redactioneel

 

Malva

In het omslaginterview vertelt Theo van Uum over zijn inspiratiebron Malva, het dochtertje van de wereldberoemde Chileense dichter en Nobelprijswinnaar Pablo Neruda en zijn eerste vrouw, de Nederlandse Maria Hagenaar. Geboren met een waterhoofd, in de steek gelaten door haar vader, in 1943 als achtjarige gestorven en begraven in Gouda.

 

Lees meer

In navolging van Theo van Uum bezoek ik op een zondagmiddag haar graf. Een bordje aan een boom op de oude begraafplaats wijst de weg: links af naar Malva Marina Reyes (Pablo Neruda’s echte naam was Neftali Reyes). Op haar graf, met een rand van witte tegeltjes, liggen hartjes en bloeien bloemen.

‘Ze krijgt gelukkig veel bezoek’, zegt een dame met een bos grijze krullen die ineens naast me staat. Samen met haar man is ze al ruim dertig jaar vrijwilliger op de begraafplaats en ze herinnert zich nog goed dat het graf van Malva werd ontdekt in 2004. Dit zorgde voor een stroom aan journalisten, internationale cameraploegen en fans van Pablo Neruda. Over hun adoratie voor de beroemde dichter kan ze nog steeds kwaad worden. ‘Zo’n geweldige man was hij niet. Hij heeft zijn dochter altijd weggestopt. Dat heb ik toen ook tegen hen gezegd.’

Ook Theo van Uum, zelf vader van een dochter met een beperking, begrijpt niet dat Neruda, die juist opkwam voor de zwakkeren, zijn dochter nooit heeft geaccepteerd. Omdat zij een klein lichaampje en een waterhoofd had, noemde Neruda – taalvorst die hij was – zijn dochter ‘puntkomma’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog laat de grote dichter vrouw en kind berooid achter in Nederland en wijdt geen woord meer aan hen. Dichter Hagar Peeters doet dat wel en geeft het meisje in haar debuutroman Malva alsnog een stem. Een aanrader voor deze donkere dagen. Net als En het vergeten zo lang van Pauline Slot, over Maria Hagenaar, de moeder van Malva.

Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog

 

 

interview


 

‘Mensen met een beperking hebben echt iets te bieden’

Theo van Uum is sinds twee jaar directeur van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland. Hij studeerde economie in Groningen en werkte dertig jaar in Den Haag, vooral bij het ministerie van VWS. Gehandicaptenzorg had altijd zijn warme aandacht. ‘Een hoorcollege over kinderneurologie heeft daar ooit het zaadje voor geplant.’

 

Lees meer

“Leuk dat je langs komt voor de Pedagoog”, heet Theo van Uum (Zwolle, 1963) me vrolijk welkom op het kantoor van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland in Utrecht.

“Het mooiste college dat ik als economiestudent heb gevolgd, was gek genoeg bij orthopedagogiek. Mijn vrouw heeft orthopedagogiek gestudeerd en ze is slechtziend. Ze vroeg me een keer om mee te gaan naar een college, ook om aantekeningen voor haar te maken. Dat was een college van Le Coultre over kinderneurologie. Hij haalde kinderen de collegezaal in. Kwetsbare kinderen tegenover zo’n groep studenten. Dat vond ik doodeng. Maar hij wist een sfeer van veiligheid en vertrouwen te creëren. Dat college en die verhalen hebben een enorme indruk op me gemaakt.”

Zorgzaam

Theo van Uum houdt van cijfers én van taal. Van financiën én van zorg. Hij denkt dat het in de genen zit.

“Dat zorgzame heb ik van mijn moeder. Ze had in de Achterhoek samen met mijn vader een druk horecabedrijf en toch alle aandacht voor mijn broer en mij. Ze heeft mijn vader liefdevol tot zijn dood verzorgd. Mijn overgrootvader was ondernemer, gemeenteraadslid en een van de oprichters van de Boerenleenbank in Zevenaar. Bij geëmigreerde nazaten in Duitsland zie je ook een voorliefde voor openbaar bestuur en economie. Veel van mijn medestudenten kozen voor bedrijfseconomie – die wilden bij Shell, ABN of Mees & Hope werken. Ik had interesse voor de algemeen economische richting, die zich onder andere bezighoudt met overheidsfinanciën.”

Vacature

Na zijn studie begon hij zijn loopbaan in Den Haag bij het ministerie van Financiën. Vier jaar later stapte hij over naar Volksgezondheid Welzijn en Sport.

“Daar heb ik 28 jaar met veel plezier en in verschillende functies gewerkt. De laatste vijf jaar was ik verantwoordelijk voor alle uitgaven die worden gefinancierd vanuit de Wet Langdurige Zorg, dus zowel ouderenzorg als gehandicaptenzorg. Ik had in gedachten om mijn carrière af te sluiten bij VWS, nog een keer iets heel anders, bijvoorbeeld Sport. Maar toen kwam er een mooie vacature bij de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland voorbij. Mijn affiniteit lag altijd al bij de gehandicaptenzorg. Dus ik hoefde er niet lang over na te denken.”

Diversiteit

Werken voor een vereniging is anders dan voor een ministerie, merkt Theo van Uum.

“In vergelijking is dit een vrij klein bureau, met zo’n vijftig mensen. We hebben ongeveer 180 leden. Met hele grote organisaties, zoals ’s Heeren Loo en Philadelphia. Een tijdje geleden was ik bij een van de kleinste, Enzo in Zaandam, met een omzet van circa vijfhonderdduizend euro. Het is een heel divers gezelschap in omvang en qua – rottig woord – doelgroep. Sommige mensen hebben een lichamelijke of zintuiglijke beperking, maar de grootste groep mensen heeft een verstandelijk beperking, van licht tot heel zwaar. De diversiteit maakt het werk leuk en tegelijkertijd uitdagend om iedereen aandacht te geven en de eenheid te bewaken.”

Visie

“Wat daarbij helpt is onze gezamenlijke Visie 2030”, zegt Theo van Uum. “Ons streven is dat iedereen met een beperking een betekenisvol leven kan leiden en gewoon mee kan doen. Met werk, activiteiten, contacten. Daar willen we niet om hoeven bidden en smeken. Mensen met een beperking hebben ook iets te bieden.”

“In mijn VWS-tijd bijvoorbeeld werkte, noem haar maar ‘Els’ als gastvrouw bij het ministerie. Soms had je vergaderingen waarbij mensen met rode koppen tegenover elkaar zaten, zo heetgebakerd. Dan werd er vijf minuten geschorst en kwam Els een rondje koffie en thee doen. Dat deed ze zo ontwapenend, open en zonder verborgen agenda’s. Ze zorgde voor relativeringsvermogen in de groep en de vergadering ging daarna in een heel andere sfeer verder.”

Pakketjes

Om die visie waar te maken, wil hij meer verbinding maken met sectoren als het onderwijs en het bedrijfsleven. En meer lokaal aan de slag. Een mooi voorbeeld van contact leggen met de wijk, noemt hij een initiatief van Middin in Zuid-Holland.

“Bij de locatie Waldeck in Den Haag zijn ze een uitleenservice van spellen en puzzels gestart, een speelotheek gerund door mensen met een beperking. Daar is ook een uitgiftepunt van pakketjes. Er komen een heleboel mensen over de vloer om pakjes op te halen en te brengen. Ze hebben dus echt iets te bieden. Andersom komen buurtbewoners er ook op het idee om vrijwilligerswerk te gaan doen bij Middin.”

Handen

Een ander voorbeeld is Bouwend Nederland, zegt Theo van Uum. “Ik dacht eraan hen te benaderen, maar zij waren me voor en schreven een brief: ‘Wij hebben handen nodig, kunnen jullie die eventueel bieden?’ We zijn toen met verschillende bedrijven gaan verkennen wat dat werken in de bouw zou kunnen inhouden. Het bleek dat zij geen goed beeld hebben van ‘onze’ mensen en wij niet van de bouw en wat daar precies gebeurt. Uiteindelijk zijn we daar een jaar mee bezig geweest en er zijn nu daadwerkelijk mensen aan de slag voor Dura Vermeer en VolkerWessels. Ik vind het belangrijk andere sectoren bij onze visie te betrekken, want het is toch heel vaak groenvoorziening, horeca en facilitaire dienstverlening.”

Klap

Wanneer we elkaar spreken, is het nieuwe kabinet net aangetreden en zijn de Miljoenennota en het regeerakkoord net bekend. Theo van Uum noemt die ‘een klap in het gezicht.’

“De ruim twee miljoen mensen met een beperking worden helemaal niet genoemd! Dat is extra teleurstellend omdat er grote opgaven liggen. En dat in combinatie met het vernietigende rapport over het VN-verdrag Handicap dat in augustus uitkwam. Nederland heeft dat in 2016 bekrachtigd en beloofd dat mensen met een beperking volledig kunnen deelnemen en gelijke kansen krijgen. Maar volgens dat rapport schiet Nederland op vrijwel alle terreinen tekort wat betreft implementatie en uitvoering. Om hen dan te blijven negeren, vind ik ongepast en kwalijk.”

Inspiratie

Theo van Uum vergelijkt de houding van de Nederlandse samenleving wel eens met de houding van de Chileense dichter en Nobelprijswinnaar Pablo Neruda tegenover zijn enige dochter Malva, geboren met een waterhoofd en gestorven op achtjarige leeftijd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze is begraven in zijn woonplaats Gouda en hij bezoekt sinds een paar jaar regelmatig haar graf.

“Hagar Peeters schreef een boek over haar en dat heeft me enorm geraakt. Malva is sindsdien een bron van inspiratie. Pablo Neruda stond bekend als een bevlogen man, die opkwam voor de onderdrukten. Hij had het hart op de goede plaats. Maar zijn dochter heeft hij nooit erkend, laat staan omarmd. Hij noemde haar ‘puntkomma’, vanwege haar grote hoofd en tengere lichaam. We leven in een solidair land, maar mensen met een beperking hebben we nog onvoldoende omarmd en te veel op afstand een plek gegeven. Ook een andere beroemde vader, de auteur Arthur Miller, heeft zijn zoon met een beperking lang weggestopt en ontkend. Ik kan dat niet begrijpen.”

Loslaten

Zelf reageerde hij juist heel beschermend toen zijn dochter werd geboren met cerebrale parese. “Veel meer dan bij haar twee oudere broers. Ze is in 1995 geboren, dus bijna tien jaar nadat ik dat college kinderneurologie van Le Coultre had gevolgd. Een raar toeval. Vooral mijn vrouw heeft veel tijd en energie gestoken in de zorg voor haar. Dat was soms een ingewikkelde balans tussen moeder en zorgverlener zijn.”

Hun dochter is nu negenentwintig en woont in een ouderinitiatief met nog achttien andere jongeren met een beperking. “Ik ben nog steeds heel beschermend tegenover haar, soms op het ongezonde af. Daarom prijs ik me gelukkig met een begeleider die haar op de duo-fiets meeneemt dwars door Gouda, door het drukke verkeer, over kruispunten met vrachtwagens. Ik zie van tevoren alle gevaren en zou dat nooit durven. Loslaten is een kunst.”

 

Personeelstekort

Volgens Theo van Uum kampt de gehandicaptenzorg met drie grote problemen. Een daarvan is het gebrek aan personeel. “Er werken tegen de 200.000 mensen in de gehandicaptenzorg, er zijn circa achtduizend vacatures en dat loopt op richting drieëntwintigduizend in 2033”, zegt hij.

Hoe los je dat op?
“Door onder andere te kijken naar het netwerk rondom de bewoners, dat is spannend. Veertig jaar geleden werd verwanten gevraagd zich de eerste zes weken niet te melden bij een zorginstelling, in het kader van onthechting. Nu vragen we hen juist wel om een rol te blijven spelen in het leven van hun zoon of dochter. Soms wordt dat opgevat als ‘ja, nu zijn we wel goed genoeg om de gaten in de zorg op te vullen.’ Dat vraagt een andere balans.”

Hij ziet ook mogelijkheden in de inzet van technologie en het verminderen van administratieve lasten om werk te besparen en in het aantrekken van zijinstromers.

“Die zijn er de laatste tijd gelukkig vrij veel. Laatst was ik bij een zorgorganisatie op een woning met mensen met een zware VG7-indicatie1. Daar stonden bijvoorbeeld een voormalig vrachtwagenchauffeur die op Spanje had gereden en een bouwvakker op een groep. Dat lijkt vreemd, maar het klopte qua competenties wel helemaal. Dus wat dat betreft is er nog een enorm potentieel.”

 

Complexer

Een ander groot probleem is dat de gehandicaptenzorg steeds zwaarder en intensiever wordt en daar te weinig geld voor is. Theo van Uum: “Van de mensen die verblijven in de gehandicaptenzorg heeft de helft een indicatie VG6 en VG7, zij hebben bijkomende gedragsproblemen, soms te voorzien, soms volkomen onvoorspelbaar. Tien jaar geleden was dat nog een derde. Bij die zwaarste groep zijn er bovendien steeds meer mensen die meerzorg2 nodig hebben.”

Net als de NVO hoopt Theo van Uum op bekostiging van de opleiding tot orthopedagoog-generalist. Nu het Capaciteitsorgaan start met een raming van de behoefte aan orthopedagogen- generalist, is dat hopelijk de volgende stap.

“Er zijn steeds meer bewoners met ingewikkelde vragen en er is steeds intensievere zorg nodig. Dus we hebben die gedragskundige expertise keihard nodig. Ik neem overigens mijn petje af voor alle orthopedagogen die kiezen voor de gehandicaptenzorg. Ik zie zoveel mensen die net van de opleiding komen en vol gedrevenheid aan de slag gaan, ook met heel zware groepen.”

Kruispunt

De derde en belangrijkste opgave is ervoor zorgen dat mensen met een beperking meer zichtbaar worden in de maatschappij, meedoen in het dagelijks leven. Zoals Hagar Peeters een stem gaf aan Malva. En zoals er in de jeugd van Theo van Uum, als De Graafschap thuis speelde, altijd een man met een beperking op het kruispunt met zijn armen stond te zwaaien en zo het drukke verkeer regelde, samen met de agent.

“Iedereen was daaraan gewend, maar dat zie je niet meer. Als er nu een verward iemand rondloopt, schakelen we professionele hulp in. We hebben onszelf als sector vroeger, op de instellingsterreinen, vaak in de bossen, ook wel wat afgezonderd. Weliswaar goed georganiseerd, maar in een parallelle wereld. De beweging ‘terug in de wijken’ werkt voor sommigen goed, anderen zitten geïsoleerd in een buurt, zonder daar een verbinding mee te hebben. Ook dat is een parallelle wereld. Daarom is zoiets als een servicepunt voor pakketjes, gerund door mensen met een beperking, ook zo’n goed idee. Daar word ik helemaal blij van.”

Kat

Hij ziet een vergelijkbare opgave voor de ouderenzorg en mensen met dementie. “Die willen ook graag thuis in de eigen omgeving blijven wonen. Dan kan het gebeuren dat er een keer iemand dolend over straat loopt. Soit. Die pak je dan bij de arm en breng je naar huis. Soms kan het heel simpel zijn. Ik herinner me een oudere, eenzame mevrouw met dementie die een kat cadeau kreeg. Haar buurvrouw ging zich vervolgens over de kat ontfermen en ook over de vrouw met dementie. Je kunt zorgverleners inzetten, maar die kat zorgde voor een natuurlijke en nog veel mooiere verbinding.”

tekst: Annemiek Haalboom


  1. Zorgprofiel VG7 is bedoeld voor mensen met een verstandelijke beperking die behoefte hebben aan zeer intensieve begeleiding, behandeling en verzorging vanwege ernstige psychische en/of gedragsproblemen.
  2. Meerzorg is een regeling die intensieve zorgvragen en extreme zorgbehoefte ondersteunt.

onderzoeksnieuws


 

Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.

 

Lees meer

Geen stress over kinderopvang

Het gaat goed met de kinderopvang in Nederland en de wereld mag het weten middels een publicatie in het prestigieuze The Lancet. Vijfentwintig jaar Europees onderzoek, waaronder het Rotterdamse Generation R, laat zien dat kinderen die naar voorschoolse kinderopvang gaan daar in ieder geval tot in de vroege puberteit van profiteren.

Voor hun publicatie verzamelden Barry et al. (2024)1 informatie van zes verschillende prospectieve geboortecohortstudies, waarbij deelnemers langere tijd worden gevolgd, uit vijf verschillende landen: Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland en Spanje. Daarmee hadden ze data van meer dan 80.000 kinderen tot hun beschikking. Uit hun meta-analyse blijkt dat kinderen die voor hun vierde jaar gebruik maakten van kinderopvang minder last hadden van internaliserende gedragsproblematiek dan kinderen die enkel aan de zorg van hun ouders toevertrouwd waren. Kinderen die van informele opvang (bijvoorbeeld grootouders, gastouders of au-pairs) gebruik maakten, lieten vanaf hun zevende jaar zowel meer internaliserende als externaliserende gedragsproblemen zien dan kinderen uit de formele opvang.

 

Voor een meta-analyse is het belangrijk dat de gebruikte onderzoeken zich goed tot elkaar verhouden; het moet duidelijk zijn wat er gemeten is en of dat vergelijkbaar is. Bij het onderzoek van Barry et al. blijkt dat als je duidelijke kaders hebt – en die hebben deze vijf landen als het gaat om de kwaliteits- en opleidingseisen voor de formele kinderopvang – je goed onderzoek kunt uitvoeren. Om iets te zeggen over de informele opvang is veel lastiger, de ene opa of au-pair is ten slotte de andere niet.

Onderzoek doen en daarover publiceren is een vak apart. Rapporteren over en interpreteren van onderzoeksartikelen ook. Ik heb er toch weer net iets anders van gemaakt dan de NOS2, het NJi3 en hoogleraar Kinderopvang Ruben Fukkink in zijn commentaar in The Lancet4. Dus lezer, het is volledig open access, check vooral zelf of het allemaal klopt.


Barry, K.M., Avraam D, Cadman, T., et al. (2024). Early childcare arrangements and children’s internalizing and externalizing symptoms: An individual participant data meta-analysis of six prospective birth cohorts in Europe. The Lancet Regional Health – Europe, Volume 45. doi.org/10.1016/j.lanepe.2024.101036

  1. www.thelancet.com/journals/lanepe/article/PIIS2666-7762(24)00203-5/fulltext
  2. nos.nl/artikel/2535156-kinderopvang-heeft-positief-effect-kinderen-minder-druk-en-minder-depressief
  3. www.nji.nl/nieuws/minder-emotionele-problemen-na-kinderopvang
  4. www.thelancet.com/action/showPdf?pii=S2666-7762%2824%2900211-4

 

Tekst: Peter Hoffenaar

 

 

Niet alleen, maar toch eenzaam

Wetenschapsjournalist Lucy Jones schreef het boek Moederteit, een oproep tot aandacht voor het moeder worden. Onderzoeker Thuy-vy Nguyen gaf hier gehoor aan en liet een groep Britse moeders met een pasgeboren baby aan het woord. Veel moeders keken vaker dan voorheen overdag tv, vertelden ze. Een makkelijke vorm van ontspanning binnenshuis, zeker in combinatie met borst- of flesvoeding. Maar de meest ingrijpende verandering: de dag niet meer naar eigen inzicht kunnen invullen. Spontaan iets ondernemen was er niet meer bij. Ook als de baby sliep, wisten de moeders nauwelijks tijd voor zichzelf te vinden.

In een tweede deelstudie rapporteerden 47 kersverse moeders meerdere keren per dag hoe zij zich voelden en wat zij aan het doen waren. Op een gemiddelde dag bleken zij meer dan de helft van de tijd thuis (60%) en overwegend druk met zorgtaken (50%). Ze waren vaker alleen met de baby (26%) dan echt helemaal alleen (6%). En bij minder vrije tijd voelden de moeders zich vaker gespannen en geïrriteerd.

Het beeld dat zo ontstaat, komt goed overeen met het gevoel dat Lucy Jones beschrijft: “Het vreemde van zorgen voor een baby is dat je je alleen voelt terwijl je nooit echt alleen bent.” Hoe ontregelend dit kan zijn, staat ook in haar boek: “Ik voelde me gefrustreerd. Waarom kon ik mijn zorgtaken niet voor een uurtje terzijde schuiven? Ik had me de relationele realiteit van onze dyade nog niet gerealiseerd: dat ik in feite niet langer het individu was dat ik ooit dacht te zijn.


  • Nguyen, T. T., Konu, D., Tetteh, D., et al. (2024). “I got all sorts of solitude, but that solitude wasn’t mine”: A mixed-methods approach to understanding aloneness during becoming a mother. doi.org/10.31219/osf.io/m67k2

 

Tekst: Bart van Gent 

 

pedagoog in opleiding


 

‘Nog één keer diep inademen

June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen. Dit is haar laatste bijdrage.

 

Lees meer
Véronique Wils

“Nog één keer diep inademen”, zei mijn werkbegeleider Gerlie na de zomervakantie. “Dan uitademen en het is klaar.” Wanneer deze uitgave van de Pedagoog op de mat ligt, is het ook echt klaar. Dan heb ik de laatste module afgerond en is mijn dossier klaar om beoordeeld te worden. Maar nu, op het moment van schrijven, heb ik nog twee maanden te gaan.

Het voelt dubbel. Ik ga de opleidingsdagen en mijn groepsgenoten missen. Maar het is ook goed zo. Het wordt steeds moeilijker om nog onderwerpen te vinden voor de supervisie en grote ontwikkelpunten heb ik niet meer. Ik voel de behoefte om mijn vleugels te spreiden. En om weer meer tijd en ruimte te hebben voor hobby’s en boeken lezen alleen voor mijn plezier.

Rugzak

Nu ben ik bijna écht orthopedagoog-generalist. En het voelt ook zo. In mijn werk kan ik steeds makkelijker en vaker overstijgend kijken en meedenken – de welbekende helicopterview. Ik ben nog methodischer gaan werken en ik zie alles in het verband met de context, niet alleen de persoon zelf. Mijn rugzak is gevuld met talloze theorieën, methodieken, kennis en vaardigheden. Ik grijp eruit wat ik voor de specifieke casus nodig heb en bouw daarop voort. Zo mocht ik de laatste weken weer eens oefenen met motiverende gespreksvoering en pak ik regelmatig onderdelen uit de systeemtheorie en transactionele analyse erbij.

Fundering

Begrijp me niet verkeerd. Ik heb niet de illusie dat ik nu alles weet en ben uitgeleerd. In tegendeel zelfs. Als orthopedagogen(-generalist) zijn we nooit uitgeleerd. Er zijn zoveel onderwerpen waar we mee te maken kunnen krijgen, zoveel behandelmethodes, instrumenten en technieken waar we ons in kunnen specialiseren. Maar voor mij staat het fundament nu stevig. Ik ben vooral trots op de persoonlijke ontwikkeling die ik heb doorgemaakt. In vergelijking met twee jaar geleden weet ik nu veel beter waar ik voor sta en kan ik daar ook voor opkomen. Ik weet wie ik ben als persoon en als professional. Alles wat ik daar nog bij mag leren is een cadeautje, om mijn cliënten nog beter van dienst te kunnen zijn.

En uitademen

Bijna ben ik officieel orthopedagoog-generalist. Met veel plezier heb ik de afgelopen twee jaar mogen schrijven over mijn ervaringen tijdens de opleiding. Nu draag ik het stokje over aan Veronique Wils. Zij is in september gestart met de opleiding orthopedagoog- generalist bij KING Amsterdam en zal in het nieuwe jaar haar verhaal met ons gaan delen.

En ik? Ik blijf als orthopedagoog-generalist werken bij Philadelphia en als redactielid bij de Pedagoog. Na de diploma-uitreiking hoop ik er even tussenuit te gaan om op adem te komen.

tekst: June Bragg

Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:

 

 

over de grens


Mind-Spring

Mind-Spring is een preventieve groepsinterventie ‘voor en door vluchtelingen’, aangeboden door ARQ, expertisecentrum op het gebied van psychotrauma. Het begon in 2004 met een training voor volwassenen. Ondertussen zijn er ook een kindertraining, een jongerentraining én een training in opvoedondersteuning. Kenmerkend is de samenwerking tussen een trainer met een vluchtelingenachtergrond en een trainer uit de ggz. In gesprek met systeemtherapeut Awan Amin en psycholoog Felicia Stoutjesdijk.

 

Lees meer

Of ik Halabja ken? Het gesprek met Awan Amin is nog geen vijf minuten gevorderd en het gaat over oorlog. Niet omdat Awan het daar zo graag over wil hebben, maar gewoon omdat ze zich voorstelt en kort schetst wat haar achtergrond is. In 1988, Awan was vijftien jaar en leefde al sinds haar vierde in oorlog, werd haar woonplaats Halabja gebombardeerd met gifgas. Het is, lees ik later, een van de grootste gifgasaanvallen uit de geschiedenis. Op haar eenentwintigste vlucht Awan alleen naar Nederland. Al jarenlang staat ze hier kinderen en ouders bij die gevlucht zijn uit
oorlogsgebied.

Peer educator

Awan startte als peer educator (co-trainer die de taal van de doelgroep spreekt) bij de inmiddels overleden ontwikkelaar van Mind-Spring, Paul Sterk. Ze begon met volwassenen en in 2016
startte ook een training voor kinderen uit Syrië.

Awan spreekt Arabisch in verschillende dialecten, maar belangrijker: ze spreekt de taal van oorlog en vluchten, ze weet wat de mensen waarmee ze werkt hebben meegemaakt. “Je ontwikkelt bepaalde overlevingsmechanismen als je opgroeit in oorlog”, vertelt ze. “Als een aanval begon ging je naar de schuilkelders, maar je kon daar niet dag en nacht blijven. Na iedere raket ging je toch gewoon weer buitenspelen.”

Het kunnen praten over die gedeelde ervaring helpt deelnemers. “We kunnen er samen over lachen en over huilen. En dat helpt de deelnemers met het ‘normaliseren’, het herkennen van een normale reactie op een abnormale situatie: ‘het is niet gek als ik zo reageer’.”

Ggz-professional

Normaliseren is ook één van de eerste concepten die Felicia Stoutjesdijk noemt. Ze is sinds 2023 Mind-Spring ggz-trainer en werkt voornamelijk met Oekraïense vluchtelingen. Ze noemt Mind-Spring ‘psycho-educatie plus’.

“Deze training helpt echt om te voorkomen dat mensen specialistische ggz-hulp nodig hebben, of juist om ze te helpen om daar op tijd terecht te komen. Het is ontroerend om te zien hoe nodig het is en hoe mensen in hun kracht komen in acht sessies waarin je dingen normaliseert.”

En dan gaat het om de eerdergenoemde normale reacties op abnormale gebeurtenissen – “dus het is normaal dat ik de hele dag moet huilen?” -, maar ook om de kinderen die in het hier en nu leven en zich zorgen maken over de toets van morgen. “Het is psychosociale hulp op de derde laag van de interventiepiramide1, een laagdrempelige vorm van ondersteuning waarbij het gaat om het leren omgaan met mentale problemen, het verminderen van klachten, signalering van ernstiger mentale problematiek, het verstevigen van veerkracht en het vergroten van coping-mechanismen.”

Cultuursensitief

Felicia geeft de training samen met een Oekraïense peer educator en een tolk. Voorafgaand aan de bijeenkomst praten ze samen Engels, maar zodra de bijeenkomst start, spreken ze elk hun eigen taal. Awan is ondertussen ook ggz-trainer en geeft de training samen met een co-trainer met dezelfde culturele achtergrond.

Allebei ervaren ze dat ze behalve trainer een vraagbaak zijn voor de deelnemers en mediator tussen de culturen. Het gaat dan bijvoorbeeld over het behouden van identiteit, de verschillen tussen een wij-cultuur en een ik-cultuur, maar ook over wat kinderen op verschillende leeftijden leren/mogen/meemaken. De peer educator treedt als het nodig is ook op als cultural mediator naar de ggz-professional om problemen en bepaald gedrag beter te kunnen duiden. “De co-trainer kan er ook voor zorgen dat je als ggz-trainer benaderbaar wordt”, zegt Felicia, “want de hiërarchieverschillen tussen hulpverlener en cliënt zijn vaak ook groter dan wij in Nederland gewend zijn.”

Jongens van veertien

Als het gaat over verschillen tussen culturen vertelt Felicia over de verbazing bij Oekraïense ouders toen ze vertelde over haar zoon van veertien die zonder begeleiding, met vrienden op de fiets, in een andere provincie gaat kamperen. Terwijl een veertienjarige jongen in een groep van Awan ooit uitriep: “Juf, als ik nog in Syrië had gezeten had ik nu een vrouw en een kind gehad.”

Dit soort momenten bieden aanknopingspunten om samen te kijken naar verschillen en hoe je je eigen identiteit behoudt binnen een andere cultuur. Wat ze daarbij allebei ervaren: het hoeft soms maar heel klein te zijn. “Je moet naast ze staan”, zegt Awan, “erkennen wat ze meemaken, aansluiten, normaliseren en af en toe een duwtje geven. Alleen het Nederlandse klimaat te ervaren
en weten hoe je de verwarming op een fijne temperatuur zet, is soms al nieuw voor ze!”

Ze vergelijkt het leven van een vluchteling met het weven van een tapijt. “In je land van herkomst heb je bepaalde dingen geleerd en in een nieuw land krijg je met nieuwe normen en waarden te maken, maar je hoeft wat je had niet weg te gooien. Het is als een tapijt dat je meeneemt en verder weeft.”

Onderdeel curriculum

Mind-Spring is in te kopen door bijvoorbeeld gemeentes, scholen of vluchtelingenorganisaties, waarbij ARQ de trainers levert. Zowel Felicia als Awan zien Mind-Spring voor kinderen en jongeren als een logisch onderdeel van het aanbod in bijvoorbeeld een schakelklas.

“Mind-Spring zou echt een onderdeel van het onderwijs moeten zijn”, aldus Awan. “Engels, wiskunde en Mind-Spring”, zegt Felicia. “Natuurlijk moet je voor dat onderdeel de kinderen met dezelfde afkomst bij elkaar zetten, maar juist die peer-support is een belangrijk onderdeel van Mind-Spring.”

tekst: Bart van Gent


Meer informatie: www.arq.org/projecten/mind-spring

NVO-leden die Mind-Spring in hun gemeente of op school aan willen bieden of zelf trainer willen worden, kunnen mailen naar mind-spring@arq.org

Awan Ami is intercultureel systeemtherapeutisch werker en cultuursensitief trainer/coach o.a. gespecialiseerd in eergerelateerd geweld.

Felicia Stoutjesdijk is psycholoog NIP, cognitief gedragstherapeut VGCt en gecertificeerd Theraplay® Practitioner. Ze heeft een eigen praktijk in Delft www.praktijkstoutjesdijk.nl

  1. Handreiking psychische problematiek bij vluchtelingkinderen en -jongeren.

Mind-Spring in het kort

  • preventieve cultuursensitieve groepsinterventie voor en door vluchtelingen
  • samenwerking met trainer uit de professionele ggz
  • 8 bijeenkomsten van 2 uur
  • sinds 2004 in Nederland
  • onderwerpen: stress, coping met stress (doen en denken), cultuurverschillen, identiteit, rouw & verlies
  • door RIVM erkend als goed onderbouwd
  • in 2022 effectmetingen gedaan
  • varianten: Mind-Spring junior (8-12 jaar), Mind-Spring 13+ (13-18 jaar), Mind-Spring opvoedondersteuning, Mind-Spring voor volwassenen.


 

Winnaars NVO Thesisprijs

De NVO Thesisprijs is dit jaar feestelijk uitgereikt aan Vera Linn Harthoorn van de Rijksuniversiteit Groningen, in de categorie Algemene Pedagogiek/Onderwijskunde. Winnaar in de categorie Orthopedagogiek is Liina Björg Laas Sigurðardóttir van de Universiteit van Amsterdam.

 

Lees meer

Liina Björg Laas Sigurðardóttir over ouderbegeleiding

De IJslandse Liina volgde de bachelor pedagogiek in haar geboorteland. Haar interesse in  pedagogische interventies is groot. ‘Wat doen we echt met gezinnen, is dit wat we zouden moeten doen?’ Ze stelde zichzelf steeds meer vragen en ging een masteronderzoek doen aan de Universiteit van Amsterdam. Dat ze hiermee de NVO Thesisprijs won is voor haar een grote verrassing. ‘Ik voel me vereerd en ben ontzettend dankbaar.’

Liina schreef onder begeleiding van dr. Patty Leijten de thesis ‘Do Different Families Show Different Mechanisms of Change? An Individual Participant Data Meta-Analysis of Parenting Programs for Disruptive Behavior’.

Ouderbegeleiding is een van de meest ingezette pedagogische interventies en kan onder andere gedragsproblemen bij kinderen verminderen. In de praktijk is het echter moeilijk te voorspellen
welke gezinnen baat hebben bij ouderbegeleiding. De thesis van Liina laat zien waarom dit zo is. Ouderbegeleiding bleek vooral effectief wanneer ouders minder negatief zijn (stem verheffen,
kwetsen) en consequenter zijn. De meeste gezinnen hadden baat bij ouderbegeleiding. Gezinnen voor wie ouderbegeleiding minder nodig leek, evenals gezinnen met ernstigere en complexere mentale gezondheidsproblemen bij kinderen en bredere gezinsmoeilijkheden, profiteerden echter minder van deze programma’s.

Individuele verschillen

“Ik heb voor dit onderwerp gekozen omdat ik ervan overtuigd ben dat individuele verschillen in behandeleffectiviteit niet los kunnen worden gezien van individuele verschillen in de mechanismen die ten grondslag liggen aan behandeleffectiviteit. Dat wil zeggen: Als gezinnen verschillend reageren op een programma, dan moet dit te herleiden zijn naar hele precieze verschillen in concrete reacties van ouders op het programma.”

Liina heeft hiermee kunnen aantonen welke veranderingen in het gedrag van ouders verantwoordelijk zijn voor de effectiviteit van ouderbegeleiding en hoe gezinnen hierin onderling verschillen.

Oxford

Liina zit op dit moment in Oxford, waar ze werkt aan haar promotieonderzoek, haar PHD. “Ik ga door met mijn focus op ouderbegeleiding en zal me meer richten op het onderzoeken voor wie dit echt werkt. De afdeling hier is vrij interdisciplinair, dus ik kijk ernaar uit om te leren van anderen die ook interventies onderzoeken.”

Na haar promotieonderzoek wil ze weer terug naar Nederland. Ze houdt van het leven hier, maar ook van de aanpak van onderzoek, de kijk op en het niveau van de pedagogische wetenschap. Ze zou het fantastisch vinden als haar onderzoek ook in IJsland kan worden toegepast.

Over tien jaar

Liina ziet zichzelf over tien jaar nog steeds werken als onderzoeker. “Ik ben altijd nieuwsgierig en wil blijven onderzoeken. Maar
mijn onderzoeken zijn altijd wel georiënteerd op de praktische toepassing. Dus ik wil graag de verbinding houden tussen theorie en de praktijk.”


Wil je de thesis lezen? Stuur dan een mailtje naar
info@nvo.nl

Vera Harthoorn over duurzaam onderwijs in Oeganda

Lees meer

Terwijl Vera voor de klas stond, werd ze gebeld dat ze de Thesisprijs had gewonnen. ‘Het was een heel leuk moment. De kinderen keken me met grote ogen aan toen ik werd gebeld. We hebben meteen een feestje gevierd in de klas.’

Vera schreef onder begeleiding van dr. Josje van der Linden de thesis ‘Sustaining educational development. Exploring factors to sustain small-scale education projects in rural areas in Uganda’.

Zij koos voor haar masterthesis een onderwerp op basisvan haar vrijwilligerswerk in het basisonderwijs in Oeganda. Als medewerker van Save the Children Oeganda zag ze hoe basisscholen in plattelandsgebieden opgezet werden met steun van Save the Children of een andere non-gouvernementele organisatie (ngo). Nadat de ngo zich terugtrok, kwamen deze scholen vaak na enkele jaren leeg te staan, waardoor kinderen toch weer onderwijs moesten missen.

Kabira

Vera startte daarom een eigen basisonderwijsproject ‘Kabira’, waarin ze het anders wilde doen. “Afgelopen zomer ben ik er de hele tijd geweest. We zijn in 2018 begonnen met kinderen die onder een boom les kregen en inmiddels gaan die kinderen naar de middelbare school. Dus daar ben ik heel trots op.”

Kabira wil scholen zo ondersteunen dat ze voldoende eigen kracht en steun in de omgeving ontwikkelen om door te gaan, zonder de steun van het project. Om Kabira en vergelijkbare kleinschalige projecten te ondersteunen, richtte Vera zich op de onderzoeksvraag ‘Welke factoren stimuleren de duurzaamheid van kleinschalige onderwijsprojecten in plattelandsgebieden in Oeganda?’

Twaalf factoren

Op basis van literatuur over de duurzaamheid van onderwijsprojecten, maar ook van projecten in de gezondheidszorg en andere domeinen, ontwikkelde ze hiervoor een model. Vervolgens bracht ze de benaderingen van onderwijsprojecten in de betreffende regio in kaart en interviewde ze betrokkenen. De regio diende daarbij als een paradigmatische casus, waarvan veel kenmerken overeenkomen met andere plattelandsregio’s.

De bevindingen lieten zien dat het onderwerp duurzaamheid steeds meer aandacht heeft gekregen, maar dat er niet een of twee factoren aan te wijzen zijn die het verschil maken.

Vera vond maar liefst twaalf factoren, die in samenspel, helder in beeld gebracht in een radarwerk, bepalen of een project op eigen kracht kan blijven bestaan. “Het is een soort tandwiel en dat hangt heel groot in ons kantoor in Oeganda. We delen het met andere stichtingen en het ministerie van Onderwijs.”

Risico’s

Op basis van haar onderzoek en de resultaten ervan, waarschuwt Vera voor het nemen van ‘duurzaamheid’ als enige argument in de opzet van onderwijsprojecten. Dat zou ertoe kunnen leiden dat scholen alleen opgezet worden in regio’s waar al allerlei voorzieningen zijn. Voor het opzetten van basisonderwijs voor de meest kwetsbare groepen is het nodig om risico’s te nemen. De factoren die duurzaamheid beïnvloeden, blijven dan van belang, maar zullen meer investering vergen dan in andere gebieden.

Toekomstplannen

Vera is nu nog bezig met de opleiding voor kwaliteits­ coördinator. “Daar wil ik mee aan de slag in Nederland. Maar mijn werk met Oeganda is en blijft er. Ik ga er regelmatig naartoe. Verder hoop ik meer ruimte te krijgen voor onderzoek. Nog even afwachten wat er op mijn pad komt. De mix tussen praktijk en onderzoek vind ik altijd erg leuk. Vanuit de praktijk onderzoek doen past bij mij.”


Wil je de thesis lezen? Stuur dan een mailtje naar info@nvo.nl

de promovendus


Focus op vaders

‘Taalgebruik van vaders draagt bij aan genderstereotype ideeën van kinderen’

Else de Vries promoveerde eind vorig jaar aan de Universiteit Leiden op een onderzoek naar opvoedgedrag van vaders met jonge kinderen. Hun manier van opvoeden bleek samen te hangen met pestgedrag en genderstereotype normen van hun kleuter. ‘Dit verband vonden we niet altijd voor moeders. En als we wél een verband voor moeders vonden, was dit meestal een ander dan voor vaders.’

Lees meer

curriculum vitae

Else de Vries

2024 – heden
Postdoc onderzoeker Gezondheidspsychologie en Gedragsverandering, Erasmus Universiteit Rotterdam

2023 – 2024
Onderzoeker lectoraat Ouderschap & Ouderbegeleiding, Hogeschool Leiden

2015 – 2023
Promovendus Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Leiden

2013 – 2015
Research Master Health Sciences, specialisatie Epidemiologie, Netherlands Institute for Health Sciences, Erasmus MC

2010 – 2012
Master Gezondheidszorgpsychologie (honoursprogramma), Universiteit van Amsterdam

2007 – 2010
Bachelor Psychologie, specialisatie Klinische Psychologie, Universiteit van Amsterdam

Wat heeft je gemotiveerd om onderzoek te doen naar vaders?

“Tijdens mijn onderzoeksstage bij het cohortonderzoek Generation R schreef ik over pestgedrag van kinderen en het verband met opvoedgedrag en persoonlijke kenmerken van vaders. Gaandeweg kwam ik erachter dat het behoorlijk uniek was dat de onderzoekers ook vaderrapportages hadden meegenomen. Het meeste onderzoek wordt onder moeders uitgevoerd. En als er al naar vaders gevraagd wordt, gebeurt dit meestal in de vorm van een rapportage door de moeder over de vader.

Hierna was ik op zoek naar een promotieplek en kwam ik terecht bij de Universiteit Leiden, waar een onderzoek naar vaders zou starten. Dat sloot erg mooi aan. Ik was echt gemotiveerd om het gat in de literatuur op te vullen door specifiek onderzoek te gaan doen naar vaders.”

Kun je kort vertellen wat je hebt onderzocht? En hoe heb je dat aangepakt?

“We hebben in drie verschillende studies onderzocht wat belangrijke voorspellers én gevolgen zijn van opvoedgedrag van vaders van jonge kinderen. Om dit te onderzoeken, hebben we gebruikgemaakt van longitudinale, hormonale en observationele onderzoeksmethoden. We vonden het belangrijk om vaders hetzelfde te behandelen als moeders. Daarom hebben we dezelfde meetinstrumenten voor beide ouders gebruikt en de bewoordingen waar nodig genderneutraal gemaakt.

De uitkomstmaten waarop ik me heb gericht, waren pestgedrag en genderstereotype normen van kinderen. En bij vaders heb ik gekeken naar testosteronniveaus, mentale gezondheid en persoonlijkheid, sensitief dan wel hardhandig opvoedgedrag, genderspecifiek opvoedgedrag en de mate van religiositeit. In de studie naar pestgedrag en de studie naar gendersocialisatie hebben we ook moeders meegenomen.”

Wat waren de belangrijkste resultaten? Welke resultaten hebben je verrast?

“Het bleek dat het opvoedgedrag van vaders werd beïnvloed door diverse persoonlijke, biologische en culturele factoren. En dat dit opvoedgedrag vervolgens samenhing met pestgedrag en genderstereotype normen van kinderen. Dit vonden we niet altijd voor moeders. Als we het wel voor moeders vonden, lag dit meestal anders dan voor vaders. Vaders die gezinsproblemen ervaarden nog voordat hun kindje was geboren en meer vijandig gedrag vertoonden, zoals woede-uitbarstingen, voedden hun jonge kind vaker op een hardhandigere manier op. Dit gold niet voor moeders. En we vonden dat kinderen die pesten op school dit vooral leren van dit vijandige gedrag van hun vader, niet van hun moeder.”

“Wat betreft het aanleren van genderrollen bleek dat taalgebruik van vaders bijdraagt aan stereotype ideeën van kleuters over mannelijke en vrouwelijke beroepen. Kleuters waren veel traditioneler in hun opvattingen over beroepen voor mannen en vrouwen als hun vaders bijvoorbeeld het spelen met treintjes automatisch koppelden aan jongens. Wat me wel verraste, was dat de sensitiviteit van vaders niet afhankelijk was van of ze samen met hun kind met jongens- of meisjesspeelgoed speelden, terwijl dit wel het geval was voor moeders. Moeders en vaders zijn allebei belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen, maar dus niet altijd op dezelfde manier.”

Je hebt een heel persoonlijk voorwoord geschreven, met jouw kijk op een aantal van de centrale constructen in je proefschrift: vaders, gender en religie. Waarom vond je dit belangrijk?

“Dat was eigenlijk een suggestie van mijn promotor, Judi Mesman. Binnen de onderzoeksgroep waar ik werkte, wordt veel onderzoek gedaan naar vooroordelen, ook in de opvoeding. Het is dan logisch dat je je als onderzoeker ook kritisch opstelt tegenover je eigen vooroordelen. Welke kenmerken van je eigen achtergrond maken dat je mogelijk een gekleurde blik hebt op wat je onderzoekt? Ik vond het heel waardevol om daar bij stil te staan en bewust maatregelen te nemen om mijn eigen vooroordelen zo min mogelijk invloed te laten hebben op het uitvoeren van het onderzoek en het interpreteren van de data.”

Wat kwam je te weten over je eigen vooroordelen? En werden deze bevestigd of ontkracht in je onderzoek?

“Ik ben opgegroeid met het idee dat religie vaak samengaat met conservatieve denkbeelden over genderrollen, alhoewel ik me er ook bewust van ben dat er grote verschillen bestaan binnen de groep van mensen die zichzelf religieus noemt. In mijn onderzoek was ik daarom extra benieuwd naar de uitkomsten met betrekking tot de invloed van religiositeit van vaders op genderstereotype normen van kinderen. Uiteindelijk bleek mijn hypothese grotendeels te kloppen, maar het lag nét iets genuanceerder: hoe religieuzer vaders waren, hoe meer genderstereotype boodschappen ze uitten en dat voorspelde vervolgens meer genderstereotype normen bij kinderen. En zo’n verband bleek niet te gelden voor moeders, dat was wel onverwacht voor mij persoonlijk.”

Kunnen we nu stellen dat vaders meer betrokken moeten worden bij bepaalde onderzoeken en interventies, omdat ze voor bepaalde ontwikkelingsgebieden – gedragsregulatie en gendersocialisatie – belangrijker zijn voor de ontwikkeling van kinderen dan moeders?

“Ik ben van mening dat in alle gevallen alle opvoeders van kinderen betrokken moeten worden. Vaders hebben op het gebied van pestgedrag en gendersocialisatie misschien wat meer invloed dan moeders, zoals ook bleek uit mijn onderzoek. Maar de belangrijkste boodschap is dat alle opvoeders belangrijk zijn. En dus betrokken moeten worden voor een completer beeld en de meest effectieve uitkomsten van interventies.”

Welke uitdagingen kwam je zelf tegen in het betrekken van vaders bij je onderzoek?

“We wilden op huisbezoek gaan als beide ouders thuis waren, dus dit werd vaak ingepland op een ‘papadag’, rond etenstijd of in het weekend. Niet altijd makkelijk als je de bezoeken moet afleggen. We wilden hiernaast gezinnen met diverse religieuze achtergronden betrekken en dat was ook een enorme uitdaging, vooral voor islamitische vaders. Het zat hem vaak ook in kleine dingen: het contact met de gezinnen voor het maken van afspraken verliep vrijwel altijd via de moeder. Moeders waren meestal meer betrokken uit zichzelf.”

Welke onderzoeksvragen over vaders zou je nog beantwoord willen zien?

“Ik ben heel benieuwd of de gevonden verbanden tussen opvoedgedrag van vaders en kinduitkomsten blijven bestaan op de lange termijn. Als kinderen ouder zijn, worden leeftijdsgenoten steeds belangrijker. Het lijkt me interessant om te zien of de invloed van de vader dan nog steeds even sterk aanwezig is op het gebied van pestgedrag en gendersocialisatie. Ook is meer onderzoek nodig naar gezinnen met twee vaders of juist naar gezinnen met een afwezige vader.”

Welke rol hoop je dat vaders over pakweg tien jaar spelen in onderzoek en praktijk?

“Ik hoop dat het in de toekomst heel normaal is om zowel vaders als moeders te betrekken bij onderzoek en de praktijk. Overigens ben ik er ook voor om andere minderheidsgroepen meer te betrekken, zoals gezinnen met een religieuze of lagere sociaaleconomische achtergrond. Dit vraagt om meer flexibiliteit van professionals en dat is een uitdaging. Voor onderzoekers is de uitdaging om onderzoek minder perfect uit te willen voeren: onderzoekstechnisch zullen er misschien wat concessies gedaan moeten worden, maar het onderzoek wordt wel inclusiever door meer verschillende opvoeders te betrekken en zegt daarmee uiteindelijk ook meer over de échte wereld.”

Welke tips heb je voor professionals om vaders meer te betrekken?

“Ten eerste: betrek vaders vanaf het eerste contact en richt je in al je communicatie op alle betrokken opvoeders. Ten tweede: stel je flexibel op. Moeders werken nog steeds vaker parttime dan vaders en hebben dus meestal meer tijd voor het maken van en verschijnen op afspraken. Als professional kun je de mogelijkheid bieden om ’s avonds of in het weekend af te spreken. Of ouders en kind thuis te bezoeken na kantoortijd of een online afspraak te maken. Op die manier is de kans groter dat vaders ook kunnen aansluiten.”

“Ook werkgevers zouden zich flexibeler kunnen opstellen: vaders kunnen verlof opnemen, maar dit wordt nog lang niet altijd actief gestimuleerd, gefaciliteerd en gewaardeerd door werkgevers. Wat ook zou kunnen helpen: meer mannelijke hulpverleners, zodat vaders zich eerder begrepen en gezien voelen.

Ten slotte: neem je eigen (onbewuste) denkbeelden over genderrollen onder de loep. Hoe beïnvloeden deze denkbeelden jouw contact met ouders? Ouders houden overigens vaak ook deels zelf meer traditionele denkbeelden in stand, dus er is echt een bredere maatschappelijke verandering van perspectief nodig.”

tekst: Sanne de Vet


De Vries, E. E. (2023). Focus on fathers: Longitudinal, hormonal, and observational studies on fathers’ parenting in families with young children. https://hdl.handle.net/1887/3641824

column


 

‘Misschien moeten we maar gaan verhuizen’

Ze rent op me af wanneer ik de school binnenkom. ‘Ze ruikt dat je er bent’, roept de intern begeleidster nog naar me. ‘Waar was u nou al die tijd, juffrouw Elena? Ik dacht dat u me zou komen halen om te spelen.’

Nina is net gestart in groep 6. Pienter als ze is, doet ze mee met groep 7. Ze is net begonnen in een combiklas en vindt het reuzespannend. Het valt me op dat ze afgevallen is en haar brood weer in haar trommeltje heeft laten zitten.

 

Lees meer

Spannend geluid

“Wat zullen we spelen?”, vraag ik haar terwijl we naar de spelkamer lopen. “De laatste keer speelden we in de dierenwinkel, weet je nog?”
Ze kijkt me aan met grote onrustige ogen. Haar gezichtje is bleek. “Ja, dat was leuk en nu wil ik liever vier op een rij doen. Mag dat, juf?” We pakken het grote bord dat speciaal in elkaar getimmerd is om met hele grote gekleurde schijven te kunnen spelen. Vol spanning kijkt ze ernaar. “Zullen we eerst alle schijven er weer uit laten vallen en er weer in doen? Dat vind ik altijd zo’n spannend geluid.”

Hoe meer spanning Nina in haar leven heeft, hoe moeilijker het wordt om fantasievol te spelen. Ze wil dan graag repeterend spel doen en toekijken hoe de gekleurde houten schijven kletterend op de grond vallen als we het onderste plankje van het bord schuiven. Keer op keer. Gefascineerd kijkt ze naar mijn reactie.

Herinneringen

In de middag spreek ik Nina’s moeder tijdens een oudergesprek. Schuchter zit ze aan tafel. Ik zie dezelfde grote ogen als die van Nina. Haar keel lijkt dichtgeknepen wanneer ze mijn vraag hoe het thuis gaat probeert te beantwoorden.

“Ik weet het niet goed. Misschien moeten we maar gaan verhuizen. Ik kan de herinneringen niet meer aan.” Sinds Nina’s vader overleden is, kan haar moeder aan niets anders denken. “Het is nu vier jaar geleden dat hij doodging en ik mis hem nog steeds”, vertelt ze. Haar ogen vullen zich met tranen. Ze zwijgt een hele tijd en lijkt naar moed te zoeken om haar woorden te kiezen. “Soms denk ik dat het beter zou zijn geweest als ik dood was gegaan. Hij had vast beter voor Nina gezorgd dan ik kan”, fluistert ze zacht.

Goede moeder

Ik moet mijn eigen tranen bedwingen. “Ben je bang geen goede moeder te zijn voor Nina?”, vraag ik haar. ‘Of ben je bang dat anderen dat denken?’ “Ik voel me zo schuldig”, gaat ze verder. “Ik ben zo verdrietig en Nina wil steeds maar niet eten.”

Ook ik zoek naar woorden en manieren om het juiste te doen. “Ik begrijp dat je je zorgen maakt. Ik weet niet of je nu het juiste voor Nina doet thuis, maar wat ik wel weet is dat het heel goed is dat je mij dit vertelt. Dat doe je omdat je een goede moeder wilt zijn. En dat is heel veel waard. Ik wil je helpen en meedenken hoe je je verdriet een plek kunt geven en je schuldgevoel kan omzetten in goed zijn voor Nina. Ik weet zeker dat dat gaat lukken.” Ik pak haar hand vast en zie hoe Nina door het raam naar binnen kijkt.

 

tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.


Nina heet in werkelijkheid anders.

 


Pedagogische basis & gelijkwaardig samenwerken

‘Gesprekjes tussen twee moeders op een bankje in de speeltuin’

Kathinka Bruinsma richtte dit jaar de Kenniswerkplaats Pedagogische Basis op, een samenwerkingscollectief van ouders, professionals, beleidsmakers en onderzoekers. Zij helpen bij het opzetten van een eigen lokaal netwerk. Zoals ouder-kind-cafés en gezellige ontmoetingsplekken voor ouders en opvoeders. Gelijkwaardige samenwerking staat hoog in het vaandel.

 

Lees meer

Kathinka Bruinsma had veertig jaar geleden, als startende wijkverpleegkundige, contact met iedereen in het dorp waar ze werkte. Met ouders, opa’s en oma’s, de huisarts, de hoofdmeester van school. Een systemische blik en werkwijze. Ze was begin twintig en leerde meteen al dat ouders het niet alleen kunnen: It takes a village to raise a child. Maar ze moest op een gegeven moment van haar werkgever de keuze maken tussen volwassenen en kinderen. “Dat ging niet in mijn hoofd.” Het hokjesdenken heeft ze nooit kunnen begrijpen. Daarna heeft ze in verschillende functies en bij verschillende organisaties gewerkt. De laatste jaren als zelfstandig trainer en adviseur, bij onder andere de gemeente Utrecht en zorgorganisaties.

Zes jaar geleden richtte ze Ouders van Betekenis1 op en afgelopen jaar de Kenniswerkplaats Pedagogische Basis2. Al die jaren is ze bezig geweest met hetzelfde thema, aansluitend bij haar waarden en normen: ‘Hoe zorgen we dat mensen weer eigenaar worden van hun eigen zaak? Hoe kunnen we gelijkwaardig samenwerken, met erkenning voor ieders rol en deskundigheid?’

Gewone opvoedvragen

“Gelijkwaardig samenwerken lijkt zo simpel, en toch doen we het onvoldoende”, zegt Kathinka.

“In Nederland is alles, dus ook hulpverlening, georganiseerd in systemen en hokjes. Professionals gaan op pad met een bepaalde opdracht, waardoor ze kunnen afdrijven van wat oorspronkelijk de bedoeling was. We hebben een geïndividualiseerde samenleving, waar veel is weggesaneerd en de gemeenschapszin of nabuurschap grotendeels is verdwenen.”

Terwijl de Jeugdwet juist ook een rol ziet voor de sociale omgeving, de pedagogische basis (zie kader).

Kathinka: “Tegelijkertijd worden veel vraagstukken opgelost met hulpverlening, in plaats van te vertrouwen op het oplossingsvermogen van ouders zelf. Denk aan de gesprekjes tussen twee moeders op een bankje in de speeltuin. Daar gaat de pedagogische basis over, over de ‘gewone’ opvoedvragen waarover ouders in een natuurlijke ontmoeting ervaringen kunnen uitwisselen met elkaar.”

“Ouders moeten ook de hand in eigen boezem steken, want veel durven niet meer openlijk te vertellen dat ze de opvoeding soms moeilijk vinden en wel wat ondersteuning kunnen gebruiken. En hulpverlening voor hun kind kan voor ouders fijn zijn, dan hoeven ze minder naar zichzelf te kijken.”

Gelijkwaardige samenwerking

Met Ouders van Betekenis heeft Kathinka ouderinitiatieven in de gemeente Utrecht ondersteund om meer zichtbaar te worden en om hen te empoweren als gelijkwaardige samenwerkingspartner voor de gemeente. Hiervoor heeft ze 250 ouders met jonge kinderen geïnterviewd over wat zij belangrijk vinden in het contact met professionals, bij onder meer het consultatiebureau, de kinderopvang, scholen en de gemeente.

Ouders blijken gelijkwaardige samenwerking heel belangrijk te vinden. Ouders zijn een bron van wijsheid, een deskundige over hun eigen kind.Maar in de contacten met professionals ervaren zij dat vaak niet zo. De gesprekken met ouders resulteerden in twaalf zogenoemde relatieversterkers (zie kader), die professionals laten nadenken over hoe zij gelijkwaardigheid vormgeven, met oog voor ieders rol en deskundigheid. Zoals: Wil je me laten merken dat ik belangrijk ben? Wil je mij de tijd geven om je goed te verstaan? Ga je ook jezelf laten zien?

In het Leernetwerk van de Kenniswerkplaats Pedagogische Basis zitten ouders, hulpverleners, beleidsadviseurs en andere professionals samen aan tafel. “Hiermee wordt de stap gemaakt naar het ‘hoe’. Hoe realiseer je een gelijkwaardige samenwerking? Want dat klinkt simpeler dan het is. De uitwisseling van verschillende perspectieven is belangrijk, om elkaar te leren kennen, samen te leren en gezamenlijkheid te creëren. Als iedereen de rol en de deskundigheid weet van de ander en die erkent, dan kan iedereen vanuit zijn eigen positie iets toevoegen aan wat nodig is. Dan ontstaat er gedeeld eigenaarschap.”

Welke adviezen heeft Kathinka voor pedagogen?

“Vraag aan ouders wat hun deskundigheid is op het gebied waar je het samen over hebt. Neem tijd om de relatie te vormen en sta samen stil bij hoe je gaat samenwerken. Check hoe de ander jou ervaart in de samenwerking. We denken te makkelijk dat we gelijkwaardig samenwerken, maar dat kun je in je eentje niet beoordelen, daar heb je de ander bij nodig. Zorg dat je hier in opleidingen en bij beginnende professionals aandacht voor hebt. Ga er gewoon mee aan de slag, dat kan in kleine stapjes.”

tekst: Marleen Baeten


  1. www.oudersvanbetekenis.nl
  2. www.kenniswerkplaatspedagogischebasis.nl
  3. www.nji.nl/impact-maken-met-jeugdbeleid/jeugdwet
  4. Opgroeien doe je samen (2022), Nederlands Jeugdinstituut.

Jeugdwet & pedagogische basis

De Jeugdwet regelt de hulp aan kinderen en gezinnen in Nederland. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, scholen en kinderopvang. Het gaat dan niet alleen om het tijdig bieden van de juiste hulp op maat, maar ook om het bevorderen van de opvoedcapaciteiten van ouders, en het versterken van het probleemoplossend vermogen van kinderen en hun ouders3.

De sociale omgeving heeft bij dit alles een belangrijke rol. Dus is  er een stevige pedagogische basis noodzakelijk.

Pedagogische rijkdom

De pedagogische basis draagt bij aan het opgroeien, opvoeden en de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Ze wordt gevormd door contacten tussen mensen onderling, hun sociale relaties en de verbinding met hun leefomgevingen. Dan gaat het vooral om voorzieningen, diensten en plekken waar ouders, opvoeders, kinderen en jongeren gebruik van maken. Zoals scholen, bibliotheken en buurtcentra. Hoe meer kinderen en ouders kunnen leren van die contacten, relaties en omgevingen, hoe groter hun pedagogische rijkdom. Vooral de kwaliteit van de ontmoetingen draagt daaraan bij.

Voor het versterken van de pedagogische basis is vooral verbinding en samenwerking nodig, van ouders met andere ouders, met volwassenen in hun omgeving en met professionals4.

pedagogiek & politiek


 

Kinderrechten zijn niet vrijblijvend

De Kinderombudsman bevordert dat kinderrechten worden nageleefd en
daarbij is het VN-Kinderrechtenverdrag het toetsingskader. Het verdrag is zeker ook voor pedagogen en onderwijskundigen interessant omdat het niet alleen een juridisch instrument is, maar ook pedagogische duiding geeft. Een gesprek met Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer over kinderrechten, de nieuwe Kinderrechtentoets en participatie van kinderen en jongeren.

 

Lees meer

De Kinderombudsvrouw is veel op pad voor haar werk. Ze voert wekelijks gesprekken met bestuurders van organisaties in de jeugdzorg en het onderwijs, met inspecties, gemeenten en ministeries. Ook probeert ze zoveel mogelijk kinderen en jongeren zelf op te zoeken en te horen wat er bij hen speelt.

Margrite Kalverboer: “Ik zoek vooral jongeren op die minder gemakkelijk met ons contact kunnen maken, zoals jongeren in een – gesloten – instelling of ik ga in gesprek met kinderen die passend onderwijs nodig hebben over het leerlingenvervoer.”

Beweging

Ze spreekt organisaties aan, adviseert gevraagd en ongevraagd en brengt mensen in beweging. Zo was ze twee jaar geleden op werkbezoek bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in
Ter Apel en schrok enorm van de misstanden. In de media en met een brief naar de staatssecretaris maakte ze dat kenbaar. Onlangs was Margrite Kalverboer op verzoek van het COA weer in Ter
Apel.

“Alle punten waarvan ik had aangegeven ‘dat moet anders en kan beter’, hadden ze aangepakt! De medewerkers doen en deden enorm hun best om voor een goede daginvulling te zorgen. En activiteiten waardoor kinderen zich iets meer thuis voelen, bijvoorbeeld een eigen kussensloop maken.”

Nog een voorbeeld van hoe de Kinderombudsvrouw werkt. “De parlementaire-enquêtecommissie rondom de aardbevingen in Groningen vroeg mij: Hoe zit het daar met de kinderen? Toen heb ik gezegd: Ga het de kinderen zelf vragen! En dat is gebeurd.”

De Kinderombudsvrouw speelt ook een grote rol bij het aanjagen van kinderparticipatie. Kinderen zie je nu in lokale jeugdadviesraden, ze komen op ministeries en spreken Tweede Kamerleden.

“Maar”, zegt ze, “we zijn er nog niet. Je hebt alleen betekenisvolle participatie als je de visie van het kind ook echt meeweegt en als het kind daarmee invloed heeft op de besluiten die je neemt. En als je je besluit fatsoenlijk aan kinderen terugkoppelt.”

 

Kinderrechtentoets

Kinderen moeten – nu en in de toekomst – goed, gezond en veilig kunnen opgroeien. De zojuist gepubliceerde Kinderrechtentoets helpt beleidsmakers om kinderrechten altijd voorop te stellen bij het maken van nieuwe wetten en regels.

Margrite Kalverboer: “Te vaak zien we dat wetten en regels onze kinderen onvoldoende beschermen of ondersteunen. Wat de impact van wetgeving en beleid is op kinderen en kinderrechten, hebben we niet altijd goed in beeld. Hierdoor kunnen er voor kinderen of bepaalde groepen kinderen soms – onbedoelde – negatieve gevolgen zijn. We willen dit beter doen door vooraf op een meer gestructureerde wijze ons werk (wet- en regelgeving en beleid) te toetsen aan kinderrechten. Als we dit continu blijven doen, voorkomen we dat er op een later moment tijdrovende reparaties nodig zijn.”

 

Pilots

Er lopen enkele pilots bij ministeries waar bij toekomstige wetgeving een Kinderrechtentoets wordt toegepast. Zo is het ministerie van Justitie en Veiligheid bezig met beschermingswetgeving en Ondertoezichtstelling (OTS) en is er een pilot wetgeving rond meerouderschap. De provincie Utrecht wil bij alle wetgeving en beleid een Kinderrechtentoets doen en er zit nog veel meer in de pijplijn.

“Zo hoor ik dat kinderen die in de buurt van Schiphol wonen, concentratieproblemen hebben en slecht slapen. Tot nu toe is er in wetgeving en beleid rond de uitbreiding van de luchthaven niet
gekeken naar wat dit betekent voor de ontwikkeling en het leven van kinderen en hoe we daar rekening mee gaan houden. Denk bijvoorbeeld aan geluidsoverlast, waardoor kinderen slechter slapen en zich minder goed kunnen concentreren. Daar moeten we als samenleving en specifiek beleidsmakers rekening mee houden”, aldus Margrite Kalverboer.

Het beste besluit

Een ander, al langer bestaand instrument van de Kinderombudsman is Het Beste Besluit voor het kind. Deze toolkit helpt professionals (van jeugdzorg tot onderwijs en van gemeente tot woningbouwcorporatie) om met kinderen of jongeren in gesprek te gaan over hun belang en dat belang scherp te zien.

Bij ‘Het Beste Besluit voor het kind’ hoort een stappenplan gebaseerd op het Kinderrechtenverdrag. Dat helpt om een afgewogen besluit te nemen waarbij het belang van het kind voorop staat.

Margrite Kalverboer: “Zo sprak ik met kinderen in het aardbevingsgebied in Groningen. Een jongen vertelde dat ze naar een wisselwoning gingen verhuizen, dus moesten zijn spulletjes worden opgeslagen. Door uitstel van de verhuizing duurde dat zeven maanden. Die jongen kon al die tijd niet bij zijn spullen. Het
ging ook nog eens om kind dat in die tijd doubleerde en dacht: deze schoolspullen heb ik dit schooljaar niet meer nodig.”

Met behulp van ‘Het Beste Besluit voor het kind’ zou je dat anders aanpakken.

Wat geven kinderen en jongeren u zoal mee?

De Kinderombudsvrouw hoeft niet lang na te denken en komt meteen met een voorbeeld.
“Bij een werkbezoek sprak ik een meisje dat langdurig dakloos was geweest en altijd al onder toezicht stond. Zo lang zij zich kon herinneren, werd ze thuis mishandeld. Daar lagen de drugs
gewoon op de keukentafel en zij werd niet uit huis geplaatst. Toen is ze weglopen en vond onderdak in een papiercontainer. De school kwam er op een gegeven moment achter want ze droeg elke dag dezelfde joggingbroek. In haar kluisje vonden ze een slaapzak.”

“Ik vroeg haar: ‘Hoe kan dat nou, je hebt toch altijd een voogd gehad?’ Toen zei ze: ‘Mijn moeder kon mooi praten.’ Je moet dus met kinderen praten. De belangen van kinderen en van ouders zijn niet dezelfde belangen. Je hoopt het, maar het is lang niet altijd zo.”

Rol van ouders

Uit onderzoek van de Kinderombudsvrouw blijkt dat kinderen van gescheiden ouders hun kwaliteit van leven lager beoordeelden.

“Bij complexe scheidingen geven kinderen een nog lager cijfer. Vaak is de band met een van de ouders slecht, maar vaak met de andere ook. Wij hebben daarom gezegd: ‘Als partner ga je uit elkaar, maar je blijft ouder’.”

In hetzelfde onderzoek gaven thuiszittende kinderen hun leven een zeer laag cijfer.

“Het ging om een kleine groep kinderen, je moet er voorzichtig mee zijn, maar ik schrok er enorm van. Een deel van de problemen die deze kinderen ervaren komt door het verschil tussen wat ouders wensen, wat scholen wensen, en wat kinderen wensen. De belangen van ouders en kinderen gaan niet altijd gelijk op. Het zou goed zijn als we kinderen wat meer vrijheid in hun leven geven, inclusief de vrijheid om fouten te maken. We moeten als volwassenen wat minder overspannen staan in eigenlijk heel veel wat kinderen aangaat.”

Rol pedagogen

Voor orthopedagogen is de toolkit ‘Het Beste Besluit voor het kind’ handig om in de dagelijkse werkpraktijk te gebruiken, bijvoorbeeld bij behandelingen.

De Kinderombudsvrouw: “Orthopedagogen werken in de context, horen kinderen en ouders, en gaan ook in gesprek met school, jeugdzorg, en andere organisaties. Ik zie ook in de jeugdhulp en het onderwijs veel problemen die niet worden opgelost, omdat partijen er onderling niet uitkomen. Daar kunnen pedagogen een rol hebben. Zij maken een goede analyse en gaan aan de slag met vragen als: Wat is nu ons gezamenlijk beeld? Hoe dienen wij gezamenlijk dit belang van het kind? Wat staat er in de weg? En hoe gaan we dat oplossen?”

Toekomstwens

Wat hoopt Margrite Kalverboer voor de toekomst?
“Ik hoop dat kinderen gezien worden en datgene krijgen wat het beste past bij hun mogelijkheden en hun situatie. En dat we de zaken wat minder ‘optuigen’. Kijk maar naar de jeugdhulp en de
asielketen. Dat zijn businessmodellen. Er zijn zoveel belangen. We dreigen te vergeten dat het gaat om: Wat heeft dit kind nodig om goed op te groeien?”

tekst: John Smeets


verder lezen

gegrepen


 

‘Be the change’

In de wildernis van Colombia woont mijn nicht May (41) met haar Colombiaanse man Esau (36) en hun twee kindjes Uma (4) en Tay (2). May leidde jarenlang een zwervend bestaan, met haar camera in de hand zoekend naar een plek waar zij zich thuis kon voelen.

 

Lees meer

Zoekend naar haar roots, of een plek waar ze zelf wortel kon schieten, leerde ze van de mensen die ze ontmoette en de culturen waarin ze zich onderdompelde. Zelfvoorzienend leven werd een wens. De European city girl één met de natuur.

Diagnose

Niet lang geleden zag May in de verte haar man Esau zes meter naar beneden vallen. “Als een aapje viel hij mee met de bamboe”, schreef ze me. Hij bleek gelukkig ongedeerd. Vijf jaar geleden liep het slechter af met Maria, een Noorse fotograaf, die op haar 41ste de diagnose baarmoederhalskanker kreeg. Binnen een jaar overleed ze en bleef haar Engelse man Nik alleen met hun jonge kinderen achter op een verafgelegen boerderij.

De documentaire A new kind of wilderness gaat over hen. Over Maria die met haar gezin uit de ratrace van het moderne leven wilde stappen. Maar vooral over Nik en de kinderen, die na haar dood verder moeten. De titel verwijst niet alleen naar hun leven in de Noorse bossen, maar ook naar de wildernis die ieder mens op een bepaald moment van het leven inloopt. ‘The bushy road of healing. Cutting through fear and chaos, we are finding our way’, schreef Maria op haar blog1 over die nieuwe werkelijkheid na haar diagnose.

Geen oordeel

Zo’n nieuwe wildernis is ook de maatschappij waarin wij leven en waar Nik naar terugkeert en z’n kinderen moet introduceren. Zonder Maria’s inkomsten kan hij de hypotheek op de boerderij niet langer betalen.

Het is een mooie documentaire. Wat me vooral heeft gegrepen is dat de documentairemaker geen oordeel geeft over de mensen die ze filmt. Ook de leraren die de kinderen na jaren thuisonderwijs een plek op school bieden, oordelen niet. En Nik, die gekozen heeft voor een leven buiten de maatschappij, leeft zijn eigen waarden na. Zonder een sterk oordeel over de mensen die het anders doen dan hij.

Kompas

Mijn nicht May in Colombia is net zo. ‘Open je ogen en verander je leven’, schreef ze zo’n tien jaar geleden. Maar niet om ons thuisblijvers te overtuigen. Het waren de woorden die twee jaar eerder nog aversie bij haar opgeroepen hadden, maar die de tijd hadden genomen om zich in haar te nestelen en haar lieten weten hoe het verder moest: leven in en met de natuur.

Vroeger hielden we soms ons hart vast als we haar berichten lazen. Nu denk ik dat vooral onze eigen angsten en oordelen een rol speelden. Nik en May hebben een sterk innerlijk kompas en laten zien hoe het ook kan, in de woorden van May: ‘To be the change we want to see in the world.’

 

 

tekst: Bart van Gent


A new kind of wilderness van Silje Evensmo Jacobsen is in ieder geval tot 13 januari te zien via Picl: picl.nl/films/a-new-kind-of-wilderness/

Over het leven van May in Colombia kun je meer lezen via The Golden Teacher: https://gofund.me/2befdbab

  1. www.wildandfree.no

 

casus


Als praktijk en wetgeving schuren

Gezocht en gevonden!
Passende zorg voor Yvonne

Orthopedagoog-generalist Matty van Loon is gedragsdeskundige bij Amarant, een zorgaanbieder binnen de gehandicaptenzorg in Noord-Brabant. In haar werk krijgt ze weleens te maken met het wijzigen van indicaties, zoals bij Yvonne. In deze casus illustreert zij dat de praktijk soms weerbarstiger is dan wetgeving.

 

Lees meer

Yvonne is een vrouw van 67 jaar oud. Als één van een tweeling is zij erg klein geboren. Haar ontwikkeling verloopt anders dan bij haar broers en zussen. Daarom gaat ze naar een speciaal kinderdagverblijf, vergelijkbaar met een medisch kinderdagverblijf zoals we dat nu kennen.

Yvonne doorloopt het reguliere onderwijs en behaalt zelfs haar rijbewijs. Ook vindt ze een baan, maar ze verliest deze als de druk te hoog voor haar wordt.

Yvonne heeft jaren geleden zelfstandig gewoond, zoals ieder ander. Ze krijgt hulp van Amarant via het FACT team – Flexible Assertive Community Treatment, een team binnen Amarant dat mensen met een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek helpt -, omdat het zelf vormgeven van haar leven niet lukt.

Verslaafd

Helaas gaat het ook met de hulp van Amarant niet goed met Yvonne. Ze raakt verslaafd aan drugs en alcohol en laat hierdoor onaangepast en ongeremd gedrag zien. Zo kan ze zich op straat uitkleden en zorgt ze voor overlast in de buurt (ze biedt zichzelf aan bij mannen). De veiligheid van haarzelf en anderen komt in gevaar. Via een IBS – inbewaringstelling binnen de Wet zorg en dwang – is Yvonne gedwongen opgenomen op een gesloten afdeling, op het terrein van Amarant.

Verlof

De inbewaringstelling gaat uiteindelijk over in een langere maatregel, de RM (rechterlijke machtiging), om Yvonne verder te kunnen helpen vanuit een gedwongen kader. Er zijn strakke afspraken met haar gemaakt, bijvoorbeeld over toezicht en bewegingsvrijheid. Dit is intensief, maar stukje bij beetje gaat het wel steeds beter met Yvonne. Ze is toe aan verlof!

Maar elke keer als Yvonne eventjes met verlof gaat, vervalt ze binnen een paar uur weer in haar drugsgebruik. Terwijl zij in haar leven op het terrein een goed ritme weet te vinden, zich thuis voelt en van de drugs af kan blijven. Er wordt daarom met elkaar gekeken naar een vaste woonplek op het terrein, want zonder deze beschermde omgeving valt zij terug in haar oude gedragspatronen.

Nieuwe indicatie

Yvonne is toe aan nieuwe indicatie. Ze heeft namelijk uit het verleden nog een Wmo-indicatie (Wet maatschappelijke ondersteuning), en dat is geen passende indicatie om langdurig binnen een organisatie als Amarant te wonen. Er wordt daarom een aanvraag binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) gedaan. De passende grondslag bij een organisatie binnen de gehandicaptenzorg is de VG (Verstandelijk Gehandicapt).

Hier wordt de aanvraag op gericht, omdat ondertussen door diagnostiekonderzoek ook een verstandelijke beperking is vastgesteld bij Yvonne. Daarnaast sluit de hulpverlening die
Amarant biedt aan bij de hulpvraag van Yvonne.

 

Wetgeving versus praktijk

In de casus van Yvonne is er sprake van een combinatie van grondslagen, namelijk psychiatrische problematiek én een verstandelijke beperking. Het wordt zoeken naar welke grondslag het best passend is, omdat een Wlz-indicatie afgegeven wordt op de dominante grondslag (zie kader).

De problematieken en het gedrag dat Yvonne laat zien, kunnen zowel verklaard worden vanuit haar verstandelijke beperking als vanuit verslavingsproblematiek. Om de grondslag verstandelijke beperking vast te stellen, moet er echter aantoonbaar bewijs zijn dat hier voor het achttiende levensjaar al sprake van was. Hierover zijn er bij Yvonne geen gegevens beschikbaar.

Daarnaast heeft zij ook regulier onderwijs doorlopen en tijdelijk een baan gehad. Past dit wel bij het beeld van een verstandelijke beperking? Komt de verslaving wellicht door overvraging en negatieve levenservaringen? Het missen van de gegevens en het zich herhalende verslavingsgedrag maakt dat het CIZ uiteindelijk besluit een Wlz-indicatie af te geven met de grondslag ‘psychiatrische aandoening’ (Wlz-GGZ).

 

Grondslagen indicatie

Er moet een grondslag aanwezig zijn om in aanmerking te komen voor zorg gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg.
Er zijn zes verschillende grondslagen:

  • somatische aandoening
  • psychogeriatrische aandoening
  • psychiatrische aandoening
  • lichamelijke handicap
  • verstandelijke handicap
  • zintuiglijke handicap

De grondslag wordt vastgesteld door het Centrum Indicatiestelling Zorg op basis van informatie van artsen, diagnostiekverslagen of levens- en onderwijsverloop. Het kan zijn dat er meerdere redenen zijn waarom iemand aangewezen is op hulp, bijvoorbeeld iemand met zowel een verstandelijke handicap als een psychiatrische aandoening. In dat geval zal het CIZ een dominante grondslag vaststellen. De dominante grondslag is de grondslag met de zwaarst wegende beperkingen in relatie tot de zorgbehoefte van de verzekerde.


bron: Ministerie van VWS www.monitorlangdurigezorg.nl/begrippen/grondslag

Dilemma

En hiermee is een dilemma geboren, want Yvonne lijkt helemaal op haar plek bij deze zorgorganisatie. Ze krijgt de juiste hulp, waardoor verdere problemen voor haar en de maatschappij voorkomen worden. Maar een GGZ-indicatie hoort eigenlijk niet thuis in de gehandicaptenzorg. Bovendien blijkt, na goed overleg met de GGZ, dat ze daar geen passend aanbod voor haar hebben. De juiste indicatie (met grondslag VG) kan echter door wetgeving niet afgegeven worden.

Rol orthopedagoog

Gelukkig kan en mag Yvonne met de GGZ-indicatie binnen de zorginstelling blijven wonen. Dit heeft wel financiële gevolgen voor de zorgaanbieder. Zo is er nagenoeg geen financiering voor interne behandeling en moet dit overwegend via de reguliere route vorm krijgen. Bovendien is er maar een beperkt aantal uren beschikbaar voor de dagbesteding.

Ook de verantwoordelijkheden voor de orthopedagoog worden op scherp gezet. Zo wordt er bijvoorbeeld vanuit een andere wet, met andere voorwaarden, gewerkt als zorg niet meer vrijwillig vormgegeven kan worden. Waar je binnen de gehandicaptenzorg werkt volgens de Wet zorg en dwang (Wzd), gebeurt dit binnen de GGZ vanuit de Wet verplichte ggz (Wvggz). Oftewel: wanneer het nodig is om, in het belang van Yvonne, onvrijwillige zorg in te zetten, is dit rechtmatig niet mogelijk. Met alle gevolgen van dien. Wat doe je dan als zorgaanbieder? Wat is dan je rol als betrokken hulpverlener?

Grijs gebied

Matty van Loon, jaren betrokken geweest als behandelaar en gedragsdeskundige van Yvonne, voelt het dilemma zelf ook. Ze mist de individuele, maatwerk gerichte benadering.

“Er zit een grijs gebied tussen zwart en wit in. Door de huidige wetgeving worden sommige mensen in hokje A geplaatst, terwijl ze het juist goed doen op de zorg uit hokje B. Of past het in twee hokjes, zoals bij Yvonne, maar moet je altijd voor een indicatie met één dominante grondslag kiezen. Door de splitsing tussen de VG- of GGZ-indicaties, kiest het CIZ wat de grondslag is. Terwijl je eigenlijk gewoon de zorg wil kunnen bieden die bij mensen past, ongeacht in welk hokje ze zijn geplaatst.”

Rol NVO

In het werk als orthopedagoog komt het vaker voor; wetgeving die is gemaakt voor de hele maatschappij botst met de zorg die individueel, op maat vorm krijgt. Als praktijk en wetgeving schuren met elkaar, komt je werk als orthopedagoog zo weleens onder druk te staan. De NVO zet zich als beroepsvereniging in om deze orthopedagogen te ondersteunen met juridisch advies of bij het uitvoeren van hun beroepscompetenties in zulke dilemma’s. Daarnaast heeft de NVO ook contacten met partijen als het CIZ om met elkaar dit soort dilemma’s te bespreken.

tekst: June Bragg en Laura van Wijnen
beeld: Shutterstock


Yvonne heet in werkelijkheid anders

IQ-score

Op verschillende gebieden in het Nederlandse zorg- en onderwijssysteem wordt de IQ-score gebruikt als toelatingscriterium. We noemen dit slagboomdiagnostiek. Dit leidt in de praktijk regelmatig tot problemen, waarbij aanvragen voor zorg en onderwijs worden afgewezen omdat er of geen IQ-score bekend is, of de intelligentiescore slechts één of enkele punten ‘afwijkt’ van een norm.

Om meer zicht te krijgen op de aard en de omvang van deze problemen en ervaringen in het werkveld, hebben NVO en NIP eind 2023 een vragenlijst uitgezet over de rol van IQ bij de (her)indicatie Wet langdurige zorg (Wlz) en schoolkeuze/schoolplaatsing. In februari 2024 zijn de resultaten verwerkt in een rapportage1.

De NVO onderzoekt momenteel samen met de Radboud Universiteit en de Stichting OOK-OC! (gelieerd aan Stichting Milo) mogelijke alternatieve werkwijzen om de ondersteuningsbehoefte voor toegang tot de Wlz en onderwijs goed in beeld te brengen. Diverse professionals en organisaties, waaronder het CIZ, denken hierin mee. Zo hopen we met elkaar de toeleiding naar onderwijs en zorg, zoals in een casus als die van Yvonne, voor alle betrokkenen te verhelderen.

  1. www.nvo.nl/actueel/ervaringen-naar-de-rol-van-iq-bij-indicatiestelling-en-schoolkeuze-plaatsing

gast


 

Parasurfen op de Noordzee

Jarenlang werkte ik als pedagoog en gedragswetenschapper in de zorg, tot ik zeven jaar geleden arbeidsongeschikt raakte door een herseninfarct. Op mijn vijftigste was ik ineens halfzijdig verlamd. Tijdens mijn revalidatie heb ik – in de rol van patiënt – ervaren dat meer  autonomie leidt tot minder problemen.­

 

Lees meer

Door mijn halfzijdige verlamming kwam ik in een dal terecht, en nog wel eens, maar ik weet inmiddels hoe ik eruit kan komen. Ik ben me gaan afvragen wie ik ben en wie ik wil zijn. Het antwoord is dat ik van de natuur houd, graag buiten ben, doelen stel en nieuwe dingen wil meemaken.

Als ik nu niet lekker in mijn vel zit, denk ik daaraan en onderneem ik actie. Dat helpt altijd. Dan ga ik bijvoorbeeld de duinen in op mijn aangepaste driewieler ligfiets. Of parasurfen in de Noordzee, met de begeleiders van bewegingsagogie en fysiotherapie.

Autonomie

Als gedragswetenschapper werkte ik bij het Centrum voor Consultatie en Expertise in Nederland en Estland en deed onderzoek naar hersenletsel. Mijn hypothese was dat problemen afnemen bij verkrijgen van meer autonomie (Supported autonomy, Journal of Cognitive Rehabilitatie, 2010) en die hypothese is door mijn eigen ervaring in de praktijk bevestigd.

Ik heb afscheid genomen van mensen die mijn handicap zien als legitimatie om me te bevoogden en daar geen moment spijt van gehad.

Revalidatie

Ik ging revalideren in Wijk aan Zee. Daar heb ik mijn eigen bevindingen op mezelf toegepast en ben daar beter uitgekomen. Zo maakte ik mijn eigen functie-analyses en maakte ik gebruik van positieve zelfinstructies; bedenken wie ik wil zijn, besluiten dat ik dat ben en daar naar gaan handelen.

Wat me opviel is dat ik, als patiënt, niet werd uitgenodigd voor het multidisciplinair overleg over mijn behandeling. Er is niet methodisch gebruik gemaakt van mijn sterke kanten, ervaringen en ideeën. Een gemiste kans voor beide kanten.

Beweging

Belangrijke veranderingen gaan, heb ik ervaren, altijd gepaard met beweging. Door fysiotherapie en bewegingsagogie zoals surftherapie, heb ik ervaren dat ik me blijf ontwikkelen.

tekst: Richard Bouwmeester
reacties: bouwmeester74@gmail.com

 

Tips voor behandelaars

  • Mensen hechten aan autonomie.
    Ondersteun dit.
  • Betrek revalidanten bij de behandeling en het multidisciplinair overleg, dat geeft inzicht in de behandeling.
  • Maak gebruik van positieve zelfinstructies en het maken van plannen.
  • Laat revalidanten zelf functie-analyses maken van hun handelingen, zoals schoenen aandoen, en in de rolstoel stappen zonder vallen. Zij onthouden handelingen beter als ze zelf stappenplannen maken.
  • Bevorder zelfstandig wonen. Zelf ben ik in de laatste fase intern, in het revalidatiecentrum, op kamers gaan wonen. Zo werd ik een stuk zelfstandiger. Ook een manier om minder gehospitaliseerd te raken, heel nuttig voor je weer thuis gaat wonen.
  • Stuur niet aan op huilen. Veel therapeuten hopen een doorbraak bij hun patiënten te bewerkstelligen en zien een huilbui als een signaal dat dat gelukt is. Maar iedereen verwerkt tegenslag op zijn eigen wijze, in zijn eigen context. Beter is het gewoon present te zijn, zonder eigen inzichten of ambities voorop te stellen.
  • Kijk voor een goede cursus – al dan niet in teamverband – over het begeleiden van verlies op de site Verlieskunde. www.verlieskunde.nl

 

boeken &zo


 

Boeken &zo: Inspiratie en inzicht voor pedagogen

Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.

 

Lees meer

 

Het grote geld

In Gekaapt door het kapitaal zet Mirjam de Rijk, journalist en columnist, uiteen hoe de van oudsher publieke sectoren zorg, onderwijs, wonen en kinderopvang ten prooi zijn gevallen aan ‘het grote geld’.

De pessimist kan smullen van deel 1 en 2, waarin De Rijk beschrijft hoe het precies zit met de kapitalisering van publieke ondernemingen en welke oorzaken eraan ten grondslag liggen. Onder invloed van private-equityfondsen als eigenaren van zorginstellingen, en uitgeverijen en grote bedrijven als financiers van wetenschappelijk onderzoek, ligt de nadruk steeds meer op winst maken. ‘Cherry picking’ in de ggz, ‘stofzuigeren’ in de kinderopvang, (verborgen) privatisering in het onderwijs. We zijn niet verbaasd, maar laten het toch gebeuren.

Deel 3 is voor de optimist: er is iets aan te doen. De Rijk trekt tien lessen. Van het nemen van meer eigen verantwoordelijkheid binnen de publieke sector, tot meer regelgeving en controle vanuit de overheid. Waarbij de pessimist weer kan aantekenen dat dit een langdurig en moeizaam proces wordt. Maar, en dat lijkt ook de boodschap van dit boek, als we niet beginnen met inzicht, komen we nooit naar uitzicht.

De Rijk heeft een vlotte schrijfstijl. Als je weinig kaas hebt gegeten van economie, is het soms worstelen met termen en begrippen. Wat overigens weer eens duidelijk maakt hoe belangrijk het ook voor ons pedagogen is om in decommunicatie taal te gebruiken die begrijpelijk is voor mensen die niet bekend zijn met óns vakjargon.

tekst: Aafke Peeten-de Klein

Gekaapt door het kapitaal. Zorg, onderwijs, wonen en kinderopvang (2024) van Mirjam de Rijk, Uitgeverij Pluim, i.s.m. De Groene Amsterdammer.

 

 

Presteren of bloeien?

In Donutpsychiatrie laat Hilgo Bruining, hoogleraar neurobiologische ontwikkelingsstoornissen en kinderpsychiater, zien waarom een transitie in de kinderpsychiatrie hard nodig is. Hij onderbouwt helder hoe politieke, economische en maatschappelijke invloeden de psychiatrie beïnvloeden en hoe weinig valide onze huidige diagnoses en behandelingen zijn. Hij pleit voor een nieuwe benadering die meer rekening houdt met de interactie tussen aanleg, context en omgeving. Bruining baseert deze benadering op het economische donutmodel van Kate Raworth.

Hoewel de visie goed onderbouwd is, is het boek niet eenvoudig te lezen. Het gebruik van medisch jargon maakt het soms lastig en daarmee minder toegankelijk voor een breder publiek. Daarnaast blijven veel van de voorstellen vaag of lastig te realiseren. Het big data-systeem dat Bruining voorstelt – waarin gegevens zouden worden verzameld gedurende de levensloop van een kind van zwangerschap tot sociale basiscondities, van structurele neuropsychologische metingen tot vitaminespiegels – kan mogelijk zorgen voor een bredere en systemische hulpverleningsblik, maar voelt onhaalbaar op dit moment.

De kracht van het boek zit in de kritische analyse van waar we nu staan, minder in de concrete invulling van verandering. Desondanks biedt Donutpsychiatrie waardevolle inzichten en prikkelt het om na te denken over nieuwe benaderingen in de kinderpsychiatrie. Want we leven nu in een maatschappij waar kinderen moeten presteren en bijdragen, ongeacht of hen dit doet bloeien. Hoe kunnen we werken aan een maatschappij waarin kinderen kunnen bloeien, ongeacht hun bijdrage of prestaties?

tekst: Rianne van Kesteren

Donutpsychiatrie (2024) van Hilgo Bruining is een uitgave van Boom.

 

 

School als oefenplaats

Van individueel naar inclusief onderwijs van Bert Wienen is zeer relevant voor de huidige onderwijspraktijk en plaatst daar vooral vraagtekens bij. Hij heeft het geschreven om schoolteams uit te dagen het gesprek te voeren over gewoon heel goed onderwijs, in zijn optiek synoniem aan inclusief onderwijs.

Zelf als psycholoog opgeleid, houdt Wienen een warm pleidooi om de eieren van de psychologiekoekoek de school uit te werken
en daar vooral weer aandacht te besteden aan het lesgeven aan groepen. Het pedagogisch klimaat, de pedagogisch-didactische relatie en een goede les: dat is het vak van de leraar, niet van de psycholoog. Hij plaatst het medisch-individuele model van inclusief onderwijs tegenover het sociale. Hierin staat niet de ondersteuningsbehoefte van de individuele leerling centraal, maar de context die de school biedt als oefenplaats tussen thuis en samenleving.

Het valt me op hoeveel ik onderstreept heb. Dat welbevinden niet voorwaardelijk is om onderwijs te volgen, maar juist een uitkomst van goed onderwijs. Dat onderwijs niet leuk hoeft te zijn, maar er juist wat meer weerstand in gebracht mag worden. Dat we met minder specialisten in en om de school toekunnen, maar vooral contextdeskundigen in de school nodig hebben. Ik parafraseer en daarmee doe ik dit boek tekort. Dus werk je op een school, lees het dan zelf.

tekst: Andries Kamminga

Van individueel naar inclusief onderwijs. Pleidooi voor minder labelen en meer aandacht voor de kracht van onderwijs (2023) van Bert Wienen is een uitgave van Instondo.

 

 

Hoe nieuwsgierig ben jij?

In dit 128 pagina’s tellende persoonlijke, autobiografische verhaal neemt orthopedagoog Willy Inghelbrecht (1951) je mee in zijn zoektocht. Op zijn werk – een voorziening voor mensen met een verstandelijke beperking – worden twee broeders die de cliënten verzorgen, beschuldigd van seksueel misbruik. Stress, angst, verwarring en schuldgevoelens passeren de revue. Seksueel misbruik is een fuik, waar iedereen in valt zonder het door te hebben.

Inghelbrecht omschrijft – door je mee te nemen in zijn gevoel, zijn gedachten, zijn gedrag, maar ook in hoe anderen zich gedragen – hoe het uitoefenen van een beroep als pedagoog samenhangt met het voelen en handelen als mens. De beslissingen die je neemt, hoe gedrag gelabeld wordt en hoe je ermee om gaat, heeft allemaal met mensen te maken. Dit maakt het kwetsbaar, zowel voor de cliënt als voor jou als pedagoog.

Heel bewust kijkt de auteur terug op de tijd waarin hij soms onbewust zijn vooroordelen of informatie uit het verleden voorrang gaf op het gedrag in het hier en nu. Met zijn verhaal neemt hij pedagogen (en andere medewerkers in de zorg) mee in hoe belangrijk het is om ongebonden nieuwsgierig te zijn, om niet in de fuik terecht te komen.

Met een Vlaamse tongval zijn de zinnen soms wat anders opgebouwd dan wij Nederlanders gewend zijn. Het boek leest ondanks het heftige en kwetsbare onderwerp makkelijk weg. Maar… neem nog even tijd, want die vraag blijft wel even hangen: Hoe ongebonden nieuwsgierig ben ik eigenlijk?

tekst: Laura van Wijnen

Bij nader inzien (2023) van Willy Inghelbrecht is een uitgave van Aspekt B.V.

 

de hoogleraar


 

Een leven lang therapie?

Waar te beginnen als je Levi van Dam, bijzonder hoogleraar Veerkrachtig Opgroeien, gaat interviewen? JIM, Garage 2020, apps, robots, de mentale wasstraat, Make MDMA Medicine; de projecten volgden elkaar de afgelopen jaren in rap tempo op. Tijdens zijn oratie ‘Eindeloze identiteiten’, blijkt dat ze allemaal een plek hebben op zijn pad. We zoomen in op de meest recente initiatieven, één gericht op het toegankelijk maken van mentale ondersteuning voor een breed publiek, een ander juist zeer specialistisch.

 

Lees meer

‘Hebben wij ons hele leven therapeuten om ons heen nodig?’, vraagt Floor (16) zich af na een intensieve behandelweek met haar gezin, gericht op het verwerken van jeugdtrauma. De vraag blijft hangen bij Levi van Dam (41).

“Zijn we zover afgedreven dat we niet meer zonder professionele mensen kunnen opvoeden en opgroeien? Als je kijkt naar de cijfers, dan zou je denken van wel”, zegt hij in z’n oratie, uitgesproken op 8 november dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam.

Epidemiologisch onderzoek

“Dertig procent van de Nederlandse jongeren ervaart zoveel problemen dat ze daarmee voldoen aan de criteria van een psychische stoornis. Een op de drie. Is dat ook een verklaring voor de druk op de jeugdzorg? Hebben jongeren van nu meer mentale problemen dan tien, twintig, dertig jaar geleden?”, was zijn volgende vraag.

Uit epidemiologisch onderzoek, uitgevoerd sinds 1994 – toen de eerste DSM uitkwam – blijkt van niet. “De data zijn al dertig jaar consistent, het is niet zo dat deze generatie meer problemen heeft. Wat nieuw is, is dat de huidige generatie beter in staat is te verwoorden dat het leven soms lastig is. De jongeren van nu zijn de kanarie in de kolenmijn: ze geven als eerste het signaal af hoe ingewikkeld opgroeien is.”

Het vrijetijdsdomein

“Misschien is onze reactie op het benoemen en bespreken van problemen die jongeren ervaren dan niet helemaal adequaat”, zegt Levi van Dam met gevoel voor understatement.

“Jongeren geven aan dat mentaal welbevinden een onderwerp is dat leeft, daar willen ze het over hebben. Ze zijn op zoek naar vormen waarin dat kan en ik hoop de komende jaren iets neer te zetten voor jongeren om dit goed te bespreken. Dat kan thuis of op school, maar het vrijetijdsdomein is wat mij betreft een onontgonnen terrein waar we nog veel meer kunnen bieden.”

“Bijkomend voordeel is dat je dan ook direct bent ontslagen van het motivatieprobleem. Een jongere is vaak niet gemotiveerd voor behandeling en ik denk terecht, want hoe leuk is het nou eigenlijk? Dus proberen we steeds maar weer de jongeren te motiveren, want motivering is één van de belangrijkste voorspellers van behandelsucces. Maar als je het omdraait en je afvraagt ‘waar gaan ze uit zichzelf al graag naartoe?’, en je creëert dáár iets, dan heb je de grootste succesfactor al gerealiseerd.”

Mentale sportschool

Festivals zijn zo’n plek waar veel jongeren al komen en waar Levi van Dam onlangs te vinden was om zijn ‘mentale wasstraat’ te testen. Een drie uur durend event met ademhalingsoefeningen, klankschalen en een ijsbad, waarin jongeren technieken aangeleerd krijgen die hun mentale welzijn een boost geven. “Met geluid en muziek kom je echt wel in een andere mentale staat”, zegt hij. “Emoties worden toegankelijker. Je hebt dan wel professionele begeleiding nodig om dat te ondersteunen.”

Hij ziet dan ook veel in een terugkerende vorm. “Een mentale sportschool met mentoren, een plek waar je graag naartoe gaat, waar je anderen kunt ontmoeten en ervaringen op kunt doen.” Op de ochtend van zijn oratie was de aftrap en in 2025 wil hij elke maand een sessie organiseren.

“Het vormen van een community en via positieve peer pressure verleiden tot nieuw gedrag is het uitgangspunt. Dat doen we bijvoorbeeld door het aanleren van tiny habits. Denk aan mediteren: begin eens met vijf minuten per dag in plaats van meteen een half uur. Of het veranderen van gedrag: daag jezelf uit om vijf minuten healthy content te zoeken in plaats van gedachteloos door te scrollen. We hebben de Feelee-app ontwikkeld om je stemming bij te houden en wijzen ook op het bestaan van andere behulpzame apps. Tussen de bijeenkomsten in kunnen de deelnemers contact houden in gecreëerde subgroepen van ongeveer tien personen.”

Op de eerste bijeenkomst waren zo’n 120 deelnemers. “De hoop is dat dit groeit naar tweehonderd, driehonderd, maar misschien ook wel tweeduizend deelnemers.”

Psychedelica

Een andere, kleinere, groep waar Levi van Dam zich op richt zijn de jongeren met complexe traumaklachten, waarbij reguliere behandeling niet heeft gewerkt. Ook hen wil hij een ruimte bieden. Een mentale ruimte, opengesteld door psychedelica, in dit geval MDMA (de werkzame stof in XTC).

“De therapeuten zijn opgeleid, de MDMA is geregeld, we zitten in de allerlaatste fase: wachten op toestemming”, zegt hij tijdens z’n oratie. Zelf heeft hij ook een opleiding gevolgd bij het Amerikaanse MAPS, Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies.

“Wat ik heel mooi vind is het uitgangspunt van inner healing intelligence. Iedereen heeft een bepaalde innerlijke kennis over wat je nodig hebt. Maar je moet door allerlei lagen en barrières om daar naartoe te gaan, zeker als je veel trauma’s hebt. Vaak leer je als therapeut om te interveniëren door middel van gedragstherapie of EMDR. In dit traject van een half jaar zijn er drie sessies met MDMA, waarin het gaat om een innerlijk proces, waarbij de empathie richting jezelf en de ander vergroot wordt. Het is echt een andere mentale ruimte waarin je werkt”.

“Dit vraagt van de therapeut om aan te sluiten bij ‘wat gaat de cliënt doen?’ en niet zozeer je eigen programma te volgen. Je hebt bepaalde verwachtingen en dan blijkt dat de sessie over iets heel anders gaat. Het vraagt om doelen los te laten, te vertrouwen en te vertragen. Het is een mensgerichte, humane manier van hulpverlening, waarbij je de ander, de jongere, als kennisbron ziet en waar demping van het wantrouwen een belangrijke factor is.

Het gebruiken van MDMA als medicijn lijkt misschien heftig, maar je werkt niet met een dagelijkse dosering zoals bij ritalin of antidepressiva. Het zijn drie sessies met medicatie in een half jaar. De integratie naar je dagelijkse situatie, het echte leven, is natuurlijk cruciaal.”

tekst: Bart van Gent
foto: Kirsten van Santen

opvoeders van nu


 

Zo thuis mogelijk opgroeien

‘Een handreiking als kompas voor professionals die met gezinnen werken’

Hoe bereik je dat zoveel mogelijk kinderen ‘zo thuis mogelijk’ opgroeien? Het Nederlands Jeugdinstituut publiceerde hierover de handreiking Mijn Thuis. De auteurs, Harmke Bergenhenegouwen en Marlies de Jong, hopen dat veel professionals er in de praktijk mee gaan werken.

Lees meer
Marlies de Jong

Kinderen hebben het recht om thuis op te groeien. Hulp aan kinderen vindt daarom thuis plaats of op een plek die zoveel mogelijk op een gezin lijkt, zoals een pleeggezin of gezinshuis. En dus niet in een grootschalige residentiële instelling. Deze visie staat bekend als ‘zo thuis mogelijk opgroeien’. Tot mijn verrassing is dit begrip niet overal ingeburgerd bij hulpverleners die met gezinnen werken.

De visie kent wel een breed draagvlak in de jeugdzorg, maar is veel minder bekend bij professionals in bijvoorbeeld wijkteams of het onderwijs. Zo vertellen Harmke Bergenhenegouwen en Marlies de Jong, portefeuillehouders ‘Zo thuis mogelijk opgroeien’ bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Dat is een van de redenen waarom zij de handreiking Mijn Thuis1 schreven. Daarnaast wilden zij de kennis over ‘zo thuis mogelijk opgroeien’ bundelen, als een kompas voor professionals die met gezinnen werken. Met name gezinnen met meervoudige, ernstige en langdurige problemen.

Gezamenlijke koers

Terwijl veel professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming de visie onderschrijven, lukt het in de praktijk nog onvoldoende om kinderen zo thuis mogelijk te laten opgroeien, geeft Harmke aan. “We zien nog niet dat het aantal uithuisplaatsingen fors daalt of dat kinderen na een uithuisplaatsing op dezelfde plek kunnen blijven. Toch wil iedereen het. Uit de jeugdbescherming kregen we de vraag om vanuit het NJi een handreiking te schrijven, zodat professionals een gezamenlijke koers kunnen aanhouden. Die handschoen hebben we opgepakt.”

Ook is er nog onvoldoende een integrale aanpak, vult Marlies aan. “We willen met de handreiking professionals aanzetten om verder te denken. Als je iemand behandelt voor bijvoorbeeld een depressie, dan is het belangrijk te beseffen dat iemand meer rollen heeft dan alleen die van de patiënt. Iemand is ook een partner of een moeder. Dan komt de vraag: ‘Hoe gaat het met de kinderen?’ En vervolgens: ‘Wie in de buurt kan er ondersteunen?’ Zo zorg je dat het hele gezin hulp krijgt, in plaats van alleen de ouder met een depressie of het kind met gedragsproblemen.”

Cirkel doorbreken

Hulpverlening aan het hele gezin kan op de lange termijn positief werken. Harmke: “Het kan bijdragen aan minder uithuisplaatsingen en ervoor zorgen dat kinderen vaker terug naar huis gaan na een uithuisplaatsing. En hopelijk kunnen we de cirkel van doorplaatsingen doorbreken, waarbij kinderen vanuit een pleeggezin naar een gezinshuis en uiteindelijk naar de gesloten jeugdzorg gaan. De argumenten om uithuisplaatsingen te voorkomen, kun je namelijk ook gebruiken om doorplaatsingen te voorkomen.”

Bij de ontwikkeling van de handreiking paste zij een aantal handvatten toe tijdens een casuïstiekbespreking van professionals. Het ging om pleegouders die het bijna niet meer volhielden. Er dreigde een breakdown, waarbij het kind zou worden doorgeplaatst naar een ander pleeggezin of gezinshuis.

“Maar naar aanleiding van de handreiking ontstond er meteen discussie. De hulpverleners zeiden: ‘We hebben nog heel veel niet uitgevraagd, we kennen de familie van de pleegouders bijvoorbeeld niet goed.’ In plaats van een breakdown zochten we naar mogelijke hulpbronnen voor het pleeggezin. Er ontstond een energie waar ik ontroerd door raakte. Aan het eind van de vergadering vertelden de professionals dat ze nog van alles gingen doen om te onderzoeken of het kind toch in het pleeggezin kon blijven wonen.”

Beste plek voor kinderen

In de handreiking worden drie pijlers besproken (zie kader). In lijn met het begrip ‘zo thuis mogelijk opgroeien’ bevatten ze alle drie het woord ‘thuis’. Het is duidelijk waar het om draait: de beste plek voor kinderen is daar waar zij zich thuis (mogen) voelen. Of dat nu thuis in het eigen gezin is, in een vervangend thuis na een uithuisplaatsing of weer terug thuis in het eigen gezin na een verblijf elders.

 

Drie pijlers

In de handreiking Mijn Thuis gaat het om deze drie pijlers:

  1. Het allerliefst thuis.
    De beste hulp voor kinderen vindt plaats in het gezin, samen met alle gezinsleden en de mensen om het gezin heen, het netwerk.
  2. Dichtbij thuis.
    Soms is een uithuisplaatsing onvermijdelijk. Het is belangrijk dat kinderen op de nieuwe plek zo thuis mogelijk opgroeien. Dit betekent dat ze in de eigen leefomgeving blijven, dicht bij hun ouders en het liefst samen met hun broers en zussen. Soms groeien kinderen hier op tot aan zelfstandigheid.
  3. Weer thuis.
    Het doel van de hulp is dat kinderen weer thuis kunnen wonen als dat veilig en haalbaar is. Goede voorbereiding en nazorg
    zijn hierbij belangrijk.

 

Harmke Bergenhenegouwen

 

Blijvende steun

Uithuisplaatsingen zijn niet altijd te voorkomen. Er zijn situaties waarbij je de veiligheid van een kind alleen kan garanderen door een (tijdelijke) uithuisplaatsing. En toch, in de meeste situaties moet je inzetten op het thuis blijven wonen van het kind.

Marlies benadrukt het belang van een systemische, contextgerichte benadering. “Wat hebben de verschillende gezinsleden nodig? En wie zijn belangrijke anderen die iets kunnen toevoegen? In een achterstandswijk hebben ouders andere problemen dan ouders in een villawijk. Daarnaast hebben ze een heel ander netwerk. Begin bij het eigen netwerk van het gezin: familie, vrienden, verenigingen, sport, school. Wie kunnen meedenken en blijvende steun bieden aan het gezin? Zo bouw je aan een stevige ondersteuning om het gezin heen. Alles om te voorkomen dat het kind ergens anders geplaatst wordt.”

 

Huiselijke omgeving

Soms kan het niet anders en gaan kinderen toch (tijdelijk) ergens anders wonen. “Zorg dan voor een plek dichtbij thuis,” zegt Harmke. “Bijvoorbeeld bij grootouders of bekenden uit het netwerk, en soms in een pleeggezin of kleinschalig verblijf. In ieder geval moet dit een kleinschalige en gezinsgerichte plek zijn: een huiselijke omgeving waarin een kind kan wonen en leven. Zodat een kind zich geliefd en gezien voelt en zijn talenten kan ontwikkelen. En contact kan houden met zijn gezin van herkomst, ouders, broertjes en zusjes. Het is belangrijk dat een kind er onvoorwaardelijk kan wonen. Zodat doorplaatsingen echt stoppen en een kind niet steeds van de ene naar de andere plek verhuist.”

Dilemma

Het lijkt een dilemma: onvoorwaardelijk wonen in bijvoorbeeld een pleeggezin, terwijl je tegelijkertijd kijkt of een kind weer terug kan naar zijn gezin van herkomst.

Harmke vindt het belangrijk dat een kind zich op beide plekken thuis mag voelen. “Echt thuis voelen in het pleeggezin en echt thuis blijven voelen in het gezin van herkomst. En ‘terug naar huis’ betekent niet het definitieve afscheid van het pleeggezin. Het is fijn als er contact kan blijven bestaan. De kring van volwassenen die het kind liefhebben en het beste met hem of haar voor hebben, wordt uitgebreid, niet ingewisseld.”

In de handreiking staat dit beschreven als gedeeld opvoederschap2, de samenwerking tussen ouders aan de ene kant en opvoeders (pleegouders of gezinshuisouders) aan de andere kant.

Stoel

In de praktijk is gedeeld opvoederschap niet gemakkelijk. Al is het maar omdat ouders sterke gevoelens van verlies, rouw, boosheid of schuld kunnen ervaren. Zo vertelt een ouder in de handreiking (p. 28): ‘De pleegouders waren gelukkig ongelofelijk lief. Ze probeerden me zoveel mogelijk bij de opvoeding te betrekken. Maar of ik alles gelijk accepteerde? Dat ook niet. Ik was boos op de situatie, niet op de pleegouders. Als je dat niet inziet, ga je dat al snel afreageren op het pleeggezin.’

Het is goed als pleegouders zulke gevoelens begrijpen en erkenning geven aan de ouders. Marlies heeft een mooi voorbeeld. “Ik sprak een gezinshuisouder die vertelde over het bezoek van de ouders aan het gezinshuis. Het ging om ouders met een licht verstandelijke beperking die op visite kwamen toen hun kind jarig was. Zodra de ouders binnenkwamen in de huiskamer, stonden de gezinshuisouders allebei op en boden ze hun stoel aan hen aan. Vandaag waren de ouders belangrijk en mochten zij op hun stoel zitten. Symbolisch en ook systemisch gezien heel sprekend in de zin van ‘jij hoort op de stoel van de ouder’.”

Tips

Hebben jullie suggesties of tips voor pedagogen? Marlies wijst op het belang van informele steun. “Iedereen heeft steun nodig. Wie kan steun geven aan de kinderen en ouders van dit gezin, dit pleeggezin of gezinshuis? In de hulpverlening wordt daar vaak pas heel laat aan gedacht. Terwijl het bijvoorbeeld goed kan zijn dat een kind op voetballen zit, waar het vriendjes heeft en een coach die zijn talenten ziet.”

Harmke tipt: “Neem je eigen vanzelfsprekendheden onder de loep. Denk niet te snel bij zo thuis mogelijk opgroeien: ‘zo werken we al’. In de praktijk zijn er onuitgesproken verwachtingen, die vaak niet kloppen. Ga eens in gesprek met iedereen die ook werkt met het gezin waarbij jij betrokken bent, met de handreiking erbij. Ik verwacht dat er verrassingen boven tafel komen.”

 

 

tekst: Femmie Juffer


  1. Harmke Bergenhenegouwen en Marlies de Jong (2024). Mijn Thuis. Een handreiking over de visie van zo thuis mogelijk opgroeien. Nederlands Jeugdinstituut. www.nji.nl/publicaties/mijn-thuis
  2. Gedeeld opvoederschap, zie: www.nji.nl/pleegzorg/gedeeld-opvoederschap-van-ouders-en-pleegouders

juridische en beroepsethische vragen


 

Diagnose vereist of niet?

Orthopedagoog Piet krijgt de vraag om te kijken welke ondersteuning Chantelle (8) nodig heeft op school. Ze vertoont bijzonder gedrag in bepaalde situaties. School denkt aan autisme en geeft specifiek aan een classificerende diagnose nodig te hebben voor het inzetten van ondersteuning van Chantelle. Haar ouders hebben toestemming gegeven voor het onderzoek. Piet is gewend te werken met handelingsgerichte diagnostiek en vraagt zich af of een classificatie echt nodig is voor passende ondersteuning op school.

 

Lees meer

Wetgeving vereist geen classificatie of diagnose voor het recht op passende ondersteuning op school. Wel moeten de knelpunten in het functioneren van Chantelle duidelijk zijn en er moet een advies zijn voor school. Handelingsgerichte diagnostiek is hier een prima en afdoende methodiek voor.

Eis van school of samenwerkingsverband

In de praktijk vragen scholen of samenwerkingsverbanden nogal eens om een diagnose of classificatie, omdat ze menen dat dit noodzakelijk is voor passend onderwijs en dat wet- en regelgeving dit vereist. Dat is niet het geval.

Zorg van een goed pedagoog

Van belang is dat je als pedagoog niet iets doet wat niet noodzakelijk is. Dit hoort bij de zorg van een goed pedagoog. Dus geen (classificerende) diagnose stellen, als dat niet nodig is.

Redenen om terughoudend te zijn met diagnoses en classificaties zijn onder meer:

  • Door de focus op een diagnose, kun je de bredere blik op de context (wisselwerking en afstemming) verliezen, die nodig is om te bezien wat er echt aan de hand is.
  • Een diagnose kan kinderen onzeker maken, ‘Ik kan het niet, want ik heb…’.
  • Een diagnose/classificatie zegt niet veel over de eigenheid van dit kind, in deze context. Het ene kind met autisme is het andere niet.
    Belangrijker: het zegt niets over de ondersteuning op maat die een kind nodig heeft. Bovendien kan de ondersteuning die werkt voor het ene kind met autisme, in het uiterste geval zelfs schadelijk zijn voor een ander.
  • Een diagnose, specifiek een classificatie, doet geen recht ontstaan op ondersteuning.
  • De Jeugdwet en andere relevante wet- en regelgeving over passend onderwijs, vereisen geen classificatie.
  • Een diagnose is een stempel dat iemand een leven lang kan houden. Soms is dat passend, maar zeker niet altijd.
    .

Hoe te handelen

Van belang is om aan de school te vragen waar deze eis vandaan komt. Een antwoord als ‘Het staat in de wet’ is onvoldoende. Vraag dan expliciet naar waar dit staat. Meestal blijkt dat het een interpretatie is of dat die eis is vastgelegd in een protocol of samenwerkingsafspraak van school/samenwerkingsverband passend onderwijs (SWV). Door te vragen waar de eis vandaan komt, ontstaat er ruimte om samen te kijken waar de regels verkeerd geïnterpreteerd worden en wellicht de school te ondersteunen in het handelingsgericht denken.

Een protocol of samenwerkingsafspraak mag afwijken van wetgeving, maar niet ten nadele van de leerling. Een extra eis (zoals diagnose of classificatie) voor toegang tot ondersteuning is een verzwaring van de wettelijke eisen en dus niet toegestaan.

Orthopedagoog Piet

Voor extra ondersteuning is een formulering van onderwijs- en ondersteuningsbehoeften nodig. Hiervoor kan een diagnostisch beeld van Chantelle en haar context noodzakelijk zijn. Daarbij kan Piet onder meer kijken naar kenmerken van autisme en de eventuele ondersteuning die daarbij nodig is. Maar een diagnose of classificatie autisme hoeft hij niet te geven voor extra ondersteuning op school.

tekst: Mirthe Maessen


Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.

Piet en Chantelle heten in werkelijkheid anders.

Leestip Handelingsgerichte diagnostiek in de jeugdzorg en JGGZ (2024), Noëlle Pameijer, Arga Kramer en Nina Draaisma, Acco.

 

young professionals


 

Waar werk jij?

Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ’Waar werk jij?’ een kijkje in de verschillende keukens. Dit keer bij Janne Houben (36), sinds 2016 werkzaam als gedragsdeskundige in de gehandicaptenzorg en momenteel in opleiding tot orthopedagoog-generalist.

 

Lees meer
Janne Houben

Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?

“Binnen mijn werkveld zijn dat volwassenen met een verstandelijke beperking. Op de locatie waar ik aan verbonden ben, wonen mensen met een lichte tot matige verstandelijke beperking, die ook een complexe ondersteuningsbehoefte hebben.”

Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?

“Bij de pedagogisch psychologische dienst bij Abrona waar ik werk, bieden wij ondersteuning aan de woningen. Samen met de teamleider ben ik zorginhoudelijk verantwoordelijk voor wat er op de woning gebeurt en geef ik sturing aan het team. Als gedragsdeskundige waarborg ik het orthopedagogisch behandelklimaat binnen de woongroep. Dit houdt in dat ik het team van begeleiders adviseer en coach in hun werk met de cliënten.

Daarnaast zorg ik ervoor dat de beeldvorming rondom de cliënten duidelijk is, dit doe ik in samenwerking met andere disciplines. Denk aan de AVG-arts (arts verstandelijk gehandicapten), fysiotherapeut, ergotherapeut, logopedist, psychomotore therapeut en de afdeling diagnostiek en behandeling.

De laatste afdeling voert diagnostische onderzoeken en behandelingen uit op consultbasis. Als gedragsdeskundige meld je cliënten hier aan wanneer er een meer specifieke behandelvraag is. Bij deze afdeling werken ook orthopedagogen en (gz-)psychologen. Zij doen uitgebreid diagnostisch onderzoek en geven individuele behandelingen zoals cognitieve gedragstherapie of EMDR.”

Wat maakt dit werkveld zo leuk?

“Ik vind de cliënten ontzettend boeiend omdat ze vaak veel hebben meegemaakt. Het is telkens weer een puzzel om de cliënt goed te leren kennen en te ontdekken hoe we samen het beste aan diens behoeften kunnen voldoen. Wat me ook veel plezier geeft, zijn de onverwachte en grappige momenten. Zo was er onlangs een cliënt die heel vrolijk was omdat hij glas had weggegooid en het geluid van het glas in de glasbak ‘een héle harde boem’ maakte. Zulke momenten maken mijn dag, helpen mij om zaken te relativeren en om in het moment te zijn.”

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?

“De grootste uitdaging waar ik direct aan denk, is het tekort aan personeel. Dit is lastig en zorgwekkend voor onze cliënten. Voor hen is het essentieel om begeleiders te hebben die hen en de afspraken op de woning kennen. Dat geeft een gevoel van veiligheid. Hiervoor heb je continuïteit en betrokken begeleiders nodig. Voor mij als gedragsdeskundige is het een uitdaging om te werken met een team van begeleiders dat deels uit uitzendkrachten bestaat.

Een ander belangrijke uitdaging is het bewaken van professionele afstand. Het is cruciaal om je werk niet mee naar huis te nemen. Ook voor mijzelf is dit een uitdaging, omdat ik weet dat het werk nooit ‘af’ is. Het gaat om kwaliteit van leven van mensen, en daar kan altijd verbetering in worden aangebracht.”

Welke mogelijkheden zijn er voor specialisatie of verdere opleiding binnen dit werkveld?

“Veel! Je kunt de opleiding tot orthopedagoog-generalist volgen, wat ik iedereen zou aanraden, zeker binnen de gehandicaptenzorg. Als gedragsdeskundige werk je vaak systemisch, en deze opleiding sluit hier goed bij aan. Daarnaast zijn er verdiepingsmogelijkheden in thema’s, zoals ouder wordende cliënten, verslaving, moeilijk verstaanbaar gedrag of systemisch werken.

Je kunt je ook specialiseren in diagnostiek en behandeling, of verder scholen in cognitieve gedragstherapie en EMDR, behandelmethoden die veel worden toegepast binnen de gehandicaptenzorg.”

Hoe is de verhouding tussen directe cliëntenzorg en administratieve taken binnen dit werkveld?

“Mijn contact is voornamelijk met begeleiders en familie van cliënten. Direct contact met cliënten heb ik weinig, tenzij ik hen op de woning zie en spreek. De helft van mijn tijd besteed ik aan overleg met begeleiders en familie, de andere helft aan administratie. Zoals het schrijven van verslagen en het bijhouden van informatie in systemen. Ook geef ik feedback aan begeleiders op bijvoorbeeld ondersteuningsplannen.

Daarnaast ben ik actief betrokken bij het inhoudelijke beleid van de organisatie. Bijvoorbeeld hoe we de orthopedagogische behandelmethodiek Triple-C verder kunnen implementeren.”

Waarom zou jij dit veld aanraden aan andere pedagogen?

“Ik vind de gehandicaptenzorg bijzonder leuk vanwege de enorme diversiteit. Elke dag word ik verrast door de uitspraken van cliënten en de gebeurtenissen op de woongroep. Het werken met groepsdynamiek, zowel onder de cliënten als binnen het team, past goed bij mij. Bovendien is het samenwerken met andere disciplines erg leerzaam en inspirerend.

Het is een zelfstandige functie met veel verantwoordelijkheid. Je kunt je eigen dag indelen en zelf bepalen welke taken je wel of niet oppakt. Elke woning is anders en daardoor zal het me nooit vervelen. Ik heb het gevoel dat ik mezelf in dit werkveld kan blijven ontwikkelen; ik ben nooit uitgeleerd en blijf verrast worden.”

 

Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit specifieke werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je een loopbaan in dit werkveld kiest?

“Het is belangrijk om je te realiseren dat er een tekort aan personeel in de zorg zal komen, wat uitdagingen met zich meebrengt en veranderingen vereist. Het is altijd belangrijk om bij jezelf na te gaan of een werkveld bij jou als persoon past, maar wees niet bang om het gewoon eens te proberen! Het is een specifieke doelgroep die je raakt, of niet.

In dit werkveld zijn visie en doorzettingsvermogen essentieel. Je moet in staat zijn om een doel voor de cliënt voor ogen te hebben en de motivatie hebben om stap voor stap dichter bij dat doel te komen. Daarnaast denk ik dat lef, geduld en het vermogen om mensen te enthousiasmeren waardevolle eigenschappen voor een gedragsdeskundige in deze sector zijn.”

 

tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters


Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com

Ledennieuws: Blijf verbonden en op de hoogte


 

Als een vis in het water

Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.

 

Lees meer

Wat gaat de tijd toch snel! Dat realiseer ik me nu ik alweer een jaar voor de NVO werk. Ik verwonderde mij over alle belangen die er spelen in ons beroepsveld en hoe belangrijk het is om een stevig samen te werken met andere organisaties. Hoe deze organisaties naar elkaar kijken, maar ook hoe de NVO naar zichzelf kijkt.

Even een blik naar binnen: wat ik ontzettend fijn vind, is de sfeer op kantoor. Dat heeft te maken met de prettige inrichting, maar komt vooral door mijn collega’s; de warmte, humor, saamhorigheid en gedrevenheid. Het is een bepaald type mens dat bij de NVO werkt. Dit type past minder goed in de commerciële wereld, omdat het meer gericht is op betekenisvol zijn, service en maatschappelijke impact. Public service-gerichte medewerkers heten zij in wetenschappelijke literatuur.

Ook ik voel me als een vis in het water als public service-gerichte directeur en kan mijn werk alleen maar goed doen als mijn collega’s op kantoor hun werk ook goed kunnen doen. Dat is een van mijn belangrijke taken, zo heb ik gemerkt. Zonder mijn collega’s maken we geen impact, kunnen we de belangen van onze achterban niet behartigen, behalen we niet de resultaten die nodig zijn om de positie van pedagogen en onderwijskundigen te versterken. Kortom, chapeau voor mijn collega’s op werkvloer!

Judy Hoffer
directeur NVO

 

op de werkvloer


 

‘We krijgen vaak cliënten waarbij niets meer goed lijkt te gaan’

 

Lees meer
Charlotte Hornstra en collega’s op het hoofdkantoor van Humanitas in Nieuwegein. foto: Rianne den Balvert

NVO-lid Charlotte Hornstra (41) werkt bijna drie jaar bij Humanitas DMH Forensische Zorg in Rotterdam. Ze zit in het tweede jaar van de opleiding tot orthopedagoog-generalist.

“Mijn cliënten zijn volwassenen met een licht verstandelijke beperking en vaak bijkomende problemen, zoals psychiatrie of verslaving. De jongsten zijn begin twintig, de oudste is bijna  zeventig. Het zijn voornamelijk mannen. Ze komen via de reclassering bij ons voor een begeleidingstraject.”

“Wij helpen hen bij het weer op orde krijgen van hun leven. Zoals het vinden van een baan, het regelen van financiën, zoeken naar huisvesting, aanmelden voor een passend behandeltraject voor verslaving of ggz en omgang met familie en vrienden.”

Charlotte ondersteunt vooral de trajectbegeleider en trajectcoördinator.
“Zij zien de cliënten, ik meestal alleen bij de intake. Ik denk met hen mee over de beste begeleiding, houd de doelen in de gaten en het gedragswetenschappelijk perspectief. Daarnaast houd ik me bezig met beleidsvraagstukken.”

“We krijgen vaak cliënten waarbij niets meer goed lijkt te gaan, die echt geen idee hebben waar ze moeten beginnen om hun leven anders – en buiten de criminaliteit – in te richten. Het is mooi als het lukt dat zij weer structuur in hun leven krijgen en levenslust. Moeilijk is dat de doelgroep steeds zwaarder wordt, zowel qua delicten als problematiek naast lvb.”

 

redactioneel

 

Malva

In het omslaginterview vertelt Theo van Uum over zijn inspiratiebron Malva, het dochtertje van de wereldberoemde Chileense dichter en Nobelprijswinnaar Pablo Neruda en zijn eerste vrouw, de Nederlandse Maria Hagenaar. Geboren met een waterhoofd, in de steek gelaten door haar vader, in 1943 als achtjarige gestorven en begraven in Gouda.

 

Lees meer

In navolging van Theo van Uum bezoek ik op een zondagmiddag haar graf. Een bordje aan een boom op de oude begraafplaats wijst de weg: links af naar Malva Marina Reyes (Pablo Neruda’s echte naam was Neftali Reyes). Op haar graf, met een rand van witte tegeltjes, liggen hartjes en bloeien bloemen.

‘Ze krijgt gelukkig veel bezoek’, zegt een dame met een bos grijze krullen die ineens naast me staat. Samen met haar man is ze al ruim dertig jaar vrijwilliger op de begraafplaats en ze herinnert zich nog goed dat het graf van Malva werd ontdekt in 2004. Dit zorgde voor een stroom aan journalisten, internationale cameraploegen en fans van Pablo Neruda. Over hun adoratie voor de beroemde dichter kan ze nog steeds kwaad worden. ‘Zo’n geweldige man was hij niet. Hij heeft zijn dochter altijd weggestopt. Dat heb ik toen ook tegen hen gezegd.’

Ook Theo van Uum, zelf vader van een dochter met een beperking, begrijpt niet dat Neruda, die juist opkwam voor de zwakkeren, zijn dochter nooit heeft geaccepteerd. Omdat zij een klein lichaampje en een waterhoofd had, noemde Neruda – taalvorst die hij was – zijn dochter ‘puntkomma’. Tijdens de Tweede Wereldoorlog laat de grote dichter vrouw en kind berooid achter in Nederland en wijdt geen woord meer aan hen. Dichter Hagar Peeters doet dat wel en geeft het meisje in haar debuutroman Malva alsnog een stem. Een aanrader voor deze donkere dagen. Net als En het vergeten zo lang van Pauline Slot, over Maria Hagenaar, de moeder van Malva.

Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog

 

 

interview


 

‘Mensen met een beperking hebben echt iets te bieden’

Theo van Uum is sinds twee jaar directeur van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland. Hij studeerde economie in Groningen en werkte dertig jaar in Den Haag, vooral bij het ministerie van VWS. Gehandicaptenzorg had altijd zijn warme aandacht. ‘Een hoorcollege over kinderneurologie heeft daar ooit het zaadje voor geplant.’

 

Lees meer

“Leuk dat je langs komt voor de Pedagoog”, heet Theo van Uum (Zwolle, 1963) me vrolijk welkom op het kantoor van de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland in Utrecht.

“Het mooiste college dat ik als economiestudent heb gevolgd, was gek genoeg bij orthopedagogiek. Mijn vrouw heeft orthopedagogiek gestudeerd en ze is slechtziend. Ze vroeg me een keer om mee te gaan naar een college, ook om aantekeningen voor haar te maken. Dat was een college van Le Coultre over kinderneurologie. Hij haalde kinderen de collegezaal in. Kwetsbare kinderen tegenover zo’n groep studenten. Dat vond ik doodeng. Maar hij wist een sfeer van veiligheid en vertrouwen te creëren. Dat college en die verhalen hebben een enorme indruk op me gemaakt.”

Zorgzaam

Theo van Uum houdt van cijfers én van taal. Van financiën én van zorg. Hij denkt dat het in de genen zit.

“Dat zorgzame heb ik van mijn moeder. Ze had in de Achterhoek samen met mijn vader een druk horecabedrijf en toch alle aandacht voor mijn broer en mij. Ze heeft mijn vader liefdevol tot zijn dood verzorgd. Mijn overgrootvader was ondernemer, gemeenteraadslid en een van de oprichters van de Boerenleenbank in Zevenaar. Bij geëmigreerde nazaten in Duitsland zie je ook een voorliefde voor openbaar bestuur en economie. Veel van mijn medestudenten kozen voor bedrijfseconomie – die wilden bij Shell, ABN of Mees & Hope werken. Ik had interesse voor de algemeen economische richting, die zich onder andere bezighoudt met overheidsfinanciën.”

Vacature

Na zijn studie begon hij zijn loopbaan in Den Haag bij het ministerie van Financiën. Vier jaar later stapte hij over naar Volksgezondheid Welzijn en Sport.

“Daar heb ik 28 jaar met veel plezier en in verschillende functies gewerkt. De laatste vijf jaar was ik verantwoordelijk voor alle uitgaven die worden gefinancierd vanuit de Wet Langdurige Zorg, dus zowel ouderenzorg als gehandicaptenzorg. Ik had in gedachten om mijn carrière af te sluiten bij VWS, nog een keer iets heel anders, bijvoorbeeld Sport. Maar toen kwam er een mooie vacature bij de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland voorbij. Mijn affiniteit lag altijd al bij de gehandicaptenzorg. Dus ik hoefde er niet lang over na te denken.”

Diversiteit

Werken voor een vereniging is anders dan voor een ministerie, merkt Theo van Uum.

“In vergelijking is dit een vrij klein bureau, met zo’n vijftig mensen. We hebben ongeveer 180 leden. Met hele grote organisaties, zoals ’s Heeren Loo en Philadelphia. Een tijdje geleden was ik bij een van de kleinste, Enzo in Zaandam, met een omzet van circa vijfhonderdduizend euro. Het is een heel divers gezelschap in omvang en qua – rottig woord – doelgroep. Sommige mensen hebben een lichamelijke of zintuiglijke beperking, maar de grootste groep mensen heeft een verstandelijk beperking, van licht tot heel zwaar. De diversiteit maakt het werk leuk en tegelijkertijd uitdagend om iedereen aandacht te geven en de eenheid te bewaken.”

Visie

“Wat daarbij helpt is onze gezamenlijke Visie 2030”, zegt Theo van Uum. “Ons streven is dat iedereen met een beperking een betekenisvol leven kan leiden en gewoon mee kan doen. Met werk, activiteiten, contacten. Daar willen we niet om hoeven bidden en smeken. Mensen met een beperking hebben ook iets te bieden.”

“In mijn VWS-tijd bijvoorbeeld werkte, noem haar maar ‘Els’ als gastvrouw bij het ministerie. Soms had je vergaderingen waarbij mensen met rode koppen tegenover elkaar zaten, zo heetgebakerd. Dan werd er vijf minuten geschorst en kwam Els een rondje koffie en thee doen. Dat deed ze zo ontwapenend, open en zonder verborgen agenda’s. Ze zorgde voor relativeringsvermogen in de groep en de vergadering ging daarna in een heel andere sfeer verder.”

Pakketjes

Om die visie waar te maken, wil hij meer verbinding maken met sectoren als het onderwijs en het bedrijfsleven. En meer lokaal aan de slag. Een mooi voorbeeld van contact leggen met de wijk, noemt hij een initiatief van Middin in Zuid-Holland.

“Bij de locatie Waldeck in Den Haag zijn ze een uitleenservice van spellen en puzzels gestart, een speelotheek gerund door mensen met een beperking. Daar is ook een uitgiftepunt van pakketjes. Er komen een heleboel mensen over de vloer om pakjes op te halen en te brengen. Ze hebben dus echt iets te bieden. Andersom komen buurtbewoners er ook op het idee om vrijwilligerswerk te gaan doen bij Middin.”

Handen

Een ander voorbeeld is Bouwend Nederland, zegt Theo van Uum. “Ik dacht eraan hen te benaderen, maar zij waren me voor en schreven een brief: ‘Wij hebben handen nodig, kunnen jullie die eventueel bieden?’ We zijn toen met verschillende bedrijven gaan verkennen wat dat werken in de bouw zou kunnen inhouden. Het bleek dat zij geen goed beeld hebben van ‘onze’ mensen en wij niet van de bouw en wat daar precies gebeurt. Uiteindelijk zijn we daar een jaar mee bezig geweest en er zijn nu daadwerkelijk mensen aan de slag voor Dura Vermeer en VolkerWessels. Ik vind het belangrijk andere sectoren bij onze visie te betrekken, want het is toch heel vaak groenvoorziening, horeca en facilitaire dienstverlening.”

Klap

Wanneer we elkaar spreken, is het nieuwe kabinet net aangetreden en zijn de Miljoenennota en het regeerakkoord net bekend. Theo van Uum noemt die ‘een klap in het gezicht.’

“De ruim twee miljoen mensen met een beperking worden helemaal niet genoemd! Dat is extra teleurstellend omdat er grote opgaven liggen. En dat in combinatie met het vernietigende rapport over het VN-verdrag Handicap dat in augustus uitkwam. Nederland heeft dat in 2016 bekrachtigd en beloofd dat mensen met een beperking volledig kunnen deelnemen en gelijke kansen krijgen. Maar volgens dat rapport schiet Nederland op vrijwel alle terreinen tekort wat betreft implementatie en uitvoering. Om hen dan te blijven negeren, vind ik ongepast en kwalijk.”

Inspiratie

Theo van Uum vergelijkt de houding van de Nederlandse samenleving wel eens met de houding van de Chileense dichter en Nobelprijswinnaar Pablo Neruda tegenover zijn enige dochter Malva, geboren met een waterhoofd en gestorven op achtjarige leeftijd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ze is begraven in zijn woonplaats Gouda en hij bezoekt sinds een paar jaar regelmatig haar graf.

“Hagar Peeters schreef een boek over haar en dat heeft me enorm geraakt. Malva is sindsdien een bron van inspiratie. Pablo Neruda stond bekend als een bevlogen man, die opkwam voor de onderdrukten. Hij had het hart op de goede plaats. Maar zijn dochter heeft hij nooit erkend, laat staan omarmd. Hij noemde haar ‘puntkomma’, vanwege haar grote hoofd en tengere lichaam. We leven in een solidair land, maar mensen met een beperking hebben we nog onvoldoende omarmd en te veel op afstand een plek gegeven. Ook een andere beroemde vader, de auteur Arthur Miller, heeft zijn zoon met een beperking lang weggestopt en ontkend. Ik kan dat niet begrijpen.”

Loslaten

Zelf reageerde hij juist heel beschermend toen zijn dochter werd geboren met cerebrale parese. “Veel meer dan bij haar twee oudere broers. Ze is in 1995 geboren, dus bijna tien jaar nadat ik dat college kinderneurologie van Le Coultre had gevolgd. Een raar toeval. Vooral mijn vrouw heeft veel tijd en energie gestoken in de zorg voor haar. Dat was soms een ingewikkelde balans tussen moeder en zorgverlener zijn.”

Hun dochter is nu negenentwintig en woont in een ouderinitiatief met nog achttien andere jongeren met een beperking. “Ik ben nog steeds heel beschermend tegenover haar, soms op het ongezonde af. Daarom prijs ik me gelukkig met een begeleider die haar op de duo-fiets meeneemt dwars door Gouda, door het drukke verkeer, over kruispunten met vrachtwagens. Ik zie van tevoren alle gevaren en zou dat nooit durven. Loslaten is een kunst.”

 

Personeelstekort

Volgens Theo van Uum kampt de gehandicaptenzorg met drie grote problemen. Een daarvan is het gebrek aan personeel. “Er werken tegen de 200.000 mensen in de gehandicaptenzorg, er zijn circa achtduizend vacatures en dat loopt op richting drieëntwintigduizend in 2033”, zegt hij.

Hoe los je dat op?
“Door onder andere te kijken naar het netwerk rondom de bewoners, dat is spannend. Veertig jaar geleden werd verwanten gevraagd zich de eerste zes weken niet te melden bij een zorginstelling, in het kader van onthechting. Nu vragen we hen juist wel om een rol te blijven spelen in het leven van hun zoon of dochter. Soms wordt dat opgevat als ‘ja, nu zijn we wel goed genoeg om de gaten in de zorg op te vullen.’ Dat vraagt een andere balans.”

Hij ziet ook mogelijkheden in de inzet van technologie en het verminderen van administratieve lasten om werk te besparen en in het aantrekken van zijinstromers.

“Die zijn er de laatste tijd gelukkig vrij veel. Laatst was ik bij een zorgorganisatie op een woning met mensen met een zware VG7-indicatie1. Daar stonden bijvoorbeeld een voormalig vrachtwagenchauffeur die op Spanje had gereden en een bouwvakker op een groep. Dat lijkt vreemd, maar het klopte qua competenties wel helemaal. Dus wat dat betreft is er nog een enorm potentieel.”

 

Complexer

Een ander groot probleem is dat de gehandicaptenzorg steeds zwaarder en intensiever wordt en daar te weinig geld voor is. Theo van Uum: “Van de mensen die verblijven in de gehandicaptenzorg heeft de helft een indicatie VG6 en VG7, zij hebben bijkomende gedragsproblemen, soms te voorzien, soms volkomen onvoorspelbaar. Tien jaar geleden was dat nog een derde. Bij die zwaarste groep zijn er bovendien steeds meer mensen die meerzorg2 nodig hebben.”

Net als de NVO hoopt Theo van Uum op bekostiging van de opleiding tot orthopedagoog-generalist. Nu het Capaciteitsorgaan start met een raming van de behoefte aan orthopedagogen- generalist, is dat hopelijk de volgende stap.

“Er zijn steeds meer bewoners met ingewikkelde vragen en er is steeds intensievere zorg nodig. Dus we hebben die gedragskundige expertise keihard nodig. Ik neem overigens mijn petje af voor alle orthopedagogen die kiezen voor de gehandicaptenzorg. Ik zie zoveel mensen die net van de opleiding komen en vol gedrevenheid aan de slag gaan, ook met heel zware groepen.”

Kruispunt

De derde en belangrijkste opgave is ervoor zorgen dat mensen met een beperking meer zichtbaar worden in de maatschappij, meedoen in het dagelijks leven. Zoals Hagar Peeters een stem gaf aan Malva. En zoals er in de jeugd van Theo van Uum, als De Graafschap thuis speelde, altijd een man met een beperking op het kruispunt met zijn armen stond te zwaaien en zo het drukke verkeer regelde, samen met de agent.

“Iedereen was daaraan gewend, maar dat zie je niet meer. Als er nu een verward iemand rondloopt, schakelen we professionele hulp in. We hebben onszelf als sector vroeger, op de instellingsterreinen, vaak in de bossen, ook wel wat afgezonderd. Weliswaar goed georganiseerd, maar in een parallelle wereld. De beweging ‘terug in de wijken’ werkt voor sommigen goed, anderen zitten geïsoleerd in een buurt, zonder daar een verbinding mee te hebben. Ook dat is een parallelle wereld. Daarom is zoiets als een servicepunt voor pakketjes, gerund door mensen met een beperking, ook zo’n goed idee. Daar word ik helemaal blij van.”

Kat

Hij ziet een vergelijkbare opgave voor de ouderenzorg en mensen met dementie. “Die willen ook graag thuis in de eigen omgeving blijven wonen. Dan kan het gebeuren dat er een keer iemand dolend over straat loopt. Soit. Die pak je dan bij de arm en breng je naar huis. Soms kan het heel simpel zijn. Ik herinner me een oudere, eenzame mevrouw met dementie die een kat cadeau kreeg. Haar buurvrouw ging zich vervolgens over de kat ontfermen en ook over de vrouw met dementie. Je kunt zorgverleners inzetten, maar die kat zorgde voor een natuurlijke en nog veel mooiere verbinding.”

tekst: Annemiek Haalboom


  1. Zorgprofiel VG7 is bedoeld voor mensen met een verstandelijke beperking die behoefte hebben aan zeer intensieve begeleiding, behandeling en verzorging vanwege ernstige psychische en/of gedragsproblemen.
  2. Meerzorg is een regeling die intensieve zorgvragen en extreme zorgbehoefte ondersteunt.

onderzoeksnieuws


 

Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.

 

Lees meer

Geen stress over kinderopvang

Het gaat goed met de kinderopvang in Nederland en de wereld mag het weten middels een publicatie in het prestigieuze The Lancet. Vijfentwintig jaar Europees onderzoek, waaronder het Rotterdamse Generation R, laat zien dat kinderen die naar voorschoolse kinderopvang gaan daar in ieder geval tot in de vroege puberteit van profiteren.

Voor hun publicatie verzamelden Barry et al. (2024)1 informatie van zes verschillende prospectieve geboortecohortstudies, waarbij deelnemers langere tijd worden gevolgd, uit vijf verschillende landen: Denemarken, Frankrijk, Groot-Brittannië, Nederland en Spanje. Daarmee hadden ze data van meer dan 80.000 kinderen tot hun beschikking. Uit hun meta-analyse blijkt dat kinderen die voor hun vierde jaar gebruik maakten van kinderopvang minder last hadden van internaliserende gedragsproblematiek dan kinderen die enkel aan de zorg van hun ouders toevertrouwd waren. Kinderen die van informele opvang (bijvoorbeeld grootouders, gastouders of au-pairs) gebruik maakten, lieten vanaf hun zevende jaar zowel meer internaliserende als externaliserende gedragsproblemen zien dan kinderen uit de formele opvang.

 

Voor een meta-analyse is het belangrijk dat de gebruikte onderzoeken zich goed tot elkaar verhouden; het moet duidelijk zijn wat er gemeten is en of dat vergelijkbaar is. Bij het onderzoek van Barry et al. blijkt dat als je duidelijke kaders hebt – en die hebben deze vijf landen als het gaat om de kwaliteits- en opleidingseisen voor de formele kinderopvang – je goed onderzoek kunt uitvoeren. Om iets te zeggen over de informele opvang is veel lastiger, de ene opa of au-pair is ten slotte de andere niet.

Onderzoek doen en daarover publiceren is een vak apart. Rapporteren over en interpreteren van onderzoeksartikelen ook. Ik heb er toch weer net iets anders van gemaakt dan de NOS2, het NJi3 en hoogleraar Kinderopvang Ruben Fukkink in zijn commentaar in The Lancet4. Dus lezer, het is volledig open access, check vooral zelf of het allemaal klopt.


Barry, K.M., Avraam D, Cadman, T., et al. (2024). Early childcare arrangements and children’s internalizing and externalizing symptoms: An individual participant data meta-analysis of six prospective birth cohorts in Europe. The Lancet Regional Health – Europe, Volume 45. doi.org/10.1016/j.lanepe.2024.101036

  1. www.thelancet.com/journals/lanepe/article/PIIS2666-7762(24)00203-5/fulltext
  2. nos.nl/artikel/2535156-kinderopvang-heeft-positief-effect-kinderen-minder-druk-en-minder-depressief
  3. www.nji.nl/nieuws/minder-emotionele-problemen-na-kinderopvang
  4. www.thelancet.com/action/showPdf?pii=S2666-7762%2824%2900211-4

 

Tekst: Peter Hoffenaar

 

 

Niet alleen, maar toch eenzaam

Wetenschapsjournalist Lucy Jones schreef het boek Moederteit, een oproep tot aandacht voor het moeder worden. Onderzoeker Thuy-vy Nguyen gaf hier gehoor aan en liet een groep Britse moeders met een pasgeboren baby aan het woord. Veel moeders keken vaker dan voorheen overdag tv, vertelden ze. Een makkelijke vorm van ontspanning binnenshuis, zeker in combinatie met borst- of flesvoeding. Maar de meest ingrijpende verandering: de dag niet meer naar eigen inzicht kunnen invullen. Spontaan iets ondernemen was er niet meer bij. Ook als de baby sliep, wisten de moeders nauwelijks tijd voor zichzelf te vinden.

In een tweede deelstudie rapporteerden 47 kersverse moeders meerdere keren per dag hoe zij zich voelden en wat zij aan het doen waren. Op een gemiddelde dag bleken zij meer dan de helft van de tijd thuis (60%) en overwegend druk met zorgtaken (50%). Ze waren vaker alleen met de baby (26%) dan echt helemaal alleen (6%). En bij minder vrije tijd voelden de moeders zich vaker gespannen en geïrriteerd.

Het beeld dat zo ontstaat, komt goed overeen met het gevoel dat Lucy Jones beschrijft: “Het vreemde van zorgen voor een baby is dat je je alleen voelt terwijl je nooit echt alleen bent.” Hoe ontregelend dit kan zijn, staat ook in haar boek: “Ik voelde me gefrustreerd. Waarom kon ik mijn zorgtaken niet voor een uurtje terzijde schuiven? Ik had me de relationele realiteit van onze dyade nog niet gerealiseerd: dat ik in feite niet langer het individu was dat ik ooit dacht te zijn.


  • Nguyen, T. T., Konu, D., Tetteh, D., et al. (2024). “I got all sorts of solitude, but that solitude wasn’t mine”: A mixed-methods approach to understanding aloneness during becoming a mother. doi.org/10.31219/osf.io/m67k2

 

Tekst: Bart van Gent 

 

pedagoog in opleiding


 

‘Nog één keer diep inademen

June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen. Dit is haar laatste bijdrage.

 

Lees meer
Véronique Wils

“Nog één keer diep inademen”, zei mijn werkbegeleider Gerlie na de zomervakantie. “Dan uitademen en het is klaar.” Wanneer deze uitgave van de Pedagoog op de mat ligt, is het ook echt klaar. Dan heb ik de laatste module afgerond en is mijn dossier klaar om beoordeeld te worden. Maar nu, op het moment van schrijven, heb ik nog twee maanden te gaan.

Het voelt dubbel. Ik ga de opleidingsdagen en mijn groepsgenoten missen. Maar het is ook goed zo. Het wordt steeds moeilijker om nog onderwerpen te vinden voor de supervisie en grote ontwikkelpunten heb ik niet meer. Ik voel de behoefte om mijn vleugels te spreiden. En om weer meer tijd en ruimte te hebben voor hobby’s en boeken lezen alleen voor mijn plezier.

Rugzak

Nu ben ik bijna écht orthopedagoog-generalist. En het voelt ook zo. In mijn werk kan ik steeds makkelijker en vaker overstijgend kijken en meedenken – de welbekende helicopterview. Ik ben nog methodischer gaan werken en ik zie alles in het verband met de context, niet alleen de persoon zelf. Mijn rugzak is gevuld met talloze theorieën, methodieken, kennis en vaardigheden. Ik grijp eruit wat ik voor de specifieke casus nodig heb en bouw daarop voort. Zo mocht ik de laatste weken weer eens oefenen met motiverende gespreksvoering en pak ik regelmatig onderdelen uit de systeemtheorie en transactionele analyse erbij.

Fundering

Begrijp me niet verkeerd. Ik heb niet de illusie dat ik nu alles weet en ben uitgeleerd. In tegendeel zelfs. Als orthopedagogen(-generalist) zijn we nooit uitgeleerd. Er zijn zoveel onderwerpen waar we mee te maken kunnen krijgen, zoveel behandelmethodes, instrumenten en technieken waar we ons in kunnen specialiseren. Maar voor mij staat het fundament nu stevig. Ik ben vooral trots op de persoonlijke ontwikkeling die ik heb doorgemaakt. In vergelijking met twee jaar geleden weet ik nu veel beter waar ik voor sta en kan ik daar ook voor opkomen. Ik weet wie ik ben als persoon en als professional. Alles wat ik daar nog bij mag leren is een cadeautje, om mijn cliënten nog beter van dienst te kunnen zijn.

En uitademen

Bijna ben ik officieel orthopedagoog-generalist. Met veel plezier heb ik de afgelopen twee jaar mogen schrijven over mijn ervaringen tijdens de opleiding. Nu draag ik het stokje over aan Veronique Wils. Zij is in september gestart met de opleiding orthopedagoog- generalist bij KING Amsterdam en zal in het nieuwe jaar haar verhaal met ons gaan delen.

En ik? Ik blijf als orthopedagoog-generalist werken bij Philadelphia en als redactielid bij de Pedagoog. Na de diploma-uitreiking hoop ik er even tussenuit te gaan om op adem te komen.

tekst: June Bragg

Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:

 

 

over de grens


Mind-Spring

Mind-Spring is een preventieve groepsinterventie ‘voor en door vluchtelingen’, aangeboden door ARQ, expertisecentrum op het gebied van psychotrauma. Het begon in 2004 met een training voor volwassenen. Ondertussen zijn er ook een kindertraining, een jongerentraining én een training in opvoedondersteuning. Kenmerkend is de samenwerking tussen een trainer met een vluchtelingenachtergrond en een trainer uit de ggz. In gesprek met systeemtherapeut Awan Amin en psycholoog Felicia Stoutjesdijk.

 

Lees meer

Of ik Halabja ken? Het gesprek met Awan Amin is nog geen vijf minuten gevorderd en het gaat over oorlog. Niet omdat Awan het daar zo graag over wil hebben, maar gewoon omdat ze zich voorstelt en kort schetst wat haar achtergrond is. In 1988, Awan was vijftien jaar en leefde al sinds haar vierde in oorlog, werd haar woonplaats Halabja gebombardeerd met gifgas. Het is, lees ik later, een van de grootste gifgasaanvallen uit de geschiedenis. Op haar eenentwintigste vlucht Awan alleen naar Nederland. Al jarenlang staat ze hier kinderen en ouders bij die gevlucht zijn uit
oorlogsgebied.

Peer educator

Awan startte als peer educator (co-trainer die de taal van de doelgroep spreekt) bij de inmiddels overleden ontwikkelaar van Mind-Spring, Paul Sterk. Ze begon met volwassenen en in 2016
startte ook een training voor kinderen uit Syrië.

Awan spreekt Arabisch in verschillende dialecten, maar belangrijker: ze spreekt de taal van oorlog en vluchten, ze weet wat de mensen waarmee ze werkt hebben meegemaakt. “Je ontwikkelt bepaalde overlevingsmechanismen als je opgroeit in oorlog”, vertelt ze. “Als een aanval begon ging je naar de schuilkelders, maar je kon daar niet dag en nacht blijven. Na iedere raket ging je toch gewoon weer buitenspelen.”

Het kunnen praten over die gedeelde ervaring helpt deelnemers. “We kunnen er samen over lachen en over huilen. En dat helpt de deelnemers met het ‘normaliseren’, het herkennen van een normale reactie op een abnormale situatie: ‘het is niet gek als ik zo reageer’.”

Ggz-professional

Normaliseren is ook één van de eerste concepten die Felicia Stoutjesdijk noemt. Ze is sinds 2023 Mind-Spring ggz-trainer en werkt voornamelijk met Oekraïense vluchtelingen. Ze noemt Mind-Spring ‘psycho-educatie plus’.

“Deze training helpt echt om te voorkomen dat mensen specialistische ggz-hulp nodig hebben, of juist om ze te helpen om daar op tijd terecht te komen. Het is ontroerend om te zien hoe nodig het is en hoe mensen in hun kracht komen in acht sessies waarin je dingen normaliseert.”

En dan gaat het om de eerdergenoemde normale reacties op abnormale gebeurtenissen – “dus het is normaal dat ik de hele dag moet huilen?” -, maar ook om de kinderen die in het hier en nu leven en zich zorgen maken over de toets van morgen. “Het is psychosociale hulp op de derde laag van de interventiepiramide1, een laagdrempelige vorm van ondersteuning waarbij het gaat om het leren omgaan met mentale problemen, het verminderen van klachten, signalering van ernstiger mentale problematiek, het verstevigen van veerkracht en het vergroten van coping-mechanismen.”

Cultuursensitief

Felicia geeft de training samen met een Oekraïense peer educator en een tolk. Voorafgaand aan de bijeenkomst praten ze samen Engels, maar zodra de bijeenkomst start, spreken ze elk hun eigen taal. Awan is ondertussen ook ggz-trainer en geeft de training samen met een co-trainer met dezelfde culturele achtergrond.

Allebei ervaren ze dat ze behalve trainer een vraagbaak zijn voor de deelnemers en mediator tussen de culturen. Het gaat dan bijvoorbeeld over het behouden van identiteit, de verschillen tussen een wij-cultuur en een ik-cultuur, maar ook over wat kinderen op verschillende leeftijden leren/mogen/meemaken. De peer educator treedt als het nodig is ook op als cultural mediator naar de ggz-professional om problemen en bepaald gedrag beter te kunnen duiden. “De co-trainer kan er ook voor zorgen dat je als ggz-trainer benaderbaar wordt”, zegt Felicia, “want de hiërarchieverschillen tussen hulpverlener en cliënt zijn vaak ook groter dan wij in Nederland gewend zijn.”

Jongens van veertien

Als het gaat over verschillen tussen culturen vertelt Felicia over de verbazing bij Oekraïense ouders toen ze vertelde over haar zoon van veertien die zonder begeleiding, met vrienden op de fiets, in een andere provincie gaat kamperen. Terwijl een veertienjarige jongen in een groep van Awan ooit uitriep: “Juf, als ik nog in Syrië had gezeten had ik nu een vrouw en een kind gehad.”

Dit soort momenten bieden aanknopingspunten om samen te kijken naar verschillen en hoe je je eigen identiteit behoudt binnen een andere cultuur. Wat ze daarbij allebei ervaren: het hoeft soms maar heel klein te zijn. “Je moet naast ze staan”, zegt Awan, “erkennen wat ze meemaken, aansluiten, normaliseren en af en toe een duwtje geven. Alleen het Nederlandse klimaat te ervaren
en weten hoe je de verwarming op een fijne temperatuur zet, is soms al nieuw voor ze!”

Ze vergelijkt het leven van een vluchteling met het weven van een tapijt. “In je land van herkomst heb je bepaalde dingen geleerd en in een nieuw land krijg je met nieuwe normen en waarden te maken, maar je hoeft wat je had niet weg te gooien. Het is als een tapijt dat je meeneemt en verder weeft.”

Onderdeel curriculum

Mind-Spring is in te kopen door bijvoorbeeld gemeentes, scholen of vluchtelingenorganisaties, waarbij ARQ de trainers levert. Zowel Felicia als Awan zien Mind-Spring voor kinderen en jongeren als een logisch onderdeel van het aanbod in bijvoorbeeld een schakelklas.

“Mind-Spring zou echt een onderdeel van het onderwijs moeten zijn”, aldus Awan. “Engels, wiskunde en Mind-Spring”, zegt Felicia. “Natuurlijk moet je voor dat onderdeel de kinderen met dezelfde afkomst bij elkaar zetten, maar juist die peer-support is een belangrijk onderdeel van Mind-Spring.”

tekst: Bart van Gent


Meer informatie: www.arq.org/projecten/mind-spring

NVO-leden die Mind-Spring in hun gemeente of op school aan willen bieden of zelf trainer willen worden, kunnen mailen naar mind-spring@arq.org

Awan Ami is intercultureel systeemtherapeutisch werker en cultuursensitief trainer/coach o.a. gespecialiseerd in eergerelateerd geweld.

Felicia Stoutjesdijk is psycholoog NIP, cognitief gedragstherapeut VGCt en gecertificeerd Theraplay® Practitioner. Ze heeft een eigen praktijk in Delft www.praktijkstoutjesdijk.nl

  1. Handreiking psychische problematiek bij vluchtelingkinderen en -jongeren.

Mind-Spring in het kort

  • preventieve cultuursensitieve groepsinterventie voor en door vluchtelingen
  • samenwerking met trainer uit de professionele ggz
  • 8 bijeenkomsten van 2 uur
  • sinds 2004 in Nederland
  • onderwerpen: stress, coping met stress (doen en denken), cultuurverschillen, identiteit, rouw & verlies
  • door RIVM erkend als goed onderbouwd
  • in 2022 effectmetingen gedaan
  • varianten: Mind-Spring junior (8-12 jaar), Mind-Spring 13+ (13-18 jaar), Mind-Spring opvoedondersteuning, Mind-Spring voor volwassenen.


 

Winnaars NVO Thesisprijs

De NVO Thesisprijs is dit jaar feestelijk uitgereikt aan Vera Linn Harthoorn van de Rijksuniversiteit Groningen, in de categorie Algemene Pedagogiek/Onderwijskunde. Winnaar in de categorie Orthopedagogiek is Liina Björg Laas Sigurðardóttir van de Universiteit van Amsterdam.

 

Lees meer

Liina Björg Laas Sigurðardóttir over ouderbegeleiding

De IJslandse Liina volgde de bachelor pedagogiek in haar geboorteland. Haar interesse in  pedagogische interventies is groot. ‘Wat doen we echt met gezinnen, is dit wat we zouden moeten doen?’ Ze stelde zichzelf steeds meer vragen en ging een masteronderzoek doen aan de Universiteit van Amsterdam. Dat ze hiermee de NVO Thesisprijs won is voor haar een grote verrassing. ‘Ik voel me vereerd en ben ontzettend dankbaar.’

Liina schreef onder begeleiding van dr. Patty Leijten de thesis ‘Do Different Families Show Different Mechanisms of Change? An Individual Participant Data Meta-Analysis of Parenting Programs for Disruptive Behavior’.

Ouderbegeleiding is een van de meest ingezette pedagogische interventies en kan onder andere gedragsproblemen bij kinderen verminderen. In de praktijk is het echter moeilijk te voorspellen
welke gezinnen baat hebben bij ouderbegeleiding. De thesis van Liina laat zien waarom dit zo is. Ouderbegeleiding bleek vooral effectief wanneer ouders minder negatief zijn (stem verheffen,
kwetsen) en consequenter zijn. De meeste gezinnen hadden baat bij ouderbegeleiding. Gezinnen voor wie ouderbegeleiding minder nodig leek, evenals gezinnen met ernstigere en complexere mentale gezondheidsproblemen bij kinderen en bredere gezinsmoeilijkheden, profiteerden echter minder van deze programma’s.

Individuele verschillen

“Ik heb voor dit onderwerp gekozen omdat ik ervan overtuigd ben dat individuele verschillen in behandeleffectiviteit niet los kunnen worden gezien van individuele verschillen in de mechanismen die ten grondslag liggen aan behandeleffectiviteit. Dat wil zeggen: Als gezinnen verschillend reageren op een programma, dan moet dit te herleiden zijn naar hele precieze verschillen in concrete reacties van ouders op het programma.”

Liina heeft hiermee kunnen aantonen welke veranderingen in het gedrag van ouders verantwoordelijk zijn voor de effectiviteit van ouderbegeleiding en hoe gezinnen hierin onderling verschillen.

Oxford

Liina zit op dit moment in Oxford, waar ze werkt aan haar promotieonderzoek, haar PHD. “Ik ga door met mijn focus op ouderbegeleiding en zal me meer richten op het onderzoeken voor wie dit echt werkt. De afdeling hier is vrij interdisciplinair, dus ik kijk ernaar uit om te leren van anderen die ook interventies onderzoeken.”

Na haar promotieonderzoek wil ze weer terug naar Nederland. Ze houdt van het leven hier, maar ook van de aanpak van onderzoek, de kijk op en het niveau van de pedagogische wetenschap. Ze zou het fantastisch vinden als haar onderzoek ook in IJsland kan worden toegepast.

Over tien jaar

Liina ziet zichzelf over tien jaar nog steeds werken als onderzoeker. “Ik ben altijd nieuwsgierig en wil blijven onderzoeken. Maar
mijn onderzoeken zijn altijd wel georiënteerd op de praktische toepassing. Dus ik wil graag de verbinding houden tussen theorie en de praktijk.”


Wil je de thesis lezen? Stuur dan een mailtje naar
info@nvo.nl

Vera Harthoorn over duurzaam onderwijs in Oeganda

Lees meer

Terwijl Vera voor de klas stond, werd ze gebeld dat ze de Thesisprijs had gewonnen. ‘Het was een heel leuk moment. De kinderen keken me met grote ogen aan toen ik werd gebeld. We hebben meteen een feestje gevierd in de klas.’

Vera schreef onder begeleiding van dr. Josje van der Linden de thesis ‘Sustaining educational development. Exploring factors to sustain small-scale education projects in rural areas in Uganda’.

Zij koos voor haar masterthesis een onderwerp op basisvan haar vrijwilligerswerk in het basisonderwijs in Oeganda. Als medewerker van Save the Children Oeganda zag ze hoe basisscholen in plattelandsgebieden opgezet werden met steun van Save the Children of een andere non-gouvernementele organisatie (ngo). Nadat de ngo zich terugtrok, kwamen deze scholen vaak na enkele jaren leeg te staan, waardoor kinderen toch weer onderwijs moesten missen.

Kabira

Vera startte daarom een eigen basisonderwijsproject ‘Kabira’, waarin ze het anders wilde doen. “Afgelopen zomer ben ik er de hele tijd geweest. We zijn in 2018 begonnen met kinderen die onder een boom les kregen en inmiddels gaan die kinderen naar de middelbare school. Dus daar ben ik heel trots op.”

Kabira wil scholen zo ondersteunen dat ze voldoende eigen kracht en steun in de omgeving ontwikkelen om door te gaan, zonder de steun van het project. Om Kabira en vergelijkbare kleinschalige projecten te ondersteunen, richtte Vera zich op de onderzoeksvraag ‘Welke factoren stimuleren de duurzaamheid van kleinschalige onderwijsprojecten in plattelandsgebieden in Oeganda?’

Twaalf factoren

Op basis van literatuur over de duurzaamheid van onderwijsprojecten, maar ook van projecten in de gezondheidszorg en andere domeinen, ontwikkelde ze hiervoor een model. Vervolgens bracht ze de benaderingen van onderwijsprojecten in de betreffende regio in kaart en interviewde ze betrokkenen. De regio diende daarbij als een paradigmatische casus, waarvan veel kenmerken overeenkomen met andere plattelandsregio’s.

De bevindingen lieten zien dat het onderwerp duurzaamheid steeds meer aandacht heeft gekregen, maar dat er niet een of twee factoren aan te wijzen zijn die het verschil maken.

Vera vond maar liefst twaalf factoren, die in samenspel, helder in beeld gebracht in een radarwerk, bepalen of een project op eigen kracht kan blijven bestaan. “Het is een soort tandwiel en dat hangt heel groot in ons kantoor in Oeganda. We delen het met andere stichtingen en het ministerie van Onderwijs.”

Risico’s

Op basis van haar onderzoek en de resultaten ervan, waarschuwt Vera voor het nemen van ‘duurzaamheid’ als enige argument in de opzet van onderwijsprojecten. Dat zou ertoe kunnen leiden dat scholen alleen opgezet worden in regio’s waar al allerlei voorzieningen zijn. Voor het opzetten van basisonderwijs voor de meest kwetsbare groepen is het nodig om risico’s te nemen. De factoren die duurzaamheid beïnvloeden, blijven dan van belang, maar zullen meer investering vergen dan in andere gebieden.

Toekomstplannen

Vera is nu nog bezig met de opleiding voor kwaliteits­ coördinator. “Daar wil ik mee aan de slag in Nederland. Maar mijn werk met Oeganda is en blijft er. Ik ga er regelmatig naartoe. Verder hoop ik meer ruimte te krijgen voor onderzoek. Nog even afwachten wat er op mijn pad komt. De mix tussen praktijk en onderzoek vind ik altijd erg leuk. Vanuit de praktijk onderzoek doen past bij mij.”


Wil je de thesis lezen? Stuur dan een mailtje naar info@nvo.nl

de promovendus


Focus op vaders

‘Taalgebruik van vaders draagt bij aan genderstereotype ideeën van kinderen’

Else de Vries promoveerde eind vorig jaar aan de Universiteit Leiden op een onderzoek naar opvoedgedrag van vaders met jonge kinderen. Hun manier van opvoeden bleek samen te hangen met pestgedrag en genderstereotype normen van hun kleuter. ‘Dit verband vonden we niet altijd voor moeders. En als we wél een verband voor moeders vonden, was dit meestal een ander dan voor vaders.’

Lees meer

curriculum vitae

Else de Vries

2024 – heden
Postdoc onderzoeker Gezondheidspsychologie en Gedragsverandering, Erasmus Universiteit Rotterdam

2023 – 2024
Onderzoeker lectoraat Ouderschap & Ouderbegeleiding, Hogeschool Leiden

2015 – 2023
Promovendus Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Leiden

2013 – 2015
Research Master Health Sciences, specialisatie Epidemiologie, Netherlands Institute for Health Sciences, Erasmus MC

2010 – 2012
Master Gezondheidszorgpsychologie (honoursprogramma), Universiteit van Amsterdam

2007 – 2010
Bachelor Psychologie, specialisatie Klinische Psychologie, Universiteit van Amsterdam

Wat heeft je gemotiveerd om onderzoek te doen naar vaders?

“Tijdens mijn onderzoeksstage bij het cohortonderzoek Generation R schreef ik over pestgedrag van kinderen en het verband met opvoedgedrag en persoonlijke kenmerken van vaders. Gaandeweg kwam ik erachter dat het behoorlijk uniek was dat de onderzoekers ook vaderrapportages hadden meegenomen. Het meeste onderzoek wordt onder moeders uitgevoerd. En als er al naar vaders gevraagd wordt, gebeurt dit meestal in de vorm van een rapportage door de moeder over de vader.

Hierna was ik op zoek naar een promotieplek en kwam ik terecht bij de Universiteit Leiden, waar een onderzoek naar vaders zou starten. Dat sloot erg mooi aan. Ik was echt gemotiveerd om het gat in de literatuur op te vullen door specifiek onderzoek te gaan doen naar vaders.”

Kun je kort vertellen wat je hebt onderzocht? En hoe heb je dat aangepakt?

“We hebben in drie verschillende studies onderzocht wat belangrijke voorspellers én gevolgen zijn van opvoedgedrag van vaders van jonge kinderen. Om dit te onderzoeken, hebben we gebruikgemaakt van longitudinale, hormonale en observationele onderzoeksmethoden. We vonden het belangrijk om vaders hetzelfde te behandelen als moeders. Daarom hebben we dezelfde meetinstrumenten voor beide ouders gebruikt en de bewoordingen waar nodig genderneutraal gemaakt.

De uitkomstmaten waarop ik me heb gericht, waren pestgedrag en genderstereotype normen van kinderen. En bij vaders heb ik gekeken naar testosteronniveaus, mentale gezondheid en persoonlijkheid, sensitief dan wel hardhandig opvoedgedrag, genderspecifiek opvoedgedrag en de mate van religiositeit. In de studie naar pestgedrag en de studie naar gendersocialisatie hebben we ook moeders meegenomen.”

Wat waren de belangrijkste resultaten? Welke resultaten hebben je verrast?

“Het bleek dat het opvoedgedrag van vaders werd beïnvloed door diverse persoonlijke, biologische en culturele factoren. En dat dit opvoedgedrag vervolgens samenhing met pestgedrag en genderstereotype normen van kinderen. Dit vonden we niet altijd voor moeders. Als we het wel voor moeders vonden, lag dit meestal anders dan voor vaders. Vaders die gezinsproblemen ervaarden nog voordat hun kindje was geboren en meer vijandig gedrag vertoonden, zoals woede-uitbarstingen, voedden hun jonge kind vaker op een hardhandigere manier op. Dit gold niet voor moeders. En we vonden dat kinderen die pesten op school dit vooral leren van dit vijandige gedrag van hun vader, niet van hun moeder.”

“Wat betreft het aanleren van genderrollen bleek dat taalgebruik van vaders bijdraagt aan stereotype ideeën van kleuters over mannelijke en vrouwelijke beroepen. Kleuters waren veel traditioneler in hun opvattingen over beroepen voor mannen en vrouwen als hun vaders bijvoorbeeld het spelen met treintjes automatisch koppelden aan jongens. Wat me wel verraste, was dat de sensitiviteit van vaders niet afhankelijk was van of ze samen met hun kind met jongens- of meisjesspeelgoed speelden, terwijl dit wel het geval was voor moeders. Moeders en vaders zijn allebei belangrijk voor de ontwikkeling van kinderen, maar dus niet altijd op dezelfde manier.”

Je hebt een heel persoonlijk voorwoord geschreven, met jouw kijk op een aantal van de centrale constructen in je proefschrift: vaders, gender en religie. Waarom vond je dit belangrijk?

“Dat was eigenlijk een suggestie van mijn promotor, Judi Mesman. Binnen de onderzoeksgroep waar ik werkte, wordt veel onderzoek gedaan naar vooroordelen, ook in de opvoeding. Het is dan logisch dat je je als onderzoeker ook kritisch opstelt tegenover je eigen vooroordelen. Welke kenmerken van je eigen achtergrond maken dat je mogelijk een gekleurde blik hebt op wat je onderzoekt? Ik vond het heel waardevol om daar bij stil te staan en bewust maatregelen te nemen om mijn eigen vooroordelen zo min mogelijk invloed te laten hebben op het uitvoeren van het onderzoek en het interpreteren van de data.”

Wat kwam je te weten over je eigen vooroordelen? En werden deze bevestigd of ontkracht in je onderzoek?

“Ik ben opgegroeid met het idee dat religie vaak samengaat met conservatieve denkbeelden over genderrollen, alhoewel ik me er ook bewust van ben dat er grote verschillen bestaan binnen de groep van mensen die zichzelf religieus noemt. In mijn onderzoek was ik daarom extra benieuwd naar de uitkomsten met betrekking tot de invloed van religiositeit van vaders op genderstereotype normen van kinderen. Uiteindelijk bleek mijn hypothese grotendeels te kloppen, maar het lag nét iets genuanceerder: hoe religieuzer vaders waren, hoe meer genderstereotype boodschappen ze uitten en dat voorspelde vervolgens meer genderstereotype normen bij kinderen. En zo’n verband bleek niet te gelden voor moeders, dat was wel onverwacht voor mij persoonlijk.”

Kunnen we nu stellen dat vaders meer betrokken moeten worden bij bepaalde onderzoeken en interventies, omdat ze voor bepaalde ontwikkelingsgebieden – gedragsregulatie en gendersocialisatie – belangrijker zijn voor de ontwikkeling van kinderen dan moeders?

“Ik ben van mening dat in alle gevallen alle opvoeders van kinderen betrokken moeten worden. Vaders hebben op het gebied van pestgedrag en gendersocialisatie misschien wat meer invloed dan moeders, zoals ook bleek uit mijn onderzoek. Maar de belangrijkste boodschap is dat alle opvoeders belangrijk zijn. En dus betrokken moeten worden voor een completer beeld en de meest effectieve uitkomsten van interventies.”

Welke uitdagingen kwam je zelf tegen in het betrekken van vaders bij je onderzoek?

“We wilden op huisbezoek gaan als beide ouders thuis waren, dus dit werd vaak ingepland op een ‘papadag’, rond etenstijd of in het weekend. Niet altijd makkelijk als je de bezoeken moet afleggen. We wilden hiernaast gezinnen met diverse religieuze achtergronden betrekken en dat was ook een enorme uitdaging, vooral voor islamitische vaders. Het zat hem vaak ook in kleine dingen: het contact met de gezinnen voor het maken van afspraken verliep vrijwel altijd via de moeder. Moeders waren meestal meer betrokken uit zichzelf.”

Welke onderzoeksvragen over vaders zou je nog beantwoord willen zien?

“Ik ben heel benieuwd of de gevonden verbanden tussen opvoedgedrag van vaders en kinduitkomsten blijven bestaan op de lange termijn. Als kinderen ouder zijn, worden leeftijdsgenoten steeds belangrijker. Het lijkt me interessant om te zien of de invloed van de vader dan nog steeds even sterk aanwezig is op het gebied van pestgedrag en gendersocialisatie. Ook is meer onderzoek nodig naar gezinnen met twee vaders of juist naar gezinnen met een afwezige vader.”

Welke rol hoop je dat vaders over pakweg tien jaar spelen in onderzoek en praktijk?

“Ik hoop dat het in de toekomst heel normaal is om zowel vaders als moeders te betrekken bij onderzoek en de praktijk. Overigens ben ik er ook voor om andere minderheidsgroepen meer te betrekken, zoals gezinnen met een religieuze of lagere sociaaleconomische achtergrond. Dit vraagt om meer flexibiliteit van professionals en dat is een uitdaging. Voor onderzoekers is de uitdaging om onderzoek minder perfect uit te willen voeren: onderzoekstechnisch zullen er misschien wat concessies gedaan moeten worden, maar het onderzoek wordt wel inclusiever door meer verschillende opvoeders te betrekken en zegt daarmee uiteindelijk ook meer over de échte wereld.”

Welke tips heb je voor professionals om vaders meer te betrekken?

“Ten eerste: betrek vaders vanaf het eerste contact en richt je in al je communicatie op alle betrokken opvoeders. Ten tweede: stel je flexibel op. Moeders werken nog steeds vaker parttime dan vaders en hebben dus meestal meer tijd voor het maken van en verschijnen op afspraken. Als professional kun je de mogelijkheid bieden om ’s avonds of in het weekend af te spreken. Of ouders en kind thuis te bezoeken na kantoortijd of een online afspraak te maken. Op die manier is de kans groter dat vaders ook kunnen aansluiten.”

“Ook werkgevers zouden zich flexibeler kunnen opstellen: vaders kunnen verlof opnemen, maar dit wordt nog lang niet altijd actief gestimuleerd, gefaciliteerd en gewaardeerd door werkgevers. Wat ook zou kunnen helpen: meer mannelijke hulpverleners, zodat vaders zich eerder begrepen en gezien voelen.

Ten slotte: neem je eigen (onbewuste) denkbeelden over genderrollen onder de loep. Hoe beïnvloeden deze denkbeelden jouw contact met ouders? Ouders houden overigens vaak ook deels zelf meer traditionele denkbeelden in stand, dus er is echt een bredere maatschappelijke verandering van perspectief nodig.”

tekst: Sanne de Vet


De Vries, E. E. (2023). Focus on fathers: Longitudinal, hormonal, and observational studies on fathers’ parenting in families with young children. https://hdl.handle.net/1887/3641824

column


 

‘Misschien moeten we maar gaan verhuizen’

Ze rent op me af wanneer ik de school binnenkom. ‘Ze ruikt dat je er bent’, roept de intern begeleidster nog naar me. ‘Waar was u nou al die tijd, juffrouw Elena? Ik dacht dat u me zou komen halen om te spelen.’

Nina is net gestart in groep 6. Pienter als ze is, doet ze mee met groep 7. Ze is net begonnen in een combiklas en vindt het reuzespannend. Het valt me op dat ze afgevallen is en haar brood weer in haar trommeltje heeft laten zitten.

 

Lees meer

Spannend geluid

“Wat zullen we spelen?”, vraag ik haar terwijl we naar de spelkamer lopen. “De laatste keer speelden we in de dierenwinkel, weet je nog?”
Ze kijkt me aan met grote onrustige ogen. Haar gezichtje is bleek. “Ja, dat was leuk en nu wil ik liever vier op een rij doen. Mag dat, juf?” We pakken het grote bord dat speciaal in elkaar getimmerd is om met hele grote gekleurde schijven te kunnen spelen. Vol spanning kijkt ze ernaar. “Zullen we eerst alle schijven er weer uit laten vallen en er weer in doen? Dat vind ik altijd zo’n spannend geluid.”

Hoe meer spanning Nina in haar leven heeft, hoe moeilijker het wordt om fantasievol te spelen. Ze wil dan graag repeterend spel doen en toekijken hoe de gekleurde houten schijven kletterend op de grond vallen als we het onderste plankje van het bord schuiven. Keer op keer. Gefascineerd kijkt ze naar mijn reactie.

Herinneringen

In de middag spreek ik Nina’s moeder tijdens een oudergesprek. Schuchter zit ze aan tafel. Ik zie dezelfde grote ogen als die van Nina. Haar keel lijkt dichtgeknepen wanneer ze mijn vraag hoe het thuis gaat probeert te beantwoorden.

“Ik weet het niet goed. Misschien moeten we maar gaan verhuizen. Ik kan de herinneringen niet meer aan.” Sinds Nina’s vader overleden is, kan haar moeder aan niets anders denken. “Het is nu vier jaar geleden dat hij doodging en ik mis hem nog steeds”, vertelt ze. Haar ogen vullen zich met tranen. Ze zwijgt een hele tijd en lijkt naar moed te zoeken om haar woorden te kiezen. “Soms denk ik dat het beter zou zijn geweest als ik dood was gegaan. Hij had vast beter voor Nina gezorgd dan ik kan”, fluistert ze zacht.

Goede moeder

Ik moet mijn eigen tranen bedwingen. “Ben je bang geen goede moeder te zijn voor Nina?”, vraag ik haar. ‘Of ben je bang dat anderen dat denken?’ “Ik voel me zo schuldig”, gaat ze verder. “Ik ben zo verdrietig en Nina wil steeds maar niet eten.”

Ook ik zoek naar woorden en manieren om het juiste te doen. “Ik begrijp dat je je zorgen maakt. Ik weet niet of je nu het juiste voor Nina doet thuis, maar wat ik wel weet is dat het heel goed is dat je mij dit vertelt. Dat doe je omdat je een goede moeder wilt zijn. En dat is heel veel waard. Ik wil je helpen en meedenken hoe je je verdriet een plek kunt geven en je schuldgevoel kan omzetten in goed zijn voor Nina. Ik weet zeker dat dat gaat lukken.” Ik pak haar hand vast en zie hoe Nina door het raam naar binnen kijkt.

 

tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.


Nina heet in werkelijkheid anders.

 


Pedagogische basis & gelijkwaardig samenwerken

‘Gesprekjes tussen twee moeders op een bankje in de speeltuin’

Kathinka Bruinsma richtte dit jaar de Kenniswerkplaats Pedagogische Basis op, een samenwerkingscollectief van ouders, professionals, beleidsmakers en onderzoekers. Zij helpen bij het opzetten van een eigen lokaal netwerk. Zoals ouder-kind-cafés en gezellige ontmoetingsplekken voor ouders en opvoeders. Gelijkwaardige samenwerking staat hoog in het vaandel.

 

Lees meer

Kathinka Bruinsma had veertig jaar geleden, als startende wijkverpleegkundige, contact met iedereen in het dorp waar ze werkte. Met ouders, opa’s en oma’s, de huisarts, de hoofdmeester van school. Een systemische blik en werkwijze. Ze was begin twintig en leerde meteen al dat ouders het niet alleen kunnen: It takes a village to raise a child. Maar ze moest op een gegeven moment van haar werkgever de keuze maken tussen volwassenen en kinderen. “Dat ging niet in mijn hoofd.” Het hokjesdenken heeft ze nooit kunnen begrijpen. Daarna heeft ze in verschillende functies en bij verschillende organisaties gewerkt. De laatste jaren als zelfstandig trainer en adviseur, bij onder andere de gemeente Utrecht en zorgorganisaties.

Zes jaar geleden richtte ze Ouders van Betekenis1 op en afgelopen jaar de Kenniswerkplaats Pedagogische Basis2. Al die jaren is ze bezig geweest met hetzelfde thema, aansluitend bij haar waarden en normen: ‘Hoe zorgen we dat mensen weer eigenaar worden van hun eigen zaak? Hoe kunnen we gelijkwaardig samenwerken, met erkenning voor ieders rol en deskundigheid?’

Gewone opvoedvragen

“Gelijkwaardig samenwerken lijkt zo simpel, en toch doen we het onvoldoende”, zegt Kathinka.

“In Nederland is alles, dus ook hulpverlening, georganiseerd in systemen en hokjes. Professionals gaan op pad met een bepaalde opdracht, waardoor ze kunnen afdrijven van wat oorspronkelijk de bedoeling was. We hebben een geïndividualiseerde samenleving, waar veel is weggesaneerd en de gemeenschapszin of nabuurschap grotendeels is verdwenen.”

Terwijl de Jeugdwet juist ook een rol ziet voor de sociale omgeving, de pedagogische basis (zie kader).

Kathinka: “Tegelijkertijd worden veel vraagstukken opgelost met hulpverlening, in plaats van te vertrouwen op het oplossingsvermogen van ouders zelf. Denk aan de gesprekjes tussen twee moeders op een bankje in de speeltuin. Daar gaat de pedagogische basis over, over de ‘gewone’ opvoedvragen waarover ouders in een natuurlijke ontmoeting ervaringen kunnen uitwisselen met elkaar.”

“Ouders moeten ook de hand in eigen boezem steken, want veel durven niet meer openlijk te vertellen dat ze de opvoeding soms moeilijk vinden en wel wat ondersteuning kunnen gebruiken. En hulpverlening voor hun kind kan voor ouders fijn zijn, dan hoeven ze minder naar zichzelf te kijken.”

Gelijkwaardige samenwerking

Met Ouders van Betekenis heeft Kathinka ouderinitiatieven in de gemeente Utrecht ondersteund om meer zichtbaar te worden en om hen te empoweren als gelijkwaardige samenwerkingspartner voor de gemeente. Hiervoor heeft ze 250 ouders met jonge kinderen geïnterviewd over wat zij belangrijk vinden in het contact met professionals, bij onder meer het consultatiebureau, de kinderopvang, scholen en de gemeente.

Ouders blijken gelijkwaardige samenwerking heel belangrijk te vinden. Ouders zijn een bron van wijsheid, een deskundige over hun eigen kind.Maar in de contacten met professionals ervaren zij dat vaak niet zo. De gesprekken met ouders resulteerden in twaalf zogenoemde relatieversterkers (zie kader), die professionals laten nadenken over hoe zij gelijkwaardigheid vormgeven, met oog voor ieders rol en deskundigheid. Zoals: Wil je me laten merken dat ik belangrijk ben? Wil je mij de tijd geven om je goed te verstaan? Ga je ook jezelf laten zien?

In het Leernetwerk van de Kenniswerkplaats Pedagogische Basis zitten ouders, hulpverleners, beleidsadviseurs en andere professionals samen aan tafel. “Hiermee wordt de stap gemaakt naar het ‘hoe’. Hoe realiseer je een gelijkwaardige samenwerking? Want dat klinkt simpeler dan het is. De uitwisseling van verschillende perspectieven is belangrijk, om elkaar te leren kennen, samen te leren en gezamenlijkheid te creëren. Als iedereen de rol en de deskundigheid weet van de ander en die erkent, dan kan iedereen vanuit zijn eigen positie iets toevoegen aan wat nodig is. Dan ontstaat er gedeeld eigenaarschap.”

Welke adviezen heeft Kathinka voor pedagogen?

“Vraag aan ouders wat hun deskundigheid is op het gebied waar je het samen over hebt. Neem tijd om de relatie te vormen en sta samen stil bij hoe je gaat samenwerken. Check hoe de ander jou ervaart in de samenwerking. We denken te makkelijk dat we gelijkwaardig samenwerken, maar dat kun je in je eentje niet beoordelen, daar heb je de ander bij nodig. Zorg dat je hier in opleidingen en bij beginnende professionals aandacht voor hebt. Ga er gewoon mee aan de slag, dat kan in kleine stapjes.”

tekst: Marleen Baeten


  1. www.oudersvanbetekenis.nl
  2. www.kenniswerkplaatspedagogischebasis.nl
  3. www.nji.nl/impact-maken-met-jeugdbeleid/jeugdwet
  4. Opgroeien doe je samen (2022), Nederlands Jeugdinstituut.

Jeugdwet & pedagogische basis

De Jeugdwet regelt de hulp aan kinderen en gezinnen in Nederland. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het versterken van het opvoedkundig klimaat in gezinnen, wijken, scholen en kinderopvang. Het gaat dan niet alleen om het tijdig bieden van de juiste hulp op maat, maar ook om het bevorderen van de opvoedcapaciteiten van ouders, en het versterken van het probleemoplossend vermogen van kinderen en hun ouders3.

De sociale omgeving heeft bij dit alles een belangrijke rol. Dus is  er een stevige pedagogische basis noodzakelijk.

Pedagogische rijkdom

De pedagogische basis draagt bij aan het opgroeien, opvoeden en de ontwikkeling van kinderen en jongeren. Ze wordt gevormd door contacten tussen mensen onderling, hun sociale relaties en de verbinding met hun leefomgevingen. Dan gaat het vooral om voorzieningen, diensten en plekken waar ouders, opvoeders, kinderen en jongeren gebruik van maken. Zoals scholen, bibliotheken en buurtcentra. Hoe meer kinderen en ouders kunnen leren van die contacten, relaties en omgevingen, hoe groter hun pedagogische rijkdom. Vooral de kwaliteit van de ontmoetingen draagt daaraan bij.

Voor het versterken van de pedagogische basis is vooral verbinding en samenwerking nodig, van ouders met andere ouders, met volwassenen in hun omgeving en met professionals4.

pedagogiek & politiek


 

Kinderrechten zijn niet vrijblijvend

De Kinderombudsman bevordert dat kinderrechten worden nageleefd en
daarbij is het VN-Kinderrechtenverdrag het toetsingskader. Het verdrag is zeker ook voor pedagogen en onderwijskundigen interessant omdat het niet alleen een juridisch instrument is, maar ook pedagogische duiding geeft. Een gesprek met Kinderombudsvrouw Margrite Kalverboer over kinderrechten, de nieuwe Kinderrechtentoets en participatie van kinderen en jongeren.

 

Lees meer

De Kinderombudsvrouw is veel op pad voor haar werk. Ze voert wekelijks gesprekken met bestuurders van organisaties in de jeugdzorg en het onderwijs, met inspecties, gemeenten en ministeries. Ook probeert ze zoveel mogelijk kinderen en jongeren zelf op te zoeken en te horen wat er bij hen speelt.

Margrite Kalverboer: “Ik zoek vooral jongeren op die minder gemakkelijk met ons contact kunnen maken, zoals jongeren in een – gesloten – instelling of ik ga in gesprek met kinderen die passend onderwijs nodig hebben over het leerlingenvervoer.”

Beweging

Ze spreekt organisaties aan, adviseert gevraagd en ongevraagd en brengt mensen in beweging. Zo was ze twee jaar geleden op werkbezoek bij het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) in
Ter Apel en schrok enorm van de misstanden. In de media en met een brief naar de staatssecretaris maakte ze dat kenbaar. Onlangs was Margrite Kalverboer op verzoek van het COA weer in Ter
Apel.

“Alle punten waarvan ik had aangegeven ‘dat moet anders en kan beter’, hadden ze aangepakt! De medewerkers doen en deden enorm hun best om voor een goede daginvulling te zorgen. En activiteiten waardoor kinderen zich iets meer thuis voelen, bijvoorbeeld een eigen kussensloop maken.”

Nog een voorbeeld van hoe de Kinderombudsvrouw werkt. “De parlementaire-enquêtecommissie rondom de aardbevingen in Groningen vroeg mij: Hoe zit het daar met de kinderen? Toen heb ik gezegd: Ga het de kinderen zelf vragen! En dat is gebeurd.”

De Kinderombudsvrouw speelt ook een grote rol bij het aanjagen van kinderparticipatie. Kinderen zie je nu in lokale jeugdadviesraden, ze komen op ministeries en spreken Tweede Kamerleden.

“Maar”, zegt ze, “we zijn er nog niet. Je hebt alleen betekenisvolle participatie als je de visie van het kind ook echt meeweegt en als het kind daarmee invloed heeft op de besluiten die je neemt. En als je je besluit fatsoenlijk aan kinderen terugkoppelt.”

 

Kinderrechtentoets

Kinderen moeten – nu en in de toekomst – goed, gezond en veilig kunnen opgroeien. De zojuist gepubliceerde Kinderrechtentoets helpt beleidsmakers om kinderrechten altijd voorop te stellen bij het maken van nieuwe wetten en regels.

Margrite Kalverboer: “Te vaak zien we dat wetten en regels onze kinderen onvoldoende beschermen of ondersteunen. Wat de impact van wetgeving en beleid is op kinderen en kinderrechten, hebben we niet altijd goed in beeld. Hierdoor kunnen er voor kinderen of bepaalde groepen kinderen soms – onbedoelde – negatieve gevolgen zijn. We willen dit beter doen door vooraf op een meer gestructureerde wijze ons werk (wet- en regelgeving en beleid) te toetsen aan kinderrechten. Als we dit continu blijven doen, voorkomen we dat er op een later moment tijdrovende reparaties nodig zijn.”

 

Pilots

Er lopen enkele pilots bij ministeries waar bij toekomstige wetgeving een Kinderrechtentoets wordt toegepast. Zo is het ministerie van Justitie en Veiligheid bezig met beschermingswetgeving en Ondertoezichtstelling (OTS) en is er een pilot wetgeving rond meerouderschap. De provincie Utrecht wil bij alle wetgeving en beleid een Kinderrechtentoets doen en er zit nog veel meer in de pijplijn.

“Zo hoor ik dat kinderen die in de buurt van Schiphol wonen, concentratieproblemen hebben en slecht slapen. Tot nu toe is er in wetgeving en beleid rond de uitbreiding van de luchthaven niet
gekeken naar wat dit betekent voor de ontwikkeling en het leven van kinderen en hoe we daar rekening mee gaan houden. Denk bijvoorbeeld aan geluidsoverlast, waardoor kinderen slechter slapen en zich minder goed kunnen concentreren. Daar moeten we als samenleving en specifiek beleidsmakers rekening mee houden”, aldus Margrite Kalverboer.

Het beste besluit

Een ander, al langer bestaand instrument van de Kinderombudsman is Het Beste Besluit voor het kind. Deze toolkit helpt professionals (van jeugdzorg tot onderwijs en van gemeente tot woningbouwcorporatie) om met kinderen of jongeren in gesprek te gaan over hun belang en dat belang scherp te zien.

Bij ‘Het Beste Besluit voor het kind’ hoort een stappenplan gebaseerd op het Kinderrechtenverdrag. Dat helpt om een afgewogen besluit te nemen waarbij het belang van het kind voorop staat.

Margrite Kalverboer: “Zo sprak ik met kinderen in het aardbevingsgebied in Groningen. Een jongen vertelde dat ze naar een wisselwoning gingen verhuizen, dus moesten zijn spulletjes worden opgeslagen. Door uitstel van de verhuizing duurde dat zeven maanden. Die jongen kon al die tijd niet bij zijn spullen. Het
ging ook nog eens om kind dat in die tijd doubleerde en dacht: deze schoolspullen heb ik dit schooljaar niet meer nodig.”

Met behulp van ‘Het Beste Besluit voor het kind’ zou je dat anders aanpakken.

Wat geven kinderen en jongeren u zoal mee?

De Kinderombudsvrouw hoeft niet lang na te denken en komt meteen met een voorbeeld.
“Bij een werkbezoek sprak ik een meisje dat langdurig dakloos was geweest en altijd al onder toezicht stond. Zo lang zij zich kon herinneren, werd ze thuis mishandeld. Daar lagen de drugs
gewoon op de keukentafel en zij werd niet uit huis geplaatst. Toen is ze weglopen en vond onderdak in een papiercontainer. De school kwam er op een gegeven moment achter want ze droeg elke dag dezelfde joggingbroek. In haar kluisje vonden ze een slaapzak.”

“Ik vroeg haar: ‘Hoe kan dat nou, je hebt toch altijd een voogd gehad?’ Toen zei ze: ‘Mijn moeder kon mooi praten.’ Je moet dus met kinderen praten. De belangen van kinderen en van ouders zijn niet dezelfde belangen. Je hoopt het, maar het is lang niet altijd zo.”

Rol van ouders

Uit onderzoek van de Kinderombudsvrouw blijkt dat kinderen van gescheiden ouders hun kwaliteit van leven lager beoordeelden.

“Bij complexe scheidingen geven kinderen een nog lager cijfer. Vaak is de band met een van de ouders slecht, maar vaak met de andere ook. Wij hebben daarom gezegd: ‘Als partner ga je uit elkaar, maar je blijft ouder’.”

In hetzelfde onderzoek gaven thuiszittende kinderen hun leven een zeer laag cijfer.

“Het ging om een kleine groep kinderen, je moet er voorzichtig mee zijn, maar ik schrok er enorm van. Een deel van de problemen die deze kinderen ervaren komt door het verschil tussen wat ouders wensen, wat scholen wensen, en wat kinderen wensen. De belangen van ouders en kinderen gaan niet altijd gelijk op. Het zou goed zijn als we kinderen wat meer vrijheid in hun leven geven, inclusief de vrijheid om fouten te maken. We moeten als volwassenen wat minder overspannen staan in eigenlijk heel veel wat kinderen aangaat.”

Rol pedagogen

Voor orthopedagogen is de toolkit ‘Het Beste Besluit voor het kind’ handig om in de dagelijkse werkpraktijk te gebruiken, bijvoorbeeld bij behandelingen.

De Kinderombudsvrouw: “Orthopedagogen werken in de context, horen kinderen en ouders, en gaan ook in gesprek met school, jeugdzorg, en andere organisaties. Ik zie ook in de jeugdhulp en het onderwijs veel problemen die niet worden opgelost, omdat partijen er onderling niet uitkomen. Daar kunnen pedagogen een rol hebben. Zij maken een goede analyse en gaan aan de slag met vragen als: Wat is nu ons gezamenlijk beeld? Hoe dienen wij gezamenlijk dit belang van het kind? Wat staat er in de weg? En hoe gaan we dat oplossen?”

Toekomstwens

Wat hoopt Margrite Kalverboer voor de toekomst?
“Ik hoop dat kinderen gezien worden en datgene krijgen wat het beste past bij hun mogelijkheden en hun situatie. En dat we de zaken wat minder ‘optuigen’. Kijk maar naar de jeugdhulp en de
asielketen. Dat zijn businessmodellen. Er zijn zoveel belangen. We dreigen te vergeten dat het gaat om: Wat heeft dit kind nodig om goed op te groeien?”

tekst: John Smeets


verder lezen

gegrepen


 

‘Be the change’

In de wildernis van Colombia woont mijn nicht May (41) met haar Colombiaanse man Esau (36) en hun twee kindjes Uma (4) en Tay (2). May leidde jarenlang een zwervend bestaan, met haar camera in de hand zoekend naar een plek waar zij zich thuis kon voelen.

 

Lees meer

Zoekend naar haar roots, of een plek waar ze zelf wortel kon schieten, leerde ze van de mensen die ze ontmoette en de culturen waarin ze zich onderdompelde. Zelfvoorzienend leven werd een wens. De European city girl één met de natuur.

Diagnose

Niet lang geleden zag May in de verte haar man Esau zes meter naar beneden vallen. “Als een aapje viel hij mee met de bamboe”, schreef ze me. Hij bleek gelukkig ongedeerd. Vijf jaar geleden liep het slechter af met Maria, een Noorse fotograaf, die op haar 41ste de diagnose baarmoederhalskanker kreeg. Binnen een jaar overleed ze en bleef haar Engelse man Nik alleen met hun jonge kinderen achter op een verafgelegen boerderij.

De documentaire A new kind of wilderness gaat over hen. Over Maria die met haar gezin uit de ratrace van het moderne leven wilde stappen. Maar vooral over Nik en de kinderen, die na haar dood verder moeten. De titel verwijst niet alleen naar hun leven in de Noorse bossen, maar ook naar de wildernis die ieder mens op een bepaald moment van het leven inloopt. ‘The bushy road of healing. Cutting through fear and chaos, we are finding our way’, schreef Maria op haar blog1 over die nieuwe werkelijkheid na haar diagnose.

Geen oordeel

Zo’n nieuwe wildernis is ook de maatschappij waarin wij leven en waar Nik naar terugkeert en z’n kinderen moet introduceren. Zonder Maria’s inkomsten kan hij de hypotheek op de boerderij niet langer betalen.

Het is een mooie documentaire. Wat me vooral heeft gegrepen is dat de documentairemaker geen oordeel geeft over de mensen die ze filmt. Ook de leraren die de kinderen na jaren thuisonderwijs een plek op school bieden, oordelen niet. En Nik, die gekozen heeft voor een leven buiten de maatschappij, leeft zijn eigen waarden na. Zonder een sterk oordeel over de mensen die het anders doen dan hij.

Kompas

Mijn nicht May in Colombia is net zo. ‘Open je ogen en verander je leven’, schreef ze zo’n tien jaar geleden. Maar niet om ons thuisblijvers te overtuigen. Het waren de woorden die twee jaar eerder nog aversie bij haar opgeroepen hadden, maar die de tijd hadden genomen om zich in haar te nestelen en haar lieten weten hoe het verder moest: leven in en met de natuur.

Vroeger hielden we soms ons hart vast als we haar berichten lazen. Nu denk ik dat vooral onze eigen angsten en oordelen een rol speelden. Nik en May hebben een sterk innerlijk kompas en laten zien hoe het ook kan, in de woorden van May: ‘To be the change we want to see in the world.’

 

 

tekst: Bart van Gent


A new kind of wilderness van Silje Evensmo Jacobsen is in ieder geval tot 13 januari te zien via Picl: picl.nl/films/a-new-kind-of-wilderness/

Over het leven van May in Colombia kun je meer lezen via The Golden Teacher: https://gofund.me/2befdbab

  1. www.wildandfree.no

 

casus


Als praktijk en wetgeving schuren

Gezocht en gevonden!
Passende zorg voor Yvonne

Orthopedagoog-generalist Matty van Loon is gedragsdeskundige bij Amarant, een zorgaanbieder binnen de gehandicaptenzorg in Noord-Brabant. In haar werk krijgt ze weleens te maken met het wijzigen van indicaties, zoals bij Yvonne. In deze casus illustreert zij dat de praktijk soms weerbarstiger is dan wetgeving.

 

Lees meer

Yvonne is een vrouw van 67 jaar oud. Als één van een tweeling is zij erg klein geboren. Haar ontwikkeling verloopt anders dan bij haar broers en zussen. Daarom gaat ze naar een speciaal kinderdagverblijf, vergelijkbaar met een medisch kinderdagverblijf zoals we dat nu kennen.

Yvonne doorloopt het reguliere onderwijs en behaalt zelfs haar rijbewijs. Ook vindt ze een baan, maar ze verliest deze als de druk te hoog voor haar wordt.

Yvonne heeft jaren geleden zelfstandig gewoond, zoals ieder ander. Ze krijgt hulp van Amarant via het FACT team – Flexible Assertive Community Treatment, een team binnen Amarant dat mensen met een verstandelijke beperking en psychiatrische problematiek helpt -, omdat het zelf vormgeven van haar leven niet lukt.

Verslaafd

Helaas gaat het ook met de hulp van Amarant niet goed met Yvonne. Ze raakt verslaafd aan drugs en alcohol en laat hierdoor onaangepast en ongeremd gedrag zien. Zo kan ze zich op straat uitkleden en zorgt ze voor overlast in de buurt (ze biedt zichzelf aan bij mannen). De veiligheid van haarzelf en anderen komt in gevaar. Via een IBS – inbewaringstelling binnen de Wet zorg en dwang – is Yvonne gedwongen opgenomen op een gesloten afdeling, op het terrein van Amarant.

Verlof

De inbewaringstelling gaat uiteindelijk over in een langere maatregel, de RM (rechterlijke machtiging), om Yvonne verder te kunnen helpen vanuit een gedwongen kader. Er zijn strakke afspraken met haar gemaakt, bijvoorbeeld over toezicht en bewegingsvrijheid. Dit is intensief, maar stukje bij beetje gaat het wel steeds beter met Yvonne. Ze is toe aan verlof!

Maar elke keer als Yvonne eventjes met verlof gaat, vervalt ze binnen een paar uur weer in haar drugsgebruik. Terwijl zij in haar leven op het terrein een goed ritme weet te vinden, zich thuis voelt en van de drugs af kan blijven. Er wordt daarom met elkaar gekeken naar een vaste woonplek op het terrein, want zonder deze beschermde omgeving valt zij terug in haar oude gedragspatronen.

Nieuwe indicatie

Yvonne is toe aan nieuwe indicatie. Ze heeft namelijk uit het verleden nog een Wmo-indicatie (Wet maatschappelijke ondersteuning), en dat is geen passende indicatie om langdurig binnen een organisatie als Amarant te wonen. Er wordt daarom een aanvraag binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) gedaan. De passende grondslag bij een organisatie binnen de gehandicaptenzorg is de VG (Verstandelijk Gehandicapt).

Hier wordt de aanvraag op gericht, omdat ondertussen door diagnostiekonderzoek ook een verstandelijke beperking is vastgesteld bij Yvonne. Daarnaast sluit de hulpverlening die
Amarant biedt aan bij de hulpvraag van Yvonne.

 

Wetgeving versus praktijk

In de casus van Yvonne is er sprake van een combinatie van grondslagen, namelijk psychiatrische problematiek én een verstandelijke beperking. Het wordt zoeken naar welke grondslag het best passend is, omdat een Wlz-indicatie afgegeven wordt op de dominante grondslag (zie kader).

De problematieken en het gedrag dat Yvonne laat zien, kunnen zowel verklaard worden vanuit haar verstandelijke beperking als vanuit verslavingsproblematiek. Om de grondslag verstandelijke beperking vast te stellen, moet er echter aantoonbaar bewijs zijn dat hier voor het achttiende levensjaar al sprake van was. Hierover zijn er bij Yvonne geen gegevens beschikbaar.

Daarnaast heeft zij ook regulier onderwijs doorlopen en tijdelijk een baan gehad. Past dit wel bij het beeld van een verstandelijke beperking? Komt de verslaving wellicht door overvraging en negatieve levenservaringen? Het missen van de gegevens en het zich herhalende verslavingsgedrag maakt dat het CIZ uiteindelijk besluit een Wlz-indicatie af te geven met de grondslag ‘psychiatrische aandoening’ (Wlz-GGZ).

 

Grondslagen indicatie

Er moet een grondslag aanwezig zijn om in aanmerking te komen voor zorg gefinancierd vanuit de Wet langdurige zorg.
Er zijn zes verschillende grondslagen:

  • somatische aandoening
  • psychogeriatrische aandoening
  • psychiatrische aandoening
  • lichamelijke handicap
  • verstandelijke handicap
  • zintuiglijke handicap

De grondslag wordt vastgesteld door het Centrum Indicatiestelling Zorg op basis van informatie van artsen, diagnostiekverslagen of levens- en onderwijsverloop. Het kan zijn dat er meerdere redenen zijn waarom iemand aangewezen is op hulp, bijvoorbeeld iemand met zowel een verstandelijke handicap als een psychiatrische aandoening. In dat geval zal het CIZ een dominante grondslag vaststellen. De dominante grondslag is de grondslag met de zwaarst wegende beperkingen in relatie tot de zorgbehoefte van de verzekerde.


bron: Ministerie van VWS www.monitorlangdurigezorg.nl/begrippen/grondslag

Dilemma

En hiermee is een dilemma geboren, want Yvonne lijkt helemaal op haar plek bij deze zorgorganisatie. Ze krijgt de juiste hulp, waardoor verdere problemen voor haar en de maatschappij voorkomen worden. Maar een GGZ-indicatie hoort eigenlijk niet thuis in de gehandicaptenzorg. Bovendien blijkt, na goed overleg met de GGZ, dat ze daar geen passend aanbod voor haar hebben. De juiste indicatie (met grondslag VG) kan echter door wetgeving niet afgegeven worden.

Rol orthopedagoog

Gelukkig kan en mag Yvonne met de GGZ-indicatie binnen de zorginstelling blijven wonen. Dit heeft wel financiële gevolgen voor de zorgaanbieder. Zo is er nagenoeg geen financiering voor interne behandeling en moet dit overwegend via de reguliere route vorm krijgen. Bovendien is er maar een beperkt aantal uren beschikbaar voor de dagbesteding.

Ook de verantwoordelijkheden voor de orthopedagoog worden op scherp gezet. Zo wordt er bijvoorbeeld vanuit een andere wet, met andere voorwaarden, gewerkt als zorg niet meer vrijwillig vormgegeven kan worden. Waar je binnen de gehandicaptenzorg werkt volgens de Wet zorg en dwang (Wzd), gebeurt dit binnen de GGZ vanuit de Wet verplichte ggz (Wvggz). Oftewel: wanneer het nodig is om, in het belang van Yvonne, onvrijwillige zorg in te zetten, is dit rechtmatig niet mogelijk. Met alle gevolgen van dien. Wat doe je dan als zorgaanbieder? Wat is dan je rol als betrokken hulpverlener?

Grijs gebied

Matty van Loon, jaren betrokken geweest als behandelaar en gedragsdeskundige van Yvonne, voelt het dilemma zelf ook. Ze mist de individuele, maatwerk gerichte benadering.

“Er zit een grijs gebied tussen zwart en wit in. Door de huidige wetgeving worden sommige mensen in hokje A geplaatst, terwijl ze het juist goed doen op de zorg uit hokje B. Of past het in twee hokjes, zoals bij Yvonne, maar moet je altijd voor een indicatie met één dominante grondslag kiezen. Door de splitsing tussen de VG- of GGZ-indicaties, kiest het CIZ wat de grondslag is. Terwijl je eigenlijk gewoon de zorg wil kunnen bieden die bij mensen past, ongeacht in welk hokje ze zijn geplaatst.”

Rol NVO

In het werk als orthopedagoog komt het vaker voor; wetgeving die is gemaakt voor de hele maatschappij botst met de zorg die individueel, op maat vorm krijgt. Als praktijk en wetgeving schuren met elkaar, komt je werk als orthopedagoog zo weleens onder druk te staan. De NVO zet zich als beroepsvereniging in om deze orthopedagogen te ondersteunen met juridisch advies of bij het uitvoeren van hun beroepscompetenties in zulke dilemma’s. Daarnaast heeft de NVO ook contacten met partijen als het CIZ om met elkaar dit soort dilemma’s te bespreken.

tekst: June Bragg en Laura van Wijnen
beeld: Shutterstock


Yvonne heet in werkelijkheid anders

IQ-score

Op verschillende gebieden in het Nederlandse zorg- en onderwijssysteem wordt de IQ-score gebruikt als toelatingscriterium. We noemen dit slagboomdiagnostiek. Dit leidt in de praktijk regelmatig tot problemen, waarbij aanvragen voor zorg en onderwijs worden afgewezen omdat er of geen IQ-score bekend is, of de intelligentiescore slechts één of enkele punten ‘afwijkt’ van een norm.

Om meer zicht te krijgen op de aard en de omvang van deze problemen en ervaringen in het werkveld, hebben NVO en NIP eind 2023 een vragenlijst uitgezet over de rol van IQ bij de (her)indicatie Wet langdurige zorg (Wlz) en schoolkeuze/schoolplaatsing. In februari 2024 zijn de resultaten verwerkt in een rapportage1.

De NVO onderzoekt momenteel samen met de Radboud Universiteit en de Stichting OOK-OC! (gelieerd aan Stichting Milo) mogelijke alternatieve werkwijzen om de ondersteuningsbehoefte voor toegang tot de Wlz en onderwijs goed in beeld te brengen. Diverse professionals en organisaties, waaronder het CIZ, denken hierin mee. Zo hopen we met elkaar de toeleiding naar onderwijs en zorg, zoals in een casus als die van Yvonne, voor alle betrokkenen te verhelderen.

  1. www.nvo.nl/actueel/ervaringen-naar-de-rol-van-iq-bij-indicatiestelling-en-schoolkeuze-plaatsing

gast


 

Parasurfen op de Noordzee

Jarenlang werkte ik als pedagoog en gedragswetenschapper in de zorg, tot ik zeven jaar geleden arbeidsongeschikt raakte door een herseninfarct. Op mijn vijftigste was ik ineens halfzijdig verlamd. Tijdens mijn revalidatie heb ik – in de rol van patiënt – ervaren dat meer  autonomie leidt tot minder problemen.­

 

Lees meer

Door mijn halfzijdige verlamming kwam ik in een dal terecht, en nog wel eens, maar ik weet inmiddels hoe ik eruit kan komen. Ik ben me gaan afvragen wie ik ben en wie ik wil zijn. Het antwoord is dat ik van de natuur houd, graag buiten ben, doelen stel en nieuwe dingen wil meemaken.

Als ik nu niet lekker in mijn vel zit, denk ik daaraan en onderneem ik actie. Dat helpt altijd. Dan ga ik bijvoorbeeld de duinen in op mijn aangepaste driewieler ligfiets. Of parasurfen in de Noordzee, met de begeleiders van bewegingsagogie en fysiotherapie.

Autonomie

Als gedragswetenschapper werkte ik bij het Centrum voor Consultatie en Expertise in Nederland en Estland en deed onderzoek naar hersenletsel. Mijn hypothese was dat problemen afnemen bij verkrijgen van meer autonomie (Supported autonomy, Journal of Cognitive Rehabilitatie, 2010) en die hypothese is door mijn eigen ervaring in de praktijk bevestigd.

Ik heb afscheid genomen van mensen die mijn handicap zien als legitimatie om me te bevoogden en daar geen moment spijt van gehad.

Revalidatie

Ik ging revalideren in Wijk aan Zee. Daar heb ik mijn eigen bevindingen op mezelf toegepast en ben daar beter uitgekomen. Zo maakte ik mijn eigen functie-analyses en maakte ik gebruik van positieve zelfinstructies; bedenken wie ik wil zijn, besluiten dat ik dat ben en daar naar gaan handelen.

Wat me opviel is dat ik, als patiënt, niet werd uitgenodigd voor het multidisciplinair overleg over mijn behandeling. Er is niet methodisch gebruik gemaakt van mijn sterke kanten, ervaringen en ideeën. Een gemiste kans voor beide kanten.

Beweging

Belangrijke veranderingen gaan, heb ik ervaren, altijd gepaard met beweging. Door fysiotherapie en bewegingsagogie zoals surftherapie, heb ik ervaren dat ik me blijf ontwikkelen.

tekst: Richard Bouwmeester
reacties: bouwmeester74@gmail.com

 

Tips voor behandelaars

  • Mensen hechten aan autonomie.
    Ondersteun dit.
  • Betrek revalidanten bij de behandeling en het multidisciplinair overleg, dat geeft inzicht in de behandeling.
  • Maak gebruik van positieve zelfinstructies en het maken van plannen.
  • Laat revalidanten zelf functie-analyses maken van hun handelingen, zoals schoenen aandoen, en in de rolstoel stappen zonder vallen. Zij onthouden handelingen beter als ze zelf stappenplannen maken.
  • Bevorder zelfstandig wonen. Zelf ben ik in de laatste fase intern, in het revalidatiecentrum, op kamers gaan wonen. Zo werd ik een stuk zelfstandiger. Ook een manier om minder gehospitaliseerd te raken, heel nuttig voor je weer thuis gaat wonen.
  • Stuur niet aan op huilen. Veel therapeuten hopen een doorbraak bij hun patiënten te bewerkstelligen en zien een huilbui als een signaal dat dat gelukt is. Maar iedereen verwerkt tegenslag op zijn eigen wijze, in zijn eigen context. Beter is het gewoon present te zijn, zonder eigen inzichten of ambities voorop te stellen.
  • Kijk voor een goede cursus – al dan niet in teamverband – over het begeleiden van verlies op de site Verlieskunde. www.verlieskunde.nl

 

boeken &zo


 

Boeken &zo: Inspiratie en inzicht voor pedagogen

Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.

 

Lees meer

 

Het grote geld

In Gekaapt door het kapitaal zet Mirjam de Rijk, journalist en columnist, uiteen hoe de van oudsher publieke sectoren zorg, onderwijs, wonen en kinderopvang ten prooi zijn gevallen aan ‘het grote geld’.

De pessimist kan smullen van deel 1 en 2, waarin De Rijk beschrijft hoe het precies zit met de kapitalisering van publieke ondernemingen en welke oorzaken eraan ten grondslag liggen. Onder invloed van private-equityfondsen als eigenaren van zorginstellingen, en uitgeverijen en grote bedrijven als financiers van wetenschappelijk onderzoek, ligt de nadruk steeds meer op winst maken. ‘Cherry picking’ in de ggz, ‘stofzuigeren’ in de kinderopvang, (verborgen) privatisering in het onderwijs. We zijn niet verbaasd, maar laten het toch gebeuren.

Deel 3 is voor de optimist: er is iets aan te doen. De Rijk trekt tien lessen. Van het nemen van meer eigen verantwoordelijkheid binnen de publieke sector, tot meer regelgeving en controle vanuit de overheid. Waarbij de pessimist weer kan aantekenen dat dit een langdurig en moeizaam proces wordt. Maar, en dat lijkt ook de boodschap van dit boek, als we niet beginnen met inzicht, komen we nooit naar uitzicht.

De Rijk heeft een vlotte schrijfstijl. Als je weinig kaas hebt gegeten van economie, is het soms worstelen met termen en begrippen. Wat overigens weer eens duidelijk maakt hoe belangrijk het ook voor ons pedagogen is om in decommunicatie taal te gebruiken die begrijpelijk is voor mensen die niet bekend zijn met óns vakjargon.

tekst: Aafke Peeten-de Klein

Gekaapt door het kapitaal. Zorg, onderwijs, wonen en kinderopvang (2024) van Mirjam de Rijk, Uitgeverij Pluim, i.s.m. De Groene Amsterdammer.

 

 

Presteren of bloeien?

In Donutpsychiatrie laat Hilgo Bruining, hoogleraar neurobiologische ontwikkelingsstoornissen en kinderpsychiater, zien waarom een transitie in de kinderpsychiatrie hard nodig is. Hij onderbouwt helder hoe politieke, economische en maatschappelijke invloeden de psychiatrie beïnvloeden en hoe weinig valide onze huidige diagnoses en behandelingen zijn. Hij pleit voor een nieuwe benadering die meer rekening houdt met de interactie tussen aanleg, context en omgeving. Bruining baseert deze benadering op het economische donutmodel van Kate Raworth.

Hoewel de visie goed onderbouwd is, is het boek niet eenvoudig te lezen. Het gebruik van medisch jargon maakt het soms lastig en daarmee minder toegankelijk voor een breder publiek. Daarnaast blijven veel van de voorstellen vaag of lastig te realiseren. Het big data-systeem dat Bruining voorstelt – waarin gegevens zouden worden verzameld gedurende de levensloop van een kind van zwangerschap tot sociale basiscondities, van structurele neuropsychologische metingen tot vitaminespiegels – kan mogelijk zorgen voor een bredere en systemische hulpverleningsblik, maar voelt onhaalbaar op dit moment.

De kracht van het boek zit in de kritische analyse van waar we nu staan, minder in de concrete invulling van verandering. Desondanks biedt Donutpsychiatrie waardevolle inzichten en prikkelt het om na te denken over nieuwe benaderingen in de kinderpsychiatrie. Want we leven nu in een maatschappij waar kinderen moeten presteren en bijdragen, ongeacht of hen dit doet bloeien. Hoe kunnen we werken aan een maatschappij waarin kinderen kunnen bloeien, ongeacht hun bijdrage of prestaties?

tekst: Rianne van Kesteren

Donutpsychiatrie (2024) van Hilgo Bruining is een uitgave van Boom.

 

 

School als oefenplaats

Van individueel naar inclusief onderwijs van Bert Wienen is zeer relevant voor de huidige onderwijspraktijk en plaatst daar vooral vraagtekens bij. Hij heeft het geschreven om schoolteams uit te dagen het gesprek te voeren over gewoon heel goed onderwijs, in zijn optiek synoniem aan inclusief onderwijs.

Zelf als psycholoog opgeleid, houdt Wienen een warm pleidooi om de eieren van de psychologiekoekoek de school uit te werken
en daar vooral weer aandacht te besteden aan het lesgeven aan groepen. Het pedagogisch klimaat, de pedagogisch-didactische relatie en een goede les: dat is het vak van de leraar, niet van de psycholoog. Hij plaatst het medisch-individuele model van inclusief onderwijs tegenover het sociale. Hierin staat niet de ondersteuningsbehoefte van de individuele leerling centraal, maar de context die de school biedt als oefenplaats tussen thuis en samenleving.

Het valt me op hoeveel ik onderstreept heb. Dat welbevinden niet voorwaardelijk is om onderwijs te volgen, maar juist een uitkomst van goed onderwijs. Dat onderwijs niet leuk hoeft te zijn, maar er juist wat meer weerstand in gebracht mag worden. Dat we met minder specialisten in en om de school toekunnen, maar vooral contextdeskundigen in de school nodig hebben. Ik parafraseer en daarmee doe ik dit boek tekort. Dus werk je op een school, lees het dan zelf.

tekst: Andries Kamminga

Van individueel naar inclusief onderwijs. Pleidooi voor minder labelen en meer aandacht voor de kracht van onderwijs (2023) van Bert Wienen is een uitgave van Instondo.

 

 

Hoe nieuwsgierig ben jij?

In dit 128 pagina’s tellende persoonlijke, autobiografische verhaal neemt orthopedagoog Willy Inghelbrecht (1951) je mee in zijn zoektocht. Op zijn werk – een voorziening voor mensen met een verstandelijke beperking – worden twee broeders die de cliënten verzorgen, beschuldigd van seksueel misbruik. Stress, angst, verwarring en schuldgevoelens passeren de revue. Seksueel misbruik is een fuik, waar iedereen in valt zonder het door te hebben.

Inghelbrecht omschrijft – door je mee te nemen in zijn gevoel, zijn gedachten, zijn gedrag, maar ook in hoe anderen zich gedragen – hoe het uitoefenen van een beroep als pedagoog samenhangt met het voelen en handelen als mens. De beslissingen die je neemt, hoe gedrag gelabeld wordt en hoe je ermee om gaat, heeft allemaal met mensen te maken. Dit maakt het kwetsbaar, zowel voor de cliënt als voor jou als pedagoog.

Heel bewust kijkt de auteur terug op de tijd waarin hij soms onbewust zijn vooroordelen of informatie uit het verleden voorrang gaf op het gedrag in het hier en nu. Met zijn verhaal neemt hij pedagogen (en andere medewerkers in de zorg) mee in hoe belangrijk het is om ongebonden nieuwsgierig te zijn, om niet in de fuik terecht te komen.

Met een Vlaamse tongval zijn de zinnen soms wat anders opgebouwd dan wij Nederlanders gewend zijn. Het boek leest ondanks het heftige en kwetsbare onderwerp makkelijk weg. Maar… neem nog even tijd, want die vraag blijft wel even hangen: Hoe ongebonden nieuwsgierig ben ik eigenlijk?

tekst: Laura van Wijnen

Bij nader inzien (2023) van Willy Inghelbrecht is een uitgave van Aspekt B.V.

 

de hoogleraar


 

Een leven lang therapie?

Waar te beginnen als je Levi van Dam, bijzonder hoogleraar Veerkrachtig Opgroeien, gaat interviewen? JIM, Garage 2020, apps, robots, de mentale wasstraat, Make MDMA Medicine; de projecten volgden elkaar de afgelopen jaren in rap tempo op. Tijdens zijn oratie ‘Eindeloze identiteiten’, blijkt dat ze allemaal een plek hebben op zijn pad. We zoomen in op de meest recente initiatieven, één gericht op het toegankelijk maken van mentale ondersteuning voor een breed publiek, een ander juist zeer specialistisch.

 

Lees meer

‘Hebben wij ons hele leven therapeuten om ons heen nodig?’, vraagt Floor (16) zich af na een intensieve behandelweek met haar gezin, gericht op het verwerken van jeugdtrauma. De vraag blijft hangen bij Levi van Dam (41).

“Zijn we zover afgedreven dat we niet meer zonder professionele mensen kunnen opvoeden en opgroeien? Als je kijkt naar de cijfers, dan zou je denken van wel”, zegt hij in z’n oratie, uitgesproken op 8 november dit jaar aan de Universiteit van Amsterdam.

Epidemiologisch onderzoek

“Dertig procent van de Nederlandse jongeren ervaart zoveel problemen dat ze daarmee voldoen aan de criteria van een psychische stoornis. Een op de drie. Is dat ook een verklaring voor de druk op de jeugdzorg? Hebben jongeren van nu meer mentale problemen dan tien, twintig, dertig jaar geleden?”, was zijn volgende vraag.

Uit epidemiologisch onderzoek, uitgevoerd sinds 1994 – toen de eerste DSM uitkwam – blijkt van niet. “De data zijn al dertig jaar consistent, het is niet zo dat deze generatie meer problemen heeft. Wat nieuw is, is dat de huidige generatie beter in staat is te verwoorden dat het leven soms lastig is. De jongeren van nu zijn de kanarie in de kolenmijn: ze geven als eerste het signaal af hoe ingewikkeld opgroeien is.”

Het vrijetijdsdomein

“Misschien is onze reactie op het benoemen en bespreken van problemen die jongeren ervaren dan niet helemaal adequaat”, zegt Levi van Dam met gevoel voor understatement.

“Jongeren geven aan dat mentaal welbevinden een onderwerp is dat leeft, daar willen ze het over hebben. Ze zijn op zoek naar vormen waarin dat kan en ik hoop de komende jaren iets neer te zetten voor jongeren om dit goed te bespreken. Dat kan thuis of op school, maar het vrijetijdsdomein is wat mij betreft een onontgonnen terrein waar we nog veel meer kunnen bieden.”

“Bijkomend voordeel is dat je dan ook direct bent ontslagen van het motivatieprobleem. Een jongere is vaak niet gemotiveerd voor behandeling en ik denk terecht, want hoe leuk is het nou eigenlijk? Dus proberen we steeds maar weer de jongeren te motiveren, want motivering is één van de belangrijkste voorspellers van behandelsucces. Maar als je het omdraait en je afvraagt ‘waar gaan ze uit zichzelf al graag naartoe?’, en je creëert dáár iets, dan heb je de grootste succesfactor al gerealiseerd.”

Mentale sportschool

Festivals zijn zo’n plek waar veel jongeren al komen en waar Levi van Dam onlangs te vinden was om zijn ‘mentale wasstraat’ te testen. Een drie uur durend event met ademhalingsoefeningen, klankschalen en een ijsbad, waarin jongeren technieken aangeleerd krijgen die hun mentale welzijn een boost geven. “Met geluid en muziek kom je echt wel in een andere mentale staat”, zegt hij. “Emoties worden toegankelijker. Je hebt dan wel professionele begeleiding nodig om dat te ondersteunen.”

Hij ziet dan ook veel in een terugkerende vorm. “Een mentale sportschool met mentoren, een plek waar je graag naartoe gaat, waar je anderen kunt ontmoeten en ervaringen op kunt doen.” Op de ochtend van zijn oratie was de aftrap en in 2025 wil hij elke maand een sessie organiseren.

“Het vormen van een community en via positieve peer pressure verleiden tot nieuw gedrag is het uitgangspunt. Dat doen we bijvoorbeeld door het aanleren van tiny habits. Denk aan mediteren: begin eens met vijf minuten per dag in plaats van meteen een half uur. Of het veranderen van gedrag: daag jezelf uit om vijf minuten healthy content te zoeken in plaats van gedachteloos door te scrollen. We hebben de Feelee-app ontwikkeld om je stemming bij te houden en wijzen ook op het bestaan van andere behulpzame apps. Tussen de bijeenkomsten in kunnen de deelnemers contact houden in gecreëerde subgroepen van ongeveer tien personen.”

Op de eerste bijeenkomst waren zo’n 120 deelnemers. “De hoop is dat dit groeit naar tweehonderd, driehonderd, maar misschien ook wel tweeduizend deelnemers.”

Psychedelica

Een andere, kleinere, groep waar Levi van Dam zich op richt zijn de jongeren met complexe traumaklachten, waarbij reguliere behandeling niet heeft gewerkt. Ook hen wil hij een ruimte bieden. Een mentale ruimte, opengesteld door psychedelica, in dit geval MDMA (de werkzame stof in XTC).

“De therapeuten zijn opgeleid, de MDMA is geregeld, we zitten in de allerlaatste fase: wachten op toestemming”, zegt hij tijdens z’n oratie. Zelf heeft hij ook een opleiding gevolgd bij het Amerikaanse MAPS, Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies.

“Wat ik heel mooi vind is het uitgangspunt van inner healing intelligence. Iedereen heeft een bepaalde innerlijke kennis over wat je nodig hebt. Maar je moet door allerlei lagen en barrières om daar naartoe te gaan, zeker als je veel trauma’s hebt. Vaak leer je als therapeut om te interveniëren door middel van gedragstherapie of EMDR. In dit traject van een half jaar zijn er drie sessies met MDMA, waarin het gaat om een innerlijk proces, waarbij de empathie richting jezelf en de ander vergroot wordt. Het is echt een andere mentale ruimte waarin je werkt”.

“Dit vraagt van de therapeut om aan te sluiten bij ‘wat gaat de cliënt doen?’ en niet zozeer je eigen programma te volgen. Je hebt bepaalde verwachtingen en dan blijkt dat de sessie over iets heel anders gaat. Het vraagt om doelen los te laten, te vertrouwen en te vertragen. Het is een mensgerichte, humane manier van hulpverlening, waarbij je de ander, de jongere, als kennisbron ziet en waar demping van het wantrouwen een belangrijke factor is.

Het gebruiken van MDMA als medicijn lijkt misschien heftig, maar je werkt niet met een dagelijkse dosering zoals bij ritalin of antidepressiva. Het zijn drie sessies met medicatie in een half jaar. De integratie naar je dagelijkse situatie, het echte leven, is natuurlijk cruciaal.”

tekst: Bart van Gent
foto: Kirsten van Santen

opvoeders van nu


 

Zo thuis mogelijk opgroeien

‘Een handreiking als kompas voor professionals die met gezinnen werken’

Hoe bereik je dat zoveel mogelijk kinderen ‘zo thuis mogelijk’ opgroeien? Het Nederlands Jeugdinstituut publiceerde hierover de handreiking Mijn Thuis. De auteurs, Harmke Bergenhenegouwen en Marlies de Jong, hopen dat veel professionals er in de praktijk mee gaan werken.

Lees meer
Marlies de Jong

Kinderen hebben het recht om thuis op te groeien. Hulp aan kinderen vindt daarom thuis plaats of op een plek die zoveel mogelijk op een gezin lijkt, zoals een pleeggezin of gezinshuis. En dus niet in een grootschalige residentiële instelling. Deze visie staat bekend als ‘zo thuis mogelijk opgroeien’. Tot mijn verrassing is dit begrip niet overal ingeburgerd bij hulpverleners die met gezinnen werken.

De visie kent wel een breed draagvlak in de jeugdzorg, maar is veel minder bekend bij professionals in bijvoorbeeld wijkteams of het onderwijs. Zo vertellen Harmke Bergenhenegouwen en Marlies de Jong, portefeuillehouders ‘Zo thuis mogelijk opgroeien’ bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Dat is een van de redenen waarom zij de handreiking Mijn Thuis1 schreven. Daarnaast wilden zij de kennis over ‘zo thuis mogelijk opgroeien’ bundelen, als een kompas voor professionals die met gezinnen werken. Met name gezinnen met meervoudige, ernstige en langdurige problemen.

Gezamenlijke koers

Terwijl veel professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming de visie onderschrijven, lukt het in de praktijk nog onvoldoende om kinderen zo thuis mogelijk te laten opgroeien, geeft Harmke aan. “We zien nog niet dat het aantal uithuisplaatsingen fors daalt of dat kinderen na een uithuisplaatsing op dezelfde plek kunnen blijven. Toch wil iedereen het. Uit de jeugdbescherming kregen we de vraag om vanuit het NJi een handreiking te schrijven, zodat professionals een gezamenlijke koers kunnen aanhouden. Die handschoen hebben we opgepakt.”

Ook is er nog onvoldoende een integrale aanpak, vult Marlies aan. “We willen met de handreiking professionals aanzetten om verder te denken. Als je iemand behandelt voor bijvoorbeeld een depressie, dan is het belangrijk te beseffen dat iemand meer rollen heeft dan alleen die van de patiënt. Iemand is ook een partner of een moeder. Dan komt de vraag: ‘Hoe gaat het met de kinderen?’ En vervolgens: ‘Wie in de buurt kan er ondersteunen?’ Zo zorg je dat het hele gezin hulp krijgt, in plaats van alleen de ouder met een depressie of het kind met gedragsproblemen.”

Cirkel doorbreken

Hulpverlening aan het hele gezin kan op de lange termijn positief werken. Harmke: “Het kan bijdragen aan minder uithuisplaatsingen en ervoor zorgen dat kinderen vaker terug naar huis gaan na een uithuisplaatsing. En hopelijk kunnen we de cirkel van doorplaatsingen doorbreken, waarbij kinderen vanuit een pleeggezin naar een gezinshuis en uiteindelijk naar de gesloten jeugdzorg gaan. De argumenten om uithuisplaatsingen te voorkomen, kun je namelijk ook gebruiken om doorplaatsingen te voorkomen.”

Bij de ontwikkeling van de handreiking paste zij een aantal handvatten toe tijdens een casuïstiekbespreking van professionals. Het ging om pleegouders die het bijna niet meer volhielden. Er dreigde een breakdown, waarbij het kind zou worden doorgeplaatst naar een ander pleeggezin of gezinshuis.

“Maar naar aanleiding van de handreiking ontstond er meteen discussie. De hulpverleners zeiden: ‘We hebben nog heel veel niet uitgevraagd, we kennen de familie van de pleegouders bijvoorbeeld niet goed.’ In plaats van een breakdown zochten we naar mogelijke hulpbronnen voor het pleeggezin. Er ontstond een energie waar ik ontroerd door raakte. Aan het eind van de vergadering vertelden de professionals dat ze nog van alles gingen doen om te onderzoeken of het kind toch in het pleeggezin kon blijven wonen.”

Beste plek voor kinderen

In de handreiking worden drie pijlers besproken (zie kader). In lijn met het begrip ‘zo thuis mogelijk opgroeien’ bevatten ze alle drie het woord ‘thuis’. Het is duidelijk waar het om draait: de beste plek voor kinderen is daar waar zij zich thuis (mogen) voelen. Of dat nu thuis in het eigen gezin is, in een vervangend thuis na een uithuisplaatsing of weer terug thuis in het eigen gezin na een verblijf elders.

 

Drie pijlers

In de handreiking Mijn Thuis gaat het om deze drie pijlers:

  1. Het allerliefst thuis.
    De beste hulp voor kinderen vindt plaats in het gezin, samen met alle gezinsleden en de mensen om het gezin heen, het netwerk.
  2. Dichtbij thuis.
    Soms is een uithuisplaatsing onvermijdelijk. Het is belangrijk dat kinderen op de nieuwe plek zo thuis mogelijk opgroeien. Dit betekent dat ze in de eigen leefomgeving blijven, dicht bij hun ouders en het liefst samen met hun broers en zussen. Soms groeien kinderen hier op tot aan zelfstandigheid.
  3. Weer thuis.
    Het doel van de hulp is dat kinderen weer thuis kunnen wonen als dat veilig en haalbaar is. Goede voorbereiding en nazorg
    zijn hierbij belangrijk.

 

Harmke Bergenhenegouwen

 

Blijvende steun

Uithuisplaatsingen zijn niet altijd te voorkomen. Er zijn situaties waarbij je de veiligheid van een kind alleen kan garanderen door een (tijdelijke) uithuisplaatsing. En toch, in de meeste situaties moet je inzetten op het thuis blijven wonen van het kind.

Marlies benadrukt het belang van een systemische, contextgerichte benadering. “Wat hebben de verschillende gezinsleden nodig? En wie zijn belangrijke anderen die iets kunnen toevoegen? In een achterstandswijk hebben ouders andere problemen dan ouders in een villawijk. Daarnaast hebben ze een heel ander netwerk. Begin bij het eigen netwerk van het gezin: familie, vrienden, verenigingen, sport, school. Wie kunnen meedenken en blijvende steun bieden aan het gezin? Zo bouw je aan een stevige ondersteuning om het gezin heen. Alles om te voorkomen dat het kind ergens anders geplaatst wordt.”

 

Huiselijke omgeving

Soms kan het niet anders en gaan kinderen toch (tijdelijk) ergens anders wonen. “Zorg dan voor een plek dichtbij thuis,” zegt Harmke. “Bijvoorbeeld bij grootouders of bekenden uit het netwerk, en soms in een pleeggezin of kleinschalig verblijf. In ieder geval moet dit een kleinschalige en gezinsgerichte plek zijn: een huiselijke omgeving waarin een kind kan wonen en leven. Zodat een kind zich geliefd en gezien voelt en zijn talenten kan ontwikkelen. En contact kan houden met zijn gezin van herkomst, ouders, broertjes en zusjes. Het is belangrijk dat een kind er onvoorwaardelijk kan wonen. Zodat doorplaatsingen echt stoppen en een kind niet steeds van de ene naar de andere plek verhuist.”

Dilemma

Het lijkt een dilemma: onvoorwaardelijk wonen in bijvoorbeeld een pleeggezin, terwijl je tegelijkertijd kijkt of een kind weer terug kan naar zijn gezin van herkomst.

Harmke vindt het belangrijk dat een kind zich op beide plekken thuis mag voelen. “Echt thuis voelen in het pleeggezin en echt thuis blijven voelen in het gezin van herkomst. En ‘terug naar huis’ betekent niet het definitieve afscheid van het pleeggezin. Het is fijn als er contact kan blijven bestaan. De kring van volwassenen die het kind liefhebben en het beste met hem of haar voor hebben, wordt uitgebreid, niet ingewisseld.”

In de handreiking staat dit beschreven als gedeeld opvoederschap2, de samenwerking tussen ouders aan de ene kant en opvoeders (pleegouders of gezinshuisouders) aan de andere kant.

Stoel

In de praktijk is gedeeld opvoederschap niet gemakkelijk. Al is het maar omdat ouders sterke gevoelens van verlies, rouw, boosheid of schuld kunnen ervaren. Zo vertelt een ouder in de handreiking (p. 28): ‘De pleegouders waren gelukkig ongelofelijk lief. Ze probeerden me zoveel mogelijk bij de opvoeding te betrekken. Maar of ik alles gelijk accepteerde? Dat ook niet. Ik was boos op de situatie, niet op de pleegouders. Als je dat niet inziet, ga je dat al snel afreageren op het pleeggezin.’

Het is goed als pleegouders zulke gevoelens begrijpen en erkenning geven aan de ouders. Marlies heeft een mooi voorbeeld. “Ik sprak een gezinshuisouder die vertelde over het bezoek van de ouders aan het gezinshuis. Het ging om ouders met een licht verstandelijke beperking die op visite kwamen toen hun kind jarig was. Zodra de ouders binnenkwamen in de huiskamer, stonden de gezinshuisouders allebei op en boden ze hun stoel aan hen aan. Vandaag waren de ouders belangrijk en mochten zij op hun stoel zitten. Symbolisch en ook systemisch gezien heel sprekend in de zin van ‘jij hoort op de stoel van de ouder’.”

Tips

Hebben jullie suggesties of tips voor pedagogen? Marlies wijst op het belang van informele steun. “Iedereen heeft steun nodig. Wie kan steun geven aan de kinderen en ouders van dit gezin, dit pleeggezin of gezinshuis? In de hulpverlening wordt daar vaak pas heel laat aan gedacht. Terwijl het bijvoorbeeld goed kan zijn dat een kind op voetballen zit, waar het vriendjes heeft en een coach die zijn talenten ziet.”

Harmke tipt: “Neem je eigen vanzelfsprekendheden onder de loep. Denk niet te snel bij zo thuis mogelijk opgroeien: ‘zo werken we al’. In de praktijk zijn er onuitgesproken verwachtingen, die vaak niet kloppen. Ga eens in gesprek met iedereen die ook werkt met het gezin waarbij jij betrokken bent, met de handreiking erbij. Ik verwacht dat er verrassingen boven tafel komen.”

 

 

tekst: Femmie Juffer


  1. Harmke Bergenhenegouwen en Marlies de Jong (2024). Mijn Thuis. Een handreiking over de visie van zo thuis mogelijk opgroeien. Nederlands Jeugdinstituut. www.nji.nl/publicaties/mijn-thuis
  2. Gedeeld opvoederschap, zie: www.nji.nl/pleegzorg/gedeeld-opvoederschap-van-ouders-en-pleegouders

juridische en beroepsethische vragen


 

Diagnose vereist of niet?

Orthopedagoog Piet krijgt de vraag om te kijken welke ondersteuning Chantelle (8) nodig heeft op school. Ze vertoont bijzonder gedrag in bepaalde situaties. School denkt aan autisme en geeft specifiek aan een classificerende diagnose nodig te hebben voor het inzetten van ondersteuning van Chantelle. Haar ouders hebben toestemming gegeven voor het onderzoek. Piet is gewend te werken met handelingsgerichte diagnostiek en vraagt zich af of een classificatie echt nodig is voor passende ondersteuning op school.

 

Lees meer

Wetgeving vereist geen classificatie of diagnose voor het recht op passende ondersteuning op school. Wel moeten de knelpunten in het functioneren van Chantelle duidelijk zijn en er moet een advies zijn voor school. Handelingsgerichte diagnostiek is hier een prima en afdoende methodiek voor.

Eis van school of samenwerkingsverband

In de praktijk vragen scholen of samenwerkingsverbanden nogal eens om een diagnose of classificatie, omdat ze menen dat dit noodzakelijk is voor passend onderwijs en dat wet- en regelgeving dit vereist. Dat is niet het geval.

Zorg van een goed pedagoog

Van belang is dat je als pedagoog niet iets doet wat niet noodzakelijk is. Dit hoort bij de zorg van een goed pedagoog. Dus geen (classificerende) diagnose stellen, als dat niet nodig is.

Redenen om terughoudend te zijn met diagnoses en classificaties zijn onder meer:

  • Door de focus op een diagnose, kun je de bredere blik op de context (wisselwerking en afstemming) verliezen, die nodig is om te bezien wat er echt aan de hand is.
  • Een diagnose kan kinderen onzeker maken, ‘Ik kan het niet, want ik heb…’.
  • Een diagnose/classificatie zegt niet veel over de eigenheid van dit kind, in deze context. Het ene kind met autisme is het andere niet.
    Belangrijker: het zegt niets over de ondersteuning op maat die een kind nodig heeft. Bovendien kan de ondersteuning die werkt voor het ene kind met autisme, in het uiterste geval zelfs schadelijk zijn voor een ander.
  • Een diagnose, specifiek een classificatie, doet geen recht ontstaan op ondersteuning.
  • De Jeugdwet en andere relevante wet- en regelgeving over passend onderwijs, vereisen geen classificatie.
  • Een diagnose is een stempel dat iemand een leven lang kan houden. Soms is dat passend, maar zeker niet altijd.
    .

Hoe te handelen

Van belang is om aan de school te vragen waar deze eis vandaan komt. Een antwoord als ‘Het staat in de wet’ is onvoldoende. Vraag dan expliciet naar waar dit staat. Meestal blijkt dat het een interpretatie is of dat die eis is vastgelegd in een protocol of samenwerkingsafspraak van school/samenwerkingsverband passend onderwijs (SWV). Door te vragen waar de eis vandaan komt, ontstaat er ruimte om samen te kijken waar de regels verkeerd geïnterpreteerd worden en wellicht de school te ondersteunen in het handelingsgericht denken.

Een protocol of samenwerkingsafspraak mag afwijken van wetgeving, maar niet ten nadele van de leerling. Een extra eis (zoals diagnose of classificatie) voor toegang tot ondersteuning is een verzwaring van de wettelijke eisen en dus niet toegestaan.

Orthopedagoog Piet

Voor extra ondersteuning is een formulering van onderwijs- en ondersteuningsbehoeften nodig. Hiervoor kan een diagnostisch beeld van Chantelle en haar context noodzakelijk zijn. Daarbij kan Piet onder meer kijken naar kenmerken van autisme en de eventuele ondersteuning die daarbij nodig is. Maar een diagnose of classificatie autisme hoeft hij niet te geven voor extra ondersteuning op school.

tekst: Mirthe Maessen


Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.

Piet en Chantelle heten in werkelijkheid anders.

Leestip Handelingsgerichte diagnostiek in de jeugdzorg en JGGZ (2024), Noëlle Pameijer, Arga Kramer en Nina Draaisma, Acco.

 

young professionals


 

Waar werk jij?

Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ’Waar werk jij?’ een kijkje in de verschillende keukens. Dit keer bij Janne Houben (36), sinds 2016 werkzaam als gedragsdeskundige in de gehandicaptenzorg en momenteel in opleiding tot orthopedagoog-generalist.

 

Lees meer
Janne Houben

Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?

“Binnen mijn werkveld zijn dat volwassenen met een verstandelijke beperking. Op de locatie waar ik aan verbonden ben, wonen mensen met een lichte tot matige verstandelijke beperking, die ook een complexe ondersteuningsbehoefte hebben.”

Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?

“Bij de pedagogisch psychologische dienst bij Abrona waar ik werk, bieden wij ondersteuning aan de woningen. Samen met de teamleider ben ik zorginhoudelijk verantwoordelijk voor wat er op de woning gebeurt en geef ik sturing aan het team. Als gedragsdeskundige waarborg ik het orthopedagogisch behandelklimaat binnen de woongroep. Dit houdt in dat ik het team van begeleiders adviseer en coach in hun werk met de cliënten.

Daarnaast zorg ik ervoor dat de beeldvorming rondom de cliënten duidelijk is, dit doe ik in samenwerking met andere disciplines. Denk aan de AVG-arts (arts verstandelijk gehandicapten), fysiotherapeut, ergotherapeut, logopedist, psychomotore therapeut en de afdeling diagnostiek en behandeling.

De laatste afdeling voert diagnostische onderzoeken en behandelingen uit op consultbasis. Als gedragsdeskundige meld je cliënten hier aan wanneer er een meer specifieke behandelvraag is. Bij deze afdeling werken ook orthopedagogen en (gz-)psychologen. Zij doen uitgebreid diagnostisch onderzoek en geven individuele behandelingen zoals cognitieve gedragstherapie of EMDR.”

Wat maakt dit werkveld zo leuk?

“Ik vind de cliënten ontzettend boeiend omdat ze vaak veel hebben meegemaakt. Het is telkens weer een puzzel om de cliënt goed te leren kennen en te ontdekken hoe we samen het beste aan diens behoeften kunnen voldoen. Wat me ook veel plezier geeft, zijn de onverwachte en grappige momenten. Zo was er onlangs een cliënt die heel vrolijk was omdat hij glas had weggegooid en het geluid van het glas in de glasbak ‘een héle harde boem’ maakte. Zulke momenten maken mijn dag, helpen mij om zaken te relativeren en om in het moment te zijn.”

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?

“De grootste uitdaging waar ik direct aan denk, is het tekort aan personeel. Dit is lastig en zorgwekkend voor onze cliënten. Voor hen is het essentieel om begeleiders te hebben die hen en de afspraken op de woning kennen. Dat geeft een gevoel van veiligheid. Hiervoor heb je continuïteit en betrokken begeleiders nodig. Voor mij als gedragsdeskundige is het een uitdaging om te werken met een team van begeleiders dat deels uit uitzendkrachten bestaat.

Een ander belangrijke uitdaging is het bewaken van professionele afstand. Het is cruciaal om je werk niet mee naar huis te nemen. Ook voor mijzelf is dit een uitdaging, omdat ik weet dat het werk nooit ‘af’ is. Het gaat om kwaliteit van leven van mensen, en daar kan altijd verbetering in worden aangebracht.”

Welke mogelijkheden zijn er voor specialisatie of verdere opleiding binnen dit werkveld?

“Veel! Je kunt de opleiding tot orthopedagoog-generalist volgen, wat ik iedereen zou aanraden, zeker binnen de gehandicaptenzorg. Als gedragsdeskundige werk je vaak systemisch, en deze opleiding sluit hier goed bij aan. Daarnaast zijn er verdiepingsmogelijkheden in thema’s, zoals ouder wordende cliënten, verslaving, moeilijk verstaanbaar gedrag of systemisch werken.

Je kunt je ook specialiseren in diagnostiek en behandeling, of verder scholen in cognitieve gedragstherapie en EMDR, behandelmethoden die veel worden toegepast binnen de gehandicaptenzorg.”

Hoe is de verhouding tussen directe cliëntenzorg en administratieve taken binnen dit werkveld?

“Mijn contact is voornamelijk met begeleiders en familie van cliënten. Direct contact met cliënten heb ik weinig, tenzij ik hen op de woning zie en spreek. De helft van mijn tijd besteed ik aan overleg met begeleiders en familie, de andere helft aan administratie. Zoals het schrijven van verslagen en het bijhouden van informatie in systemen. Ook geef ik feedback aan begeleiders op bijvoorbeeld ondersteuningsplannen.

Daarnaast ben ik actief betrokken bij het inhoudelijke beleid van de organisatie. Bijvoorbeeld hoe we de orthopedagogische behandelmethodiek Triple-C verder kunnen implementeren.”

Waarom zou jij dit veld aanraden aan andere pedagogen?

“Ik vind de gehandicaptenzorg bijzonder leuk vanwege de enorme diversiteit. Elke dag word ik verrast door de uitspraken van cliënten en de gebeurtenissen op de woongroep. Het werken met groepsdynamiek, zowel onder de cliënten als binnen het team, past goed bij mij. Bovendien is het samenwerken met andere disciplines erg leerzaam en inspirerend.

Het is een zelfstandige functie met veel verantwoordelijkheid. Je kunt je eigen dag indelen en zelf bepalen welke taken je wel of niet oppakt. Elke woning is anders en daardoor zal het me nooit vervelen. Ik heb het gevoel dat ik mezelf in dit werkveld kan blijven ontwikkelen; ik ben nooit uitgeleerd en blijf verrast worden.”

 

Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit specifieke werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je een loopbaan in dit werkveld kiest?

“Het is belangrijk om je te realiseren dat er een tekort aan personeel in de zorg zal komen, wat uitdagingen met zich meebrengt en veranderingen vereist. Het is altijd belangrijk om bij jezelf na te gaan of een werkveld bij jou als persoon past, maar wees niet bang om het gewoon eens te proberen! Het is een specifieke doelgroep die je raakt, of niet.

In dit werkveld zijn visie en doorzettingsvermogen essentieel. Je moet in staat zijn om een doel voor de cliënt voor ogen te hebben en de motivatie hebben om stap voor stap dichter bij dat doel te komen. Daarnaast denk ik dat lef, geduld en het vermogen om mensen te enthousiasmeren waardevolle eigenschappen voor een gedragsdeskundige in deze sector zijn.”

 

tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters


Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com

Ledennieuws: Blijf verbonden en op de hoogte


 

Als een vis in het water

Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.

 

Lees meer

Wat gaat de tijd toch snel! Dat realiseer ik me nu ik alweer een jaar voor de NVO werk. Ik verwonderde mij over alle belangen die er spelen in ons beroepsveld en hoe belangrijk het is om een stevig samen te werken met andere organisaties. Hoe deze organisaties naar elkaar kijken, maar ook hoe de NVO naar zichzelf kijkt.

Even een blik naar binnen: wat ik ontzettend fijn vind, is de sfeer op kantoor. Dat heeft te maken met de prettige inrichting, maar komt vooral door mijn collega’s; de warmte, humor, saamhorigheid en gedrevenheid. Het is een bepaald type mens dat bij de NVO werkt. Dit type past minder goed in de commerciële wereld, omdat het meer gericht is op betekenisvol zijn, service en maatschappelijke impact. Public service-gerichte medewerkers heten zij in wetenschappelijke literatuur.

Ook ik voel me als een vis in het water als public service-gerichte directeur en kan mijn werk alleen maar goed doen als mijn collega’s op kantoor hun werk ook goed kunnen doen. Dat is een van mijn belangrijke taken, zo heb ik gemerkt. Zonder mijn collega’s maken we geen impact, kunnen we de belangen van onze achterban niet behartigen, behalen we niet de resultaten die nodig zijn om de positie van pedagogen en onderwijskundigen te versterken. Kortom, chapeau voor mijn collega’s op werkvloer!

Judy Hoffer
directeur NVO

 

op de werkvloer


 

‘We krijgen vaak cliënten waarbij niets meer goed lijkt te gaan’

 

Lees meer
Charlotte Hornstra en collega’s op het hoofdkantoor van Humanitas in Nieuwegein. foto: Rianne den Balvert

NVO-lid Charlotte Hornstra (41) werkt bijna drie jaar bij Humanitas DMH Forensische Zorg in Rotterdam. Ze zit in het tweede jaar van de opleiding tot orthopedagoog-generalist.

“Mijn cliënten zijn volwassenen met een licht verstandelijke beperking en vaak bijkomende problemen, zoals psychiatrie of verslaving. De jongsten zijn begin twintig, de oudste is bijna  zeventig. Het zijn voornamelijk mannen. Ze komen via de reclassering bij ons voor een begeleidingstraject.”

“Wij helpen hen bij het weer op orde krijgen van hun leven. Zoals het vinden van een baan, het regelen van financiën, zoeken naar huisvesting, aanmelden voor een passend behandeltraject voor verslaving of ggz en omgang met familie en vrienden.”

Charlotte ondersteunt vooral de trajectbegeleider en trajectcoördinator.
“Zij zien de cliënten, ik meestal alleen bij de intake. Ik denk met hen mee over de beste begeleiding, houd de doelen in de gaten en het gedragswetenschappelijk perspectief. Daarnaast houd ik me bezig met beleidsvraagstukken.”

“We krijgen vaak cliënten waarbij niets meer goed lijkt te gaan, die echt geen idee hebben waar ze moeten beginnen om hun leven anders – en buiten de criminaliteit – in te richten. Het is mooi als het lukt dat zij weer structuur in hun leven krijgen en levenslust. Moeilijk is dat de doelgroep steeds zwaarder wordt, zowel qua delicten als problematiek naast lvb.”

 

Voorblad
redactioneel
interview
onderzoeksnieuws
pedagoog in opleiding
over de grens
Vrije rubriek
de promovendus
column
Vrije rubriek
pedagogiek & politiek
gegrepen
casus
gast
boeken &zo
de hoogleraar
opvoeders van nu
juridische en beroepsethische vragen
young professionals
ledennieuws
op de werkvloer