Welkom bij de nieuwste editie van de Pedagoog, het magazine voor pedagogen en onderwijskundigen. In deze uitgave bieden we weer een breed scala aan artikelen en verhalen die je informeren, inspireren en ondersteunen in jouw dagelijkse werk. Of je nu geïnteresseerd bent in de nieuwste ontwikkelingen of de praktische toepassingen van wetenschappelijk onderzoek – er is voor ieder wat wils. Blijf op de hoogte van de nieuwste inzichten, deel ervaringen met collega’s en ontdek hoe wij samen een verschil kunnen maken. Veel leesplezier!
Lees meer
Lees verder bij de promovendus
Op Koningsdag haalde ik een nieuwe huisgenoot uit het asiel, een lapjespoes van bijna acht jaar. Het advies was: niet aaien met blote handen! Volgens de asielvrijwilligers kwam het door de stress dat ze soms haar nagels naar je uitsloeg. Ze kon niet veel verdragen en mocht daarom alleen in een rustig huis wonen (haar vierde), met hooguit twee mensen. Zij gaven haar elke dag een kalmeringsmiddel en daarvan kreeg ik voor een maand mee.
Het belang van vertrouwen, en hoe je dat langzaam kan laten groeien, komt in deze Pedagoog in verschillende verhalen terug. Zo vertelt Marianne Welmers over gezinshuisouders die een stel zwaar verwaarloosde broertjes en zusjes opvangen. De oudsten zijn gewend om voor de jongsten te zorgen en maken zich zorgen of het brood wel is gesmeerd, de brief van de juf wel is gelezen, aan de verjaardag van het broertje is gedacht. “De gezinshuisouders nemen dat niet in één keer over. Dan verliest een kind een houvast. Zij helpen ze om het steeds een beetje los te laten.”
“Een basis van vertrouwen is heel belangrijk om armoede bespreekbaar te maken met gezinnen”, zegt Nicole Lucassen in het openingsinterview. Volgens de hoogleraar Kinderarmoede vinden zowel ouders als professionals het lastig om erover te beginnen. “Er is van beide kanten een drempel. Pedagogen moeten zich ook bewust zijn dat er soms wantrouwen is richting jeugdzorg en de overheid. Welke gevolgen heeft het voor mijn kinderen als ik mijn financiële stress bespreek?”
Inmiddels heeft Lapke – zo heette ze al – haar favoriete plekjes in huis, schrikt ze niet meer telkens als ik opsta, zijn de wonden op mijn handen geheeld, speelt ze met haar speelgoedmuis en geeft ze uitbundig kopjes aan de deurpost, de tafelpoot, mijn been en mijn hand als die niet beweegt. Het initiatief is aan haar. Langzaam groeit het vertrouwen, heel langzaam.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Nicole Lucassen is de eerste bijzonder hoogleraar Kinderarmoede van Nederland. Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam doet ze onderzoek naar de effectiviteit van de geboden hulp aan kinderen en gezinnen in armoede én hoe die beter kan. Aan de Pedagoog vertelt ze over de eerste bevindingen.
Lees meer
Nicole Lucassen
“Je kunt het je bijna niet voorstellen”, zegt Nicole Lucassen, “maar er zijn echt kinderen die opgroeien in een schimmelhuis, zonder tapijt op de vloer of zonder matras om op te slapen en in de ochtend geen ontbijt. Hun verhalen raken me nog steeds het meest. Maar ook wat armoede allemaal kan veroorzaken in een gezin waar ouders geen invloed op hebben, kijk naar de toeslagenaffaire. Hierdoor zijn er duizenden Rotterdamse gezinnen in financiële problemen gekomen, met alle gevolgen van dien.”
Nicole Lucassen (De Bilt, 1979) studeerde Pedagogische Wetenschappen in Leiden en promoveerde in 2013 aan het Erasmus Medisch Centrum, op onderzoek naar de rol van vaders in de opvoeding. Tijdens haar promotie kreeg ze steeds meer interesse voor het gezin als systeem. En kwam ze, door samenwerking met familiesocioloog Renske Keizer, in aanraking met het thema intergenerationele overdracht van sociale ongelijkheid, zoals armoede.
Sinds begin 2022 is ze bijzonder hoogleraar Kinderarmoede bij de Erasmus Universiteit. Afgelopen maart hield ze haar oratie Kind in context. Ze begon met het verhaal van Anashya uit Maassluis. “Haar gezin is gedupeerde van de toeslagenaffaire en je ziet bij haar de gevolgen op alle domeinen van ontwikkeling. Cognitief, sociaal en fysiek.”
Anashya (destijds 11 jaar) vertelt in een filmpje van SIRE wat opgroeien in armoede met haar heeft gedaan. Door de schulden moet ze verhuizen. Haar cijfers kelderen op de nieuwe school van negens en tienen razendsnel omlaag. Haar ouders gaan scheiden en haar moeder wordt ziek van de stress. Anashya schaamt zich. Ze voelt zich eenzaam en buitengesloten, vertelt ze. “Iedereen is zo ontzettend normaal en dan kom ik erbij… het is moeilijk om uit te leggen, maar dan ben ik ineens super arm. Het voelt als geheim.”
Hoeveel kinderen opgroeien in armoede, hangt af van hoe je armoede definieert, zegt Nicole Lucassen.
“Organisaties die zich bezighouden met armoedebeleid gebruiken verschillende definities. De een heeft het over een laag inkomen, de ander trekt het breder. Belangrijk punt is dat duizenden gezinnen met een inkomen rond het sociaal minimum structureel, tot enkele honderden euro’s per maand, tekortkomen. Dat heeft de Commissie Sociaal Minimum afgelopen najaar aangetoond.”1
Haar eigen definitie van armoede spreekt ze uit op dicteersnelheid: “Je leeft in armoede als je onvoldoende culturele, financiële en sociale middelen en goederen hebt die minimaal noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen in de samenleving. Kinderarmoede gaat dus behalve over gebrek aan geld, ook over toegang tot voorzieningen, tot sociale netwerken.”
Volgens haar kun je rustig stellen dat het gemiddeld – in heel Nederland – gaat om twee, drie kinderen per klas die in armoede leven. “Dat zijn heel veel kinderen. In grootstedelijke gebieden, zoals Rotterdam, zijn het soms wel één op de drie kinderen per wijk, soms hele klassen.”
De bijzondere leerstoel Kinderarmoede is ingesteld op initiatief van de gemeente Rotterdam – al jarenlang koploper in kinderarmoede – en het Nationaal Fonds Kinderhulp, dat kinderen en jongeren helpt met geld voor bijvoorbeeld een fiets, een laptop of een dagje uit. Dat doet het fonds via maatschappelijke organisaties, zoals een wijkteam of een jeugdhulpverlener.
Nicole Lucassen: “De gemeente en Kinderhulp zetten zich allebei in om kinderen die in armoede leven te ondersteunen, op allerlei manieren. Om de negatieve effecten te bestrijden, maar ook de armoede zelf. Ze vroegen zich allebei af: ‘Hoe effectief is het wat we doen? Wat kan er anders en beter?’ Naast de universiteit is ook Hogeschool Rotterdam gevraagd om dit onderzoeksprogramma op te zetten. Ik werk tot mijn geluk samen met Mariëtte Lusse, lector Kinderarmoede. Zij houdt zich al veertig jaar met dit thema bezig en kent de stad van binnen en buiten.”
In hun onderzoek volgen Lucassen en Lusse – en hun twee promovendi Dominique Troost en Amina Kefi – verschillende Rotterdamse organisaties (zoals House of Hope, Goud van Noord, Thuis in West, Gezinsaanpak en wijkteams) die zich bezighouden met een integrale aanpak van kinderarmoede, dus hulp verlenen op meerdere terreinen. Dat doen ze heel intensief.
Nicole Lucassen: “We kijken hoe die ondersteuning vorm krijgt, naar het professioneel handelen van de hulpverlener en naar de professionele structuur rondom deze gezinnen. Weten een financieel expert en een pedagogisch expert elkaar bijvoorbeeld goed te vinden? Dat brengen we in kaart voor twaalf organisaties, in vier Rotterdamse wijken. Zowel voor formele organisaties zoals de wijkteams, als voor half-formele en informele organisaties met een huiskamerfunctie, zonder wachtlijst en die van alles doen aan community building.”
Aan het onderzoek doen gezinnen mee met vragen op financieel gebied, maar ook op andere leefdomeinen zoals participatie, vertelt Nicole Lucassen.
“Het zijn gezinnen met vragen op meerdere leefgebieden, maar vier op de vijf komen binnen met financiële zorgen. We volgen elk stapje in het hulpverleningsproces een paar maanden lang heel precies. Welke vragen heeft het gezin? Hoe ziet de hulp eruit? Wat doet dat met hun niveau van stress, hun welbevinden, het vertrouwen in zichzelf, de hulpverlener en de overheid? Dat doen we op afstand. De ouders en de professionals rapporteren. Met een paar gezinnen mogen we meelopen en in gesprek. Ik volg zelf ook één van deze organisaties, om feeling te houden.”
Het onderzoek naar de hulp aan Rotterdamse gezinnen in armoede is begin 2022 gestart en moet over twee jaar zijn afgerond. Wat zijn nu, zo halverwege, de eerste bevindingen?
Nicole Lucassen: “Een interessante bevinding – en die hebben we ook al aan de organisaties, de hulpverleners en de betrokken ervaringsdeskundigen voorgelegd – is dat veel ondersteuning gezinsgericht heet, maar organisaties in de praktijk vooral met de primaire opvoeder werken. En dat is meestal de moeder. Er wordt wel naar gevraagd, maar er is nog te weinig in beeld wat de andere gezinsleden nodig hebben. We zijn gestart met elf organisaties en toen we constateerden dat de focus op kinderen lager was dan verwacht, hebben we een twaalfde geïncludeerd, Team Toekomst. Die start juist bij de hulpvraag van de kinderen en richt zich op leerlingen uit de middenbouw van de basisschool. Kinderen worden gekoppeld aan een professional en er wordt een plan op maat gemaakt, samen met de ouders en het kind zelf.”
Wat de onderzoekers ook meteen opviel, was dat professionals soms enorm veel tijd kwijt zijn aan het systeem rondom het gezin. Aan regeltjes, bureaucratie en administratie.
“Je loopt regelmatig vast in het web van allerlei verschillende regelingen en maatregelen, ieder met hun eigen kaders en grenzen en soms ook in tegenspraak met elkaar. Terwijl je eigenlijk met het gezin zelf aan de slag wilt. Rotterdam werkt al een tijdje met de PRIO-methode (Programma Integraal Ondersteunen en Activeren, red.) die kan zorgen voor een doorbraak in zulke complexe, vastgelopen casussen. We merkten dat meerdere organisaties niet wisten dat PRIO bestond en er dus geen gebruik van maakten. Maar nu wel.”
Veel hulpverlening is dus vooral gericht op de primaire ouder, minder op het kind. Hoe zorg je ervoor dat in jullie onderzoek de stem van kinderen wel wordt gehoord?
“Kinderen hebben hun eigen vragen, zorgen en behoeften. En vaak ook ideeën over wat hen kan helpen om mee te doen, zoals het lidmaatschap van een voetbalclub of steun om goed mee te komen in de klas. Hun stem is belangrijk. We hebben in april een project afgerond om hun verhalen te horen. Eerst wilden we de kinderen van de gezinnen die meedoen thuis interviewen. Maar dat vonden zowel de professionals als de ervaringsdeskundigen geen goed idee. Je loopt een gezin in, haalt je data en loopt weer weg. Het moest wederkerig zijn.”
“Toen hebben we drie kindergroepen, bij de organisaties die meewerken, een fotocursus aangeboden. Kinderen die het leuk vonden, konden leren fotograferen en kregen allerlei opdrachten. Voor ons onderzoek hebben we hen gevraagd om foto’s te maken van dingen waar ze zich goed bij voelen, wat ze lastig vinden en dingen die hen helpen. Aan de hand van die foto’s vragen we in een kort gesprekje of ze daar meer over willen vertellen.”
De onderzoekers kijken behalve naar welke hulp er letterlijk geboden wordt, ook naar het professioneel handelen. Hoe is de benadering van het gezin? De communicatie? De afstemming op het tempo van het gezin?
“Een heel belangrijke factor voor het slagen van hulpverlening is de alliantie tussen de professional en de ouder of het kind. Er moet een band zijn, gelijkwaardigheid, waarbij de hulpverlener naast de ouder staat, die de ruimte geeft, meedenkt wat er het beste kan gebeuren en in welke volgorde. In het algemeen wordt er in de zorg nog veel vanuit het aanbod gedacht, maar dat is niet per se afgestemd op waar een gezin om vraagt.”
“Een hulpverlener schetste het zo: ‘Sommige gezinnen melden zich pas als de nood het hoogst is. Dan krijg ik op vrijdagmiddag de boodschap: ‘Mijn koelkast is leeg en ik heb dit weekend niks meer te eten.’ Dan kun je niet vragen ‘wat heb je allemaal nodig en zullen we het samen doen?’ Dan moet je eerst zorgen dat die koelkast zo snel mogelijk weer vol is en dat iedereen oké is. Dat doe je ook bij een dreigende uithuiszetting. Dan moet je eerst doorpakken en daarna pas verder kijken.’”
Armoede is zo’n grootschalig probleem, vooral in de grote steden, dus grote kans dat pedagogen gezinnen en kinderen tegenkomen die met armoede te maken hebben. Heeft ze nog tips?
“Houd rekening met de financiële stress bij gezinnen en wat dat met hen doet. Wees je bewust dat er zoveel processen omgaan binnen dat gezin, bij ouders en kinderen, dat je hulp niet altijd hetzelfde effect heeft als zonder die stress. Soms lukt het niet om de geldzorgen bij een gezin op te lossen en blijft die stress voortduren. Weet dan dat ouders minder ruimte hebben in hun hoofd om na te denken, te plannen en soms bijvoorbeeld te laat komen op afspraken. Dat is geen onwil.”
“Toon respect en begrip voor de situatie van gezinnen”, tipt Lucassen verder. “En neem geen veroordelende houding aan. Je weet niet wat er gebeurd is en waar die armoede vandaan komt. Toch zie je dat vaak gebeuren: ‘Ja, maar ze hebben wel een hond in huis en ze roken!’ Een kind kan er per definitie nooit iets aan doen dat het armoede leeft. Maar veel kinderen hebben wel last van schaamte en schuldgevoel. ‘Ik had niet moeten vragen om dat cadeautje voor mijn vriendje te kopen.’”
“Bied kinderen de mogelijkheid erover te praten, als ze dat willen, en druk hen op het hart dat zij er geen aandeel in hebben. Kijk waar zij behoefte aan hebben en wat jij daarin kunt betekenen, ook buiten je rol. Wil je graag naar een verjaardagsfeestje, maar heb je geen geld voor een cadeautje? Wil je graag lid worden van een voetbalclub? Dan gaan we dat aanpakken. Er zijn fondsen waar je dan terecht kunt, en die kunnen we samen voor je vinden.”
Waar moeten pedagogen nog meer op letten?
“Weet dat je als pedagoog die armoede niet kunt oplossen, je bent geen financieel expert. Je kunt wel zorgen voor een warme overdracht naar zo’n expert. Als je een warme band hebt, zeg je niet: ‘Daar ergens om de hoek zit een loket voor financiën’. De samenwerking tussen die twee soorten experts zou overigens ook wel beter kunnen.”
Er is verder sprake van handelingsverlegenheid bij pedagogen, volgens Nicole Lucassen.
“Professionals vinden het soms lastig om armoede te signaleren en daarna bespreekbaar te maken. Dat is ook ingewikkeld. Maar je kunt het onderdeel maken van alle zaken die je toch al bespreekt met een gezin. Niet rechtstreeks: ‘Leef jij in armoede?’ Maar vanuit interesse: ‘Goh, we leven in een tijd dat veel gezinnen het financieel lastig hebben. Speelt dat bij u thuis ook?’”
“We horen van ouders dat zij het vaak moeilijk vinden om er zelf over te beginnen. Maar als het hen op de man af, op een constructieve manier, wordt gevraagd, breekt het gesprek open en vinden ze het makkelijker om over te praten. Dus er is van beide kanten een drempel. Pedagogen moeten zich ook bewust zijn dat er soms wantrouwen is richting jeugdzorg en de overheid. Welke gevolgen heeft het voor mijn kinderen als ik mijn financiële stress bespreek? Een basis van vertrouwen is dus heel belangrijk.”
tekst: Annemiek Haalboom
beeld: Michelle Muus
1 www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/een-zeker-bestaan-rapport-i-commissie-sociaal-minimum
De oratie Kind in context van Nicole Lucassen kijk je hier terug
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Lees meer
“Hoe was het op school?” In het drukke leven vandaag de dag komen ouders vaak niet verder dan deze ene vraag. En de enige vraag die kinderen bij het avondeten stellen, is veelal of ze al van tafel mogen. Wat zou er gebeuren als ouder én kind de tijd nemen voor een wat intiemer gesprek?
Psycholoog en pedagoog Eddie Brummelman ging na of ouder en kind dichter bij elkaar te brengen zijn door ze persoonlijke informatie over zichzelf te laten onthullen. Ruim tweehonderd kinderen, van acht tot en met dertien jaar, en hun ouders konden tijdens een bezoek aan het grootste sciencemuseum van Nederland even onderuitzakken in comfortabele fauteuils. Ze kregen een lijstje met persoonlijke vragen – ‘Als je één wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’ – of eentje met evenveel oppervlakkige vragen – ‘Als je een nieuwe ijssmaak zou kunnen uitvinden, welke smaak zou dat dan zijn?’.
‘Nieuwsgierig zijn naar elkaar’ bleek een boost te geven aan de ouder-kind relatie. Oprechte interesse in elkaar maakte warme gevoelens los. Kinderen die gevoelens en kwetsbaarheden hadden gedeeld met hun ouders, voelden zich meer geliefd en gewaardeerd. In ieder geval voor even. In hoeverre zelfonthulling en wederkerigheid ook op langere termijn de ‘lijm’ vormen voor onderlinge verbondenheid in de ouder-kind relatie moet nog onderzocht worden.
Brummelman, E., Bos, P. A., de Boer, E., Nevicka, B., & Sedikides, C. (2024). Reciprocal self-disclosure makes children feel more loved by their parents in the moment: A proof-of-concept experiment. Developmental Science, e13516. doi:10.1111/desc.13516
Na de kindertijd kun je ineens geconfronteerd worden met een chagrijnige puber. Als ouder wil je alles weten, maar ook onschuldige vragen als “Ben je verliefd?” of “Heb je ludduvuddu”, kunnen de sfeer in huis nog verder verzieken. Het idee dat stemming en verliefdheid met elkaar te maken hebben, is echter niet zo gek.
Larissa Wieczorek van de universiteit van Hamburg onderzocht of adolescenten met en zonder romantische partner verschilden in hun dagelijkse gevoelsleven. Ruim een week lang stuurde zij ruim vierhonderd jongeren tussen de 14 en 22 jaar, via hun smartphone, meerdere keren per dag, vragen over hun stemming.
Uiteindelijk beschikte zij over een gegevensbestand met wel 35 stemmingsmetingen per individu. Sommige jongeren laten net zo’n grillig verloop zien als de koers van de bitcoin, bij anderen zie je veel minder schommelingen.
Deze verschillen blijken – zij het niet heel overtuigend – samen te hangen met het wel of niet hebben van verkering. Jongens en meisjes in een romantische relatie zijn net wat emotioneel instabieler, maar hun stemming is gemiddeld gezien niet positiever of negatiever.
Pubers met een vriendje of vriendinnetje zijn dus niet zo snel uit het lood geslagen of weten goed om te gaan met turbulente liefdesperikelen. Ook goed nieuws voor bezorgde ouders die willen weten of de eerste stappen op het liefdespad niet gepaard gaan met heftige mood swings.
Wieczorek, L. L., Utesch, K., Grund, S., & Wagner, J. (2023). Moody and in love? The role of neuroticism and romantic relationships for momentary affect
in adolescence. European Journal of Personality, 08902070231215375.
doi.org/10.1177/08902070231215375
Veel onderzoek vindt zijn weg naar wetenschappelijke tijdschriften. Het zou zonde zijn om alleen artikelen een podium te geven en rapporten links te laten liggen. Dat geldt zeker voor het verslag van verschillende onderzoekers van het Wageningen Food & Biobased Research over de impact van het zelf verbouwen van groente en fruit.
Kinderen leren het beste door te doen en komen tijdens het omspitten van aarde, het planten van zaadjes en het oogsten heel veel te weten over de levenscyclus van planten. Naast het moestuinieren kunnen kinderen voor hen nog onbekende groente- en fruitsoorten ruiken, voelen, en proeven. Door
deze herhaaldelijke blootstelling aan gezond eten zit moestuinieren volgens de onderzoekers op het snijvlak van natuur- en gezondheidseducatie.
Deze gunstige effecten kunnen leerkrachten gemakkelijk overtuigen. Ook kunnen zij de informatie over welke elementen bijdragen aan de effectiviteit (de tuin zelf, de activiteiten en de begeleiding) gebruiken bij het vormgeven van hun lessen. Een tip is bijvoorbeeld te kiezen voor gewassen die niet al te kwetsbaar zijn of voortdurende aandacht nodig hebben. Handig zo’n rapport waarin je ideeën voor goede moestuinier-lessen kunt vinden!
Het rapport Schoolmoestuinen als erkende interventie in de interventiedatabase Centrum Gezond Leven is gratis te downloaden op doi.org/10.18174/644073 of www.opwur.nl/wfbr (onder WFBR publicaties).
June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Véronique Wils
We zijn gestart met het thema Professionaliteit. Zes maanden lang nemen we onze houding en profilering als orthopedagoog-generalist onder de loep. Er is ook aandacht voor de wet en regelgeving waar wij mee te maken hebben, zoals de wet BIG, de beroepscode en het tuchtrecht. In een groepje hebben we enkele opdrachten besproken. Zo hebben we een vragenlijst over onze eigen interactiestijl ingevuld, gebaseerd op de Roos van Leary. Dezelfde vragenlijst als een jaar geleden.
Ik ging ervanuit dat er geen grote verschillen zouden zijn tussen toen en nu. Ik was niets drastisch anders gaan doen. Maar er was wel degelijk een verschil. Waar ik een jaar geleden duidelijke voorkeursstijlen en uitschieters had, hanteer ik nu meer verschillende interactiestijlen. Zo neem ik vaker en steviger positie in wanneer dat nodig is, wat in het begin best onwennig voelde. Dit is ook regelmatig teruggekomen in de supervisie. Centraal stond hoe ik dicht bij mijzelf kan blijven. Eerst voelden bepaalde interactiestijlen heel ongemakkelijk. Ik ben niet iemand die de confrontatie aangaat of heel direct is. Nu kom ik tot het inzicht dat dit ook niet nodig is. Ik kan op mijn eigen manier wel positie innemen. Het helpt om duidelijk te hebben vanuit welke visie ik werk en waarom ik bepaalde dingen belangrijk vind. Het is een opluchting dat ik steeds vaker dicht bij mijzelf kan blijven. Dat gun ik iedereen en probeer ik ook uit te dragen naar mijn cliënten en collega’s. Het is fijn dat ik ook ‘gewoon June’ kan zijn in mijn werk.
Vorig jaar volgden we de module Interventies. Tijdens de terugkomdag stonden we stil bij de visie die we voor onszelf hebben ontwikkeld. Iedereen was gevraagd om een voorwerp mee te nemen dat jouw visie vertegenwoordigt. Zo verschenen er matroesjka poppetjes, gekleurde klei, pannenkoekenmix en mijn voorwerp: een stuk bladmuziek.
De kern was veelal hetzelfde. Als orthopedagoog-generalist werken we vanuit samenwerking en verbinding met anderen. Net zoals we in mijn orkest doen. We hebben alle partijen nodig om tot een gezamenlijk doel te komen. En we zijn flexibel in hoe we daar komen. Soms moeten we wat vertragen of aanpassen in de werkwijze.
Het einde van de opleiding komt langzaam in zicht. Gestaag vink ik de opdrachten af. Aan het begin werd ik al gewaarschuwd door collega’s dat de tijd voorbij zou vliegen. Ze hadden gelijk. Ik gebruik de tijd die ik nog heb om verder te groeien in de rol van orthopedagoog-generalist en nog meer kennis en vaardigheden op te doen. Tegelijkertijd tel ik stiekem af naar de afronding van de opleiding en… de terugkeer van mijn vrije weekenden.
tekst: June Bragg
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:
Had je verwacht dat je vandaag bokshandschoenen aan zou hebben?’ Ik sta tegenover Amira Yehya. Samen met Erik Jumelet-Boom geeft ze een studiedag TRAP kickbokstherapie, een traumasensitieve bokstherapie die ze samen ontwikkeld hebben. Terwijl ik links en rechts afwissel en het al flink in m’n armen en ademhaling voel, observeert ze me terwijl ze de klappen opvangt.
Lees meer
Amira Yehya en Erik Jumelet-Boom
Amira en Erik hebben me uitgenodigd om mee te kijken tijdens hun studiedag op een kickboksschool in Almere. Amira (21 jaar, student geneeskunde) bokst al sinds haar tiende. Tijdens de kennismaking vertelt ze aan de groep dat ze in een onveilige thuissituatie is opgegroeid, selectief mutisme had en al vroeg traumabehandeling kreeg. Ze vertelt over de boosheid die niet wegging en hoe het boksen er uiteindelijk voor zorgde dat ze niet langer in haar hoofd zat, maar bij haar gevoel leerde te komen. Ze ontwikkelde uiteindelijk, in samenspraak met haar therapeute en bokstrainer, haar eigen bokstherapie.
Als ik één woord zou mogen gebruiken om Erik (34 jaar, psychomotorisch therapeut en bewegingswetenschapper) te typeren: veiligheid. Hij straalt een en al rust en vertrouwen uit. “Als je even wilt ervaren hoe het is, is dit wel een goede oefening.” Meteen ben ik de drempel over en, anders dan ik me had voorgenomen, doe ik het grootste deel van de ochtend actief mee.
TRAP staat voor Traumasensitief, Regulatie, Assertiviteit en PMT (zie kader). Op de studiedag zijn negen psychomotorisch therapeuten aanwezig, waarvan enkele nog een masteropleiding volgen. We beginnen met een oefening schoudertikkertje; twee vrijwilligers nemen het tegen elkaar op en waar ik dacht dat het zou beginnen met wat aftastende bewegingen, gaan ze er allebei meteen vol in. Het fanatisme en de blijdschap zijn duidelijk zichtbaar, maar het is ook intens. Ik voel zelfs als toeschouwer m’n hartslag al stijgen en denk aan het zeer recent gepubliceerde artikel van Kjærvik en Bushman (zie kader) over de nadelige effecten van vechtsporten op boosheid en agressie.
Erik neemt het woord en vertelt over het traumasensitieve aspect van de kickbokstherapie. “In het ochtenddeel zitten veel arousal verhogende oefeningen omdat die relatief snel spontaan gedrag en overlevingsstrategieën blootleggen. Voor iedere oefening moet je minstens vier varianten in je achterhoofd hebben.” Voor schoudertikkertje betekent dat bijvoorbeeld het toevoegen van attributen die voor afstand, maar ook voor meer of minder controle zorgen. Erik legt uit wat je als therapeut kunt zien aan de deelnemers, hoe je je bewust moet zijn van je eigen lichaam, je uitstraling, je plek in de ruimte, je houding, je bewegingen.
De oefeningen zijn gericht op het ervaren van veiligheid en succes. “Je bent non-verbaal bezig, maar je bent voortdurend aan het afstemmen. Als je verbinding maken lastig vindt, is zo’n spelvorm een lage instap. Als je aan het verbinden bent, dan ben je aan het reguleren, en het verbinden met de ander kan een stap zijn naar verbinding met jezelf.”
We oefenen nog een poosje met de verschillende varianten van schoudertikkertje en dan mogen de bokshandschoenen aan. We staan tegenover elkaar. Waar we net afwisselden in spelvorm, wisselen nu de duo’s. Erik en Amira moedigen ons aan te observeren en laten ervaren dat iedereen op een andere manier tegenover je staat en daarbij verschillende signalen geeft en reacties uitlokt.
“Bij boksen voel je, bewust of eerst nog onbewust, zo ontzettend veel” zegt Erik. “Je kunt eerst met lichaamssignalen van inspanning spelen en dan volgt het sociaal lichaamsbewustzijn, de verbinding en afstemming. De derde stap is het emotioneel lichaamsbewustzijn, een mooie basis voor emotieregulatie. Je begint met inspanning, maar voor dat laatste heb je ontspanning nodig.”
Hij laat zien hoe je als therapeut meebeweegt, hoe nabij je bent, hoe goed je kunt observeren en hoe je verschillende attributen zoals een boksbal kunt inzetten.
Voor mij zit het er aan het eind van de ochtend op. Het middagdeel zal grotendeels over emotieregulatie gaan en nog meer over het traumasensitieve aspect en de theoretische basis van de training. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit bij Erik en Amira in goede handen is.
Voor ik vertrek, vraag ik of ze nog een boodschap hebben voor de lezers van de Pedagoog. “Nodig eens een PMT-er uit bij een behandelsessie,” zegt Erik, “kijk wat je samen kunt doen”. En de boodschap van de deelnemers is: “Zoek de PMT-er op, stap die zaal eens in.”
Je zal dan wel in beweging moeten komen. Ik had niet verwacht dat ik vandaag bokshandschoenen aan zou hebben, maar kan het van harte aanbevelen.
tekst: Bart van Gent
beeld: Marieke Odekerken
TRAP kickbokstherapie is geaccrediteerd door het Register Vaktherapie. De studiedag is daarnaast open voor geïnteresseerde zorgprofessionals en wordt ook als ‘in company studiedag’ gegeven.
www.trapkickboksen.nl
In een recente meta-analyse1 (april 2024) tonen Kjærvik en Bushman aan dat het ventileren van woede door inspannende activiteiten zoals hardlopen, fietsen of tegen een boksbal slaan niet werkt. Activiteiten die zorgen voor het verlagen van arousal werken wel. Daarnaast blijken spelelementen zoals die bij TRAP kickbokstherapie en PMT in het algemeen ingezet worden effectief te zijn.
Erik zegt hierover: “Het rammen of ageren jaagt mensen snel uit hun window of tolerance. Waar wij naartoe werken is dat het boksen ervaren wordt als een expressievorm in sociale context, niet als domme uitlaatklep.”
1 A meta-analytic review of anger management activities that increase or decrease arousal: What fuels or douses rage?
Werken in de GGZ 18+ als orthopedagoog of orthopedagoog-generalist is afwisselend, uitdagend en dankbaar. Daar zijn Rolinda, Moniek en Renée het over eens. Zij zijn er een belangrijke professional in het complete netwerk van zorg voor 18-plussers. Het gaat niet alleen om jongvolwassenen, maar ook om volwassenen in een afhankelijkheidsrelatie. Een drie-gesprek.
Lees meer
Rollinda Donker - Moniek Voermans - Renée Beverwijk
Rolinda Donker is orthopedagoog-generalist en werkt namens GGZ Drenthe voor Optimaal Leven. Een samenwerking tussen zorginstellingen, huisartsen, verzekeraars en gemeenten. Met als doel de kwaliteit van leven van volwassenen met langdurige psychische kwetsbaarheid te vergroten.
Moniek Voermans is orthopedagoog-generalist en werkzaam bij Novadic Kentron, verslavingszorg in Brabant. Als coördinerend regiebehandelaar bij langdurige verslaving. Naast de verslaving is er vaak sprake van ernstige psychiatrische aandoeningen of een licht verstandelijke beperking.
Sinds een aantal jaar werkt Renée Beverwijk bij het Leger des Heils als orthopedagoog/gedragswetenschapper voor volwassenen. De jaren ervoor was ze daar ook al werkzaam, maar dan als maatschappelijk werker.
Rolinda: “ ‘Sociaal emotioneel ontwikkelingsniveau’ en ‘betrekken van het systeem’, de interactie tussen cliënt en omgeving, zijn al heel gewoon in de gehandicaptenzorg, waar ik eerst werkte. Dat is binnen de ggz nog niet altijd vanzelfsprekend, maar er wordt wel hard aan gewerkt. Juist door samen te werken met alle disciplines belicht je het hele leven van iemand. Zo kan je veel sneller richting herstel. Samen met een gz-psycholoog, psychiater, verpleegkundig specialist en casemanager.”
Moniek herkent wat Rolinda vertelt. “Ik zie veel meerwaarde in het transdiagnostische werken. Dat wil zeggen, veel meer kijken met een ander verklaringsmodel. De verslavingszorg is erg medisch gestoeld, misschien nog wel meer dan in de rest van de geestelijke gezondheidszorg. Er mag nog meer gekeken worden naar het totaalbeeld. Dat is echt wat je als orthopedagoog-generalist toe kan voegen. Niet alleen kijken naar het systeem van de cliënt, maar ook naar het systeem binnen de zorgunits. Hoe is het behandelklimaat?”
Bij het Leger des Heils werkt Renée veel met de GGZ 18+-doelgroep. “Vaak wordt er wel stoornisgericht gedacht. En als het niet lukt om er op een label op te plakken, wordt het aangeduid als ‘gedrag’. Waar komt dat gedrag dan vandaan? Dan kom ik om de hoek kijken. Ik probeer dit in de context te plaatsen en neem de achtergrond van de mensen daarin mee.”
“Ik focus op contact tussen begeleider en cliënt, vanuit handelingsgericht coachen. Bij het Leger des Heils is de behandelstaf grotendeels orthopedagogisch opgeleid. We werken multidisciplinair, met vakteams. Soms heb ik wel het gevoel dat ik als orthopedagoog bij externe samenwerkingspartners mijn verhaal extra moet onderbouwen, om het te laten meetellen. Bij het Leger des Heils vinden mijn collega’s het prettig dat ik direct handvatten kan geven richting oplossingen. Ik vraag waar deze reactie van de cliënt vandaan komt. Welke behoefte ligt daaronder en op welke manieren kan je daarop reageren? We nemen de gesprekken die zij hebben met cliënten uitgebreid door en ik help collega’s potentiële nieuwe reacties te bedenken. Soms is samen betekenis geven aan het gedrag – waar komt het vandaan, waarom reageert iemand zo? – al voldoende om weer verder te kunnen. Omdat het gedrag dan minder ‘onvoorspelbaar’ voelt.”
Het werkveld moet soms nog wennen aan de orthopedagogiek in de GGZ 18+, merken ze alle drie. Beperkingen in de bekostiging in het Zorgprestatiemodel, regelgeving rondom regiebehandelaarschap en beperkingen in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, maken het werken soms uitdagend.
Van oudsher zijn pedagogische wetenschappen meer gericht op opvoedkunde. Leerstoelen GGZ 18+ zijn er nog niet, waardoor er in het onderwijs ook minder aandacht is voor het werkveld. Er zijn ook veel verschillen tussen de universiteiten in Nederland.
“Ik werk met mensen, niet met cliënten en niet met patiënten,” zegt Rolinda. “Ze houden mij soms een spiegel voor. Het samenspel. Ik leer zelf heel veel van hen. Ze weten me te raken. De mensen tegenover mij, daar doe ik het voor. Iedereen heeft zijn eigen issues in het leven. Ook in mijn leven loopt niet altijd alles op rolletjes en is het soms zoeken naar de juiste richting. In de gesprekken hoor ik hoe mensen een proces doorlopen hebben of wijsheden opgedaan, waar ik op dat moment ook iets mee kan. Soms loopt het contact met een ander niet zo lekker, maar blijkt dat ik zelf iets heb om op te lossen. Dat zie ik dan als een cadeautje van mijn werk.”
“Ik wil de mensen zien”, dat is zo’n mooie motivatie”, aldus Renée. “Ik ben geïnteresseerd in de mensen. Ik zie geen sticker of stoornis, maar het hele brede plaatje. En dat voelen ze. Ook al hebben deze mensen zoveel meegemaakt. Ze hebben op hun eigen ontwikkelingsweg zoveel kennis en ervaring opgedaan, dat is heel rijk. Ik leer zo veel van ze. Ik wil naar ze luisteren, ze mens laten voelen. Het raakt me enorm en die spiegel, dat herken ik ook. Als niemand meer naar ze luistert, leert niemand van ze. Toch moeten we soms wel labeltjes plakken voor de zorgverzekeraar. Dat is dan nodig om een passend traject te kunnen starten.”
Moniek: “Ik plak ook niet graag labels, maar soms helpt het wel om dezelfde taal te spreken. Om de wereld te begrijpen. Het is soms nodig om het geordend te houden. De manier hoe je ermee omgaat is wel belangrijk. Er zijn voor de mensen die dat het allerhardst nodig hebben, er voor hén zijn. Mensen die tot voor kort niets hadden. Hen weer het gevoel geven dat ze volwaardig mens mogen zijn. Dat is waar ik het voor doe.”
“Als orthopedagoog-generalist is samenwerken met andere professionals erg belangrijk”, zegt Rolinda. “Mijn blik en die blik van anderen. Je bereikt meer door het juist samen te doen. Je hebt elkaar nodig.”
Moniek: “Orthopedagogen zijn heel geschikt voor die coördinerende rol daarin. We kunnen iedereen bij elkaar brengen. Het plaatje compleet maken.”
Renée: “Orthopedagogiek is niet je vak, maar je identiteit. Het is hoe je in de wereld staat. Het is een manier van kijken, breder dan je werk. Zo wil ik er ook in staan. Andere beroepen zijn daarin zeker niet ondergeschikt. Zonder elkaar kunnen we het niet doen.”
tekst: Marijke Buisman
Het NVO-netwerk GGZ 18+ bestaat uit 20 leden. Wil je net als Moniek, Rolinda en Renée ook deel uitmaken van dit netwerk? Stuur een mail naar Annelijn: a.vanwanrooij@nvo.nl
Milou Lünnemann is onderzoeker op het terrein van huiselijk en seksueel geweld bij het Verwey-Jonker Instituut. Naast deze baan deed ze promotieonderzoek naar de intergenerationele overdracht van geweld in gezinnen aan de Erasmus Universiteit. Vorig jaar juni verdedigde ze haar proefschrift ‘From Harm to Hope: Unraveling the intergenerational transmission of family violence’. Voor de Pedagoog doet zij verslag.
Lees meer
Milou Lünnemann
2016 – heden
Onderzoeker Verwey-Jonker Instituut
2017 – 2022
Promovenda Erasmus Universiteit Rotterdam
2014 – 2016
Master Interventie Criminologie, Vrije Universiteit Amsterdam
2012 – 2013
Research Master Psychologie, Universiteit van Amsterdam
2009 – 2012
Bachelor Psychologie (methodenleer), universiteit van Amsterdam
Kinderen die thuis te maken krijgen met kindermishandeling hebben meer kans om op latere leeftijd opnieuw slachtoffer of dader te worden van geweld in hun relatie of gezin. Dit wordt de intergenerationele overdracht van geweld genoemd. Maar hoe komt het nu dat het ene kind dat kindermishandeling meemaakt opnieuw te maken krijgt met geweld op latere leeftijd, terwijl een ander kind dat opgroeit in een onveilige thuissituatie deze cirkel van geweld weet te doorbreken?
Dat was de belangrijkste vraag die ik heb onderzocht tijdens mijn promotieonderzoek. Hieronder neem ik jullie mee in de belangrijkste bevindingen van mijn onderzoek, aangevuld met kennis vanuit andere onderzoeken waar ik aan meewerkte bij het Verwey-Jonker Instituut.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heb ik middels vragenlijsten en interviews drie mechanismen onderzocht die de intergenerationele overdracht van geweld kunnen verklaren: sociaal leren, trauma en ouder-kind gehechtheid. Daarnaast keek ik naar beschermende factoren. Waar eerder onderzoek vaak in een algemene populatie keek, waren de respondenten van mijn onderzoek allemaal gemeld bij Veilig Thuis1 vanwege partnergeweld of kindermishandeling. Bovendien deden niet alleen moeders mee aan de studie, zoals vaak bij eerder onderzoek, maar ook vaders en kinderen zelf. Ouders vulden vragenlijsten in over kinderen tussen de drie en achttien jaar en kinderen tussen de acht en achttien jaar konden zelf ook deelnemen. Mijn bevindingen zijn echter niet alleen gebaseerd op vragenlijsten, zoals de meeste studies, maar ik interviewde ook jongeren tussen de zestien en twintig jaar zelf over hun jeugd en romantische relaties.
In mijn onderzoek hanteerde ik de brede definitie van kindermishandeling, dus zowel directe kindermishandeling (het geweld van een ouder naar een kind) als indirecte kindermishandeling (het getuige zijn van geweld tussen de ouders), terwijl eerder onderzoek vaak naar een van deze vormen keek. Voor het geweld op latere leeftijd focuste ik op dating-geweld bij jongeren, wat gaat over het geweld dat jongeren ervaren in hun romantische relatie en de laatste jaren steeds meer aandacht krijgt.
Vanuit de literatuur worden de mechanismen sociaal leren, trauma en ouder-kind gehechtheid gebruikt om de intergenerationele overdracht van geweld te verklaren. De sociale leertheorie stelt dat kinderen leren door te observeren en dit na te doen. Hierbij gaat het zowel om gedrag als de interactie tussen mensen. Op deze manier leren ze bijvoorbeeld emotieregulatie of conflicthantering. De traumatheorie gaat ervanuit dat kinderen die te maken krijgen met geweld toxische stress ervaren, waardoor hun stresssysteem eigenlijk altijd aan staat. Daarom reageren ze vanuit een overlevingsmodus: vechten, vluchten of bevriezen. Kinderen die getraumatiseerd zijn, hebben vaak problemen met hun impulsbeheersing en emotieregulatie.
Vanuit de gehechtheidstheorie wordt gezegd dat kinderen die een veilige gehechtheid hebben met hun ouders, leren dat ze de wereld mogen ontdekken, maar bij stress altijd terug kunnen naar hun ouders. Hierdoor leren ze vertrouwen op zichzelf en op anderen. Als er iets misgaat in de gehechtheidsrelatie kunnen kinderen het vertrouwen in zichzelf en anderen verliezen.
Veel jongeren die ik heb gesproken verklaren de intergenerationele overdracht zelf vooral via het mechanisme sociaal leren. Zo werd er thuis bijvoorbeeld niet over emoties gesproken, hebben ze niet geleerd hoe ze met boosheid en verdriet om moeten gaan en werden ruzies nooit opgelost.
Dit merken ze ook in hun huidige relatie, ze praten niet over emoties of ze weten niet hoe ze met hun eigen emoties of die van hun partner om moeten gaan. Ook vinden veel jongeren het lastig om een ruzie echt op te lossen, ze lopen weg en praten er niet meer over of geven constant toe aan wat hun partner wil. Zo vertelde een van de jongeren: “We komen nooit tot een oplossing, ik denk omdat niemand me ooit geleerd heeft hoe je op een normale manier dingen op kan lossen.”
In mijn onderzoek zag ik echter ook de mechanismen van trauma en gehechtheid en hoe de drie mechanismen met elkaar interacteren. Zo vond ik dat het trauma van zowel de vader als de moeder gerelateerd was aan trauma van het kind. De jongeren vertelden ook dat ze vanuit een overlevingsmodus reageerden op het moment dat ze geweld meemaakten, ze gingen weg, bevroren of sprongen ertussen. En dit mechanisme zagen we dus ook terug in hun huidige relatie op het moment dat er spanningen of conflicten ontstonden. Zoals een van de jongeren zei: “De bom barste altijd als ze weg was. Dan was de deur de klos of het was de muur of het waren flessen parfum. Het was altijd wel wat.” Bovendien weten we dat als een ouder getraumatiseerd is, het lastiger is om responsief en sensitief naar je kinderen te zijn.
De jongeren die ik gesproken heb, vertelden dan ook dat ze met een of beide ouders een slechte band hadden. Zo ervaarden ze bijvoorbeeld weinig steun of begrip of hadden ze moeite om autonoom te worden omdat hun ouders controlerend en rigide waren. Iemand vertelde over haar moeder: “Zij wilde mij te allen tijde als een klein meisje behandelen. Weet je, eigenlijk als pop zijnde. Dat zij alle regels bepaalt en ik moet me er standaard aan houden.”
Vooral de jongeren die dating-geweld meemaakten spraken vaak negatief over de band met beide ouders, terwijl jongeren die geen dating-geweld hadden ervaren vrijwel allemaal een positieve band hadden met een van hun ouders.
Tot slot zag ik dat jongeren vaak moeite hadden om een balans te vinden tussen enerzijds verbondenheid met hun partner en anderzijds autonomie. Zo waren er jongeren die moeite hadden met verbondenheid, zij klampten zich vaak vast en lieten over hun grenzen gaan. In de huidige relatie van deze jongeren was ook vaak sprake van controlerend gedrag vanuit henzelf en/of hun partner. Dit gaf deze jongeren juist vertrouwen, wat ze vanuit de basis niet hadden. Een jongen vertelde: “Regelmatig keek ik in haar telefoon of ze geen contact met die exen had. Dat had ze ook niet, dus uiteindelijk dacht ik: dit meisje kan ik wel vertrouwen.”
Andere jongeren waren juist heel erg gericht op autonomie, ze spraken niet over hun problemen en onderdrukten hun emoties, terwijl ze vaak wel veel woede ervaarden of hyperalert waren. Deze jongeren gaven ook aan dat ze iets snel negatief konden interpreteren en daardoor ook sneller boos of agressief werden. Zo zei een jongere: “Als iemand een grapje maakt, kan ik dat heel letterlijk opvatten en dan slaat er bij mij een knop om en word ik gewoon boos.” Ik zag ook jongeren die wisselden tussen enerzijds sterk op de betrokkenheid zitten en anderzijds heel erg gericht zijn op autonomie.
Een belangrijke beschermende factor voor de intergenerationele overdracht van geweld is het verminderen, of liever, het stoppen van het geweld. Op het moment dat geweld vermindert of stopt, hebben kinderen minder posttraumatische stress en laten ze minder agressief en gewelddadig gedrag zien. Daarnaast zag ik dat jongeren die dating-geweld meemaakten ook meer kindermishandeling hadden ervaren dan jongeren die geen dating-geweld ervaarden. Hiervoor is het belangrijk dat professionals langdurig betrokken blijven bij een gezin. We weten dat geweld moeilijk is om te stoppen en dat stressfactoren ervoor kunnen zorgen dat het geweld weer toeneemt. Bovendien is het essentieel om eerst een vertrouwensrelatie op te bouwen, met zowel de kinderen als de vader en de moeder, om over het geweld te kunnen praten en te onderzoeken wat de geweldsdynamiek is en onderliggende patronen. Op het moment dat sprake is van geweld uit onmacht, is een andere aanpak nodig dan wanneer sprake is van geweld vanuit een machtsverschil en dwingende controle.
Ongeveer de helft van de jongeren die deelnamen aan mijn promotieonderzoek hadden geen dating-geweld meegemaakt. Maar veel van hen ervaarden wel problemen in hun relatie rondom bijvoorbeeld emotieregulatie en conflicthantering. We weten dat stressfactoren, zoals samenwonen of kinderen krijgen, extra druk kunnen leggen op een relatie waardoor conflicten kunnen escaleren. Daarom is het belangrijk om aandacht te hebben voor alle gezinsleden en alle kinderen in het gezin. Dus ga in gesprek met kinderen, tieners en jongvolwassenen over wat ze nodig hebben en dat ze altijd (opnieuw) hulp kunnen zoeken als ze ergens tegenaan lopen. Daarvoor is het nodig dat jongeren vertrouwen hebben in de hulpverlening en het gevoel hebben dat ze ook echt gehoord en gesteund worden.
Mijn promotieonderzoek liet zien dat het krijgen van traumatherapie helpend is. Daarnaast is het belangrijk om vaardigheden te leren, waarbij aandacht is voor alle leden van het gezin en de interactie tussen hen. Meerdere jongeren vertelden dat het sociale netwerk een belangrijke rol had gespeeld in het aanleren van vaardigheden, zoals het samen uitpraten van een ruzie met schoonouders.
Vanuit ander onderzoek weten we dat kinderen belang hebben bij een steunfiguur die oprecht luistert en de regie bij het kind laat. Aansluiten bij het kind is hierbij belangrijk, zowel in tempo als de manier waarop. Kinderen geven vaak aan dat het helpt om samen iets creatiefs of actiefs te gaan doen, zoals tekenen of voetballen, zodat de nadruk niet op het praten ligt. Dan komen de gesprekken vaak vanzelf.
tekst: Milou Lünnemann
beeld: Bram Hoppe
1 Er deden 13 Veilig Thuis regio’s mee, het gaat dus om een landelijk onderzoek.
Proefschrift From Harm to Hope: Unraveling the intergenerational transmission of family violence
Beau is groot. Hij torent twee koppen boven me uit en is een zwaargewicht. Beau is sterk. ‘Ik ben voor niemand bang, mevrouw. Ik heb mijn eigen lichaam en mijn vuist, niemand hoeft mij iets te vertellen of dreigen.’
Lees meer
“Nee, dat begrijp ik Beau, maar waar zou je dan bang voor moeten
zijn?”
“Kijk, u weet toch wel, die San. Hij dreigt mij in mijn wijk. Anders
maakt me niet uit, maar hij komt hier met de metro mij in mijn
wijk dreigen. Ik kan er niks aan doen hè, mevrouw. U moet mij niet
aankijken. Mijn matties kunnen dat niet accepteren. Ik zeg het u, hè.
Ik hoef ook niet met u te praten. Ik los alles zelf op. Maak u niet druk
over mij. Ik ga zo de stad in en zorg voor mezelf, komt goed.”
Chantal is de coördinator van een dagbehandeling waar jongeren
door reclassering kunnen worden geplaatst. Ze vraagt me of ik in
gesprek wil gaan met Beau. Sinds hij is opgepakt door de politie, in
verband met een delict waar hij niet schuldig aan was, slaapt hij niet
meer. Volgens Chantal vindt Beau mij wel chill dus misschien kan ik
een opening vinden om het hierover te hebben. Beau is zeventien en
woont bij zijn oma.
“Ik moet met u praten van Chantal, maar ik heb u niet nodig”, begint hij. “Ze kwamen mijn huis in, weet u, en mijn oma schrok zo erg. Als dat nog een keer gebeurt, weet ik niet wat ik doe hè, mevrouw. Ik heb in de cel gezeten.”
“Hoe was dat Beau? Ik weet van Chantal dat je niet meer slaapt. Klopt dat?”
“Ja, ik slaap niet. Ik probeer van alles, maar ik ga gamen, op mijn telefoon, tv kijken, alles… maar ik slaap niet.”
“Ik denk toch dat het hele gedoe met de politie en het slapen in de cel, meer met je doet dan je denkt. En dat het eigenlijk een trauma voor je is. Ik denk dat ik je er wel mee kan helpen. Misschien dat je dan ook weer wat beter slaapt.”
“Ja, maar mevrouw, ik los alles zelf wel op. Straks ga ik even naar mijn vrienden, ik heb geld, of ik koop een horloge of zo.”
“Hoe gaat het met oma? Zij was ook geschrokken, hoorde ik.”
“Ja, gaat goed. Zij was eerst heel boos, maar is nu weer rustig.”
“Heb je wel een eigen kamer om te kunnen slapen Beau?”
“Ik heb net een nieuwe kamer, heel mooi. Mijn oma heeft het helemaal ingericht. Een nieuw bed, een gamestoel en een hele eigen kledingkast. Met een soort subsidie van de gemeente.”
“Wat gaaf Beau en wat lief van oma. Ben je er blij mee?”
“Heel blij, ze heeft ook van die lichtgevende wolkjes op mijn plafond geschilderd. En sterren en een maan. Net als ik vroeger bij mama had.”
Hij kijkt me aan en lijkt kleiner geworden.
“En als ik dan niet kan slapen, staar ik daar ook vaak naar.”
Als Beau weggaat, mompelt hij: “Ik denk nog even na of ik weer kom en of u dan dat ene mag doen, met mijn trauma.”
tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.
Beau heet in werkelijkheid anders.
FamilySupporters is een landelijke zorginstelling. Er werken zo’n honderd orthopedagogen. Je kunt er terecht voor advies, praktische hulp, diagnostiek en behandeling. De organisatie is actief in de ggz, jeugdhulp, Wmo en langdurige zorg en gericht op alle leeftijden. Een gesprek met twee orthopedagogen-generalist: Sabine Gerritsma en Maaike Mares.
Lees meer
Sabine Gerritsma
“Veel organisaties zeggen ‘wij werken systemisch’, maar wij werken écht systemisch”, trapt Sabine Gerritsma af. In haar vorige werk hielp ze kinderen die vastliepen in het onderwijs en ging daarna bij de Opvoedpoli aan de slag. Sinds 2020 werkt ze bij FamilySupporters. Ze is naast hulpverlener ook vestigingsdirecteur Haaglanden, locatie Rijswijk.
“We kijken hier over de schotten heen, vanuit het gezin. Welke inzet is er voor het gezin nodig? Dat kan gaan om praktische hulp, zoals hulp bij het huishouden of budgettering vanuit de Wmo. Of opvoedingsondersteuning vanuit jeugdhulp. En als een ouder zelf hulp nodig heeft, bieden we dat ook aan.”
Dat allemaal onder één dak. Deze integrale benadering vraagt veel afstemming. Sabine: “Als je bij ons komt werken, moet je er echt achter staan dat je met een open blik samen met je collega’s orthopedagogen, psychologen, volwassen- en kinderpsychiaters, vaktherapeuten, gezinscoaches en systeemtherapeuten, de hulp neerzet.”
Maaike Mares haakt aan. Haar vorige baan was in de gehandicaptenzorg, in 2022 maakte ze de overstap naar FamilySupporters, vestiging Drechtsteden. Ze is naast hulpverlener ook praktijkopleider orthopedagoog-generalist. Maaike: “We kijken altijd: wat kan de omgeving anders gaan doen? Dus blijf niet hier op kantoor zitten met het kind, maar ga observeren op school en in het gezin. Ga het kind in verschillende settingen zien.”
“Dat vragen we ook van het gezin”, vervolgt Sabine. “Als je bij ons komt, willen we met het hele gezin aan de slag. We doen niet aan ‘fix mijn kind, want het heeft ADHD’.”
Zo dicht mogelijk bij de cliënt en zijn omgeving staan, wordt ook vertaald in de organisatievorm. Als een vestiging te groot wordt, volgt er een splitsing. Er zijn nu zo’n twintig vestigingen. Elke vestiging heeft een vestigingsdirecteur, veelal een inhoudelijk directeur (dus ook hulpverlener) en vaak een orthopedagoog-generalist.
Iedere hulpverlener krijgt de basistraining Wraparound care, een internationaal onderzochte en bewezen effectieve manier van werken. De kern is dat je zelf als cliënt aangeeft welke vorm van ondersteuning jou het beste helpt, jouw behoeftes staan hierbij centraal. Een cruciaal onderdeel is de persoonlijke match tussen cliënt en hulpverlener. Er wordt gewerkt vanuit de verschillende levensgebieden van de cliënt. Bij de diagnostiek van een kind bijvoorbeeld ga je ook langs bij de BSO, de sportclub, of bij de oma’s en opa’s. Maaike: “Je kijkt waar de kansen zitten, hoe je weer een stapje verder kunt komen. Je werkt toe naar eigen regie, op eigen kracht, samen met je eigen netwerk, weer verder.”
In deze tijd van krapte in de zorg nemen de wachtlijsten overal toe. FamilySupporters probeert dat tegen te gaan. Sabine: “Het kan toch niet zo zijn dat je de intake doet en dan zegt: Je bent over zes maanden aan de beurt.”
Daarom werken er naast vaste medewerkers ook zzp’ers (onder meer orthopedagogen-generalist) en wordt er nauw samengewerkt met andere vestigingen in de regio. Maaike: “Zo heeft onze vestiging geen kinderpsychiater in dienst. Mijn cliënt rijdt dan naar vestiging Leiden, want hier in de buurt sta je zes maanden op de wachtlijst.”
En als er heel veel aanmeldingen tegelijkertijd zijn, is er af en toe een tijdelijke aanmeldstop.
De zorg heeft grote behoefte aan innovatie. Er wordt veel gewerkt met blended care, een combinatie van face to face en online hulpverlening. Maaike: “Je gaat bijvoorbeeld één keer naar de kinderpsychiater en verder spreek je telefonisch of via beeldbellen af. Ook werken we met Jouw omgeving, waarbij we e-health aanbieden. Naast gesprekken op kantoor, kunnen mensen online vragen beantwoorden en daarmee verder werken.”
Bij EMDR-behandelingen kunnen mensen Virtual Reality-brillen mee naar huis krijgen. “Bij angstbehandeling bijvoorbeeld”, zegt Sabine. “Met de VR-bril word je in een situatie geplaatst die angst oproept en zo kun je thuis oefenen met verdragen van zo’n situatie. Ook gebruiken we de behandelsessies van Therapieland1. Als ouders bijvoorbeeld met een opvoedvraag komen, kunnen ze thuis al aan de slag door filmpjes te kijken en samen vragen te beantwoorden. Vaak zit er psycho-educatie in.”
Helpt e-health om het werk met minder mensen te doen?
“Je kunt net wat meer versnellen”, legt Sabine uit. “Zo hoef je psycho-educatie niet allemaal live te doen. Je kan mensen thuis filmpjes laten kijken en laten aangeven: dat herken ik en dat niet. Vervolgens ga je daar het gesprek over aan. En als jongeren een dagboekje moeten bijhouden, werkt een app goed die ze even een pushmelding geeft: Vul dit even in, hoe gaat het met je, klik een smiley aan. Het werkt aanvullend, maar niet vervangend.”
Als het thuis even écht niet meer gaat en ambulante hulp niet genoeg is, heeft FamilySupporters ExtraThuis. Een gezinshuis en vorm van ‘kort verblijf’ dat omgangsbegeleiding, daghulp, logeren, (weekend) pleegzorg, een tijdelijke woonplek of een omgeving om zelfstandig te worden, biedt. Elk ExtraThuis wordt gerund door professionals en er zijn er op dit moment vier.
Ook ouderen kunnen bij FamilySupporters terecht. Denk aan het verlies van zelfstandigheid, het omgaan met angst en somberheid of de ondersteuning voor mantelzorgers. Ook wordt meegedacht met kinderen en hun ouders die hulp te lang afhouden, of bij vermoeden van oudermishandeling. Er werken echter nog niet zoveel orthopedagogen in deze ouderenzorg. In Noord-Holland is een specialist ouderengeneeskunde in dienst.
Veel collega’s krijgen een opleiding tot gz-psycholoog of orthopedagoog-generalist (OG). Maaike werkt deels ook bij het eigen Kenniscentrum van FamilySupporters en is praktijkopleider OG. “Helaas wordt de OG-opleiding nog steeds niet gefinancierd, dat is wel een ding. We zouden nog wel meer OG’ers willen opleiden, maar daar moet eerst de ruimte voor zijn, we moeten ze ook kunnen begeleiden. Het Kenniscentrum stelt incompany-opleidingen samen, zoals transparant rapporten en de Wraparound care-training. Ook zet het externe trainers in.”
Sabine: “En ik heb net de OG-opleiding mogen afronden. Bij ons in Rijswijk zijn nu drie orthopedagogen-generalist tegelijk in opleiding. Want we zien dat het zo past bij de manier van werken, naast dat je gz-psychologen nodig hebt in je team.”
Maaike Mares
tekst: John Smeets
FamilySupporters: www.familysupporters.nl
1 Therapieland is een e-healthplatform waarmee zorgprofessionals e-health programma’s, veilig beeldbellen en vragenlijsten kunnen inzetten. www.therapieland.nl
De zorg voor mensen met een beperking en complexe problematiek staat onder druk. Oplopende wachtlijsten en personeelstekorten zorgen voor schrijnende situaties. Orthopedagogen kunnen een belangrijke rol spelen, maar dan moet er wel iets gebeuren aan de financiële tekorten en regeldruk. In gesprek met orthopedagogen Linda Verhaar, Mirjam de Bruijn en Matthijs Heijstek.
Lees meer
Mirjam de Bruijn werkt sinds 2018 als orthopedagoog-generalist bij ASVZ.
De drie orthopedagogen benadrukken tijdens het gesprek: laat het vooral geen klaagverhaal worden. Natuurlijk zijn er problemen in de zorg voor mensen met een zogeheten VG7-indicatie. Maar het zou geen recht doen aan de realiteit als we alles door een negatieve bril bekijken. “Er gebeuren juist ook veel mooie dingen in de zorg voor deze kwetsbare mensen”, zegt Matthijs Heijstek. “En daar mogen we best trots op zijn.”
Als we het hebben over cliënten met een VG7-indicatie1 (de aanduiding van het zorgprofiel), dan gaat het om in totaal zo’n 17.000 mensen met een verstandelijke beperking en moeilijk verstaanbaar gedrag. Het zijn de kwetsbaarste cliënten in de verstandelijk gehandicaptenzorg, legt Mirjam de Bruijn uit.
“Mensen die sociaal en emotioneel een jonge ontwikkelingsleeftijd hebben en vaak hun eigen emoties niet zelfstandig kunnen reguleren. Ze kunnen agressief of destructief gedrag vertonen, veelal vanwege stress of angst. Het zijn kwetsbare, maar ook pure mensen. Als je voor hen een menswaardig bestaan mogelijk wil maken, dan is er continu professionele ondersteuning nodig.”
Het gaat om een groep mensen voor wie vele professionals zich met hart en ziel inzetten, dag en nacht. De problemen die er zijn, hebben met name te maken met de bestaande regelgeving en financiering.
Volgens de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) zijn de tarieven voor deze groep cliënten te laag, wat tot financiële problemen leidt bij zorgaanbieders.
Linda Verhaar herkent dat laatste. “Mijn eigen organisatie Ipse de Bruggen is een grote zorgorganisatie, maar ook voor ons is dit een uitdaging. Helaas krijg ik regelmatig signalen van kleinere organisaties die aangeven deze zorg niet meer te kunnen bieden omdat het financiële risico te groot is.”
Doordat zorgorganisaties minder geneigd zijn om plekken voor deze doelgroep te creëren, zijn er wachtlijsten ontstaan. “Een wachttijd van tussen de vier en acht jaar is op dit moment vrij standaard”, zegt Matthijs. “En dan moet je bedenken dat iemand wordt aangemeld als het thuis écht niet meer gaat. Het is een onacceptabele situatie, want gelijke toegang tot zorg voor alle Nederlanders is een grondrecht.”
Een ander gevolg van de krappe budgettering is dat er steeds meer druk ontstaat op het aanvragen van meerzorg, dat is extra zorg voor cliënten die minstens 25 procent meer zorg nodig hebben dan het zorgprofiel biedt. Mirjam: “Het was ooit bedoeld als een tijdelijke regeling, maar eigenlijk zijn wij continu meerzorg aan het aanvragen omdat het niet te betalen is zonder beroep daarop.”
Waarmee we bij het tweede probleem zijn aanbeland: de huidige regelgeving en de bijbehorende bureaucratie. Mirjam vertelt dat ze veel tijd kwijt is aan het aanvragen van meerzorg. “Het formulier invullen kost behoorlijk veel tijd. Soms ben ik weken bezig om voor een jaar extra geld te krijgen. Terwijl: wat kun je in deze vorm van zorg nu eigenlijk doen in een jaar? Het gaat vaak om complexe zorg die jaren in beslag neemt en waarvan de uitkomsten ongewis zijn – zo realistisch moeten we gewoon zijn. Het ligt overigens niet aan de mensen; het persoonlijke contact met de medewerkers van de zorgkantoren verloopt goed. Als het lukt inhoudelijk uit te leggen waarom meerzorg nodig is, werken ze mee en geven ze ook alle ruimte. Het zijn met name de formulieren en de bureaucratie eromheen die zorgen voor extra werkdruk.”
Matthijs Heijstek is orthopedagoog-generalist bij Zozijn, werkt als docent bij de Universiteit Utrecht en doet daar promotieonderzoek.
Deze papierwinkel leidt ertoe dat orthopedagogen en andere zorgprofessionals voor een steeds groter deel van hun tijd niet met de inhoud bezig kunnen zijn. Het kan Mirjam soms frustreren. “Je hebt het gevoel dat je constant voor je cliënten moet opkomen, steeds moet benadrukken dat zij ook goede zorg verdienen, dat ze recht hebben om te leven in een menswaardige omgeving.”
Juist bij de zorg voor deze cliënten is het cruciaal dat je er helemaal voor ze bent, legt Mirjam uit. “Je moet ze helpen hun emoties te reguleren. Als jij rustig bent, kunnen zij in kleine stapjes vertrouwen opbouwen. Als we dan veel met randzaken bezig zijn, gaat dat ten koste van die innerlijke rust.”
Matthijs: “Het is jammer, want je bent niet bezig met waar je voor opgeleid bent, namelijk een goede beeldvorming van een cliënt, in kaart brengen wat er allemaal rondom een cliënt speelt. Het mooie van deze cliënten is dat we continu met de context bezig zijn, in die zin dat je bezig bent met de opvoeders, met alle opvoedmilieus en zowel met het leefklimaat als met coaching van begeleiders. Het is in feite de meest klassieke vorm van orthopedagogiek.”
Linda merkt op dat hun werk soms wordt vergeleken met topsport. “Je moet voortdurend ‘aan’ staan, continu investeren in het op peil houden van je expertise en weten wat er speelt. Je kunt deze cliënten en hun begeleiders niet loslaten.”
Zie het als een moeilijke puzzel die gelegd moet worden, zegt Mirjam. “Het vraagt veel expertise en out-of-the-box-denken. Het is een weerbarstige praktijk, waarbij meerdere cliënten bij elkaar wonen. Als orthopedagoog moet je de cliënten kennen, je moet het team kennen, weten wat de sterktes en zwaktes van het team zijn en ga zo maar door. Daarom is het ook belangrijk om als orthopedagoog langdurig bij cliënten betrokken te zijn en niet alleen op consultbasis.”
Voor het oplossen van de problemen ligt de bal vooral bij de politiek, maar het is op dit moment nog ongewis wat dat zal opleveren. Meer geld helpt altijd, maar we moeten het volgens Matthijs niet als een wondermiddel zien. “Daarvoor is het probleem te complex. Je lost bijvoorbeeld het personeelstekort echt niet op met alleen een extra zak geld. Ook zorgkantoren en de sector zelf zullen aan de bak moeten.”
Linda pleit ervoor om meer naar de context te kijken. “Bij Ipse de Bruggen zien we steeds terugkomen hoe belangrijk het is dat de context goed aansluit. Zo zijn we nu gestart met zogeheten HBB-groepen: Hoogintensieve Begeleidings- en Behandelgroepen, waarbij met name oog is voor wat de organisatie als geheel nodig heeft. Dat is een beweging die we als sector steeds meer aan het maken zijn; van de cliënt naar de context. Het is belangrijk dat we orthopedagogen goed blijven faciliteren en ook erkennen hoe intensief het is om met deze cliënten te werken. En dus moeten we hen goed faciliteren, ook als het gaat om intervisie en supervisie.”
Een goede zaak, vindt Mirjam. “Als we beter voor medewerkers zorgen, dan heeft dat niet alleen een positief effect op cliënten, het zorgt ook voor minder verloop. Dit zien wij terug binnen onze Very Intensive Care-woningen, waar elke maand tijd is voor reflectie, intervisie en teambuilding. De medewerkers waarderen dit enorm.”
Matthijs denkt dat een deel van de oplossing verder kan worden gevonden door beroepsverenigingen als de NVO een andere rol te geven. “Kijk naar het Verenigd Koninkrijk, waar de overheid een prominente rol geeft aan beroepsverenigingen. Zij maken daar richtlijnen over wat kwaliteit is en wat goede zorg is. Voor Nederland zou dat betekenen dat onder andere orthopedagogen (en andere onafhankelijke experts) bepalen wat kwaliteit is en niet ambtenaren, zorgverzekeraars of andere partijen.”
Linda Verhaar is orthopedagoog-generalist bij Ipse de Bruggen. Ze werkt aan een promotieonderzoek (Universiteit Leiden) gericht op cliënten met zorgprofiel VG6 en VG7.
“Het zou zo mooi zijn als we de zorg voor deze mensen weer centraal kunnen laten staan en we puur vanuit de inhoud gaan denken”, zegt Mirjam. “Nu wordt beleid in Den Haag bedacht, dan gaat het nog even langs de beroepsverenigingen en vervolgens moeten wij ermee gaan werken. Het zou veel mooier zijn als ideeën vanuit de praktijk komen, want het gaat om een diverse groep cliënten, voor wie om verschillende redenen extra geld nodig kan zijn om hen passende ondersteuning te geven. Het zou mooi zijn als je hier, voor langere tijd, op basis van de inhoud, een beroep op zou kunnen doen.”
Matthijs: “Veel Nederlanders kennen deze groep cliënten niet. Vaak komen alleen uitwassen, zoals met Jolanda Venema in 1989 of Brandon in 2004, in de media. Het zou helpen als we de diversiteit in verhalen van deze mensen vertellen en hen een gezicht geven. Ik vind dat we als orthopedagogen ook wel een rol daarin hebben, we zouden vaker de stem voor deze mensen moeten zijn. Dan zien politici ze ook eerder staan.”
Mirjam: “Het is waardevol om te merken dat we daadwerkelijk verschil kunnen maken voor deze mensen. We moeten alleen goed onderzoeken hoe we het beste bij ze aan kunnen sluiten, en juist díe puzzel, maakt het werken met deze doelgroep zo bijzonder. Zij hebben vaak al zoveel negatieve ervaringen, ze zijn verhuisd, lastig gevonden en weggestopt. Hoe mooi is het dan als het wél lukt ze een menswaardig bestaan te geven en ze weer te kunnen zien als mens.”
tekst: Raymond Krul
1 Een VG7-indicatie wordt afgegeven voor mensen met een verstandelijke beperking en een zeer intensieve zorgvraag, lees verder op: www.vgn.nl/nieuws/leidraad-perspectief-op-persoonsgerichte-zorg-uitgebreid-met-vg7
In ‘Nooit te laat’ maakt documentairemaker Narsingh Balwantsingh Hindoestaanse grootouders deelgenoot van het leven van hun kleinkinderen en andersom. Om ze zo dichter bij elkaar te brengen. Zelf is hij door gesprekken met zijn oma wijzer geworden over zichzelf en zijn familie. Dat gunt hij andere gezinnen ook.
Lees meer
De eerste serie van Nooit te laat is al in 2018 uitgezonden op televisie. Dit jaar is seizoen twee van start gegaan. In totaal zijn er nu zes portretten van een Hindoestaanse grootouder met een kleindochter of kleinzoon. Ze trekken een paar dagen met elkaar op, komen meer te weten over elkaars leven vroeger en nu, bekijken foto’s van vroeger en stellen elkaar vragen die ze nooit eerder gesteld hebben.
Het zijn intieme portretten. De band tussen grootouder en kleinkind is elke aflevering bijzonder om te zien. Ze ontdekken verschillen en overeenkomsten. Door samen tijd door te brengen, krijgen ze meer begrip voor elkaars waarden en normen.
Een prachtig moment is wanneer een oma, die vroeger zangeres was, samen zingt met haar kleindochter, die zanglerares is. Zo spreken ze elkaar zingend toe. “Mijn oma is gewoon een gangster”, lacht de kleindochter als haar oma uitlegt dat ze de baas is van de familie.
Of neem de opa met zijn kleinzoon van 26. De kleinzoon studeert, terwijl opa op zijn 26ste uit Suriname vertrok. Ze halen herinneringen op aan oma die overleden is. Opa neemt zijn kleinzoon mee naar een religieuze bijeenkomst, de kleinzoon zijn opa naar de sportschool. Het doet opa verdriet dat zijn kleinzoon de Hindoestaanse taal niet spreekt. Als je de cultuur niet kent en de taal niet spreekt, dan leef je als een dier, legt hij uit.
In veel afleveringen koken grootouders en kleinkinderen samen. Een oma legt uit dat eten van levensbelang is in haar familie. Voor haar, maar ook al voor haar ouders en grootouders. Haar kleinzoon houdt ook van koken, en zo is de cirkel rond. Deze oma, die familietherapeut is, geeft een ‘oma-college’ aan al haar kleinkinderen. Ze wil dat zij weten waar hun familie vandaan komt en de verhalen kennen.
De kleinkinderen nemen haar levenslessen mee. Een kleindochter beseft dat ‘het leven tanden heeft die je heel hard kunnen bijten’. Een ander dat ‘alles tijdelijk is’. En weer een ander dat ‘het belangrijk is om zelfstandig te zijn’. Een kleinzoon wil zich meer gaan verdiepen in de Hindoestaanse cultuur.
De grootouders leren ook van hun kleinkinderen. Zoals dat je moet durven, moet proberen, dat alles mogelijk is. Een oma zegt dat de kleinkinderen de toekomst zijn, en dat ze zoveel in hen herkent.
Tip: bekijk de serie met je kinderen. Mijn eigen kinderen en ik raakten dan steeds in gesprek over hun opa’s en oma’s. Mijn dochter van dertien wist meteen wat ze zou gaan doen met haar oma: “Haar meenemen naar de musicalles, dan kon ze mij zien optreden.”
tekst: Marleen Baeten
beeld: NTR
De twee seizoenen van Nooit te laat zijn te zien via: www.npo.nl/start/serie/nooit-te-laat.
Melanie Broekmeulen en Lonneke de Kraker, beiden orthopedagoog-generalist en NVO-lid, zijn behandelcoördinator bij Auris. Dit expertisecentrum biedt zorg en onderwijs aan kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS), dove en slechthorende kinderen en hun ouders. Voor de Pedagoog beschrijven zij hun ervaringen, met Rosa (2) en Tim (3) in de hoofdrol.
Lees meer
Melanie Broekmeulen
De behandeling bij Koninklijke Auris Groep richt zich op alle ontwikkelingsgebieden die verband houden met gehoor, spraak of taal. Er is ambulante behandeling en er zijn behandelgroepen voor peuters en schoolgaande kinderen. Ambulante behandeling kan plaatsvinden in het gezin, op de kinderopvang of een Auris-locatie. Bijvoorbeeld krachttraining, een individuele korte behandeling bij sociaal-emotionele problematiek, bedoeld om de kracht in jezelf te ontdekken en te benutten.
Een (specifieke) taalontwikkelingsstoornis is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis van genetische oorsprong, gekenmerkt door een taalontwikkeling die beduidend achterblijft bij die van leeftijdgenoten1. De achterblijvende taalontwikkeling kan niet verklaard worden door een gehoorverlies, verstandelijke beperking, neurologische afwijking, afwijking aan het spraakorgaan, contactstoornis, deprivatie of ongunstige taalaanbodsituatie.
Een TOS kan zich uiten in taalbegrip en taalproductie. Deze stoornis kan voorkomen in alle aspecten (fonologie, semantiek, (morfo)syntaxis en pragmatiek) en modaliteiten van taal (gesproken taal, geschreven taal en gebarentaal).
Niet alle kinderen met een TOS komen in aanmerking voor behandeling vanuit Auris. Kinderen kunnen alleen na een multidisciplinair onderzoek door een medisch specialist verwezen worden. Dit kan alleen bij ernstige en hardnekkige taalproblemen die impact hebben op het functioneren en de overige ontwikkeling. Er is vaak sprake van handelingsverlegenheid bij het gezin en de rest van het systeem, zoals de logopedist en het kinderdagverblijf.
Rosa (2) gaat maar niet praten. Haar ouders maken zich zorgen. Logopedie geeft onvoldoende verbetering. Rosa wordt door het audiologisch centrum verwezen naar de behandelgroep voor peuters met (een vermoeden van) TOS. De achterblijvende taalontwikkeling kan niet op een andere manier verklaard worden.
De TOS uit zich bij Rosa in het uitblijven van taalproductie. Ze gebruikt maar vier woorden: ‘papa’, ‘mama’, ‘ja’ en ‘nee’. Buitenshuis spreekt ze niet. Haar taalbegrip is van een gemiddeld niveau. Rosa raakt in vertrouwde situaties gefrustreerd als ze zichzelf niet duidelijk kan maken met natuurlijke gebaren of lichaamstaal.
Het valt op dat Rosa een woord pas zegt als ze het kan en wil. Ze is trots als ze het woord heeft gezegd, maar wil het niet herhalen. De ouders vinden het moeilijk hiermee om te gaan. Als Rosa een woordje zegt, zijn ze zo trots dat ze haar vragen het te herhalen en bouwen daarmee onbedoeld de druk op. Rosa zegt het woord dan niet meer.
Bij de start van de behandeling blijkt het belangrijk om de druk op het spreken weg te halen en Rosa thuis en buitenshuis alternatieven te bieden om te communiceren. We beginnen met Nederlands ondersteund met gebaren (NmG) en visualiseren. De gebaren worden gedeeld zodat ze in alle situaties ingezet kunnen worden. Bijvoorbeeld het gebaar voor ‘helpen’. Met de ouders onderzoeken we ook welke visualisering nodig is. Zoals foto’s van het beleg, zodat Rosa kan kiezen wat ze op haar boterham wil. Dit ook om de ontwikkeling van autonomie, die in deze ontwikkelfase zo belangrijk is, te bevorderen.
In de groepsbehandeling is er eerst aandacht voor basisveiligheid en vertrouwen. De communicatie is afgestemd op wat Rosa aan kan. Zij kan met wijzen, kijken, knikken of schudden van haar hoofd aangeven wat ze wel of niet wil. Daarnaast bieden we in de dagelijkse routines steeds dezelfde (eenvoudige) woorden en gebaren aan en herhalen die. De behandelaar staat model. Die wacht steeds vaker iets langer en kijkt Rosa verwachtingsvol aan, om haar uit te lokken een bepaald woord of gebaar in te zetten.
Thuis en tijdens ontspannen momenten in de behandelgroep begint Rosa enkele woorden en gebaren in te zetten. De verwachtingen van Rosa worden geleidelijk opgebouwd. Bijvoorbeeld door voorwerpen buiten haar bereik te leggen en in ontspannen dagelijkse situaties te wachten op het initiatief van Rosa tot het (bekende) woord of gebaar. Terwijl we intussen ons vertrouwen in haar uitspreken, dat we weten dat ze dit kan. In deze functionele situaties wordt ze steeds positief bevestigd. Door het woord of gebaar in te zetten, krijgt ze wat ze wil.
Geleidelijk krijgt Rosa meer mogelijkheden om zichzelf te uiten. Ze gebruikt zelf nieuwe woorden en gebaren, zoals ‘helpen’, ‘stop’, ‘wacht’, ‘eten’ en ‘ranja’. Ze richt zich op de andere kinderen en raakt minder afhankelijk van ouders en behandelaren. De behandeling heeft Rosa’s ouders bewust gemaakt van de ‘spreekdruk’ die zij hun dochter konden geven. Ze zijn blij met de ontwikkeling die Rosa laat zien sinds ze de behandelgroep bezoekt.
Naar de behandelgroep voor peuters komen kinderen van twee tot maximaal vijf jaar en er is ruimte voor acht kinderen. Zij bezoeken de behandelgroep twee dagen per week waarbij er gewerkt wordt aan het stimuleren van de spraak- en taalontwikkeling. In de behandeling is er een onderscheid tussen algemeen groepsaanbod, het werken in een subgroep en individueel aanbod.
Het behandelteam bestaat uit hbo-opgeleide pedagogen, een logopedist, fysiotherapeut en een behandelcoördinator. Zo nodig wordt het team aangevuld met een ambulant behandelaar.
De behandelcoördinator is eindverantwoordelijk en nauw betrokken bij de behandeling. Zij vormt een belangrijke schakel tussen ouders, de behandelaren en andere betrokkenen en is gericht op samenwerking, maatwerk en resultaat.
Om meer maatwerk te bieden, is gekozen voor een aanvullend modulair (plus)aanbod. De behandelcoördinator kijkt bij de start en gedurende de behandeling, samen met de ouders, welke hulpvragen er leven. Zo nodig kunnen zij gebruik maken van een plusaanbod, zoals cursussen om de communicatie tussen ouders en kind te ondersteunen en bevorderen, ambulante behandeling in het gezin en indirecte logopedie (ouder-coaching). Daarnaast nemen ouders en kind, voorafgaand aan de behandelgroep, deel aan een ouder-kindgroep. Hier komen ze vier ochtenden naartoe en krijgen de ouders handvatten in het stimuleren van de spraak- en taalontwikkeling van hun kind in verschillende situaties.
Lonneke de Kraker
In de behandelgroep staat de samenwerking met ouders centraal, dialogisch werken vormt een belangrijk onderdeel. Ouders zijn expert op het gebied van hun kind, wij op het gebied van de spraak- en taalontwikkeling. Door de krachten te bundelen streven we naar een zo groot mogelijk behandelresultaat.
Door in het behandelaanbod aan te sluiten bij de hulpvragen van ouders en rekening te houden met de draagkracht en draaglast van het gezin, kunnen we passende zorg bieden.
Auris is erkend als expertisecentrum Zintuiglijk Gehandicaptenzorg. Het richt zich op praktijkgericht onderzoek en innovatie in onder andere diagnostiek en behandeling van TOS.
Samen met andere expertiseorganisaties is Auris aangesloten bij Deelkracht, dat een onderzoeksprogramma uitvoert, gesubsidieerd door ZonMw. In Deelkracht werken onderzoekers, professionals en ervaringsdeskundigen samen aan één einddoel: een samenleving die ook met een zintuiglijke beperking toegankelijk is2.
Eén van de projecten is een onderzoek naar werkzame elementen in de TOS-behandeling van nul- tot vijfjarigen. Er is onderzocht wat werkt volgens professionals en ouders. Ook is er literatuuronderzoek gedaan voor (wetenschappelijke) onderbouwing. Voor indirecte therapie, taalstimulerende interactietechnieken en recasten (impliciete correctie door de foute zin in de correcte vorm te herhalen) zijn goede tot sterke aanwijzingen voor effectiviteit gevonden.
Zie voor alle onderzoeksprojecten: www.deelkracht.nl.
tekst: Melanie Broekmeulen en Lonneke de Kraker
De namen in dit artikel zijn gefingeerd.
Meer weten over Auris?
Kijk op: auris.nl
1 Gerrits, E. & Niel, E. van (2012). Taalachterstand of taalontwikkelingsstoornis? Logopedie en Foniatrie, 84(11), 6-10.
2 Deelkracht: www.deelkracht.nl
3 Stichting FloorPlay: www.stichtingfloorplay.nl
De ouders van Tim (3) maken zich zorgen. Zijn taalproductie komt nauwelijks op gang en het contact met Tim verloopt moeizaam. Hij kijkt hen vaak niet aan of keert zich van hen af. Uit een multidisciplinair onderzoek in het Sophia Kinderziekenhuis komt het vermoeden van een TOS.
Bij de start van de behandeling valt het ook de behandelaren op dat de communicatieve voorwaarden, waaronder oogcontact en beurtwisseling, onvoldoende aanwezig zijn. Tim reageert vaak niet op initiatieven van de behandelaren en zoekt enkel (non-verbaal) contact op zijn initiatief. Bijvoorbeeld door te wijzen.
Om bij de hulpvraag van de ouders aan te sluiten, is in overleg met hen besloten om eerst te werken aan de communicatieve voorwaarden. Tim lijkt zich op dit moment nog onvoldoende bewust van de functie van taal. Door eerst in te zetten op de voorwaarden binnen de communicatie, hopen we de dat er meer wederkerigheid ontstaat in het contact. Dit laatste is ook van belang om te kunnen werken aan het vergroten van de taalproductie.
Er is gekozen voor een pluscomponent: ambulante behandeling met als specialisme Floorplay. Deze interventie richt zich op het versterken van de affectieve ouder-kindrelatie en het bevorderen van de ontwikkeling van het kind3. Zowel thuis als in de behandelgroep is aan de hand van de principes van Floorplay gewerkt aan het vergroten van plezier in de interactie tijdens het spelen (met ouders en/of behandelaren).
Al na een paar weken merken de ouders verschil in het contact met Tim. Hij maakt meer oogcontact, er is meer gedeeld plezier en hij reageert vaker op initiatieven van zijn ouders. Deze ontwikkeling valt ook in de behandelgroep op en zo ontstaat er meer ruimte voor behandeling.
Tim heeft uiteindelijk negen maanden in de behandelgroep gezeten en kon aan het einde van de behandeling zijn wensen en behoeften verwoorden in zinnen met vier á vijf woorden. Zijn ouders zijn zeer dankbaar voor de stappen die Tim heeft gezet en de handvatten die zij hebben ontvangen.
Kinderen die niet naar school gaan, thuiszitters, zijn af en aan een beladen gespreksonderwerp in politiek en media. Iemand roept verontwaardigd dat het niet waar kan zijn dat in zo’n welvarend land niet voor iedereen passend onderwijs is. (Het is wel waar.) Een ander roept dat het hele onderwijssysteem moet veranderen. (Haalt net zoveel uit als roepen dat de regen moet stoppen.)
Weer een ander schrijft een jubelend artikel over een dagbesteding in Snobbelgeest waar ze dé oplossing gevonden hebben. (Dé oplossing bestaat niet.) En dan schrijft de overheid bij gebrek aan beter weer een brief dat we onderzoek moeten doen en kennis uitwisselen.
Lees meer
De toon en dynamiek van dit gesprek veranderen al 25 jaar niet en het aantal thuiszitters blijft stijgen. Bij lezingen over dit onderwerp is het publiek wel eens teleurgesteld dat ik weinig praat over oplossingen. Want we willen het liefst een systematische oplossing voor het probleem dat sommige kinderen niet in het systeem passen. Ik geloof niet in algemene oplossingen.
Maar als er geen algemene oplossingen zijn, wat heb ik dan de afgelopen acht jaar gedaan in mijn werk met thuiszitters? Zoeken, luisteren, ploeteren, kijken, aanmodderen, mislukken, moed bij elkaar rapen, nog beter kijken, aandachtig luisteren en weer verder ploeteren. Ja, dan word je wel eens wat wijzer. Je ontdekt dat sommige dingen, zoals druk zetten, meestal niet werken (maar soms ook wel). En andere dingen, zoals de sociaal-emotionele veiligheid herstellen, vaak wel (maar ook niet altijd).
Ik zou dat wat ik leer kunnen vatten in een model, een procedure of een stappenplan, maar dat weiger ik. Waarom? Omdat je kinderen niet kunt helpen als je denkt hun gedrag, situatie en oplossingen al te kennen voordat je echt contact met ze gemaakt hebt. En het is precies dát wat elk systeem veronderstelt; dat we vooraf kunnen bedenken wat werkt voor een kind. Mijn succes met kinderen die vastlopen in het onderwijs komt niet door vakkennis, talent of ervaring maar door mijn hardnekkige geloof dat alleen echt contact met het unieke kind in zijn unieke situatie ons de uitweg kan wijzen. Klinkt mooi. Waarom doen we dat dan vaak niet?
Echt contact met een kind veronderstelt een gezonde pedagogische relatie. Zo’n relatie is geen controlerelatie, geen machtsrelatie of ‘professionele’ relatie. Zo’n relatie is een avontuur en avonturen zijn eng. Je weet niet waar het heen gaat. Je weet niet hoe het kind zich zal ontwikkelen en al helemaal niet wanneer het welke stap in zijn ontwikkeling besluit te zetten. Avontuur klinkt ook mooi. Maar durven we echt te aanvaarden dat het kind, de ander, van zichzelf is en zijn eigen pad zal kiezen, hoeveel wij ook weten over pedagogiek en hoeveel goeds we het kind ook toewensen?
De oplossing voor thuiszitters ken ik niet, maar ik weet wel dat de uitweg begint bij de aanvaarding dat wij met alle betrokkenen in het systeem rond het kind een avontuur aangaan en dat controle, planning en beheersing ons misschien helpen maar het kind niet.
tekst: Martin Schravesande
Martin Schravesande had zes jaar lang een gespecialiseerde thuiszittersklas en zet zich nu met www.opengeestig.nl op allerlei manieren in voor pubers die vastlopen in het onderwijs. Hij schreef De thuiszittersklas. Op zoek naar de wil om te leren en De onderhuidse leraar. Twintig lessen van pubers.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Over de fysieke voorbereiding op het ouderschap is veel informatie beschikbaar, vooral voor moeders. Maar hoe bereid je je mentaal voor als je een kind verwacht? Met die vraag in gedachten heeft Rhodé van den Berg, pedagoog en Infant Mental Health-specialist, een boek geschreven voor aanstaande ouders en professionals die met hen werken. Het begrip ‘ouders’ kun je breed interpreteren; het boek is ook geschikt voor adoptieouders, pleegouders en grootouders.
Geboorte van een ouder bestaat uit twee delen. Het eerste gaat over het proces van het worden van een ouder en het tweede over wat kinderen nodig hebben van hun ouder(s) en opvoeders om zich goed te kunnen ontwikkelen. Thema’s die aan bod komen zijn onder andere de moederschapsconstellatie, het contextuele gedachtengoed, gehechtheid, sensitiviteit, emotieregulatie en de
piramide van Maslow. Het boek bevat daarnaast veel casuïstiek, praktische tips en reflectievragen. De mooie zwart-wit foto’s maken het geheel af.
Alhoewel de theoretische onderdelen gebaseerd zijn op gedegen wetenschappelijk onderzoek, bespreekt Van den Berg de theorieën vrij oppervlakkig. Dit maakt het boek vooral geschikt voor (aanstaande) ouders die nog niet zoveel weten over de mentale aspecten van het ouderschap en het biedt waarschijnlijk minder nieuwe informatie voor (pedagogisch opgeleide) professionals. Zij kunnen het boek echter wel aanraden aan gezinnen met wie
ze werken, want het geeft absoluut een mooi overzicht van de beschikbare kennis over ouderschap en zet aan tot reflectie.
tekst: Sanne de Vet
Geboorte van een ouder. De kracht van mentale voorbereiding op het ouderschap (2023) van Rhodé van den Berg is een uitgave van Acco.
Anton Horeweg is gedragsspecialist en vijfendertig jaar werkzaam als leerkracht. Met negentien boeken op zijn naam – een groot deel gericht op onderwijs – noemt hij zichzelf met recht een onderwijsgek.
In zijn boek over executieve functies ontwikkelen in de klas valt Horeweg met de deur in huis. Het is een mythe dat executieve functies – zoals impulscontrole, aandacht en korte termijn geheugen – makkelijk te trainen zijn. Het hele boek is
doordrongen van de boodschap dat die ontwikkeling voornamelijk is te beïnvloeden door aanpassingen in de context, de tijd zijn werk te laten doen en de juiste begeleiding te bieden. Wat die juiste begeleiding is? Precies die begeleiding die een kind nodig heeft om een taak succesvol uit te voeren. Een boodschap naar het hart van de orthopedagoog!
Pedagogen kunnen het boek gebruiken om hun kennis over executieve functies op te frissen of verder te verdiepen, als leidraad voor adviezen in onderzoeksrapportages en als aanrader aan leerkrachten en intern begeleiders. Het geeft niet altijd een optimistisch, maar wel een realistisch beeld van
de mogelijkheden tot ontwikkeling van executieve functies. Met recente onderzoeksresultaten, praktijkvoorbeelden en concrete handelingsadviezen slaat het een mooie brug tussen de wetenschap en de praktijk.
Hoewel de schrijfstijl helder is, kost het wel tijd om je te verdiepen in de materie. In mijn ogen is die tijd welbesteed.
tekst: Rianne van Kesteren
Executieve functies ontwikkelen in de klas: wat jij als leerkracht kunt doen (2023) van Anton Horeweg is een uitgave van Pica
‘Vaak denken we als kinderen dat volwassenen het wel zullen snappen en de problemen zullen oplossen. Dat is helaas niet altijd waar. Daarom is er nu dit boekje.’ Levi Sies, de 13-jarige auteur, heeft een manier gevonden om zijn klimaatzorgen om te zetten in actie.
Uit onderzoek blijkt dat 70 procent van de kinderen en jongeren zich zorgen maakt om klimaatverandering. Mensen ervaren klimaatproblematiek al snel als ingewikkeld en onbeïnvloedbaar. Levi legt in heldere taal en met afbeeldingen uit hoe factoren zoals ontbossing, verkeer, eten en stikstof, bijdragen aan de
problematiek. Eerst versterkt dit het gevoel dat het gaat om complexe problemen. Ook blijkt dat sommige oplossingen simpel lijken, maar niet zo simpel zijn. Het einde is gelukkig hoopvoller, met inspirerende mensen en praktische tips.
Alhoewel dit boekje geschreven is voor kinderen en jongeren – het leest als een zeer goed werkstuk – valt er ook voor volwassenen genoeg uit te halen. Zo legt Levi uit waarom de smeltende noordpoolkappen voor sommige grootmachten positief zijn en op termijn tot oorlog zouden kunnen leiden. Soms zijn de gevolgtrekkingen wat snel, zonder specifieke bronvermelding. Maar dat past wel bij de doelgroep. Een waardevol boek om in gesprek te gaan met kinderen en ter aanvulling van de schoolbibliotheek. Levi sluit af met een mooi advies: ‘Soms denk je: Wat maakt het allemaal uit?… Onthoud dan dat elk ding dat je doet tóch verschil maakt.’ Zijn boek informeert, inspireert en activeert.
tekst: Rianne van Kesteren
Kinderen voor het klimaat: ingewikkelde problemen en hun oplossingen simpel uitgelegd (2023) van Levi Sies is een uitgave van Boekscout YO!
Als twee politiemannen een prentenboek maken, zal het wel spannend worden. En bij twee rechercheurs wordt het vast een mysterieuze zaak die om een oplossing vraagt. Sam en het niet-leuke geheim klinkt misschien als een speurneuzenboek, maar dat is het niet. Spoiler-alert: het geheim blijft geheim en toch wordt het opgelost.
Sam woont in een perfect uitziende wereld in zijn paarse huis aan het strand. Hij heeft een lieve kat en een prachtige boomhut. In het park groeien enorme pompoenen en langs de weg bloeien de bomen uitbundig. Toch is Sam verre van happy. Zijn geheim drukt zwaar op hem.
Pieter Melsen en Wouter Vaessen werken als rechercheurs bij de zedenpolitie. Ze zijn gespecialiseerd in het verhoren van jonge kinderen. Wie van de twee daarnaast ook goed kan tekenen en wie er voor de tekst heeft gezorgd, blijft net zo geheim als dat van Sam. Het boek ziet er mooi uit, prikkelt de fantasie en is niet kinderachtig.
De tekst is voor de meeste kinderen van de basisschool goed zelf te lezen, al zal het vooral de bedoeling zijn om dat samen met een vertrouwde volwassene te doen. Iemand zoals meester Tom bijvoorbeeld. Misschien brengt het de jonge lezer op een idee. Dan is het fijn om zo iemand in de buurt te hebben. Meester Tom lijkt de held van dit verhaal. Maar de echte held is Sam.
Aanbevolen, ook door Iva Bicanic van het Landelijk Centrum Seksueel Geweld.
tekst: Andries Kamminga
Sam en het niet-leuke geheim (2023) van Pieter Melsen en Wouter Vaessen is een uitgave van Vesper Publishing.
Het is donker. Ik zit op een stoel. Buiten fluiten de vogels uitbundig. Ik voel een hand onder mijn hand. Als ik m’n ogen opendoe zit ik tegenover Saskia Damen, bijzonder hoogleraar Ontwikkeling en leren van personen met een communicatief meervoudige beperking en personen met aangeboren of vroeg verworven doofblindheid aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Lees meer
Saskia Damen
Op mijn verzoek heeft ze zojuist iets tegen me gezegd in tactiele gebarentaal, gebarentaal waarbij de handen van de luisteraar licht op de handen van de gebarende spreker rusten. Eerder in het gesprek liet ze me al ervaren hoe een persoon met doofblindheid (DB) of een communicatief meervoudige beperking (CMB) concrete verwijzers, zoals ‘drinken’, wordt aangeleerd.
Haar hand begeleidt mijn hand naar een kopje, het kopje gaat omhoog en naar beneden, het kantelt. Ik voel eerst dat ik weerstand bied, maar om te begrijpen dat het niet over het kopje zelf, maar over ‘drinken’ gaat, moet ik meebewegen.
Om de gebarentaal te begrijpen zal nog veel meer nodig zijn. We spreken erover, allebei aan een kant van de tafel, want het voelt met ogen open toch wat ongemakkelijk om op minder dan een meter afstand van elkaar te zitten. Voor het communiceren met mensen met DB of CMB is die nabijheid echter vaak noodzakelijk.
Saskia Damen vertelt dat de focus op zowel mensen met DB als CMB binnen haar leerstoel een logische is. De noodzaak tot aanpassen van de communicatie aan de begrips- en zintuiglijke mogelijkheden van het kind is een belangrijke overeenkomst.
“Binnen Kentalis, waardoor de leerstoel is ingesteld, was er al veel samenwerking tussen beide doelgroepen. Met name als het gaat om aangeboren DB en CMB. Bij beide groepen zie je vanaf de geboorte ernstige problemen in de ontwikkeling van taal en communicatie. En dat staat het leren op alle domeinen in de weg.”
Er moet dus zeer specifieke ondersteuning geboden worden om tot ontwikkeling te komen.
“Je moet het kind benaderen via de zintuigen die toegankelijk zijn en bij doofblindheid is dat meestal via de tast. Exploratie van de wereld gaat vaak niet vanzelf, je moet dichtbij zijn, het kind ondersteunen en ook zelf laten ontdekken. Het opbouwen van de symbolische woordenschat gaat met inzet van ‘Ondersteunde Communicatie’, zoals plaatjes of picto’s. En bij DB vaak door het laten ‘afvoelen’ van gebaren.”
Hierbij moet je zorgen voor interessante motiverende ervaringen. “Zo houden kinderen met doofblindheid vaak van trillingen, felle lichten, windvlagen, geuren of samen bewegen. Kinderen die nog kunnen zien of horen, hebben vaak een sterke interesse voor plaatjes of liedjes. De opvoeder moet goed kijken hoe je die motiverende ervaringen kunt gebruiken om communicatie en taal uit te lokken. Zoals een leuke activiteit aanbieden en dan stoppen. Zo bied je het kind de gelegenheid te vragen om meer.”
We spreken over Anne Sullivan (1866-1936), de vrouw die bijna vijftig jaar lang de persoonlijke begeleider was van de doofblinde Helen Keller (1880-1968). “Uniek” zegt Saskia Damen over deze vorm van begeleiden, maar tegelijkertijd wenst ze de kinderen van nu ook toe dat er altijd een communicatiepartner is die hen heel goed begrijpt. Zo moeten ouders, die een continue relatie kunnen opbouwen met hun kind, een grotere rol krijgen in de stimulering van communicatie en taal.
“Elk kind is anders en je moet ter plekke goed af kunnen stemmen. Ouders moeten zich hierin competent voelen. Coaching tijdens interactiesituaties thuis en coaching waarbij je kijkt naar video’s van jezelf, zogenaamde ‘video-interactie-begeleiding’, is hierbij een heel belangrijk ingrediënt. Dankzij onderzoek weten we dat ouders, maar ook begeleiders en leerkrachten, hier ontzettend veel van leren. De interactie verbetert, net als de kwaliteit van het contact. Ze begrijpen elkaar beter en ouders en begeleiders kunnen hierdoor leren om specifieke strategieën in te zetten die verdere ontwikkeling van communicatie en taal stimuleren. Als het kwartje eenmaal gevallen is bij een kind, dat je dingen kunt benoemen in de wereld, ben je al een heel eind.”
Naast het doorontwikkelen en toetsen van video-interactie-begeleiding voor personen met CMB of DB lopen er meerdere onderzoeksprojecten. Zoals onderzoek onder vijfentwintig deelnemers (DB, jonge kinderen tot volwassenen) naar de betrouwbaarheid, validiteit en uitvoerbaarheid van de Tactiele Werkgeheugenschaal.
“Dit instrument geeft inzicht in de mate waarin iemand tactiele informatie tijdelijk kan vasthouden, terug kan halen en in kan zetten tijdens dagelijkse activiteiten en interactiemomenten. Het is belangrijk om te zien of kinderen uit zichzelf tast inzetten en hoe zij dit doen. Door de inzet van de observatieschaal in de dagelijkse praktijk, krijg je een profiel van de persoon waaraan leerstrategieën zijn gekoppeld, dat je kunt inzetten om de tactiele werkgeheugenfuncties te ondersteunen.”
“Voor veel orthopedagogen zijn DB en CMB wellicht onbekend”, zegt Saskia Damen.
“Al maakt het uit waar je je opleiding hebt gedaan. Bij de RUG zit het wel in het curriculum van de bachelor en master orthopedagogiek en je kunt hier zelfs de enige master ter wereld in deafblindness volgen. Mensen uit de hele wereld nemen hieraan deel, ieder jaar zo’n acht tot tien studenten. Groot voordeel is dat je mensen van over de hele wereld die met deze doelgroepen werken goed leert kennen.”
Saskia Damen wil graag nog wijzen op het belang van een leven lang leren.
“Kinderen met deze complexe problematiek komen vaak niet op de juiste plek. Bij doofblindheid zie je dat de neonatale gehoorscreening dove kinderen relatief snel opspoort. Maar het visuele systeem is dan nog in ontwikkeling, die screening komt pas later. Wordt een beperking in horen én zien wel opgemerkt, dan ziet men het toch vaak als twee afzonderlijke beperkingen. De Scandinavische landen zijn hierin een voorbeeld voor ons. De opsporing verloopt daar beter, meer systematisch. En ben je doofblind bevonden, dan krijg je je leven lang ondersteuning.”
“In Nederland stopt het speciaal onderwijs rond je achttiende. Terwijl de ontwikkeling bij deze doelgroep dan soms pas echt op gang komt. Zo had een leerling met aangeboren DB bij het verlaten van de school een geschat begrip van 300 gebaren en was hij net begonnen met het actief gebruiken van gebaren om zijn ervaringen te delen met anderen.”
“Het duurt zo lang voordat mensen met CMB of DB actief taal gaan gebruiken omdat het aanbod van toegankelijke taal – de taal die wordt aangeboden op een manier die goed waargenomen en verwerkt kan worden – vaak maar een fractie is van wat mensen zonder deze beperkingen aangeboden krijgen. Bewuste taalstimulering moet dus veel langer doorgaan en toegankelijke taal zou veel frequenter moeten worden aangeboden. We zouden als samenleving ook voor personen met CMB en DB moeten zorgen voor een leven lang leren.”
Bij communicatief meervoudige beperkingen (CMB) zijn er als gevolg van meervoudige beperkingen – zoals een auditieve en verstandelijke beperking – ernstige problemen met het waarnemen, verwerken, begrijpen of uiten van taal. Bij doofblindheid (DB) zijn deze problemen er ook, maar doofblindheid wordt gezien als een unieke beperking doordat de problemen in horen en zien elkaars compensaties in de weg staan en zij vooral aangewezen zijn op de tast. Doofblindheid heeft niet alleen impact op communicatie, maar ook op de informatieverwerking, oriëntatie en mobiliteit. Bij zowel CMB als aangeboren doofblindheid is het leren van communicatie en taal heel lastig. Bij personen die op latere leeftijd doofblind worden is dat in meestal niet zo, want zij hebben dan al een taal geleerd, maar zij moeten hulpmiddelen krijgen om communicatie en taal toegankelijk te maken.
tekst: Bart van Gent
beeld: Jenne Hoekstra
Saskia Damen: “Ook met doofblindheid kun je je ontwikkelen” Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen | Rijksuniversiteit Groningen (rug.nl)
Gezinshuizen zijn in opkomst maar nog niet bij iedereen bekend. Wat zijn de verschillen met pleegzorg en residentiële opvang? Welke kinderen wonen er? Het boek ‘Hoop een thuis geven’ wil de positie van gezinshuizen en de complexe taken van gezinshuisouders verduidelijken. Pedagoog Marianne Welmers schreef eraan mee.
Lees meer
Marianne Welmers
Sinds de Jeugdwet van 2015, en in lijn met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, worden uit huis geplaatste kinderen bij voorkeur opgevangen in een gezinsomgeving en niet in een instelling. Kindertehuizen verdwijnen, terwijl het aantal gezinshuizen de laatste jaren is verdubbeld naar bijna duizend in 20201.
Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp, waarbij gezinshuisouders 24/7 opvoeding en zorg bieden aan zo’n vier tot zes bij hen in huis geplaatste kinderen. Sommige gezinshuisouders zijn in loondienst bij een zorgaanbieder, andere zijn zelfstandig ondernemer. Om de kwaliteit en veiligheid te bewaken, zijn er kwaliteitscriteria opgesteld2. Gezinshuisouders verbinden zich hieraan en staan onder toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
In Hoop een thuis geven (2024)3 staat het dagelijkse en professionele leven in gezinshuizen centraal. Het boek is gebaseerd op meerdere onderzoeken en interviews met gezinshuisouders en jongeren in gezinshuizen. Ik spreek met een van de auteurs, orthopedagoog Marianne Welmers, onderzoeker bij de Hogeschool Windesheim in Zwolle. Zij promoveerde in 2021 bij de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar werkrelaties binnen ambulante gezinsbehandeling.
Het aantal gezinshuizen is flink gegroeid. Tegelijkertijd is er nog veel onduidelijkheid en onwetendheid over gezinshuizen, lees ik in het boek. Hoe zit dat?
“Gezinshuisouders worden vaak verward met pleegouders”, zegt Marianne Welmers. “Ze merken dat zij niet gezien worden als professional maar als pleegouder. Ook omdat het op het eerste oog om een gewone gezinssituatie gaat. Er is wel een duidelijk onderscheid: pleegouder ben je op vrijwillige basis, vaak naast een gewone baan. Gezinshuisouder is een beroep, je bent professioneel opvoeder. De meeste gezinshuisouders hebben een zorggerelateerde mbo- of hbo-opleiding en zijn geregistreerd bij het SKJ4. Voor gezinshuisouders is het hun baan en inkomen. Gezinshuiszorg is een gefinancierde vorm van zorg. Pleegouders krijgen een tegemoetkoming in de kosten, geen salaris.”
Gezinshuizen zijn voldoende bekend bij pedagogen die werken in de jeugdhulp en jeugdbescherming, neemt ze aan. Misschien is dat minder het geval bij pedagogen die in het onderwijs werken. “Wat ik hoor van gezinshuisouders is dat er bij scholen veel onbekendheid is over gezinshuizen.”
Voor de gehechtheid van kinderen zijn continuïteit en stabiliteit van fundamenteel belang. Het grootste verschil tussen een gezinshuis en residentiële opvang is de stabiliteit van de opvoeders.
“Bij een residentiële groep is er een team van opvoeders, die bij het wisselen van de dienst het stokje overdragen aan collega’s. In een gezinshuis is de gezinshuisouder de permanente factor. De gezinshuisouder is er in principe altijd, ook in het weekend, die draait geen diensten. Gezinshuisouders werken wel altijd samen met een team van professionals, met daarin minimaal een gedragswetenschapper die betrokken is bij de behandeling en begeleiding van de kinderen.”
Kinderen in gezinshuizen hebben vaak complexe problematiek. Waar gaat het om?
De problemen zijn heel divers, geeft Marianne Welmers aan.
Wat je meestal ziet is forse gedragsproblematiek. Veel kinderen in gezinshuizen hebben meerdere overplaatsingen meegemaakt en op verschillende plekken gewoond, in pleeggezinnen of een groep. Trauma en hechtingsproblemen komen dan ook vaak voor.”
Soms willen pleegouders opgeschaald worden naar gezinshuiszorg als de gedragsproblemen van hun pleegkind erg zwaar zijn en er meer nodig is. “Een van de pleegouders kan dan stoppen met zijn baan, zich waar nodig omscholen en zich volledig richten op het gezinshuisouderschap. Het is een mooie route omdat het kind op dezelfde plek kan blijven. Er zit wel een kwetsbare kant aan als zo’n besluit te snel genomen wordt. Het vraagt nogal wat om een gezinshuis te starten en gezinshuisouder te zijn.”
Dat brengt ons bij de taken van de gezinshuisouder. Ik las over de gezinshuisouder als een professional die altijd ‘aan’ staat. Wat komt er op ze af?
“Iedere ouder weet dat er heel wat komt kijken bij het ‘runnen’ van een gezin”, zegt Marianne Welmers. “Bij gezinshuiskinderen komt daar veel extra organisatie bovenop. Zoals het regelen van indicaties, therapie, bezoekregelingen, vervoer. Daarnaast heb je als professioneel opvoeder een rol in het begeleidingsplan. Je moet een leefklimaat vormgeven waarin kinderen met forse problematiek zich kunnen ontwikkelen. Reflecteren op je eigen rol als professional hoort daar ook bij. Gezinshuisouders doen dat allemaal tegelijk en
24/7.”
Als je ergens werkt, komt er een moment dat de deur dicht gaat en de vrije tijd begint. “Zo werkt het dus niet bij gezinshuisouders. Je bent ook professional als je ’s morgens vroeg op pantoffels door het huis loopt en aan koffie toe bent, terwijl er ondertussen al van alles gebeurt. Of als er ’s nachts een kind met een nachtmerrie naast je bed staat. Dan ben je aan het werk. Het gaat altijd door, je staat inderdaad altijd ‘aan’.”
Gezinshuisouders hebben ook als taak om meer dan gewone ouders na te denken over het opvoeden.
“In een gezin neem je misschien de telefoon van je kind ’s avonds in, of je stuurt je kind even naar zijn kamer om rustig te worden. Dat mag je als gezinshuisouder niet zomaar doen bij gezinshuiskinderen, zeker niet met de nieuwe Wet zorg en dwang. Binnen de jeugdzorg valt dat onder vrijheidsbeperkende maatregelen. Je moet dat soort dingen verantwoorden en vastleggen, samen met de gedragswetenschapper. En er moet toezicht op zijn.”
Afwegingen maken en reflecteren horen bij het gezinshuisouderschap, stelt ze. “Misschien neem je je eigen kind bij je in bed als hij nachtmerries heeft. Als het niet je eigen kind is, moet je daar een bewustere afweging in maken. Misschien trek je één lijn, maar je moet er wel over nadenken en het verantwoorden. Dat is logisch, want je werkt met kinderen die veel hebben meegemaakt, soms misbruik of mishandeling. Gezinshuisouders maken die afwegingen niet alleen: een stevig team om hen heen dat zowel steun als spiegel kan zijn, is onmisbaar.”
Gezinshuizen vormen een belangrijke schakel in de afbouw van residentiële zorg. Ze bieden een opvoedingssituatie die zoveel mogelijk lijkt op een gewoon gezin. Hoe profiteren kinderen daarvan?
“Gezinshuisouders proberen een stabiele factor te zijn, een veilige thuishaven. Als er een goede hechtingsrelatie ontstaat tussen gezinshuisouder en kind, komt er ruimte voor een gezonde ontwikkeling bij het kind. Die relatie is een wezenlijk onderdeel van ‘zo thuis als mogelijk’ opgroeien. Daarbij hoort bewust pedagogisch handelen, waarbij de gezinshuisouder de ontwikkeling van het kind op het oog heeft.”
Marianne Welmers geeft een voorbeeld waarover ze onlangs hoorde.
“Het ging om gezinshuisouders die meerdere kinderen uit hetzelfde gezin opvangen, allemaal sterk verwaarloosd. De oudere kinderen lieten sterk geparentificeerd gedrag zien. Dat wil zeggen: ze namen de zorg voor de jongere kinderen over en stelden voortdurend vragen over wat er moest gebeuren. Of er wel brood was gesmeerd, de brief van de juf gelezen, aan de verjaardag van het broertje of zusje gedacht en welk cadeautje er zou zijn. De gezinshuisouders zijn bewust bezig om deze kinderen te leren dat ze weer kind mogen zijn. Dat zij als gezinshuisouders voor dat soort dingen zorgen.
Tegelijkertijd is het balanceren, want als je het in één keer overneemt, verliest het kind een soort van houvast. Terwijl je bij je eigen kind misschien meteen zou zeggen ‘dat regelen wij’, doe je dat bij deze kinderen meer stapsgewijs. Je helpt ze om het steeds een beetje los te laten. Het is een kwestie van vertrouwen dat groeit.”
Tegenwoordig ligt er veel nadruk op samenwerking met de ouders van het kind. En een plaatsing heeft meer kans van slagen als de ouders erachter staan.
“Maar samenwerking tussen gezinshuisouders en ouders is best ingewikkeld en goede begeleiding in het vormgeven van ‘gedeeld opvoederschap’ is niet standaard geregeld”, zegt Marianne Welmers.
“Wie is oog en oor voor zowel ouders als gezinshuisouders en kan hen op blinde vlekken wijzen? Dat is echt nog een zoektocht. Er zijn zorgaanbieders die ermee experimenteren en een samenwerkingsbegeleider aanstellen.”
Wat er echt toe doet is relationeel handelen, stelt ze. “Het gaat niet alleen om het faciliteren van een bezoekregeling. Relationeel handelen is fundamenteler: welke plek ouders hebben in het gezinshuis, hoe gezinshuisouders over hen praten en hoe ze het kind helpen voor en na een bezoek. Die onderstroom is belangrijk, want die voelen kinderen aan.”
tekst: Femmie Juffer
Boek cadeau
Van uitgeverij SWP mogen we drie exemplaren van Hoop een thuis geven weggeven. Belangstelling? Stuur voor 5 juli een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
1 Yamuna Ditters, Joanne Kraaijeveld, & Harmke Bergenhenegouwen (2021). Gezinshuizen. Cijfers in context, 2020. Nederlands Jeugdinstituut. www.nji.nl/cijfers/gezinshuizen
2 Hogeschool Leiden & Nederlands Jeugdinstituut (2019). Kwaliteitscriteria
Gezinshuizen.
www.nji.nl/system/files/2021-04/Kwaliteitscriteria-Gezinshuizen.pdf
3 Dorien Graas, Geke Klapwijk & Marianne Welmers van de Poll (Red.) (2024).
Hoop een thuis geven. Het dagelijkse en professionele leven in en rond
gezinshuizen. Uitgeverij SWP.
4 Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) is het beroepsregister voor jeugdprofessionals,
opgericht door het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de
Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) en de
Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW).
www.skjeugd.nl
Niet alle bedden van de woonzorglocatie waar je werkt als gedragswetenschapper zijn momenteel bezet. Er zijn diverse cliënten aangemeld, maar zij voldoen niet aan het profiel. De manager besluit een cliënt toch te plaatsen. Je voorziet risico’s voor de cliënt zelf en voor de andere bewoners. Kan de manager dit zomaar besluiten?
Lees meer
Natuurlijk is een onbezet bed financieel ongunstig, maar de bezetting moet wel kloppen met het profiel van een locatie. Anders kan dat risico’s veroorzaken, die groter worden naar mate een cliënt op belangrijke punten afwijkt van dat profiel. Bijvoorbeeld bij contra-indicaties.
Het risico is dat de cliënt zelf geen passende zorg krijgt, omdat de locatie niet is ingericht op diens specifieke behoeften of de professionals niet bekwaam zijn in diens specifieke problematiek. Dit kan leiden tot incidenten en mogelijk de veiligheid en het welzijn van andere cliënten in gevaar brengen. Bijvoorbeeld wanneer de cliënt zich onbegrepen voelt en daarom verbaal of fysiek agressief wordt. Dit legt onnodig grote druk op professionals. De organisatie creëert het risico op incidenten en op klachten van cliënten of wettelijk vertegenwoordigers.
In artikel 14, lid 2 van de NVO-beroepscode over Professionele en maatschappelijke verantwoordelijkheid staat: Een pedagoog ‘die in het kader van zijn professioneel handelen weet heeft van een handelwijze of een situatie die bedreigend of schadelijk kan zijn voor een cliënt, of voor een lid van het cliëntsysteem, doet datgene wat ter afwending van deze bedreiging wenselijk is en wat past bij de omstandigheden en zijn professionele verantwoordelijkheid, ongeacht of de pedagoog zelf rechtstreeks met deze cliënt of het lid van het cliëntsysteem bemoeienis heeft.’
Afhankelijk van de ernst van de situatie en de mogelijke risico’s neem je passende actie, zoals in gesprek gaan met de manager. Zorg dat je goed voorbereid bent en de mogelijke risico’s van de plaatsing in kaart hebt gebracht. Toets bij een collega of je redenatie afdoende is en of je niets vergeten bent. Realiseer je dat niet iedere afwijking van een profiel leidt tot incidenten. Sommige niet volledig passende cliënten, kunnen met extra maatregelen prima geplaatst worden. Het ligt ook aan de samenstelling van de groep bewoners en betrokken professionals of dit haalbaar is.
Heb je alles goed in kaart? Ga dan in gesprek met de manager. Niet alleen over de risico’s en mogelijke oplossingen, maar ook over ieders verantwoordelijkheid. Een manager die niet ook een zorgachtergrond heeft en tuchtrechtelijk kan worden aangesproken, kan namelijk geen zorginhoudelijke beslissing nemen. Dus bijvoorbeeld ook geen contra-indicatie naast zich neerleggen.
Uiteindelijk ben je samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg. De organisatie moet goede en verantwoorde zorg bieden en de professional faciliteren in het naleven van de beroepscode1. Kom je er niet uit met de manager, zoek het dan, afhankelijk van de ernst van de situatie, hogerop. Speelt dit probleem op meerdere woonlocaties? Zorg dan dat je samen met je collega gedragswetenschappers optrekt. Samen sta je sterker.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Meer weten?
Artikel ‘Het dilemma van de orthopedagoog’ (Bron: Tijdschrift voor Orthopedagogiek, Uitgeverij Instondo
1 Artikel 3.1 WMO 2015, artikel 4.1.1 Jeugdwet, artikel 2 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
De 28-jarige orthopedagoog en NVO-storyteller Kevin Janssen is een young professional. Maar wanneer ik met hem in gesprek ben, lijkt het alsof hij al tientallen jaren werkervaring heeft binnen het pedagogisch werkveld. Een young professional die bruist van de energie.
Lees meer
Kevin Janssen
In 6-vwo wist Kevin nog niet zo goed wat hij wilde gaan doen. “Ik werkte op dat moment in de horeca en dat paste goed bij me. Voor en met mensen werken. Ook had ik een voorkeur voor media en schrijven. Sommige mensen zeiden echter tegen mij dat ik een goede hulpverlener ben. Dat ik goed kan luisteren, praten en mensen wil helpen. Omdat het een lastige keuze was, wilde ik een tussenjaar nemen, totdat een vriendin van mij hbo pedagogiek ging studeren en dat leek mij ook wel wat. Het is een mooie brede opleiding. Ik koos op dat moment bewust voor een hbo-opleiding, wilde vooral praktijkervaring opdoen. Door deze opleiding en de verschillende stages heb ik het pedagogisch werkveld goed leren kennen.”
Na het hbo maakte Kevin de keuze voor orthopedagogiek in Groningen. Als Limburger begon hij toen zijn leven op te bouwen in het noorden, samen met zijn vriend die daar vandaan komt. Naast zijn studie werkte hij ook onder andere als leerplichtambtenaar en ambulant begeleider.
“Na het behalen van mijn master ben ik terecht gekomen in de ggz waar ik verschillende rollen heb – behandelaar, praktijkondersteuner huisarts en onderdeel van de crisisdienst. Daarnaast geef ik les op het hbo, ben ik zzp’er en schrijf ik veel. Twee jaar geleden ging ik daarbij ook nog werken als behandelcoördinator in de jeugdzorg. Ik doe heel veel leuke en gevarieerde dingen.”
Wat enthousiasmeert Kevin het meest?
“Ik werk altijd vanuit de relatie met een cliënt. Inmiddels heb ik losgelaten dat mensen mij leuk moeten vinden. Het belangrijkste is dat de cliënt vooruitgaat. Ook als dat moeizaam gaat. In de kleine stapjes voorwaarts zit mijn motivatie. Ik sta daar regelmatig even bij stil. Het is aan mij om het beste uit een cliënt te halen. Dat geeft zo ontzettend veel energie en voldoening.”
“Ook is het erg leuk om nieuwe professionals te enthousiasmeren voor het werk. Hen meegeven dat je van betekenis kan zijn en hoe je dat doet. De veelzijdige facetten van het mooie pedagogische werkveld, daar kun je niet genoeg over vertellen… en eigenlijk kun je dat alleen maar ervaren.”
Sinds september vorig jaar is Kevin aangesloten bij de NVO-storytellers en is hij ANP-expert. Hij wil graag de stem van een orthopedagoog laten horen. Dat betekent dat hij opinieartikelen schrijft over het pedagogische werkveld en opstuurt aan de landelijke media. Hij heeft inmiddels enkele artikelen geschreven en is een paar keer geïnterviewd door studenten journalistiek via het ANP.
“In het begin vond ik het doodeng om mijn mening te geven. Maar binnen de groep van storytellers word je goed begeleid en weet je dat het belangrijk is om onze stem te laten horen. Ik kan het echt aanraden! Je wordt je ook veel bewuster van hoe je over iets denkt en hoe je je mening dan vormt. Als storytellers proberen we een vertaalslag te maken van de maatschappelijke discussies binnen de pedagogiek naar de praktijk en de dialoog aan te jagen.”
Wanneer ik aan Kevin vraag naar zijn gemiddelde werkdag, moet hij even lachen. Met twee werkgevers, lesgeven op het hbo en een deeltijdstudie postmaster-GZ ziet iedere dag er anders uit. “Geen enkele werkdag is hetzelfde en de banen lopen wat door elkaar. Voor velen is dat niet te doen, maar mij houdt het scherp. Gemiddeld werk ik zestien uur als behandelaar in de ggz en de andere dagen als behandelcoördinator in de jeugdzorg. De komende twee jaar combineer ik dit met een postmaster.”
“Binnen de ggz begin ik vaak met een vergadering met collega’s waarin we samen sparren over casuïstiek. Dan volgen individuele behandelingen aan kinderen, jongeren of volwassenen met uiteenlopende problematiek. Ik werk nauw samen met collega’s uit andere disciplines. Het werk binnen de jeugdzorg is weer heel anders. Daar zet ik vooral de lijn uit en ondersteun ik de mbo- en hbo- jeugdzorgwerkers in het uitvoeren daarvan. Ook heb ik veel overleg over beleidszaken en inhoudelijke kwesties over de casuïstiek met ketenpartners, zoals gemeenten of collega-instellingen. De dag is altijd vol en divers. Er komt veel tussendoor waardoor ik op meerdere borden tegelijk probeer te schaken. Ik moet continu aan staan en de helicopterview behouden. Je leert er in een sneltreinvaart van. Het past mij goed.”
“Mensen kennen mij snel doordat ik overal ben en altijd aanwezig. Ook in de drukke zin van het woord. Ik ben bereikbaar en beschikbaar. Iedereen kan mij altijd iets vragen. Ik ben een duidelijk en daadkrachtig iemand. Ben van het doen, aan de slag gaan en zien wat het brengt. Daarnaast ben ik ook sociaal en heb ik oog voor mijn collega’s. Bij beide werkgevers ben ik lid van de personeelsvereniging en zorg ik voor humor en ontspanning. Men vindt mij een aanjager en een verbinder, in de breedste zin van het woord. Mensen weten wat ze aan me hebben.”
Over een paar jaar is Kevin geen young professional meer, wat is hij dan?
“Ik hoop dan de gz-opleiding te hebben afgerond en nog steeds met veel enthousiasme te werken daar waar ik van betekenis kan zijn. Maar misschien neem ik ooit ook wel een andere afslag. Het zou me ook passen iets radicaal anders te gaan doen. Zelfs dan houd ik van dit werk en blijf ik hoe dan ook een link houden met jongeren en mensen die hulp nodig hebben.”
tekst: Marijke Buisman
“Blijf kilometers maken en laat je niet afschrikken door de zwaarte van het werk. Durf vragen te stellen en je kwetsbaar op te stellen. Ga kijken en ontdekken wat bij je past binnen verschillende contexten. Maak gebruik van die tijd waarin je nog mag leren. Met enthousiasme en passie kom je heel ver en wanneer werken niet als werken voelt, kun je alles! Word lid van de NVO en blijf je ontwikkelen. Promoot pedagogiek. Bouw een netwerk op, daar leer je van. Je kunt zo ontzettend veel binnen dit mooie vak.”
Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.
Lees meer
In mijn vorige column kondigde ik aan dat ik graag stil wil staan bij de cultuur van de NVO. Dit naar aanleiding van de master bestuurskunde, waarvan ik hopelijk deze zomer mijn diploma krijg uitgereikt.
De NVO is – net als alle andere verenigingen – een organisatie die haar bestaansrecht dankt aan haar leden. Al eerder heb ik voor een vereniging gewerkt, namelijk voor de vakbond FNV. Het verschil kan haast niet groter zijn. De cultuur van de FNV gaat vooral over acties en met een gestrekt been ergens instappen. De NVO houdt zich rustig, bijt zich bijna geruisloos vast in hele complexe dossiers en toont zich bescheiden. Hoewel ik het niet aanraad om de cultuur van de FNV te volgen, past onze bescheidenheid niet meer bij 10.000 leden en onze rol in de samenleving.
Maar wat typeert de NVO? En nog belangrijker, hoe willen we gezien worden? Met onze oprichtingsakte uit 1962, keurig ingelijst op ons NVO-kantoor, kunnen we zeggen dat de NVO ertoe deed en doet. En met onze pedagogische visie hebben we goud in handen. Daarmee kunnen we een wenkend perspectief schetsen hoe de NVO kijkt naar een samenleving waarin iedereen meedoet. En een cultuur uitdragen waarbij de dominantie van het medisch denken omver wordt geworpen en onze pedagogische droom van een mooier en kansrijker land voor iedereen die hier woont werkelijkheid wordt.
Judy Hoffer
directeur NVO
foto: Miriam van der Hoek
NVO-lid Charissa van Oosten (29) werkt ruim vier jaar als orthopedagoog bij Het Kleine Helden Huis in Rotterdam. “We zijn gespecialiseerd in kinderen die prematuur of dysmatuur geboren zijn of een moeilijke medische start hebben gehad. Veel kinderen hebben een chaotisch brein, zoals wij dat noemen. Ze verwerken informatie op een chaotische manier en zijn veel prikkelgevoeliger. Ouders kunnen terecht voor diagnostiek en behandeling, voor het hele gezin. We werken ook samen met het ziekenhuis.”
Momenteel houdt Charissa zich vooral bezig met diagnostisch onderzoek naar kinderen. “We doen uitgebreid onderzoek en brengen de verschillende ontwikkelingsgebieden in kaart. Zo krijgen ouders inzicht in de sterke en minder sterke kanten van hun kind. We stellen adviezen op om een kind verder te helpen in zijn ontwikkeling, zowel thuis als op school. Een paar gezinnen behandel en begeleid ik ook.”
Ze vindt het mooi om in een multidisciplinair team samen te werken. “We hebben negen verschillende disciplines onder één dak, van kinderarts tot gespecialiseerde gezinscoach. Dat is makkelijk voor ons professionals en voor de ouders. Vaak voelen ouders zich niet begrepen door hun omgeving, die onbekend is met de gevolgen van vroeggeboorte. Het is fijn om iets te kunnen betekenen voor deze gezinnen.”
Welkom bij de nieuwste editie van de Pedagoog, het magazine voor pedagogen en onderwijskundigen. In deze uitgave bieden we weer een breed scala aan artikelen en verhalen die je informeren, inspireren en ondersteunen in jouw dagelijkse werk. Of je nu geïnteresseerd bent in de nieuwste ontwikkelingen of de praktische toepassingen van wetenschappelijk onderzoek – er is voor ieder wat wils. Blijf op de hoogte van de nieuwste inzichten, deel ervaringen met collega’s en ontdek hoe wij samen een verschil kunnen maken. Veel leesplezier!
Lees meer
Lees verder bij de promovendus
Op Koningsdag haalde ik een nieuwe huisgenoot uit het asiel, een lapjespoes van bijna acht jaar. Het advies was: niet aaien met blote handen! Volgens de asielvrijwilligers kwam het door de stress dat ze soms haar nagels naar je uitsloeg. Ze kon niet veel verdragen en mocht daarom alleen in een rustig huis wonen (haar vierde), met hooguit twee mensen. Zij gaven haar elke dag een kalmeringsmiddel en daarvan kreeg ik voor een maand mee.
Het belang van vertrouwen, en hoe je dat langzaam kan laten groeien, komt in deze Pedagoog in verschillende verhalen terug. Zo vertelt Marianne Welmers over gezinshuisouders die een stel zwaar verwaarloosde broertjes en zusjes opvangen. De oudsten zijn gewend om voor de jongsten te zorgen en maken zich zorgen of het brood wel is gesmeerd, de brief van de juf wel is gelezen, aan de verjaardag van het broertje is gedacht. “De gezinshuisouders nemen dat niet in één keer over. Dan verliest een kind een houvast. Zij helpen ze om het steeds een beetje los te laten.”
“Een basis van vertrouwen is heel belangrijk om armoede bespreekbaar te maken met gezinnen”, zegt Nicole Lucassen in het openingsinterview. Volgens de hoogleraar Kinderarmoede vinden zowel ouders als professionals het lastig om erover te beginnen. “Er is van beide kanten een drempel. Pedagogen moeten zich ook bewust zijn dat er soms wantrouwen is richting jeugdzorg en de overheid. Welke gevolgen heeft het voor mijn kinderen als ik mijn financiële stress bespreek?”
Inmiddels heeft Lapke – zo heette ze al – haar favoriete plekjes in huis, schrikt ze niet meer telkens als ik opsta, zijn de wonden op mijn handen geheeld, speelt ze met haar speelgoedmuis en geeft ze uitbundig kopjes aan de deurpost, de tafelpoot, mijn been en mijn hand als die niet beweegt. Het initiatief is aan haar. Langzaam groeit het vertrouwen, heel langzaam.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Nicole Lucassen is de eerste bijzonder hoogleraar Kinderarmoede van Nederland. Aan de Erasmus Universiteit Rotterdam doet ze onderzoek naar de effectiviteit van de geboden hulp aan kinderen en gezinnen in armoede én hoe die beter kan. Aan de Pedagoog vertelt ze over de eerste bevindingen.
Lees meer
Nicole Lucassen
“Je kunt het je bijna niet voorstellen”, zegt Nicole Lucassen, “maar er zijn echt kinderen die opgroeien in een schimmelhuis, zonder tapijt op de vloer of zonder matras om op te slapen en in de ochtend geen ontbijt. Hun verhalen raken me nog steeds het meest. Maar ook wat armoede allemaal kan veroorzaken in een gezin waar ouders geen invloed op hebben, kijk naar de toeslagenaffaire. Hierdoor zijn er duizenden Rotterdamse gezinnen in financiële problemen gekomen, met alle gevolgen van dien.”
Nicole Lucassen (De Bilt, 1979) studeerde Pedagogische Wetenschappen in Leiden en promoveerde in 2013 aan het Erasmus Medisch Centrum, op onderzoek naar de rol van vaders in de opvoeding. Tijdens haar promotie kreeg ze steeds meer interesse voor het gezin als systeem. En kwam ze, door samenwerking met familiesocioloog Renske Keizer, in aanraking met het thema intergenerationele overdracht van sociale ongelijkheid, zoals armoede.
Sinds begin 2022 is ze bijzonder hoogleraar Kinderarmoede bij de Erasmus Universiteit. Afgelopen maart hield ze haar oratie Kind in context. Ze begon met het verhaal van Anashya uit Maassluis. “Haar gezin is gedupeerde van de toeslagenaffaire en je ziet bij haar de gevolgen op alle domeinen van ontwikkeling. Cognitief, sociaal en fysiek.”
Anashya (destijds 11 jaar) vertelt in een filmpje van SIRE wat opgroeien in armoede met haar heeft gedaan. Door de schulden moet ze verhuizen. Haar cijfers kelderen op de nieuwe school van negens en tienen razendsnel omlaag. Haar ouders gaan scheiden en haar moeder wordt ziek van de stress. Anashya schaamt zich. Ze voelt zich eenzaam en buitengesloten, vertelt ze. “Iedereen is zo ontzettend normaal en dan kom ik erbij… het is moeilijk om uit te leggen, maar dan ben ik ineens super arm. Het voelt als geheim.”
Hoeveel kinderen opgroeien in armoede, hangt af van hoe je armoede definieert, zegt Nicole Lucassen.
“Organisaties die zich bezighouden met armoedebeleid gebruiken verschillende definities. De een heeft het over een laag inkomen, de ander trekt het breder. Belangrijk punt is dat duizenden gezinnen met een inkomen rond het sociaal minimum structureel, tot enkele honderden euro’s per maand, tekortkomen. Dat heeft de Commissie Sociaal Minimum afgelopen najaar aangetoond.”1
Haar eigen definitie van armoede spreekt ze uit op dicteersnelheid: “Je leeft in armoede als je onvoldoende culturele, financiële en sociale middelen en goederen hebt die minimaal noodzakelijk zijn om mee te kunnen doen in de samenleving. Kinderarmoede gaat dus behalve over gebrek aan geld, ook over toegang tot voorzieningen, tot sociale netwerken.”
Volgens haar kun je rustig stellen dat het gemiddeld – in heel Nederland – gaat om twee, drie kinderen per klas die in armoede leven. “Dat zijn heel veel kinderen. In grootstedelijke gebieden, zoals Rotterdam, zijn het soms wel één op de drie kinderen per wijk, soms hele klassen.”
De bijzondere leerstoel Kinderarmoede is ingesteld op initiatief van de gemeente Rotterdam – al jarenlang koploper in kinderarmoede – en het Nationaal Fonds Kinderhulp, dat kinderen en jongeren helpt met geld voor bijvoorbeeld een fiets, een laptop of een dagje uit. Dat doet het fonds via maatschappelijke organisaties, zoals een wijkteam of een jeugdhulpverlener.
Nicole Lucassen: “De gemeente en Kinderhulp zetten zich allebei in om kinderen die in armoede leven te ondersteunen, op allerlei manieren. Om de negatieve effecten te bestrijden, maar ook de armoede zelf. Ze vroegen zich allebei af: ‘Hoe effectief is het wat we doen? Wat kan er anders en beter?’ Naast de universiteit is ook Hogeschool Rotterdam gevraagd om dit onderzoeksprogramma op te zetten. Ik werk tot mijn geluk samen met Mariëtte Lusse, lector Kinderarmoede. Zij houdt zich al veertig jaar met dit thema bezig en kent de stad van binnen en buiten.”
In hun onderzoek volgen Lucassen en Lusse – en hun twee promovendi Dominique Troost en Amina Kefi – verschillende Rotterdamse organisaties (zoals House of Hope, Goud van Noord, Thuis in West, Gezinsaanpak en wijkteams) die zich bezighouden met een integrale aanpak van kinderarmoede, dus hulp verlenen op meerdere terreinen. Dat doen ze heel intensief.
Nicole Lucassen: “We kijken hoe die ondersteuning vorm krijgt, naar het professioneel handelen van de hulpverlener en naar de professionele structuur rondom deze gezinnen. Weten een financieel expert en een pedagogisch expert elkaar bijvoorbeeld goed te vinden? Dat brengen we in kaart voor twaalf organisaties, in vier Rotterdamse wijken. Zowel voor formele organisaties zoals de wijkteams, als voor half-formele en informele organisaties met een huiskamerfunctie, zonder wachtlijst en die van alles doen aan community building.”
Aan het onderzoek doen gezinnen mee met vragen op financieel gebied, maar ook op andere leefdomeinen zoals participatie, vertelt Nicole Lucassen.
“Het zijn gezinnen met vragen op meerdere leefgebieden, maar vier op de vijf komen binnen met financiële zorgen. We volgen elk stapje in het hulpverleningsproces een paar maanden lang heel precies. Welke vragen heeft het gezin? Hoe ziet de hulp eruit? Wat doet dat met hun niveau van stress, hun welbevinden, het vertrouwen in zichzelf, de hulpverlener en de overheid? Dat doen we op afstand. De ouders en de professionals rapporteren. Met een paar gezinnen mogen we meelopen en in gesprek. Ik volg zelf ook één van deze organisaties, om feeling te houden.”
Het onderzoek naar de hulp aan Rotterdamse gezinnen in armoede is begin 2022 gestart en moet over twee jaar zijn afgerond. Wat zijn nu, zo halverwege, de eerste bevindingen?
Nicole Lucassen: “Een interessante bevinding – en die hebben we ook al aan de organisaties, de hulpverleners en de betrokken ervaringsdeskundigen voorgelegd – is dat veel ondersteuning gezinsgericht heet, maar organisaties in de praktijk vooral met de primaire opvoeder werken. En dat is meestal de moeder. Er wordt wel naar gevraagd, maar er is nog te weinig in beeld wat de andere gezinsleden nodig hebben. We zijn gestart met elf organisaties en toen we constateerden dat de focus op kinderen lager was dan verwacht, hebben we een twaalfde geïncludeerd, Team Toekomst. Die start juist bij de hulpvraag van de kinderen en richt zich op leerlingen uit de middenbouw van de basisschool. Kinderen worden gekoppeld aan een professional en er wordt een plan op maat gemaakt, samen met de ouders en het kind zelf.”
Wat de onderzoekers ook meteen opviel, was dat professionals soms enorm veel tijd kwijt zijn aan het systeem rondom het gezin. Aan regeltjes, bureaucratie en administratie.
“Je loopt regelmatig vast in het web van allerlei verschillende regelingen en maatregelen, ieder met hun eigen kaders en grenzen en soms ook in tegenspraak met elkaar. Terwijl je eigenlijk met het gezin zelf aan de slag wilt. Rotterdam werkt al een tijdje met de PRIO-methode (Programma Integraal Ondersteunen en Activeren, red.) die kan zorgen voor een doorbraak in zulke complexe, vastgelopen casussen. We merkten dat meerdere organisaties niet wisten dat PRIO bestond en er dus geen gebruik van maakten. Maar nu wel.”
Veel hulpverlening is dus vooral gericht op de primaire ouder, minder op het kind. Hoe zorg je ervoor dat in jullie onderzoek de stem van kinderen wel wordt gehoord?
“Kinderen hebben hun eigen vragen, zorgen en behoeften. En vaak ook ideeën over wat hen kan helpen om mee te doen, zoals het lidmaatschap van een voetbalclub of steun om goed mee te komen in de klas. Hun stem is belangrijk. We hebben in april een project afgerond om hun verhalen te horen. Eerst wilden we de kinderen van de gezinnen die meedoen thuis interviewen. Maar dat vonden zowel de professionals als de ervaringsdeskundigen geen goed idee. Je loopt een gezin in, haalt je data en loopt weer weg. Het moest wederkerig zijn.”
“Toen hebben we drie kindergroepen, bij de organisaties die meewerken, een fotocursus aangeboden. Kinderen die het leuk vonden, konden leren fotograferen en kregen allerlei opdrachten. Voor ons onderzoek hebben we hen gevraagd om foto’s te maken van dingen waar ze zich goed bij voelen, wat ze lastig vinden en dingen die hen helpen. Aan de hand van die foto’s vragen we in een kort gesprekje of ze daar meer over willen vertellen.”
De onderzoekers kijken behalve naar welke hulp er letterlijk geboden wordt, ook naar het professioneel handelen. Hoe is de benadering van het gezin? De communicatie? De afstemming op het tempo van het gezin?
“Een heel belangrijke factor voor het slagen van hulpverlening is de alliantie tussen de professional en de ouder of het kind. Er moet een band zijn, gelijkwaardigheid, waarbij de hulpverlener naast de ouder staat, die de ruimte geeft, meedenkt wat er het beste kan gebeuren en in welke volgorde. In het algemeen wordt er in de zorg nog veel vanuit het aanbod gedacht, maar dat is niet per se afgestemd op waar een gezin om vraagt.”
“Een hulpverlener schetste het zo: ‘Sommige gezinnen melden zich pas als de nood het hoogst is. Dan krijg ik op vrijdagmiddag de boodschap: ‘Mijn koelkast is leeg en ik heb dit weekend niks meer te eten.’ Dan kun je niet vragen ‘wat heb je allemaal nodig en zullen we het samen doen?’ Dan moet je eerst zorgen dat die koelkast zo snel mogelijk weer vol is en dat iedereen oké is. Dat doe je ook bij een dreigende uithuiszetting. Dan moet je eerst doorpakken en daarna pas verder kijken.’”
Armoede is zo’n grootschalig probleem, vooral in de grote steden, dus grote kans dat pedagogen gezinnen en kinderen tegenkomen die met armoede te maken hebben. Heeft ze nog tips?
“Houd rekening met de financiële stress bij gezinnen en wat dat met hen doet. Wees je bewust dat er zoveel processen omgaan binnen dat gezin, bij ouders en kinderen, dat je hulp niet altijd hetzelfde effect heeft als zonder die stress. Soms lukt het niet om de geldzorgen bij een gezin op te lossen en blijft die stress voortduren. Weet dan dat ouders minder ruimte hebben in hun hoofd om na te denken, te plannen en soms bijvoorbeeld te laat komen op afspraken. Dat is geen onwil.”
“Toon respect en begrip voor de situatie van gezinnen”, tipt Lucassen verder. “En neem geen veroordelende houding aan. Je weet niet wat er gebeurd is en waar die armoede vandaan komt. Toch zie je dat vaak gebeuren: ‘Ja, maar ze hebben wel een hond in huis en ze roken!’ Een kind kan er per definitie nooit iets aan doen dat het armoede leeft. Maar veel kinderen hebben wel last van schaamte en schuldgevoel. ‘Ik had niet moeten vragen om dat cadeautje voor mijn vriendje te kopen.’”
“Bied kinderen de mogelijkheid erover te praten, als ze dat willen, en druk hen op het hart dat zij er geen aandeel in hebben. Kijk waar zij behoefte aan hebben en wat jij daarin kunt betekenen, ook buiten je rol. Wil je graag naar een verjaardagsfeestje, maar heb je geen geld voor een cadeautje? Wil je graag lid worden van een voetbalclub? Dan gaan we dat aanpakken. Er zijn fondsen waar je dan terecht kunt, en die kunnen we samen voor je vinden.”
Waar moeten pedagogen nog meer op letten?
“Weet dat je als pedagoog die armoede niet kunt oplossen, je bent geen financieel expert. Je kunt wel zorgen voor een warme overdracht naar zo’n expert. Als je een warme band hebt, zeg je niet: ‘Daar ergens om de hoek zit een loket voor financiën’. De samenwerking tussen die twee soorten experts zou overigens ook wel beter kunnen.”
Er is verder sprake van handelingsverlegenheid bij pedagogen, volgens Nicole Lucassen.
“Professionals vinden het soms lastig om armoede te signaleren en daarna bespreekbaar te maken. Dat is ook ingewikkeld. Maar je kunt het onderdeel maken van alle zaken die je toch al bespreekt met een gezin. Niet rechtstreeks: ‘Leef jij in armoede?’ Maar vanuit interesse: ‘Goh, we leven in een tijd dat veel gezinnen het financieel lastig hebben. Speelt dat bij u thuis ook?’”
“We horen van ouders dat zij het vaak moeilijk vinden om er zelf over te beginnen. Maar als het hen op de man af, op een constructieve manier, wordt gevraagd, breekt het gesprek open en vinden ze het makkelijker om over te praten. Dus er is van beide kanten een drempel. Pedagogen moeten zich ook bewust zijn dat er soms wantrouwen is richting jeugdzorg en de overheid. Welke gevolgen heeft het voor mijn kinderen als ik mijn financiële stress bespreek? Een basis van vertrouwen is dus heel belangrijk.”
tekst: Annemiek Haalboom
beeld: Michelle Muus
1 www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/een-zeker-bestaan-rapport-i-commissie-sociaal-minimum
De oratie Kind in context van Nicole Lucassen kijk je hier terug
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Lees meer
“Hoe was het op school?” In het drukke leven vandaag de dag komen ouders vaak niet verder dan deze ene vraag. En de enige vraag die kinderen bij het avondeten stellen, is veelal of ze al van tafel mogen. Wat zou er gebeuren als ouder én kind de tijd nemen voor een wat intiemer gesprek?
Psycholoog en pedagoog Eddie Brummelman ging na of ouder en kind dichter bij elkaar te brengen zijn door ze persoonlijke informatie over zichzelf te laten onthullen. Ruim tweehonderd kinderen, van acht tot en met dertien jaar, en hun ouders konden tijdens een bezoek aan het grootste sciencemuseum van Nederland even onderuitzakken in comfortabele fauteuils. Ze kregen een lijstje met persoonlijke vragen – ‘Als je één wens mocht doen, wat zou die dan zijn?’ – of eentje met evenveel oppervlakkige vragen – ‘Als je een nieuwe ijssmaak zou kunnen uitvinden, welke smaak zou dat dan zijn?’.
‘Nieuwsgierig zijn naar elkaar’ bleek een boost te geven aan de ouder-kind relatie. Oprechte interesse in elkaar maakte warme gevoelens los. Kinderen die gevoelens en kwetsbaarheden hadden gedeeld met hun ouders, voelden zich meer geliefd en gewaardeerd. In ieder geval voor even. In hoeverre zelfonthulling en wederkerigheid ook op langere termijn de ‘lijm’ vormen voor onderlinge verbondenheid in de ouder-kind relatie moet nog onderzocht worden.
Brummelman, E., Bos, P. A., de Boer, E., Nevicka, B., & Sedikides, C. (2024). Reciprocal self-disclosure makes children feel more loved by their parents in the moment: A proof-of-concept experiment. Developmental Science, e13516. doi:10.1111/desc.13516
Na de kindertijd kun je ineens geconfronteerd worden met een chagrijnige puber. Als ouder wil je alles weten, maar ook onschuldige vragen als “Ben je verliefd?” of “Heb je ludduvuddu”, kunnen de sfeer in huis nog verder verzieken. Het idee dat stemming en verliefdheid met elkaar te maken hebben, is echter niet zo gek.
Larissa Wieczorek van de universiteit van Hamburg onderzocht of adolescenten met en zonder romantische partner verschilden in hun dagelijkse gevoelsleven. Ruim een week lang stuurde zij ruim vierhonderd jongeren tussen de 14 en 22 jaar, via hun smartphone, meerdere keren per dag, vragen over hun stemming.
Uiteindelijk beschikte zij over een gegevensbestand met wel 35 stemmingsmetingen per individu. Sommige jongeren laten net zo’n grillig verloop zien als de koers van de bitcoin, bij anderen zie je veel minder schommelingen.
Deze verschillen blijken – zij het niet heel overtuigend – samen te hangen met het wel of niet hebben van verkering. Jongens en meisjes in een romantische relatie zijn net wat emotioneel instabieler, maar hun stemming is gemiddeld gezien niet positiever of negatiever.
Pubers met een vriendje of vriendinnetje zijn dus niet zo snel uit het lood geslagen of weten goed om te gaan met turbulente liefdesperikelen. Ook goed nieuws voor bezorgde ouders die willen weten of de eerste stappen op het liefdespad niet gepaard gaan met heftige mood swings.
Wieczorek, L. L., Utesch, K., Grund, S., & Wagner, J. (2023). Moody and in love? The role of neuroticism and romantic relationships for momentary affect
in adolescence. European Journal of Personality, 08902070231215375.
doi.org/10.1177/08902070231215375
Veel onderzoek vindt zijn weg naar wetenschappelijke tijdschriften. Het zou zonde zijn om alleen artikelen een podium te geven en rapporten links te laten liggen. Dat geldt zeker voor het verslag van verschillende onderzoekers van het Wageningen Food & Biobased Research over de impact van het zelf verbouwen van groente en fruit.
Kinderen leren het beste door te doen en komen tijdens het omspitten van aarde, het planten van zaadjes en het oogsten heel veel te weten over de levenscyclus van planten. Naast het moestuinieren kunnen kinderen voor hen nog onbekende groente- en fruitsoorten ruiken, voelen, en proeven. Door
deze herhaaldelijke blootstelling aan gezond eten zit moestuinieren volgens de onderzoekers op het snijvlak van natuur- en gezondheidseducatie.
Deze gunstige effecten kunnen leerkrachten gemakkelijk overtuigen. Ook kunnen zij de informatie over welke elementen bijdragen aan de effectiviteit (de tuin zelf, de activiteiten en de begeleiding) gebruiken bij het vormgeven van hun lessen. Een tip is bijvoorbeeld te kiezen voor gewassen die niet al te kwetsbaar zijn of voortdurende aandacht nodig hebben. Handig zo’n rapport waarin je ideeën voor goede moestuinier-lessen kunt vinden!
Het rapport Schoolmoestuinen als erkende interventie in de interventiedatabase Centrum Gezond Leven is gratis te downloaden op doi.org/10.18174/644073 of www.opwur.nl/wfbr (onder WFBR publicaties).
June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Véronique Wils
We zijn gestart met het thema Professionaliteit. Zes maanden lang nemen we onze houding en profilering als orthopedagoog-generalist onder de loep. Er is ook aandacht voor de wet en regelgeving waar wij mee te maken hebben, zoals de wet BIG, de beroepscode en het tuchtrecht. In een groepje hebben we enkele opdrachten besproken. Zo hebben we een vragenlijst over onze eigen interactiestijl ingevuld, gebaseerd op de Roos van Leary. Dezelfde vragenlijst als een jaar geleden.
Ik ging ervanuit dat er geen grote verschillen zouden zijn tussen toen en nu. Ik was niets drastisch anders gaan doen. Maar er was wel degelijk een verschil. Waar ik een jaar geleden duidelijke voorkeursstijlen en uitschieters had, hanteer ik nu meer verschillende interactiestijlen. Zo neem ik vaker en steviger positie in wanneer dat nodig is, wat in het begin best onwennig voelde. Dit is ook regelmatig teruggekomen in de supervisie. Centraal stond hoe ik dicht bij mijzelf kan blijven. Eerst voelden bepaalde interactiestijlen heel ongemakkelijk. Ik ben niet iemand die de confrontatie aangaat of heel direct is. Nu kom ik tot het inzicht dat dit ook niet nodig is. Ik kan op mijn eigen manier wel positie innemen. Het helpt om duidelijk te hebben vanuit welke visie ik werk en waarom ik bepaalde dingen belangrijk vind. Het is een opluchting dat ik steeds vaker dicht bij mijzelf kan blijven. Dat gun ik iedereen en probeer ik ook uit te dragen naar mijn cliënten en collega’s. Het is fijn dat ik ook ‘gewoon June’ kan zijn in mijn werk.
Vorig jaar volgden we de module Interventies. Tijdens de terugkomdag stonden we stil bij de visie die we voor onszelf hebben ontwikkeld. Iedereen was gevraagd om een voorwerp mee te nemen dat jouw visie vertegenwoordigt. Zo verschenen er matroesjka poppetjes, gekleurde klei, pannenkoekenmix en mijn voorwerp: een stuk bladmuziek.
De kern was veelal hetzelfde. Als orthopedagoog-generalist werken we vanuit samenwerking en verbinding met anderen. Net zoals we in mijn orkest doen. We hebben alle partijen nodig om tot een gezamenlijk doel te komen. En we zijn flexibel in hoe we daar komen. Soms moeten we wat vertragen of aanpassen in de werkwijze.
Het einde van de opleiding komt langzaam in zicht. Gestaag vink ik de opdrachten af. Aan het begin werd ik al gewaarschuwd door collega’s dat de tijd voorbij zou vliegen. Ze hadden gelijk. Ik gebruik de tijd die ik nog heb om verder te groeien in de rol van orthopedagoog-generalist en nog meer kennis en vaardigheden op te doen. Tegelijkertijd tel ik stiekem af naar de afronding van de opleiding en… de terugkeer van mijn vrije weekenden.
tekst: June Bragg
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:
Had je verwacht dat je vandaag bokshandschoenen aan zou hebben?’ Ik sta tegenover Amira Yehya. Samen met Erik Jumelet-Boom geeft ze een studiedag TRAP kickbokstherapie, een traumasensitieve bokstherapie die ze samen ontwikkeld hebben. Terwijl ik links en rechts afwissel en het al flink in m’n armen en ademhaling voel, observeert ze me terwijl ze de klappen opvangt.
Lees meer
Amira Yehya en Erik Jumelet-Boom
Amira en Erik hebben me uitgenodigd om mee te kijken tijdens hun studiedag op een kickboksschool in Almere. Amira (21 jaar, student geneeskunde) bokst al sinds haar tiende. Tijdens de kennismaking vertelt ze aan de groep dat ze in een onveilige thuissituatie is opgegroeid, selectief mutisme had en al vroeg traumabehandeling kreeg. Ze vertelt over de boosheid die niet wegging en hoe het boksen er uiteindelijk voor zorgde dat ze niet langer in haar hoofd zat, maar bij haar gevoel leerde te komen. Ze ontwikkelde uiteindelijk, in samenspraak met haar therapeute en bokstrainer, haar eigen bokstherapie.
Als ik één woord zou mogen gebruiken om Erik (34 jaar, psychomotorisch therapeut en bewegingswetenschapper) te typeren: veiligheid. Hij straalt een en al rust en vertrouwen uit. “Als je even wilt ervaren hoe het is, is dit wel een goede oefening.” Meteen ben ik de drempel over en, anders dan ik me had voorgenomen, doe ik het grootste deel van de ochtend actief mee.
TRAP staat voor Traumasensitief, Regulatie, Assertiviteit en PMT (zie kader). Op de studiedag zijn negen psychomotorisch therapeuten aanwezig, waarvan enkele nog een masteropleiding volgen. We beginnen met een oefening schoudertikkertje; twee vrijwilligers nemen het tegen elkaar op en waar ik dacht dat het zou beginnen met wat aftastende bewegingen, gaan ze er allebei meteen vol in. Het fanatisme en de blijdschap zijn duidelijk zichtbaar, maar het is ook intens. Ik voel zelfs als toeschouwer m’n hartslag al stijgen en denk aan het zeer recent gepubliceerde artikel van Kjærvik en Bushman (zie kader) over de nadelige effecten van vechtsporten op boosheid en agressie.
Erik neemt het woord en vertelt over het traumasensitieve aspect van de kickbokstherapie. “In het ochtenddeel zitten veel arousal verhogende oefeningen omdat die relatief snel spontaan gedrag en overlevingsstrategieën blootleggen. Voor iedere oefening moet je minstens vier varianten in je achterhoofd hebben.” Voor schoudertikkertje betekent dat bijvoorbeeld het toevoegen van attributen die voor afstand, maar ook voor meer of minder controle zorgen. Erik legt uit wat je als therapeut kunt zien aan de deelnemers, hoe je je bewust moet zijn van je eigen lichaam, je uitstraling, je plek in de ruimte, je houding, je bewegingen.
De oefeningen zijn gericht op het ervaren van veiligheid en succes. “Je bent non-verbaal bezig, maar je bent voortdurend aan het afstemmen. Als je verbinding maken lastig vindt, is zo’n spelvorm een lage instap. Als je aan het verbinden bent, dan ben je aan het reguleren, en het verbinden met de ander kan een stap zijn naar verbinding met jezelf.”
We oefenen nog een poosje met de verschillende varianten van schoudertikkertje en dan mogen de bokshandschoenen aan. We staan tegenover elkaar. Waar we net afwisselden in spelvorm, wisselen nu de duo’s. Erik en Amira moedigen ons aan te observeren en laten ervaren dat iedereen op een andere manier tegenover je staat en daarbij verschillende signalen geeft en reacties uitlokt.
“Bij boksen voel je, bewust of eerst nog onbewust, zo ontzettend veel” zegt Erik. “Je kunt eerst met lichaamssignalen van inspanning spelen en dan volgt het sociaal lichaamsbewustzijn, de verbinding en afstemming. De derde stap is het emotioneel lichaamsbewustzijn, een mooie basis voor emotieregulatie. Je begint met inspanning, maar voor dat laatste heb je ontspanning nodig.”
Hij laat zien hoe je als therapeut meebeweegt, hoe nabij je bent, hoe goed je kunt observeren en hoe je verschillende attributen zoals een boksbal kunt inzetten.
Voor mij zit het er aan het eind van de ochtend op. Het middagdeel zal grotendeels over emotieregulatie gaan en nog meer over het traumasensitieve aspect en de theoretische basis van de training. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit bij Erik en Amira in goede handen is.
Voor ik vertrek, vraag ik of ze nog een boodschap hebben voor de lezers van de Pedagoog. “Nodig eens een PMT-er uit bij een behandelsessie,” zegt Erik, “kijk wat je samen kunt doen”. En de boodschap van de deelnemers is: “Zoek de PMT-er op, stap die zaal eens in.”
Je zal dan wel in beweging moeten komen. Ik had niet verwacht dat ik vandaag bokshandschoenen aan zou hebben, maar kan het van harte aanbevelen.
tekst: Bart van Gent
beeld: Marieke Odekerken
TRAP kickbokstherapie is geaccrediteerd door het Register Vaktherapie. De studiedag is daarnaast open voor geïnteresseerde zorgprofessionals en wordt ook als ‘in company studiedag’ gegeven.
www.trapkickboksen.nl
In een recente meta-analyse1 (april 2024) tonen Kjærvik en Bushman aan dat het ventileren van woede door inspannende activiteiten zoals hardlopen, fietsen of tegen een boksbal slaan niet werkt. Activiteiten die zorgen voor het verlagen van arousal werken wel. Daarnaast blijken spelelementen zoals die bij TRAP kickbokstherapie en PMT in het algemeen ingezet worden effectief te zijn.
Erik zegt hierover: “Het rammen of ageren jaagt mensen snel uit hun window of tolerance. Waar wij naartoe werken is dat het boksen ervaren wordt als een expressievorm in sociale context, niet als domme uitlaatklep.”
1 A meta-analytic review of anger management activities that increase or decrease arousal: What fuels or douses rage?
Werken in de GGZ 18+ als orthopedagoog of orthopedagoog-generalist is afwisselend, uitdagend en dankbaar. Daar zijn Rolinda, Moniek en Renée het over eens. Zij zijn er een belangrijke professional in het complete netwerk van zorg voor 18-plussers. Het gaat niet alleen om jongvolwassenen, maar ook om volwassenen in een afhankelijkheidsrelatie. Een drie-gesprek.
Lees meer
Rollinda Donker - Moniek Voermans - Renée Beverwijk
Rolinda Donker is orthopedagoog-generalist en werkt namens GGZ Drenthe voor Optimaal Leven. Een samenwerking tussen zorginstellingen, huisartsen, verzekeraars en gemeenten. Met als doel de kwaliteit van leven van volwassenen met langdurige psychische kwetsbaarheid te vergroten.
Moniek Voermans is orthopedagoog-generalist en werkzaam bij Novadic Kentron, verslavingszorg in Brabant. Als coördinerend regiebehandelaar bij langdurige verslaving. Naast de verslaving is er vaak sprake van ernstige psychiatrische aandoeningen of een licht verstandelijke beperking.
Sinds een aantal jaar werkt Renée Beverwijk bij het Leger des Heils als orthopedagoog/gedragswetenschapper voor volwassenen. De jaren ervoor was ze daar ook al werkzaam, maar dan als maatschappelijk werker.
Rolinda: “ ‘Sociaal emotioneel ontwikkelingsniveau’ en ‘betrekken van het systeem’, de interactie tussen cliënt en omgeving, zijn al heel gewoon in de gehandicaptenzorg, waar ik eerst werkte. Dat is binnen de ggz nog niet altijd vanzelfsprekend, maar er wordt wel hard aan gewerkt. Juist door samen te werken met alle disciplines belicht je het hele leven van iemand. Zo kan je veel sneller richting herstel. Samen met een gz-psycholoog, psychiater, verpleegkundig specialist en casemanager.”
Moniek herkent wat Rolinda vertelt. “Ik zie veel meerwaarde in het transdiagnostische werken. Dat wil zeggen, veel meer kijken met een ander verklaringsmodel. De verslavingszorg is erg medisch gestoeld, misschien nog wel meer dan in de rest van de geestelijke gezondheidszorg. Er mag nog meer gekeken worden naar het totaalbeeld. Dat is echt wat je als orthopedagoog-generalist toe kan voegen. Niet alleen kijken naar het systeem van de cliënt, maar ook naar het systeem binnen de zorgunits. Hoe is het behandelklimaat?”
Bij het Leger des Heils werkt Renée veel met de GGZ 18+-doelgroep. “Vaak wordt er wel stoornisgericht gedacht. En als het niet lukt om er op een label op te plakken, wordt het aangeduid als ‘gedrag’. Waar komt dat gedrag dan vandaan? Dan kom ik om de hoek kijken. Ik probeer dit in de context te plaatsen en neem de achtergrond van de mensen daarin mee.”
“Ik focus op contact tussen begeleider en cliënt, vanuit handelingsgericht coachen. Bij het Leger des Heils is de behandelstaf grotendeels orthopedagogisch opgeleid. We werken multidisciplinair, met vakteams. Soms heb ik wel het gevoel dat ik als orthopedagoog bij externe samenwerkingspartners mijn verhaal extra moet onderbouwen, om het te laten meetellen. Bij het Leger des Heils vinden mijn collega’s het prettig dat ik direct handvatten kan geven richting oplossingen. Ik vraag waar deze reactie van de cliënt vandaan komt. Welke behoefte ligt daaronder en op welke manieren kan je daarop reageren? We nemen de gesprekken die zij hebben met cliënten uitgebreid door en ik help collega’s potentiële nieuwe reacties te bedenken. Soms is samen betekenis geven aan het gedrag – waar komt het vandaan, waarom reageert iemand zo? – al voldoende om weer verder te kunnen. Omdat het gedrag dan minder ‘onvoorspelbaar’ voelt.”
Het werkveld moet soms nog wennen aan de orthopedagogiek in de GGZ 18+, merken ze alle drie. Beperkingen in de bekostiging in het Zorgprestatiemodel, regelgeving rondom regiebehandelaarschap en beperkingen in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg, maken het werken soms uitdagend.
Van oudsher zijn pedagogische wetenschappen meer gericht op opvoedkunde. Leerstoelen GGZ 18+ zijn er nog niet, waardoor er in het onderwijs ook minder aandacht is voor het werkveld. Er zijn ook veel verschillen tussen de universiteiten in Nederland.
“Ik werk met mensen, niet met cliënten en niet met patiënten,” zegt Rolinda. “Ze houden mij soms een spiegel voor. Het samenspel. Ik leer zelf heel veel van hen. Ze weten me te raken. De mensen tegenover mij, daar doe ik het voor. Iedereen heeft zijn eigen issues in het leven. Ook in mijn leven loopt niet altijd alles op rolletjes en is het soms zoeken naar de juiste richting. In de gesprekken hoor ik hoe mensen een proces doorlopen hebben of wijsheden opgedaan, waar ik op dat moment ook iets mee kan. Soms loopt het contact met een ander niet zo lekker, maar blijkt dat ik zelf iets heb om op te lossen. Dat zie ik dan als een cadeautje van mijn werk.”
“Ik wil de mensen zien”, dat is zo’n mooie motivatie”, aldus Renée. “Ik ben geïnteresseerd in de mensen. Ik zie geen sticker of stoornis, maar het hele brede plaatje. En dat voelen ze. Ook al hebben deze mensen zoveel meegemaakt. Ze hebben op hun eigen ontwikkelingsweg zoveel kennis en ervaring opgedaan, dat is heel rijk. Ik leer zo veel van ze. Ik wil naar ze luisteren, ze mens laten voelen. Het raakt me enorm en die spiegel, dat herken ik ook. Als niemand meer naar ze luistert, leert niemand van ze. Toch moeten we soms wel labeltjes plakken voor de zorgverzekeraar. Dat is dan nodig om een passend traject te kunnen starten.”
Moniek: “Ik plak ook niet graag labels, maar soms helpt het wel om dezelfde taal te spreken. Om de wereld te begrijpen. Het is soms nodig om het geordend te houden. De manier hoe je ermee omgaat is wel belangrijk. Er zijn voor de mensen die dat het allerhardst nodig hebben, er voor hén zijn. Mensen die tot voor kort niets hadden. Hen weer het gevoel geven dat ze volwaardig mens mogen zijn. Dat is waar ik het voor doe.”
“Als orthopedagoog-generalist is samenwerken met andere professionals erg belangrijk”, zegt Rolinda. “Mijn blik en die blik van anderen. Je bereikt meer door het juist samen te doen. Je hebt elkaar nodig.”
Moniek: “Orthopedagogen zijn heel geschikt voor die coördinerende rol daarin. We kunnen iedereen bij elkaar brengen. Het plaatje compleet maken.”
Renée: “Orthopedagogiek is niet je vak, maar je identiteit. Het is hoe je in de wereld staat. Het is een manier van kijken, breder dan je werk. Zo wil ik er ook in staan. Andere beroepen zijn daarin zeker niet ondergeschikt. Zonder elkaar kunnen we het niet doen.”
tekst: Marijke Buisman
Het NVO-netwerk GGZ 18+ bestaat uit 20 leden. Wil je net als Moniek, Rolinda en Renée ook deel uitmaken van dit netwerk? Stuur een mail naar Annelijn: a.vanwanrooij@nvo.nl
Milou Lünnemann is onderzoeker op het terrein van huiselijk en seksueel geweld bij het Verwey-Jonker Instituut. Naast deze baan deed ze promotieonderzoek naar de intergenerationele overdracht van geweld in gezinnen aan de Erasmus Universiteit. Vorig jaar juni verdedigde ze haar proefschrift ‘From Harm to Hope: Unraveling the intergenerational transmission of family violence’. Voor de Pedagoog doet zij verslag.
Lees meer
Milou Lünnemann
2016 – heden
Onderzoeker Verwey-Jonker Instituut
2017 – 2022
Promovenda Erasmus Universiteit Rotterdam
2014 – 2016
Master Interventie Criminologie, Vrije Universiteit Amsterdam
2012 – 2013
Research Master Psychologie, Universiteit van Amsterdam
2009 – 2012
Bachelor Psychologie (methodenleer), universiteit van Amsterdam
Kinderen die thuis te maken krijgen met kindermishandeling hebben meer kans om op latere leeftijd opnieuw slachtoffer of dader te worden van geweld in hun relatie of gezin. Dit wordt de intergenerationele overdracht van geweld genoemd. Maar hoe komt het nu dat het ene kind dat kindermishandeling meemaakt opnieuw te maken krijgt met geweld op latere leeftijd, terwijl een ander kind dat opgroeit in een onveilige thuissituatie deze cirkel van geweld weet te doorbreken?
Dat was de belangrijkste vraag die ik heb onderzocht tijdens mijn promotieonderzoek. Hieronder neem ik jullie mee in de belangrijkste bevindingen van mijn onderzoek, aangevuld met kennis vanuit andere onderzoeken waar ik aan meewerkte bij het Verwey-Jonker Instituut.
Om deze vraag te kunnen beantwoorden, heb ik middels vragenlijsten en interviews drie mechanismen onderzocht die de intergenerationele overdracht van geweld kunnen verklaren: sociaal leren, trauma en ouder-kind gehechtheid. Daarnaast keek ik naar beschermende factoren. Waar eerder onderzoek vaak in een algemene populatie keek, waren de respondenten van mijn onderzoek allemaal gemeld bij Veilig Thuis1 vanwege partnergeweld of kindermishandeling. Bovendien deden niet alleen moeders mee aan de studie, zoals vaak bij eerder onderzoek, maar ook vaders en kinderen zelf. Ouders vulden vragenlijsten in over kinderen tussen de drie en achttien jaar en kinderen tussen de acht en achttien jaar konden zelf ook deelnemen. Mijn bevindingen zijn echter niet alleen gebaseerd op vragenlijsten, zoals de meeste studies, maar ik interviewde ook jongeren tussen de zestien en twintig jaar zelf over hun jeugd en romantische relaties.
In mijn onderzoek hanteerde ik de brede definitie van kindermishandeling, dus zowel directe kindermishandeling (het geweld van een ouder naar een kind) als indirecte kindermishandeling (het getuige zijn van geweld tussen de ouders), terwijl eerder onderzoek vaak naar een van deze vormen keek. Voor het geweld op latere leeftijd focuste ik op dating-geweld bij jongeren, wat gaat over het geweld dat jongeren ervaren in hun romantische relatie en de laatste jaren steeds meer aandacht krijgt.
Vanuit de literatuur worden de mechanismen sociaal leren, trauma en ouder-kind gehechtheid gebruikt om de intergenerationele overdracht van geweld te verklaren. De sociale leertheorie stelt dat kinderen leren door te observeren en dit na te doen. Hierbij gaat het zowel om gedrag als de interactie tussen mensen. Op deze manier leren ze bijvoorbeeld emotieregulatie of conflicthantering. De traumatheorie gaat ervanuit dat kinderen die te maken krijgen met geweld toxische stress ervaren, waardoor hun stresssysteem eigenlijk altijd aan staat. Daarom reageren ze vanuit een overlevingsmodus: vechten, vluchten of bevriezen. Kinderen die getraumatiseerd zijn, hebben vaak problemen met hun impulsbeheersing en emotieregulatie.
Vanuit de gehechtheidstheorie wordt gezegd dat kinderen die een veilige gehechtheid hebben met hun ouders, leren dat ze de wereld mogen ontdekken, maar bij stress altijd terug kunnen naar hun ouders. Hierdoor leren ze vertrouwen op zichzelf en op anderen. Als er iets misgaat in de gehechtheidsrelatie kunnen kinderen het vertrouwen in zichzelf en anderen verliezen.
Veel jongeren die ik heb gesproken verklaren de intergenerationele overdracht zelf vooral via het mechanisme sociaal leren. Zo werd er thuis bijvoorbeeld niet over emoties gesproken, hebben ze niet geleerd hoe ze met boosheid en verdriet om moeten gaan en werden ruzies nooit opgelost.
Dit merken ze ook in hun huidige relatie, ze praten niet over emoties of ze weten niet hoe ze met hun eigen emoties of die van hun partner om moeten gaan. Ook vinden veel jongeren het lastig om een ruzie echt op te lossen, ze lopen weg en praten er niet meer over of geven constant toe aan wat hun partner wil. Zo vertelde een van de jongeren: “We komen nooit tot een oplossing, ik denk omdat niemand me ooit geleerd heeft hoe je op een normale manier dingen op kan lossen.”
In mijn onderzoek zag ik echter ook de mechanismen van trauma en gehechtheid en hoe de drie mechanismen met elkaar interacteren. Zo vond ik dat het trauma van zowel de vader als de moeder gerelateerd was aan trauma van het kind. De jongeren vertelden ook dat ze vanuit een overlevingsmodus reageerden op het moment dat ze geweld meemaakten, ze gingen weg, bevroren of sprongen ertussen. En dit mechanisme zagen we dus ook terug in hun huidige relatie op het moment dat er spanningen of conflicten ontstonden. Zoals een van de jongeren zei: “De bom barste altijd als ze weg was. Dan was de deur de klos of het was de muur of het waren flessen parfum. Het was altijd wel wat.” Bovendien weten we dat als een ouder getraumatiseerd is, het lastiger is om responsief en sensitief naar je kinderen te zijn.
De jongeren die ik gesproken heb, vertelden dan ook dat ze met een of beide ouders een slechte band hadden. Zo ervaarden ze bijvoorbeeld weinig steun of begrip of hadden ze moeite om autonoom te worden omdat hun ouders controlerend en rigide waren. Iemand vertelde over haar moeder: “Zij wilde mij te allen tijde als een klein meisje behandelen. Weet je, eigenlijk als pop zijnde. Dat zij alle regels bepaalt en ik moet me er standaard aan houden.”
Vooral de jongeren die dating-geweld meemaakten spraken vaak negatief over de band met beide ouders, terwijl jongeren die geen dating-geweld hadden ervaren vrijwel allemaal een positieve band hadden met een van hun ouders.
Tot slot zag ik dat jongeren vaak moeite hadden om een balans te vinden tussen enerzijds verbondenheid met hun partner en anderzijds autonomie. Zo waren er jongeren die moeite hadden met verbondenheid, zij klampten zich vaak vast en lieten over hun grenzen gaan. In de huidige relatie van deze jongeren was ook vaak sprake van controlerend gedrag vanuit henzelf en/of hun partner. Dit gaf deze jongeren juist vertrouwen, wat ze vanuit de basis niet hadden. Een jongen vertelde: “Regelmatig keek ik in haar telefoon of ze geen contact met die exen had. Dat had ze ook niet, dus uiteindelijk dacht ik: dit meisje kan ik wel vertrouwen.”
Andere jongeren waren juist heel erg gericht op autonomie, ze spraken niet over hun problemen en onderdrukten hun emoties, terwijl ze vaak wel veel woede ervaarden of hyperalert waren. Deze jongeren gaven ook aan dat ze iets snel negatief konden interpreteren en daardoor ook sneller boos of agressief werden. Zo zei een jongere: “Als iemand een grapje maakt, kan ik dat heel letterlijk opvatten en dan slaat er bij mij een knop om en word ik gewoon boos.” Ik zag ook jongeren die wisselden tussen enerzijds sterk op de betrokkenheid zitten en anderzijds heel erg gericht zijn op autonomie.
Een belangrijke beschermende factor voor de intergenerationele overdracht van geweld is het verminderen, of liever, het stoppen van het geweld. Op het moment dat geweld vermindert of stopt, hebben kinderen minder posttraumatische stress en laten ze minder agressief en gewelddadig gedrag zien. Daarnaast zag ik dat jongeren die dating-geweld meemaakten ook meer kindermishandeling hadden ervaren dan jongeren die geen dating-geweld ervaarden. Hiervoor is het belangrijk dat professionals langdurig betrokken blijven bij een gezin. We weten dat geweld moeilijk is om te stoppen en dat stressfactoren ervoor kunnen zorgen dat het geweld weer toeneemt. Bovendien is het essentieel om eerst een vertrouwensrelatie op te bouwen, met zowel de kinderen als de vader en de moeder, om over het geweld te kunnen praten en te onderzoeken wat de geweldsdynamiek is en onderliggende patronen. Op het moment dat sprake is van geweld uit onmacht, is een andere aanpak nodig dan wanneer sprake is van geweld vanuit een machtsverschil en dwingende controle.
Ongeveer de helft van de jongeren die deelnamen aan mijn promotieonderzoek hadden geen dating-geweld meegemaakt. Maar veel van hen ervaarden wel problemen in hun relatie rondom bijvoorbeeld emotieregulatie en conflicthantering. We weten dat stressfactoren, zoals samenwonen of kinderen krijgen, extra druk kunnen leggen op een relatie waardoor conflicten kunnen escaleren. Daarom is het belangrijk om aandacht te hebben voor alle gezinsleden en alle kinderen in het gezin. Dus ga in gesprek met kinderen, tieners en jongvolwassenen over wat ze nodig hebben en dat ze altijd (opnieuw) hulp kunnen zoeken als ze ergens tegenaan lopen. Daarvoor is het nodig dat jongeren vertrouwen hebben in de hulpverlening en het gevoel hebben dat ze ook echt gehoord en gesteund worden.
Mijn promotieonderzoek liet zien dat het krijgen van traumatherapie helpend is. Daarnaast is het belangrijk om vaardigheden te leren, waarbij aandacht is voor alle leden van het gezin en de interactie tussen hen. Meerdere jongeren vertelden dat het sociale netwerk een belangrijke rol had gespeeld in het aanleren van vaardigheden, zoals het samen uitpraten van een ruzie met schoonouders.
Vanuit ander onderzoek weten we dat kinderen belang hebben bij een steunfiguur die oprecht luistert en de regie bij het kind laat. Aansluiten bij het kind is hierbij belangrijk, zowel in tempo als de manier waarop. Kinderen geven vaak aan dat het helpt om samen iets creatiefs of actiefs te gaan doen, zoals tekenen of voetballen, zodat de nadruk niet op het praten ligt. Dan komen de gesprekken vaak vanzelf.
tekst: Milou Lünnemann
beeld: Bram Hoppe
1 Er deden 13 Veilig Thuis regio’s mee, het gaat dus om een landelijk onderzoek.
Proefschrift From Harm to Hope: Unraveling the intergenerational transmission of family violence
Beau is groot. Hij torent twee koppen boven me uit en is een zwaargewicht. Beau is sterk. ‘Ik ben voor niemand bang, mevrouw. Ik heb mijn eigen lichaam en mijn vuist, niemand hoeft mij iets te vertellen of dreigen.’
Lees meer
“Nee, dat begrijp ik Beau, maar waar zou je dan bang voor moeten
zijn?”
“Kijk, u weet toch wel, die San. Hij dreigt mij in mijn wijk. Anders
maakt me niet uit, maar hij komt hier met de metro mij in mijn
wijk dreigen. Ik kan er niks aan doen hè, mevrouw. U moet mij niet
aankijken. Mijn matties kunnen dat niet accepteren. Ik zeg het u, hè.
Ik hoef ook niet met u te praten. Ik los alles zelf op. Maak u niet druk
over mij. Ik ga zo de stad in en zorg voor mezelf, komt goed.”
Chantal is de coördinator van een dagbehandeling waar jongeren
door reclassering kunnen worden geplaatst. Ze vraagt me of ik in
gesprek wil gaan met Beau. Sinds hij is opgepakt door de politie, in
verband met een delict waar hij niet schuldig aan was, slaapt hij niet
meer. Volgens Chantal vindt Beau mij wel chill dus misschien kan ik
een opening vinden om het hierover te hebben. Beau is zeventien en
woont bij zijn oma.
“Ik moet met u praten van Chantal, maar ik heb u niet nodig”, begint hij. “Ze kwamen mijn huis in, weet u, en mijn oma schrok zo erg. Als dat nog een keer gebeurt, weet ik niet wat ik doe hè, mevrouw. Ik heb in de cel gezeten.”
“Hoe was dat Beau? Ik weet van Chantal dat je niet meer slaapt. Klopt dat?”
“Ja, ik slaap niet. Ik probeer van alles, maar ik ga gamen, op mijn telefoon, tv kijken, alles… maar ik slaap niet.”
“Ik denk toch dat het hele gedoe met de politie en het slapen in de cel, meer met je doet dan je denkt. En dat het eigenlijk een trauma voor je is. Ik denk dat ik je er wel mee kan helpen. Misschien dat je dan ook weer wat beter slaapt.”
“Ja, maar mevrouw, ik los alles zelf wel op. Straks ga ik even naar mijn vrienden, ik heb geld, of ik koop een horloge of zo.”
“Hoe gaat het met oma? Zij was ook geschrokken, hoorde ik.”
“Ja, gaat goed. Zij was eerst heel boos, maar is nu weer rustig.”
“Heb je wel een eigen kamer om te kunnen slapen Beau?”
“Ik heb net een nieuwe kamer, heel mooi. Mijn oma heeft het helemaal ingericht. Een nieuw bed, een gamestoel en een hele eigen kledingkast. Met een soort subsidie van de gemeente.”
“Wat gaaf Beau en wat lief van oma. Ben je er blij mee?”
“Heel blij, ze heeft ook van die lichtgevende wolkjes op mijn plafond geschilderd. En sterren en een maan. Net als ik vroeger bij mama had.”
Hij kijkt me aan en lijkt kleiner geworden.
“En als ik dan niet kan slapen, staar ik daar ook vaak naar.”
Als Beau weggaat, mompelt hij: “Ik denk nog even na of ik weer kom en of u dan dat ene mag doen, met mijn trauma.”
tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.
Beau heet in werkelijkheid anders.
FamilySupporters is een landelijke zorginstelling. Er werken zo’n honderd orthopedagogen. Je kunt er terecht voor advies, praktische hulp, diagnostiek en behandeling. De organisatie is actief in de ggz, jeugdhulp, Wmo en langdurige zorg en gericht op alle leeftijden. Een gesprek met twee orthopedagogen-generalist: Sabine Gerritsma en Maaike Mares.
Lees meer
Sabine Gerritsma
“Veel organisaties zeggen ‘wij werken systemisch’, maar wij werken écht systemisch”, trapt Sabine Gerritsma af. In haar vorige werk hielp ze kinderen die vastliepen in het onderwijs en ging daarna bij de Opvoedpoli aan de slag. Sinds 2020 werkt ze bij FamilySupporters. Ze is naast hulpverlener ook vestigingsdirecteur Haaglanden, locatie Rijswijk.
“We kijken hier over de schotten heen, vanuit het gezin. Welke inzet is er voor het gezin nodig? Dat kan gaan om praktische hulp, zoals hulp bij het huishouden of budgettering vanuit de Wmo. Of opvoedingsondersteuning vanuit jeugdhulp. En als een ouder zelf hulp nodig heeft, bieden we dat ook aan.”
Dat allemaal onder één dak. Deze integrale benadering vraagt veel afstemming. Sabine: “Als je bij ons komt werken, moet je er echt achter staan dat je met een open blik samen met je collega’s orthopedagogen, psychologen, volwassen- en kinderpsychiaters, vaktherapeuten, gezinscoaches en systeemtherapeuten, de hulp neerzet.”
Maaike Mares haakt aan. Haar vorige baan was in de gehandicaptenzorg, in 2022 maakte ze de overstap naar FamilySupporters, vestiging Drechtsteden. Ze is naast hulpverlener ook praktijkopleider orthopedagoog-generalist. Maaike: “We kijken altijd: wat kan de omgeving anders gaan doen? Dus blijf niet hier op kantoor zitten met het kind, maar ga observeren op school en in het gezin. Ga het kind in verschillende settingen zien.”
“Dat vragen we ook van het gezin”, vervolgt Sabine. “Als je bij ons komt, willen we met het hele gezin aan de slag. We doen niet aan ‘fix mijn kind, want het heeft ADHD’.”
Zo dicht mogelijk bij de cliënt en zijn omgeving staan, wordt ook vertaald in de organisatievorm. Als een vestiging te groot wordt, volgt er een splitsing. Er zijn nu zo’n twintig vestigingen. Elke vestiging heeft een vestigingsdirecteur, veelal een inhoudelijk directeur (dus ook hulpverlener) en vaak een orthopedagoog-generalist.
Iedere hulpverlener krijgt de basistraining Wraparound care, een internationaal onderzochte en bewezen effectieve manier van werken. De kern is dat je zelf als cliënt aangeeft welke vorm van ondersteuning jou het beste helpt, jouw behoeftes staan hierbij centraal. Een cruciaal onderdeel is de persoonlijke match tussen cliënt en hulpverlener. Er wordt gewerkt vanuit de verschillende levensgebieden van de cliënt. Bij de diagnostiek van een kind bijvoorbeeld ga je ook langs bij de BSO, de sportclub, of bij de oma’s en opa’s. Maaike: “Je kijkt waar de kansen zitten, hoe je weer een stapje verder kunt komen. Je werkt toe naar eigen regie, op eigen kracht, samen met je eigen netwerk, weer verder.”
In deze tijd van krapte in de zorg nemen de wachtlijsten overal toe. FamilySupporters probeert dat tegen te gaan. Sabine: “Het kan toch niet zo zijn dat je de intake doet en dan zegt: Je bent over zes maanden aan de beurt.”
Daarom werken er naast vaste medewerkers ook zzp’ers (onder meer orthopedagogen-generalist) en wordt er nauw samengewerkt met andere vestigingen in de regio. Maaike: “Zo heeft onze vestiging geen kinderpsychiater in dienst. Mijn cliënt rijdt dan naar vestiging Leiden, want hier in de buurt sta je zes maanden op de wachtlijst.”
En als er heel veel aanmeldingen tegelijkertijd zijn, is er af en toe een tijdelijke aanmeldstop.
De zorg heeft grote behoefte aan innovatie. Er wordt veel gewerkt met blended care, een combinatie van face to face en online hulpverlening. Maaike: “Je gaat bijvoorbeeld één keer naar de kinderpsychiater en verder spreek je telefonisch of via beeldbellen af. Ook werken we met Jouw omgeving, waarbij we e-health aanbieden. Naast gesprekken op kantoor, kunnen mensen online vragen beantwoorden en daarmee verder werken.”
Bij EMDR-behandelingen kunnen mensen Virtual Reality-brillen mee naar huis krijgen. “Bij angstbehandeling bijvoorbeeld”, zegt Sabine. “Met de VR-bril word je in een situatie geplaatst die angst oproept en zo kun je thuis oefenen met verdragen van zo’n situatie. Ook gebruiken we de behandelsessies van Therapieland1. Als ouders bijvoorbeeld met een opvoedvraag komen, kunnen ze thuis al aan de slag door filmpjes te kijken en samen vragen te beantwoorden. Vaak zit er psycho-educatie in.”
Helpt e-health om het werk met minder mensen te doen?
“Je kunt net wat meer versnellen”, legt Sabine uit. “Zo hoef je psycho-educatie niet allemaal live te doen. Je kan mensen thuis filmpjes laten kijken en laten aangeven: dat herken ik en dat niet. Vervolgens ga je daar het gesprek over aan. En als jongeren een dagboekje moeten bijhouden, werkt een app goed die ze even een pushmelding geeft: Vul dit even in, hoe gaat het met je, klik een smiley aan. Het werkt aanvullend, maar niet vervangend.”
Als het thuis even écht niet meer gaat en ambulante hulp niet genoeg is, heeft FamilySupporters ExtraThuis. Een gezinshuis en vorm van ‘kort verblijf’ dat omgangsbegeleiding, daghulp, logeren, (weekend) pleegzorg, een tijdelijke woonplek of een omgeving om zelfstandig te worden, biedt. Elk ExtraThuis wordt gerund door professionals en er zijn er op dit moment vier.
Ook ouderen kunnen bij FamilySupporters terecht. Denk aan het verlies van zelfstandigheid, het omgaan met angst en somberheid of de ondersteuning voor mantelzorgers. Ook wordt meegedacht met kinderen en hun ouders die hulp te lang afhouden, of bij vermoeden van oudermishandeling. Er werken echter nog niet zoveel orthopedagogen in deze ouderenzorg. In Noord-Holland is een specialist ouderengeneeskunde in dienst.
Veel collega’s krijgen een opleiding tot gz-psycholoog of orthopedagoog-generalist (OG). Maaike werkt deels ook bij het eigen Kenniscentrum van FamilySupporters en is praktijkopleider OG. “Helaas wordt de OG-opleiding nog steeds niet gefinancierd, dat is wel een ding. We zouden nog wel meer OG’ers willen opleiden, maar daar moet eerst de ruimte voor zijn, we moeten ze ook kunnen begeleiden. Het Kenniscentrum stelt incompany-opleidingen samen, zoals transparant rapporten en de Wraparound care-training. Ook zet het externe trainers in.”
Sabine: “En ik heb net de OG-opleiding mogen afronden. Bij ons in Rijswijk zijn nu drie orthopedagogen-generalist tegelijk in opleiding. Want we zien dat het zo past bij de manier van werken, naast dat je gz-psychologen nodig hebt in je team.”
Maaike Mares
tekst: John Smeets
FamilySupporters: www.familysupporters.nl
1 Therapieland is een e-healthplatform waarmee zorgprofessionals e-health programma’s, veilig beeldbellen en vragenlijsten kunnen inzetten. www.therapieland.nl
De zorg voor mensen met een beperking en complexe problematiek staat onder druk. Oplopende wachtlijsten en personeelstekorten zorgen voor schrijnende situaties. Orthopedagogen kunnen een belangrijke rol spelen, maar dan moet er wel iets gebeuren aan de financiële tekorten en regeldruk. In gesprek met orthopedagogen Linda Verhaar, Mirjam de Bruijn en Matthijs Heijstek.
Lees meer
Mirjam de Bruijn werkt sinds 2018 als orthopedagoog-generalist bij ASVZ.
De drie orthopedagogen benadrukken tijdens het gesprek: laat het vooral geen klaagverhaal worden. Natuurlijk zijn er problemen in de zorg voor mensen met een zogeheten VG7-indicatie. Maar het zou geen recht doen aan de realiteit als we alles door een negatieve bril bekijken. “Er gebeuren juist ook veel mooie dingen in de zorg voor deze kwetsbare mensen”, zegt Matthijs Heijstek. “En daar mogen we best trots op zijn.”
Als we het hebben over cliënten met een VG7-indicatie1 (de aanduiding van het zorgprofiel), dan gaat het om in totaal zo’n 17.000 mensen met een verstandelijke beperking en moeilijk verstaanbaar gedrag. Het zijn de kwetsbaarste cliënten in de verstandelijk gehandicaptenzorg, legt Mirjam de Bruijn uit.
“Mensen die sociaal en emotioneel een jonge ontwikkelingsleeftijd hebben en vaak hun eigen emoties niet zelfstandig kunnen reguleren. Ze kunnen agressief of destructief gedrag vertonen, veelal vanwege stress of angst. Het zijn kwetsbare, maar ook pure mensen. Als je voor hen een menswaardig bestaan mogelijk wil maken, dan is er continu professionele ondersteuning nodig.”
Het gaat om een groep mensen voor wie vele professionals zich met hart en ziel inzetten, dag en nacht. De problemen die er zijn, hebben met name te maken met de bestaande regelgeving en financiering.
Volgens de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland (VGN) zijn de tarieven voor deze groep cliënten te laag, wat tot financiële problemen leidt bij zorgaanbieders.
Linda Verhaar herkent dat laatste. “Mijn eigen organisatie Ipse de Bruggen is een grote zorgorganisatie, maar ook voor ons is dit een uitdaging. Helaas krijg ik regelmatig signalen van kleinere organisaties die aangeven deze zorg niet meer te kunnen bieden omdat het financiële risico te groot is.”
Doordat zorgorganisaties minder geneigd zijn om plekken voor deze doelgroep te creëren, zijn er wachtlijsten ontstaan. “Een wachttijd van tussen de vier en acht jaar is op dit moment vrij standaard”, zegt Matthijs. “En dan moet je bedenken dat iemand wordt aangemeld als het thuis écht niet meer gaat. Het is een onacceptabele situatie, want gelijke toegang tot zorg voor alle Nederlanders is een grondrecht.”
Een ander gevolg van de krappe budgettering is dat er steeds meer druk ontstaat op het aanvragen van meerzorg, dat is extra zorg voor cliënten die minstens 25 procent meer zorg nodig hebben dan het zorgprofiel biedt. Mirjam: “Het was ooit bedoeld als een tijdelijke regeling, maar eigenlijk zijn wij continu meerzorg aan het aanvragen omdat het niet te betalen is zonder beroep daarop.”
Waarmee we bij het tweede probleem zijn aanbeland: de huidige regelgeving en de bijbehorende bureaucratie. Mirjam vertelt dat ze veel tijd kwijt is aan het aanvragen van meerzorg. “Het formulier invullen kost behoorlijk veel tijd. Soms ben ik weken bezig om voor een jaar extra geld te krijgen. Terwijl: wat kun je in deze vorm van zorg nu eigenlijk doen in een jaar? Het gaat vaak om complexe zorg die jaren in beslag neemt en waarvan de uitkomsten ongewis zijn – zo realistisch moeten we gewoon zijn. Het ligt overigens niet aan de mensen; het persoonlijke contact met de medewerkers van de zorgkantoren verloopt goed. Als het lukt inhoudelijk uit te leggen waarom meerzorg nodig is, werken ze mee en geven ze ook alle ruimte. Het zijn met name de formulieren en de bureaucratie eromheen die zorgen voor extra werkdruk.”
Matthijs Heijstek is orthopedagoog-generalist bij Zozijn, werkt als docent bij de Universiteit Utrecht en doet daar promotieonderzoek.
Deze papierwinkel leidt ertoe dat orthopedagogen en andere zorgprofessionals voor een steeds groter deel van hun tijd niet met de inhoud bezig kunnen zijn. Het kan Mirjam soms frustreren. “Je hebt het gevoel dat je constant voor je cliënten moet opkomen, steeds moet benadrukken dat zij ook goede zorg verdienen, dat ze recht hebben om te leven in een menswaardige omgeving.”
Juist bij de zorg voor deze cliënten is het cruciaal dat je er helemaal voor ze bent, legt Mirjam uit. “Je moet ze helpen hun emoties te reguleren. Als jij rustig bent, kunnen zij in kleine stapjes vertrouwen opbouwen. Als we dan veel met randzaken bezig zijn, gaat dat ten koste van die innerlijke rust.”
Matthijs: “Het is jammer, want je bent niet bezig met waar je voor opgeleid bent, namelijk een goede beeldvorming van een cliënt, in kaart brengen wat er allemaal rondom een cliënt speelt. Het mooie van deze cliënten is dat we continu met de context bezig zijn, in die zin dat je bezig bent met de opvoeders, met alle opvoedmilieus en zowel met het leefklimaat als met coaching van begeleiders. Het is in feite de meest klassieke vorm van orthopedagogiek.”
Linda merkt op dat hun werk soms wordt vergeleken met topsport. “Je moet voortdurend ‘aan’ staan, continu investeren in het op peil houden van je expertise en weten wat er speelt. Je kunt deze cliënten en hun begeleiders niet loslaten.”
Zie het als een moeilijke puzzel die gelegd moet worden, zegt Mirjam. “Het vraagt veel expertise en out-of-the-box-denken. Het is een weerbarstige praktijk, waarbij meerdere cliënten bij elkaar wonen. Als orthopedagoog moet je de cliënten kennen, je moet het team kennen, weten wat de sterktes en zwaktes van het team zijn en ga zo maar door. Daarom is het ook belangrijk om als orthopedagoog langdurig bij cliënten betrokken te zijn en niet alleen op consultbasis.”
Voor het oplossen van de problemen ligt de bal vooral bij de politiek, maar het is op dit moment nog ongewis wat dat zal opleveren. Meer geld helpt altijd, maar we moeten het volgens Matthijs niet als een wondermiddel zien. “Daarvoor is het probleem te complex. Je lost bijvoorbeeld het personeelstekort echt niet op met alleen een extra zak geld. Ook zorgkantoren en de sector zelf zullen aan de bak moeten.”
Linda pleit ervoor om meer naar de context te kijken. “Bij Ipse de Bruggen zien we steeds terugkomen hoe belangrijk het is dat de context goed aansluit. Zo zijn we nu gestart met zogeheten HBB-groepen: Hoogintensieve Begeleidings- en Behandelgroepen, waarbij met name oog is voor wat de organisatie als geheel nodig heeft. Dat is een beweging die we als sector steeds meer aan het maken zijn; van de cliënt naar de context. Het is belangrijk dat we orthopedagogen goed blijven faciliteren en ook erkennen hoe intensief het is om met deze cliënten te werken. En dus moeten we hen goed faciliteren, ook als het gaat om intervisie en supervisie.”
Een goede zaak, vindt Mirjam. “Als we beter voor medewerkers zorgen, dan heeft dat niet alleen een positief effect op cliënten, het zorgt ook voor minder verloop. Dit zien wij terug binnen onze Very Intensive Care-woningen, waar elke maand tijd is voor reflectie, intervisie en teambuilding. De medewerkers waarderen dit enorm.”
Matthijs denkt dat een deel van de oplossing verder kan worden gevonden door beroepsverenigingen als de NVO een andere rol te geven. “Kijk naar het Verenigd Koninkrijk, waar de overheid een prominente rol geeft aan beroepsverenigingen. Zij maken daar richtlijnen over wat kwaliteit is en wat goede zorg is. Voor Nederland zou dat betekenen dat onder andere orthopedagogen (en andere onafhankelijke experts) bepalen wat kwaliteit is en niet ambtenaren, zorgverzekeraars of andere partijen.”
Linda Verhaar is orthopedagoog-generalist bij Ipse de Bruggen. Ze werkt aan een promotieonderzoek (Universiteit Leiden) gericht op cliënten met zorgprofiel VG6 en VG7.
“Het zou zo mooi zijn als we de zorg voor deze mensen weer centraal kunnen laten staan en we puur vanuit de inhoud gaan denken”, zegt Mirjam. “Nu wordt beleid in Den Haag bedacht, dan gaat het nog even langs de beroepsverenigingen en vervolgens moeten wij ermee gaan werken. Het zou veel mooier zijn als ideeën vanuit de praktijk komen, want het gaat om een diverse groep cliënten, voor wie om verschillende redenen extra geld nodig kan zijn om hen passende ondersteuning te geven. Het zou mooi zijn als je hier, voor langere tijd, op basis van de inhoud, een beroep op zou kunnen doen.”
Matthijs: “Veel Nederlanders kennen deze groep cliënten niet. Vaak komen alleen uitwassen, zoals met Jolanda Venema in 1989 of Brandon in 2004, in de media. Het zou helpen als we de diversiteit in verhalen van deze mensen vertellen en hen een gezicht geven. Ik vind dat we als orthopedagogen ook wel een rol daarin hebben, we zouden vaker de stem voor deze mensen moeten zijn. Dan zien politici ze ook eerder staan.”
Mirjam: “Het is waardevol om te merken dat we daadwerkelijk verschil kunnen maken voor deze mensen. We moeten alleen goed onderzoeken hoe we het beste bij ze aan kunnen sluiten, en juist díe puzzel, maakt het werken met deze doelgroep zo bijzonder. Zij hebben vaak al zoveel negatieve ervaringen, ze zijn verhuisd, lastig gevonden en weggestopt. Hoe mooi is het dan als het wél lukt ze een menswaardig bestaan te geven en ze weer te kunnen zien als mens.”
tekst: Raymond Krul
1 Een VG7-indicatie wordt afgegeven voor mensen met een verstandelijke beperking en een zeer intensieve zorgvraag, lees verder op: www.vgn.nl/nieuws/leidraad-perspectief-op-persoonsgerichte-zorg-uitgebreid-met-vg7
In ‘Nooit te laat’ maakt documentairemaker Narsingh Balwantsingh Hindoestaanse grootouders deelgenoot van het leven van hun kleinkinderen en andersom. Om ze zo dichter bij elkaar te brengen. Zelf is hij door gesprekken met zijn oma wijzer geworden over zichzelf en zijn familie. Dat gunt hij andere gezinnen ook.
Lees meer
De eerste serie van Nooit te laat is al in 2018 uitgezonden op televisie. Dit jaar is seizoen twee van start gegaan. In totaal zijn er nu zes portretten van een Hindoestaanse grootouder met een kleindochter of kleinzoon. Ze trekken een paar dagen met elkaar op, komen meer te weten over elkaars leven vroeger en nu, bekijken foto’s van vroeger en stellen elkaar vragen die ze nooit eerder gesteld hebben.
Het zijn intieme portretten. De band tussen grootouder en kleinkind is elke aflevering bijzonder om te zien. Ze ontdekken verschillen en overeenkomsten. Door samen tijd door te brengen, krijgen ze meer begrip voor elkaars waarden en normen.
Een prachtig moment is wanneer een oma, die vroeger zangeres was, samen zingt met haar kleindochter, die zanglerares is. Zo spreken ze elkaar zingend toe. “Mijn oma is gewoon een gangster”, lacht de kleindochter als haar oma uitlegt dat ze de baas is van de familie.
Of neem de opa met zijn kleinzoon van 26. De kleinzoon studeert, terwijl opa op zijn 26ste uit Suriname vertrok. Ze halen herinneringen op aan oma die overleden is. Opa neemt zijn kleinzoon mee naar een religieuze bijeenkomst, de kleinzoon zijn opa naar de sportschool. Het doet opa verdriet dat zijn kleinzoon de Hindoestaanse taal niet spreekt. Als je de cultuur niet kent en de taal niet spreekt, dan leef je als een dier, legt hij uit.
In veel afleveringen koken grootouders en kleinkinderen samen. Een oma legt uit dat eten van levensbelang is in haar familie. Voor haar, maar ook al voor haar ouders en grootouders. Haar kleinzoon houdt ook van koken, en zo is de cirkel rond. Deze oma, die familietherapeut is, geeft een ‘oma-college’ aan al haar kleinkinderen. Ze wil dat zij weten waar hun familie vandaan komt en de verhalen kennen.
De kleinkinderen nemen haar levenslessen mee. Een kleindochter beseft dat ‘het leven tanden heeft die je heel hard kunnen bijten’. Een ander dat ‘alles tijdelijk is’. En weer een ander dat ‘het belangrijk is om zelfstandig te zijn’. Een kleinzoon wil zich meer gaan verdiepen in de Hindoestaanse cultuur.
De grootouders leren ook van hun kleinkinderen. Zoals dat je moet durven, moet proberen, dat alles mogelijk is. Een oma zegt dat de kleinkinderen de toekomst zijn, en dat ze zoveel in hen herkent.
Tip: bekijk de serie met je kinderen. Mijn eigen kinderen en ik raakten dan steeds in gesprek over hun opa’s en oma’s. Mijn dochter van dertien wist meteen wat ze zou gaan doen met haar oma: “Haar meenemen naar de musicalles, dan kon ze mij zien optreden.”
tekst: Marleen Baeten
beeld: NTR
De twee seizoenen van Nooit te laat zijn te zien via: www.npo.nl/start/serie/nooit-te-laat.
Melanie Broekmeulen en Lonneke de Kraker, beiden orthopedagoog-generalist en NVO-lid, zijn behandelcoördinator bij Auris. Dit expertisecentrum biedt zorg en onderwijs aan kinderen met een taalontwikkelingsstoornis (TOS), dove en slechthorende kinderen en hun ouders. Voor de Pedagoog beschrijven zij hun ervaringen, met Rosa (2) en Tim (3) in de hoofdrol.
Lees meer
Melanie Broekmeulen
De behandeling bij Koninklijke Auris Groep richt zich op alle ontwikkelingsgebieden die verband houden met gehoor, spraak of taal. Er is ambulante behandeling en er zijn behandelgroepen voor peuters en schoolgaande kinderen. Ambulante behandeling kan plaatsvinden in het gezin, op de kinderopvang of een Auris-locatie. Bijvoorbeeld krachttraining, een individuele korte behandeling bij sociaal-emotionele problematiek, bedoeld om de kracht in jezelf te ontdekken en te benutten.
Een (specifieke) taalontwikkelingsstoornis is een neurobiologische ontwikkelingsstoornis van genetische oorsprong, gekenmerkt door een taalontwikkeling die beduidend achterblijft bij die van leeftijdgenoten1. De achterblijvende taalontwikkeling kan niet verklaard worden door een gehoorverlies, verstandelijke beperking, neurologische afwijking, afwijking aan het spraakorgaan, contactstoornis, deprivatie of ongunstige taalaanbodsituatie.
Een TOS kan zich uiten in taalbegrip en taalproductie. Deze stoornis kan voorkomen in alle aspecten (fonologie, semantiek, (morfo)syntaxis en pragmatiek) en modaliteiten van taal (gesproken taal, geschreven taal en gebarentaal).
Niet alle kinderen met een TOS komen in aanmerking voor behandeling vanuit Auris. Kinderen kunnen alleen na een multidisciplinair onderzoek door een medisch specialist verwezen worden. Dit kan alleen bij ernstige en hardnekkige taalproblemen die impact hebben op het functioneren en de overige ontwikkeling. Er is vaak sprake van handelingsverlegenheid bij het gezin en de rest van het systeem, zoals de logopedist en het kinderdagverblijf.
Rosa (2) gaat maar niet praten. Haar ouders maken zich zorgen. Logopedie geeft onvoldoende verbetering. Rosa wordt door het audiologisch centrum verwezen naar de behandelgroep voor peuters met (een vermoeden van) TOS. De achterblijvende taalontwikkeling kan niet op een andere manier verklaard worden.
De TOS uit zich bij Rosa in het uitblijven van taalproductie. Ze gebruikt maar vier woorden: ‘papa’, ‘mama’, ‘ja’ en ‘nee’. Buitenshuis spreekt ze niet. Haar taalbegrip is van een gemiddeld niveau. Rosa raakt in vertrouwde situaties gefrustreerd als ze zichzelf niet duidelijk kan maken met natuurlijke gebaren of lichaamstaal.
Het valt op dat Rosa een woord pas zegt als ze het kan en wil. Ze is trots als ze het woord heeft gezegd, maar wil het niet herhalen. De ouders vinden het moeilijk hiermee om te gaan. Als Rosa een woordje zegt, zijn ze zo trots dat ze haar vragen het te herhalen en bouwen daarmee onbedoeld de druk op. Rosa zegt het woord dan niet meer.
Bij de start van de behandeling blijkt het belangrijk om de druk op het spreken weg te halen en Rosa thuis en buitenshuis alternatieven te bieden om te communiceren. We beginnen met Nederlands ondersteund met gebaren (NmG) en visualiseren. De gebaren worden gedeeld zodat ze in alle situaties ingezet kunnen worden. Bijvoorbeeld het gebaar voor ‘helpen’. Met de ouders onderzoeken we ook welke visualisering nodig is. Zoals foto’s van het beleg, zodat Rosa kan kiezen wat ze op haar boterham wil. Dit ook om de ontwikkeling van autonomie, die in deze ontwikkelfase zo belangrijk is, te bevorderen.
In de groepsbehandeling is er eerst aandacht voor basisveiligheid en vertrouwen. De communicatie is afgestemd op wat Rosa aan kan. Zij kan met wijzen, kijken, knikken of schudden van haar hoofd aangeven wat ze wel of niet wil. Daarnaast bieden we in de dagelijkse routines steeds dezelfde (eenvoudige) woorden en gebaren aan en herhalen die. De behandelaar staat model. Die wacht steeds vaker iets langer en kijkt Rosa verwachtingsvol aan, om haar uit te lokken een bepaald woord of gebaar in te zetten.
Thuis en tijdens ontspannen momenten in de behandelgroep begint Rosa enkele woorden en gebaren in te zetten. De verwachtingen van Rosa worden geleidelijk opgebouwd. Bijvoorbeeld door voorwerpen buiten haar bereik te leggen en in ontspannen dagelijkse situaties te wachten op het initiatief van Rosa tot het (bekende) woord of gebaar. Terwijl we intussen ons vertrouwen in haar uitspreken, dat we weten dat ze dit kan. In deze functionele situaties wordt ze steeds positief bevestigd. Door het woord of gebaar in te zetten, krijgt ze wat ze wil.
Geleidelijk krijgt Rosa meer mogelijkheden om zichzelf te uiten. Ze gebruikt zelf nieuwe woorden en gebaren, zoals ‘helpen’, ‘stop’, ‘wacht’, ‘eten’ en ‘ranja’. Ze richt zich op de andere kinderen en raakt minder afhankelijk van ouders en behandelaren. De behandeling heeft Rosa’s ouders bewust gemaakt van de ‘spreekdruk’ die zij hun dochter konden geven. Ze zijn blij met de ontwikkeling die Rosa laat zien sinds ze de behandelgroep bezoekt.
Naar de behandelgroep voor peuters komen kinderen van twee tot maximaal vijf jaar en er is ruimte voor acht kinderen. Zij bezoeken de behandelgroep twee dagen per week waarbij er gewerkt wordt aan het stimuleren van de spraak- en taalontwikkeling. In de behandeling is er een onderscheid tussen algemeen groepsaanbod, het werken in een subgroep en individueel aanbod.
Het behandelteam bestaat uit hbo-opgeleide pedagogen, een logopedist, fysiotherapeut en een behandelcoördinator. Zo nodig wordt het team aangevuld met een ambulant behandelaar.
De behandelcoördinator is eindverantwoordelijk en nauw betrokken bij de behandeling. Zij vormt een belangrijke schakel tussen ouders, de behandelaren en andere betrokkenen en is gericht op samenwerking, maatwerk en resultaat.
Om meer maatwerk te bieden, is gekozen voor een aanvullend modulair (plus)aanbod. De behandelcoördinator kijkt bij de start en gedurende de behandeling, samen met de ouders, welke hulpvragen er leven. Zo nodig kunnen zij gebruik maken van een plusaanbod, zoals cursussen om de communicatie tussen ouders en kind te ondersteunen en bevorderen, ambulante behandeling in het gezin en indirecte logopedie (ouder-coaching). Daarnaast nemen ouders en kind, voorafgaand aan de behandelgroep, deel aan een ouder-kindgroep. Hier komen ze vier ochtenden naartoe en krijgen de ouders handvatten in het stimuleren van de spraak- en taalontwikkeling van hun kind in verschillende situaties.
Lonneke de Kraker
In de behandelgroep staat de samenwerking met ouders centraal, dialogisch werken vormt een belangrijk onderdeel. Ouders zijn expert op het gebied van hun kind, wij op het gebied van de spraak- en taalontwikkeling. Door de krachten te bundelen streven we naar een zo groot mogelijk behandelresultaat.
Door in het behandelaanbod aan te sluiten bij de hulpvragen van ouders en rekening te houden met de draagkracht en draaglast van het gezin, kunnen we passende zorg bieden.
Auris is erkend als expertisecentrum Zintuiglijk Gehandicaptenzorg. Het richt zich op praktijkgericht onderzoek en innovatie in onder andere diagnostiek en behandeling van TOS.
Samen met andere expertiseorganisaties is Auris aangesloten bij Deelkracht, dat een onderzoeksprogramma uitvoert, gesubsidieerd door ZonMw. In Deelkracht werken onderzoekers, professionals en ervaringsdeskundigen samen aan één einddoel: een samenleving die ook met een zintuiglijke beperking toegankelijk is2.
Eén van de projecten is een onderzoek naar werkzame elementen in de TOS-behandeling van nul- tot vijfjarigen. Er is onderzocht wat werkt volgens professionals en ouders. Ook is er literatuuronderzoek gedaan voor (wetenschappelijke) onderbouwing. Voor indirecte therapie, taalstimulerende interactietechnieken en recasten (impliciete correctie door de foute zin in de correcte vorm te herhalen) zijn goede tot sterke aanwijzingen voor effectiviteit gevonden.
Zie voor alle onderzoeksprojecten: www.deelkracht.nl.
tekst: Melanie Broekmeulen en Lonneke de Kraker
De namen in dit artikel zijn gefingeerd.
Meer weten over Auris?
Kijk op: auris.nl
1 Gerrits, E. & Niel, E. van (2012). Taalachterstand of taalontwikkelingsstoornis? Logopedie en Foniatrie, 84(11), 6-10.
2 Deelkracht: www.deelkracht.nl
3 Stichting FloorPlay: www.stichtingfloorplay.nl
De ouders van Tim (3) maken zich zorgen. Zijn taalproductie komt nauwelijks op gang en het contact met Tim verloopt moeizaam. Hij kijkt hen vaak niet aan of keert zich van hen af. Uit een multidisciplinair onderzoek in het Sophia Kinderziekenhuis komt het vermoeden van een TOS.
Bij de start van de behandeling valt het ook de behandelaren op dat de communicatieve voorwaarden, waaronder oogcontact en beurtwisseling, onvoldoende aanwezig zijn. Tim reageert vaak niet op initiatieven van de behandelaren en zoekt enkel (non-verbaal) contact op zijn initiatief. Bijvoorbeeld door te wijzen.
Om bij de hulpvraag van de ouders aan te sluiten, is in overleg met hen besloten om eerst te werken aan de communicatieve voorwaarden. Tim lijkt zich op dit moment nog onvoldoende bewust van de functie van taal. Door eerst in te zetten op de voorwaarden binnen de communicatie, hopen we de dat er meer wederkerigheid ontstaat in het contact. Dit laatste is ook van belang om te kunnen werken aan het vergroten van de taalproductie.
Er is gekozen voor een pluscomponent: ambulante behandeling met als specialisme Floorplay. Deze interventie richt zich op het versterken van de affectieve ouder-kindrelatie en het bevorderen van de ontwikkeling van het kind3. Zowel thuis als in de behandelgroep is aan de hand van de principes van Floorplay gewerkt aan het vergroten van plezier in de interactie tijdens het spelen (met ouders en/of behandelaren).
Al na een paar weken merken de ouders verschil in het contact met Tim. Hij maakt meer oogcontact, er is meer gedeeld plezier en hij reageert vaker op initiatieven van zijn ouders. Deze ontwikkeling valt ook in de behandelgroep op en zo ontstaat er meer ruimte voor behandeling.
Tim heeft uiteindelijk negen maanden in de behandelgroep gezeten en kon aan het einde van de behandeling zijn wensen en behoeften verwoorden in zinnen met vier á vijf woorden. Zijn ouders zijn zeer dankbaar voor de stappen die Tim heeft gezet en de handvatten die zij hebben ontvangen.
Kinderen die niet naar school gaan, thuiszitters, zijn af en aan een beladen gespreksonderwerp in politiek en media. Iemand roept verontwaardigd dat het niet waar kan zijn dat in zo’n welvarend land niet voor iedereen passend onderwijs is. (Het is wel waar.) Een ander roept dat het hele onderwijssysteem moet veranderen. (Haalt net zoveel uit als roepen dat de regen moet stoppen.)
Weer een ander schrijft een jubelend artikel over een dagbesteding in Snobbelgeest waar ze dé oplossing gevonden hebben. (Dé oplossing bestaat niet.) En dan schrijft de overheid bij gebrek aan beter weer een brief dat we onderzoek moeten doen en kennis uitwisselen.
Lees meer
De toon en dynamiek van dit gesprek veranderen al 25 jaar niet en het aantal thuiszitters blijft stijgen. Bij lezingen over dit onderwerp is het publiek wel eens teleurgesteld dat ik weinig praat over oplossingen. Want we willen het liefst een systematische oplossing voor het probleem dat sommige kinderen niet in het systeem passen. Ik geloof niet in algemene oplossingen.
Maar als er geen algemene oplossingen zijn, wat heb ik dan de afgelopen acht jaar gedaan in mijn werk met thuiszitters? Zoeken, luisteren, ploeteren, kijken, aanmodderen, mislukken, moed bij elkaar rapen, nog beter kijken, aandachtig luisteren en weer verder ploeteren. Ja, dan word je wel eens wat wijzer. Je ontdekt dat sommige dingen, zoals druk zetten, meestal niet werken (maar soms ook wel). En andere dingen, zoals de sociaal-emotionele veiligheid herstellen, vaak wel (maar ook niet altijd).
Ik zou dat wat ik leer kunnen vatten in een model, een procedure of een stappenplan, maar dat weiger ik. Waarom? Omdat je kinderen niet kunt helpen als je denkt hun gedrag, situatie en oplossingen al te kennen voordat je echt contact met ze gemaakt hebt. En het is precies dát wat elk systeem veronderstelt; dat we vooraf kunnen bedenken wat werkt voor een kind. Mijn succes met kinderen die vastlopen in het onderwijs komt niet door vakkennis, talent of ervaring maar door mijn hardnekkige geloof dat alleen echt contact met het unieke kind in zijn unieke situatie ons de uitweg kan wijzen. Klinkt mooi. Waarom doen we dat dan vaak niet?
Echt contact met een kind veronderstelt een gezonde pedagogische relatie. Zo’n relatie is geen controlerelatie, geen machtsrelatie of ‘professionele’ relatie. Zo’n relatie is een avontuur en avonturen zijn eng. Je weet niet waar het heen gaat. Je weet niet hoe het kind zich zal ontwikkelen en al helemaal niet wanneer het welke stap in zijn ontwikkeling besluit te zetten. Avontuur klinkt ook mooi. Maar durven we echt te aanvaarden dat het kind, de ander, van zichzelf is en zijn eigen pad zal kiezen, hoeveel wij ook weten over pedagogiek en hoeveel goeds we het kind ook toewensen?
De oplossing voor thuiszitters ken ik niet, maar ik weet wel dat de uitweg begint bij de aanvaarding dat wij met alle betrokkenen in het systeem rond het kind een avontuur aangaan en dat controle, planning en beheersing ons misschien helpen maar het kind niet.
tekst: Martin Schravesande
Martin Schravesande had zes jaar lang een gespecialiseerde thuiszittersklas en zet zich nu met www.opengeestig.nl op allerlei manieren in voor pubers die vastlopen in het onderwijs. Hij schreef De thuiszittersklas. Op zoek naar de wil om te leren en De onderhuidse leraar. Twintig lessen van pubers.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Over de fysieke voorbereiding op het ouderschap is veel informatie beschikbaar, vooral voor moeders. Maar hoe bereid je je mentaal voor als je een kind verwacht? Met die vraag in gedachten heeft Rhodé van den Berg, pedagoog en Infant Mental Health-specialist, een boek geschreven voor aanstaande ouders en professionals die met hen werken. Het begrip ‘ouders’ kun je breed interpreteren; het boek is ook geschikt voor adoptieouders, pleegouders en grootouders.
Geboorte van een ouder bestaat uit twee delen. Het eerste gaat over het proces van het worden van een ouder en het tweede over wat kinderen nodig hebben van hun ouder(s) en opvoeders om zich goed te kunnen ontwikkelen. Thema’s die aan bod komen zijn onder andere de moederschapsconstellatie, het contextuele gedachtengoed, gehechtheid, sensitiviteit, emotieregulatie en de
piramide van Maslow. Het boek bevat daarnaast veel casuïstiek, praktische tips en reflectievragen. De mooie zwart-wit foto’s maken het geheel af.
Alhoewel de theoretische onderdelen gebaseerd zijn op gedegen wetenschappelijk onderzoek, bespreekt Van den Berg de theorieën vrij oppervlakkig. Dit maakt het boek vooral geschikt voor (aanstaande) ouders die nog niet zoveel weten over de mentale aspecten van het ouderschap en het biedt waarschijnlijk minder nieuwe informatie voor (pedagogisch opgeleide) professionals. Zij kunnen het boek echter wel aanraden aan gezinnen met wie
ze werken, want het geeft absoluut een mooi overzicht van de beschikbare kennis over ouderschap en zet aan tot reflectie.
tekst: Sanne de Vet
Geboorte van een ouder. De kracht van mentale voorbereiding op het ouderschap (2023) van Rhodé van den Berg is een uitgave van Acco.
Anton Horeweg is gedragsspecialist en vijfendertig jaar werkzaam als leerkracht. Met negentien boeken op zijn naam – een groot deel gericht op onderwijs – noemt hij zichzelf met recht een onderwijsgek.
In zijn boek over executieve functies ontwikkelen in de klas valt Horeweg met de deur in huis. Het is een mythe dat executieve functies – zoals impulscontrole, aandacht en korte termijn geheugen – makkelijk te trainen zijn. Het hele boek is
doordrongen van de boodschap dat die ontwikkeling voornamelijk is te beïnvloeden door aanpassingen in de context, de tijd zijn werk te laten doen en de juiste begeleiding te bieden. Wat die juiste begeleiding is? Precies die begeleiding die een kind nodig heeft om een taak succesvol uit te voeren. Een boodschap naar het hart van de orthopedagoog!
Pedagogen kunnen het boek gebruiken om hun kennis over executieve functies op te frissen of verder te verdiepen, als leidraad voor adviezen in onderzoeksrapportages en als aanrader aan leerkrachten en intern begeleiders. Het geeft niet altijd een optimistisch, maar wel een realistisch beeld van
de mogelijkheden tot ontwikkeling van executieve functies. Met recente onderzoeksresultaten, praktijkvoorbeelden en concrete handelingsadviezen slaat het een mooie brug tussen de wetenschap en de praktijk.
Hoewel de schrijfstijl helder is, kost het wel tijd om je te verdiepen in de materie. In mijn ogen is die tijd welbesteed.
tekst: Rianne van Kesteren
Executieve functies ontwikkelen in de klas: wat jij als leerkracht kunt doen (2023) van Anton Horeweg is een uitgave van Pica
‘Vaak denken we als kinderen dat volwassenen het wel zullen snappen en de problemen zullen oplossen. Dat is helaas niet altijd waar. Daarom is er nu dit boekje.’ Levi Sies, de 13-jarige auteur, heeft een manier gevonden om zijn klimaatzorgen om te zetten in actie.
Uit onderzoek blijkt dat 70 procent van de kinderen en jongeren zich zorgen maakt om klimaatverandering. Mensen ervaren klimaatproblematiek al snel als ingewikkeld en onbeïnvloedbaar. Levi legt in heldere taal en met afbeeldingen uit hoe factoren zoals ontbossing, verkeer, eten en stikstof, bijdragen aan de
problematiek. Eerst versterkt dit het gevoel dat het gaat om complexe problemen. Ook blijkt dat sommige oplossingen simpel lijken, maar niet zo simpel zijn. Het einde is gelukkig hoopvoller, met inspirerende mensen en praktische tips.
Alhoewel dit boekje geschreven is voor kinderen en jongeren – het leest als een zeer goed werkstuk – valt er ook voor volwassenen genoeg uit te halen. Zo legt Levi uit waarom de smeltende noordpoolkappen voor sommige grootmachten positief zijn en op termijn tot oorlog zouden kunnen leiden. Soms zijn de gevolgtrekkingen wat snel, zonder specifieke bronvermelding. Maar dat past wel bij de doelgroep. Een waardevol boek om in gesprek te gaan met kinderen en ter aanvulling van de schoolbibliotheek. Levi sluit af met een mooi advies: ‘Soms denk je: Wat maakt het allemaal uit?… Onthoud dan dat elk ding dat je doet tóch verschil maakt.’ Zijn boek informeert, inspireert en activeert.
tekst: Rianne van Kesteren
Kinderen voor het klimaat: ingewikkelde problemen en hun oplossingen simpel uitgelegd (2023) van Levi Sies is een uitgave van Boekscout YO!
Als twee politiemannen een prentenboek maken, zal het wel spannend worden. En bij twee rechercheurs wordt het vast een mysterieuze zaak die om een oplossing vraagt. Sam en het niet-leuke geheim klinkt misschien als een speurneuzenboek, maar dat is het niet. Spoiler-alert: het geheim blijft geheim en toch wordt het opgelost.
Sam woont in een perfect uitziende wereld in zijn paarse huis aan het strand. Hij heeft een lieve kat en een prachtige boomhut. In het park groeien enorme pompoenen en langs de weg bloeien de bomen uitbundig. Toch is Sam verre van happy. Zijn geheim drukt zwaar op hem.
Pieter Melsen en Wouter Vaessen werken als rechercheurs bij de zedenpolitie. Ze zijn gespecialiseerd in het verhoren van jonge kinderen. Wie van de twee daarnaast ook goed kan tekenen en wie er voor de tekst heeft gezorgd, blijft net zo geheim als dat van Sam. Het boek ziet er mooi uit, prikkelt de fantasie en is niet kinderachtig.
De tekst is voor de meeste kinderen van de basisschool goed zelf te lezen, al zal het vooral de bedoeling zijn om dat samen met een vertrouwde volwassene te doen. Iemand zoals meester Tom bijvoorbeeld. Misschien brengt het de jonge lezer op een idee. Dan is het fijn om zo iemand in de buurt te hebben. Meester Tom lijkt de held van dit verhaal. Maar de echte held is Sam.
Aanbevolen, ook door Iva Bicanic van het Landelijk Centrum Seksueel Geweld.
tekst: Andries Kamminga
Sam en het niet-leuke geheim (2023) van Pieter Melsen en Wouter Vaessen is een uitgave van Vesper Publishing.
Het is donker. Ik zit op een stoel. Buiten fluiten de vogels uitbundig. Ik voel een hand onder mijn hand. Als ik m’n ogen opendoe zit ik tegenover Saskia Damen, bijzonder hoogleraar Ontwikkeling en leren van personen met een communicatief meervoudige beperking en personen met aangeboren of vroeg verworven doofblindheid aan de Rijksuniversiteit Groningen.
Lees meer
Saskia Damen
Op mijn verzoek heeft ze zojuist iets tegen me gezegd in tactiele gebarentaal, gebarentaal waarbij de handen van de luisteraar licht op de handen van de gebarende spreker rusten. Eerder in het gesprek liet ze me al ervaren hoe een persoon met doofblindheid (DB) of een communicatief meervoudige beperking (CMB) concrete verwijzers, zoals ‘drinken’, wordt aangeleerd.
Haar hand begeleidt mijn hand naar een kopje, het kopje gaat omhoog en naar beneden, het kantelt. Ik voel eerst dat ik weerstand bied, maar om te begrijpen dat het niet over het kopje zelf, maar over ‘drinken’ gaat, moet ik meebewegen.
Om de gebarentaal te begrijpen zal nog veel meer nodig zijn. We spreken erover, allebei aan een kant van de tafel, want het voelt met ogen open toch wat ongemakkelijk om op minder dan een meter afstand van elkaar te zitten. Voor het communiceren met mensen met DB of CMB is die nabijheid echter vaak noodzakelijk.
Saskia Damen vertelt dat de focus op zowel mensen met DB als CMB binnen haar leerstoel een logische is. De noodzaak tot aanpassen van de communicatie aan de begrips- en zintuiglijke mogelijkheden van het kind is een belangrijke overeenkomst.
“Binnen Kentalis, waardoor de leerstoel is ingesteld, was er al veel samenwerking tussen beide doelgroepen. Met name als het gaat om aangeboren DB en CMB. Bij beide groepen zie je vanaf de geboorte ernstige problemen in de ontwikkeling van taal en communicatie. En dat staat het leren op alle domeinen in de weg.”
Er moet dus zeer specifieke ondersteuning geboden worden om tot ontwikkeling te komen.
“Je moet het kind benaderen via de zintuigen die toegankelijk zijn en bij doofblindheid is dat meestal via de tast. Exploratie van de wereld gaat vaak niet vanzelf, je moet dichtbij zijn, het kind ondersteunen en ook zelf laten ontdekken. Het opbouwen van de symbolische woordenschat gaat met inzet van ‘Ondersteunde Communicatie’, zoals plaatjes of picto’s. En bij DB vaak door het laten ‘afvoelen’ van gebaren.”
Hierbij moet je zorgen voor interessante motiverende ervaringen. “Zo houden kinderen met doofblindheid vaak van trillingen, felle lichten, windvlagen, geuren of samen bewegen. Kinderen die nog kunnen zien of horen, hebben vaak een sterke interesse voor plaatjes of liedjes. De opvoeder moet goed kijken hoe je die motiverende ervaringen kunt gebruiken om communicatie en taal uit te lokken. Zoals een leuke activiteit aanbieden en dan stoppen. Zo bied je het kind de gelegenheid te vragen om meer.”
We spreken over Anne Sullivan (1866-1936), de vrouw die bijna vijftig jaar lang de persoonlijke begeleider was van de doofblinde Helen Keller (1880-1968). “Uniek” zegt Saskia Damen over deze vorm van begeleiden, maar tegelijkertijd wenst ze de kinderen van nu ook toe dat er altijd een communicatiepartner is die hen heel goed begrijpt. Zo moeten ouders, die een continue relatie kunnen opbouwen met hun kind, een grotere rol krijgen in de stimulering van communicatie en taal.
“Elk kind is anders en je moet ter plekke goed af kunnen stemmen. Ouders moeten zich hierin competent voelen. Coaching tijdens interactiesituaties thuis en coaching waarbij je kijkt naar video’s van jezelf, zogenaamde ‘video-interactie-begeleiding’, is hierbij een heel belangrijk ingrediënt. Dankzij onderzoek weten we dat ouders, maar ook begeleiders en leerkrachten, hier ontzettend veel van leren. De interactie verbetert, net als de kwaliteit van het contact. Ze begrijpen elkaar beter en ouders en begeleiders kunnen hierdoor leren om specifieke strategieën in te zetten die verdere ontwikkeling van communicatie en taal stimuleren. Als het kwartje eenmaal gevallen is bij een kind, dat je dingen kunt benoemen in de wereld, ben je al een heel eind.”
Naast het doorontwikkelen en toetsen van video-interactie-begeleiding voor personen met CMB of DB lopen er meerdere onderzoeksprojecten. Zoals onderzoek onder vijfentwintig deelnemers (DB, jonge kinderen tot volwassenen) naar de betrouwbaarheid, validiteit en uitvoerbaarheid van de Tactiele Werkgeheugenschaal.
“Dit instrument geeft inzicht in de mate waarin iemand tactiele informatie tijdelijk kan vasthouden, terug kan halen en in kan zetten tijdens dagelijkse activiteiten en interactiemomenten. Het is belangrijk om te zien of kinderen uit zichzelf tast inzetten en hoe zij dit doen. Door de inzet van de observatieschaal in de dagelijkse praktijk, krijg je een profiel van de persoon waaraan leerstrategieën zijn gekoppeld, dat je kunt inzetten om de tactiele werkgeheugenfuncties te ondersteunen.”
“Voor veel orthopedagogen zijn DB en CMB wellicht onbekend”, zegt Saskia Damen.
“Al maakt het uit waar je je opleiding hebt gedaan. Bij de RUG zit het wel in het curriculum van de bachelor en master orthopedagogiek en je kunt hier zelfs de enige master ter wereld in deafblindness volgen. Mensen uit de hele wereld nemen hieraan deel, ieder jaar zo’n acht tot tien studenten. Groot voordeel is dat je mensen van over de hele wereld die met deze doelgroepen werken goed leert kennen.”
Saskia Damen wil graag nog wijzen op het belang van een leven lang leren.
“Kinderen met deze complexe problematiek komen vaak niet op de juiste plek. Bij doofblindheid zie je dat de neonatale gehoorscreening dove kinderen relatief snel opspoort. Maar het visuele systeem is dan nog in ontwikkeling, die screening komt pas later. Wordt een beperking in horen én zien wel opgemerkt, dan ziet men het toch vaak als twee afzonderlijke beperkingen. De Scandinavische landen zijn hierin een voorbeeld voor ons. De opsporing verloopt daar beter, meer systematisch. En ben je doofblind bevonden, dan krijg je je leven lang ondersteuning.”
“In Nederland stopt het speciaal onderwijs rond je achttiende. Terwijl de ontwikkeling bij deze doelgroep dan soms pas echt op gang komt. Zo had een leerling met aangeboren DB bij het verlaten van de school een geschat begrip van 300 gebaren en was hij net begonnen met het actief gebruiken van gebaren om zijn ervaringen te delen met anderen.”
“Het duurt zo lang voordat mensen met CMB of DB actief taal gaan gebruiken omdat het aanbod van toegankelijke taal – de taal die wordt aangeboden op een manier die goed waargenomen en verwerkt kan worden – vaak maar een fractie is van wat mensen zonder deze beperkingen aangeboden krijgen. Bewuste taalstimulering moet dus veel langer doorgaan en toegankelijke taal zou veel frequenter moeten worden aangeboden. We zouden als samenleving ook voor personen met CMB en DB moeten zorgen voor een leven lang leren.”
Bij communicatief meervoudige beperkingen (CMB) zijn er als gevolg van meervoudige beperkingen – zoals een auditieve en verstandelijke beperking – ernstige problemen met het waarnemen, verwerken, begrijpen of uiten van taal. Bij doofblindheid (DB) zijn deze problemen er ook, maar doofblindheid wordt gezien als een unieke beperking doordat de problemen in horen en zien elkaars compensaties in de weg staan en zij vooral aangewezen zijn op de tast. Doofblindheid heeft niet alleen impact op communicatie, maar ook op de informatieverwerking, oriëntatie en mobiliteit. Bij zowel CMB als aangeboren doofblindheid is het leren van communicatie en taal heel lastig. Bij personen die op latere leeftijd doofblind worden is dat in meestal niet zo, want zij hebben dan al een taal geleerd, maar zij moeten hulpmiddelen krijgen om communicatie en taal toegankelijk te maken.
tekst: Bart van Gent
beeld: Jenne Hoekstra
Saskia Damen: “Ook met doofblindheid kun je je ontwikkelen” Faculteit Gedrags- en Maatschappijwetenschappen | Rijksuniversiteit Groningen (rug.nl)
Gezinshuizen zijn in opkomst maar nog niet bij iedereen bekend. Wat zijn de verschillen met pleegzorg en residentiële opvang? Welke kinderen wonen er? Het boek ‘Hoop een thuis geven’ wil de positie van gezinshuizen en de complexe taken van gezinshuisouders verduidelijken. Pedagoog Marianne Welmers schreef eraan mee.
Lees meer
Marianne Welmers
Sinds de Jeugdwet van 2015, en in lijn met het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, worden uit huis geplaatste kinderen bij voorkeur opgevangen in een gezinsomgeving en niet in een instelling. Kindertehuizen verdwijnen, terwijl het aantal gezinshuizen de laatste jaren is verdubbeld naar bijna duizend in 20201.
Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp, waarbij gezinshuisouders 24/7 opvoeding en zorg bieden aan zo’n vier tot zes bij hen in huis geplaatste kinderen. Sommige gezinshuisouders zijn in loondienst bij een zorgaanbieder, andere zijn zelfstandig ondernemer. Om de kwaliteit en veiligheid te bewaken, zijn er kwaliteitscriteria opgesteld2. Gezinshuisouders verbinden zich hieraan en staan onder toezicht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd.
In Hoop een thuis geven (2024)3 staat het dagelijkse en professionele leven in gezinshuizen centraal. Het boek is gebaseerd op meerdere onderzoeken en interviews met gezinshuisouders en jongeren in gezinshuizen. Ik spreek met een van de auteurs, orthopedagoog Marianne Welmers, onderzoeker bij de Hogeschool Windesheim in Zwolle. Zij promoveerde in 2021 bij de Universiteit van Amsterdam op een onderzoek naar werkrelaties binnen ambulante gezinsbehandeling.
Het aantal gezinshuizen is flink gegroeid. Tegelijkertijd is er nog veel onduidelijkheid en onwetendheid over gezinshuizen, lees ik in het boek. Hoe zit dat?
“Gezinshuisouders worden vaak verward met pleegouders”, zegt Marianne Welmers. “Ze merken dat zij niet gezien worden als professional maar als pleegouder. Ook omdat het op het eerste oog om een gewone gezinssituatie gaat. Er is wel een duidelijk onderscheid: pleegouder ben je op vrijwillige basis, vaak naast een gewone baan. Gezinshuisouder is een beroep, je bent professioneel opvoeder. De meeste gezinshuisouders hebben een zorggerelateerde mbo- of hbo-opleiding en zijn geregistreerd bij het SKJ4. Voor gezinshuisouders is het hun baan en inkomen. Gezinshuiszorg is een gefinancierde vorm van zorg. Pleegouders krijgen een tegemoetkoming in de kosten, geen salaris.”
Gezinshuizen zijn voldoende bekend bij pedagogen die werken in de jeugdhulp en jeugdbescherming, neemt ze aan. Misschien is dat minder het geval bij pedagogen die in het onderwijs werken. “Wat ik hoor van gezinshuisouders is dat er bij scholen veel onbekendheid is over gezinshuizen.”
Voor de gehechtheid van kinderen zijn continuïteit en stabiliteit van fundamenteel belang. Het grootste verschil tussen een gezinshuis en residentiële opvang is de stabiliteit van de opvoeders.
“Bij een residentiële groep is er een team van opvoeders, die bij het wisselen van de dienst het stokje overdragen aan collega’s. In een gezinshuis is de gezinshuisouder de permanente factor. De gezinshuisouder is er in principe altijd, ook in het weekend, die draait geen diensten. Gezinshuisouders werken wel altijd samen met een team van professionals, met daarin minimaal een gedragswetenschapper die betrokken is bij de behandeling en begeleiding van de kinderen.”
Kinderen in gezinshuizen hebben vaak complexe problematiek. Waar gaat het om?
De problemen zijn heel divers, geeft Marianne Welmers aan.
Wat je meestal ziet is forse gedragsproblematiek. Veel kinderen in gezinshuizen hebben meerdere overplaatsingen meegemaakt en op verschillende plekken gewoond, in pleeggezinnen of een groep. Trauma en hechtingsproblemen komen dan ook vaak voor.”
Soms willen pleegouders opgeschaald worden naar gezinshuiszorg als de gedragsproblemen van hun pleegkind erg zwaar zijn en er meer nodig is. “Een van de pleegouders kan dan stoppen met zijn baan, zich waar nodig omscholen en zich volledig richten op het gezinshuisouderschap. Het is een mooie route omdat het kind op dezelfde plek kan blijven. Er zit wel een kwetsbare kant aan als zo’n besluit te snel genomen wordt. Het vraagt nogal wat om een gezinshuis te starten en gezinshuisouder te zijn.”
Dat brengt ons bij de taken van de gezinshuisouder. Ik las over de gezinshuisouder als een professional die altijd ‘aan’ staat. Wat komt er op ze af?
“Iedere ouder weet dat er heel wat komt kijken bij het ‘runnen’ van een gezin”, zegt Marianne Welmers. “Bij gezinshuiskinderen komt daar veel extra organisatie bovenop. Zoals het regelen van indicaties, therapie, bezoekregelingen, vervoer. Daarnaast heb je als professioneel opvoeder een rol in het begeleidingsplan. Je moet een leefklimaat vormgeven waarin kinderen met forse problematiek zich kunnen ontwikkelen. Reflecteren op je eigen rol als professional hoort daar ook bij. Gezinshuisouders doen dat allemaal tegelijk en
24/7.”
Als je ergens werkt, komt er een moment dat de deur dicht gaat en de vrije tijd begint. “Zo werkt het dus niet bij gezinshuisouders. Je bent ook professional als je ’s morgens vroeg op pantoffels door het huis loopt en aan koffie toe bent, terwijl er ondertussen al van alles gebeurt. Of als er ’s nachts een kind met een nachtmerrie naast je bed staat. Dan ben je aan het werk. Het gaat altijd door, je staat inderdaad altijd ‘aan’.”
Gezinshuisouders hebben ook als taak om meer dan gewone ouders na te denken over het opvoeden.
“In een gezin neem je misschien de telefoon van je kind ’s avonds in, of je stuurt je kind even naar zijn kamer om rustig te worden. Dat mag je als gezinshuisouder niet zomaar doen bij gezinshuiskinderen, zeker niet met de nieuwe Wet zorg en dwang. Binnen de jeugdzorg valt dat onder vrijheidsbeperkende maatregelen. Je moet dat soort dingen verantwoorden en vastleggen, samen met de gedragswetenschapper. En er moet toezicht op zijn.”
Afwegingen maken en reflecteren horen bij het gezinshuisouderschap, stelt ze. “Misschien neem je je eigen kind bij je in bed als hij nachtmerries heeft. Als het niet je eigen kind is, moet je daar een bewustere afweging in maken. Misschien trek je één lijn, maar je moet er wel over nadenken en het verantwoorden. Dat is logisch, want je werkt met kinderen die veel hebben meegemaakt, soms misbruik of mishandeling. Gezinshuisouders maken die afwegingen niet alleen: een stevig team om hen heen dat zowel steun als spiegel kan zijn, is onmisbaar.”
Gezinshuizen vormen een belangrijke schakel in de afbouw van residentiële zorg. Ze bieden een opvoedingssituatie die zoveel mogelijk lijkt op een gewoon gezin. Hoe profiteren kinderen daarvan?
“Gezinshuisouders proberen een stabiele factor te zijn, een veilige thuishaven. Als er een goede hechtingsrelatie ontstaat tussen gezinshuisouder en kind, komt er ruimte voor een gezonde ontwikkeling bij het kind. Die relatie is een wezenlijk onderdeel van ‘zo thuis als mogelijk’ opgroeien. Daarbij hoort bewust pedagogisch handelen, waarbij de gezinshuisouder de ontwikkeling van het kind op het oog heeft.”
Marianne Welmers geeft een voorbeeld waarover ze onlangs hoorde.
“Het ging om gezinshuisouders die meerdere kinderen uit hetzelfde gezin opvangen, allemaal sterk verwaarloosd. De oudere kinderen lieten sterk geparentificeerd gedrag zien. Dat wil zeggen: ze namen de zorg voor de jongere kinderen over en stelden voortdurend vragen over wat er moest gebeuren. Of er wel brood was gesmeerd, de brief van de juf gelezen, aan de verjaardag van het broertje of zusje gedacht en welk cadeautje er zou zijn. De gezinshuisouders zijn bewust bezig om deze kinderen te leren dat ze weer kind mogen zijn. Dat zij als gezinshuisouders voor dat soort dingen zorgen.
Tegelijkertijd is het balanceren, want als je het in één keer overneemt, verliest het kind een soort van houvast. Terwijl je bij je eigen kind misschien meteen zou zeggen ‘dat regelen wij’, doe je dat bij deze kinderen meer stapsgewijs. Je helpt ze om het steeds een beetje los te laten. Het is een kwestie van vertrouwen dat groeit.”
Tegenwoordig ligt er veel nadruk op samenwerking met de ouders van het kind. En een plaatsing heeft meer kans van slagen als de ouders erachter staan.
“Maar samenwerking tussen gezinshuisouders en ouders is best ingewikkeld en goede begeleiding in het vormgeven van ‘gedeeld opvoederschap’ is niet standaard geregeld”, zegt Marianne Welmers.
“Wie is oog en oor voor zowel ouders als gezinshuisouders en kan hen op blinde vlekken wijzen? Dat is echt nog een zoektocht. Er zijn zorgaanbieders die ermee experimenteren en een samenwerkingsbegeleider aanstellen.”
Wat er echt toe doet is relationeel handelen, stelt ze. “Het gaat niet alleen om het faciliteren van een bezoekregeling. Relationeel handelen is fundamenteler: welke plek ouders hebben in het gezinshuis, hoe gezinshuisouders over hen praten en hoe ze het kind helpen voor en na een bezoek. Die onderstroom is belangrijk, want die voelen kinderen aan.”
tekst: Femmie Juffer
Boek cadeau
Van uitgeverij SWP mogen we drie exemplaren van Hoop een thuis geven weggeven. Belangstelling? Stuur voor 5 juli een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
1 Yamuna Ditters, Joanne Kraaijeveld, & Harmke Bergenhenegouwen (2021). Gezinshuizen. Cijfers in context, 2020. Nederlands Jeugdinstituut. www.nji.nl/cijfers/gezinshuizen
2 Hogeschool Leiden & Nederlands Jeugdinstituut (2019). Kwaliteitscriteria
Gezinshuizen.
www.nji.nl/system/files/2021-04/Kwaliteitscriteria-Gezinshuizen.pdf
3 Dorien Graas, Geke Klapwijk & Marianne Welmers van de Poll (Red.) (2024).
Hoop een thuis geven. Het dagelijkse en professionele leven in en rond
gezinshuizen. Uitgeverij SWP.
4 Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ) is het beroepsregister voor jeugdprofessionals,
opgericht door het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de
Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) en de
Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW).
www.skjeugd.nl
Niet alle bedden van de woonzorglocatie waar je werkt als gedragswetenschapper zijn momenteel bezet. Er zijn diverse cliënten aangemeld, maar zij voldoen niet aan het profiel. De manager besluit een cliënt toch te plaatsen. Je voorziet risico’s voor de cliënt zelf en voor de andere bewoners. Kan de manager dit zomaar besluiten?
Lees meer
Natuurlijk is een onbezet bed financieel ongunstig, maar de bezetting moet wel kloppen met het profiel van een locatie. Anders kan dat risico’s veroorzaken, die groter worden naar mate een cliënt op belangrijke punten afwijkt van dat profiel. Bijvoorbeeld bij contra-indicaties.
Het risico is dat de cliënt zelf geen passende zorg krijgt, omdat de locatie niet is ingericht op diens specifieke behoeften of de professionals niet bekwaam zijn in diens specifieke problematiek. Dit kan leiden tot incidenten en mogelijk de veiligheid en het welzijn van andere cliënten in gevaar brengen. Bijvoorbeeld wanneer de cliënt zich onbegrepen voelt en daarom verbaal of fysiek agressief wordt. Dit legt onnodig grote druk op professionals. De organisatie creëert het risico op incidenten en op klachten van cliënten of wettelijk vertegenwoordigers.
In artikel 14, lid 2 van de NVO-beroepscode over Professionele en maatschappelijke verantwoordelijkheid staat: Een pedagoog ‘die in het kader van zijn professioneel handelen weet heeft van een handelwijze of een situatie die bedreigend of schadelijk kan zijn voor een cliënt, of voor een lid van het cliëntsysteem, doet datgene wat ter afwending van deze bedreiging wenselijk is en wat past bij de omstandigheden en zijn professionele verantwoordelijkheid, ongeacht of de pedagoog zelf rechtstreeks met deze cliënt of het lid van het cliëntsysteem bemoeienis heeft.’
Afhankelijk van de ernst van de situatie en de mogelijke risico’s neem je passende actie, zoals in gesprek gaan met de manager. Zorg dat je goed voorbereid bent en de mogelijke risico’s van de plaatsing in kaart hebt gebracht. Toets bij een collega of je redenatie afdoende is en of je niets vergeten bent. Realiseer je dat niet iedere afwijking van een profiel leidt tot incidenten. Sommige niet volledig passende cliënten, kunnen met extra maatregelen prima geplaatst worden. Het ligt ook aan de samenstelling van de groep bewoners en betrokken professionals of dit haalbaar is.
Heb je alles goed in kaart? Ga dan in gesprek met de manager. Niet alleen over de risico’s en mogelijke oplossingen, maar ook over ieders verantwoordelijkheid. Een manager die niet ook een zorgachtergrond heeft en tuchtrechtelijk kan worden aangesproken, kan namelijk geen zorginhoudelijke beslissing nemen. Dus bijvoorbeeld ook geen contra-indicatie naast zich neerleggen.
Uiteindelijk ben je samen verantwoordelijk voor de kwaliteit van zorg. De organisatie moet goede en verantwoorde zorg bieden en de professional faciliteren in het naleven van de beroepscode1. Kom je er niet uit met de manager, zoek het dan, afhankelijk van de ernst van de situatie, hogerop. Speelt dit probleem op meerdere woonlocaties? Zorg dan dat je samen met je collega gedragswetenschappers optrekt. Samen sta je sterker.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Meer weten?
Artikel ‘Het dilemma van de orthopedagoog’ (Bron: Tijdschrift voor Orthopedagogiek, Uitgeverij Instondo
1 Artikel 3.1 WMO 2015, artikel 4.1.1 Jeugdwet, artikel 2 Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg.
De 28-jarige orthopedagoog en NVO-storyteller Kevin Janssen is een young professional. Maar wanneer ik met hem in gesprek ben, lijkt het alsof hij al tientallen jaren werkervaring heeft binnen het pedagogisch werkveld. Een young professional die bruist van de energie.
Lees meer
Kevin Janssen
In 6-vwo wist Kevin nog niet zo goed wat hij wilde gaan doen. “Ik werkte op dat moment in de horeca en dat paste goed bij me. Voor en met mensen werken. Ook had ik een voorkeur voor media en schrijven. Sommige mensen zeiden echter tegen mij dat ik een goede hulpverlener ben. Dat ik goed kan luisteren, praten en mensen wil helpen. Omdat het een lastige keuze was, wilde ik een tussenjaar nemen, totdat een vriendin van mij hbo pedagogiek ging studeren en dat leek mij ook wel wat. Het is een mooie brede opleiding. Ik koos op dat moment bewust voor een hbo-opleiding, wilde vooral praktijkervaring opdoen. Door deze opleiding en de verschillende stages heb ik het pedagogisch werkveld goed leren kennen.”
Na het hbo maakte Kevin de keuze voor orthopedagogiek in Groningen. Als Limburger begon hij toen zijn leven op te bouwen in het noorden, samen met zijn vriend die daar vandaan komt. Naast zijn studie werkte hij ook onder andere als leerplichtambtenaar en ambulant begeleider.
“Na het behalen van mijn master ben ik terecht gekomen in de ggz waar ik verschillende rollen heb – behandelaar, praktijkondersteuner huisarts en onderdeel van de crisisdienst. Daarnaast geef ik les op het hbo, ben ik zzp’er en schrijf ik veel. Twee jaar geleden ging ik daarbij ook nog werken als behandelcoördinator in de jeugdzorg. Ik doe heel veel leuke en gevarieerde dingen.”
Wat enthousiasmeert Kevin het meest?
“Ik werk altijd vanuit de relatie met een cliënt. Inmiddels heb ik losgelaten dat mensen mij leuk moeten vinden. Het belangrijkste is dat de cliënt vooruitgaat. Ook als dat moeizaam gaat. In de kleine stapjes voorwaarts zit mijn motivatie. Ik sta daar regelmatig even bij stil. Het is aan mij om het beste uit een cliënt te halen. Dat geeft zo ontzettend veel energie en voldoening.”
“Ook is het erg leuk om nieuwe professionals te enthousiasmeren voor het werk. Hen meegeven dat je van betekenis kan zijn en hoe je dat doet. De veelzijdige facetten van het mooie pedagogische werkveld, daar kun je niet genoeg over vertellen… en eigenlijk kun je dat alleen maar ervaren.”
Sinds september vorig jaar is Kevin aangesloten bij de NVO-storytellers en is hij ANP-expert. Hij wil graag de stem van een orthopedagoog laten horen. Dat betekent dat hij opinieartikelen schrijft over het pedagogische werkveld en opstuurt aan de landelijke media. Hij heeft inmiddels enkele artikelen geschreven en is een paar keer geïnterviewd door studenten journalistiek via het ANP.
“In het begin vond ik het doodeng om mijn mening te geven. Maar binnen de groep van storytellers word je goed begeleid en weet je dat het belangrijk is om onze stem te laten horen. Ik kan het echt aanraden! Je wordt je ook veel bewuster van hoe je over iets denkt en hoe je je mening dan vormt. Als storytellers proberen we een vertaalslag te maken van de maatschappelijke discussies binnen de pedagogiek naar de praktijk en de dialoog aan te jagen.”
Wanneer ik aan Kevin vraag naar zijn gemiddelde werkdag, moet hij even lachen. Met twee werkgevers, lesgeven op het hbo en een deeltijdstudie postmaster-GZ ziet iedere dag er anders uit. “Geen enkele werkdag is hetzelfde en de banen lopen wat door elkaar. Voor velen is dat niet te doen, maar mij houdt het scherp. Gemiddeld werk ik zestien uur als behandelaar in de ggz en de andere dagen als behandelcoördinator in de jeugdzorg. De komende twee jaar combineer ik dit met een postmaster.”
“Binnen de ggz begin ik vaak met een vergadering met collega’s waarin we samen sparren over casuïstiek. Dan volgen individuele behandelingen aan kinderen, jongeren of volwassenen met uiteenlopende problematiek. Ik werk nauw samen met collega’s uit andere disciplines. Het werk binnen de jeugdzorg is weer heel anders. Daar zet ik vooral de lijn uit en ondersteun ik de mbo- en hbo- jeugdzorgwerkers in het uitvoeren daarvan. Ook heb ik veel overleg over beleidszaken en inhoudelijke kwesties over de casuïstiek met ketenpartners, zoals gemeenten of collega-instellingen. De dag is altijd vol en divers. Er komt veel tussendoor waardoor ik op meerdere borden tegelijk probeer te schaken. Ik moet continu aan staan en de helicopterview behouden. Je leert er in een sneltreinvaart van. Het past mij goed.”
“Mensen kennen mij snel doordat ik overal ben en altijd aanwezig. Ook in de drukke zin van het woord. Ik ben bereikbaar en beschikbaar. Iedereen kan mij altijd iets vragen. Ik ben een duidelijk en daadkrachtig iemand. Ben van het doen, aan de slag gaan en zien wat het brengt. Daarnaast ben ik ook sociaal en heb ik oog voor mijn collega’s. Bij beide werkgevers ben ik lid van de personeelsvereniging en zorg ik voor humor en ontspanning. Men vindt mij een aanjager en een verbinder, in de breedste zin van het woord. Mensen weten wat ze aan me hebben.”
Over een paar jaar is Kevin geen young professional meer, wat is hij dan?
“Ik hoop dan de gz-opleiding te hebben afgerond en nog steeds met veel enthousiasme te werken daar waar ik van betekenis kan zijn. Maar misschien neem ik ooit ook wel een andere afslag. Het zou me ook passen iets radicaal anders te gaan doen. Zelfs dan houd ik van dit werk en blijf ik hoe dan ook een link houden met jongeren en mensen die hulp nodig hebben.”
tekst: Marijke Buisman
“Blijf kilometers maken en laat je niet afschrikken door de zwaarte van het werk. Durf vragen te stellen en je kwetsbaar op te stellen. Ga kijken en ontdekken wat bij je past binnen verschillende contexten. Maak gebruik van die tijd waarin je nog mag leren. Met enthousiasme en passie kom je heel ver en wanneer werken niet als werken voelt, kun je alles! Word lid van de NVO en blijf je ontwikkelen. Promoot pedagogiek. Bouw een netwerk op, daar leer je van. Je kunt zo ontzettend veel binnen dit mooie vak.”
Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.
Lees meer
In mijn vorige column kondigde ik aan dat ik graag stil wil staan bij de cultuur van de NVO. Dit naar aanleiding van de master bestuurskunde, waarvan ik hopelijk deze zomer mijn diploma krijg uitgereikt.
De NVO is – net als alle andere verenigingen – een organisatie die haar bestaansrecht dankt aan haar leden. Al eerder heb ik voor een vereniging gewerkt, namelijk voor de vakbond FNV. Het verschil kan haast niet groter zijn. De cultuur van de FNV gaat vooral over acties en met een gestrekt been ergens instappen. De NVO houdt zich rustig, bijt zich bijna geruisloos vast in hele complexe dossiers en toont zich bescheiden. Hoewel ik het niet aanraad om de cultuur van de FNV te volgen, past onze bescheidenheid niet meer bij 10.000 leden en onze rol in de samenleving.
Maar wat typeert de NVO? En nog belangrijker, hoe willen we gezien worden? Met onze oprichtingsakte uit 1962, keurig ingelijst op ons NVO-kantoor, kunnen we zeggen dat de NVO ertoe deed en doet. En met onze pedagogische visie hebben we goud in handen. Daarmee kunnen we een wenkend perspectief schetsen hoe de NVO kijkt naar een samenleving waarin iedereen meedoet. En een cultuur uitdragen waarbij de dominantie van het medisch denken omver wordt geworpen en onze pedagogische droom van een mooier en kansrijker land voor iedereen die hier woont werkelijkheid wordt.
Judy Hoffer
directeur NVO
foto: Miriam van der Hoek
NVO-lid Charissa van Oosten (29) werkt ruim vier jaar als orthopedagoog bij Het Kleine Helden Huis in Rotterdam. “We zijn gespecialiseerd in kinderen die prematuur of dysmatuur geboren zijn of een moeilijke medische start hebben gehad. Veel kinderen hebben een chaotisch brein, zoals wij dat noemen. Ze verwerken informatie op een chaotische manier en zijn veel prikkelgevoeliger. Ouders kunnen terecht voor diagnostiek en behandeling, voor het hele gezin. We werken ook samen met het ziekenhuis.”
Momenteel houdt Charissa zich vooral bezig met diagnostisch onderzoek naar kinderen. “We doen uitgebreid onderzoek en brengen de verschillende ontwikkelingsgebieden in kaart. Zo krijgen ouders inzicht in de sterke en minder sterke kanten van hun kind. We stellen adviezen op om een kind verder te helpen in zijn ontwikkeling, zowel thuis als op school. Een paar gezinnen behandel en begeleid ik ook.”
Ze vindt het mooi om in een multidisciplinair team samen te werken. “We hebben negen verschillende disciplines onder één dak, van kinderarts tot gespecialiseerde gezinscoach. Dat is makkelijk voor ons professionals en voor de ouders. Vaak voelen ouders zich niet begrepen door hun omgeving, die onbekend is met de gevolgen van vroeggeboorte. Het is fijn om iets te kunnen betekenen voor deze gezinnen.”