooit een bondje aan met het slachtoffer: ‘Ik ga het niet aan je ouders vertellen.’ Dat kun je niet waar maken, die krijgen het sowieso te weten. Vraag wel: ‘Hoe gaan we het je ouders vertellen? Wil je dat ik het eerst vertel of gaan we dat samen doen?’ Vaak is het fijn dat jij eerst een gesprek hebt met de ouders, dan kunnen ze stoom afblazen. Je kunt uitleggen dat hun kind slachtoffer is en troost nodig heeft, geen verwijten.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Linde van der Kamp – Blinck Fotografie
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Peter Hoffenaar & Bart van Gent
Lees meer
Abby McLaughlin (Boston College) onderzocht hoe kinderen oordelen over onrecht. In een recent tweeluik van studies kregen kinderen van 5 tot 9 jaar stripachtige scènes voorgelegd waarin een kind het speelgoed van een ander afpakte. Het benadeelde kind kijkt beteuterd: “hé, daar was ik mee aan het spelen!”
Na elk tafereel kregen de kinderen een reeks vragen: of het slachtoffer de dader zou kunnen en moeten vergeven, hoe slachtoffer en dader zich zouden voelen na tussenkomst van de leerkracht, en of er sprake was van eerlijke behandeling. De leerkracht bemoeide zich er op verschillende manieren mee: soms kreeg de ‘speelgoeddief’ straf, soms kreeg het kind zijn speelgoed terug, soms sprak de leraar vergeving uit en soms gebeurde er niets. In de tweede studie werd dat uitgebreid: niet alleen leraren, maar ook klasgenoten en slachtoffers kwamen nu in actie, en soms ging het niet om ‘diefstal’ maar om oneerlijk delen.
De uitkomsten laten zien dat kinderen rekenen op vergeving wanneer er actief wordt ingegrepen. Over níet vergeven zijn ze streng: dat vinden ze meestal fout, en helemaal wanneer de dader gestraft is. Tegelijk vinden ze niet dat een slachtoffer verplicht is te vergeven. Ieder kind moet voor zichzelf kunnen bepalen of de deur naar verzoening wel of niet open gaat.
Voor burgerschapsonderwijs is het nuttig om te weten dat kinderen zich laten leiden door personen in hun directe omgeving. Ze merken haarscherp of volwassenen verantwoordelijkheid nemen of wegkijken. Leraren kunnen die gevoeligheid benutten door het goede voorbeeld te geven. Bij de actualiteit in het Jeugdjournaal zien kinderen al genoeg voorbeelden van hoe het niet moet. Binnen de muren van de school kunnen kinderen ervaren dat het ook anders kan: volwassenen die ingrijpen bij onrecht en na een botsing weer samen door één deur gaan.
McLaughlin, A., Marshall, J., Gonzalez-Rubio Saab, I., & McAuliffe, K. (2025). Children’s Evaluations and Expectations of Forgiveness Following Second- and Third-Party Interventions. Child Development, 10.1111/cdev.70030. Advance online publication. doi.org/10.1111/cdev.70030
Bijna (?) alle ouders liegen tegen hun kinderen, blijkt uit onderzoek. Tussen de 67 en 100 procent is er zelf eerlijk over. De ouders hebben een breed scala aan onwaarheden, van overdreven complimenten – “Wat een mooie tekening!” – tot valse dreigementen – “Als je niet stilzit, wordt de kapper boos.”
Maar wat vinden de kinderen daar eigenlijk van? Nederlandse onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam ontwikkelden met behulp van een kinderpanel een game om 8- tot 12-jarigen te laten vertellen hoe ze denken over het liegen door ouders en wat dat met hun vertrouwen doet.
De kinderen blijken verrassend genuanceerd te oordelen. Onwaarheden ten behoeve van de ouder, daar houden ze niet van en die schaden het vertrouwen in de ouder. Maar leugentjes die het kind beschermen tegen verdriet – “Het geeft niet dat de telefoon stuk is, hij was toch al oud” – of bijdragen aan gezondheid en veiligheid – “Er zit geen groente in de saus” – worden veel milder beoordeeld.
Papa en mama krijgen geen speciaal privilege om te liegen, kinderen hanteren dezelfde morele maatstaf voor ouders als voor vreemden. En ze zien glashelder het verschil tussen waarheid en leugen – het lukte ze in het overgrote deel van de gevallen om ouderlijke onwaarheden te ontmaskeren.
Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat de validiteit en betrouwbaarheid van het ontwikkelde instrument (de game) hoog is. Het instrument is vrij beschikbaar en aan te passen voor toekomstig onderzoek.
Schröer, L., & Kok, R. (2025). Children’s Perspective on Parental Lying and Its Effect on Trust: Co-Creation of an Instrument and Pilot Results. Social Development, 34(4), e70026. doi.org/10.1111/sode.70026
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
De aftrap van het nieuwe schooljaar in september begon met een terugblik: de evaluatie van mijn Individuele OndersteuningsPlan (IOP) dat ik aan het begin heb opgesteld. Ieder half jaar wordt dit geëvalueerd met mijn werk- en praktijkbegeleider. Aan het eind van ieder schooljaar schuift ook King nascholing aan. Het was een fijn en waardevol gesprek, waarin mijn groei duidelijk naar voren kwam. Zo ben ik me weer bewust van de wetenschappelijke basis van waaruit ik werk en dat ik altijd al contextueel en overkoepelend meekijk met gezinnen. Ik ben trots op hoe ik het doe!
Dit jaar volg ik, samen met nog zeven studiegenoten, de cursus Cognitieve GedragsTherapie (CGT). De rest heeft deze cursus al vóór de start van de opleiding gevolgd en krijgt vrijstelling. Om onze groep aan te vullen tot veertien deelnemers, zijn er zes andere orthopedagogen en psychologen aangesloten. Anders dan vorig jaar, hebben we de gehele cursus één vaste docent voor alle elf lesdagen, wat zorgt voor meer continuïteit.
Hoewel onze originele studiegroep door de CGT tijdelijk is opgesplitst, zien we elkaar gelukkig nog bij de tweewekelijkse groepssupervisie. Dit jaar zijn we een homogene groep, met mensen die net als ik in de jeugdhulp/jeugd-ggz werken. We zijn gestart met het dieper leren kennen van elkaar, door het bespreken van het genogram van familie. Iedere keer haal ik er toch weer wat nieuws uit. Ik merk bijvoorbeeld dat ik bij bepaalde cliënten of situaties onzeker word, terwijl ik dat normaliter niet ben, en dan anders reageer dan ik graag zou willen.
Het delen geeft inzicht in elkaars achtergrond, patronen en hoe deze invloed hebben op wie je bent als (regie)behandelaar. En waar bijvoorbeeld onze tegenoverdracht in kan zitten in gesprekken en met cliënten. Zo heb ik twee pleegzusjes en voelde ik mij in mijn jeugdjaren door de hulpverlening niet gezien. Toen ik zelf in de pleegzorg ben gaan werken, heb ik me meer gericht op de ‘biologische kinderen’ van pleegouders. Nu wil ik alle gezinsleden horen en niet alleen dé cliënt of dé ouders. De klachten waar een cliënt mee komt, hebben invloed op álle gezinsleden. Ook degenen die zeggen er geen last van te hebben.
In ons volgende blok, Capita Selecta, zullen we ingaan op de juridische en ethische aspecten van ons vak. Zeer belangrijke thema’s, zeker in onze nieuwe rol als orthopedagoog-generalist. Waarbij we niet alleen leren over de pijlers van het dialogisch, systemisch en veranderingsgericht werken, maar ook over onze verantwoordelijkheden.
Vervolgens krijgen we les over het gebruik van wetenschappelijk onderzoek. Als afsluiter van dit blok gaan we een column schrijven. Die zal gebruikt worden voor de Kenmerkende BeroepsSituatie (KBS) waar ik vorige keer over schreef. Natuurlijk ga ik ervanuit dat ik dit met verve zal doen, nu ik al voor de vierde keer hier in de Pedagoog mag schrijven.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
De mentale jeugdzorg in Zuid-Afrika en Nederland verschilt sterk in aanpak en middelen, maar deelt hetzelfde doel: kwetsbare kinderen en jongeren helpen om hun eigen (veer-) kracht te hervinden. Vanuit mijn werk met Ukomelela, zie ik hoe waardevol samenwerking over de grenzen heen kan zijn – letterlijk en figuurlijk. We kunnen van elkaar leren.
Lees meer
Bij Bongeka krijgen kinderen yogales. foto: Yannick Schurwanz
Zuid-Afrika is een land van contrasten. In de ene wijk, vaak historisch gemarginaliseerd, vind je een school met minimale middelen. Een paar kilometer verderop, in een welvarende wijk, zijn de meest moderne voorzieningen te vinden. Die kloof, mede een erfenis van apartheid, is nog steeds overal zichtbaar en voelbaar. Jeugdprofessionals werken onder hoge druk, vaak met schaarse middelen, tussen heftige problematiek en grote uitdagingen. Maar wat mij keer op keer raakt, is hun enorme drive: de wens om écht iets te betekenen voor de kinderen uit hun community, vaak precies dát te doen wat ze zelf gemist hebben.
Professionals geven perspectief aan jongeren, bieden hoop en maken een verschil. Waar in Nederland veel nadruk ligt op structuur, beleid, protocollen en formalisering, draait het in Zuid-Afrika vaak om creativiteit, improvisatie en gemeenschap. Het vraagt iets anders van professionals – maar leert ons ook veel: hoe veerkracht eruitziet als systeemdruk en middelen ontbreken.
Waar in Nederland de vergoede zorg meestal plaatsvindt in een behandelkamer met een professioneel gesprek, ontstaan in Zuid-Afrika talloze initiatieven vanuit de gemeenschap zelf, die in Nederland weer niet of nauwelijks gangbaar zijn.
Kinderen volgen surfles van coaches die ooit in hun schoenen stonden – niet alleen voor plezier, maar om hun hoofd leeg te maken en te leren omgaan met spanning. In een community-bibliotheek, gebouwd door buurtbewoners, lezen kinderen boeken en eten ze een warme maaltijd voor ze weer naar huis gaan. Bij Bongeka, een zogeheten community mama, krijgen kinderen yogales en leren ze regulatie- en copingvaardigheden die ze thuis vaak missen. En te midden van de gang violence vinden jongeren via rugby een alternatief voor het leven op straat – een plek waar discipline, teamwork en toekomstperspectief groeien.
Deze initiatieven laten zien dat echte connectie maken, aansluiten bij interesses en talenten, écht begrijpen wat een kind doormaakt, consequent aanwezig zijn en hoop bieden de kern vormen. Het zijn, als je het mij vraagt, dé ingrediënten voor veerkracht en herstel.
Met Ukomelela (Xhosa voor veer-krachtig worden) organiseren we studiereizen voor jeugdprofessionals die willen ervaren hoe veerkracht op creatieve manieren wordt versterkt in onder andere Zuid-Afrika.
’s Ochtends volgen deelnemers trainingen over gevoelige maar essentiële thema’s, zoals trauma, seksueel misbruik of diversiteit en inclusie – altijd samen met lokale professionals en rolmodellen. In de middag bezoeken we scholen, lokale initiatieven en projecten. Daar zie je hoe muziek, sport, spel, kunst en natuur worden ingezet om kinderen en jongeren te versterken. Het mooie is dat je niet alleen kennis en tools uitwisselt, maar zelf ook in de andere wereld stapt en ervaart hoe zorg er ook uit kan zien – niet beter of slechter, maar anders.
Zo ontstaat een krachtige uitwisseling van kennis, perspectieven en veerkracht. Niet één partij die iets komt brengen, maar een gezamenlijke ontdekkingstocht: hoe professionals wereldwijd omgaan met vergelijkbare vraagstukken, elk vanuit hun eigen context en kracht. Dat is precies waar Ukomelela voor staat: veerkracht versterken – bij jezelf, bij je doelgroep én bij lokale rolmodellen in gemeenschappen, waar professionele zorg vaak ontbreekt. Een van de mooiste aspecten vind ik dat Zuid-Afrikaanse collega’s ook deelnemen aan onze trainingen. Waardoor het echt een wederkerige beweging is, leren van en met elkaar.
Die wederkerigheid maken we mogelijk via onze samenwerking met Train for Change. Voor elke internationale deelnemer doneren we een plek aan een lokale professional, zodat kennis en vaardigheden terechtkomen bij de mensen die lokaal het verschil maken.
De trainingen zijn cultuursensitief ontwikkeld en behandelen thema’s die wereldwijd relevant zijn, zoals trauma en veerkracht, seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag, rouw en verlies, diversiteit, inclusie en antiracisme. Want of je nu in Kaapstad of in Rotterdam werkt – trauma, misbruik, verlies en uitsluiting kennen geen grenzen. Overal hebben kinderen behoefte aan veiligheid, erkenning en iemand die echt luistert.
In Zuid-Afrika betekent dat vaak werken zonder vangnet, zonder de luxe van doorverwijzing of specialistische teams. Professionals doen wat ze kunnen met wat er wél is. Sommigen hebben geen formele opleiding kunnen volgen, maar wel een enorme ervaringsdeskundigheid en toewijding om hun community verder te helpen. Het is deze kracht die ons inspireert – en precies wat veel professionals in Nederland soms weer willen hervinden: werken vanuit bevlogenheid.
Voor veel deelnemers fungeert een studiereis in Zuid-Afrika als spiegel. Het zet aan tot nadenken over onze eigen systemen: hoeveel ruimte houden onze regels en structuren nog voor menselijkheid? Wat doen systeemdruk en protocollen met onze energie en betrokkenheid? Hoe zorgen we dat we niet verdwijnen in routines en regels van bovenaf, maar blijven verbinden met de kern van ons vak? Zo’n ervaring raakt diep. Deelnemers keren terug met hernieuwde motivatie, verbondenheid met hun vak en helderheid over wat er écht toe doet – precies wat velen ooit dreef om met kinderen te gaan werken.
Ik woon en werk inmiddels vier jaar tussen Nederland en Zuid-Afrika. Ooit kwam ik voor werkervaring, bleef voor de liefde en vond mijn missie in het verbinden van beide werelden. Wat ik het liefst doe, is mensen helpen om te durven kijken naar wat ongemakkelijk is – thema’s waar vaak stilte of schaamte heerst – en om in actie te komen voor kinderen en jongeren die ingrijpende ervaringen hebben meegemaakt.
Wat ik steeds opnieuw zie en leer, is dat groei altijd van binnenuit komt. Niet door plannen of protocollen, maar door echte ontmoeting. Wanneer je met een jeugdwerker in een informal settlement zit en hoort hoe zij met minimale middelen een veilige plek creëert voor kinderen die thuis geweld meemaken, besef je weer wat professionele passie werkelijk betekent. En hoe weinig je eigenlijk nodig hebt om een verschil te maken. Dat verschil maken zit zelden in grote gebaren, maar in aanwezigheid, oprechte aandacht.
Ukomelela – veer-krachtig worden – geldt niet alleen voor kinderen, maar ook voor ons als professionals. Door te leren van anderen, samen te reflecteren en onze blik te verbreden, worden we allemaal een beetje veerkrachtiger.
In een tijd waarin het jeugdveld onder druk staat, hier en daar, hebben we inspiratie nodig van buiten de gebaande paden. Zuid- Afrika biedt die overvloedig – niet als toeristische ervaring, maar als bron van inzicht. De lessen die ik daar leer, draag ik dagelijks mee: dat verandering begint bij mensen, niet bij systemen. Dat luisteren krachtiger is dan zenden. En dat echte verbinding, waar ook ter wereld, het begin is van elke vorm van verandering.
tekst: Julia Wijnen, ontwikkelingspsycholoog, trainer en oprichter van Ukomelela en Train for Change.
foto: Lumify productions
Ukomelela organiseert studiereizen voor jeugdprofessionals die willen leren van internationale jeugdzorgpraktijken en van elkaar. Tijdens deze reizen ontmoet je collega’s uit verschillende landen, bezoek je scholen, organisaties en gemeenschapsprojecten, en ontdek je hoe veerkracht wereldwijd vorm krijgt. Elke reis is een mix van inhoud, ontmoeting en persoonlijke groei, met bijzondere aandacht voor context, cultuur en veerkracht.
Deelnemers keren terug met nieuwe inzichten, hernieuwde motivatie en concrete ideeën om hun werk te verrijken. Ook een keer mee? Meer informatie: www.ukomelela.com
Jarenlang werkte orthopedagoog en fotograaf Ellen Bakker in de kinderpsychiatrie en kinderopvang als manager. Wat haar in haar werk en als opvoeder steeds opnieuw raakte, was hoe kinderen de wereld tegemoet treden: open, nieuwsgierig en onbevangen.
Lees meer
“Verwondering is de ultieme basis voor het vrije leren”, zegt Ellen Bakker. “Het daagt het kind uit om echt te kijken. Als opvoeder of pedagoog is het essentieel dit op te merken. Wij mogen veel meer ruimte maken voor die kinderlijke verwondering. Door te vertragen, door te wachten op het kind, door samen op te trekken en een zijpad te bewandelen.”
In juli 2024 studeerde ze af aan de Nederlandse Academie voor Beeldcreatie in Rotterdam. In haar actuele fotoserie Layered realities onderzoekt zij de kinderlijke nieuwsgierigheid en onbevangenheid in gelaagde composities, bijvoorbeeld achter glas en achter textiel.
Naast haar autonome werk is ze als fotograaf betrokken bij maatschappelijke projecten. Ze gaat altijd op zoek naar de menselijke laag achter het alledaagse.
Ellen Bakker laat met deze bijzondere beeldenreeks de kwetsbare kracht van verwondering zien. Zij beweegt zich tussen de twee werelden van pedagogiek en fotografie, die elkaar onverwacht goed raken. “Pedagogiek en fotografie kwamen voor mij samen, toen ik merkte dat ik het zien en begrijpen van mensen kan versterken door het vast te leggen in beeld.”
Michelle Snijder, orthopedagoog en onderzoeker bij Karakter, promoveerde in maart 2025 aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij deed onderzoek naar een nieuwe manier van vroegtijdige hulpverlening, bedoeld om ouders en professionals gericht te ondersteunen bij zorgen in de eerste fasen van de sociale ontwikkeling. Hierbij wordt BEER als laagdrempelige interventie ingezet.
Lees meer
2024 – heden
Orthopedagoog i.o.t. gz-psycholoog bij Karakter, kinder- en jeugdpsychiatrie
2021 – 2024
Orthopedagoog bij Karakter, kinder-en jeugdpsychiatrie
2017 – 2025
Promovenda Radboud Universiteit en RadboudUMC, werkzaam bij Karakter, kinder- en jeugdpsychiatrie
2012 – 2017
Pedagogische Wetenschappen, Radboud Universiteit
Kun je iets vertellen over je onderzoekstraject?
“Met mijn onderzoek ben ik eind 2017 gestart. Door de coronaperiode liep de dataverzameling vertraging op. De belangrijkste onderzoeks- gegevens kwamen voort uit de huisbezoeken. De kinderopvang was net dicht en mensen waren voorzichtig. Angstig ook wel, want met kleine kinderen kun je geen anderhalve meter afstand bewaren. De laatste jaren van mijn promotietraject deed ik parttime onderzoek en was daarnaast werkzaam als orthopedagoog. Dit vind ik heel belangrijk, om naast wetenschappelijk onderzoek met mijn benen in het veld te staan en deze kans kreeg ik bij Karakter. Maar ja, dat maakt ook dat zo’n traject wat langer loopt.”
Wanneer ontstond je interesse voor het jonge kwetsbare kind?
“Ik denk vanuit de opleiding orthopedagogiek, waar ik merkte dat de ontwikkeling van het jonge kind mij interesseerde. Ik kan met bewondering naar jonge kinderen kijken, omdat ze zo volop in ontwikkeling zijn. Het gaat heel snel en je kijkt nooit naar het jonge kind an sich, maar ook altijd naar de context. Een kindje groeit op in de relatie tot zijn ouders. Die dynamiek, die ouder-kind interactie en wat dat beïnvloedt, de impact van die wisselwerking, fascineert mij.”
Wil je eerst iets vertellen over de mooie omslag van je proefschrift?
“Die is ontworpen door illustrator Evelien Jagtman. De beer is mijn teddybeer van vroeger. Daar speelde ik mee en hij ging mee op avontuur. Dit past bij de BEER-interventie (Blended E-health for children at Early Risk) van mijn onderzoek. Zo voeg ik in de cover een stukje van mijzelf toe. De beer is zwart, het idee van een ‘doorkijkje’.
De bloemetjesachtergrond staat voor de huisbezoeken, het behang als je binnenkijkt. Tijdens de BEER-interventie zijn veel spelobservaties en metingen bij ouders thuis gedaan. Er staat ook een meisje op dat bellen blaast. Dit hebben we veel gedaan; een fijne manier om contact te maken. Dat gaf veel plezier, vooral bij het kind, maar ook bij ouders. Een concreet opdrachtje, waarbij je zag dat ouder en kind samen kwamen en er mooie interacties ontstonden.”
Kun je meer vertellen over je onderzoek?
“Mijn proefschrift bestaat eigenlijk uit twee delen. Het eerste deel gaat over barrières in de vroegherkenning van autisme. Wat het ingewikkeld maakt, is dat de heterogeniteit binnen het autismespectrum groot is. Geen een persoon met autisme is hetzelfde en ook de ontwikkeling varieert. Sommige kinderen krijgen hierdoor later de juiste zorg dan gewenst. Het tweede deel van het onderzoek gaat meer over kwetsbaarheid, zien waar ontwikkelingsbehoeften van een kindje liggen en waar je de sociale omgeving kunt laten aansluiten. Of dat nu wel of geen autisme is, is minder belangrijk. Dit deel is de BEER-interventie, een bijdrage aan vroegtijdige interventiemogelijkheden voor kinderen tussen 1 en 3 jaar, met problemen in de sociale- communicatieve ontwikkeling. Met online opdrachten en zeven huisbezoeken. Die huisbezoeken waren vooral heel leuk om te doen.”
Je schrijft dat sommige kinderen een verhoogde kans hebben om autisme te ontwikkelen. Je moet er vroeg bij zijn?
“Wanneer de ontwikkeling van een kind anders verloopt, wil je weten hoe dat komt. Bij het vroegtijdig opsporen, liepen we tegen dilemma’s aan. Het doel is niet per se die kinderen zo vroeg mogelijk diagnosticeren, maar wel zo vroeg mogelijk juiste hulp, ondersteuning aanbieden. We liepen er wat betreft kennis en expertise tegenaan dat het voor een jeugdarts of -verpleegkundige best moeilijk is om vroege signalen van autisme te herkennen of bespreekbaar te maken. Het is normaal dat het ene kind zich sneller ontwikkelt dan het andere en dit ook per ontwikkelingsgebied verschilt. De vraag blijft wanneer het een vertraagde normale ontwikkeling is en wanneer een afwijkende. Een ingewikkeld onderscheid. We moeten hierin bovendien heel voorzichtig zijn, omdat jonge kinderen nog volop in ontwikkeling zijn.
De CoSoS-vragenlijst (Communicatieve en Sociale Ontwikkelings- signalen) helpt ouders en professionals om problemen te herkennen op het gebied van contact, communicatie, spel en prikkelverwerking. Dit zijn problemen die onder andere bij autisme voorkomen. Deze vragenlijst op de site www.autismejongekind.nl kan iedereen invullen. Autisme kan op jonge leeftijd best te diagnosticeren zijn, maar de vraag is of dit altijd nodig is. De diagnose autisme is niet altijd zo relevant, hoewel voor sommige kinderen het label toegang tot zorg kan geven en verhelderend kan werken bij zorgen vanuit de omgeving. Ik vind het bij hele jonge kinderen juist mooi als je zonder etiket of label toegang hebt tot zorg. Het moet veel meer gaan over signaleren waar ontwikkelingsbehoeften liggen en dan daarbij kunnen aansluiten.
De ‘beschikbaarheid van de zorg’ is het tweede dilemma. Je bent afhankelijk welke zorg een gemeente biedt. Heb je een doorverwijzing, dan zijn er lange wachtlijsten. Een jeugdarts zei terecht ‘Waarom zouden wij zo vroeg signaleren als er vervolgens nog een half jaar gewacht moet worden?’ De BEER-interventie is ontwikkeld om, heel laagdrempelig, bij mensen thuis, zonder het te hebben over diagnoses of labels, ondersteuning te bieden.”
Hoe blijft het betaalbaar en laagdrempelig?
“Dat is een goede vraag, want nu mijn collega’s bij Karakter en vanuit Stichting Autisme Jonge Kind bezig zijn met de implementatie, blijkt het financiële stuk best ingewikkeld. Waar brengen we BEER onder en wie betaalt het? Idealiter in ieder geval bij een organisatie die laagdrempelig hulp biedt. Er zijn inmiddels ruim honderd BEER-hulpverleners actief in het land en de zorg is ondergebracht bij organisaties als de Jeugdgezondheidszorg, MEE, bij buurtteams, sociale wijkteams of bij de Integrale Vroeghulp; dit alles verschilt per gemeente. Bij de actuele cursus voor de BEER-professionals staat als vereiste een vooropleiding minimaal op hbo-niveau en werkzaam zijn in de jeugdzorg (nulde of eerste lijn). Deelnemers variëren van jeugdverpleegkundigen, pedagogen, psychologen en logopedisten tot ambulante gezinsbegeleiders.”
Wat is zo mooi aan de huisbezoeken tijdens de BEER-interventie?
“Als onderzoeker was het mooi om een stukje met iemand mee te mogen lopen. Bij veel jonge gezinnen ontmoette ik vooral gastvrijheid. Je krijgt veel meer van de context mee tijdens zo’n bezoek in een huiselijke omgeving. Je ziet hoe een kindje eigenlijk opgroeit. ‘Plezier in de interactie met je kind’ was de ingang bij deze speelse huisbezoeken. Voor ouders is het vooral mooi dat er iemand náást je staat, ervaren dat je het als ouder niet alleen hoeft te doen. Dat is helpend.
Bij dit soort antwoorden schemert soms toch meer de orthopedagoog in mij door dan de onderzoeker.”
Kijk je als kersverse moeder nu anders?
“Ik heb het altijd belangrijk gevonden om stil te staan bij het gevoel van ouders en dat serieus te nemen. Nu ik zelf moeder ben, weet ik dat het moedergevoel echt iets zegt. Het is belangrijk voor professionals daarnaar te luisteren. Zeker als zo’n moeder denkt ‘er is iets niet pluis’.
Het niet-pluis gevoel bij de moeder is een signaal dat je serieus moet nemen. De moeite waard om te onderzoeken. De kinderopvangprofessionals kunnen ook een niet-pluis gevoel hebben. Het wordt ingewikkeld wanneer ouders wel zorgen hebben en een professional niet, of andersom. Als moeder kan ik me nu beter inleven in dat gevoel als er iemand aan jouw kind komt.”
Waarom moet deze BEER-interventie beschikbaar zijn?
“Bij onduidelijke zorgen of wanneer een ontwikkeling niet vlekkeloos verloopt, wordt nu nog vaak gekozen voor de wait and see approach. Dat monitoren kan te afwachtend zijn. Hoewel soms passend, blijkt uit dit onderzoek dat het juist helpend kan zijn om op heel jonge leeftijd gerichte ondersteuning te bieden, zoals met het programma BEER. Het gaat dan niet over wel of geen autisme, wel of geen ontwikkelingsprobleem, maar om maatwerk. Het programma wordt ingezet als een ontwikkeling anders verloopt op het gebied van spelen, contact maken, communicatie of flexibel gedrag. De benadering is speels, in de eigen veilige omgeving en de ouder is de ingang. BEER-professionals hebben de vaardigheid om naast de ouder te gaan staan en de ouderlijke sensitiviteit te vergroten, zodat ouders het gedrag van hun kind beter begrijpen. De insteek is vooral positief, en objectief: wat werkt wel? Een brede benadering, zonder oordeel. Ouders voelen compassie, begrip voor hun zorgen. De kracht is: ouders en professionals staan naast elkaar, doen het samen.”
Conclusie, voortgang… en opbrengst voor de pedagoog
“Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de BEER-interventie significant positieve effecten heeft op de ouderlijke vaardigheden in de zin van ‘ondersteunend leren’. Het programma BEER wordt in de praktijk bijgesteld en doorontwikkeld, verder geïmplementeerd en heeft nu ook een app. Ouders kunnen zo informatie vinden, opdrachtjes uitvoeren en de eigen kindontwikkeling volgen.
Ik hoop dat tijdig passende hulp gegeven kan gaan worden bij jonge kinderen met problemen in de sociaal-communicatieve ontwikkeling. Bij deze jonge doelgroep gaat het om vroeg te signaleren, niet om per se meteen te diagnosticeren, maar om te interveniëren: zo vroeg mogelijk hulp bieden waar ouders en kind iets aan hebben. Hier ligt een mooie taak voor de pedagoog.”
tekst: Liesbeth Groen-Flinterman
foto: Céline Machiels
‘Mag ik verven?’, vraagt Fatih (5). Het thema is kleuren en vormen, dus natuurlijk mag dat. Het papier hangt al klaar, vierkanten met lijntjes in de primaire kleuren, driehoeken met paarse, groene en oranje lijnen en de cirkel wordt bruin. Mengen maar en inkleuren. Fatih doet het met de grootste zorg en toewijding. ‘Mag ik nu een wit papier?’, vraagt hij als hij klaar is.
Lees meer
Ik moet eraan denken tijdens het NVO-congres afgelopen september. “Buiten de lijntjes is er meer ruimte”, zegt pedagoog Angelique Peters. Ze spreekt over de beperkte ruimte die je hebt om iets te doen buiten het (financiële) kader dat je gegeven is. En ze spoort ons aan lef te hebben, je af te vragen waar de kaders knellen en niet meer helpend zijn.
Sinds juni heb ik een nieuwe functie waarbij het juist de bedoeling is buiten de kaders te treden. Als brugfunctionaris ben ik er voor ouders en moet ik school, thuis en wijk met elkaar in verbinding brengen. Soms begeleid ik ouders zelf, vaak help ik ze op weg. Het is een nieuwe functie met veel bewegingsvrijheid. Onherroepelijk komt daarbij de vraag op waar je bevoegdheid begint en eindigt.
Het antwoord komt in november op een ander congres: Dwars denken – samen doen. “Wie acht jij bevoegd om jou toestemming te geven?”, vraagt onderzoeker en publicist Marije van den Berg aan de zaal. Zij heeft het niet over lijntjes en kaders, maar over muren: “We botsen voortdurend tegen de randen van het systeem, we moeten die muren herkennen en weghalen. De meeste goede ideeën kun je gewoon uitvoeren, je bent al bevoegd.” Een tekst die we als wetenschappelijk opgeleide pedagogen, denk ik, wat vaker tegen onszelf mogen zeggen.
“Mag ik nu een wit papier?” Fatih heeft laten zien dat hij met het materiaal om kan gaan en binnen de kaders kan werken. Het zal per kleuterklas verschillen of een kind een tweede vel krijgt. Bij mij wel. En ik word beloond. Fatih schildert met z’n zelfgemengde bruin een groot hek. Daarbovenop verrijst een nog grotere gele vogel, met oranje snavel en wijd uitgestrekte vleugels. Het blijkt een kuiken te zijn dat gaat vliegen. Hij kijkt er tevreden naar, doopt z’n kwast weer in de bruine verf en schrijft er met grote letters boven: faith.
Ik wens jullie ook veel (zelf)vertrouwen voor 2026.
tekst: Bart van Gent
tekeningen: Krijntje Oskam (portret) & Fatih
Bart is orthopedagoog. Hij werkt als brugfunctionaris en leraar op een basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De ouders van Fatih geven toestemming voor het gebruik van zijn naam en schilderij.
In september bezocht ik het congres van de NVO met als thema ‘De Pedagoog van Nu’. Gedurende een deel van de dag kon je rondlopen op de innovatiemarkt. Die zette me aan het denken: wat betekent innovatie eigenlijk binnen ons vakgebied? En welke rol vervult de pedagoog hierin anno 2025?
Lees meer
Van tevoren had ik verwacht op de markt vooral futuristische innovaties te zien: apps, virtual reality, misschien AI-toepassingen. In plaats daarvan presenteerden universiteiten, praktijkhouders en andere professionals hun onderzoeksprojecten en evidence- of practice-based interventies.
Een terugkerend thema op de markt was het brede perspectief op welzijn. Bij meerdere projecten en interventies was er aandacht voor emotioneel welzijn door middel van zelfregulatie en veerkracht. De training YourSkills1 van PI Research helpt kinderen tussen de 8 en 13 jaar die snel boos worden en regelmatig conflicten hebben. Door middel van rollenspellen of virtual reality (toch wel dus!) leren ze vaardigheden om hun emoties beter te reguleren.
Ook in het hoger onderwijs is aandacht voor welzijn steeds urgenter. De Four-Week Well-being Course2, ontwikkeld door Marjolein Prenger en Ed de Bruin van de Universiteit Twente, biedt studenten een laagdrempelige en evidence-based kennismaking met positieve psychologie en mindfulness. Alhoewel zij door omstandigheden niet op de markt aanwezig konden zijn, is dit toch een mooie interventie om te noemen. In vier bijeenkomsten werken studenten aan thema’s als persoonlijke waarden, stress, weerbaarheid, FOMO, zelfcompassie en verbondenheid. De cursus combineert wetenschappelijke inzichten met praktische oefeningen en wordt ondersteund door actueel onderzoek naar studentenwelzijn.
Orthopedagogen-generalist Martie van der Reijden en Evelien van den Kerkhof ontwikkelen aantrekkelijk therapie- en spelmateriaal voor kinderen en jongeren op basis van de polyvagaal theorie. Met hun Praktijk Mijn Wereld3 helpen ze kinderen en jongeren om te werken aan een gevoel van veiligheid, regulatie en veerkracht.
Deze interventies maken zichtbaar hoe pedagogen actief bijdragen aan het versterken van welzijn, via het aanleren van vaardigheden, het creëren van veiligheid en het stimuleren van veerkracht. Innovatie zit hier niet per se in het bedenken van iets nieuws, maar in het doordacht en doeltreffend inzetten van bestaande kennis, op manieren die aansluiten bij de leefwereld van kinderen, jongeren en studenten.
Een ander belangrijk thema was de samenwerking met ouders en bredere systemen rondom een kind. Het belang hiervan wordt onderstreept op alle interventieniveaus, van primair tot tertiair.
Zo presenteerde Shelley van der Veek, van de Universiteit Leiden, haar onderzoek rondom de e-learning Samen leren eten4 die zij ontwikkelde. Deze biedt ouders handvatten om met uitdagend eetgedrag van hun peuter om te gaan. Bartiméus en de Vrije Universiteit Amsterdam toonden met Affect Us5, een academische werkplaats, verschillende projecten en methodieken om sociale relaties en gehechtheid te verbeteren bij mensen met een visuele en/of verstandelijke beperking. Onderzoekers van Universiteit Leiden en Jeugdbescherming West presenteerden projecten over ouderparticipatie bij spoedmachtigingen en terugplaatsing na uithuisplaatsing.6 Hierin liggen nog genoeg mogelijkheden voor verbetering en ontwikkeling.
De pedagoog van nu heeft aandacht voor deze systemen en probeert verschillende (f)actoren daarbinnen te verbinden. Innovatie draait hier om het verkrijgen van kennis en het ontwikkelen van methodieken die aansluiten bij de complexiteit van het leven van kinderen en gezinnen, en het samenwerken met verschillende professionals en instanties.
De rol van de wetenschap als fundament van goed pedagogisch handelen werd op de innovatiemarkt nadrukkelijk zichtbaar. Diverse universiteiten, waaronder de Vrije Universiteit, Universiteit Leiden en Universiteit van Amsterdam, presenteerden (promotie)onderzoeken.
Zo presenteerde Fae van der Weijden haar promotieonderzoek naar de effectiviteit van Bouw!7, een preventief programma dat zich richt op leerlingen van groep 2 tot en met 4 met een risico op leesproblemen. Haar onderzoek levert waardevolle aanbevelingen op voor scholen die werken met het programma. En alhoewel de Cogmed Werkgeheugentraining8 een interventie is die al sinds 2007 in Nederland wordt toegepast, blijven actuele onderzoeksdata van belang. Selma van Berkel was aanwezig op de innovatiemarkt om toelichting te geven bij de beschikbare onderzoeksdata en het belang van de opleiding tot Cogmed Coach onder de aandacht te brengen. De pedagoog van nu stelt kritische vragen: wat werkt echt, voor wie en onder welke omstandigheden? Innovatie betekent hier niet altijd technologische snufjes, maar juist het stevig verankeren van interventies in gedegen onderzoek.
De innovatiemarkt gaf me het beeld van de pedagoog als professional die interdisciplinair werkt, wetenschappelijk onderlegd is en oog heeft voor relationele processen. De pedagoog van nu houdt zich staande in een dynamische maatschappij, waarin blijven leren en samenwerken onmisbaar zijn.
Innovatie betekent niet per se de nieuwste app of techniek, maar vooral het blijven afstemmen op wat kinderen, gezinnen, mensen met een beperking of ouderen enerzijds en professionals anderzijds werkelijk nodig hebben. Het is een voortdurend proces van verbinden, verdiepen en toepassen van kennis ten behoeve van het kind, de volwassene of oudere en zijn omgeving.
De verbinding tussen praktijk en wetenschap is hierbij essentieel. Innovatie ontstaat wanneer onderzoek en praktijk elkaar versterken. Dit onderstreept de noodzaak om te blijven investeren in deze samenwerking, zodat pedagogisch handelen altijd gebaseerd is op de best beschikbare kennis én aansluit bij de praktijk.
tekst: Rianne Manenschijn
foto: Marijke Buisman
Mensen met een verstandelijke beperking hebben doorgaans meer ziekten en medische aandoeningen dan gemiddeld. Omdat zij zich verbaal moeilijk kunnen uiten en signalen van pijn vaak anders zijn, wordt pijn vaak onderschat en dus onderbehandeld. Daarom is er onder auspiciën van de Stichting Kwaliteitsimpuls Langdurige Zorg, SKILZ, een nieuwe richtlijn ontwikkeld voor pijn bij mensen met een verstandelijke beperking.
Een gesprek met twee van de samenstellers: Iris Pol, orthopedagoog bij De Twentse Zorgcentra en Leendert Sneep, fysiotherapeut bij Ipse de Bruggen.
Iris Pol
Fysiotherapeut Leendert Sneep (47) is al ruim twintig jaar betrokken bij het onderwerp pijn. “Ik volgde destijds een scholing waar pijn aan bod kwam en dat wekte mijn interesse. Ik dacht: we besteden veel te weinig aandacht aan het onderwerp, met name als het gaat om mensen met een verstandelijke beperking. Dus toen ben ik begonnen met het opstellen van een interne richtlijn. Inmiddels ben ik al twintig jaar met het onderwerp bezig.”
Ook orthopedagoog Iris Pol (29) kun je als een deskundige beschouwen op het gebied van pijn. Zo schreef ze haar masterthesis over pijn bij mensen met een verstandelijke beperking. “Eigenlijk ben ik tijdens mijn studie per toeval met dit onderwerp in aanraking gekomen, maar ik raakte direct geboeid. Toen ik als gedragsdeskundige aan het werk ging bij De Twentse Zorgcentra, ben ik ook meteen in het pijnteam terechtgekomen en sindsdien houd ik me met het onderwerp bezig.”
Is pijn in de langdurige zorg voor mensen met een verstandelijke beperking nog een ondergeschoven kindje?
Iris: “Ja, er is nog altijd te weinig aandacht voor. Omdat mensen met een verstandelijke beperking op een andere manier laten zien dat ze pijn hebben, herkennen we niet altijd de signalen als zodanig.” Leendert: “In het voorstadium van het ontwikkelen van de nieuwe richtlijn is er onderzoek gedaan naar de oude richtlijn, die uit 2015 dateert. Daaruit bleek dat een groot deel van de professionals de richtlijn niet eens kende. Dat maakt wel duidelijk dat er te weinig aandacht voor pijn is.”
Waarom was de oude richtlijn verouderd?
Leendert: “De oude richtlijn richtte zich hoofdzakelijk op het signaleren van pijn. De nieuwe richtlijn is veel uitgebreider, want we hebben de diagnostiek en het behandelproces er ook in meegenomen. Daarnaast speelt het biopsychosociale model een belangrijke rol in de nieuwe richtlijn. Die stelt dat gezondheid, ziekte en welzijn het resultaat zijn van een wisselwerking tussen biologische, psychologische en sociale factoren. Een holistische kijk op pijn in feite, die meer bij de inzichten van nu past; je moet al die aspecten meewegen om een duidelijk beeld te krijgen en vervolgens een goede interventie te plegen. Dat is niet makkelijk bij deze doelgroep, maar wel ontzettend belangrijk. Doordat het zo moeilijk is signalen van pijn bij mensen met een verstandelijke beperking te herkennen en daardoor het onderzoeken van oorzaken complex is, blijven hulpverleners vaak hangen in het zoeken naar lichamelijke oorzaken, terwijl de psychosociale factoren van groot belang zijn voor de pijnbeleving en de kwaliteit van leven.”
Iris: “Ook het methodisch werken rondom pijn is een nieuw aspect in deze richtlijn, dus dat je met pijn omgaat volgens de plan, do, check, act-methode. Verder hebben we een duidelijker onderscheid gemaakt tussen acute en chronische pijn.”
Leendert Sneep
Leendert: “Interessant is dat bij chronische pijn de interactie met anderen ook een rol gaat spelen, dus hoe reageren familieleden bijvoorbeeld op de pijnervaring.”
Iris: “Klopt, de systemische benadering hebben we ook mee- genomen in de richtlijn en daar is uiteraard een rol voor ons als orthopedagogen weggelegd. Ook de mensen om de cliënt heen hebben invloed op hoe de pijn wordt beleefd en het is fijn als ze zich daarvan bewust zijn. Pijn kan voor cliënten enorm belemmerend zijn in hun dagelijks leven en dan is het mede aan ons om samen met de mensen eromheen te zoeken naar de mogelijkheden die er wel zijn, ondanks de pijn. Weer dingen doen waar je blij van wordt, heeft vaak ook een positief effect op de pijnbeleving, want die raakt naar de achtergrond.”
Toch kan ik me voorstellen dat het nog steeds ingewikkeld is om te achterhalen wat er aan de hand is bij mensen met een verstandelijke beperking.
Iris: “Soms zijn professionals geneigd om bij twijfel over de oorzaak van pijn niet te handelen, maar in de richtlijn schrijven we dat het ook bij twijfel belangrijk is dat je wel handelt. De methodische aanpak helpt je daarbij. Je vormt een hypothese en die ga je vervolgens systematisch toetsen door er een interventie op te zetten en die te evalueren. In de richtlijn staat ook een format dat je kunt gebruiken om je interdisciplinaire overleg vorm te geven. Een format dat is opgesteld aan de hand van het SCEGS-model (Somatisch, Cognitief, Emotioneel, Gedrag en Sociaal) dat zich ook richt op die biopsychosociale manier van kijken.”
Leendert: “Dat hebben we heel expliciet neergezet omdat professionals soms een beetje in het somatische blijven hangen, terwijl je ook die psychosociale aspecten wilt meenemen in je beeldvorming.”
Iris: “Ook zonder duidelijke oorzaken kan er sprake zijn van pijnbeleving en pijnklachten. Die worden dan bijvoorbeeld veroorzaakt door stress of andere oorzaken. Het is belangrijk dat hulpverleners ook die pijn erkennen.”
Op welk moment pak je de richtlijn erbij, is dat als je een vermoeden van pijn hebt bij een cliënt?
Iris: “Dat is wel een logisch moment, ja. Los daarvan zou het ook heel mooi zijn als je de richtlijn eens gewoon op een rustig moment doorleest, maar ik begrijp dat dat er niet altijd van komt.”
Leendert: “Mijn tip zou zijn om een casus uit je eigen praktijk te pakken en de richtlijn aan de hand van die casus door te lezen. Vraag jezelf af wat je anders had gedaan als je de richtlijn had gehad en hoe dit voor de cliënt zou hebben uitgepakt. Zo kom je echt een stap verder.”
Professionals die met de nieuwe richtlijn moeten werken, zullen wellicht de vrees hebben voor extra administratieve last.
Iris: “Bij het opstellen van de richtlijn hebben we echt ons best gedaan om ‘m zo praktisch en laagdrempelig mogelijk te maken, met samenvattingskaarten, tabellen en allerlei andere hulpmiddelen. Dat was ook een van mijn aandachtspunten tijdens de vergaderingen van de werkgroep: ‘Hoe houden we het eenvoudig en werkbaar, zonder al te veel administratieve last’.”
Leendert: “En uiteindelijk levert het werken volgens de richtlijn ook tijdwinst op, juist omdat je zaken systematisch aanpakt. Want je hoeft niet meer vijf keer naar de dokter om iets uit te zoeken. De richtlijn geeft je allerlei handvatten, bijvoorbeeld voor een effectieve communicatie met de artsen.”
Iris: “In de huidige tijd, met het nodige personeelsverloop, is het ook belangrijk om zaken goed vast te leggen, zodat iedereen rondom de cliënt weet wat er speelt en signalen van pijn ook door professionals die minder bekend zijn met de cliënt worden herkend.”
Leendert: “Om te voorkomen dat ook deze richtlijn te weinig wordt geraadpleegd, zijn we met een aantal zorgorganisaties een samenwerking gestart om te kijken hoe we de richtlijn op een zodanige manier kunnen implementeren dat mensen ‘m ook echt gaan gebruiken. Ook bieden we scholing aan om met de richtlijn te leren werken.”
De werkgroep die de richtlijn heeft opgesteld bestond uit twaalf personen, allemaal met verschillende achtergronden. Hoe is dat proces verlopen?
Iris: “Best soepel eigenlijk. Het interdisciplinaire karakter van de groep vind ik ontzettend belangrijk, want iedereen brengt zijn eigen kijk op pijn mee. Daarom vind ik het ook belangrijk om dit interview samen met Leendert te doen. Er maakte bijvoorbeeld ook een tandarts deel uit van de werkgroep, omdat een slechte mondzorg een veelvoorkomend probleem is bij deze doelgroep.”
Leendert: “We hebben best wat discussies gehad, maar dan konden we op grond van inhoudelijke argumenten keuzes maken. Twee procesbegeleiders van SKILZ zorgden voor de ondersteuning en dat heeft ook erg geholpen.”
![]()
Iris, hoe zie jij tot slot de rol van pedagogen en orthopedagogen bij het werken met deze richtlijn?
Iris: “Als orthopedagoog heb je vaak de rol van regiebehandelaar en dan moet je dus die interdisciplinaire samenwerking coördineren. Als je dat goed en methodisch wilt aanpakken en alle disciplines wilt aanhaken die nodig zijn, dan is de richtlijn echt helpend. Dat geldt ook voor het meenemen van het systeem. Daarnaast hebben wij een belangrijke rol bij de hypothesevorming, juist omdat we die brede blik hebben en niet alles verklaren vanuit het medische model. En we kijken steeds vaker naar het welzijn van cliënten, naar wat wél kan en hoe we ondanks pijn toch kunnen zorgen voor een goede kwaliteit van leven. Bij al die aspecten is de orthopedagoog van grote waarde en de richtlijn kan je daar enorm bij helpen.”
tekst: Raymond Krul
De NVO heeft de richtlijn geautoriseerd. Iris Pol nam namens de NVO deel aan de werkgroep van deze richtlijn. De Richtlijn ‘Pijn bij mensen met een verstandelijke beperking’ is hier te lezen.
Leendert Sneep en Iris Pol zijn ook actief voor PijnZorg (On)beperkt, het landelijke kennisnetwerk over pijnzorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Wil je meedenken of jouw kennis en ervaring delen met het netwerk?
Vul dan het formulier in op www.pijnzorgonbeperkt.nl.
Zojuist heb ik de derde aflevering van Adolescence gekeken en ik moet er echt even van bijkomen. Opnieuw. De vorige keer keek ik deze Netflix-serie zonder pauze, vier uur achterelkaar. Helemaal gegrepen. Bij de keel wel te verstaan.
Lees meer
Hoofdrolspeler ‘Jamie’, Owen Cooper.
Waarom moet de lezer van de Pedagoog dit weten? Er is immers al zoveel over geschreven. Dat het allemaal vanuit één camerastandpunt is gefilmd. Dat het hyperrealistisch is. Dat het geweldig geacteerd is en niet voor niets beloond met zes Emmy’s, waaronder die voor de 15-jarige acteur Owen Cooper. Helemaal waar. Op zich al reden genoeg om te kijken, ook voor onze lezers natuurlijk.
Maar, pedagogen, daarnaast is het ook nog eens interessant studiemateriaal. Want wij komen er in voor. Zeer marginaal, zoals die kleine jeugdzorgmedewerker Derek in aflevering 1. En zeer prominent in aflevering 3. Engeland kent geen orthopedagogen, maar anders was klinisch psycholoog Briony er vast een geweest. Forensisch afgestudeerd. En voor gedragswetenschappers die in het onderwijs werken is aflevering 2 wat mij betreft een must see. Want wat gebeurt er in ‘s hemelsnaam allemaal op deze middelbare school? Waar docent Malik het inmiddels heeft opgegeven, maar brigadier Frank zich gelukkig haar vroegere docent Mrs Benton herinnert, want ‘kinderen hebben puur iets nodig wat ze zelfvertrouwen geeft’.
Dat zelfvertrouwen is ver te zoeken bij de 13-jarige Jamie Miller. Hij ziet zichzelf als lelijk (‘waarschijnlijk de lelijkste’) en ziet dat zijn vader in schaamte zijn hoofd afwendt langs de lijn van het voetbalveld. Het ergste is dat hij zichzelf rekent tot de 80 procent jongens en mannen die volslagen genegeerd worden door de meisjes en vrouwen, tot de involuntary celibates (incels) dus. Volgers van Andrew Tate weten wat hiermee wordt bedoeld, al wordt die naam in de serie niet genoemd. Jamie is duidelijk onder zijn invloed, met dramatische gevolgen.
Eerder schreef ik in deze rubriek al eens over Oogappels, de Nederlandse serie over puberkinderen en hun (groot-)ouders. Daarin gaat veel goed, terwijl het in deze serie gruwelijk misgaat. Waar je bij de ene serie heerlijk achterover kunt leunen, zit je bij Adolescence op het puntje van je stoel. Een klein glimlachje kon er bij mij nog wel af toen rechercheur Bascombe zijn puberzoon Adam voorstelde samen patat te gaan eten en in één adem onhandig zijn vaderliefde verklaarde, waarop Adam deze liefdesverklaring bevestigde met: ‘Yeah, I can be hungry.’ Verder valt er weinig te lachen, maar laat je daardoor niet weerhouden Adolescence te kijken. Of nógmaals te kijken.
Adolescence is geen whodunit. Dat is al snel duidelijk. De serie onderzoekt wat er achter het gedrag zit. Dit klinkt waarschijnlijk bekend. Mogelijk is dat de kern van je werk. Begrijpen wij onze jongeren nog wel? Of hebben we de hulp van diezelfde jongeren nodig, van jongens zoals Adam. Weten we eigenlijk wat er speelt onder jongeren? Misschien een beetje beter na het zien van deze serie. Ik heb zelf nog één aflevering te goed. Die zoomt in op de desastreuze gevolgen voor de ouders en zus van Jamie. Zeer aangrijpend. En het is al laat. Misschien geen goed idee om dit net nog voor het slapengaan te doen. Morgen dan maar.
tekst: Andries Kamminga
foto: Shutterstock
Zie ook: Interview met Jacqueline Kleijer.
Het belang van een classificatie is momenteel een groot twistpunt onder jeugdhulpverleners. Mijn pleidooi is om op te houden met het toewijzen van labels aan kinderen. Daarbij geef ik handvatten waarmee je wél duidelijkheid en richting kunt geven aan ouders, leerkrachten en hulpverleners.
Lees meer
Het grootste voordeel van een DSM-classificatie is dat het de schuld van problemen lijkt weg te halen bij degene die wordt geclassificeerd, en bij ouders. Althans, zo zien volwassenen het vaak. Of kinderen het ook zo ervaren, weten we niet. Hier is nog verrassend weinig onderzoek naar gedaan (Franz et al., 2023). Een ander voordeel is dat het richting geeft: in welke hoek moeten we het zoeken? Welke behandeling is passend? Maar hiervoor is een classificatie helemaal niet nodig (Batstra, 2012).
Misvatting 1: kinderen hebben baat bij een classificatie
Vaak hoor je dat kinderen alleen goed geholpen kunnen worden als er een classificatie wordt toegekend. Ook lees je geregeld over volwassenen die op latere leeftijd een classificatie hebben gekregen en vertellen ze dat ze dit ‘veel eerder hadden willen weten’ omdat hen dan veel leed bespaard was gebleven. Dit is echter het perspectief van een volwassene. Een kind kan niet overzien en doorgronden wat een classificatie inhoudt en wat de gevolgen zijn.
Misvatting 2: classificaties verwijzen naar een aantoonbare stoornis
De overtuiging is dat diagnoses in de DSM echt bestaan en aantoonbaar zijn. Men vergeet dan hoe tijds- en cultuurgebonden deze classificaties zijn en hoeveel overlap er is (o.a. Nieweg, 2013). We kennen inmiddels de verhalen van deskundigen die uit commissies zijn gestapt die de classificaties hebben vormgegeven. Omdat bepaalde classificaties gemeengoed zijn geworden – zoals autistisch en narcistisch – (Coornstra & Snijders, 2025) geloven steeds meer mensen dat deze classificaties echt iets zijn, zoals griep aantoonbaar door een virus wordt veroorzaakt. Maar de DSM is samengesteld om onderzoek te kunnen doen en als naslagwerk voor hulpverleners (Batstra, 2012; Van Os, 2017). Niet als een boek met checklists om aantoonbare stoornissen te kunnen vaststellen. Bovendien veranderen met elke nieuwe DSM-versie het aantal en soort stoornissen.
Misvatting 3: kinderen kun je op dezelfde manier diagnosticeren als volwassenen
Als je classificaties op dezelfde manier gebruikt als bij volwassenen, ga je eraan voorbij dat kinderen veel sterker in ontwikkeling zijn en afhankelijk van hun omgeving. Spreken van ‘kind-eigen problematiek’ heeft het risico dat je omgevingsfactoren over het hoofd ziet en de ontwikkelingsmogelijkheden en veerkracht van kinderen negeert. Bovendien hebben kinderen en jongeren veel minder kennis, levenservaring en vaardigheden om te reflecteren op wat goed voor ze is en hoe ze zichzelf willen zien.
Een classificatie lijkt ons de weg te wijzen in wat er aan de hand is. Maar de ene jongere met een classificatie ASS is de andere niet. En de ene ADHD’er doet het goed met medicatie, de andere niet. Bovendien passen veel kinderen niet perfect in het hokje. En is een classificatie vaak een veel te korte samenvatting van wat er echt aan de hand is: er spelen veel factoren mee bij probleemgedrag, sociale of emotionele problemen (zie o.a. Scheepers, 2021).
Stel: In een gezin heeft het oudste kind last van drukte in de klas. Onderzoek op verzoek van de ouders gaf de classificatie ASS. Een jonger zusje met dezelfde aanleg zit in een stressvrije klas en heeft een vertrouwd maatje met vergelijkbare aard. Ze doorloopt de basisschool zonder problemen en is daarom nooit onderzocht. Vanwege de oudste dochter is opvoedondersteuning voor dit gezin ingeschakeld, waardoor thuis rust is gecreëerd. Hierdoor heeft de jongere dochter zich probleemloos verder ontwikkeld. We zien hier een voorbeeld van zussen met een vergelijkbare aanleg, waarbij de ene wel en de andere niet met ASS is geclassificeerd. Wat doet dit met de identiteit van deze zussen?
Hind (17) vertoont forse gedrags- en sociaal-emotionele problemen. Ze is een ongewenst kind van ouders beiden met een jeugd vol fysiek geweld en emotionele verwaarlozing. Zij doen hun best, maar mishandelen Hind en het lukt moeilijk er onvoorwaardelijk voor haar te zijn.
Hind ontwikkelt in de loop van de basisschool sociale, concentratie- en ernstige emotieregulatieproblemen. Omdat ze mensen afstoot in plaats van ze te vertrouwen en agressief reageert op mensen die te dichtbij komen, wordt ze twee keer van school verwijderd, doorloopt ze verschillende behandelprogramma’s en ontmoet ze vele hulpverleners. De een ziet veel systemische factoren en stelt een hechtingsstoornis vast. De ander stelt als ze 13 jaar is een borderline persoonlijkheidsstoornis vast. De volgende is tegen diagnoses en schrapt deze weer. Haar moeder wil haar onderzocht hebben op autisme. Ze voldoet ook aan de criteria voor ADHD.
Hind zelf vraagt zich nu af wie ze nou eigenlijk is en welke stoornis ze heeft.
Kinderen groeien vaak over moeilijkheden heen, maar een classificatie blijf je levenslang met je meedragen. Herdiagnostiek gebeurt weinig. Daarnaast bestaat het probleem van de selffulfilling prophecy en stigmatisering: de omgeving gaat gedrag en problemen zien door de bril van de classificatie (Del Mar Montoya Rodríguez et al., 2017; Franz et al., 2023). De classificatie bepaalt bovendien een groot deel van de identiteit, nog voordat je volwassen wordt (Van Os, 2025). Een interventie waar duidelijk nadelen aan kleven (Werkhoven et al., 2022; Van Langen et al., 2024). Is het niet op zijn minst zorgelijk dat er geen gedegen onderzoek te vinden is naar het effect van deze interventie bij kinderen en jongeren?
We kunnen goede hulp aan kinderen en ouders bieden zonder het toekennen van classificaties. Hierbij nemen we handelings- en ontwikkelingsgerichte diagnostiek als uitgangspunt en behouden we de voordelen van classificaties, zonder deze daadwerkelijk toe te kennen. De meeste ouders melden hun kind bij onze praktijk aan met de vraag voor onderzoek naar ADHD of ASS. Een eerste stap in het diagnostisch proces is een gesprek over de hulpvraag: wat willen ouders precies weten en waarom? Ofwel: welke hulpvraag zit er achter de aanmeldreden? Uitleg over wat belangrijk is bij diagnostiek, hoort bij het gesprek over het diagnostisch onderzoek. Zoals wat we wel en niet weten als professionals, de voor- en nadelen van een classificatie, de mogelijke langetermijngevolgen en het samen vanuit het perspectief van het kind denken. Door hierover met ouders in gesprek te gaan, kunnen ze hun hulpvraag beter formuleren en werk je meer vraaggericht.
Diagnostiek gaat om meer inzicht in wat een kind nodig heeft, zowel op school als thuis. Handelingsgerichte beeldvorming dus. Omdat ouders en leerkrachten vaak de belangrijkste volwassenen om een kind heen zijn, ligt het voor de hand hen te betrekken bij de diagnostiek. Zo kun je gegevens verzamelen uit de leefwereld van het kind, versterk je de betrokkenheid bij het proces en het gevoel van competentie bij ouders: ik weet wat belangrijk is voor mijn kind, ik zie wat mijn kind nodig heeft. Voor de samenwerking met school is het ook een meerwaarde als zij bij het proces zijn betrokken. De kans is dan groter dat leerkrachten adviezen accepteren en uitvoeren.
In plaats van classificaties toekennen, doet zoeken naar instandhoudende en belemmerende factoren en de behoeften van het kind en de omgeving, veel meer recht aan de complexiteit van de ontwikkeling van kinderen (Batstra, 2012). Door op zoek te gaan naar specifieke factoren, wordt voor ouders, school en (afhankelijk van de leeftijd) het kind duidelijk wat aandachtspunten zijn. Samen met de volwassenen bepaal je waar op ingespeeld moet worden. Een voorbeeld: veel kinderen hebben concentratieproblemen. Vaak is niet goed te zeggen of dit door omgevingsfactoren komt, door prenatale factoren of door een bepaalde kwetsbaarheid van het kind. Door geen classificatie te gebruiken, kan dit punt openblijven: ‘We weten de oorzaak niet precies, maar we weten wel dat hij last heeft van concentratieproblemen en zich snel onveilig voelt.’ Dus zijn er twee factoren om op in te spelen: zorgen voor meer veiligheid in de klas en hulp bij het aangaan van langdurige opdrachten. Juist door eerlijk te zijn tegen ouders en school dat je niet altijd precies kunt achterhalen wat het onderliggende probleem is, kun je samen bekijken wat prioriteit heeft en waarop je kunt insteken.
We hoeven alle inzichten over wat kinderen met bepaalde problematiek nodig hebben echt niet weg te gooien. Je kunt best globaal blijven denken in groepen van probleemgebieden. En dan bijvoorbeeld gebruik blijven maken van de bekende gereedschappen uit de ADHD-hoek en een specifiek op dit kind gericht plan van aanpak opstellen. Hierin neem je natuurlijk ook andere verklarende factoren op die uit de diagnostiek naar voren komen.
Met een tijdlijn brengen we in beeld welke factoren hebben bijgedragen aan Hind’s sociale, emotionele en gedragsproblemen. Zo wordt het voor Hind en haar ouders duidelijk welke kwetsbaarheden er nu zijn en wat zij nodig heeft om zich weer positief te gaan ontwikkelen.
Haar ouders krijgen hulp, zodat zij beter weten hoe ze Hind kunnen ondersteunen bij heftige emoties, de band met haar kunnen verbeteren en haar meer het gevoel kunnen geven dat ze goed is zoals ze is. Voor Hind zoeken we naar een onderwijssetting waar veel begeleiding mogelijk is, zodat ze kan toewerken naar haar toekomstdroom om dierenverzorgster te worden. Ook krijgt ze traumabehandeling en behandeling rondom zelfbeeld aangeboden. Hind wordt aan een jongerenwerker gekoppeld die haar op sociaal gebied en bij het volhouden van school helpt.
tekst: Annelies van der Haar, orthopedagoog-generalist, systeemtherapeut i.o. bij Educonsult, een organisatie in Zeeland voor basis- en specialistische GGZ Kind & Jeugd.
Literatuur
In deze aflevering (oktober 2025) van de NVO Storytellers Podcast gaat gespreksleider Gerhard van Cappellen op zoek naar het antwoord op de vraag: waarom zijn we zo geneigd om kinderen te labelen? En wat gebeurt er als we dat niet doen? Samen met Merel Weijsenfeld (orthopedagoog-generalist in opleiding bij LUBEC) en Laura Batstra (hoogleraar orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen) verkent hij hoe we kinderen beter kunnen begrijpen zonder ze vast te zetten in labels.
Jongeren worden in de media regelmatig weggezet als ‘snowflakes’ die niet veel kunnen hebben en al snel ‘smelten’. Maar klopt dat negatieve beeld wel?
Lees meer
Renske van der Cruijsen foto: Marieke Struijk
Jongeren van nu groeien op in een maatschappij vol onzekerheden, met een huizencrisis, pandemie, klimaatcrisis en geopolitieke spanningen, waardoor de toekomst voor hen niet vastomlijnd is. Toch moeten zij leren wie ze zijn, wat ze willen en wat hun plek is in de maatschappij. In ons boek Generatie Zelfvertrouwen beschrijven Eveline Crone en ik aan de hand van ons langlopende onderzoek hoe jongeren in deze tijd worden wie ze zijn, en waarom de term ‘snowflakes’ simpelweg niet klopt.
De puberteit is een periode waarin het brein van jongeren is ingesteld om zichzelf te leren kennen. Maar jezelf leren kennen, doe je niet alleen: je leert over jezelf in verschillende sociale contexten, door je te spiegelen aan en door interacties met anderen. Zeker in de puberteit gaat dat gepaard met onzekerheden. Velen zullen zich het gevoel herinneren dat iedereen naar je kijkt, omdat je bijvoorbeeld tegen een deur aanliep, nét de verkeerde opmerking maakte of niet de ‘juiste’ outfit droeg.
Dat gevoel heeft een naam: het imaginary audience effect. Imaginary inderdaad, want in werkelijkheid is iedereen toch vooral op zichzelf aan het letten. Het gevoel een denkbeeldig publiek te hebben, lijkt te pieken rond 15-16-jarige leeftijd. In mijn eigen promotieonderzoek naar het zelfbeeld van jongeren zie ik rond dezelfde leeftijd ook een opvallend patroon: rond hun 15de zijn jongeren tijdelijk wat negatiever over zichzelf. Tegelijkertijd is dit ook een fase die ertoe dient je te motiveren om eropuit te gaan, jezelf te leren kennen en omarmen. En bovendien, het komt ook weer goed. Aan het eind van de adolescentie herstelt het zelfbeeld zich weer.
De vergelijking van het zelf met anderen speelt zich af in verschillende contexten, zoals klaslokalen, sporttrainingen en online. Sociale media zijn een relatief nieuwe context waarbinnen jongeren zichzelf leren kennen. Het biedt de kans om nieuwe kanten van jezelf te ontdekken, en het verlaagt de drempel om contact met anderen te onderhouden of contact te leggen met nieuwe mensen. Aan de andere kant kan (te) veel met sociale media bezig zijn onzekerheid vergroten. Er komen niet alleen onrealistische ‘perfecte plaatjes’ voorbij, maar ook een continue stroom aan nieuwsberichten over wat er gebeurt in de wereld.
Dat het negatieve beeld dat vaak van jongeren wordt geschetst geen goede beschrijving is, is in ieder geval duidelijk. Jezelf leren kennen in een tijd met zoveel maatschappelijke onzekerheden, die je online veelvuldig en gedetailleerd meekrijgt: daar moet je toch behoorlijk sterk voor in je schoenen staan!
In Generatie Zelfvertrouwen komt in elk hoofdstuk een vraag aan bod die ons vaak gesteld wordt door jongeren zelf, zoals ‘Waarom willen mijn ouders altijd iets anders dan ikzelf?’, ‘Waarom begrijpt niemand mij?’, en ‘Ben je online dezelfde persoon als offline?’.
We beantwoorden deze vragen op basis van ons en ander wetenschappelijk onderzoek én op basis van tips en inzichten van jongeren zelf.
tekst: Renske van der Cruijsen, universitair docent Orthopedagogiek, Radboud Universiteit Nijmegen. Co-auteur van Generatie Zelfvertrouwen (2024).
Van uitgeverij Maven Publishing mogen we drie exemplaren van Generatie Zelfvertrouwen weggeven. Interesse? Stuur voor 16 januari 2026 een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Hannah & de Krokodil is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Het boek is vormgegeven in samenhang met de gelijknamige documentaire, waarin papieren animaties op kunstzinnige wijze het verloop van een eetstoornis bij de 13-jarige Hannah verbeelden en de impact hiervan op haar gezin. Deze beelden keren terug in het boek en versterken de kracht van het verhaal. De metafoor van de ‘krokodil’, de stem in Hannah’s hoofd die haar steeds minder laat eten, is treffend en toegankelijk, voor jonge en oude lezers.
Het boek is opgedeeld in seizoenen en maakt zo, in sprongen, de groei van de krokodil en de ontwikkelingen in het gezin voelbaar. Deze structuur verduidelijkt goed de hardnekkigheid van eetproblematiek en de grilligheid van herstel. Bijzonder
is de manier waarop de impact op het gezin, en in het bijzonder op zusje Fien, is verbeeld. De verwarring, angst en machteloosheid zijn raak neergezet en maken het boek waardevol als gesprekstool voor gezinnen en hulpverleners.
Wat mij betreft is het enige minpunt aan dit boek de wijze waarop Fien (10 jaar) denkt en communiceert. Dit sluit
niet altijd aan bij wat je van een tienjarige verwacht. De volwassenheid van haar denken en doen doet enigszins af aan de geloofwaardigheid van haar perspectief. Desondanks is Hannah & de Krokodil een laagdrempelig maar indringend boek dat eetstoornissen bespreekbaar maakt, zonder de complexiteit uit de weg te gaan.
tekst: Rianne Manenschijn
Hannah & de Krokodil (2025) van Tine Lefebvre is een uitgave van Pelckmans.
Babies in Groups opent met een korte evolutionaire geschiedenis van de mens en de rol die groepen daarin altijd hebben gespeeld, ook in de opvoeding. Tot zover niets nieuws onder de zon. De auteurs gaan echter een stap verder en betogen aan de hand van eigen observaties dat ook baby’s kunnen genieten van (pre verbale) interacties in groepen en hier bovendien erg goed in zijn. Ze bespreken het belang van groepen voor baby’s in de kinderopvang en psychotherapie, onder andere aan de hand van een methode waarbij ze baby’s van zes tot acht maanden in groepen van drie of vier in kinderstoelen tegenover elkaar zetten en hun interacties heel gedetailleerd observeren. Tot verbazing van de onderzoekers gingen de baby’s hele rijke en complexe interacties met elkaar aan, zonder tussenkomst van volwassenen.
De kritiek van de auteurs op de gehechtheidstheorie door het boek heen is niet mals, maar ze hebben een aantal scherpe argumenten verzameld, op basis van eigen en ander onderzoek. Persoonlijk vind ik dat ze het kind met het badwater weggooien, maar het boek stimuleert zeker een meer relativerende kijk op en constructieve discussie
over het (te?) grote gewicht dat in wetenschap en praktijk aan de gehechtheidstheorie wordt gehangen.
Op de bijbehorende website staat aanvullend videomateriaal van een groepsobservatie op een kinderdagverblijf in Australië, dat het gedachtengoed mooi illustreert. Wat mij betreft een zeer prikkelende en waardevolle toevoeging aan de literatuur, maar lees en oordeel vooral zelf.
tekst: Sanne de Vet
Babies in Groups: Expanding Imaginations (2024) van Ben S. Bradley, Jane Selby en Matthew Stapleton is een uitgave van Oxford University Press en gratis te downloaden via academic.oup.com/book/55968
De app Hospital Hero is bedacht en ontwikkeld door twee kinderverpleegkundigen – in samenwerking met gezinnen – en heeft als doel angst en stress bij kinderen die een medische behandeling moeten ondergaan te verminderen. Op een speelse manier worden kinderen en ouders voorbereid en biedt de app tijdens het bezoek aan het ziekenhuis informatie en afleiding.
Zo kunnen kinderen een meet- en weegspelletje spelen en kunnen ze in de wachtkamer van het ziekenhuis dieren ‘verzamelen’ door met de camera van hun telefoon op zoek te gaan. Ook zijn er filmpjes, foto’s en interactieve content met uitleg in begrijpelijke taal over verschillende onderzoeksruimtes, medische procedures en instrumenten.
De app zit goed in elkaar en streeft een mooi doel na. Ik kan me goed voorstellen dat het een ziekenhuisbezoek voor kinderen minder spannend maakt. Het is wel jammer dat er op dit moment ‘slechts’ zes ziekenhuizen meedoen en de app daarmee niet bruikbaar is voor alle kinderen, maar aanmeldingen van nieuwe ziekenhuizen zijn welkom. Wat ook opvalt is dat het ondergaan van een operatie nog geen onderdeel is van de app.
Hospital Hero is uitgeroepen als winnaar van de Klokhuis Wetenschapsprijs 2024, vooral vanwege het spel Even Spieken. In dit spel kunnen kinderen en ouders thuis alvast rondkijken in de behandelkamer op de locatie van de afspraak. Mijn stiefzoontje van 9 vond de app leuk, maar ook een beetje kinderachtig. Voor wat jongere kinderen die naar het ziekenhuis moeten, is deze app zeker een aanrader.
tekst: Sanne de Vet
Hospital Hero is gratis te downloaden in de App/Play Store.
Bronfenbrenner – Basisgids over zijn visie en benadering is geschreven door drie professoren in de ontwikkelingspsychologie die zijn benadering als uitgangspunt nemen in hun eigen werk. In deze herziene uitgave betogen zij dat de coronapandemie het belang van kwalitatief hoogstaande, interactieve vroege leerervaringen nog duidelijker heeft gemaakt. En ook dat veranderende contexten kansen bieden om voor- en vroegschoolse educatie te verbeteren.
Het bio-ecologische kader vormt de basis van waaruit een pedagogische benadering voor opvang en onderwijs aan jonge kinderen kan worden vormgegeven. Kinderen ontwikkelen zich immers binnen relaties en interacties die ontstaan binnen én tussen de verschillende omgevingen waarin zij opgroeien. Vanuit deze basis maken de auteurs een koppeling met andere invloedrijke ontwikkelingspsychologische theorieën. Bijvoorbeeld Bowlby en Baumrind over de (hechtings)relatie en opvoedstijl binnen opvang en onderwijs. Ook het begrijpen en begeleiden van overgangssituaties en het belang van speelleeromgevingen komen uitgebreid aan de orde. Uiteindelijk leggen de professoren de verbinding met onderwijsconcepten als groeimindset, hoge verwachtingen en pedagogisch leiderschap.
Bekendheid met het werk van Bronfenbrenner en andere (ontwikkelings-) psychologische denkkaders vooraf is prettig. Het boek leest desondanks niet vlot weg. De reflectievragen tussendoor helpen gelukkig en dagen uit tot reflecteren over je eigen werkpraktijk. En zo bereiken de auteurs toch hun doel: professionals opnieuw laten nadenken over het verbeteren van de ontwikkelkansen voor de toekomstige generatie.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Bronfenbrenner – Basisgids over zijn visie en benadering (2025) van Nóirín Hayes, Leah O’Toole en Ann Marie Halpenny is een uitgave van SWP in de serie Pedagogiek van het jonge kind.
Susan Bögels is begonnen als onderzoeker en psychotherapeut in de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen in Maastricht. Inmiddels is ze hoogleraar Family Mental Health & Mindfulness aan de Universiteit van Amsterdam en heeft ze daarnaast een eigen opleidingsinstituut. Binnen haar leerstoel besteedt ze veel aandacht aan het onderzoeken van mindfulnesstrainingen voor ouders en kinderen.
Lees meer
Susan Bögels
“Het begon eigenlijk bij de ontwikkeling van een interventie voor volwassenen met een sociale angststoornis. In deze interventie ontwikkelden we een methode, die we taakconcentratie noemden, waarbij deelnemers hun aandacht leerden richten op dat wat ze aan het doen waren en hun omgeving in plaats van op zichzelf. Dit leek op mindfulness, hoewel ik daar toen, begin jaren negentig, nog nooit van gehoord had. Mindfulness is met aandacht en zonder oordeel in het moment aanwezig zijn. Het is als het ware een westerse variant op principes uit het boeddhisme. De grondlegger van mindfulness- based stress reductie, John Kabat-Zinn, had samen met zijn vrouw een boek geschreven over mindfulness en ouderschap, maar hiervoor nog geen systematische methode ontwikkeld.”
Susan Bögels en haar collega’s waren de eersten die dat deden en inmiddels bestaat er een scala aan mindful ouderschapstrainingen, zoals de algemene Mindful Ouderschapstraining, Mindful met je baby en peuter, MYmind-Mindfulness voor kinderen met ADHD en autisme en hun ouders en Mindfulness voor zwangeren.
Susan verbaast zich over de scheiding die nog steeds bestaat tussen de volwassenen- en jeugd-ggz. “Ouders en kinderen zijn onderdeel van een gezinssysteem. Juist daarom volgen ouders en kinderen met psychopathologie bij de MYmind-methode parallel aan elkaar een mindfulnesstraining en zien we dat dit de effecten versterkt.” Waar mindful ouderschapstrainingen eerst vooral werden aangeboden binnen de ggz, worden die nu ook steeds vaker ingezet binnen de preventieve (jeugd)gezondheidszorg. “Ons onderzoek liet zien dat overreactief ouderschap en stress rondom de opvoeding in de preventieve zorg net zoveel voorkwam als in de curatieve zorg.”
De mindful ouderschapstraining volgt de structuur van de ‘standaard’ mindfulnesstraining voor volwassenen en bestaat uit acht wekelijkse sessies in groepsverband, en een follow-up sessie acht weken later. Tijdens de sessies wordt geoefend met verschillende (korte) meditaties, tijdens de mindful ouderschapstraining zijn deze vooral toegespitst op het ouderschap. Zo krijgen ouders bijvoorbeeld de opdracht om hun kind te observeren met een beginner’s mind, alsof ze hun kind voor het eerst zien.
“Het probleem begint bij het zien van je kind als ‘mijn kind’. Ouders leren inzien welke verhalen ze zichzelf vertellen, bijvoorbeeld door zichzelf de schuld te geven van negatief kindgedrag of zichzelf op de borst te kloppen bij positief kindgedrag. Natuurlijk zijn ouders verantwoordelijk voor hun kind en hebben ze invloed, maar vaak overschatten ze hun aandeel, zowel in negatieve als positieve zin. Ouders oefenen hun kinderen te zien zoals ze zijn, zonder de verwachtingen die ze er zelf opgeplakt hebben. Hiernaast vergeten ouders vaak dat ze ook een innerlijk kind hebben dat aandacht nodig heeft. Kinderen zijn onze beste zenleraren en wijzen ons vaak onbewust op kwetsbare delen van onszelf die dringend aandacht en compassie nodig hebben. Wat op een moeilijk opvoedingsmoment dan bijvoorbeeld kan helpen, is om als ouder een time-out te nemen en een paar minuten tot jezelf te komen – we noemen dat een adempauze – om van daaruit bewust te kiezen hoe je op het kind wilt reageren.”
Er is inmiddels wereldwijd al behoorlijk wat onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de mindful ouderschapstraining. Grootschalige randomized controlled trials tonen aan dat deze ook daadwerkelijk effectief is in het verminderen van ouderlijke stress en overreactiviteit.
“De gevonden effecten zijn behoorlijk groot en anders dan de effecten van andere, meer algemene ouderschapstrainingen, zoals de Parent Management Training. De mindful ouderschapstraining draagt bijvoorbeeld ook bij aan meer innerlijke groei en een betere fysieke gezondheid van ouders. Bovendien is gevonden dat psychopathologie bij kinderen van wie ouders de training hadden gevolgd ook afnam.”
Bijzonder is dat veel onderzoeken naar mindful ouderschap zijn uitgevoerd in Hong Kong. Hoe valt dit te verklaren? “Ik denk omdat mindfulness goed aansluit bij de Aziatische cultuur én Hongkong een grootstedelijke omgeving is waar veel ouders worstelen met stress en prestatiedruk. Juist in zo’n samenleving is er waarschijnlijk veel behoefte aan ouderlijke mindfulness.”
Vijfentwintig jaar geleden vonden veel ouders het nog behoorlijk zweverig om zich met mindfulness bezig te houden. Tegenwoordig is dat meestal niet het geval, zelfs niet voor sceptische ouders.
Als Susan terugdenkt aan de vele mindfulnesstrainingen die ze heeft gegeven aan ouders, welke mooie anekdote schiet haar dan te binnen?
“Er zijn vele ontroerende momenten geweest. Wat me echt is bijgebleven, is het verhaal van een adoptiemoeder. Zij had moeilijkheden in de relatie met haar adoptiedochter van 16 jaar, met veel externaliserend probleemgedrag. Als zij uit school kwam, ging ze meestal meteen naar boven zonder met moeder te praten. Tijdens de training deed de moeder ervaring op met mindful luisteren: de tijd nemen en zonder oordeel, met volledige aandacht, luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. Toen ze dit thuis toepaste, haar laptop dichtklapte en mobiele telefoon weglegde toen haar dochter uit school kwam, ging die vervolgens op de bank zitten en uitgebreid vertellen over haar dag. Tijdens een van de volgende groepssessies bracht zij een cake mee voor de hele groep. Die was gebakken door, jawel, haar dochter.”
Dit voorbeeld illustreert hoe groot de kracht van ogenschijnlijk simpele mindfulnessoefeningen kan zijn. “Een kind écht zien zoals het is, is een hele kunst. Het lijkt simpel, maar is niet eenvoudig. We zijn in deze maatschappij zo gericht op alles buiten ons, terwijl het binnen in ons gebeurt, en het start met echte aandacht.”
![]()
“Mindfulness kan ons allemaal iets waardevols brengen, ook professionals. Zelf start ik een therapiesessie vaak met een korte ‘adempauze’. Je begint met een beweging naar binnen te maken en je af te vragen hoe het precies met je is op dit moment. Vervolgens breng je je hele aandacht naar het in- en uitademen. Dan breid je de aandacht uit naar je hele lichaam en de volgende momenten van je dag. Dit kan zowel de pedagoog als de cliënt helpen om te schakelen en vervolgens echt contact te kunnen maken met de ander en met wat werkelijk gezien wil worden. Uiteraard is er wel enige ervaring met mindfulness en meditatie nodig van de professional om dit te begeleiden.”
tekst: Sanne de Vet
Op de persoonlijke website van Susan Bögels – www.susanbogels.com – staat meer informatie over de trainingen, opleidingen en retraites die ze verzorgt voor professionals en ouders, zoals Mindfulness in de Levensloop van Gezinnen en Mindful Ouderschap. Ook is hier terug te vinden welke boeken ze heeft geschreven. In het voorjaar van 2026 komt haar nieuwe boek Parenting Ourselves uit.
De veiligheid van pleegkinderen is volop in het nieuws. Wat zegt de herziene Richtlijn Pleegzorg erover en is de richtlijn voldoende bekend bij professionals? Ellen Schep en Danielle van de Koot geven toelichting en gaan in op actuele ontwikkelingen.
Lees meer
Ellen Schep
Dit jaar kwam de herziene Richtlijn Pleegzorg beschikbaar.1 Met het tragische verhaal van het Vlaardingse pleegmeisje in het achterhoofd ga ik in gesprek met Ellen Schep en Danielle van de Koot die als auteurs betrokken waren bij de herziening. Ze werken allebei bij de Christelijke Hogeschool Ede, lectoraat Pleeg- en Gezinshuiszorg. Ellen Schep, NVO-pedagoog, als onderzoeker en Danielle van de Koot, pedagoog, als associate lector. Ellen is daarnaast gedrags- wetenschapper bij het Leger des Heils.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) publiceerde in september het rapport Pleegkinderen uit beeld2 over de veiligheid van pleegkinderen naar aanleiding van de calamiteit van het Vlaardingse pleegmeisje dat door haar pleegouders werd mishandeld. Het valt mij op dat het rapport vaak verwijst naar de Richtlijn Pleegzorg, zoals dit citaat op pagina 7: ‘Ook is aandacht nodig voor het werken volgens de veldnormen. De Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming moet beter worden geïmplementeerd en geborgd, zodat deze bij pleegzorgbegeleiders beter bekend is, ze ermee gaan werken en ze elkaar aanspreken waar dit niet gebeurt.’
Moet de richtlijn inderdaad meer gebruikt worden in de praktijk? Ellen: “Dat dit in het inspectierapport staat, benadrukt zeker de urgentie en het belang van de richtlijn. Het is cruciaal dat we de richtlijn gebruiken en ook toetsen wat we in de richtlijn hebben afgesproken.”
Danielle vult aan: “In het inspectierapport staan geen suggesties voor aanpassingen van de richtlijn. Wel staat erin dat de richtlijn moet worden opgevolgd en dat erop moet worden toegezien dat professionals de richtlijn toepassen. Een belangrijk principe daarbij is: ‘pas toe of leg uit’. De richtlijn is geen wetboek, maar geeft wel de richting aan die we op willen, op basis van ervaringen, kinderrechten en wetenschappelijk onderzoek. Als dat om de een of andere reden niet lukt, leg dan uit waarom, bespreek het met collega’s en leg het vast.”
Hoe zorg je voor meer alertheid op risico’s en misstanden in de pleegzorg? Ellen en Danielle wijzen erop dat in de vorige én de huidige versie van de Richtlijn Pleegzorg de meldcode kindermishandeling het uitgangspunt is als er zorgelijke signalen zijn. Daarnaast is het essentieel om het pleegkind drie keer per jaar persoonlijk te spreken, iets wat in de Vlaardingse casus niet is gebeurd.
Ellen: “De stem van het kind was een belangrijk onderwerp in de gesprekken met de herzieningswerkgroep van de richtlijn. Alle perspectieven waren vertegenwoordigd: een oud-pleegkind, pleegouders, eigen ouders, pleegzorgwerkers en gedragswetenschappers. Pleegzorgbegeleiders merkten op dat pleegkinderen soms op een bepaalde leeftijd niet meer met professionals willen praten, omdat ze zo normaal mogelijk willen zijn. Het oud-pleegkind herkende dat, maar gaf tegelijkertijd aan dat er in zo’n geval altijd wel mensen zijn die het pleegkind goed kennen of een vertrouwenspersoon bij wie je de veiligheid van het kind kan checken.”
Danielle bevestigt dit: “Misschien wil je wel een gewoon kind zijn, dat horen we inderdaad terug van pleegkinderen. Maar je hebt als kind wel ideeën over wat goed voor je is, waar je wilt wonen, naar welke school je gaat, met wie je graag een band wilt houden, dat soort dingen.”
De richtlijn legt veel nadruk op relationele stabiliteit: het onderhouden en beschermen van bestaande banden van het pleegkind met ouders en pleegouders.
“Zorg er bijvoorbeeld voor dat je als pleegouder in het leven van een kind blijft, ook als het kind weer terug naar huis gaat,” zegt Danielle. “Misschien kan het nog af en toe komen logeren of biedt het pleeggezin deeltijdpleegzorg (zie kader). Het tegenovergestelde van relationele stabiliteit is ongewenst: een oneindig aantal overplaatsingen. Soms wel meer dan tien keer, dat zijn geen uitzonderingen. Het is belangrijk dat pleegkinderen vertrouwde mensen in hun leven houden, die langer met ze meegaan. Uit gehechtheidsonderzoek is bekend dat kinderen aan meerdere personen gehecht kunnen zijn. Het contact met de één gaat niet ten koste van de band die het kind met een ander opbouwt. Dit is een hardnekkig misverstand dat je helaas soms nog tegenkomt.”
Danielle van de Koot
Het is belangrijk om al bij de matching – het bepalen van een geschikte plek voor het kind – de wensen van de eigen ouders en de mogelijkheden van de pleegouders te bespreken en op elkaar af te stemmen.
Ellen: “Overigens ben je vaak al blij dat je een plekje gevonden hebt, want dat is ook de realiteit. Sommige dingen kun je inderdaad van tevoren bedenken, die ga je in ieder geval bespreekbaar maken. Andere dingen komen later op. Het kind komt bijvoorbeeld in de puberteit en ontdekt dat het valt op het eigen geslacht, of het heeft gendervragen. Dat kun je niet voorzien bij de matching. Het betekent wel dat je voortdurend met elkaar in gesprek moet blijven.”
In de herziene richtlijn staat dat bij uithuisplaatsing een plek in het netwerk van het kind de eerste optie is. De voorkeur voor netwerkpleegzorg (zie kader) is gebaseerd op het kinderrechtenverdrag en op wetenschappelijk onderzoek. Zo liet een meta-analyse zien dat plaatsingen in het familienetwerk van het kind stabieler zijn dan plaatsingen bij onbekenden.4
Danielle: “Eerst kijk je in de familie en het netwerk en pas dan daarbuiten. Voor het kind is dat vertrouwder, juist wat betreft cultuur, religie en gewoontes. We horen van pleegzorgwerkers dat zij er vroeger niet altijd aan dachten. Nu zeggen ze bijvoorbeeld: Het gaat om een moslimkind, waarom kijken we niet in de eigen gemeenschap? Kinderen hebben er recht op om in een pleeggezin aansluiting te vinden bij hun eigen cultuur en levensbeschouwing. Dat lukt heel vaak niet omdat er een tekort aan pleeggezinnen is, maar de visie is wel dat je erop let. In de herziene richtlijn staat: als dat niet lukt, kijk dan hoe je verbinding kunt maken. Halal koken is bijvoorbeeld voor de meeste niet-islamitische pleeggezinnen geen probleem. Veel pleegouders zeggen: Het gebeurt weleens dat onze eigen kinderen spekjes door de stamppot willen, maar dan verzinnen we wat anders voor het pleegkind. En als het vieren van islamitische feestdagen belangrijk is voor het gezin van herkomst, is er wellicht een oom of tante die het kind dan kan komen ophalen.”
In de praktijk komen Ellen en Danielle veel pleegzorgbegeleiders tegen die het supermooi vinden om met netwerkpleeggezinnen te werken.
Al horen ze ook weleens twijfels of vooroordelen, zoals de vraag of een beoogde netwerkfamilie niet te ongezond eet.
Danielle: “We moeten als professionals alert zijn. Als pleegouders op ‘ons soort mensen’ lijken, kan dat comfortabel aanvoelen. Maar misschien is er een netwerkpleeggezin dat daar niet op lijkt, terwijl het wel geschikt is. Wees dus bewust van je eigen vooroordelen.” “Aan de andere kant zien we weleens angst bij familiepleegouders,” zegt Ellen. “Ze zijn soms bang dat ze negatief beoordeeld zullen worden door de instanties: ‘Misschien vinden ze ons niet goed genoeg.’ Netwerkfamilies kunnen zich heel kwetsbaar voelen.” Danielle heeft een voorbeeld: “Een collega had pas een gesprek met pleeggrootouders die uit angst de instanties lang buiten de deur hielden. Ze deden de opvoeding van hun kleinkinderen in hun eentje. Ondertussen waren ze al op leeftijd en maakten ze zich zorgen over de toekomst. Ze waren blij dat ze nu waren aangehaakt bij een pleegzorgorganisatie. Eindelijk konden ze hun verhaal kwijt en kregen ze steun van een pleegzorgbegeleider.”
Happy Eid-al-Fitr - Gelukkig Suikerfeest
![]()
Ellen wijst op de kernaanbevelingen5 in de richtlijn voor vijf gebieden: volgen en stimuleren van de ontwikkeling van pleegkinderen, beslissen over het perspectief, stabiliteit, veiligheid in pleeggezinnen en samenwerking. “Het gaat om belangrijke vragen, zoals: Is er contact tussen kind en ouder? Heb je zicht op de veiligheid? Kijk als gedragswetenschapper steeds naar die verschillende gebieden. Anders ben je alleen bezig met wat er toevallig speelt in een pleeggezin of wat de pleegzorgbegeleider inbrengt. Leg daarom de thema’s van die vijf gebieden proactief op tafel.”
tekst: Femmie Juffer
tekening Rhodé Seinen (12 jaar)
Yara (15) is aangemeld voor traumabehandeling bij orthopedagoog Peter. Bij de intake realiseert hij zich dat Yara hoogstwaarschijnlijk slachtoffer is van Tim (17) die reeds bij hem in behandeling is. Peter vraagt zich af of het verstandig is om Yara in behandeling te nemen.
Lees meer
Dan heeft Peter voorkennis van wat er is voorgevallen. Het verhaal van Yara kleurt Peter dan onbewust in. Ook is er het risico dat Peter per ongeluk informatie deelt met Yara die hij van Tim heeft gekregen en andersom. Dat Peter voor beiden geheim moet houden dat de ander ook in behandeling is, zal zijn vrije houding naar hen beïnvloeden en zo de vertrouwensband onder druk zetten. Daarnaast kunnen Yara en Tim elkaar op de locatie tegenkomen, met alle nadelige gevolgen voor de vertrouwensband en veiligheid van dien. Ook al staan de afspraken op andere dagen gepland, het risico op een ontmoeting blijft.
De NVO-beroepscode zegt hierover:
Artikel 26. De pedagoog aanvaardt geen opdracht die onverenigbaar is met een eerder aanvaarde opdracht, ook als er geen sprake is van dezelfde cliënt of van dezelfde leden van het cliëntsysteem. Bij de motivering van zijn weigering neemt de pedagoog de geheimhouding van artikel 12 in acht.
Artikel 20. De pedagoog weigert een professionele relatie aan te gaan of voort te zetten, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de uitvoering hem in conflict zal brengen met de beroepscode.
Als Peter in een grotere organisatie werkt, zou de behandeling van Yara daar toch kunnen plaatsvinden. Maar dan door een andere behandelaar, van een ander team én op een andere locatie dan waar Tim komt. Peter en de leden van zijn team moeten geen betrokkenheid hebben bij de behandeling van Yara en dus ook geen toegang tot haar dossier. Is Peter zelfstandige, dan moet hij de opdracht weigeren en Yara doorverwijzen naar een andere hulpverlener.
Het kost tijd om een vertrouwensband op te bouwen. Soms geeft een cliënt pas later in de behandeling meer openheid over problemen, waardoor zo’n dilemma later duidelijk wordt. Ook dan is het zeer de vraag of Peter de behandeling kan voortzetten. Hier spelen diverse zaken een rol. Is de behandeling van beiden op dezelfde locatie? Hoeveel voorkennis heeft Peter? Kan hij nog steeds objectief en onbevooroordeeld behandelen?
Meestal is toch de conclusie dat het verstandig is om de hulpverlening van één van beiden over te dragen. Ook al is de behandeling van Tim bijvoorbeeld bijna afgerond, je hebt nog steeds voorkennis die de behandeling van Yara kan kleuren. Wélke behandeling wordt overgedragen, hangt af van de risico’s van overdracht. Daarvoor moet je goed kijken naar de situatie van Yara en Tim.
Bij doorverwijzen na de intake en bij overdragen van een lopende behandeling, moet Peter oppassen dat hij zijn beroepsgeheim niet schendt. Hij kan geen openheid geven aan Yara of Tim dat de ander in behandeling is. Vervolgens is voor een (inhoudelijke) overdracht aan een collega van een lopende behandeling toestemming nodig van Yara of Tim en zo nodig de ouders met gezag.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt samen met mr. Monica de Visser het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO op dinsdag 13.30-15.30 uur en donderdag 10.30-12.30 uur.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Annejet van Lith (25), sinds 2023 werkzaam als zelfstandig pedagoog binnen de ggz in Arnhem.
Lees meer
Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?
“Ik werk als orthopedagoog zzp’er met kinderen en jeugdigen, en sinds kort ook met jongvolwassenen. Ik bied diagnostiek en behandeling binnen de basis en specialistische ggz. In mijn werkveld help ik cliënten met ontwikkelingsproblematiek, angst- of stemmingsgerelateerde problemen, sociaal-emotionele en gedragsproblemen. Binnen het behandeltraject is er naast de cliënt ook aandacht voor de omgeving.”
Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?
“Antwoord krijgen op de vraag: ‘Hoe komt iemand weer tot (verder) ontwikkelen?’ En daarop onderzoek en/of behandeling inzetten. Eigenlijk is dat mijn enige taak, want als je bijvoorbeeld kampt met angsten, somberheid of emotieregulatieproblemen, is in beweging komen en groeien een uitdaging. Als orthopedagoog is het belangrijk dat je samen werkt met de cliënt. En, niet te vergeten, om een omgeving te creëren waarin een kind of jongvolwassene zich ook in de toekomst zonder mij blijft ontwikkelen. Geen enkele cliënt is hetzelfde, dus maatwerk bieden is onmisbaar. Iedereen heeft unieke kenmerken, ervaringen en behoeften die vragen om een andere aanpak. Dat maakt je behandelingen effectiever.”
Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?
“Eén van de grootste uitdagingen waar orthopedagogen tegenaan lopen, zijn de grenzen van invloed. Als orthopedagoog kun je helaas niet iedere situatie voldoende veranderen of oplossen, zelfs niet als je ziet wat er in de situatie nodig is. Het kan bijvoorbeeld ook zo zijn dat je de omgeving om de cliënt heen onvoldoende in beweging krijgt. Dit werk brengt zodoende ethische dilemma’s met zich mee, zoals de vraag hoelang je door blijft gaan met een behandeling of wanneer je een cliënt doorverwijst. Zeker na het opbouwen van een goede vertrouwensrelatie kunnen dit lastige keuzes zijn. Als orthopedagoog moet je daarnaast rekening houden met budgetten en regels vanuit de gemeente. Dit kan botsen met wat jij vindt dat nodig is voor een kind of gezin.”
Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je hier een loopbaan kiest?
“Onder andere moet je als orthopedagoog continu kunnen schakelen in de onderzoeken en behandelingen, want gedrag is niet altijd te voorspellen. Je vraagt jezelf constant af: ‘Wat is nodig en helpend in deze situatie?’ Schakelen is van belang, omdat het werk vraagt om af te kunnen stemmen op uiteenlopende situaties: van gesprekken met kinderen en ouders tot overleg met scholen of wijkcoaches. Hiernaast is het belangrijk dat je een analytisch vermogen hebt. Bijvoorbeeld in de diagnostiek, waarbij je in een puzzel aan informatie toch verbindingen kunt leggen. Als je al deze vaardigheden voldoende beheerst, moet je natuurlijk niet vergeten dit goed te communiceren en hierin samen te werken. Het is helpend wanneer alle neuzen dezelfde kant op wijzen en dat er sprake is van afstemming over wat er moet gebeuren.”
Welke verdiepingsmogelijkheden zou je binnen dit werkveld aanraden?
“Mijn achtergrond in de sociale wetenschappen begon aan de Radboud Universiteit bij de opleiding Pedagogische Wetenschappen Primair Onderwijs: een combinatie van academisch lesgeven en pedagogiek. Ik raad iedereen aan om als orthopedagoog ook een periode voor de klas te hebben gestaan. Het maakt dat ik in het samenwerken met scholen goed weet welke factoren een rol spelen in het onderwijs en welke beperkingen en mogelijkheden leerkrachten ervaren.
Toen ik begon als orthopedagoog, ben ik vrijwel direct gestart met de basiscursus cognitieve gedragstherapie. Dit heeft bij mij een sterk fundament gelegd, omdat het mij heeft geholpen om gedrag en onderliggende denkpatronen beter te begrijpen en beïnvloeden. Naast af en toe trainingen en congressen over hoogbegaafdheid en trauma bijvoorbeeld, ben ik gestart met BrainBlocks. Met allerlei materialen zoals blokken en cilinders in verschillende kleuren, worden cliënten uitgenodigd om hun innerlijke wereld, met alle gedachtes en emoties die erbij komen kijken, inzichtelijk te maken en samen leren te begrijpen. Naast jezelf begrijpen, is BrainBlocks ook een manier om te reflecteren op sociale interacties en de beleving van een ander.
Binnen de praktijk waar ik werkzaamheden verricht, heb ik al regelmatig EMDR-behandelingen mogen observeren. Ik zie positieve effecten bij deze cliënten en heb gemerkt dat het een waardevolle behandeling is. Dit maakt dat ik eind 2025 start met de basiscursus EMDR. Ik hoop dat deze behandelingsmethode mij nog meer tools biedt om mensen te helpen op het gebied van trauma en angsten.”
Welke momenten tijdens je werk zijn je het meest bijgebleven?
“Zowel de momenten dat ik vastliep en me zorgen maakte over situaties, als de succesmomenten. Succesmomenten die onder anderen naar voren springen, zijn de momenten tijdens exposuretherapie. Bij exposuretherapie maak ik meestal een angstladder samen met de cliënt. Dat is een stappenplan, waarbij de cliënt zich geleidelijk blootstelt aan de angst, van het minst naar het meest spannend. Dit doen we zo dat de cliënt leert de angst ‘aan te gaan’ en te ervaren dat hij of zij deze aankan. In mijn ervaring loop je tijdens de exposuretherapie altijd tegen een drempel aan. Dit is een drempel die je, soms met nog meer tussenstappen, over moet gaan om de angst in de hand te krijgen. Als orthopedagoog kan ik de cliënt niet dwingen dit te doen. De momenten waarop die dan – wat soms plotseling lijkt – tóch de stap durft te maken, zijn groots. Onderweg naar huis zit ik dan met een juichend en trots gevoel. Dat soort momenten maken mijn dag.”
Waarom zou jij dit werkveld aanraden aan andere pedagogen?
“Als orthopedagoog is geen enkele dag saai, zo vlieg je van speltherapie met een kleuter naar een angstbehandeling met een puber. Je komt veel diverse problematiek tegen, waardoor je gedwongen wordt jezelf te blijven ontwikkelen. Een groot deel van de dag ben je in contact. Er bestaat geen fijner gevoel dan iemand helpen om weer in beweging te komen en te groeien. O ja, je leert jezelf ook nog eens ontzettend goed kennen.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
Tijdens de verkiezingstijd renden we van debat naar debat. Het nationale debat over jeugdzorg, over gehandicaptenzorg en het Zorgdebat. De politieke partijen riepen vooral iets over de afwezige partijen, maar wij constateerden dat er aardig wat overeenstemming is over hoe het vooral niet moet. En het moet niet zoals het nu is.
Wij zien uiteraard ook hoe het niet moet, voor cliënten en ouders, maar óók waar het over jullie gaat, de professionals, onze leden. De ongelijke positie van onze leden ten opzichte van jullie evenknieën op de werkvloer. Dit zien we bijvoorbeeld terug in de ggz 18+. Dat stoort ons zeer. En wel dusdanig dat we er, voor en achter de schermen, heel hard aan werken om dit recht te trekken. Traag maar gestaag zien we dat dit lukt.
En successen moeten gevierd worden! We delen dit via onze nieuwsbrief en vieren het op kantoor. Tijdens het NVO-congres van afgelopen september hebben we bijvoorbeeld de NVO-academie gelanceerd.
Ook in 2026 pakken we door. Eindelijk lijkt de politiek namelijk doordrongen van het feit dat normaliseren, de-medicaliseren en preventie de veerkracht van mensen versterkt. We hopen dat straks terug te zien in de afspraken tussen de nieuwe coalitiepartijen. Wordt vervolgd, we houden jullie op de hoogte!
Judy Hoffer, directeur NVO
foto: Bo de Ruiter
NVO-lid Minke Breukink werkt bijna negen jaar bij Oranjeborg, op verschillende locaties. “Hier wonen mannen met een lichte verstandelijke beperking en veelal ook verslavings- en psychiatrische problematiek. Door deze combinatie hebben ze vaak een moeilijk leven gehad en zijn ze aan de rand van de maatschappij beland. Maar als je voldoende structuur, geborgenheid en waardering geeft, merk je dat er veel vriendelijkheid en warmte onder zit.”
“Vijf jaar geleden kreeg ik de kans om de opleiding tot orthopedagoog-generalist te volgen, en daarna de EMDR- opleiding. Sinds kort ben ik Hoofd Zorg & Expertise. Ik bied enkele bewoners een-op-een-behandeling, bijvoorbeeld voor traumaklachten. Ook denk ik organisatie-breed mee over beleid en ben ik Wzd-functionaris.” 1
“Het leuke van mijn werk is dat ik veel tussen de bewoners ben. Ik geniet ervan om de mannen te zien opbloeien. Het samen-gevoel bij evenementen, zoals het voetbaltoernooi en fietsen op de Mont Ventoux, is goud waard. Moelijker is de zoektocht naar wat precies werkt voor deze redelijk complexe doelgroep. Soms moet ik afwijken van de protocollen om te zorgen dat wat ik aanbied ook daadwerkelijk effect heeft. Sinds kort zit ik in het netwerk ZMVB2 van de NVO. Om onze best practices te delen en te leren van andere ervaringen uit het werkveld.”
foto: Bo de Ruiter
Mijn vroegere meditatielerares gaf ons leerlingen na afloop vaak een piepklein papiertje mee, met een spreuk of gedicht. Eentje hangt al zo’n twintig jaar bij mij thuis aan de muur. Het is een citaat uit een brief van dichter Rainer Maria Rilke (1875-1926).
Wellicht zijn alle draken in ons leven
Uiteindelijk prinsessen
Die er in angst en beven slechts naar haken
Ons eenmaal dapper en schoon te zien ontwaken.
Wellicht is alles wat er aan verschrikking leeft
In diepste wezen wel niets anders dan iets
Wat onze liefde nodig heeft.
Lees meer
Coverfoto: ANP/Patricia Rehe
Volgens Susan Bögels, hoogleraar Family Mental Health & Mindfulness, zijn kinderen onze beste zenleraren. “Zij wijzen ons vaak onbewust op kwetsbare delen van onszelf die dringend aandacht en compassie nodig hebben.” In dit ‘kerstnummer’ van de Pedagoog vertelt zij over de inzet van mindful ouderschapstrainingen. “Mindfulness is met aandacht en zonder oordeel in het moment aanwezig zijn. Zo oefenen ouders bijvoorbeeld om hun kinderen te zien zoals ze zijn. Met een beginner’s mind, alsof ze hen voor het eerst zien. Zonder de verwachtingen die ze er zelf opgeplakt hebben.”
Orthopedagoog en fotograaf Ellen Bakker maakte een prachtige serie portretten over kinderlijke verwondering. Zij is geraakt door de manier waarop kinderen de wereld tegemoet treden: open, nieuwsgierig en onbevangen. “Verwondering daagt een kind uit om echt te kijken. Wij mogen daar als opvoeders en pedagogen veel meer ruimte voor maken. Door te vertragen, door te wachten op het kind, door samen op te trekken en een zijpad te bewandelen.”
Julia Wijnen is vier jaar geleden wegens de liefde in Zuid- Afrika blijven hangen, vertelt ze in over de grens. Daar helpt ze kwetsbare kinderen en jongeren hun veerkracht terug te vinden. Met minder geld en minder professionals dan in Nederland. Maar met veel bevlogen ervaringsdeskundigen. “Als ik zie hoe een jeugdwerker met minimale middelen een veilige plek creëert voor kinderen die thuis geweld meemaken, besef ik weer wat professionele passie werkelijk betekent. En dat ‘verschil maken’ zelden zit in grote gebaren, maar in aanwezigheid, oprechte aandacht.”
Veel liefde gewenst in 2026. En vertrouwen.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Mediapedagoog Jacqueline Kleijer roept ouders, leraren en andere opvoeders op om pubers te leren wat democratie ook alweer betekent. De geraffineerde beïnvloeding door ultrarechts via sociale media baart haar grote zorgen. Net als het groeiende online seksueel grensoverschrijdend gedrag. Zij gaat voor preventie.
Lees meer
Jacqueline Kleijer
“Bel me maar als je voor de deur staat”, tipte ze. Jacqueline Kleijer (Breda, 1969) zit met haar bedrijf Dig it for you op de tweede verdieping van de voormalige gevangenis aan het Wolvenplein, hartje Utrecht. Het is een hele tippel langs de ruim honderd ‘cellen’. De hare kijkt uit op een oude luchtplaats.
Eind september was ze te gast in het NPO-radioprogramma Nieuwsweekend, naar aanleiding van haar afstudeerthesis aan de Universiteit voor Humanistiek Piemels en Hakenkruizen, over de aantrekkingskracht van ultrarechtse online content op jonge jongens. Zoals de retoriek van Amerikaanse influencers als Andrew Tate en de eind deze zomer doodgeschoten Charlie Kirk. In het programma uitte ze haar zorgen over het voortbestaan van onze democratie als we de opvoeding en begeleiding van jongeren alleen overlaten aan internet.
“Ik geef al twaalf jaar gastlessen op scholen – basisscholen, middelbare scholen en alles wat daarna komt – en zag al een tijd de opkomst van ultrarechts. Drie jaar geleden schreef ik een opiniestuk over Andrew Tate en zijn tactiek in de Volkskrant. Toen wisten veel volwassenen nog niet wie hij was. Zij zitten in een heel andere bubbel dan jongeren en veel volwassenen hebben nog steeds niet in de gaten dat de online wereld dé wereld is voor jongeren. Ik moet nog wel eens denken aan Mark Rutte die over sociale media zei: ‘Dat gaat wel weer voorbij.’ Maar jongeren zitten daar zes tot acht uur per dag op, het is een onderdeel van hun leven en die beïnvloeding dus ook.”
Influencers als Andrew Tate spelen in op de onzekerheid van jonge jongens, legt ze uit. “Hij richt zich vooral op herkenning: ik begrijp dat jij je zo voelt! Hij geeft ze echt de aandacht die ze nodig hebben én zegt: ik heb de oplossing! In de filmpjes die hij online post zegt hij aan de ene kant: je moet discipline hebben, gaan sporten, gezond eten, et cetera. Dus veel ouders zagen hun puber die eerst niks deed, ineens gaan krachtsporten en z’n bed opmaken. Een positieve invloed. Maar Tate zegt ook dat vrouwen je bezit zijn en dat je hen mag slaan. Hele controversiële en extreme uitspraken, die alleen al om die reden de aandacht trekken, doorgestuurd worden en viral gaan.”
“Naast dat vrouwonvriendelijke is hij heel erg gaan koersen op ‘alles wat er in de media staat is niet waar’, ‘rechters zijn partijdig’, ‘wetenschap moet je niet geloven’, ‘school is onzin’, ‘stop met school en volg mijn university, daar kun je lid van worden voor zoveel dollar of euro per maand en dan kun je net zo rijk worden als ik.’ Oftewel: ‘al de mensen om jou heen spreken niet de waarheid.’
Als je dat als ouder of andere opvoeder niet weet, als je dan pas met zo’n jongen gaat praten en zegt ‘wat een onzin’, is hij al gebrainwasht en ben jij vooraf al kaltgestellt. Dat is heel eng en gevaarlijk en nu aan het gebeuren.”
Waar Andrew Tate drie jaar geleden nog heel populair was bij jongens, volgt nu bijna niemand hem meer, vertelt Jacqueline Kleijer. “Maar de zaadjes zijn geplant, de richting is bepaald. Hij heeft inmiddels een heleboel opvolgers die bijvoorbeeld via het sporten – die noem je dan fitfluencers – een bepaalde manier van leven voorleven. Maar ook ultrarechtse memes delen, waarin de hele cultuur van de manosfeer – anti-feminisme, vrouwenhaat, propaganda voor traditionele mannen- en vrouwenrollen – naar voren komt. Met meisjes, queermensen en vluchtelingen als zondebokken.”
“Daarnaast heb je de games, zoals Roblox en Minecraft, waar ultrarechtse bewegingen al tientallen jaren bezig zijn met het werven van jonge jongens. Jongens tussen 11 en 15 jaar, naar wie ik onderzoek heb gedaan, kunnen daar in een omgeving terechtkomen waar ze een beetje worden uitgedaagd om stoute dingen te doen, waarvan ze weten dat het eigenlijk ‘verboden’ is. Zoals het plaatsen van hakenkruisvlaggen en het bouwen van concentratiekampen. Als je daaraan meedoet, krijg je bevestiging en aanzien. Zo ontstaan er groepjes van gelijkgestemden.”
In Nederland zijn de PVV en Forum voor Democratie al tijden zeer actief op TikTok. Jacqueline Kleijer merkt het effect als ze scholen bezoekt.
“Een tijdje geleden gaf ik op een maandag les op een gymnasium, in klas 2. Mijn eerste vraag was: wie leest er hier een krant? Niemand! Wie kijkt er wel eens naar het Journaal? Dat deden er een paar, soms, met hun ouders. Hoe volgen jullie dan het nieuws, online via Nu.nl bijvoorbeeld? Daar keken ze ook niet naar. Een meisje in de klas was dat weekend in Den Haag geweest, waar toen die rellen van ultrarechts waren op het Malieveld, met geweld tegen de politie en vernielingen aan het kantoor van D66. Ik vroeg of zij wist waar die rellen over gingen. Zij zei: ‘Gaza of zo?’”
“Dus de connectie met wat er gebeurt, heeft deze doelgroep niet. Daar hebben ze ons voor nodig. We moeten echt aan de bak, we moeten gaan opvoeden! Toen ik dat meisje vroeg of ze iets wist van politiek en waar ze die kennis dan vandaan haalde, was het antwoord: van TikTok. Wie ze daar van kende? Thierry Baudet en Geert Wilders. Dat zijn ook de grote winnaars van de scholierenverkiezingen van 2023.1 En Thierry Baudet is dikke maatjes met Andrew Tate.”
De titel van haar thesis verwijst naar de fase waarin veel jongens piemels en hakenkruizen tekenen op tafels en muren. “Een afdelingsleider van een middelbare school vergeleek dit met het versturen van nazi-memes”, legt ze uit.
“Deze conformistische fase hoort bij je identiteitsontwikkeling, waarin je eigen keuzes gaat maken, je af gaat zetten, grenzen opzoekt. Ik heb acht jongens tussen de 11 en 15 jaar geïnterviewd die in die fase zitten. En twee jongens van tien, die er net voor zitten en zich nog vermaken met onschuldige scheet-memes. Met mijn twee zoons van begin twintig heb ik teruggekeken op die fase. Dat was best confronterend. De oudste vertelde dat hij rare dingen had uitgehaald op Minecraft en later even terechtgekomen was op 4chan, een ultrarechts platform. Ik herinner me dat hij in die tijd ineens rare dingen zei over vrouwen en politiek. Daar hebben we aan tafel flinke discussies over gehad.”
Op ouderavonden komt ze veel vaders en moeders tegen die geen idee hebben wat hun pubers online doen, achter die gesloten slaapkamerdeur. Laat staan dat ze discussies voeren over wat zij daar meemaken.
“Zo kunnen jongeren in die ene bubbel blijven zitten waarin ze bevestigd worden, leren dat er maar één waarheid is en één stem, in plaats van verschillende waarheden, die in een democratie allemaal naast elkaar mogen bestaan. Dat je het niet altijd met elkaar eens bent, maar afspreekt we agree to disagree, is superbelangrijk, en gebeurt veel te weinig. Kijk ook naar de politiek, waar steeds meer op de man gespeeld wordt. En naar sociale media, waar je meteen wordt geshamed en geblamed in plaats van gewoon met elkaar in gesprek te gaan. Ik denk dat ouders, leraren en andere opvoeders dat opnieuw moeten leren. We moeten aan de bak, anders maken we elkaar af.”
Ze tipt pedagogen om extra aandacht te geven aan jongens die dreigen te radicaliseren. “Dat zijn dezelfde jongens die kwetsbaar zijn in het offline leven.
Ga in gesprek over de games die ze doen, vraag of je eens mag meekijken, doe voor mijn part een spelletje met je cliënt. Gewoon om contact te hebben, want het is een manier van communiceren. Je kunt op school ook het lespakket gebruiken bij de tv-serie Adolescense, over een jongen die helemaal in de manosfeer terechtkomt.2 Zo kun je hierover in gesprek gaan, maar mijn bedenking is wel dat die jongen meteen in de daderrol gezet wordt.” “Pedagogen kunnen ouders steunen in het creëren van een vertrouwensband met hun kind, juist in die lastige fase waarin zij zich gaan afzetten. Help ouders om in contact te blijven met hun puber, zonder hen af te keuren. En organiseer veel verschillende offline activiteiten, in de schoolpauzes bijvoorbeeld, zodat pubers daar vriendschappen kunnen opdoen.”
Jacqueline Kleijer studeerde Sociaal Pedagogische Hulpverlening in Breda, omdat ze dacht dat ze graag met kleine kinderen wilde werken. Door een toeval – een blinde sollicitatie – kwam ze te werken met pubers, bij een organisatie voor jeugdhulp in Den Bosch. “En ik ben nooit meer bij ze weggegaan.”
Ze verhuisde naar Utrecht, werkte daar eerst in de meiden-crisisopvang, toen even in de pleegzorg en daarna lange tijd bij Pretty Woman.
“Pretty Woman steunt slachtoffers van seksueel geweld. Eerst alleen meisjes, later ook jongens en jongeren die zich anders identificeren. Sinds een paar maanden heet het Pretty Human. Wat ik daar zag – grensoverschrijdend gedrag, seksueel geweld en stalking – speelt nu nog steeds. In de loop van de tijd heb ik het zien verschuiven van offline naar online. Er was eigenlijk geen goed antwoord op van de politie en de hulpverlening. Daar ben ik me twaalf jaar geleden helemaal in gaan specialiseren en uiteindelijk naar de voorkant gegaan: de preventie.”
Het begon met meisjes en jonge vrouwen die haar vertelden dat hun naaktfoto – in vertrouwen gedeeld met een vriend of vriendin – op internet was verspreid. “Wat me erg opviel, was dat ze het heel erg vonden dat hun foto rondging, maar nog veel erger hoe de omgeving erop reageerde. Ze werden uitgescholden, vrienden lieten hen vallen. Dat was funest. Ik heb dat shame-sexting genoemd en ben daar aandacht voor gaan vragen.”
“Het wordt gelukkig wel minder, maar er doen nog steeds veel mensen aan victimblaming en zeggen: ‘Dan had je die foto maar niet moeten sturen.’ Mijn boodschap is: ‘Jij hebt dat telefoontje in je hand, jij kunt bepalen wat je met die foto doet. Ga je iemand stukmaken of ga je iemand helpen? Wat voor persoon ben jij?’ Je moet het terugleggen bij degene die verantwoordelijk is voor wat er gebeurt.”
Vorig jaar leidde ze een grote preventiecampagne in de gemeente Arnhem, CARE don’t share3 over het voorkómen van seksueel grensoverschrijdend gedrag.
“De website staat nog steeds online en is heel compleet, met informatie voor enerzijds ouders en professionals en anderzijds jongeren. Voor jongeren hadden we een online campagne gemaakt, met gastlessen voor school en met medewerking van tien regionale influencers, zoals queerinfluencer Jessie Maya, kampioen skateboarden Douwe Macare en ultrarunner Sameena. De boodschap was heel positief: zorg voor elkaar, wees lief voor elkaar.”
Heeft ze nog tips voor pedagogen, als er toch naaktfoto’s of filmpjes rondgaan?
“Ga eerst troosten. Zeg nooit tegen een kind: ‘Wat stom dat je dat hebt gedaan’, maar: ‘Wat rot dat dit is gebeurd, dat had niet gemogen. Wat kan ik voor je doen?’ Kijk welke acties je kunt ondernemen, zoek samenwerking met school.”
“Samen met collega Solange Jacobsen heb ik voor Bureau Jeugd & Media een stappenplan gemaakt voor scholen: www.stappenplansexting.nl. Dat is nu onderdeel van de Toolkit L.O.V.E. Online.4 Een soort EHBO-koffer met wat je precies kunt doen als school, met voorbeeldbrieven voor ouders, gesprekstips, wanneer je wel of geen wijkagent inschakelt.”
“Als jij het als pedagoog eerder weet dan de ouders, ga dan nooit een bondje aan met het slachtoffer: ‘Ik ga het niet aan je ouders vertellen.’ Dat kun je niet waar maken, die krijgen het sowieso te weten. Vraag wel: ‘Hoe gaan we het je ouders vertellen? Wil je dat ik het eerst vertel of gaan we dat samen doen?’ Vaak is het fijn dat jij eerst een gesprek hebt met de ouders, dan kunnen ze stoom afblazen. Je kunt uitleggen dat hun kind slachtoffer is en troost nodig heeft, geen verwijten.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Linde van der Kamp – Blinck Fotografie
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Peter Hoffenaar & Bart van Gent
Lees meer
Abby McLaughlin (Boston College) onderzocht hoe kinderen oordelen over onrecht. In een recent tweeluik van studies kregen kinderen van 5 tot 9 jaar stripachtige scènes voorgelegd waarin een kind het speelgoed van een ander afpakte. Het benadeelde kind kijkt beteuterd: “hé, daar was ik mee aan het spelen!”
Na elk tafereel kregen de kinderen een reeks vragen: of het slachtoffer de dader zou kunnen en moeten vergeven, hoe slachtoffer en dader zich zouden voelen na tussenkomst van de leerkracht, en of er sprake was van eerlijke behandeling. De leerkracht bemoeide zich er op verschillende manieren mee: soms kreeg de ‘speelgoeddief’ straf, soms kreeg het kind zijn speelgoed terug, soms sprak de leraar vergeving uit en soms gebeurde er niets. In de tweede studie werd dat uitgebreid: niet alleen leraren, maar ook klasgenoten en slachtoffers kwamen nu in actie, en soms ging het niet om ‘diefstal’ maar om oneerlijk delen.
De uitkomsten laten zien dat kinderen rekenen op vergeving wanneer er actief wordt ingegrepen. Over níet vergeven zijn ze streng: dat vinden ze meestal fout, en helemaal wanneer de dader gestraft is. Tegelijk vinden ze niet dat een slachtoffer verplicht is te vergeven. Ieder kind moet voor zichzelf kunnen bepalen of de deur naar verzoening wel of niet open gaat.
Voor burgerschapsonderwijs is het nuttig om te weten dat kinderen zich laten leiden door personen in hun directe omgeving. Ze merken haarscherp of volwassenen verantwoordelijkheid nemen of wegkijken. Leraren kunnen die gevoeligheid benutten door het goede voorbeeld te geven. Bij de actualiteit in het Jeugdjournaal zien kinderen al genoeg voorbeelden van hoe het niet moet. Binnen de muren van de school kunnen kinderen ervaren dat het ook anders kan: volwassenen die ingrijpen bij onrecht en na een botsing weer samen door één deur gaan.
McLaughlin, A., Marshall, J., Gonzalez-Rubio Saab, I., & McAuliffe, K. (2025). Children’s Evaluations and Expectations of Forgiveness Following Second- and Third-Party Interventions. Child Development, 10.1111/cdev.70030. Advance online publication. doi.org/10.1111/cdev.70030
Bijna (?) alle ouders liegen tegen hun kinderen, blijkt uit onderzoek. Tussen de 67 en 100 procent is er zelf eerlijk over. De ouders hebben een breed scala aan onwaarheden, van overdreven complimenten – “Wat een mooie tekening!” – tot valse dreigementen – “Als je niet stilzit, wordt de kapper boos.”
Maar wat vinden de kinderen daar eigenlijk van? Nederlandse onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam ontwikkelden met behulp van een kinderpanel een game om 8- tot 12-jarigen te laten vertellen hoe ze denken over het liegen door ouders en wat dat met hun vertrouwen doet.
De kinderen blijken verrassend genuanceerd te oordelen. Onwaarheden ten behoeve van de ouder, daar houden ze niet van en die schaden het vertrouwen in de ouder. Maar leugentjes die het kind beschermen tegen verdriet – “Het geeft niet dat de telefoon stuk is, hij was toch al oud” – of bijdragen aan gezondheid en veiligheid – “Er zit geen groente in de saus” – worden veel milder beoordeeld.
Papa en mama krijgen geen speciaal privilege om te liegen, kinderen hanteren dezelfde morele maatstaf voor ouders als voor vreemden. En ze zien glashelder het verschil tussen waarheid en leugen – het lukte ze in het overgrote deel van de gevallen om ouderlijke onwaarheden te ontmaskeren.
Uit het onderzoek is ook naar voren gekomen dat de validiteit en betrouwbaarheid van het ontwikkelde instrument (de game) hoog is. Het instrument is vrij beschikbaar en aan te passen voor toekomstig onderzoek.
Schröer, L., & Kok, R. (2025). Children’s Perspective on Parental Lying and Its Effect on Trust: Co-Creation of an Instrument and Pilot Results. Social Development, 34(4), e70026. doi.org/10.1111/sode.70026
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
De aftrap van het nieuwe schooljaar in september begon met een terugblik: de evaluatie van mijn Individuele OndersteuningsPlan (IOP) dat ik aan het begin heb opgesteld. Ieder half jaar wordt dit geëvalueerd met mijn werk- en praktijkbegeleider. Aan het eind van ieder schooljaar schuift ook King nascholing aan. Het was een fijn en waardevol gesprek, waarin mijn groei duidelijk naar voren kwam. Zo ben ik me weer bewust van de wetenschappelijke basis van waaruit ik werk en dat ik altijd al contextueel en overkoepelend meekijk met gezinnen. Ik ben trots op hoe ik het doe!
Dit jaar volg ik, samen met nog zeven studiegenoten, de cursus Cognitieve GedragsTherapie (CGT). De rest heeft deze cursus al vóór de start van de opleiding gevolgd en krijgt vrijstelling. Om onze groep aan te vullen tot veertien deelnemers, zijn er zes andere orthopedagogen en psychologen aangesloten. Anders dan vorig jaar, hebben we de gehele cursus één vaste docent voor alle elf lesdagen, wat zorgt voor meer continuïteit.
Hoewel onze originele studiegroep door de CGT tijdelijk is opgesplitst, zien we elkaar gelukkig nog bij de tweewekelijkse groepssupervisie. Dit jaar zijn we een homogene groep, met mensen die net als ik in de jeugdhulp/jeugd-ggz werken. We zijn gestart met het dieper leren kennen van elkaar, door het bespreken van het genogram van familie. Iedere keer haal ik er toch weer wat nieuws uit. Ik merk bijvoorbeeld dat ik bij bepaalde cliënten of situaties onzeker word, terwijl ik dat normaliter niet ben, en dan anders reageer dan ik graag zou willen.
Het delen geeft inzicht in elkaars achtergrond, patronen en hoe deze invloed hebben op wie je bent als (regie)behandelaar. En waar bijvoorbeeld onze tegenoverdracht in kan zitten in gesprekken en met cliënten. Zo heb ik twee pleegzusjes en voelde ik mij in mijn jeugdjaren door de hulpverlening niet gezien. Toen ik zelf in de pleegzorg ben gaan werken, heb ik me meer gericht op de ‘biologische kinderen’ van pleegouders. Nu wil ik alle gezinsleden horen en niet alleen dé cliënt of dé ouders. De klachten waar een cliënt mee komt, hebben invloed op álle gezinsleden. Ook degenen die zeggen er geen last van te hebben.
In ons volgende blok, Capita Selecta, zullen we ingaan op de juridische en ethische aspecten van ons vak. Zeer belangrijke thema’s, zeker in onze nieuwe rol als orthopedagoog-generalist. Waarbij we niet alleen leren over de pijlers van het dialogisch, systemisch en veranderingsgericht werken, maar ook over onze verantwoordelijkheden.
Vervolgens krijgen we les over het gebruik van wetenschappelijk onderzoek. Als afsluiter van dit blok gaan we een column schrijven. Die zal gebruikt worden voor de Kenmerkende BeroepsSituatie (KBS) waar ik vorige keer over schreef. Natuurlijk ga ik ervanuit dat ik dit met verve zal doen, nu ik al voor de vierde keer hier in de Pedagoog mag schrijven.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
De mentale jeugdzorg in Zuid-Afrika en Nederland verschilt sterk in aanpak en middelen, maar deelt hetzelfde doel: kwetsbare kinderen en jongeren helpen om hun eigen (veer-) kracht te hervinden. Vanuit mijn werk met Ukomelela, zie ik hoe waardevol samenwerking over de grenzen heen kan zijn – letterlijk en figuurlijk. We kunnen van elkaar leren.
Lees meer
Bij Bongeka krijgen kinderen yogales. foto: Yannick Schurwanz
Zuid-Afrika is een land van contrasten. In de ene wijk, vaak historisch gemarginaliseerd, vind je een school met minimale middelen. Een paar kilometer verderop, in een welvarende wijk, zijn de meest moderne voorzieningen te vinden. Die kloof, mede een erfenis van apartheid, is nog steeds overal zichtbaar en voelbaar. Jeugdprofessionals werken onder hoge druk, vaak met schaarse middelen, tussen heftige problematiek en grote uitdagingen. Maar wat mij keer op keer raakt, is hun enorme drive: de wens om écht iets te betekenen voor de kinderen uit hun community, vaak precies dát te doen wat ze zelf gemist hebben.
Professionals geven perspectief aan jongeren, bieden hoop en maken een verschil. Waar in Nederland veel nadruk ligt op structuur, beleid, protocollen en formalisering, draait het in Zuid-Afrika vaak om creativiteit, improvisatie en gemeenschap. Het vraagt iets anders van professionals – maar leert ons ook veel: hoe veerkracht eruitziet als systeemdruk en middelen ontbreken.
Waar in Nederland de vergoede zorg meestal plaatsvindt in een behandelkamer met een professioneel gesprek, ontstaan in Zuid-Afrika talloze initiatieven vanuit de gemeenschap zelf, die in Nederland weer niet of nauwelijks gangbaar zijn.
Kinderen volgen surfles van coaches die ooit in hun schoenen stonden – niet alleen voor plezier, maar om hun hoofd leeg te maken en te leren omgaan met spanning. In een community-bibliotheek, gebouwd door buurtbewoners, lezen kinderen boeken en eten ze een warme maaltijd voor ze weer naar huis gaan. Bij Bongeka, een zogeheten community mama, krijgen kinderen yogales en leren ze regulatie- en copingvaardigheden die ze thuis vaak missen. En te midden van de gang violence vinden jongeren via rugby een alternatief voor het leven op straat – een plek waar discipline, teamwork en toekomstperspectief groeien.
Deze initiatieven laten zien dat echte connectie maken, aansluiten bij interesses en talenten, écht begrijpen wat een kind doormaakt, consequent aanwezig zijn en hoop bieden de kern vormen. Het zijn, als je het mij vraagt, dé ingrediënten voor veerkracht en herstel.
Met Ukomelela (Xhosa voor veer-krachtig worden) organiseren we studiereizen voor jeugdprofessionals die willen ervaren hoe veerkracht op creatieve manieren wordt versterkt in onder andere Zuid-Afrika.
’s Ochtends volgen deelnemers trainingen over gevoelige maar essentiële thema’s, zoals trauma, seksueel misbruik of diversiteit en inclusie – altijd samen met lokale professionals en rolmodellen. In de middag bezoeken we scholen, lokale initiatieven en projecten. Daar zie je hoe muziek, sport, spel, kunst en natuur worden ingezet om kinderen en jongeren te versterken. Het mooie is dat je niet alleen kennis en tools uitwisselt, maar zelf ook in de andere wereld stapt en ervaart hoe zorg er ook uit kan zien – niet beter of slechter, maar anders.
Zo ontstaat een krachtige uitwisseling van kennis, perspectieven en veerkracht. Niet één partij die iets komt brengen, maar een gezamenlijke ontdekkingstocht: hoe professionals wereldwijd omgaan met vergelijkbare vraagstukken, elk vanuit hun eigen context en kracht. Dat is precies waar Ukomelela voor staat: veerkracht versterken – bij jezelf, bij je doelgroep én bij lokale rolmodellen in gemeenschappen, waar professionele zorg vaak ontbreekt. Een van de mooiste aspecten vind ik dat Zuid-Afrikaanse collega’s ook deelnemen aan onze trainingen. Waardoor het echt een wederkerige beweging is, leren van en met elkaar.
Die wederkerigheid maken we mogelijk via onze samenwerking met Train for Change. Voor elke internationale deelnemer doneren we een plek aan een lokale professional, zodat kennis en vaardigheden terechtkomen bij de mensen die lokaal het verschil maken.
De trainingen zijn cultuursensitief ontwikkeld en behandelen thema’s die wereldwijd relevant zijn, zoals trauma en veerkracht, seksueel misbruik en grensoverschrijdend gedrag, rouw en verlies, diversiteit, inclusie en antiracisme. Want of je nu in Kaapstad of in Rotterdam werkt – trauma, misbruik, verlies en uitsluiting kennen geen grenzen. Overal hebben kinderen behoefte aan veiligheid, erkenning en iemand die echt luistert.
In Zuid-Afrika betekent dat vaak werken zonder vangnet, zonder de luxe van doorverwijzing of specialistische teams. Professionals doen wat ze kunnen met wat er wél is. Sommigen hebben geen formele opleiding kunnen volgen, maar wel een enorme ervaringsdeskundigheid en toewijding om hun community verder te helpen. Het is deze kracht die ons inspireert – en precies wat veel professionals in Nederland soms weer willen hervinden: werken vanuit bevlogenheid.
Voor veel deelnemers fungeert een studiereis in Zuid-Afrika als spiegel. Het zet aan tot nadenken over onze eigen systemen: hoeveel ruimte houden onze regels en structuren nog voor menselijkheid? Wat doen systeemdruk en protocollen met onze energie en betrokkenheid? Hoe zorgen we dat we niet verdwijnen in routines en regels van bovenaf, maar blijven verbinden met de kern van ons vak? Zo’n ervaring raakt diep. Deelnemers keren terug met hernieuwde motivatie, verbondenheid met hun vak en helderheid over wat er écht toe doet – precies wat velen ooit dreef om met kinderen te gaan werken.
Ik woon en werk inmiddels vier jaar tussen Nederland en Zuid-Afrika. Ooit kwam ik voor werkervaring, bleef voor de liefde en vond mijn missie in het verbinden van beide werelden. Wat ik het liefst doe, is mensen helpen om te durven kijken naar wat ongemakkelijk is – thema’s waar vaak stilte of schaamte heerst – en om in actie te komen voor kinderen en jongeren die ingrijpende ervaringen hebben meegemaakt.
Wat ik steeds opnieuw zie en leer, is dat groei altijd van binnenuit komt. Niet door plannen of protocollen, maar door echte ontmoeting. Wanneer je met een jeugdwerker in een informal settlement zit en hoort hoe zij met minimale middelen een veilige plek creëert voor kinderen die thuis geweld meemaken, besef je weer wat professionele passie werkelijk betekent. En hoe weinig je eigenlijk nodig hebt om een verschil te maken. Dat verschil maken zit zelden in grote gebaren, maar in aanwezigheid, oprechte aandacht.
Ukomelela – veer-krachtig worden – geldt niet alleen voor kinderen, maar ook voor ons als professionals. Door te leren van anderen, samen te reflecteren en onze blik te verbreden, worden we allemaal een beetje veerkrachtiger.
In een tijd waarin het jeugdveld onder druk staat, hier en daar, hebben we inspiratie nodig van buiten de gebaande paden. Zuid- Afrika biedt die overvloedig – niet als toeristische ervaring, maar als bron van inzicht. De lessen die ik daar leer, draag ik dagelijks mee: dat verandering begint bij mensen, niet bij systemen. Dat luisteren krachtiger is dan zenden. En dat echte verbinding, waar ook ter wereld, het begin is van elke vorm van verandering.
tekst: Julia Wijnen, ontwikkelingspsycholoog, trainer en oprichter van Ukomelela en Train for Change.
foto: Lumify productions
Ukomelela organiseert studiereizen voor jeugdprofessionals die willen leren van internationale jeugdzorgpraktijken en van elkaar. Tijdens deze reizen ontmoet je collega’s uit verschillende landen, bezoek je scholen, organisaties en gemeenschapsprojecten, en ontdek je hoe veerkracht wereldwijd vorm krijgt. Elke reis is een mix van inhoud, ontmoeting en persoonlijke groei, met bijzondere aandacht voor context, cultuur en veerkracht.
Deelnemers keren terug met nieuwe inzichten, hernieuwde motivatie en concrete ideeën om hun werk te verrijken. Ook een keer mee? Meer informatie: www.ukomelela.com
Jarenlang werkte orthopedagoog en fotograaf Ellen Bakker in de kinderpsychiatrie en kinderopvang als manager. Wat haar in haar werk en als opvoeder steeds opnieuw raakte, was hoe kinderen de wereld tegemoet treden: open, nieuwsgierig en onbevangen.
Lees meer
“Verwondering is de ultieme basis voor het vrije leren”, zegt Ellen Bakker. “Het daagt het kind uit om echt te kijken. Als opvoeder of pedagoog is het essentieel dit op te merken. Wij mogen veel meer ruimte maken voor die kinderlijke verwondering. Door te vertragen, door te wachten op het kind, door samen op te trekken en een zijpad te bewandelen.”
In juli 2024 studeerde ze af aan de Nederlandse Academie voor Beeldcreatie in Rotterdam. In haar actuele fotoserie Layered realities onderzoekt zij de kinderlijke nieuwsgierigheid en onbevangenheid in gelaagde composities, bijvoorbeeld achter glas en achter textiel.
Naast haar autonome werk is ze als fotograaf betrokken bij maatschappelijke projecten. Ze gaat altijd op zoek naar de menselijke laag achter het alledaagse.
Ellen Bakker laat met deze bijzondere beeldenreeks de kwetsbare kracht van verwondering zien. Zij beweegt zich tussen de twee werelden van pedagogiek en fotografie, die elkaar onverwacht goed raken. “Pedagogiek en fotografie kwamen voor mij samen, toen ik merkte dat ik het zien en begrijpen van mensen kan versterken door het vast te leggen in beeld.”
Michelle Snijder, orthopedagoog en onderzoeker bij Karakter, promoveerde in maart 2025 aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zij deed onderzoek naar een nieuwe manier van vroegtijdige hulpverlening, bedoeld om ouders en professionals gericht te ondersteunen bij zorgen in de eerste fasen van de sociale ontwikkeling. Hierbij wordt BEER als laagdrempelige interventie ingezet.
Lees meer
2024 – heden
Orthopedagoog i.o.t. gz-psycholoog bij Karakter, kinder- en jeugdpsychiatrie
2021 – 2024
Orthopedagoog bij Karakter, kinder-en jeugdpsychiatrie
2017 – 2025
Promovenda Radboud Universiteit en RadboudUMC, werkzaam bij Karakter, kinder- en jeugdpsychiatrie
2012 – 2017
Pedagogische Wetenschappen, Radboud Universiteit
Kun je iets vertellen over je onderzoekstraject?
“Met mijn onderzoek ben ik eind 2017 gestart. Door de coronaperiode liep de dataverzameling vertraging op. De belangrijkste onderzoeks- gegevens kwamen voort uit de huisbezoeken. De kinderopvang was net dicht en mensen waren voorzichtig. Angstig ook wel, want met kleine kinderen kun je geen anderhalve meter afstand bewaren. De laatste jaren van mijn promotietraject deed ik parttime onderzoek en was daarnaast werkzaam als orthopedagoog. Dit vind ik heel belangrijk, om naast wetenschappelijk onderzoek met mijn benen in het veld te staan en deze kans kreeg ik bij Karakter. Maar ja, dat maakt ook dat zo’n traject wat langer loopt.”
Wanneer ontstond je interesse voor het jonge kwetsbare kind?
“Ik denk vanuit de opleiding orthopedagogiek, waar ik merkte dat de ontwikkeling van het jonge kind mij interesseerde. Ik kan met bewondering naar jonge kinderen kijken, omdat ze zo volop in ontwikkeling zijn. Het gaat heel snel en je kijkt nooit naar het jonge kind an sich, maar ook altijd naar de context. Een kindje groeit op in de relatie tot zijn ouders. Die dynamiek, die ouder-kind interactie en wat dat beïnvloedt, de impact van die wisselwerking, fascineert mij.”
Wil je eerst iets vertellen over de mooie omslag van je proefschrift?
“Die is ontworpen door illustrator Evelien Jagtman. De beer is mijn teddybeer van vroeger. Daar speelde ik mee en hij ging mee op avontuur. Dit past bij de BEER-interventie (Blended E-health for children at Early Risk) van mijn onderzoek. Zo voeg ik in de cover een stukje van mijzelf toe. De beer is zwart, het idee van een ‘doorkijkje’.
De bloemetjesachtergrond staat voor de huisbezoeken, het behang als je binnenkijkt. Tijdens de BEER-interventie zijn veel spelobservaties en metingen bij ouders thuis gedaan. Er staat ook een meisje op dat bellen blaast. Dit hebben we veel gedaan; een fijne manier om contact te maken. Dat gaf veel plezier, vooral bij het kind, maar ook bij ouders. Een concreet opdrachtje, waarbij je zag dat ouder en kind samen kwamen en er mooie interacties ontstonden.”
Kun je meer vertellen over je onderzoek?
“Mijn proefschrift bestaat eigenlijk uit twee delen. Het eerste deel gaat over barrières in de vroegherkenning van autisme. Wat het ingewikkeld maakt, is dat de heterogeniteit binnen het autismespectrum groot is. Geen een persoon met autisme is hetzelfde en ook de ontwikkeling varieert. Sommige kinderen krijgen hierdoor later de juiste zorg dan gewenst. Het tweede deel van het onderzoek gaat meer over kwetsbaarheid, zien waar ontwikkelingsbehoeften van een kindje liggen en waar je de sociale omgeving kunt laten aansluiten. Of dat nu wel of geen autisme is, is minder belangrijk. Dit deel is de BEER-interventie, een bijdrage aan vroegtijdige interventiemogelijkheden voor kinderen tussen 1 en 3 jaar, met problemen in de sociale- communicatieve ontwikkeling. Met online opdrachten en zeven huisbezoeken. Die huisbezoeken waren vooral heel leuk om te doen.”
Je schrijft dat sommige kinderen een verhoogde kans hebben om autisme te ontwikkelen. Je moet er vroeg bij zijn?
“Wanneer de ontwikkeling van een kind anders verloopt, wil je weten hoe dat komt. Bij het vroegtijdig opsporen, liepen we tegen dilemma’s aan. Het doel is niet per se die kinderen zo vroeg mogelijk diagnosticeren, maar wel zo vroeg mogelijk juiste hulp, ondersteuning aanbieden. We liepen er wat betreft kennis en expertise tegenaan dat het voor een jeugdarts of -verpleegkundige best moeilijk is om vroege signalen van autisme te herkennen of bespreekbaar te maken. Het is normaal dat het ene kind zich sneller ontwikkelt dan het andere en dit ook per ontwikkelingsgebied verschilt. De vraag blijft wanneer het een vertraagde normale ontwikkeling is en wanneer een afwijkende. Een ingewikkeld onderscheid. We moeten hierin bovendien heel voorzichtig zijn, omdat jonge kinderen nog volop in ontwikkeling zijn.
De CoSoS-vragenlijst (Communicatieve en Sociale Ontwikkelings- signalen) helpt ouders en professionals om problemen te herkennen op het gebied van contact, communicatie, spel en prikkelverwerking. Dit zijn problemen die onder andere bij autisme voorkomen. Deze vragenlijst op de site www.autismejongekind.nl kan iedereen invullen. Autisme kan op jonge leeftijd best te diagnosticeren zijn, maar de vraag is of dit altijd nodig is. De diagnose autisme is niet altijd zo relevant, hoewel voor sommige kinderen het label toegang tot zorg kan geven en verhelderend kan werken bij zorgen vanuit de omgeving. Ik vind het bij hele jonge kinderen juist mooi als je zonder etiket of label toegang hebt tot zorg. Het moet veel meer gaan over signaleren waar ontwikkelingsbehoeften liggen en dan daarbij kunnen aansluiten.
De ‘beschikbaarheid van de zorg’ is het tweede dilemma. Je bent afhankelijk welke zorg een gemeente biedt. Heb je een doorverwijzing, dan zijn er lange wachtlijsten. Een jeugdarts zei terecht ‘Waarom zouden wij zo vroeg signaleren als er vervolgens nog een half jaar gewacht moet worden?’ De BEER-interventie is ontwikkeld om, heel laagdrempelig, bij mensen thuis, zonder het te hebben over diagnoses of labels, ondersteuning te bieden.”
Hoe blijft het betaalbaar en laagdrempelig?
“Dat is een goede vraag, want nu mijn collega’s bij Karakter en vanuit Stichting Autisme Jonge Kind bezig zijn met de implementatie, blijkt het financiële stuk best ingewikkeld. Waar brengen we BEER onder en wie betaalt het? Idealiter in ieder geval bij een organisatie die laagdrempelig hulp biedt. Er zijn inmiddels ruim honderd BEER-hulpverleners actief in het land en de zorg is ondergebracht bij organisaties als de Jeugdgezondheidszorg, MEE, bij buurtteams, sociale wijkteams of bij de Integrale Vroeghulp; dit alles verschilt per gemeente. Bij de actuele cursus voor de BEER-professionals staat als vereiste een vooropleiding minimaal op hbo-niveau en werkzaam zijn in de jeugdzorg (nulde of eerste lijn). Deelnemers variëren van jeugdverpleegkundigen, pedagogen, psychologen en logopedisten tot ambulante gezinsbegeleiders.”
Wat is zo mooi aan de huisbezoeken tijdens de BEER-interventie?
“Als onderzoeker was het mooi om een stukje met iemand mee te mogen lopen. Bij veel jonge gezinnen ontmoette ik vooral gastvrijheid. Je krijgt veel meer van de context mee tijdens zo’n bezoek in een huiselijke omgeving. Je ziet hoe een kindje eigenlijk opgroeit. ‘Plezier in de interactie met je kind’ was de ingang bij deze speelse huisbezoeken. Voor ouders is het vooral mooi dat er iemand náást je staat, ervaren dat je het als ouder niet alleen hoeft te doen. Dat is helpend.
Bij dit soort antwoorden schemert soms toch meer de orthopedagoog in mij door dan de onderzoeker.”
Kijk je als kersverse moeder nu anders?
“Ik heb het altijd belangrijk gevonden om stil te staan bij het gevoel van ouders en dat serieus te nemen. Nu ik zelf moeder ben, weet ik dat het moedergevoel echt iets zegt. Het is belangrijk voor professionals daarnaar te luisteren. Zeker als zo’n moeder denkt ‘er is iets niet pluis’.
Het niet-pluis gevoel bij de moeder is een signaal dat je serieus moet nemen. De moeite waard om te onderzoeken. De kinderopvangprofessionals kunnen ook een niet-pluis gevoel hebben. Het wordt ingewikkeld wanneer ouders wel zorgen hebben en een professional niet, of andersom. Als moeder kan ik me nu beter inleven in dat gevoel als er iemand aan jouw kind komt.”
Waarom moet deze BEER-interventie beschikbaar zijn?
“Bij onduidelijke zorgen of wanneer een ontwikkeling niet vlekkeloos verloopt, wordt nu nog vaak gekozen voor de wait and see approach. Dat monitoren kan te afwachtend zijn. Hoewel soms passend, blijkt uit dit onderzoek dat het juist helpend kan zijn om op heel jonge leeftijd gerichte ondersteuning te bieden, zoals met het programma BEER. Het gaat dan niet over wel of geen autisme, wel of geen ontwikkelingsprobleem, maar om maatwerk. Het programma wordt ingezet als een ontwikkeling anders verloopt op het gebied van spelen, contact maken, communicatie of flexibel gedrag. De benadering is speels, in de eigen veilige omgeving en de ouder is de ingang. BEER-professionals hebben de vaardigheid om naast de ouder te gaan staan en de ouderlijke sensitiviteit te vergroten, zodat ouders het gedrag van hun kind beter begrijpen. De insteek is vooral positief, en objectief: wat werkt wel? Een brede benadering, zonder oordeel. Ouders voelen compassie, begrip voor hun zorgen. De kracht is: ouders en professionals staan naast elkaar, doen het samen.”
Conclusie, voortgang… en opbrengst voor de pedagoog
“Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de BEER-interventie significant positieve effecten heeft op de ouderlijke vaardigheden in de zin van ‘ondersteunend leren’. Het programma BEER wordt in de praktijk bijgesteld en doorontwikkeld, verder geïmplementeerd en heeft nu ook een app. Ouders kunnen zo informatie vinden, opdrachtjes uitvoeren en de eigen kindontwikkeling volgen.
Ik hoop dat tijdig passende hulp gegeven kan gaan worden bij jonge kinderen met problemen in de sociaal-communicatieve ontwikkeling. Bij deze jonge doelgroep gaat het om vroeg te signaleren, niet om per se meteen te diagnosticeren, maar om te interveniëren: zo vroeg mogelijk hulp bieden waar ouders en kind iets aan hebben. Hier ligt een mooie taak voor de pedagoog.”
tekst: Liesbeth Groen-Flinterman
foto: Céline Machiels
‘Mag ik verven?’, vraagt Fatih (5). Het thema is kleuren en vormen, dus natuurlijk mag dat. Het papier hangt al klaar, vierkanten met lijntjes in de primaire kleuren, driehoeken met paarse, groene en oranje lijnen en de cirkel wordt bruin. Mengen maar en inkleuren. Fatih doet het met de grootste zorg en toewijding. ‘Mag ik nu een wit papier?’, vraagt hij als hij klaar is.
Lees meer
Ik moet eraan denken tijdens het NVO-congres afgelopen september. “Buiten de lijntjes is er meer ruimte”, zegt pedagoog Angelique Peters. Ze spreekt over de beperkte ruimte die je hebt om iets te doen buiten het (financiële) kader dat je gegeven is. En ze spoort ons aan lef te hebben, je af te vragen waar de kaders knellen en niet meer helpend zijn.
Sinds juni heb ik een nieuwe functie waarbij het juist de bedoeling is buiten de kaders te treden. Als brugfunctionaris ben ik er voor ouders en moet ik school, thuis en wijk met elkaar in verbinding brengen. Soms begeleid ik ouders zelf, vaak help ik ze op weg. Het is een nieuwe functie met veel bewegingsvrijheid. Onherroepelijk komt daarbij de vraag op waar je bevoegdheid begint en eindigt.
Het antwoord komt in november op een ander congres: Dwars denken – samen doen. “Wie acht jij bevoegd om jou toestemming te geven?”, vraagt onderzoeker en publicist Marije van den Berg aan de zaal. Zij heeft het niet over lijntjes en kaders, maar over muren: “We botsen voortdurend tegen de randen van het systeem, we moeten die muren herkennen en weghalen. De meeste goede ideeën kun je gewoon uitvoeren, je bent al bevoegd.” Een tekst die we als wetenschappelijk opgeleide pedagogen, denk ik, wat vaker tegen onszelf mogen zeggen.
“Mag ik nu een wit papier?” Fatih heeft laten zien dat hij met het materiaal om kan gaan en binnen de kaders kan werken. Het zal per kleuterklas verschillen of een kind een tweede vel krijgt. Bij mij wel. En ik word beloond. Fatih schildert met z’n zelfgemengde bruin een groot hek. Daarbovenop verrijst een nog grotere gele vogel, met oranje snavel en wijd uitgestrekte vleugels. Het blijkt een kuiken te zijn dat gaat vliegen. Hij kijkt er tevreden naar, doopt z’n kwast weer in de bruine verf en schrijft er met grote letters boven: faith.
Ik wens jullie ook veel (zelf)vertrouwen voor 2026.
tekst: Bart van Gent
tekeningen: Krijntje Oskam (portret) & Fatih
Bart is orthopedagoog. Hij werkt als brugfunctionaris en leraar op een basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De ouders van Fatih geven toestemming voor het gebruik van zijn naam en schilderij.
In september bezocht ik het congres van de NVO met als thema ‘De Pedagoog van Nu’. Gedurende een deel van de dag kon je rondlopen op de innovatiemarkt. Die zette me aan het denken: wat betekent innovatie eigenlijk binnen ons vakgebied? En welke rol vervult de pedagoog hierin anno 2025?
Lees meer
Van tevoren had ik verwacht op de markt vooral futuristische innovaties te zien: apps, virtual reality, misschien AI-toepassingen. In plaats daarvan presenteerden universiteiten, praktijkhouders en andere professionals hun onderzoeksprojecten en evidence- of practice-based interventies.
Een terugkerend thema op de markt was het brede perspectief op welzijn. Bij meerdere projecten en interventies was er aandacht voor emotioneel welzijn door middel van zelfregulatie en veerkracht. De training YourSkills1 van PI Research helpt kinderen tussen de 8 en 13 jaar die snel boos worden en regelmatig conflicten hebben. Door middel van rollenspellen of virtual reality (toch wel dus!) leren ze vaardigheden om hun emoties beter te reguleren.
Ook in het hoger onderwijs is aandacht voor welzijn steeds urgenter. De Four-Week Well-being Course2, ontwikkeld door Marjolein Prenger en Ed de Bruin van de Universiteit Twente, biedt studenten een laagdrempelige en evidence-based kennismaking met positieve psychologie en mindfulness. Alhoewel zij door omstandigheden niet op de markt aanwezig konden zijn, is dit toch een mooie interventie om te noemen. In vier bijeenkomsten werken studenten aan thema’s als persoonlijke waarden, stress, weerbaarheid, FOMO, zelfcompassie en verbondenheid. De cursus combineert wetenschappelijke inzichten met praktische oefeningen en wordt ondersteund door actueel onderzoek naar studentenwelzijn.
Orthopedagogen-generalist Martie van der Reijden en Evelien van den Kerkhof ontwikkelen aantrekkelijk therapie- en spelmateriaal voor kinderen en jongeren op basis van de polyvagaal theorie. Met hun Praktijk Mijn Wereld3 helpen ze kinderen en jongeren om te werken aan een gevoel van veiligheid, regulatie en veerkracht.
Deze interventies maken zichtbaar hoe pedagogen actief bijdragen aan het versterken van welzijn, via het aanleren van vaardigheden, het creëren van veiligheid en het stimuleren van veerkracht. Innovatie zit hier niet per se in het bedenken van iets nieuws, maar in het doordacht en doeltreffend inzetten van bestaande kennis, op manieren die aansluiten bij de leefwereld van kinderen, jongeren en studenten.
Een ander belangrijk thema was de samenwerking met ouders en bredere systemen rondom een kind. Het belang hiervan wordt onderstreept op alle interventieniveaus, van primair tot tertiair.
Zo presenteerde Shelley van der Veek, van de Universiteit Leiden, haar onderzoek rondom de e-learning Samen leren eten4 die zij ontwikkelde. Deze biedt ouders handvatten om met uitdagend eetgedrag van hun peuter om te gaan. Bartiméus en de Vrije Universiteit Amsterdam toonden met Affect Us5, een academische werkplaats, verschillende projecten en methodieken om sociale relaties en gehechtheid te verbeteren bij mensen met een visuele en/of verstandelijke beperking. Onderzoekers van Universiteit Leiden en Jeugdbescherming West presenteerden projecten over ouderparticipatie bij spoedmachtigingen en terugplaatsing na uithuisplaatsing.6 Hierin liggen nog genoeg mogelijkheden voor verbetering en ontwikkeling.
De pedagoog van nu heeft aandacht voor deze systemen en probeert verschillende (f)actoren daarbinnen te verbinden. Innovatie draait hier om het verkrijgen van kennis en het ontwikkelen van methodieken die aansluiten bij de complexiteit van het leven van kinderen en gezinnen, en het samenwerken met verschillende professionals en instanties.
De rol van de wetenschap als fundament van goed pedagogisch handelen werd op de innovatiemarkt nadrukkelijk zichtbaar. Diverse universiteiten, waaronder de Vrije Universiteit, Universiteit Leiden en Universiteit van Amsterdam, presenteerden (promotie)onderzoeken.
Zo presenteerde Fae van der Weijden haar promotieonderzoek naar de effectiviteit van Bouw!7, een preventief programma dat zich richt op leerlingen van groep 2 tot en met 4 met een risico op leesproblemen. Haar onderzoek levert waardevolle aanbevelingen op voor scholen die werken met het programma. En alhoewel de Cogmed Werkgeheugentraining8 een interventie is die al sinds 2007 in Nederland wordt toegepast, blijven actuele onderzoeksdata van belang. Selma van Berkel was aanwezig op de innovatiemarkt om toelichting te geven bij de beschikbare onderzoeksdata en het belang van de opleiding tot Cogmed Coach onder de aandacht te brengen. De pedagoog van nu stelt kritische vragen: wat werkt echt, voor wie en onder welke omstandigheden? Innovatie betekent hier niet altijd technologische snufjes, maar juist het stevig verankeren van interventies in gedegen onderzoek.
De innovatiemarkt gaf me het beeld van de pedagoog als professional die interdisciplinair werkt, wetenschappelijk onderlegd is en oog heeft voor relationele processen. De pedagoog van nu houdt zich staande in een dynamische maatschappij, waarin blijven leren en samenwerken onmisbaar zijn.
Innovatie betekent niet per se de nieuwste app of techniek, maar vooral het blijven afstemmen op wat kinderen, gezinnen, mensen met een beperking of ouderen enerzijds en professionals anderzijds werkelijk nodig hebben. Het is een voortdurend proces van verbinden, verdiepen en toepassen van kennis ten behoeve van het kind, de volwassene of oudere en zijn omgeving.
De verbinding tussen praktijk en wetenschap is hierbij essentieel. Innovatie ontstaat wanneer onderzoek en praktijk elkaar versterken. Dit onderstreept de noodzaak om te blijven investeren in deze samenwerking, zodat pedagogisch handelen altijd gebaseerd is op de best beschikbare kennis én aansluit bij de praktijk.
tekst: Rianne Manenschijn
foto: Marijke Buisman
Mensen met een verstandelijke beperking hebben doorgaans meer ziekten en medische aandoeningen dan gemiddeld. Omdat zij zich verbaal moeilijk kunnen uiten en signalen van pijn vaak anders zijn, wordt pijn vaak onderschat en dus onderbehandeld. Daarom is er onder auspiciën van de Stichting Kwaliteitsimpuls Langdurige Zorg, SKILZ, een nieuwe richtlijn ontwikkeld voor pijn bij mensen met een verstandelijke beperking.
Een gesprek met twee van de samenstellers: Iris Pol, orthopedagoog bij De Twentse Zorgcentra en Leendert Sneep, fysiotherapeut bij Ipse de Bruggen.
Iris Pol
Fysiotherapeut Leendert Sneep (47) is al ruim twintig jaar betrokken bij het onderwerp pijn. “Ik volgde destijds een scholing waar pijn aan bod kwam en dat wekte mijn interesse. Ik dacht: we besteden veel te weinig aandacht aan het onderwerp, met name als het gaat om mensen met een verstandelijke beperking. Dus toen ben ik begonnen met het opstellen van een interne richtlijn. Inmiddels ben ik al twintig jaar met het onderwerp bezig.”
Ook orthopedagoog Iris Pol (29) kun je als een deskundige beschouwen op het gebied van pijn. Zo schreef ze haar masterthesis over pijn bij mensen met een verstandelijke beperking. “Eigenlijk ben ik tijdens mijn studie per toeval met dit onderwerp in aanraking gekomen, maar ik raakte direct geboeid. Toen ik als gedragsdeskundige aan het werk ging bij De Twentse Zorgcentra, ben ik ook meteen in het pijnteam terechtgekomen en sindsdien houd ik me met het onderwerp bezig.”
Is pijn in de langdurige zorg voor mensen met een verstandelijke beperking nog een ondergeschoven kindje?
Iris: “Ja, er is nog altijd te weinig aandacht voor. Omdat mensen met een verstandelijke beperking op een andere manier laten zien dat ze pijn hebben, herkennen we niet altijd de signalen als zodanig.” Leendert: “In het voorstadium van het ontwikkelen van de nieuwe richtlijn is er onderzoek gedaan naar de oude richtlijn, die uit 2015 dateert. Daaruit bleek dat een groot deel van de professionals de richtlijn niet eens kende. Dat maakt wel duidelijk dat er te weinig aandacht voor pijn is.”
Waarom was de oude richtlijn verouderd?
Leendert: “De oude richtlijn richtte zich hoofdzakelijk op het signaleren van pijn. De nieuwe richtlijn is veel uitgebreider, want we hebben de diagnostiek en het behandelproces er ook in meegenomen. Daarnaast speelt het biopsychosociale model een belangrijke rol in de nieuwe richtlijn. Die stelt dat gezondheid, ziekte en welzijn het resultaat zijn van een wisselwerking tussen biologische, psychologische en sociale factoren. Een holistische kijk op pijn in feite, die meer bij de inzichten van nu past; je moet al die aspecten meewegen om een duidelijk beeld te krijgen en vervolgens een goede interventie te plegen. Dat is niet makkelijk bij deze doelgroep, maar wel ontzettend belangrijk. Doordat het zo moeilijk is signalen van pijn bij mensen met een verstandelijke beperking te herkennen en daardoor het onderzoeken van oorzaken complex is, blijven hulpverleners vaak hangen in het zoeken naar lichamelijke oorzaken, terwijl de psychosociale factoren van groot belang zijn voor de pijnbeleving en de kwaliteit van leven.”
Iris: “Ook het methodisch werken rondom pijn is een nieuw aspect in deze richtlijn, dus dat je met pijn omgaat volgens de plan, do, check, act-methode. Verder hebben we een duidelijker onderscheid gemaakt tussen acute en chronische pijn.”
Leendert Sneep
Leendert: “Interessant is dat bij chronische pijn de interactie met anderen ook een rol gaat spelen, dus hoe reageren familieleden bijvoorbeeld op de pijnervaring.”
Iris: “Klopt, de systemische benadering hebben we ook mee- genomen in de richtlijn en daar is uiteraard een rol voor ons als orthopedagogen weggelegd. Ook de mensen om de cliënt heen hebben invloed op hoe de pijn wordt beleefd en het is fijn als ze zich daarvan bewust zijn. Pijn kan voor cliënten enorm belemmerend zijn in hun dagelijks leven en dan is het mede aan ons om samen met de mensen eromheen te zoeken naar de mogelijkheden die er wel zijn, ondanks de pijn. Weer dingen doen waar je blij van wordt, heeft vaak ook een positief effect op de pijnbeleving, want die raakt naar de achtergrond.”
Toch kan ik me voorstellen dat het nog steeds ingewikkeld is om te achterhalen wat er aan de hand is bij mensen met een verstandelijke beperking.
Iris: “Soms zijn professionals geneigd om bij twijfel over de oorzaak van pijn niet te handelen, maar in de richtlijn schrijven we dat het ook bij twijfel belangrijk is dat je wel handelt. De methodische aanpak helpt je daarbij. Je vormt een hypothese en die ga je vervolgens systematisch toetsen door er een interventie op te zetten en die te evalueren. In de richtlijn staat ook een format dat je kunt gebruiken om je interdisciplinaire overleg vorm te geven. Een format dat is opgesteld aan de hand van het SCEGS-model (Somatisch, Cognitief, Emotioneel, Gedrag en Sociaal) dat zich ook richt op die biopsychosociale manier van kijken.”
Leendert: “Dat hebben we heel expliciet neergezet omdat professionals soms een beetje in het somatische blijven hangen, terwijl je ook die psychosociale aspecten wilt meenemen in je beeldvorming.”
Iris: “Ook zonder duidelijke oorzaken kan er sprake zijn van pijnbeleving en pijnklachten. Die worden dan bijvoorbeeld veroorzaakt door stress of andere oorzaken. Het is belangrijk dat hulpverleners ook die pijn erkennen.”
Op welk moment pak je de richtlijn erbij, is dat als je een vermoeden van pijn hebt bij een cliënt?
Iris: “Dat is wel een logisch moment, ja. Los daarvan zou het ook heel mooi zijn als je de richtlijn eens gewoon op een rustig moment doorleest, maar ik begrijp dat dat er niet altijd van komt.”
Leendert: “Mijn tip zou zijn om een casus uit je eigen praktijk te pakken en de richtlijn aan de hand van die casus door te lezen. Vraag jezelf af wat je anders had gedaan als je de richtlijn had gehad en hoe dit voor de cliënt zou hebben uitgepakt. Zo kom je echt een stap verder.”
Professionals die met de nieuwe richtlijn moeten werken, zullen wellicht de vrees hebben voor extra administratieve last.
Iris: “Bij het opstellen van de richtlijn hebben we echt ons best gedaan om ‘m zo praktisch en laagdrempelig mogelijk te maken, met samenvattingskaarten, tabellen en allerlei andere hulpmiddelen. Dat was ook een van mijn aandachtspunten tijdens de vergaderingen van de werkgroep: ‘Hoe houden we het eenvoudig en werkbaar, zonder al te veel administratieve last’.”
Leendert: “En uiteindelijk levert het werken volgens de richtlijn ook tijdwinst op, juist omdat je zaken systematisch aanpakt. Want je hoeft niet meer vijf keer naar de dokter om iets uit te zoeken. De richtlijn geeft je allerlei handvatten, bijvoorbeeld voor een effectieve communicatie met de artsen.”
Iris: “In de huidige tijd, met het nodige personeelsverloop, is het ook belangrijk om zaken goed vast te leggen, zodat iedereen rondom de cliënt weet wat er speelt en signalen van pijn ook door professionals die minder bekend zijn met de cliënt worden herkend.”
Leendert: “Om te voorkomen dat ook deze richtlijn te weinig wordt geraadpleegd, zijn we met een aantal zorgorganisaties een samenwerking gestart om te kijken hoe we de richtlijn op een zodanige manier kunnen implementeren dat mensen ‘m ook echt gaan gebruiken. Ook bieden we scholing aan om met de richtlijn te leren werken.”
De werkgroep die de richtlijn heeft opgesteld bestond uit twaalf personen, allemaal met verschillende achtergronden. Hoe is dat proces verlopen?
Iris: “Best soepel eigenlijk. Het interdisciplinaire karakter van de groep vind ik ontzettend belangrijk, want iedereen brengt zijn eigen kijk op pijn mee. Daarom vind ik het ook belangrijk om dit interview samen met Leendert te doen. Er maakte bijvoorbeeld ook een tandarts deel uit van de werkgroep, omdat een slechte mondzorg een veelvoorkomend probleem is bij deze doelgroep.”
Leendert: “We hebben best wat discussies gehad, maar dan konden we op grond van inhoudelijke argumenten keuzes maken. Twee procesbegeleiders van SKILZ zorgden voor de ondersteuning en dat heeft ook erg geholpen.”
![]()
Iris, hoe zie jij tot slot de rol van pedagogen en orthopedagogen bij het werken met deze richtlijn?
Iris: “Als orthopedagoog heb je vaak de rol van regiebehandelaar en dan moet je dus die interdisciplinaire samenwerking coördineren. Als je dat goed en methodisch wilt aanpakken en alle disciplines wilt aanhaken die nodig zijn, dan is de richtlijn echt helpend. Dat geldt ook voor het meenemen van het systeem. Daarnaast hebben wij een belangrijke rol bij de hypothesevorming, juist omdat we die brede blik hebben en niet alles verklaren vanuit het medische model. En we kijken steeds vaker naar het welzijn van cliënten, naar wat wél kan en hoe we ondanks pijn toch kunnen zorgen voor een goede kwaliteit van leven. Bij al die aspecten is de orthopedagoog van grote waarde en de richtlijn kan je daar enorm bij helpen.”
tekst: Raymond Krul
De NVO heeft de richtlijn geautoriseerd. Iris Pol nam namens de NVO deel aan de werkgroep van deze richtlijn. De Richtlijn ‘Pijn bij mensen met een verstandelijke beperking’ is hier te lezen.
Leendert Sneep en Iris Pol zijn ook actief voor PijnZorg (On)beperkt, het landelijke kennisnetwerk over pijnzorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Wil je meedenken of jouw kennis en ervaring delen met het netwerk?
Vul dan het formulier in op www.pijnzorgonbeperkt.nl.
Zojuist heb ik de derde aflevering van Adolescence gekeken en ik moet er echt even van bijkomen. Opnieuw. De vorige keer keek ik deze Netflix-serie zonder pauze, vier uur achterelkaar. Helemaal gegrepen. Bij de keel wel te verstaan.
Lees meer
Hoofdrolspeler ‘Jamie’, Owen Cooper.
Waarom moet de lezer van de Pedagoog dit weten? Er is immers al zoveel over geschreven. Dat het allemaal vanuit één camerastandpunt is gefilmd. Dat het hyperrealistisch is. Dat het geweldig geacteerd is en niet voor niets beloond met zes Emmy’s, waaronder die voor de 15-jarige acteur Owen Cooper. Helemaal waar. Op zich al reden genoeg om te kijken, ook voor onze lezers natuurlijk.
Maar, pedagogen, daarnaast is het ook nog eens interessant studiemateriaal. Want wij komen er in voor. Zeer marginaal, zoals die kleine jeugdzorgmedewerker Derek in aflevering 1. En zeer prominent in aflevering 3. Engeland kent geen orthopedagogen, maar anders was klinisch psycholoog Briony er vast een geweest. Forensisch afgestudeerd. En voor gedragswetenschappers die in het onderwijs werken is aflevering 2 wat mij betreft een must see. Want wat gebeurt er in ‘s hemelsnaam allemaal op deze middelbare school? Waar docent Malik het inmiddels heeft opgegeven, maar brigadier Frank zich gelukkig haar vroegere docent Mrs Benton herinnert, want ‘kinderen hebben puur iets nodig wat ze zelfvertrouwen geeft’.
Dat zelfvertrouwen is ver te zoeken bij de 13-jarige Jamie Miller. Hij ziet zichzelf als lelijk (‘waarschijnlijk de lelijkste’) en ziet dat zijn vader in schaamte zijn hoofd afwendt langs de lijn van het voetbalveld. Het ergste is dat hij zichzelf rekent tot de 80 procent jongens en mannen die volslagen genegeerd worden door de meisjes en vrouwen, tot de involuntary celibates (incels) dus. Volgers van Andrew Tate weten wat hiermee wordt bedoeld, al wordt die naam in de serie niet genoemd. Jamie is duidelijk onder zijn invloed, met dramatische gevolgen.
Eerder schreef ik in deze rubriek al eens over Oogappels, de Nederlandse serie over puberkinderen en hun (groot-)ouders. Daarin gaat veel goed, terwijl het in deze serie gruwelijk misgaat. Waar je bij de ene serie heerlijk achterover kunt leunen, zit je bij Adolescence op het puntje van je stoel. Een klein glimlachje kon er bij mij nog wel af toen rechercheur Bascombe zijn puberzoon Adam voorstelde samen patat te gaan eten en in één adem onhandig zijn vaderliefde verklaarde, waarop Adam deze liefdesverklaring bevestigde met: ‘Yeah, I can be hungry.’ Verder valt er weinig te lachen, maar laat je daardoor niet weerhouden Adolescence te kijken. Of nógmaals te kijken.
Adolescence is geen whodunit. Dat is al snel duidelijk. De serie onderzoekt wat er achter het gedrag zit. Dit klinkt waarschijnlijk bekend. Mogelijk is dat de kern van je werk. Begrijpen wij onze jongeren nog wel? Of hebben we de hulp van diezelfde jongeren nodig, van jongens zoals Adam. Weten we eigenlijk wat er speelt onder jongeren? Misschien een beetje beter na het zien van deze serie. Ik heb zelf nog één aflevering te goed. Die zoomt in op de desastreuze gevolgen voor de ouders en zus van Jamie. Zeer aangrijpend. En het is al laat. Misschien geen goed idee om dit net nog voor het slapengaan te doen. Morgen dan maar.
tekst: Andries Kamminga
foto: Shutterstock
Zie ook: Interview met Jacqueline Kleijer.
Het belang van een classificatie is momenteel een groot twistpunt onder jeugdhulpverleners. Mijn pleidooi is om op te houden met het toewijzen van labels aan kinderen. Daarbij geef ik handvatten waarmee je wél duidelijkheid en richting kunt geven aan ouders, leerkrachten en hulpverleners.
Lees meer
Het grootste voordeel van een DSM-classificatie is dat het de schuld van problemen lijkt weg te halen bij degene die wordt geclassificeerd, en bij ouders. Althans, zo zien volwassenen het vaak. Of kinderen het ook zo ervaren, weten we niet. Hier is nog verrassend weinig onderzoek naar gedaan (Franz et al., 2023). Een ander voordeel is dat het richting geeft: in welke hoek moeten we het zoeken? Welke behandeling is passend? Maar hiervoor is een classificatie helemaal niet nodig (Batstra, 2012).
Misvatting 1: kinderen hebben baat bij een classificatie
Vaak hoor je dat kinderen alleen goed geholpen kunnen worden als er een classificatie wordt toegekend. Ook lees je geregeld over volwassenen die op latere leeftijd een classificatie hebben gekregen en vertellen ze dat ze dit ‘veel eerder hadden willen weten’ omdat hen dan veel leed bespaard was gebleven. Dit is echter het perspectief van een volwassene. Een kind kan niet overzien en doorgronden wat een classificatie inhoudt en wat de gevolgen zijn.
Misvatting 2: classificaties verwijzen naar een aantoonbare stoornis
De overtuiging is dat diagnoses in de DSM echt bestaan en aantoonbaar zijn. Men vergeet dan hoe tijds- en cultuurgebonden deze classificaties zijn en hoeveel overlap er is (o.a. Nieweg, 2013). We kennen inmiddels de verhalen van deskundigen die uit commissies zijn gestapt die de classificaties hebben vormgegeven. Omdat bepaalde classificaties gemeengoed zijn geworden – zoals autistisch en narcistisch – (Coornstra & Snijders, 2025) geloven steeds meer mensen dat deze classificaties echt iets zijn, zoals griep aantoonbaar door een virus wordt veroorzaakt. Maar de DSM is samengesteld om onderzoek te kunnen doen en als naslagwerk voor hulpverleners (Batstra, 2012; Van Os, 2017). Niet als een boek met checklists om aantoonbare stoornissen te kunnen vaststellen. Bovendien veranderen met elke nieuwe DSM-versie het aantal en soort stoornissen.
Misvatting 3: kinderen kun je op dezelfde manier diagnosticeren als volwassenen
Als je classificaties op dezelfde manier gebruikt als bij volwassenen, ga je eraan voorbij dat kinderen veel sterker in ontwikkeling zijn en afhankelijk van hun omgeving. Spreken van ‘kind-eigen problematiek’ heeft het risico dat je omgevingsfactoren over het hoofd ziet en de ontwikkelingsmogelijkheden en veerkracht van kinderen negeert. Bovendien hebben kinderen en jongeren veel minder kennis, levenservaring en vaardigheden om te reflecteren op wat goed voor ze is en hoe ze zichzelf willen zien.
Een classificatie lijkt ons de weg te wijzen in wat er aan de hand is. Maar de ene jongere met een classificatie ASS is de andere niet. En de ene ADHD’er doet het goed met medicatie, de andere niet. Bovendien passen veel kinderen niet perfect in het hokje. En is een classificatie vaak een veel te korte samenvatting van wat er echt aan de hand is: er spelen veel factoren mee bij probleemgedrag, sociale of emotionele problemen (zie o.a. Scheepers, 2021).
Stel: In een gezin heeft het oudste kind last van drukte in de klas. Onderzoek op verzoek van de ouders gaf de classificatie ASS. Een jonger zusje met dezelfde aanleg zit in een stressvrije klas en heeft een vertrouwd maatje met vergelijkbare aard. Ze doorloopt de basisschool zonder problemen en is daarom nooit onderzocht. Vanwege de oudste dochter is opvoedondersteuning voor dit gezin ingeschakeld, waardoor thuis rust is gecreëerd. Hierdoor heeft de jongere dochter zich probleemloos verder ontwikkeld. We zien hier een voorbeeld van zussen met een vergelijkbare aanleg, waarbij de ene wel en de andere niet met ASS is geclassificeerd. Wat doet dit met de identiteit van deze zussen?
Hind (17) vertoont forse gedrags- en sociaal-emotionele problemen. Ze is een ongewenst kind van ouders beiden met een jeugd vol fysiek geweld en emotionele verwaarlozing. Zij doen hun best, maar mishandelen Hind en het lukt moeilijk er onvoorwaardelijk voor haar te zijn.
Hind ontwikkelt in de loop van de basisschool sociale, concentratie- en ernstige emotieregulatieproblemen. Omdat ze mensen afstoot in plaats van ze te vertrouwen en agressief reageert op mensen die te dichtbij komen, wordt ze twee keer van school verwijderd, doorloopt ze verschillende behandelprogramma’s en ontmoet ze vele hulpverleners. De een ziet veel systemische factoren en stelt een hechtingsstoornis vast. De ander stelt als ze 13 jaar is een borderline persoonlijkheidsstoornis vast. De volgende is tegen diagnoses en schrapt deze weer. Haar moeder wil haar onderzocht hebben op autisme. Ze voldoet ook aan de criteria voor ADHD.
Hind zelf vraagt zich nu af wie ze nou eigenlijk is en welke stoornis ze heeft.
Kinderen groeien vaak over moeilijkheden heen, maar een classificatie blijf je levenslang met je meedragen. Herdiagnostiek gebeurt weinig. Daarnaast bestaat het probleem van de selffulfilling prophecy en stigmatisering: de omgeving gaat gedrag en problemen zien door de bril van de classificatie (Del Mar Montoya Rodríguez et al., 2017; Franz et al., 2023). De classificatie bepaalt bovendien een groot deel van de identiteit, nog voordat je volwassen wordt (Van Os, 2025). Een interventie waar duidelijk nadelen aan kleven (Werkhoven et al., 2022; Van Langen et al., 2024). Is het niet op zijn minst zorgelijk dat er geen gedegen onderzoek te vinden is naar het effect van deze interventie bij kinderen en jongeren?
We kunnen goede hulp aan kinderen en ouders bieden zonder het toekennen van classificaties. Hierbij nemen we handelings- en ontwikkelingsgerichte diagnostiek als uitgangspunt en behouden we de voordelen van classificaties, zonder deze daadwerkelijk toe te kennen. De meeste ouders melden hun kind bij onze praktijk aan met de vraag voor onderzoek naar ADHD of ASS. Een eerste stap in het diagnostisch proces is een gesprek over de hulpvraag: wat willen ouders precies weten en waarom? Ofwel: welke hulpvraag zit er achter de aanmeldreden? Uitleg over wat belangrijk is bij diagnostiek, hoort bij het gesprek over het diagnostisch onderzoek. Zoals wat we wel en niet weten als professionals, de voor- en nadelen van een classificatie, de mogelijke langetermijngevolgen en het samen vanuit het perspectief van het kind denken. Door hierover met ouders in gesprek te gaan, kunnen ze hun hulpvraag beter formuleren en werk je meer vraaggericht.
Diagnostiek gaat om meer inzicht in wat een kind nodig heeft, zowel op school als thuis. Handelingsgerichte beeldvorming dus. Omdat ouders en leerkrachten vaak de belangrijkste volwassenen om een kind heen zijn, ligt het voor de hand hen te betrekken bij de diagnostiek. Zo kun je gegevens verzamelen uit de leefwereld van het kind, versterk je de betrokkenheid bij het proces en het gevoel van competentie bij ouders: ik weet wat belangrijk is voor mijn kind, ik zie wat mijn kind nodig heeft. Voor de samenwerking met school is het ook een meerwaarde als zij bij het proces zijn betrokken. De kans is dan groter dat leerkrachten adviezen accepteren en uitvoeren.
In plaats van classificaties toekennen, doet zoeken naar instandhoudende en belemmerende factoren en de behoeften van het kind en de omgeving, veel meer recht aan de complexiteit van de ontwikkeling van kinderen (Batstra, 2012). Door op zoek te gaan naar specifieke factoren, wordt voor ouders, school en (afhankelijk van de leeftijd) het kind duidelijk wat aandachtspunten zijn. Samen met de volwassenen bepaal je waar op ingespeeld moet worden. Een voorbeeld: veel kinderen hebben concentratieproblemen. Vaak is niet goed te zeggen of dit door omgevingsfactoren komt, door prenatale factoren of door een bepaalde kwetsbaarheid van het kind. Door geen classificatie te gebruiken, kan dit punt openblijven: ‘We weten de oorzaak niet precies, maar we weten wel dat hij last heeft van concentratieproblemen en zich snel onveilig voelt.’ Dus zijn er twee factoren om op in te spelen: zorgen voor meer veiligheid in de klas en hulp bij het aangaan van langdurige opdrachten. Juist door eerlijk te zijn tegen ouders en school dat je niet altijd precies kunt achterhalen wat het onderliggende probleem is, kun je samen bekijken wat prioriteit heeft en waarop je kunt insteken.
We hoeven alle inzichten over wat kinderen met bepaalde problematiek nodig hebben echt niet weg te gooien. Je kunt best globaal blijven denken in groepen van probleemgebieden. En dan bijvoorbeeld gebruik blijven maken van de bekende gereedschappen uit de ADHD-hoek en een specifiek op dit kind gericht plan van aanpak opstellen. Hierin neem je natuurlijk ook andere verklarende factoren op die uit de diagnostiek naar voren komen.
Met een tijdlijn brengen we in beeld welke factoren hebben bijgedragen aan Hind’s sociale, emotionele en gedragsproblemen. Zo wordt het voor Hind en haar ouders duidelijk welke kwetsbaarheden er nu zijn en wat zij nodig heeft om zich weer positief te gaan ontwikkelen.
Haar ouders krijgen hulp, zodat zij beter weten hoe ze Hind kunnen ondersteunen bij heftige emoties, de band met haar kunnen verbeteren en haar meer het gevoel kunnen geven dat ze goed is zoals ze is. Voor Hind zoeken we naar een onderwijssetting waar veel begeleiding mogelijk is, zodat ze kan toewerken naar haar toekomstdroom om dierenverzorgster te worden. Ook krijgt ze traumabehandeling en behandeling rondom zelfbeeld aangeboden. Hind wordt aan een jongerenwerker gekoppeld die haar op sociaal gebied en bij het volhouden van school helpt.
tekst: Annelies van der Haar, orthopedagoog-generalist, systeemtherapeut i.o. bij Educonsult, een organisatie in Zeeland voor basis- en specialistische GGZ Kind & Jeugd.
Literatuur
In deze aflevering (oktober 2025) van de NVO Storytellers Podcast gaat gespreksleider Gerhard van Cappellen op zoek naar het antwoord op de vraag: waarom zijn we zo geneigd om kinderen te labelen? En wat gebeurt er als we dat niet doen? Samen met Merel Weijsenfeld (orthopedagoog-generalist in opleiding bij LUBEC) en Laura Batstra (hoogleraar orthopedagogiek aan de Rijksuniversiteit Groningen) verkent hij hoe we kinderen beter kunnen begrijpen zonder ze vast te zetten in labels.
Jongeren worden in de media regelmatig weggezet als ‘snowflakes’ die niet veel kunnen hebben en al snel ‘smelten’. Maar klopt dat negatieve beeld wel?
Lees meer
Renske van der Cruijsen foto: Marieke Struijk
Jongeren van nu groeien op in een maatschappij vol onzekerheden, met een huizencrisis, pandemie, klimaatcrisis en geopolitieke spanningen, waardoor de toekomst voor hen niet vastomlijnd is. Toch moeten zij leren wie ze zijn, wat ze willen en wat hun plek is in de maatschappij. In ons boek Generatie Zelfvertrouwen beschrijven Eveline Crone en ik aan de hand van ons langlopende onderzoek hoe jongeren in deze tijd worden wie ze zijn, en waarom de term ‘snowflakes’ simpelweg niet klopt.
De puberteit is een periode waarin het brein van jongeren is ingesteld om zichzelf te leren kennen. Maar jezelf leren kennen, doe je niet alleen: je leert over jezelf in verschillende sociale contexten, door je te spiegelen aan en door interacties met anderen. Zeker in de puberteit gaat dat gepaard met onzekerheden. Velen zullen zich het gevoel herinneren dat iedereen naar je kijkt, omdat je bijvoorbeeld tegen een deur aanliep, nét de verkeerde opmerking maakte of niet de ‘juiste’ outfit droeg.
Dat gevoel heeft een naam: het imaginary audience effect. Imaginary inderdaad, want in werkelijkheid is iedereen toch vooral op zichzelf aan het letten. Het gevoel een denkbeeldig publiek te hebben, lijkt te pieken rond 15-16-jarige leeftijd. In mijn eigen promotieonderzoek naar het zelfbeeld van jongeren zie ik rond dezelfde leeftijd ook een opvallend patroon: rond hun 15de zijn jongeren tijdelijk wat negatiever over zichzelf. Tegelijkertijd is dit ook een fase die ertoe dient je te motiveren om eropuit te gaan, jezelf te leren kennen en omarmen. En bovendien, het komt ook weer goed. Aan het eind van de adolescentie herstelt het zelfbeeld zich weer.
De vergelijking van het zelf met anderen speelt zich af in verschillende contexten, zoals klaslokalen, sporttrainingen en online. Sociale media zijn een relatief nieuwe context waarbinnen jongeren zichzelf leren kennen. Het biedt de kans om nieuwe kanten van jezelf te ontdekken, en het verlaagt de drempel om contact met anderen te onderhouden of contact te leggen met nieuwe mensen. Aan de andere kant kan (te) veel met sociale media bezig zijn onzekerheid vergroten. Er komen niet alleen onrealistische ‘perfecte plaatjes’ voorbij, maar ook een continue stroom aan nieuwsberichten over wat er gebeurt in de wereld.
Dat het negatieve beeld dat vaak van jongeren wordt geschetst geen goede beschrijving is, is in ieder geval duidelijk. Jezelf leren kennen in een tijd met zoveel maatschappelijke onzekerheden, die je online veelvuldig en gedetailleerd meekrijgt: daar moet je toch behoorlijk sterk voor in je schoenen staan!
In Generatie Zelfvertrouwen komt in elk hoofdstuk een vraag aan bod die ons vaak gesteld wordt door jongeren zelf, zoals ‘Waarom willen mijn ouders altijd iets anders dan ikzelf?’, ‘Waarom begrijpt niemand mij?’, en ‘Ben je online dezelfde persoon als offline?’.
We beantwoorden deze vragen op basis van ons en ander wetenschappelijk onderzoek én op basis van tips en inzichten van jongeren zelf.
tekst: Renske van der Cruijsen, universitair docent Orthopedagogiek, Radboud Universiteit Nijmegen. Co-auteur van Generatie Zelfvertrouwen (2024).
Van uitgeverij Maven Publishing mogen we drie exemplaren van Generatie Zelfvertrouwen weggeven. Interesse? Stuur voor 16 januari 2026 een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Hannah & de Krokodil is gebaseerd op een waargebeurd verhaal. Het boek is vormgegeven in samenhang met de gelijknamige documentaire, waarin papieren animaties op kunstzinnige wijze het verloop van een eetstoornis bij de 13-jarige Hannah verbeelden en de impact hiervan op haar gezin. Deze beelden keren terug in het boek en versterken de kracht van het verhaal. De metafoor van de ‘krokodil’, de stem in Hannah’s hoofd die haar steeds minder laat eten, is treffend en toegankelijk, voor jonge en oude lezers.
Het boek is opgedeeld in seizoenen en maakt zo, in sprongen, de groei van de krokodil en de ontwikkelingen in het gezin voelbaar. Deze structuur verduidelijkt goed de hardnekkigheid van eetproblematiek en de grilligheid van herstel. Bijzonder
is de manier waarop de impact op het gezin, en in het bijzonder op zusje Fien, is verbeeld. De verwarring, angst en machteloosheid zijn raak neergezet en maken het boek waardevol als gesprekstool voor gezinnen en hulpverleners.
Wat mij betreft is het enige minpunt aan dit boek de wijze waarop Fien (10 jaar) denkt en communiceert. Dit sluit
niet altijd aan bij wat je van een tienjarige verwacht. De volwassenheid van haar denken en doen doet enigszins af aan de geloofwaardigheid van haar perspectief. Desondanks is Hannah & de Krokodil een laagdrempelig maar indringend boek dat eetstoornissen bespreekbaar maakt, zonder de complexiteit uit de weg te gaan.
tekst: Rianne Manenschijn
Hannah & de Krokodil (2025) van Tine Lefebvre is een uitgave van Pelckmans.
Babies in Groups opent met een korte evolutionaire geschiedenis van de mens en de rol die groepen daarin altijd hebben gespeeld, ook in de opvoeding. Tot zover niets nieuws onder de zon. De auteurs gaan echter een stap verder en betogen aan de hand van eigen observaties dat ook baby’s kunnen genieten van (pre verbale) interacties in groepen en hier bovendien erg goed in zijn. Ze bespreken het belang van groepen voor baby’s in de kinderopvang en psychotherapie, onder andere aan de hand van een methode waarbij ze baby’s van zes tot acht maanden in groepen van drie of vier in kinderstoelen tegenover elkaar zetten en hun interacties heel gedetailleerd observeren. Tot verbazing van de onderzoekers gingen de baby’s hele rijke en complexe interacties met elkaar aan, zonder tussenkomst van volwassenen.
De kritiek van de auteurs op de gehechtheidstheorie door het boek heen is niet mals, maar ze hebben een aantal scherpe argumenten verzameld, op basis van eigen en ander onderzoek. Persoonlijk vind ik dat ze het kind met het badwater weggooien, maar het boek stimuleert zeker een meer relativerende kijk op en constructieve discussie
over het (te?) grote gewicht dat in wetenschap en praktijk aan de gehechtheidstheorie wordt gehangen.
Op de bijbehorende website staat aanvullend videomateriaal van een groepsobservatie op een kinderdagverblijf in Australië, dat het gedachtengoed mooi illustreert. Wat mij betreft een zeer prikkelende en waardevolle toevoeging aan de literatuur, maar lees en oordeel vooral zelf.
tekst: Sanne de Vet
Babies in Groups: Expanding Imaginations (2024) van Ben S. Bradley, Jane Selby en Matthew Stapleton is een uitgave van Oxford University Press en gratis te downloaden via academic.oup.com/book/55968
De app Hospital Hero is bedacht en ontwikkeld door twee kinderverpleegkundigen – in samenwerking met gezinnen – en heeft als doel angst en stress bij kinderen die een medische behandeling moeten ondergaan te verminderen. Op een speelse manier worden kinderen en ouders voorbereid en biedt de app tijdens het bezoek aan het ziekenhuis informatie en afleiding.
Zo kunnen kinderen een meet- en weegspelletje spelen en kunnen ze in de wachtkamer van het ziekenhuis dieren ‘verzamelen’ door met de camera van hun telefoon op zoek te gaan. Ook zijn er filmpjes, foto’s en interactieve content met uitleg in begrijpelijke taal over verschillende onderzoeksruimtes, medische procedures en instrumenten.
De app zit goed in elkaar en streeft een mooi doel na. Ik kan me goed voorstellen dat het een ziekenhuisbezoek voor kinderen minder spannend maakt. Het is wel jammer dat er op dit moment ‘slechts’ zes ziekenhuizen meedoen en de app daarmee niet bruikbaar is voor alle kinderen, maar aanmeldingen van nieuwe ziekenhuizen zijn welkom. Wat ook opvalt is dat het ondergaan van een operatie nog geen onderdeel is van de app.
Hospital Hero is uitgeroepen als winnaar van de Klokhuis Wetenschapsprijs 2024, vooral vanwege het spel Even Spieken. In dit spel kunnen kinderen en ouders thuis alvast rondkijken in de behandelkamer op de locatie van de afspraak. Mijn stiefzoontje van 9 vond de app leuk, maar ook een beetje kinderachtig. Voor wat jongere kinderen die naar het ziekenhuis moeten, is deze app zeker een aanrader.
tekst: Sanne de Vet
Hospital Hero is gratis te downloaden in de App/Play Store.
Bronfenbrenner – Basisgids over zijn visie en benadering is geschreven door drie professoren in de ontwikkelingspsychologie die zijn benadering als uitgangspunt nemen in hun eigen werk. In deze herziene uitgave betogen zij dat de coronapandemie het belang van kwalitatief hoogstaande, interactieve vroege leerervaringen nog duidelijker heeft gemaakt. En ook dat veranderende contexten kansen bieden om voor- en vroegschoolse educatie te verbeteren.
Het bio-ecologische kader vormt de basis van waaruit een pedagogische benadering voor opvang en onderwijs aan jonge kinderen kan worden vormgegeven. Kinderen ontwikkelen zich immers binnen relaties en interacties die ontstaan binnen én tussen de verschillende omgevingen waarin zij opgroeien. Vanuit deze basis maken de auteurs een koppeling met andere invloedrijke ontwikkelingspsychologische theorieën. Bijvoorbeeld Bowlby en Baumrind over de (hechtings)relatie en opvoedstijl binnen opvang en onderwijs. Ook het begrijpen en begeleiden van overgangssituaties en het belang van speelleeromgevingen komen uitgebreid aan de orde. Uiteindelijk leggen de professoren de verbinding met onderwijsconcepten als groeimindset, hoge verwachtingen en pedagogisch leiderschap.
Bekendheid met het werk van Bronfenbrenner en andere (ontwikkelings-) psychologische denkkaders vooraf is prettig. Het boek leest desondanks niet vlot weg. De reflectievragen tussendoor helpen gelukkig en dagen uit tot reflecteren over je eigen werkpraktijk. En zo bereiken de auteurs toch hun doel: professionals opnieuw laten nadenken over het verbeteren van de ontwikkelkansen voor de toekomstige generatie.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Bronfenbrenner – Basisgids over zijn visie en benadering (2025) van Nóirín Hayes, Leah O’Toole en Ann Marie Halpenny is een uitgave van SWP in de serie Pedagogiek van het jonge kind.
Susan Bögels is begonnen als onderzoeker en psychotherapeut in de geestelijke gezondheidszorg voor volwassenen in Maastricht. Inmiddels is ze hoogleraar Family Mental Health & Mindfulness aan de Universiteit van Amsterdam en heeft ze daarnaast een eigen opleidingsinstituut. Binnen haar leerstoel besteedt ze veel aandacht aan het onderzoeken van mindfulnesstrainingen voor ouders en kinderen.
Lees meer
Susan Bögels
“Het begon eigenlijk bij de ontwikkeling van een interventie voor volwassenen met een sociale angststoornis. In deze interventie ontwikkelden we een methode, die we taakconcentratie noemden, waarbij deelnemers hun aandacht leerden richten op dat wat ze aan het doen waren en hun omgeving in plaats van op zichzelf. Dit leek op mindfulness, hoewel ik daar toen, begin jaren negentig, nog nooit van gehoord had. Mindfulness is met aandacht en zonder oordeel in het moment aanwezig zijn. Het is als het ware een westerse variant op principes uit het boeddhisme. De grondlegger van mindfulness- based stress reductie, John Kabat-Zinn, had samen met zijn vrouw een boek geschreven over mindfulness en ouderschap, maar hiervoor nog geen systematische methode ontwikkeld.”
Susan Bögels en haar collega’s waren de eersten die dat deden en inmiddels bestaat er een scala aan mindful ouderschapstrainingen, zoals de algemene Mindful Ouderschapstraining, Mindful met je baby en peuter, MYmind-Mindfulness voor kinderen met ADHD en autisme en hun ouders en Mindfulness voor zwangeren.
Susan verbaast zich over de scheiding die nog steeds bestaat tussen de volwassenen- en jeugd-ggz. “Ouders en kinderen zijn onderdeel van een gezinssysteem. Juist daarom volgen ouders en kinderen met psychopathologie bij de MYmind-methode parallel aan elkaar een mindfulnesstraining en zien we dat dit de effecten versterkt.” Waar mindful ouderschapstrainingen eerst vooral werden aangeboden binnen de ggz, worden die nu ook steeds vaker ingezet binnen de preventieve (jeugd)gezondheidszorg. “Ons onderzoek liet zien dat overreactief ouderschap en stress rondom de opvoeding in de preventieve zorg net zoveel voorkwam als in de curatieve zorg.”
De mindful ouderschapstraining volgt de structuur van de ‘standaard’ mindfulnesstraining voor volwassenen en bestaat uit acht wekelijkse sessies in groepsverband, en een follow-up sessie acht weken later. Tijdens de sessies wordt geoefend met verschillende (korte) meditaties, tijdens de mindful ouderschapstraining zijn deze vooral toegespitst op het ouderschap. Zo krijgen ouders bijvoorbeeld de opdracht om hun kind te observeren met een beginner’s mind, alsof ze hun kind voor het eerst zien.
“Het probleem begint bij het zien van je kind als ‘mijn kind’. Ouders leren inzien welke verhalen ze zichzelf vertellen, bijvoorbeeld door zichzelf de schuld te geven van negatief kindgedrag of zichzelf op de borst te kloppen bij positief kindgedrag. Natuurlijk zijn ouders verantwoordelijk voor hun kind en hebben ze invloed, maar vaak overschatten ze hun aandeel, zowel in negatieve als positieve zin. Ouders oefenen hun kinderen te zien zoals ze zijn, zonder de verwachtingen die ze er zelf opgeplakt hebben. Hiernaast vergeten ouders vaak dat ze ook een innerlijk kind hebben dat aandacht nodig heeft. Kinderen zijn onze beste zenleraren en wijzen ons vaak onbewust op kwetsbare delen van onszelf die dringend aandacht en compassie nodig hebben. Wat op een moeilijk opvoedingsmoment dan bijvoorbeeld kan helpen, is om als ouder een time-out te nemen en een paar minuten tot jezelf te komen – we noemen dat een adempauze – om van daaruit bewust te kiezen hoe je op het kind wilt reageren.”
Er is inmiddels wereldwijd al behoorlijk wat onderzoek gedaan naar de effectiviteit van de mindful ouderschapstraining. Grootschalige randomized controlled trials tonen aan dat deze ook daadwerkelijk effectief is in het verminderen van ouderlijke stress en overreactiviteit.
“De gevonden effecten zijn behoorlijk groot en anders dan de effecten van andere, meer algemene ouderschapstrainingen, zoals de Parent Management Training. De mindful ouderschapstraining draagt bijvoorbeeld ook bij aan meer innerlijke groei en een betere fysieke gezondheid van ouders. Bovendien is gevonden dat psychopathologie bij kinderen van wie ouders de training hadden gevolgd ook afnam.”
Bijzonder is dat veel onderzoeken naar mindful ouderschap zijn uitgevoerd in Hong Kong. Hoe valt dit te verklaren? “Ik denk omdat mindfulness goed aansluit bij de Aziatische cultuur én Hongkong een grootstedelijke omgeving is waar veel ouders worstelen met stress en prestatiedruk. Juist in zo’n samenleving is er waarschijnlijk veel behoefte aan ouderlijke mindfulness.”
Vijfentwintig jaar geleden vonden veel ouders het nog behoorlijk zweverig om zich met mindfulness bezig te houden. Tegenwoordig is dat meestal niet het geval, zelfs niet voor sceptische ouders.
Als Susan terugdenkt aan de vele mindfulnesstrainingen die ze heeft gegeven aan ouders, welke mooie anekdote schiet haar dan te binnen?
“Er zijn vele ontroerende momenten geweest. Wat me echt is bijgebleven, is het verhaal van een adoptiemoeder. Zij had moeilijkheden in de relatie met haar adoptiedochter van 16 jaar, met veel externaliserend probleemgedrag. Als zij uit school kwam, ging ze meestal meteen naar boven zonder met moeder te praten. Tijdens de training deed de moeder ervaring op met mindful luisteren: de tijd nemen en zonder oordeel, met volledige aandacht, luisteren naar wat de ander te zeggen heeft. Toen ze dit thuis toepaste, haar laptop dichtklapte en mobiele telefoon weglegde toen haar dochter uit school kwam, ging die vervolgens op de bank zitten en uitgebreid vertellen over haar dag. Tijdens een van de volgende groepssessies bracht zij een cake mee voor de hele groep. Die was gebakken door, jawel, haar dochter.”
Dit voorbeeld illustreert hoe groot de kracht van ogenschijnlijk simpele mindfulnessoefeningen kan zijn. “Een kind écht zien zoals het is, is een hele kunst. Het lijkt simpel, maar is niet eenvoudig. We zijn in deze maatschappij zo gericht op alles buiten ons, terwijl het binnen in ons gebeurt, en het start met echte aandacht.”
![]()
“Mindfulness kan ons allemaal iets waardevols brengen, ook professionals. Zelf start ik een therapiesessie vaak met een korte ‘adempauze’. Je begint met een beweging naar binnen te maken en je af te vragen hoe het precies met je is op dit moment. Vervolgens breng je je hele aandacht naar het in- en uitademen. Dan breid je de aandacht uit naar je hele lichaam en de volgende momenten van je dag. Dit kan zowel de pedagoog als de cliënt helpen om te schakelen en vervolgens echt contact te kunnen maken met de ander en met wat werkelijk gezien wil worden. Uiteraard is er wel enige ervaring met mindfulness en meditatie nodig van de professional om dit te begeleiden.”
tekst: Sanne de Vet
Op de persoonlijke website van Susan Bögels – www.susanbogels.com – staat meer informatie over de trainingen, opleidingen en retraites die ze verzorgt voor professionals en ouders, zoals Mindfulness in de Levensloop van Gezinnen en Mindful Ouderschap. Ook is hier terug te vinden welke boeken ze heeft geschreven. In het voorjaar van 2026 komt haar nieuwe boek Parenting Ourselves uit.
De veiligheid van pleegkinderen is volop in het nieuws. Wat zegt de herziene Richtlijn Pleegzorg erover en is de richtlijn voldoende bekend bij professionals? Ellen Schep en Danielle van de Koot geven toelichting en gaan in op actuele ontwikkelingen.
Lees meer
Ellen Schep
Dit jaar kwam de herziene Richtlijn Pleegzorg beschikbaar.1 Met het tragische verhaal van het Vlaardingse pleegmeisje in het achterhoofd ga ik in gesprek met Ellen Schep en Danielle van de Koot die als auteurs betrokken waren bij de herziening. Ze werken allebei bij de Christelijke Hogeschool Ede, lectoraat Pleeg- en Gezinshuiszorg. Ellen Schep, NVO-pedagoog, als onderzoeker en Danielle van de Koot, pedagoog, als associate lector. Ellen is daarnaast gedrags- wetenschapper bij het Leger des Heils.
De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) publiceerde in september het rapport Pleegkinderen uit beeld2 over de veiligheid van pleegkinderen naar aanleiding van de calamiteit van het Vlaardingse pleegmeisje dat door haar pleegouders werd mishandeld. Het valt mij op dat het rapport vaak verwijst naar de Richtlijn Pleegzorg, zoals dit citaat op pagina 7: ‘Ook is aandacht nodig voor het werken volgens de veldnormen. De Richtlijn Pleegzorg voor jeugdhulp en jeugdbescherming moet beter worden geïmplementeerd en geborgd, zodat deze bij pleegzorgbegeleiders beter bekend is, ze ermee gaan werken en ze elkaar aanspreken waar dit niet gebeurt.’
Moet de richtlijn inderdaad meer gebruikt worden in de praktijk? Ellen: “Dat dit in het inspectierapport staat, benadrukt zeker de urgentie en het belang van de richtlijn. Het is cruciaal dat we de richtlijn gebruiken en ook toetsen wat we in de richtlijn hebben afgesproken.”
Danielle vult aan: “In het inspectierapport staan geen suggesties voor aanpassingen van de richtlijn. Wel staat erin dat de richtlijn moet worden opgevolgd en dat erop moet worden toegezien dat professionals de richtlijn toepassen. Een belangrijk principe daarbij is: ‘pas toe of leg uit’. De richtlijn is geen wetboek, maar geeft wel de richting aan die we op willen, op basis van ervaringen, kinderrechten en wetenschappelijk onderzoek. Als dat om de een of andere reden niet lukt, leg dan uit waarom, bespreek het met collega’s en leg het vast.”
Hoe zorg je voor meer alertheid op risico’s en misstanden in de pleegzorg? Ellen en Danielle wijzen erop dat in de vorige én de huidige versie van de Richtlijn Pleegzorg de meldcode kindermishandeling het uitgangspunt is als er zorgelijke signalen zijn. Daarnaast is het essentieel om het pleegkind drie keer per jaar persoonlijk te spreken, iets wat in de Vlaardingse casus niet is gebeurd.
Ellen: “De stem van het kind was een belangrijk onderwerp in de gesprekken met de herzieningswerkgroep van de richtlijn. Alle perspectieven waren vertegenwoordigd: een oud-pleegkind, pleegouders, eigen ouders, pleegzorgwerkers en gedragswetenschappers. Pleegzorgbegeleiders merkten op dat pleegkinderen soms op een bepaalde leeftijd niet meer met professionals willen praten, omdat ze zo normaal mogelijk willen zijn. Het oud-pleegkind herkende dat, maar gaf tegelijkertijd aan dat er in zo’n geval altijd wel mensen zijn die het pleegkind goed kennen of een vertrouwenspersoon bij wie je de veiligheid van het kind kan checken.”
Danielle bevestigt dit: “Misschien wil je wel een gewoon kind zijn, dat horen we inderdaad terug van pleegkinderen. Maar je hebt als kind wel ideeën over wat goed voor je is, waar je wilt wonen, naar welke school je gaat, met wie je graag een band wilt houden, dat soort dingen.”
De richtlijn legt veel nadruk op relationele stabiliteit: het onderhouden en beschermen van bestaande banden van het pleegkind met ouders en pleegouders.
“Zorg er bijvoorbeeld voor dat je als pleegouder in het leven van een kind blijft, ook als het kind weer terug naar huis gaat,” zegt Danielle. “Misschien kan het nog af en toe komen logeren of biedt het pleeggezin deeltijdpleegzorg (zie kader). Het tegenovergestelde van relationele stabiliteit is ongewenst: een oneindig aantal overplaatsingen. Soms wel meer dan tien keer, dat zijn geen uitzonderingen. Het is belangrijk dat pleegkinderen vertrouwde mensen in hun leven houden, die langer met ze meegaan. Uit gehechtheidsonderzoek is bekend dat kinderen aan meerdere personen gehecht kunnen zijn. Het contact met de één gaat niet ten koste van de band die het kind met een ander opbouwt. Dit is een hardnekkig misverstand dat je helaas soms nog tegenkomt.”
Danielle van de Koot
Het is belangrijk om al bij de matching – het bepalen van een geschikte plek voor het kind – de wensen van de eigen ouders en de mogelijkheden van de pleegouders te bespreken en op elkaar af te stemmen.
Ellen: “Overigens ben je vaak al blij dat je een plekje gevonden hebt, want dat is ook de realiteit. Sommige dingen kun je inderdaad van tevoren bedenken, die ga je in ieder geval bespreekbaar maken. Andere dingen komen later op. Het kind komt bijvoorbeeld in de puberteit en ontdekt dat het valt op het eigen geslacht, of het heeft gendervragen. Dat kun je niet voorzien bij de matching. Het betekent wel dat je voortdurend met elkaar in gesprek moet blijven.”
In de herziene richtlijn staat dat bij uithuisplaatsing een plek in het netwerk van het kind de eerste optie is. De voorkeur voor netwerkpleegzorg (zie kader) is gebaseerd op het kinderrechtenverdrag en op wetenschappelijk onderzoek. Zo liet een meta-analyse zien dat plaatsingen in het familienetwerk van het kind stabieler zijn dan plaatsingen bij onbekenden.4
Danielle: “Eerst kijk je in de familie en het netwerk en pas dan daarbuiten. Voor het kind is dat vertrouwder, juist wat betreft cultuur, religie en gewoontes. We horen van pleegzorgwerkers dat zij er vroeger niet altijd aan dachten. Nu zeggen ze bijvoorbeeld: Het gaat om een moslimkind, waarom kijken we niet in de eigen gemeenschap? Kinderen hebben er recht op om in een pleeggezin aansluiting te vinden bij hun eigen cultuur en levensbeschouwing. Dat lukt heel vaak niet omdat er een tekort aan pleeggezinnen is, maar de visie is wel dat je erop let. In de herziene richtlijn staat: als dat niet lukt, kijk dan hoe je verbinding kunt maken. Halal koken is bijvoorbeeld voor de meeste niet-islamitische pleeggezinnen geen probleem. Veel pleegouders zeggen: Het gebeurt weleens dat onze eigen kinderen spekjes door de stamppot willen, maar dan verzinnen we wat anders voor het pleegkind. En als het vieren van islamitische feestdagen belangrijk is voor het gezin van herkomst, is er wellicht een oom of tante die het kind dan kan komen ophalen.”
In de praktijk komen Ellen en Danielle veel pleegzorgbegeleiders tegen die het supermooi vinden om met netwerkpleeggezinnen te werken.
Al horen ze ook weleens twijfels of vooroordelen, zoals de vraag of een beoogde netwerkfamilie niet te ongezond eet.
Danielle: “We moeten als professionals alert zijn. Als pleegouders op ‘ons soort mensen’ lijken, kan dat comfortabel aanvoelen. Maar misschien is er een netwerkpleeggezin dat daar niet op lijkt, terwijl het wel geschikt is. Wees dus bewust van je eigen vooroordelen.” “Aan de andere kant zien we weleens angst bij familiepleegouders,” zegt Ellen. “Ze zijn soms bang dat ze negatief beoordeeld zullen worden door de instanties: ‘Misschien vinden ze ons niet goed genoeg.’ Netwerkfamilies kunnen zich heel kwetsbaar voelen.” Danielle heeft een voorbeeld: “Een collega had pas een gesprek met pleeggrootouders die uit angst de instanties lang buiten de deur hielden. Ze deden de opvoeding van hun kleinkinderen in hun eentje. Ondertussen waren ze al op leeftijd en maakten ze zich zorgen over de toekomst. Ze waren blij dat ze nu waren aangehaakt bij een pleegzorgorganisatie. Eindelijk konden ze hun verhaal kwijt en kregen ze steun van een pleegzorgbegeleider.”
Happy Eid-al-Fitr - Gelukkig Suikerfeest
![]()
Ellen wijst op de kernaanbevelingen5 in de richtlijn voor vijf gebieden: volgen en stimuleren van de ontwikkeling van pleegkinderen, beslissen over het perspectief, stabiliteit, veiligheid in pleeggezinnen en samenwerking. “Het gaat om belangrijke vragen, zoals: Is er contact tussen kind en ouder? Heb je zicht op de veiligheid? Kijk als gedragswetenschapper steeds naar die verschillende gebieden. Anders ben je alleen bezig met wat er toevallig speelt in een pleeggezin of wat de pleegzorgbegeleider inbrengt. Leg daarom de thema’s van die vijf gebieden proactief op tafel.”
tekst: Femmie Juffer
tekening Rhodé Seinen (12 jaar)
Yara (15) is aangemeld voor traumabehandeling bij orthopedagoog Peter. Bij de intake realiseert hij zich dat Yara hoogstwaarschijnlijk slachtoffer is van Tim (17) die reeds bij hem in behandeling is. Peter vraagt zich af of het verstandig is om Yara in behandeling te nemen.
Lees meer
Dan heeft Peter voorkennis van wat er is voorgevallen. Het verhaal van Yara kleurt Peter dan onbewust in. Ook is er het risico dat Peter per ongeluk informatie deelt met Yara die hij van Tim heeft gekregen en andersom. Dat Peter voor beiden geheim moet houden dat de ander ook in behandeling is, zal zijn vrije houding naar hen beïnvloeden en zo de vertrouwensband onder druk zetten. Daarnaast kunnen Yara en Tim elkaar op de locatie tegenkomen, met alle nadelige gevolgen voor de vertrouwensband en veiligheid van dien. Ook al staan de afspraken op andere dagen gepland, het risico op een ontmoeting blijft.
De NVO-beroepscode zegt hierover:
Artikel 26. De pedagoog aanvaardt geen opdracht die onverenigbaar is met een eerder aanvaarde opdracht, ook als er geen sprake is van dezelfde cliënt of van dezelfde leden van het cliëntsysteem. Bij de motivering van zijn weigering neemt de pedagoog de geheimhouding van artikel 12 in acht.
Artikel 20. De pedagoog weigert een professionele relatie aan te gaan of voort te zetten, als hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de uitvoering hem in conflict zal brengen met de beroepscode.
Als Peter in een grotere organisatie werkt, zou de behandeling van Yara daar toch kunnen plaatsvinden. Maar dan door een andere behandelaar, van een ander team én op een andere locatie dan waar Tim komt. Peter en de leden van zijn team moeten geen betrokkenheid hebben bij de behandeling van Yara en dus ook geen toegang tot haar dossier. Is Peter zelfstandige, dan moet hij de opdracht weigeren en Yara doorverwijzen naar een andere hulpverlener.
Het kost tijd om een vertrouwensband op te bouwen. Soms geeft een cliënt pas later in de behandeling meer openheid over problemen, waardoor zo’n dilemma later duidelijk wordt. Ook dan is het zeer de vraag of Peter de behandeling kan voortzetten. Hier spelen diverse zaken een rol. Is de behandeling van beiden op dezelfde locatie? Hoeveel voorkennis heeft Peter? Kan hij nog steeds objectief en onbevooroordeeld behandelen?
Meestal is toch de conclusie dat het verstandig is om de hulpverlening van één van beiden over te dragen. Ook al is de behandeling van Tim bijvoorbeeld bijna afgerond, je hebt nog steeds voorkennis die de behandeling van Yara kan kleuren. Wélke behandeling wordt overgedragen, hangt af van de risico’s van overdracht. Daarvoor moet je goed kijken naar de situatie van Yara en Tim.
Bij doorverwijzen na de intake en bij overdragen van een lopende behandeling, moet Peter oppassen dat hij zijn beroepsgeheim niet schendt. Hij kan geen openheid geven aan Yara of Tim dat de ander in behandeling is. Vervolgens is voor een (inhoudelijke) overdracht aan een collega van een lopende behandeling toestemming nodig van Yara of Tim en zo nodig de ouders met gezag.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt samen met mr. Monica de Visser het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO op dinsdag 13.30-15.30 uur en donderdag 10.30-12.30 uur.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Annejet van Lith (25), sinds 2023 werkzaam als zelfstandig pedagoog binnen de ggz in Arnhem.
Lees meer
Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?
“Ik werk als orthopedagoog zzp’er met kinderen en jeugdigen, en sinds kort ook met jongvolwassenen. Ik bied diagnostiek en behandeling binnen de basis en specialistische ggz. In mijn werkveld help ik cliënten met ontwikkelingsproblematiek, angst- of stemmingsgerelateerde problemen, sociaal-emotionele en gedragsproblemen. Binnen het behandeltraject is er naast de cliënt ook aandacht voor de omgeving.”
Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?
“Antwoord krijgen op de vraag: ‘Hoe komt iemand weer tot (verder) ontwikkelen?’ En daarop onderzoek en/of behandeling inzetten. Eigenlijk is dat mijn enige taak, want als je bijvoorbeeld kampt met angsten, somberheid of emotieregulatieproblemen, is in beweging komen en groeien een uitdaging. Als orthopedagoog is het belangrijk dat je samen werkt met de cliënt. En, niet te vergeten, om een omgeving te creëren waarin een kind of jongvolwassene zich ook in de toekomst zonder mij blijft ontwikkelen. Geen enkele cliënt is hetzelfde, dus maatwerk bieden is onmisbaar. Iedereen heeft unieke kenmerken, ervaringen en behoeften die vragen om een andere aanpak. Dat maakt je behandelingen effectiever.”
Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?
“Eén van de grootste uitdagingen waar orthopedagogen tegenaan lopen, zijn de grenzen van invloed. Als orthopedagoog kun je helaas niet iedere situatie voldoende veranderen of oplossen, zelfs niet als je ziet wat er in de situatie nodig is. Het kan bijvoorbeeld ook zo zijn dat je de omgeving om de cliënt heen onvoldoende in beweging krijgt. Dit werk brengt zodoende ethische dilemma’s met zich mee, zoals de vraag hoelang je door blijft gaan met een behandeling of wanneer je een cliënt doorverwijst. Zeker na het opbouwen van een goede vertrouwensrelatie kunnen dit lastige keuzes zijn. Als orthopedagoog moet je daarnaast rekening houden met budgetten en regels vanuit de gemeente. Dit kan botsen met wat jij vindt dat nodig is voor een kind of gezin.”
Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je hier een loopbaan kiest?
“Onder andere moet je als orthopedagoog continu kunnen schakelen in de onderzoeken en behandelingen, want gedrag is niet altijd te voorspellen. Je vraagt jezelf constant af: ‘Wat is nodig en helpend in deze situatie?’ Schakelen is van belang, omdat het werk vraagt om af te kunnen stemmen op uiteenlopende situaties: van gesprekken met kinderen en ouders tot overleg met scholen of wijkcoaches. Hiernaast is het belangrijk dat je een analytisch vermogen hebt. Bijvoorbeeld in de diagnostiek, waarbij je in een puzzel aan informatie toch verbindingen kunt leggen. Als je al deze vaardigheden voldoende beheerst, moet je natuurlijk niet vergeten dit goed te communiceren en hierin samen te werken. Het is helpend wanneer alle neuzen dezelfde kant op wijzen en dat er sprake is van afstemming over wat er moet gebeuren.”
Welke verdiepingsmogelijkheden zou je binnen dit werkveld aanraden?
“Mijn achtergrond in de sociale wetenschappen begon aan de Radboud Universiteit bij de opleiding Pedagogische Wetenschappen Primair Onderwijs: een combinatie van academisch lesgeven en pedagogiek. Ik raad iedereen aan om als orthopedagoog ook een periode voor de klas te hebben gestaan. Het maakt dat ik in het samenwerken met scholen goed weet welke factoren een rol spelen in het onderwijs en welke beperkingen en mogelijkheden leerkrachten ervaren.
Toen ik begon als orthopedagoog, ben ik vrijwel direct gestart met de basiscursus cognitieve gedragstherapie. Dit heeft bij mij een sterk fundament gelegd, omdat het mij heeft geholpen om gedrag en onderliggende denkpatronen beter te begrijpen en beïnvloeden. Naast af en toe trainingen en congressen over hoogbegaafdheid en trauma bijvoorbeeld, ben ik gestart met BrainBlocks. Met allerlei materialen zoals blokken en cilinders in verschillende kleuren, worden cliënten uitgenodigd om hun innerlijke wereld, met alle gedachtes en emoties die erbij komen kijken, inzichtelijk te maken en samen leren te begrijpen. Naast jezelf begrijpen, is BrainBlocks ook een manier om te reflecteren op sociale interacties en de beleving van een ander.
Binnen de praktijk waar ik werkzaamheden verricht, heb ik al regelmatig EMDR-behandelingen mogen observeren. Ik zie positieve effecten bij deze cliënten en heb gemerkt dat het een waardevolle behandeling is. Dit maakt dat ik eind 2025 start met de basiscursus EMDR. Ik hoop dat deze behandelingsmethode mij nog meer tools biedt om mensen te helpen op het gebied van trauma en angsten.”
Welke momenten tijdens je werk zijn je het meest bijgebleven?
“Zowel de momenten dat ik vastliep en me zorgen maakte over situaties, als de succesmomenten. Succesmomenten die onder anderen naar voren springen, zijn de momenten tijdens exposuretherapie. Bij exposuretherapie maak ik meestal een angstladder samen met de cliënt. Dat is een stappenplan, waarbij de cliënt zich geleidelijk blootstelt aan de angst, van het minst naar het meest spannend. Dit doen we zo dat de cliënt leert de angst ‘aan te gaan’ en te ervaren dat hij of zij deze aankan. In mijn ervaring loop je tijdens de exposuretherapie altijd tegen een drempel aan. Dit is een drempel die je, soms met nog meer tussenstappen, over moet gaan om de angst in de hand te krijgen. Als orthopedagoog kan ik de cliënt niet dwingen dit te doen. De momenten waarop die dan – wat soms plotseling lijkt – tóch de stap durft te maken, zijn groots. Onderweg naar huis zit ik dan met een juichend en trots gevoel. Dat soort momenten maken mijn dag.”
Waarom zou jij dit werkveld aanraden aan andere pedagogen?
“Als orthopedagoog is geen enkele dag saai, zo vlieg je van speltherapie met een kleuter naar een angstbehandeling met een puber. Je komt veel diverse problematiek tegen, waardoor je gedwongen wordt jezelf te blijven ontwikkelen. Een groot deel van de dag ben je in contact. Er bestaat geen fijner gevoel dan iemand helpen om weer in beweging te komen en te groeien. O ja, je leert jezelf ook nog eens ontzettend goed kennen.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
Tijdens de verkiezingstijd renden we van debat naar debat. Het nationale debat over jeugdzorg, over gehandicaptenzorg en het Zorgdebat. De politieke partijen riepen vooral iets over de afwezige partijen, maar wij constateerden dat er aardig wat overeenstemming is over hoe het vooral niet moet. En het moet niet zoals het nu is.
Wij zien uiteraard ook hoe het niet moet, voor cliënten en ouders, maar óók waar het over jullie gaat, de professionals, onze leden. De ongelijke positie van onze leden ten opzichte van jullie evenknieën op de werkvloer. Dit zien we bijvoorbeeld terug in de ggz 18+. Dat stoort ons zeer. En wel dusdanig dat we er, voor en achter de schermen, heel hard aan werken om dit recht te trekken. Traag maar gestaag zien we dat dit lukt.
En successen moeten gevierd worden! We delen dit via onze nieuwsbrief en vieren het op kantoor. Tijdens het NVO-congres van afgelopen september hebben we bijvoorbeeld de NVO-academie gelanceerd.
Ook in 2026 pakken we door. Eindelijk lijkt de politiek namelijk doordrongen van het feit dat normaliseren, de-medicaliseren en preventie de veerkracht van mensen versterkt. We hopen dat straks terug te zien in de afspraken tussen de nieuwe coalitiepartijen. Wordt vervolgd, we houden jullie op de hoogte!
Judy Hoffer, directeur NVO
foto: Bo de Ruiter
NVO-lid Minke Breukink werkt bijna negen jaar bij Oranjeborg, op verschillende locaties. “Hier wonen mannen met een lichte verstandelijke beperking en veelal ook verslavings- en psychiatrische problematiek. Door deze combinatie hebben ze vaak een moeilijk leven gehad en zijn ze aan de rand van de maatschappij beland. Maar als je voldoende structuur, geborgenheid en waardering geeft, merk je dat er veel vriendelijkheid en warmte onder zit.”
“Vijf jaar geleden kreeg ik de kans om de opleiding tot orthopedagoog-generalist te volgen, en daarna de EMDR- opleiding. Sinds kort ben ik Hoofd Zorg & Expertise. Ik bied enkele bewoners een-op-een-behandeling, bijvoorbeeld voor traumaklachten. Ook denk ik organisatie-breed mee over beleid en ben ik Wzd-functionaris.” 1
“Het leuke van mijn werk is dat ik veel tussen de bewoners ben. Ik geniet ervan om de mannen te zien opbloeien. Het samen-gevoel bij evenementen, zoals het voetbaltoernooi en fietsen op de Mont Ventoux, is goud waard. Moelijker is de zoektocht naar wat precies werkt voor deze redelijk complexe doelgroep. Soms moet ik afwijken van de protocollen om te zorgen dat wat ik aanbied ook daadwerkelijk effect heeft. Sinds kort zit ik in het netwerk ZMVB2 van de NVO. Om onze best practices te delen en te leren van andere ervaringen uit het werkveld.”
foto: Bo de Ruiter