De Pedagoog is jarig! Precies tien jaar geleden – in het najaar van 2015 – verscheen het allereerste nummer. Even daarvoor nog overwoog de NVO om haar verenigingsblad NVO-Bulletin te vervangen door een digitale versie. Maar een enquête onder NVO-leden stak daar een stokje voor. Een overgrote meerderheid koos voor het behoud van een papieren tijdschrift, inmiddels jaargang 26! Met een grote groep mensen bedachten we toen de Pedagoog, als waardige opvolger van het Bulletin. Met veel meer pagina’s én met een formule. Veel rubrieken uit die begintijd bestaan nog steeds: het interview als opening, onderzoeksnieuws, de promovendus, casus, boeken &zo, gegrepen en op de werkvloer als hekkensluiter.
Lees meer
Coverfoto: Stille Strijd is een enorm beeld van kunstenaar SAZZA om het taboe op depressie en zelfdoding onder jongeren te doorbreken. Fotograaf: Aatjan Renders
De rubriek de hoogleraar is er later bijgekomen. In dit nummer spreekt hoogleraar Ondersteunende Communicatie Mathijs Vervloed de wens uit dat meer orthopedagogen kiezen voor zijn doelgroep: kinderen en jongeren met meervoudige aangeboren beperkingen, die zich vaak niet kunnen uiten en daarom vaak worden onderschat. Gebarentaal, pictogrammen, liedjes en spraakcomputers kunnen uitkomst bieden. ‘Ondersteunende communicatie is essentieel’, zegt orthopedagoog Maartje ten Hooven-Radstaake, die werkt met deze doelgroep in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Ze vertelt erover in de rubriek young professionals, op de pagina’s die – ook vanaf het begin – zijn ingeruimd voor het NVO-netwerk Studenten en Starters. In de rubriek casus laat Stichting het Gehandicapte Kind zien dat inclusief onderwijs goed mogelijk is, ook een wens van Mathijs Vervloed. Zij organiseren aparte Samen naar School-klassen voor kinderen met een beperking op reguliere basisscholen.
Vier rubrieken besteden aandacht aan (online) seksueel geweld. Opvoeders van nu gaat over het politieverhoor van kinderen over seksueel misbruik. Gastschrijver Asli Karaman organiseert in Turkse moskeeën workshops voor moeders en jongeren over de gevaren van online shame sexting. Redactielid Bart van Gent vertelt in pedagoog in de klas over de ‘knuffelmeester’ op de school van zijn jongste. En in onderzoeksnieuws over het schrikbarend hoge aantal jongeren dat te maken heeft met online seksueel geweld en wat de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek daar de komende jaren aan gaat doen.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Renske Gilissen is onderzoeksleider bij 113 Zelfmoordpreventie. In elf jaar tijd groeide haar afdeling uit tot 35 onderzoekers. Die kijken bij wie zelfdoding het meest voorkomt en hoe we het kunnen voorkomen. Vorig jaar is zij benoemd tot bijzonder hoogleraar Suïcidepreventie bij de Universiteit Leiden en in mei hield ze haar oratie.
Lees meer
Eigenlijk zouden we elkaar treffen op het kantoor van 113 Zelfmoordpreventie in Amsterdam, maar daar is net een verbouwing aan de gang. De organisatie is uit haar jasje gegroeid en krijgt er een hele nieuwe verdieping bij. Vanwege de geluidsoverlast is de hulplijn – waar dagelijks tussen de 500 en 700 telefoontjes en chats binnenkomen, vooral van jongeren en jongvolwassenen – verplaatst naar een ander gebouw. De andere medewerkers is gevraagd zoveel mogelijk thuis te werken.
Renske Gilissen (Delft, 1977) heeft me uitgenodigd op de Universiteit Leiden. Aanleiding voor ons gesprek is haar oratie,1 en de laatste CBS-cijfers. Die laten een stijging zien van het aantal suïcides onder jongeren, vooral onder jonge vrouwen. Het is de belangrijkste doodsoorzaak. Ondanks meer preventiemaatregelen. Een verklaring heeft ze niet zo een, twee, drie.
“Het enige wat ik met zekerheid kan zeggen is dat er niet één verklaring voor is. Suïcidaliteit is complex, helaas. Daarom is er ook niet één oplossing. Wel is het zo dat we niet alleen in Nederland, maar ook in Engeland, Ierland en Australië een toename zien onder jongeren, specifiek onder jonge vrouwen.”
“We moeten niet vergeten dat zelfdoding nog steeds het meest voorkomt bij mannen van middelbare leeftijd, vaak zonder werk. Maar de stijging onder jongeren is echt een zorgelijke ontwikkeling. In Nederland gaat het om vijf zelfdodingen per dag en één daarvan is een jongere. Helaas zien we deze stijging ook bij jongeren die met zelf toegebracht letsel bij de eerste hulp terecht komen.”
Hoewel er niet één verklaring is voor de stijging van zelfdodingen onder jongeren, is er wel meer bekend om welke jongeren het gaat.
Renske Gilissen: “Als we naar de CBS-data kijken, dus naar alle zelfdodingen onder jongeren, zien we opvallend veel schoolverlaters. Van de twintigers is dat zeker de helft. In een ander onderzoek hebben we jongeren zelf gevraagd waardoor hun suïcidale gedachtes zijn gekomen. Heel vaak gaat het om jongeren met een bepaalde kwetsbaarheid, met een jeugdtrauma of psychische problemen, vaak langdurig. Dat laatste zien we vooral bij jonge vrouwen. Daar komen externe stressfactoren bij. Zoals prestatiedruk, relatieproblemen, het gevoel er niet bij te horen, toenemende eenzaamheid of financiële problemen. Het is dus een mix van verschillende problemen, die bij de een weer anders is dan bij de ander.”
Renske Gilissen promoveerde in 2008 bij Pedagogische Wetenschappen in Leiden op onderzoek naar angst bij kinderen. Daarna deed ze bij GGD Haaglanden in Den Haag onderzoek naar dakloosheid en huiselijk geweld. Daar is ze zo’n beetje in het suïcidepreventie-onderzoek gerold.
“Er kwamen veel mensen, veel jongeren ook, op de spoedeisende hulp terecht na een suïcidepoging. Daar deden ze onderzoek naar. Vervolgens ben ik bij het Centraal Bureau voor de Statistiek gaan werken, met de opdracht om meer inzicht te krijgen wie er precies overlijden aan zelfdoding. De gegevens van alle mensen in Nederland die hieraan overlijden ben ik toen gaan koppelen aan andere CBS-gegevens, zoals alleenstaand of niet, met of zonder werk, hoogte van het inkomen. Zo konden we heel goed zien bij wie het nu het meest voorkomt. Dat was in 2013.”
“Toen ik mijn werk presenteerde op een conferentie in Oslo kwam de oprichter van 113 Zelfmoordpreventie Jan Mokkenstorm op me af. Hij zei: ‘Jij moet bij 113 komen werken en neem die data mee.’ Dat heb ik meteen gedaan en ben echt vol gegaan voor suïcidepreventie.”
De afgelopen jaren is 113 Zelfmoordpreventie – opgericht in 2009 – uitgegroeid van een telefonische hulplijn met een paar hulpverleners tot hét suïcide-preventiecentrum van Nederland. Naast de druk gebelde hulplijn is er een communicatieafdeling. Die heeft er onder andere voor gezorgd dat je na elk nieuwsbericht over zelfdoding leest: ‘Heb je vragen? Bel 113.’ En die zorgt voor publiekscampagnes om het taboe rond suïcide te doorbreken, zoals momenteel de campagne voor ouders Praat er niet omheen. De afdeling programma’s stuurt allerlei interventies het land in. En er is een grote onderzoeksafdeling. Hier richten 35 (!) onderzoekers, onder leiding van Renske Gilissen, zich op de vraag: bij wie komt zelfdoding het meest voor en hoe kunnen we het voorkomen?
Renske Gilissen begon haar oratie met een voorbeeld van een dertienjarige jongen die last had van sombere periodes en soms aangaf niet meer te willen leven. Toen hij zichzelf begon te beschadigen, is de huisarts ingeschakeld en die verwees hem door naar de ggz. Vervolgens is hij acht maanden van het kastje naar de muur gestuurd, van de basis-ggz die hem ‘te zwaar’ vond, naar de specialistische ggz die hem ‘te licht’ vond, en weer terug naar de huisarts.
“Helaas is het vinden van passende hulp een groot probleem”, zegt Renske Gilissen. “Dat horen we ook terug in ons onderzoek onder nabestaanden. Die stellen we allerlei vragen over de laatste jaren, maanden en dagen voor de zelfdoding. Het is super zorgelijk, want juist jongeren met suïcidale gedachtes hebben toch al het gevoel er niet bij te horen. Dat wordt alleen maar versterkt als er ook niemand is om je te helpen. Daarom is het zo belangrijk dat er een netwerk om die jongeren heen komt en ze niet tussen wal en schip vallen.”
Suïcidegedachtes zijn soms zelfs een reden om zorg af te houden, vertelt Renske Gilissen. “Het is soms een contra-indicatie, bijvoorbeeld omdat er geen 24-uurs crisiszorg is en wat doe je dan als mensen een poging doen? Daar doen we nu aanvullend onderzoek naar. Ik denk dat er meer kan en er bijvoorbeeld samenwerking gezocht kan worden met crisisdiensten. Maar passende hulp hoeft niet perse allemaal van de ggz te komen. Vanwege de lange wachtlijsten kan dat ook niet. Bovendien is 60 procent van de mensen die overlijden door suïcide helemaal niet in beeld bij de ggz.”
Er ontstaan gelukkig steeds meer laagdrempelige initiatieven, zoals ervaringsdeskundigen die elkaar helpen en inlooppunten. “Verder kunnen jongeren natuurlijk altijd terecht bij 113 voor gesprekken en online coaching, ook als ze niet in zorg zijn. Want vaak zijn gesprekken al het begin van hulp. Dat horen we bijna altijd terug van mensen die suïcidaal zijn geweest en later niet meer: Eindelijk was er iemand die mij serieus nam, bij wie ik mijn verhaal kwijt kon en die echt heeft geluisterd.”
Omdat suïcidaliteit zo’n complex probleem is, moet je eigenlijk heel veel tegelijk doen om het te verminderen, zegt Renske Gilissen. “Bij 113 richten we ons, in navolging van de WHO, op drie niveaus. Universeel, dus voor iedereen, op risicogroepen en op de zorg. Voor jongeren zijn er verschillende interventies die scholen kunnen inzetten, of zouden móeten inzetten. Meerdere onderzoeken laten zien dat één op de vijf jongeren suïcidegedachtes heeft. Zo’n groot aantal kun je niet negeren.”
“Een belangrijk programma is STORM. Daarin worden jongeren in de tweede en vierde klas van de middelbare school gescreend op somberheid en depressie. En álle leerlingen nemen deel aan een mentaal weerbaarheidsprogramma. Als uit die screening blijkt dat leerlingen inderdaad depressief zijn of suïcidale gedachtes hebben, krijgen zij nog een specifiek programma. Dat onderzoeken wij ook op effectiviteit.”
Er moet extra aandacht zijn voor risicogroepen, zegt Renske Gilissen. Zoals voor jongeren met meerdere psychische problemen en schoolverlaters. Wat betreft de zorg wijst ze op de Richtlijn suïcidaliteit. “Die wordt lang niet altijd nageleefd. Belangrijk hierin is het veiligheidsplan,2 dat je samen maakt met jongeren, hun naasten en ouders. Zodat iedereen weet wat helpt als iemand in een crisis komt, of suïcidaal is. Bij de een is dat naar bepaalde muziek luisteren, bij de ander een rondje lopen en bij weer een ander iemand bellen.”
De website van 113 Zelfmoordpreventie biedt een schat aan informatie over wat te doen als mensen kampen met suïcidegedachtes. En voor verschillende doelgroepen, zoals scholen, ouders en hulpverleners.
“Als je een kind signaleert op school dat zichzelf snijdt en aangeeft ‘ik wil dood’, moet je echt zorgen voor een netwerk rondom die leerling. Zorg dat de ouders het weten, de vertrouwenspersoon en de huisarts, zodat die leerling nergens doorheen glipt. En een kind niet ergens naartoe sturen waar het op een wachtlijst komt en er vervolgens niks gebeurt. Van zo’n netwerkaanpak staan er goede voorbeelden op de website, helemaal uitgeschreven. Net zoals een preventieprotocol, met stappen die een school kan nemen als daar een suïcidepoging is geweest. Gelukkig gebeurt dat niet vaak, maar het is belangrijk om te weten dat daar – en zeker bij jongeren – imitatiegedrag bij kan horen. Dat wil je voorkomen.”
Als het aan Renske Gilissen ligt besteden alle scholen in Nederland aandacht aan mentale gezondheidsbevordering, in elke klas. “Internationaal wordt dat ook bepleit. Het hoeft dan niet eens per se te gaan over suïcidaliteit, maar over het omgaan met problemen, wat je dan kunt doen en dat somberheid bij het leven hoort. Net zoals we seksuele voorlichting geven op scholen, zouden we dat ook moeten doen met mentale gezondheid. In ons onderzoek onder jongeren met suïcidale gedachtes horen we heel vaak de verzuchting: Hadden we daar maar meer les over gehad!”
“Wat die jongeren ook zeggen, is: Praat erover met ons! Maar doe dat wel op de goede manier. Onderzoekers uit het Verenigd Koninkrijk zien dat jongeren veel meer onder elkaar zijn gaan praten over hun problemen. Zeker jonge meiden. Maar als zij alleen maar met elkaar praten, is dat niet per se een goede ontwikkeling, want vaak praten zij elkaar nog dieper de put in. Dat zie je vooral op sociale media en in klinieken. Erover praten moeten we zeker blijven doen, maar dan wel met een volwassene erbij.”
Praten over zelfdoding is vaak het begin van een oplossing. “Praten kan levens redden”, zegt Renske Gilissen. Maar erover beginnen is lastig, voor beide partijen.
“Voor iemand met suïcidegedachtes is het vaak moeilijk, je wilt niemand tot last zijn. Het is überhaupt moeilijk om over je eigen problemen te praten, laat staan over suïcidaliteit. Het is ook moeilijk voor de mensen die ernaast staan, met name omdat ze niet weten wat ze kunnen doen als iemand die gedachtes inderdaad blijkt te hebben. Mensen willen graag meteen oplossingen bieden, maar een eerste oplossing is al écht luisteren. Dus eigenlijk moet je op je handen blijven zitten en luisteren, luisteren, luisteren… en doorvragen. Hoe je zo’n gesprek kunt voeren en wat je beter wel en niet kunt doen, kun je leren bij onze online training Vraag maar! 3 Die duurt een uurtje en is gratis.”
De komende jaren ligt de focus van haar onderzoek op de combinatie van verschillende interventiemaatregelen: welke zijn het meest effectief?
“Een voordeel is dat per 1 januari 2026 de Wet integrale Suïcidepreventie ingaat. Dan moet Nederland nationaal en op gemeentelijk niveau met suïcidepreventie aan de slag. Wij raden dan aan om een aantal interventies in te zetten. Je zult verschillen krijgen per gemeente, waarbij sommige gemeentes sneller gaan dan andere. Je hebt immers niet automatisch alle ziekenhuizen, zorg- en onderwijsinstellingen mee. In zo’n natuurlijk onderzoekexperiment kunnen we gemeentes met elkaar vergelijken en zien we hopelijk bij
gemeentes waar er meer in de praktijk gebeurt ook een daling in het aantal suïcides.”
![]()
Tot haar verdriet maakt suïcidepreventie nog geen vast onderdeel uit van de opleidingen pedagogiek, wat nu wel het geval is bij psychologie.
“Wat mij betreft zouden pedagogen zeker een training suïcidepreventie moeten doen, om te weten hoe je er een gesprek over kan voeren met een kind en hoe je moet handelen. Dat het belangrijk is om ouders daarin te steunen, hen te leren bijvoorbeeld dat zij de suïcidale gedachtes van hun kind serieus moeten nemen en suïcidaliteit niet wegwuiven. En om tips te kunnen geven aan ouders hoe daarmee om te gaan. Pedagogen en andere professionals raad ik aan om onze Gatekeepertraining te volgen. Die is niet online maar fysiek en uitgebreider dan de Vraagmaar-training. De training zet in op het signaleren van mogelijke gedachtes aan zelfdoding en op gespreksvaardigheden.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Kees Winkelman
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Peter Hoffenaar & Bart van Gent
Lees meer
Fonds Slachtofferhulp wilde met onderzoek naar online seksueel misbruik en online seksuele intimidatie een ijsberg blootleggen en liet Ipsos een onderzoek uitvoeren dat in mei is gepresenteerd. Volgens het onderzoek De onzichtbare werkelijkheid blootgelegd, waarbij 2.700 Nederlandse jongeren tussen de 12 en 25 jaar gevraagd is naar hun ervaringen, heeft de helft ooit online seksueel misbruik en/of online seksuele intimidatie meemaakt. Voor heel Nederland gaat het om ongeveer 1,5 miljoen jongeren, waarvan 700.000 tot 800.000 hier in het afgelopen jaar mee te maken hadden.
Om grip op de cijfers te krijgen is er een publieksrapportage en het onderzoek zelf. De boodschap in de publieksrapportage is duidelijk. Het onderzoek zelf riep wel vragen op, maar soms is een duidelijke boodschap gewoon nodig om in actie te komen. In de conclusie van de publieksreportage wordt gesteld dat online seksueel misbruik en online seksuele intimidatie maatschappelijke problemen zijn waarvoor we als samenleving gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. ‘We moeten de realiteit onder ogen zien en daarnaar handelen.’ Een call for action dus.
Gelukkig kwam er vanuit de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) een jaar eerder al een call for proposals. Als onderdeel van de Nederlandse Wetenschapsagenda (NWA) is er de komende vijf jaar bijna drie miljoen euro beschikbaar gesteld voor het programma ‘Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (SGOG) – naar een effectieve en preventieve aanpak’. Het doel: achterhalen wat werkt om (on- en offline) seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld zoveel mogelijk te voorkomen, om vervolgens effectieve interventie- en preventiestrategieën te ontwikkelen.
Deze handschoen is opgepakt door een zeer uitgebreid consortium onder leiding van pedagoog en socioloog Daphne van de Bongardt, hoogleraar Relationele en seksuele ontwikkeling, educatie en gezondheid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij kreeg met haar consortium T@ckle (Transdisciplinary Analysis and Co-creation of Knowledge to Lead Efforts against Online and Offline Sexually Transgressive Behaviour and Sexual Violence) in april de subsidie toegekend.
Het project van T@ckle heeft een vijfledige aanpak gericht op verschillende sociaal-ecologische niveaus (zowel individueel als sociaal):
Het consortium richt daarnaast een landelijk SGOG-netwerk op. Actie is belangrijk, onderzoek ook. Dit consortium tekent voor allebei. Wordt vervolgd.
Collaborative and Proactive Solutions (CPS) is een manier om samen met je opstandige kind de lont uit het kruitvat te halen – vóórdat de boel ontploft en je als ouder met de brokstukken zit. Psycholoog Ross Greene schreef een populair boek over deze aanpak. Het explosieve kind kent inmiddels een vierde editie en staat al bij meer dan 15.000 gezinnen in de kast. Een tevreden ouder schreef een positieve review: ‘de aanpak die aangedragen wordt, geeft je direct het gevoel dat dat de juiste is.’
Maar is het wel altijd verstandig om te kiezen voor praten en samen naar oplossingen zoeken? Of is het effectiever als ouders zelf de regie houden? In dit onderzoek van Dedousis-Wallace en collega’s kregen ouders van kinderen met dwars en opstandig gedrag óf een training in de klassieke aanpak van straffen en belonen (ook wel Parent Management Training of PMT genoemd) óf een training in de CPS-methode. Beide trainingen zorgden voor een ongeveer even sterke afname van het opstandige gedrag. Het maakt dus weinig uit waar je voor kiest. Maar één groep ouders leek toch beter af met de methode van Ross Greene. Bij ouders die vooral zagen wat hun kind verkeerd deed – en weinig oog hadden voor hun eigen rol – werkte CPS beter dan het sturen van het gedrag met behulp van leertheoretische principes.
Waarschijnlijk omdat CPS ouders helpt in te zien dat het gedrag van hun kind voortkomt uit onvermogen in plaats van kwade opzet. Vermoedelijk zien zij niet langer iemand die steeds dwars wil liggen, maar een opgroeiend kind dat hulp nodig heeft. En als je dat als ouder doorhebt, blijken kinderen best met jou te willen puzzelen op een oplossing.
Dedousis-Wallace, A., Drysdale, S. A. O., McAloon, J., Murrihy, R. C., Greene, R. W., & Ollendick, T. H. (2025). Predictors and Moderators Two Treatments of Oppositional Defiant Disorder in Children. Journal of Clinical Child and Adolescent Psychology, 54(1), 67–82. doi.org/10.1080/15374416.2022.2127102
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Het eerste jaar zit erop! Wat was het superinspirerend, maar ook vermoeiend met de gebruikelijke ups en downs. Een dergelijke opleiding vraagt wat van je werk- en privésituatie en zorgt voor een vol hoofd; de afgelopen weken leek het einde nog ver weg te liggen. Opeens is het eerste jaar voorbij en zijn we al op de helft.
Afgelopen studiejaar hebben we drie KBS (Kenmerkende BeroepsSituatie)-toetsen afgerond: een gesprek waarbij je als orthopedagoog-generalist een besluit neemt, waarbij je nog niet de volledige informatie hebt; een cliëntoverleg voorzitten en een beleidsstuk schrijven. Dit laatste maak ik over het actief betrekken van de jeugdigen in het gezinshuis. Als organisatie hebben wij een primair proces over het wonen en monitoren van de jeugdigen in het gezinshuis. Natuurlijk wordt met de jeugdigen besproken wat zij vinden, maar ik zou ze daarin actiever willen uitnodigen, zodat we het wonen en begeleiden voor hen zo prettig maken en we aansluiten bij hun behoeften.
Dit studiejaar ga ik de overige drie KBS-en uitvoeren: het schrijven van een column, van een recensie over een wetenschappelijk artikel en het geven van een referaat. Afgelopen studiejaar heb ik een cursus over ‘gender’ gevolgd. Er is steeds meer om te doen en mij was er weinig over bekend. Ik zag gender als iets binairs en snapte niet hoe het een spectrum kon zijn. Na het lezen van het eerste artikel begreep ik al zoveel meer. Ik werd enthousiast en wil deze kennis graag delen met collega’s en ook meegeven wat de variaties zijn in diagnostiek en behandeling. Daarom ga ik mijn referaat houden over genderdiversiteit en genderdysforie. De KBS-en zijn gebaseerd op het beroepscompetentieprofiel orthopedagoog-generalist van de NVO.
De eerste groepssupervisie is afgerond. Van de supervisor hebben we alle drie een dier gekregen dat haar aan ons deed denken. Ik kreeg een koala, vanwege mijn rust en zachtheid. Het wonderlijke is dat dit oprecht mijn spirit animal is. Dat wist de supervisor niet; een heel waardevol geschenk.
In de groepssupervisie hebben we ook de casusbeschrijving doorgenomen. Het blijft toch weer even inkomen en wennen, omdat je al jaren vanuit je eigen organisatie op een bepaalde manier diagnostiek en behandeling doet en je in een dergelijke casus alle
stappen weer bewust moet opschrijven en uitwerken. Uiteindelijk is het inzichtgevend, maar op sommige momenten vond ik het wel pittig.
Naast twee groepssupervisietrajecten volgen we ook een (kort) individueel supervisietraject. Hier ben ik recentelijk mee begonnen en ook daar vallen weer nieuwe puzzelstukjes op hun plek. Door al deze nieuwe kennis en inzichten over mijzelf samen te voegen, begin ik mij sterker te voelen als orthopedagoog-generalist.
Het is heerlijk om even vakantie te hebben gehad en vol goede moed weer te beginnen. Nu start ik met CGT (Cognitieve GedragsTherapie). Ik hoop de volgende keer uit te kunnen leggen waarom deze cursus nuttig is in de opleiding tot orthopedagoog-generalist.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Sensorische informatieverwerking boeit me al lang. Daarom zocht ik de afgelopen jaren regelmatig de samenwerking met kinderergotherapeuten op. Ik kreeg het idee dat hun vakgebied veel meer inhoudt dan waar ik, en wellicht andere pedagogen, weet van hebben. Hoog tijd om eens een kijkje te nemen over de grens van onze eigen discipline.
Lees meer
Jantine Mens-Theuns (links) en Isabelle Vogel-Tijl (rechts)
Op een zonnige maandagmorgen ga ik via Zoom in gesprek met Isabelle Vogel-Tijl. Zij is kinderergotherapeut en ruim twaalf jaar, samen met Jantine Mens-Theuns, de praktijkhouder van LEF in de regio Rijnmond. LEF is een kinderergotherapiepraktijk gespecialiseerd in complexe eerstelijnszorg, met veel kennis over sensorische informatieverwerking, (co)regulatie bij prematuur en dysmatuur geboren kinderen, slaap- en voedingsproblemen, ontwikkelingsachterstanden, verstandelijke beperking, ASS en gedrags- en emotieproblemen.
Voor ik Isabelle spreek, lees ik me in over (kinder)ergotherapie. Een ergotherapeut helpt mensen om zo zelfstandig mogelijk te functioneren, ondanks fysieke of psychische beperkingen. Een kinderergotherapeut kijkt specifiek naar de ontwikkeling van kinderen
op gebieden als sensomotoriek, cognitie, spraak-taal, sociaal-emotionele ontwikkeling en spel. Wanneer er drempels zijn in deze ontwikkeling, helpt de ergotherapeut het juiste pad terug te vinden. Dit gebeurt handelings- en contextgericht, vanuit een helicopterview. Verrassend herkenbare termen voor de pedagoog. Waar ik kinderergotherapie eerder associeerde met hulpmiddelen en motoriek – een soort fysiotherapie-plus – blijkt de werkelijkheid veel breder en rijker.
Het verschil tussen kinderfysiotherapie en kinderergotherapie zit ‘m volgens Isabelle in de insteek. “Een fysiotherapeut
werkt functiegericht: als een kind een bal niet goed kan vangen, wordt er gewerkt aan oog-handcoördinatie.
Als een kind moeite heeft met traplopen, wordt er geoefend op traplopen zelf.”
Een kinderergotherapeut kijkt naar het waarom achter het probleem. “Waarvoor is het traplopen nodig? Wat belemmert het kind? Wie kan helpen om belemmeringen te overwinnen? Is er angst voor hoogtes, visuele overbelasting, een gebrek aan overzicht? En wat is de betekenis van die activiteit in het dagelijks leven van het kind?” Zo zoekt de kinderergotherapeut naar de onzichtbare grenzen die de ontwikkeling belemmeren – in het kind zelf, maar ook in de omgeving.
“Maar is het geen kwestie van óf-óf,” zegt kinderergotherapeut Isabelle. “Juist de samenwerking met functiegerichte disciplines, zoals de fysiotherapeut of logopedist, is waardevol. Soms is gericht oefenen essentieel. Maar wij kijken altijd naar het grotere plaatje en hoe een kind in zijn dagelijks leven tot handelen komt.”
Kinderergotherapeuten zijn gefocust op onzichtbare belemmeringen en op het scheppen van voorwaarden voor ontwikkeling. Denk aan eten, slapen, praten, bewegen en spelen. Zij werken dan ook regelmatig samen met logopedisten, diëtisten, fysiotherapeuten,
pedagogen en psychologen. Ergotherapeuten kun je bijna overal tegenkomen – van verzorgingstehuis tot wooninstelling, school, ziekenhuis of een eigen praktijk. Isabelle zelf werkt voornamelijk bij gezinnen thuis en op scholen. Zo krijgt ze goed zicht op factoren die samenhangen met de ontwikkelingsstagnatie en kan ze samenwerken met het systeem om het kind heen, vertelt ze.
In mijn werk als orthopedagoog-generalist merk ik dat op scholen de afgelopen jaren steeds meer hulpmiddelen worden ingezet om problemen met sensorische prikkelverwerking tegen te gaan. Zoals koptelefoons en wiebelkussens. Hoe kijkt Isabelle hier tegenaan?
“We vergeten dat hulpmiddelen ook lastmiddelen kunnen worden. Je went eraan, raakt er afhankelijk van, en soms vergroten hulpmiddelen juist de stress. Als je je oren afschermt met een
koptelefoon, kunnen ze overgevoelig worden voor geluid. Zet je die koptelefoon weer af, dan komt alles extra hard binnen.”
Haar uitgangspunt is: zoek eerst naar wat in het kind zelf aanwezig is. “Wat een kind zélf kan reguleren, raakt het niet kwijt.” Isabelle benadrukt dat het vooral maatwerk blijft. Scholen en begeleiders gaan volgens haar te makkelijk voorbij aan het specifieke sensorische profiel van een kind en de zoektocht waarbij het kind gebaat is.
De raakvlakken tussen ergotherapie en (ortho)pedagogiek zijn groot, maar juist de verschillen maken samenwerking krachtig. Isabelle vertelt over haar samenwerking met een orthopedagoog rondom een volwassen cliënt met het syndroom van Down. De vrouw had zoveel last van tics, dat ze nauwelijks tot handelen kwam. Samen met de orthopedagoog verdiepte Isabelle zich in het levensverhaal van de cliënt, de medische achtergrond, prikkelverwerking en de dynamiek op de groep. Isabelle richtte zich op sensomotoriek, prikkelverwerking en uitlokkende factoren. De orthopedagoog maakte de vertaalslag naar de begeleiding op de groep.
“Samen hebben we hypotheses opgesteld, de cliënt beter leren begrijpen en uiteindelijk konden we passende interventies inzetten. Die samenwerking heeft tot mooie resultaten geleid.”
tekst: Rianne Manenschijn
“Mijn dag start met een huisbezoek aan een jongetje van 2,5 jaar met een syndroom en ontwikkelingsachterstand. Hij gebruikt zijn handjes nauwelijks, dus ik begeleid de ouders in hoe ze hem kunnen stimuleren tot meer handgebruik. En ik help bij het ondersteunen van zijn zelfregulatie.
Daarna observeer ik een jongen met een stofwisselingsziekte op de basisschool. Hij vertoont veel prikkelzoekend gedrag. Samen met de leerkrachten denk ik mee over manieren om hem gericht meer prikkels aan te bieden, zodat hij minder zelf hoeft te ‘zoeken’.
Vervolgens ga ik langs bij een prematuur geboren baby van 1 jaar met eetproblemen. Met de ouders onderzoek ik hoe we stapjes kunnen zetten in wat het kindje eet en durft te proberen. Ook kijken we naar hun pedagogische aanpak rond het eetmoment.
In de middag werk ik met een jongen van 8 jaar met ASS en een ontwikkelingsachterstand. Via de floorplay- en floortimemethodiek richten we ons op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en communicatie. De dag sluit ik af met een afspraak bij een meisje met cerebrale parese. Hier help ik met praktische aanpassingen, zoals het aanvragen van een aangepaste kinderstoel.”
Meer lezen over Isabelle’s methodieken?
Bij het keuzevak Interculturele Pedagogiek leerde ik dat de wetenschappelijke betekenis van integratie anders is dan de maatschappelijke en politieke. Dertig jaar later is dit verschil in betekenisgeving aan de orde van de dag. Een artikel over de integratieparadox in Nederland wekte mijn interesse. Moeten we anders naar integratie kijken?
Lees meer
In het maatschappelijke en politieke debat heeft het woord integratie een normatieve lading. Er heerst een sterk idee van mislukte integratie: kinderen van migranten (de zogenaamde tweede generatie) zouden, hoewel ze in Nederland geboren en opgegroeid zijn en onderwijs hebben genoten, net zo weinig geïntegreerd zijn als hun ouders. De aanname is dat de verantwoordelijkheid voor integratie bij migranten en hun kinderen ligt.
Wetenschappers kijken ook naar het gedrag en de houding van mensen zonder migratieachtergrond; integratie is een proces tussen verschillende groepen. Als de ongelijkheid tussen migranten en niet-migranten afneemt, en wanneer zij vaker met elkaar in contact komen, neemt de integratie toe. Integratie is dus een tweezijdig proces: het verbetert als migranten de Nederlandse taal leren en zich verbonden voelen met Nederland, en verzwakt als mensen met een migratieachtergrond worden gediscrimineerd en daardoor bijvoorbeeld moeilijker werk vinden.
CBS-cijfers laten zien dat de tweede generatie een veel betere structurele positie heeft dan hun ouders: hoger opleidingsniveau en grotere arbeidsparticipatie. Ook zijn zij sterker sociaal-cultureel geïntegreerd dan hun ouders. Ze beheersen de Nederlandse taal beter, hebben meer sociale contacten en vriendschappen met mensen zonder migratieachtergrond, identificeren zich vaker als ‘Nederlander’ en hun waarden en normen zijn meer ‘Nederlands’.
Zowel de instrumentele als de sociale integratie is dus toegenomen. Echter, aangezien integratie een tweezijdig proces is, moet je ook kijken naar de rol van mensen zonder migratieachtergrond. Hiertoe wordt experimenteel onderzoek gedaan naar discriminatie op grond van herkomst, bijvoorbeeld naar vergelijkbare sollicitatiebrieven voor dezelfde vacature. Dit soort onderzoek loopt al tientallen jaren in Nederland en andere westerse landen, en steeds blijkt dat discriminatie aanzienlijk is en op veel verschillende terreinen voorkomt: van de arbeidsmarkt, stageplekken, rechtspraak tot het aanvragen van een hypotheek en het uitgaansleven.
Studies tonen bovendien aan dat discriminatie de afgelopen decennia niet minder is geworden. Daarbij speelt het huidige politieke klimaat, weerspiegeld in het publieke debat, een rol. Een aanzienlijk deel van migranten en hun kinderen, vooral moslims, hebben te maken met kwetsende opmerkingen en agressie. Tweede generatie jongeren vinden vaker dan hun ouders dat discriminatie veel voorkomt in Nederland. Ook voelen zij zich niet goed vertegenwoordigd door het parlement en hebben zij minder vertrouwen in de regering dan hun ouders.
Deze tegenstrijdige situatie, waarin beter geïntegreerde migranten juist meer discriminatie en uitsluiting ervaren, heet de integratieparadox.1 Een belangrijke verklaring is dat hoger opgeleide migranten zich meer bewust zijn van sociale ongelijkheid en discriminatie. Door hun betere kennis van de taal en samenleving herkennen zij sneller wanneer ze ongelijk worden behandeld of uitgesloten. Bovendien hebben zij vaker contact met mensen zonder migratieachtergrond, wat de kans op het ervaren van discriminatie vergroot.
Het referentiekader van jongeren uit de tweede generatie speelt ook een rol. Hun ouders vergelijken hun positie vaak met hoe hun situatie zou zijn geweest in hun land van herkomst, en meestal valt die vergelijking positief uit. Hun kinderen vergelijken zichzelf vooral met klasgenoten en collega’s zonder migratieachtergrond; hierdoor zijn zij zich sterker bewust van achterstelling en ongelijke behandeling. Het ervaren van discriminatie en uitsluiting heeft niet alleen gevolgen voor het welbevinden van migranten, maar ook voor de hele samenleving. Wie zich afgewezen voelt, voelt minder binding met de maatschappij, en dit heeft gevolgen voor je identiteit.
De integratieparadox zie je terug in de media. Volkskrant-redacteur Hassan Bahara schrijft in april 2025 dat opgroeien in Nederland hem dit heeft geleerd: ‘Alles wat een Marokkaanse Nederlander flikt, kan ook mij worden aangerekend.’ Hij beschrijft de impact van de eenzijdige berichtgeving, die vooral gericht lijkt op meningen en minder op de feiten, en hoe hij de taal als verwondend ervaart.2 In oktober 2024 bericht de Volkskrant dat weggaan uit Nederland onder hoogopgeleide moslims in Nederland steeds vaker onderwerp van gesprek is. Geïnterviewde moslims verwijzen naar het vijandige klimaat: ‘Hier kijken mensen op me neer omdat ik een hoofddoek draag’, ‘waarom zou je je energie en talenten steken in een land waar anderen je niet als volwaardig zien?’3
Belabas en De Jong hebben kwalitatief onderzoek gedaan naar vertrek uit Nederland.4 Door vijandige uitlatingen over migranten en specifieker moslims, gecombineerd met ervaringen van discriminatie en intolerantie in het dagelijks leven, voelt de tweede en derde generatie zich minder geaccepteerd.
Hoogleraar en onderzoeker bij het Sociaal Cultureel Planbureau Jaco Dagevos stelt dat de houdbaarheid van het begrip integratie verstreken is.5 Afgelopen jaren is het politieke en maatschappelijke debat verhard. De nadruk is eenzijdig komen te liggen op factoren die worden toegeschreven aan cultuur of religie. Denk aan politici die de voetbalrellen in Amsterdam duidden als integratieprobleem, en oorzaken eendimensionaal zochten bij de afkomst van mensen.
Wat betekent het integratiebegrip voor de tweede of derde generatie? Door het verharde politieke en maatschappelijke debat voelen zij zich ontheemd; zij dachten burger te zijn van Nederland, maar voelen zich nu weggezet. Ze ervaren dat ze er in de basis toch niet bij horen, ook al hebben ze een Nederlands paspoort en zijn ze hier geboren. Ze worden niet gezien als waardevolle leden van een gemeenschap, maar als leden van groepen die vanwege hun etnische en religieuze achtergrond minder en anders zijn. Deze stigmatisering zet de sociale cohesie onder druk, heeft negatieve gevolgen voor het welzijn van burgers en vermindert het vertrouwen in politiek en instituties.
Dagevos stelt voor om anders te kijken naar de verhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Niet langer vanuit het perspectief van wel of niet erbij horen, maar vanuit het perspectief dat burgers behoren tot groepen met een gelijkwaardige status. We moeten een andere taal en perspectief ontwikkelen waarbij we personen met een migratieachtergrond niet bij voorbaat als ‘anders’, problematisch en niet geïntegreerd zien. Hij adviseert om migratieachtergrond altijd te bezien in relatie tot andere factoren die bijdragen aan iemands positie, opvattingen en sociale netwerken. Het integratieframe is niet neutraal, maar draagt bij aan de uitsluiting van groepen. Het stelt de identiteit van de tweede en derde generatie voortdurend ter discussie. In zijn pleidooi herken ik direct het ecologische model van Bronfenbrenner6 terug. Is een pedagogische contextgerichte visie de oplossing?
In het ecologische model van Bronfenbrenner6 wordt de menselijke ontwikkeling gezien als een voortgaande, wederzijdse aanpassing tussen een opgroeiend kind en zijn directe omgeving. De ecologische omgeving bestaat uit opeenvolgende, in elkaar grijpende systemen: het microsysteem (gezin /familie, school, kinderopvang), mesosysteem (het geheel van microsystemen waarvan een jeugdige deel uitmaakt), exosysteem (de buurt, de wereld van het werk, sociale netwerk van ouders, etnische en religieuze gemeenschap), het macrosysteem (de cultuur of heersende ideologie van een samenleving).
Integratie is geen fenomeen dat losstaat van de culturele en maatschappelijke context waarin kinderen, jongeren, gezinnen, professionals fungeren. Van groot belang is de vraag naar de dominante sociaal-culturele eisen waaraan voldaan moet worden om te kunnen participeren. Pedagogisch gezien kun je hierin voornamelijk het exosysteem en het macrosysteem herkennen.
tekst: Marleen Baeten
foto: Shutterstock
Renée Klein Schaarsberg promoveerde in maart dit jaar aan de Vrij Universiteit Amsterdam op onderzoek naar een innovatieve, op virtual reality gebaseerde interventie voor jongeren in de forensische jeugdhulp. Voor de Pedagoog doet zij verslag.
Lees meer
2024 – heden
Gedragswetenschapper programma Jeugd & Veiligheid, Levvel
2020 – 2025
Promovenda, Vrije Universiteit Amsterdam
2018 – 2019
Gedragswetenschapper, Orion College Amstel
2017 – 2019
Forensische Orthopedagogiek, Universiteit van Amsterdam
2013 – 2016
Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Utrecht
Disruptief gedrag – zoals opstandigheid, agressie of normoverschrijdend gedrag – kan tot op zekere hoogte onderdeel zijn van een normale ontwikkeling van jongeren. In ernstige en aanhoudende vorm kan dergelijk gedrag er echter voor zorgen dat jongeren flink in de knel komen. Hierdoor neemt ook het risico om (herhaaldelijk) met politie en justitie in aanraking te komen toe, waar niet alleen jongeren zelf negatieve gevolgen van kunnen ervaren, maar ook hun omgeving en de maatschappij.
In dit soort situaties kan begeleiding of behandeling binnen het werkveld van de forensische jeugdhulp helpend zijn. Zo kunnen jongeren anders met hun gevoelens, impulsen of ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden leren omgaan. Dit kan jongeren helpen zich anders te gedragen, waardoor ze minder in de problemen komen.
In veel gevallen wordt cognitieve gedragstherapie aangeboden als een bewezen effectieve behandelvorm voor disruptief gedrag. Ook systemische interventies of behandelprogramma’s die individuele en systemische behandelvormen combineren laten positieve effecten zien. Desondanks zijn er jongeren die hier geen of onvoldoende baat bij hebben. Jongeren vallen bijvoorbeeld vroegtijdig uit, behandelaars weten de jongeren niet goed te bereiken of de behandeling sluit onvoldoende aan bij de behoeften van jongeren. Om de zorg aan jongeren met disruptieve gedragsproblemen te verbeteren, hebben we de toegevoegde waarde van Street Temptations onderzocht: een innovatieve, op virtual reality (VR) gebaseerde interventie voor jongeren binnen de forensische jeugdhulp.
Binnen Street Temptations worden jongeren uitgedaagd tot perspectiefwisseling en reflectie, onder andere met behulp van VR. Het programma bestaat uit zeven sessies, waarin jongeren 1-op-1 met een therapeut aan de slag gaan. De eerste sessies zijn gebaseerd op een fictief verhaal over een vechtpartij op straat, in de laatste sessies staat een persoonlijk meegemaakte ervaring van de jongere centraal. In beide gevallen spelen verschillende personages – ‘karakters’ – een rol, waarbij dus zowel verzonnen karakters als voor de jongere bekende karakters voorbijkomen. In de fictieve situatie is er bijvoorbeeld iemand die het gevecht uitlokt, iemand die geslagen wordt en iemand die gaat filmen. In de eigen ervaring kan het gaan om een omstander of een betrokkene.
Per sessie wisselen de jongeren met één van de verschillende karakters van perspectief. Dit doen ze door eerst in de situatie te duiken met behulp van de VR-bril. VR maakt op twee manieren onderdeel uit van Street Temptations: een 360°-video van een vechtpartij en een VR streetview-app waarmee jongeren hun persoonlijke ervaringen kunnen visualiseren. Jongeren bekijken de VR-video waarin de situatie zich afspeelt vanuit derdepersoonsperspectief, of ze worden virtueel getransporteerd naar de plek van hun persoonlijke ervaring. Als ze daar staan vertellen ze wat er precies gebeurde, waarbij de therapeut kan meekijken op een ander scherm. Daarna kiezen ze een karakter dat die sessie centraal zal staan en kruipen ze in de huid van dat karakter om vervolgens op de situatie te reflecteren vanuit dat perspectief.
Het gebruik van VR helpt bij de oefeningen. Zo zorgt VR voor een meer visuele en concrete aanpak. Jongeren kunnen letterlijk rondkijken op de plek waar iets gebeurde, terwijl de therapeut meekijkt doordat het beeld vanuit de VR-bril naar een ander scherm wordt gestreamd. Het brengt herinneringen en gevoelens op een andere manier naar boven. Het is makkelijker om een situatie te visualiseren als je dat niet alleen puur op basis van je eigen gedachten of herinneringen hoeft te doen. Bovendien kunnen de oefeningen gebaseerd worden op emotioneel stimulerende scenario’s. Zo worden de oefeningen een stuk realistischer.
Daarnaast maakt VR het mogelijk om de straat letterlijk van buiten naar binnen te halen. Het idee om VR te gebruiken komt voort uit de samenwerking tussen Garage2020 en JeugdzorgPlus waaruit Street Temptations is ontstaan. Binnen JeugdzorgPlus, een gesloten vorm van jeugdhulp, kunnen jongeren niet zomaar naar buiten om te oefenen met lastige situaties, zoals een vechtpartij op straat of een straatroof. Met VR kun je die situaties in de behandelkamer halen.
De focus op perspectiefwisseling en reflectie binnen Street Temptations komt voort uit het gebruik van mentaliseren als een belangrijk mechanisme. Mentaliseren is de vaardigheid om de onzichtbare binnenwereld (zoals gedachten, gevoelens en behoeften) te koppelen aan de zichtbare buitenwereld: het gedrag. Een belangrijke sociale vaardigheid, omdat we op deze manier achter het gedrag van anderen en onszelf kunnen kijken, waardoor we gedrag kunnen begrijpen. Dit helpt ons om passend te reageren.
Zo kunnen onterecht negatieve of zelfs vijandige interpretaties er ook toe leiden dat iemand vanuit een negatieve of vijandige houding reageert. Hoewel dit soms een overlevingsstrategie is, kan het voor vervelende situaties zorgen. Bij jongeren met ernstig disruptief gedrag zien we dat problemen met mentaliseren een rol kunnen spelen in hun gedrag. Door jongeren tot andere interpretaties uit te dagen, waren we benieuwd in hoeverre negatieve gedachtepatronen, motivatie tot gedragsverandering en ervaren mate van controle over hun eigen gedrag zouden veranderen.
De ontwikkeling van VR-materiaal bleek een van de belangrijkste lessen uit het promotieonderzoek te zijn. In aanloop naar het onderzoek wees de praktijk ons erop dat het VR-materiaal van Street Temptations etnische stereotypering en stigmatisering in de hand zou kunnen werken. Bij het maken van de oorspronkelijke VR-video was onvoldoende nagedacht over de verdeling van rollen en uiterlijke kenmerken van personages. Zo zie je dat wij als onderzoekers ook blinde vlekken hebben.
We hebben de voorbereidingen voor het onderzoek gepauzeerd en zijn terug naar de tekentafel gegaan. Samen met jongeren en professionals gingen we puzzelen hoe we verantwoord VR-materiaal konden maken wat etnische representatie betreft. Want, hoe doe je dat precies, als je gewelddadig gedrag laat zien? Is het oké om een wit persoon een zwart persoon tegen de vlakte te laten werken? En andersom? Of moeten we misschien alleen mensen laten zien die in het midden liggen qua uiterlijke kenmerken?
De belangrijkste boodschap die we terugkregen: zorg ervoor dat diversiteit onmiskenbaar terugkomt. De realiteit is divers, dus een gebrek aan diversiteit is per definitie niet realistisch. Als je ervoor zorgt dat je een goed verhaal neerzet zodat de reden achter het geweld niet gezocht wordt in hoe mensen eruitzien, dan kun je de mensen bij wijze van spreken alle kleuren van de regenboog geven. Ik ben er trots op dat we hebben laten zien hoe je zo’n interventie in samenwerking met de praktijk en de doelgroep kan ontwikkelen.
Op basis van de geleerde lessen uit het ontwikkelproces van Street Temptations hebben we besloten om heel gedetailleerd naar individuele jongeren te gaan kijken en die met zichzelf te vergelijken. We volgden acht jongeren in het onderzoek. Daarvan vielen er vijf uit, waardoor uiteindelijk drie jongeren meegenomen konden worden in de analyse. Drie jongeren klinkt als weinig en het was ook minder dan ik had gehoopt. Niet alleen de complexe (leef)situaties van de deelnemers verhinderde regelmatig deelname, ook organisatorische uitdagingen waren geen uitzondering.
Ondanks onderlinge verschillen kwam bij iedere jongere een positieve verandering in de gedachtepatronen naar voren. De jongeren leken geleerd te hebben hoe ze meer bij het perspectief van de ander kunnen stilstaan. Ook liet iedere jongere een positieve verandering zien in de ervaren mate van controle over het eigen gedrag op het moment dat emoties hoog oplopen. We hebben geen aanwijzingen gevonden dat de jongeren groeiden in hun motivatie om hun eigen gedrag te veranderen. Dit komt misschien doordat we te abstracte vragen aan de jongeren stelden: woorden als ‘gedrag’ en ‘problemen’ kunnen voor verschillende jongeren heel verschillende dingen betekenen.
Alle betrokkenen gaven aan dat de VR-elementen van toegevoegde waarde waren, ondanks uitdagingen en technische problemen, zoals lege batterijen of vastlopende video’s. Het werken met VR leek bovenal therapeutische gesprekken te stimuleren over zowel het persoonlijke leven van jongeren als over de levens van anderen. Bijzonder waardevol was de functie waarmee jongeren virtueel konden terugkeren naar plekken waar ingrijpende gebeurtenissen uit hun eigen leven hadden plaatsgevonden.
Een van de jongeren ‘bezocht’ via de VR-bril de plek waar hij drie jaar geleden een vechtpartij had. Door daar rond te kijken en zich in te leven in een omstander die aanwezig was, realiseerde hij zich dat hij dat niet eerder had gedaan. De jongere zei: “Ik heb nooit mijn excuses aangeboden aan die buurman, kunnen we niet alsnog een bloemetje sturen daarvoor?” Zijn therapeut beschreef hoe waardevol het was om voor het eerst de plek te zien waar het incident had plaatsgevonden: “Die jongere kon helemaal uitleggen: ‘Daar kwam de buurman vandaan, daar gebeurde dit en dat.’ Dat gaf mij veel beter inzicht in zijn ervaring.”
Uit het onderzoek kunnen we verschillende lessen voor de toekomst trekken. De hoge uitval benadrukt hoe complex onderzoek in de forensische jeugdhulp is. Toch kunnen we voorzichtig positief zijn over Street Temptations als interventie. Ik hoop dat het onderzoek laat zien dat innovatieve technologieën zoals VR een waardevolle aanvulling kunnen zijn op bestaande behandelmethoden. Het biedt behandelaars een extra hulpmiddel om in gesprek te gaan met jongeren. Street Temptations is geen vervanging van bestaande therapieën, maar kan deze wel versterken. Dit onderzoek is een eerste stap; verdere ontwikkeling en evaluatie zijn nodig om de effectiviteit en toepassingsmogelijkheden verder in kaart te brengen. Ook al is onderzoek in deze context ingewikkeld, het kan wel. De jongeren in de forensische jeugdhulp verdienen het dat we blijven zoeken naar manieren om de hulp aan hen te verbeteren.
tekst: Renée Klein Schaarsberg
foto: Froukje Vernooij
Proefschrift: Klein Schaarsberg, R. E. (2025). A virtual leap, one practical step. Vrije Universiteit Amsterdam. https://research.vu.nl/files/395508950/178170-renee-klein-schaarsbergprintversie%20-%2067aa4135d9a32.pdf
Het is donker als ik door de kleedkamer loop. Dit is de laatste keer dat ik hier ben, op deze school. Na de zomervakantie zit ook mijn jongste kind op de middelbare. Maar eerst de gymzaal in voor de musical, een van de onvergetelijke ervaringen voor de leerlingen van groep 8.
Lees meer
Die andere onvergetelijke ervaring, het schoolkamp in januari, had een nare nasleep. In de laatste schoolweek kregen we hierover een laatste bericht van school: ‘Terug- en vooruitblik na een bewogen jaar.’ Het had beter ‘Veroordeling oud-leerkracht groep 8 wegens seksueel misbruik’ kunnen heten, want daar ging het over.
Deze meester, van de andere groep 8, stond bekend als de ‘knuffelmeester’. Ouders en leerlingen liepen met hem weg, volgens een bericht in het AD. Tijdens het schoolkamp ging hij over de grens. Een grens die waarschijnlijk al een poos aan het oprekken was. Uit de slachtofferverklaring is opgetekend dat de leraar een belangrijk en leuk schoolmoment helemaal heeft verpest voor de jongen die melding deed.
Als ouder schrok ik toen we na het kamp bericht kregen van wat er gebeurd was. Als leraar kreeg ik ook een ongemakkelijk gevoel. Hoe kan het dat er zoiets gebeurt, hoe zie je (niet) dat een grens diffuus wordt? Als ik mijn collega’s van de onderbouw vraag hoe zij denken over het aanraken van kinderen, merk ik vooral hoe fijn het is hier samen over te praten en hoe weinig we dit eigenlijk doen. We hebben het over de functie van aanraking, over grenzen en over de woorden die je kunt gebruiken om kinderen te leren wat gewenst is en wat niet.
Als ik hier later mijn collega’s van de midden- en bovenbouw naar vraag, gaat het gesprek al snel over de kleedkamer bij gym. Soms is het nodig dat je daar als leraar naar binnen gaat. De juf van een bovenbouwgroep laat zich op de gang al horen, “dan zijn ze wel gewaarschuwd.” Een andere juf vindt het eigenlijk gek dat de meester van groep 6 niet bij de meisjeskleedkamer naar binnen zou kunnen. Ik realiseer me tijdens dit gesprekje: je bent zo een grens over als die niet duidelijk is. Maar ik realiseer me ook: naast afspraken en protocollen zijn dit soort gesprekken hard nodig. Je hebt hier als team een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Na de musical van mijn jongste, worden de leerlingen toegesproken en halen hun meesters en juffen herinneringen op. Voor een van de jongens was de meester uit groep 2 het hoogtepunt van z’n schoolloopbaan. Wat er zo leuk aan hem was? Hij had een keer z’n hamster meegenomen.
Onvergetelijke ervaringen, ze zijn zo gemaakt en ze gaan heel lang mee.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart heeft ruim tien jaar gewerkt als leraar, ib-er en orthopedagoog in het speciaal onderwijs en vijf jaar als docent pedagogische wetenschappen. Hij werkt nu met meertalige kleuters op een reguliere basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
Elk kind verdient veiligheid om zich te kunnen ontwikkelen. In een gesloten groep, zoals een sekte, bestaat die niet. Welke gevolgen heeft opgroeien in zo’n gemeenschap voor een kind? Een verhaal gebaseerd op persoonlijke ervaringen van een pedagoog.
Lees meer
Mijn man en ik zijn geboren en opgegroeid in De Kring, een gesloten geloofsgemeenschap. In 1992 zijn wij op volwassen leeftijd uitgetreden. Mijn man, Hans Groen, vertelde hierover in 1993 bij het tv-programma Vesuvius.
Kinderen van De Kring woonden dicht bij elkaar en gingen naar dezelfde school. Er was geen radio of tv thuis en we mochten niet meedoen met buitenschoolse activiteiten als kamp, feestjes of spelen bij andere kinderen. Dat was te ‘werelds’. Er was onderlinge controle omdat de meesten bij een ander kind uit de groep in de klas zaten. Ons leven was in de groep.
Eind 2018 schreef mijn zus Francisca Flinterman haar autobiografie, Een briefje uit de hemel. Er zijn vergelijkbare verhalen. Het verhaal van Hannelore van Otterloo, die opgroeide in de evangelische sekte van Sipke Vrieswijk, is in 2019 opgetekend door Frank Krake. In 2020 volgde een documentaire. Datzelfde jaar ontworstelde Israël van Dorsten zich uit het van de buitenwereld afgesloten Ruinerwoldgezin. Dit bracht ‘sekteproblematiek’ opnieuw onder de aandacht. In 2024 schreef hij een autobiografie over zijn jeugd: Wij waren, ik ben. Weg uit Ruinerwold.
Afgelopen maart verscheen het boek van Annet van de Pol over haar tijd bij de gesloten geloofsgemeenschap De Terebint. ‘Het was leven in een gevangenis zonder tralies: Je zelfvertrouwen is afgebroken, je gelooft dat als je weggaat, je verloren bent.’ Evelien Vaags sprak op 17 mei in NOS-Nieuwsuur over haar jeugdervaringen in een Twentse sekte en eindigde geëmotioneerd met: ‘Een onschuldig kind verdient een goed leven.’
Een kind wordt grotendeels gevormd door de opvoeding. Het past zich aan, is trouw en loyaal aan opvoeders. In een gezin stellen de ouders aanvankelijk het normenkader, al snel aangevuld en gedeeld met andere leeromgevingen en peergroups (andere gezinnen, school, clubjes). Zo leert een kind dat er wisselende regels en normen zijn, afhankelijk van de omgeving of situatie. Het leert reflecteren op normen, beoordelen wat goed, nuttig en kwaad is en flexibel aanpassen.
In een gesloten groep blijft het normenkader klein en dit wordt bewaakt en bevestigd binnen de groep. Als kind leer je je afzijdig houden van de ‘gevaarlijke’ buitenwereld. Je leert de normen van de groep uitdragen en verdedigen. Reflecteren leer je af, want je mag niet denken; er wordt voor je gedacht. Denk je toch zelf, dan krijg je het stempel ‘dwars’ of ‘dom’, en voel je je al snel minderwaardig. Je wordt onzeker en krijgt door deze geestelijke manipulatie een vervormd zelfbeeld. Je past je aan, gedraagt je ‘voorbeeldig’ en maakt jezelf onzichtbaar. De leiding bepaalt je geluk en je bestaansrecht. Door alle controle is er geen ruimte voor identiteitsontwikkeling. Maar als je niet anders weet, vind je de groepsregels normaal. Het is de norm, jouw wereld, je houvast en veiligheid.
Een volwassene die in een sekte terechtkomt verliest het zelfvertrouwen, maar een kind ontwikkelt dit niet. Het wordt bang en ontwikkelt een minderwaardigheidscomplex. Bij een manipulatieve opvoeding verschuift de verhouding nature-nurture richting nurture. De omgevingsinvloed, de invloed van de leider, wordt zo groot, dat deze grotendeels bepaalt wie je wordt. Je ontwikkelt een groepsidentiteit.
Opgroeien zonder radio, tv, sociale media – gecontroleerd contact met de buitenwereld – zorgt voor een verstoord wereldbeeld. De ‘zuurstof’ van buiten ontbreekt. De leider pretendeert alle kennis te hebben en jij past je aan, gelooft erin. Ruimte voor ‘uitproberen’ is er niet. Alles wordt bepaald, gecontroleerd en je krijgt angst voor het nemen van beslissingen.
De regels en vaste structuur bieden schijnveiligheid, die gepaard gaat met verwarring van gevoelens. Israël van Dorsten zegt hierover: ‘Je vertrouwen is geschaad, maar twijfelen mag niet, want dat staat gelijk aan ongeloof.’
Hoewel de intentie aanvankelijk vaak goed is, corrumpeert macht. Wanneer de opvoeding door de leiding overgenomen wordt en de rol van de ouders genegeerd, raak je als kind in verwarring. Zeker wanneer je ouders bekritiseerd, bestraft of zelfs gediskwalificeerd worden. In combinatie met een afwijkende strenge opvoedingsstijl is dit traumatiserend. Een kind raakt onthecht.
Bij vertrek uit een gesloten (geloofs)gemeenschap, nadat er toch op een of andere manier contact met de buitenwereld is ontstaan, stort je wereld in. Je verkeert in een chronische staat van verwarring, voelt je ontheemd, fundamentloos. Wat is goed? Wat is waar en wat niet? Je moet niet alleen de normen – de codes van de wereld – leren kennen, maar ook ontdekken wie je zelf bent. En dit aandurven.
Een sekte kent een sterk hiërarchisch systeem. Was je volledig aangepast en afhankelijk… hoe weet je dan wat je nieuwe positie is, wat er mag, wat je wilt, kunt of durft? Is je eigen normenkader verstoord… waaraan toets je dan de nieuwe normen?
Je gaat het ‘uitproberen’, net als een jong kind. De leeftijd waarop je uittreedt en of je er al dan niet in geboren bent, spelen mee. Ben je kind, puber, adolescent of volwassene? Is er ruimte voor uitproberen? Als je nog studeert en van omgeving wisselt, is dit eenvoudiger dan wanneer je al een vaste leef- en werkomgeving hebt. Het proces van integreren in een nieuwe cultuur duurt lang. Schuld en schaamte kunnen meespelen, zo durf je het aanvankelijk niet eens een sekte te noemen.
Diepgewortelde angsten blijven een rol spelen. Door jarenlange manipulatie heb je een gebrek aan (zelf)vertrouwen. Je hebt angst om afgerekend te worden, regels te overtreden, angst bij veranderingen en onvoorspelbaarheid, angst om te falen, niet gezien te worden, aan de kant geschoven of gepest te worden. Dus je zorgt dat je niet faalt, de controle houdt en kijkt voortdurend naar wat de ander wil. Vaak kom je niet aan jezelf toe. Je overlevingsstrategie is damage control. Overleven is voor iedereen weer anders. De een vermijdt situaties, de ander forceert en gaat er met een gestrekt been in. Voor de omgeving soms onbegrijpelijk gedrag.
Iemand die in een gesloten groep opgevoed is, heeft ruimte en stabiliteit nodig. Ruimte om te ontdekken, te leren en durven kiezen in een stabiele omgeving waar je niet afgerekend wordt om wie je bent, waar je vrij bent en op zoek kunt gaan naar wie je werkelijk bent. Vooral niets meer ‘moeten’, want je zit op slot als je jarenlang gemanipuleerd bent. Je probeert weer grip te krijgen, op de wereld en op jezelf. Dit kost tijd… veel tijd.
Hulpverleners moeten zich realiseren dat er vaak sprake is van een complex trauma (CPTSS) en een onveilige hechting. Probeer niet te negatief in te gaan op wat er gebeurd is. Dit werkt juist schuld en schaamte in de hand. Bied vooral ruimte voor het persoonlijke verhaal, luister en geef inzicht. Heb geduld, wees voorspelbaar en begrijp de paniek van triggers!
tekst: Liesbeth Groen-Flinterman
beeld: Shutterstock
Hulpinstanties
Een verkennend onderzoek naar het leefklimaat in alternatieve en traditionele vormen van residentiële jeugdhulp is onlangs gepubliceerd. We spreken met twee van de vijf onderzoekers: universitair docent Ymke Riemersma en universitair hoofddocent Orthopedagogiek Elianne Zijlstra, beiden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Een gesprek over de ontwikkelingen in de jeugdhulp. Waar staan we nu in Nederland? Wat past het beste bij de kinderen en welke rol spelen orthopedagogen daarbij?
Lees meer
Elianne Zijlstra
“De directe aanleiding om het onderzoek te starten was de documentaire Alicia, waarin schrijnend in beeld werd gebracht hoe jongeren in de jeugdzorg te maken hebben met vele overplaatsingen”, vertelt onderzoeker Ymke Riemersma. “Dit leidde tot vragen over de kwaliteit van het leefklimaat en de effectiviteit van nieuwe, kleinschalige voorzieningen. In totaal zijn er vijf alternatieve, kleinschalige voorzieningen onderzocht, inclusief enkele gezinshuizen, en twee traditionele behandelgroepen op instellingsterreinen.”
Het onderzoek is een van de eerste naar de kwaliteit van kleinschalige voorzieningen. Het startte in 2019 en is gefinancierd door Stichting Het Vergeten Kind. Naast Ymke Riemersma en Elianne Zijlstra, bestond de onderzoeksgroep uit Annemiek Harder (bijzonder hoogleraar, Erasmus Universiteit), Margrite Kalverboer (Kinderombudsvrouw), en Wendy Post (universitair hoofddocent, Rijksuniversiteit Groningen).
Er zijn duidelijke verschillen tussen de traditionele en alternatieve vormen van residentiële jeugdhulp. De transitie van de traditionele vormen naar die alternatieven vormen van jeugdhulp is in Nederland naar schatting gestart in 2018, 2019.
Ymke Riemersma: “Traditionele voorzieningen bevinden zich op instellingsterreinen met groepen van acht tot tien jongeren en zijn gericht op kort verblijf. Alternatieve voorzieningen bevinden zich in reguliere woonwijken, zijn kleinschaliger – vier tot zes jongeren – en bieden in principe langdurig verblijf, tot 18 of zelfs 23 jaar. Belangrijke uitgangspunten bij alternatieve vormen zijn normaliseren, integratie in de samenleving en het versterken van sociale netwerken.”
“De verschillen in leefklimaat en stabiliteit tussen beide vormen van residentiële zorg zijn aanzienlijk”, geeft Ymke aan. “Jongeren in alternatieve voorzieningen voelen zich vaker ‘thuis’, wat zij zelf als belangrijk ervaren voor hun welzijn. Het gevoel van thuis-zijn uit zich in kleine dingen: een eigen kamer, zelf spullen mogen kiezen, en een plek die als ‘van jezelf’ voelt. Ook voelen jongeren zich in alternatieve voorzieningen meer gezien.”
“Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat jongeren in alternatieve vormen vaker meedoen aan de samenleving: ze gaan naar scholen buiten de voorziening, doen mee aan sportclubs of bij andere verenigingen en ze onderhouden contact met vrienden buiten de hulpverlening. Dit staat in contrast met jongeren in traditionele voorzieningen, waar het leven zich vooral binnen het instellingsterrein afspeelt. Bovendien verhuizen jongeren in alternatieve vormen minder vaak, wat bijdraagt aan meer stabiliteit en diepere relaties met professionals en familie.”
Ymke Riemersma
Ondanks de positieve uitkomsten van alternatieve vormen van residentiele jeugdzorg, zijn er ook knelpunten. Niet alle jongeren gedijen in kleinschalige voorzieningen. Jongeren met zware problematiek zoals verslaving, suïcidaal gedrag of ernstige agressie, blijken ook in alternatieve voorzieningen niet een positief leefklimaat te ervaren op lange termijn en belanden opnieuw in gesloten zorg. Dit is een belangrijke aanleiding voor vervolgonderzoek dat zich richt op de vraag: Wat zijn de voorwaarden voor succes, en wanneer lukt het niet?
Daarnaast wijst Elianne Zijlstra op het belang van het normaliseren van het contact met ouders. “Veel jongeren houden een sterke band met hun ouders, ook als het thuis niet veilig was. Toch ontbreekt vaak, bij beide vormen van hulpverlening, de begeleiding bij het herdefiniëren van die relaties. De huidige aanpak is nog vaak repressief: contact wordt beperkt, bijvoorbeeld binnen de verplichte bezoekuren. En dat werkt niet. Beter is het om samen met jongeren en ouders te kijken wat wél werkt.”
Beide onderzoekers benadrukken het belang van normaliseren van het leven van jongeren, ondanks hun uithuisplaatsing. Dit betekent onder andere toegang tot reguliere voorzieningen zoals onderwijs, sportclubs, cultuur voorzieningen en sociale netwerken. Dit vraagt om samenwerking met maatschappelijke partners zoals scholen en (sport)verenigingen. Het vraagt ook iets van de samenleving: acceptatie en ondersteuning, in plaats van stigmatisering. Ook voor professionals ligt er een belangrijke taak. Orthopedagogen kunnen hierin een verbindende rol spelen door bijvoorbeeld sporttrainers of docenten te begeleiden in het omgaan met de kwetsbare jongeren. Continuïteit van zorg is daarbij essentieel.
“Een schrijnend voorbeeld uit het onderzoek: een jongere benoemde de onderzoeker zelf één van de stabiele factoren in zijn leven gedurende de afgelopen twee jaar. Dit onderstreept het belang van vaste gezichten en langdurige betrokkenheid,” geeft Elianne Zijlstra aan.
Ymke Riemersma en Elianne Zijlstra geven in hun onderzoek diverse aanbevelingen voor het verbeteren van de residentiële jeugdhulp. Hun onderzoek zorgt voor een empirische onderbouwing van de adviezen die je ook terugvindt in de Richtlijn uithuisplaatsing en die in kleinschalige voorzieningen beter te realiseren zijn.
Een belangrijk punt is de plaatsing van de jongere dichtbij zijn eigen netwerk. Jongeren profiteren er namelijk van als ze in hun eigen wijk kunnen blijven wonen. Hun leven hoeft dan minder drastisch te veranderen: dezelfde school, hun sportclub en sociaal netwerk blijven behouden.
Een tweede punt is het versterken van de ouderbetrokkenheid. Hiermee wordt bedoeld: betrek ouders actief bij beslissingen. Laat ze mee-eten, helpen met huiswerk, of even bellen bij belangrijke keuzes. Dit verbetert ook de houding van ouders tegenover de hulpverlening, wat jongeren weer ten goede komt.
Daarnaast is het creëren van een thuisgevoel essentieel. Geef jongeren regie over hun leefomgeving. Kleine aanpassingen als een eigen poster, een muurtje verven of lichtjes ophangen kunnen bijdragen aan het gevoel van eigenaarschap en veiligheid.
En investeer in verbinding met de samenleving. Zorg dat jongeren toegang hebben tot sportclubs, muziekles of toneel. Begeleid ook de omgeving: betrek trainers, mentoren en buurtgenoten in het proces om wederzijds begrip en acceptatie te vergroten.
Ook is het van belang dat er vaste gezichten en teams zijn voor de jongeren. Stop met de inzet van zzp’ers op cruciale posities. Continuïteit in begeleiding is van essentieel belang. Jongeren in de residentiële jeugdzorg zijn vaak al vele keren verlaten of overgeplaatst. Beoordeel de situatie van jongeren niet gefragmenteerd. Combineer onderwijs, zorg, vrije tijd en sociaal netwerk in een samenhangende aanpak. Alleen zo kan uithuisplaatsing op de lange termijn succesvol zijn.
Tot slot: luister naar jongeren. Vraag aan hen wat zij nodig hebben om zich thuis te voelen, welke routines hen helpen, en wat hen gelukkig maakt. Hun perspectief is essentieel bij het vormgeven van voorzieningen.
In het vervolgonderzoek, dat in het najaar van 2025 van start gaat, richten de onderzoekers zich op de dilemma’s in het leefklimaat van alternatieve voorzieningen. Dit onderzoek wordt gefinancierd door een subsidieverstrekker uit Noord-Nederland. Daar wordt het onderzoek dan ook gehouden. De uitkomsten kunnen ze vervolgens vertalen naar de rest van het land.
Er worden gesprekken georganiseerd met jongeren, ouders, professionals en pleegouders om samen alternatieven te bedenken voor situaties waarin het leefklimaat niet toereikend is. De nadruk ligt op co-creatie: jongeren en ouders worden gezien als ervaringsdeskundigen en partners in onderzoek.
De uitkomsten van dit verkennende onderzoek laten overtuigend zien dat kleinschalige, alternatieve vormen van residentiële jeugdhulp jongeren een beter perspectief bieden op veiligheid, stabiliteit en participatie in de samenleving.
Elianne Zijlstra: “Maar het vergt meer dan alleen een kleinere groep jongeren in een andere woning. Het vraagt om een fundamentele omslag in denken en doen: van repressie naar relatie, van beheersen naar begeleiden, van regels naar ruimte. Daarbij is samenwerking cruciaal: tussen professionals, ouders, jongeren, en de samenleving als geheel.”
Ymke Riemersma sluit het gesprek af: “De transitie naar alternatieve vormen is inmiddels ingezet, maar kent nog veel uitdagingen. Dit onderzoek biedt belangrijke inzichten voor het verder versterken van het leefklimaat van jongeren in de jeugdzorg. Het is een oproep aan iedereen in en rond de residentiële hulpverlening om werkelijk te investeren in de leefwereld van jongeren. Want uiteindelijk is het doel simpel, maar wezenlijk: jongeren een plek bieden waar ze zich veilig, gezien en thuis kunnen voelen.”
tekst: Marijke Buisman
‘… het is hier net zo’n gezellige sfeer als ik thuis vaak had.’ Een Verkennend Onderzoek naar het Leefklimaat in Alternatieve en Traditionele Vormen van Residentiële Jeugdhulp. doi.org/10.54447/JiO.19223
Opvoedboeken voor het brede publiek staan helaas vaak vol niet-onderbouwde adviezen, die ouders nog onzekerder kunnen maken over hun ouderschap. ‘Jagen, verzamelen, opvoeden’ van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Michaeleen Doucleff heeft me positief verrast. De schrijfster combineert etnografische beschrijvingen van drie gemeenschappen die ze zelf heeft bezocht, met haar dochtertje, met direct toepasbare opvoedadviezen.
Lees meer
Jagen, verzamelen, opvoeden opent met ontboezemingen van de schrijfster over de band met haar temperamentvolle 3-jarige dochter Rosy en de strijd die het opvoeden meestal voor haar was. Ze vertelt hoe dit veranderde nadat ze voor haar werk reizen maakte naar landen met jager-verzamelaarsgemeenschappen en hoe deze haar hebben laten zien hoe opvoeden ook kan zijn. Het eerste hoofdstuk is voor lezers met een achtergrond in de sociale wetenschappen waarschijnlijk bekend: hierin beschrijft zij dat het meeste opvoedadvies sterk cultureel bepaald is (lees: gebaseerd op een Westers ideaal) en niet gebaseerd op gedegen wetenschappelijk onderzoek.
Het middelste gedeelte van het boek is het meest interessant. Hierin staat steeds een andere cultuur centraal en maak je kennis met verschillende gezinnen en hun aanpak van bekende opvoedthema’s als slapen, eten en op tijd op school komen. Maar wat deze culturen zo bijzonder maakt – alhoewel ze eigenlijk beter aansluiten op de evolutie van de mensheid dan de Westerse cultuur – is dat de nadruk juist niet ligt op deze individualistische thema’s, maar op het creëren van autonome, behulpzame en verantwoordelijke kinderen binnen een gemeenschap.
In het deel over de Maya’s in Mexico lees je over de term acomedido, die je grofweg kunt vertalen als ‘een klusje of taak doen zonder dat iemand je dat heeft opgedragen’ en hoe Maya-ouders dit al vanaf jonge leeftijd stimuleren door hun kind bij alles te betrekken, op hun eigen niveau. Zodat de 12-jarige Angela na het opstaan uit zichzelf de afwas gaat doen.
Het deel over de Inuit, in het hoge noorden van Canada, gaat over manieren waarop zij hun kinderen leren om hun woede te beheersen.
Spoiler: onder andere door zelf kalm te blijven en weg te lopen, of stil te blijven bij opborrelende boosheid. Ook licht de schrijfster de kracht van verhalen vertellen en spel inzetten toe. Dit kan erg effectief zijn om kinderen op een speelse manier te leren wat het juiste gedrag is. Bij de Hadzabe in Tanzania staan het belang van autonomie (‘probeer maximaal drie bevelen per uur te geven’) en het zoeken van mede-ouders (oppassen, leraren, oudere kinderen, buren, vrienden, familieleden) centraal.
Tussendoor vind je allerlei oefeningen. Ook fijn: ieder hoofdstuk eindigt met een samenvatting van de belangrijkste inzichten en tips. Het boek is niet belerend. Het zegt niet dat je opvoeden op een bepaalde manier moet doen. Het geeft wel veel ideeën om uit te proberen, gebaseerd op de gebruiken en omgangsvormen van drie oude culturen.
Na het lezen van Jagen, verzamelen, opvoeden wilde ik meteen mijn koffers pakken om met eigen ogen te zien welke waardevolle lessen we van deze culturen kunnen leren. Ook is de schrijfster goudeerlijk over haar eigen worstelingen met de opvoeding van haar dochter. Deze combinatie maakt het een inspirerend en herkenbaar boek voor opvoeders die hun blik willen verruimen.
tekst: Sanne de Vet
Jagen, verzamelen, opvoeden (2021) van Michaeleen Doucleff is een uitgave van A.W. Bruna.
Hoe een groeiend netwerk van klassen op reguliere scholen laat zien dat écht inclusief onderwijs mogelijk is – en werkt. Zoals in Schijndel, Groningen en Zutphen.
Lees meer
In 2035 moet inclusief onderwijs de norm zijn in Nederland. Dat is de ambitie van de overheid. Maar voor veel kinderen met een beperking en een complexe ondersteuningsbehoefte is die realiteit nog ver weg. Velen gaan helemaal niet naar school, zitten thuis of gaan naar kinderdagcentra. Anderen reizen dagelijks lange afstanden naar speciaal onderwijs, ver van hun buurt, vriendjes en familie. Stichting het Gehandicapte Kind wil daar verandering in brengen – met het initiatief Samen naar School.
De basis van Samen naar School is gelegd in 2006 en 2011, toen ouders in Breda en Alkmaar eigenhandig klassen oprichtten voor hun kinderen met een ernstige meervoudige beperking: Stichting Mees en Klas op Wielen. Deze initiatieven lieten zien dat het mogelijk is om kinderen met complexe ondersteuningsbehoeften onderwijs te bieden op een reguliere school in de buurt.
Geïnspireerd door deze voorbeelden startte Stichting het Gehandicapte Kind in 2015 het project Samen naar School. Het doel: het aantal klassen uitbreiden én een community bouwen van ouders, scholen en zorgprofessionals die samen laten zien dat inclusief onderwijs werkt. Inmiddels zijn er ruim zestig Samen naar Schoolklassen verspreid over Nederland – en het aantal groeit nog steeds.
Een Samen naar School-klas is een aparte klas binnen een reguliere basisschool, speciaal ingericht voor kinderen met een beperking die intensieve zorg of begeleiding nodig hebben. In deze klas krijgen zij onderwijs en zorg op maat, afgestemd op hun mogelijkheden.
In een gemiddelde klas zitten zes leerlingen. Veelal staat er één leerkracht met expertise uit het speciaal onderwijs voor de groep en zijn er – afhankelijk van de zorgbehoefte van de leerlingen – één of meerdere begeleiders voor extra ondersteuning.1 Ouders zijn nauw betrokken en werken samen met leerkrachten en zorgprofessionals. Therapeuten zoals logopedisten of fysiotherapeuten komen naar school om ondersteuning te bieden en waar nodig wordt ook een orthopedagoog betrokken.
Wat deze klassen uniek maakt, is de verbinding met de rest van de school. Kinderen met en zonder beperking leren en spelen samen. Ze doen mee aan gezamenlijke activiteiten, pauzes, vieringen en waar mogelijk ook aan lessen. Zo ontstaat er een natuurlijke vorm van inclusie, waarin verschillen niet worden weggepoetst, maar juist erkend en gewaardeerd.
Als moeder van een kind met een zware prikkelverwerkingsstoornis weet Astrid hoe ingewikkeld het kan zijn om passende zorg te vinden. Haar zoon Tim aardde als kleuter niet op het orthopedagogisch dagcentrum en zat daarna vijf jaar thuis. “Dat is voor niemand goed,” zegt ze resoluut. Toen Tim acht was, ontstond de kans om een Samen naar School-klas op te richten binnen basisschool EBC Icarus. De schooldirecteur stond direct achter het idee.
“De keuze om aan te haken bij een reguliere school was heel bewust,” vertelt Astrid. “Je doet kinderen tekort als je ze de kans ontneemt het leven te ontdekken. Wij zeggen altijd: we leren ze hier het leven.” De kinderen uit de klas doen soms mee met de gymles, spelen samen buiten en krijgen bezoek van leerlingen uit groep 8 die komen voorlezen. “Ze worden nu echt gezien. Ze worden gegroet op straat. En dat doet iets met ze. Ze zijn megatrots als iemand naar hen zwaait. Het zijn kleine dingen, maar die zijn zó waardevol.”
De impact van Samen naar School is voelbaar op meerdere niveaus. Kinderen met een beperking krijgen de kans om mee te doen in hun eigen buurt. Kinderen zonder beperking leren dat verschillen normaal zijn en ontwikkelen empathie en sociale vaardigheden. Veel leerlingen uit de bovenbouw helpen actief mee in de Samen naar School-klas – bijvoorbeeld door voor te lezen of te assisteren bij activiteiten. Dat versterkt hun zelfvertrouwen én hun betrokkenheid.
Wetenschappelijk onderzoek bevestigt deze positieve effecten. Zo blijkt uit studies dat inclusief onderwijs niet alleen gunstig is voor kinderen met een beperking, maar ook voor hun klasgenoten zonder beperking. Op jonge leeftijd leren dat we allemaal verschillend zijn, stimuleert zorgzaamheid en verdraagzaamheid (Babik & Gardner, 2021). Kinderen ontwikkelen een positievere houding tegenover leeftijdsgenoten met een beperking, vooral als ze hier al op de basisschool mee in aanraking komen.
Empirisch bewijs toont bovendien aan dat inclusief onderwijs leidt tot meer vriendschappen (Vyrastekova, 2021) en betere schooluitkomsten voor álle leerlingen (Szumski et al., 2017). De sociale ontwikkeling van kinderen en jongeren blijkt sterker in inclusieve scholen (Schwab, 2015). Daarmee is Samen naar School niet alleen een pedagogisch wenselijk initiatief, maar ook een onderbouwde investering in de brede ontwikkeling van kinderen.
Wat opvalt, is dat steeds vaker schooldirecteuren zélf het initiatief nemen om een Samen naar School-klas te starten. Ze willen hun leerlingen niet langer doorverwijzen naar het speciaal onderwijs, maar zoeken naar manieren om hen binnen de eigen school te ondersteunen. Deze beweging van onderaf sluit naadloos aan bij de visie van Stichting het Gehandicapte Kind: onderwijsvernieuwing begint bij mensen die het anders willen én durven doen.
In de beginjaren stonden veel leerlingen in Samen naar Schoolklassen nog niet officieel ingeschreven op een reguliere school. Ze vielen onder een vrijstelling van de leerplicht. Inmiddels is die situatie sterk veranderd. Nieuwe klassen krijgen onderwijsfinanciering en de leerlingen worden ingeschreven in de school. Deze ontwikkeling, van vrijstelling naar volwaardige inschrijving, markeert een belangrijke stap richting echte inclusie. De samenwerking met het Steunpunt Passend Onderwijs speelt hierin een belangrijke rol.
Eva Boon, ouder van een leerling en oprichter van de Gripklas bij BSO de Pit in Groningen vertelt: “Mijn dochter ging naar speciaal onderwijs ver van huis en kwam elke dag uitgeput thuis. Niemand in de buurt kende haar. Nu zit ze op een school in de wijk, samen met andere kinderen.”
“Ik vind het belangrijk dat kinderen met een beperking zo normaal mogelijk opgroeien en in de buurt samen met andere kinderen naar school kunnen gaan. Op deze school kijkt niemand meer raar op van een kind dat niet kan praten. Tijdens de weeksluiting geven onze leerlingen een lesje gebarentaal. Er wordt samen gespeeld, er is veel onderling contact en iedereen mag gewoon anders zijn.”
Wanneer de leerlingen ingeschreven worden in de school, krijgen ze een ontwikkelingsperspectief (OPP) waarin de specifieke doelen en extra ondersteuning beschreven staan. De leerlingen van de Samen naar School-klas zijn vrijgesteld van einddoelen en uitstroomprofielen, maar volgen wel de leerroutes die gebruikelijk zijn in het onderwijs. Veel Samen naar School-klassen gebruiken daarvoor de bekende Plancius-leerlijnen of de CED-leerlijnen. Of de leerlijn die speciaal voor Samen naar School-klassen is ontwikkeld en zich met lesvoorbeelden en materialen specifiek richt op inclusie: IPIO-Z (Integraal Pakket voor Inclusief Onderwijs en Zorg).
Ook het onderwijs zelf is zo inclusief mogelijk. Waar het kan, sluiten de kinderen uit de Samen naar School-klas aan bij de reguliere lessen. Bijvoorbeeld voor de instructie van de rekenles. In veel gevallen gaat er een begeleider mee zodat het geen druk legt op de leerkracht van de reguliere klas. Maar ook vice versa is die inclusie er. Veel leerlingen van de reguliere klas helpen regelmatig in de Samen naar School-klas.
De wens om inclusief onderwijs te volgen stopt niet na groep 8. Steeds meer jongeren uit een Samen naar School-klas, zouden ook graag in het voortgezet onderwijs ondersteuning krijgen binnen een reguliere setting. Op dit moment is het nog niet mogelijk om de leerlingen voor Samen naar School in te schrijven in de reguliere VO-school. Stichting het Gehandicapte kind zet zich samen met Steunpunt Passend Onderwijs en het ministerie van OCW actief in om dit te veranderen. Maar er zijn al samenwerkingsverbanden die het belang van deze klassen in het VO inzien en zonder inschrijving toch onderwijsgeld beschikbaar stellen.
Samen naar School gaat nóg een stap verder, want ook voor jongeren van 16 jaar en ouder ontstaan er nieuwe mogelijkheden. Sommige leerlingen stromen eerder uit uit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, maar willen blijven leren, stage lopen of deelnemen aan de maatschappij. Voor hen zijn er inmiddels speciale klassen binnen het Samen naar School-concept, zoals bij de ALEZ Academie en Paratus Plus. Deze initiatieven bieden maatwerktrajecten waarin leren, werken en persoonlijke ontwikkeling hand in hand gaan.
Samen naar School laat zien dat inclusief onderwijs geen utopie is, maar een haalbare en waardevolle realiteit. Het vraagt om samenwerking tussen ouders, scholen, gemeenten, zorgprofessionals en beleidsmakers. Het vraagt ook om lef: om buiten de gebaande paden te denken en te doen wat nodig is voor kinderen die anders buiten de boot vallen. De beweging groeit. Niet alleen in aantal klassen, maar ook in bewustwording.
De casus Samen naar School toont hoe onderwijsvernieuwing van onderaf kan uitgroeien tot een landelijke beweging. Het is een inspirerend voorbeeld van hoe pedagogisch denken, maatschappelijke betrokkenheid en praktische samenwerking kunnen leiden tot echte verandering. Voor pedagogen, beleidsmakers en onderwijsprofessionals biedt het waardevolle inzichten én een uitnodiging: om mee te bouwen aan een schoolplein waar iedereen welkom is.
Toen schooldirecteur Elza-Baukje Lap de plannen voor een Samen naar School-klas besprak met haar team, meldden zich direct drie leerkrachten die mee wilden doen. Eén van hen had geen ervaring in het speciaal onderwijs, maar volgde cursussen om zich te verdiepen in de doelgroep.
“We merken dat het maatwerk intensief is,” vertelt Lap, “maar het is het waard. Iedereen groeit ervan: de leerlingen, de ouders én het personeel. Samen opgroeien kost wat, maar levert vooral veel op.”
tekst: Miranda Kraaijenhagen, Jetty Anema en Maartje van Boekel
foto’s: Stichting het Gehandicapte Kind
Meer weten of interesse om een Samen naar School-klas te starten? Kijk op www.samennaarschool.nl en neem contact op met de onderwijszorgadviseur van Stichting het Gehandicapte Kind.
Als wijkcoach en actief lid van de Turkse gemeenschap in Enschede – waar taboes rondom seksualiteit sterk aanwezig zijn – maak ik me zorgen over de gevaren van shame-sexting. Met steun van de moskee organiseer ik sinds 2024 workshops voor moeders en inmiddels ook voor jongeren.
Lees meer
Asli Karaman
De casus van een Turks meisje in de basisschoolleeftijd, slachtoffer van shame-sexting, raakte me. Tijdens een ontbijt in mijn ouderlijk huis deelde ik dit verhaal. Haar foto’s waren zonder toestemming verspreid via meerdere sociale mediaplatforms. De beelden werden herhaaldelijk gedeeld, wat leidde tot victim blaming, online shaming en ernstige psychische schade.
Naast deze casus was ik gealarmeerd door recent onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS). Dit toont aan dat shame-sexting – het ongewenst verspreiden van intiem beeldmateriaal – een groeiend probleem is. Meisjes (en jongens) uit Turkse, Marokkaanse en Hindoestaanse gezinnen zijn extra kwetsbaar, omdat de nadruk op seksuele eer binnen deze gemeenschappen het risico op chantage en uitbuiting vergroot.
In februari 2024 nam ik contact op met de Selimiye moskee (Islamitische Stichting Nederland) in Enschede om dit onderwerp bespreekbaar te maken. De moskee reageerde positief en bood ruimte voor een voorlichtingssessie voor moeders. Samen met de imams zochten we aansluiting bij islamitische en culturele waarden.
Tijdens de sessie benadrukte ik de kwetsbaarheid van jongeren, zowel als slachtoffer als onbedoeld dader. We bespraken risico’s van sexting, de kracht van sociale media, en vooral de rol van ouders. Ik moedigde moeders aan om open gesprekken te voeren – ondanks taboes. Een moeder vroeg: ‘Hoe begin ik zo’n gesprek met mijn dochter, zonder dat ze denkt dat ik haar wantrouw?’ Dit soort onzekerheid bleek veel voor te komen. We keken samen naar manieren om een open gesprek te voeren zonder dat het als ‘beschuldigen’ overkomt. Ook bespraken we het belang van ouderlijke betrokkenheid bij het online leven van hun kinderen.
Na afloop bleven veel moeders hangen om persoonlijke verhalen te delen. Een moeder vertelde dat ze zelf met een soortgelijk probleem te maken had en daarom speciaal naar deze bijeenkomst was gekomen.
Daarna heb ik sessies georganiseerd in meerdere Turkse moskeeën in Enschede, Oldenzaal en Hengelo. In Hengelo en Enschede hoopten moeders dat ook vaders betrokken zouden worden, omdat zij vaak een cruciale rol spelen in de opvoeding, maar niet altijd goed weten hoe ze deze kunnen invullen.
Inmiddels word ik ook benaderd door moskeeën buiten Twente, zoals Amsterdam, Amersfoort en Utrecht. Het laat zien dat er binnen moslimgemeenschappen een groeiende openheid bestaat om thema’s als online veiligheid, seksualiteit en opvoeding bespreekbaar te maken – míts dit op een respectvolle en cultureel sensitieve manier gebeurt.
Op verzoek van de moeders ben ik ook begonnen met het organiseren van workshops voor jongeren. Over thema’s zoals sexting, online shaming, verantwoord online gedrag en de gevolgen van grensoverschrijdend gedrag. Jongeren krijgen hierbij handvatten om bewuster en veiliger online te zijn. Dit wordt mogelijk gemaakt door de steun van de moskeeën, die een veilige en vertrouwde ruimte bieden voor deze gesprekken.
tekst: Asli Karaman
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Als je werkt met kinderen met specifieke angsten en inspiratie zoekt, dan is Angsten en fobieën bij kinderen van A-Z een boek voor jou. De auteurs, zelf (klinisch) psychologen en oudercoach, hebben een praktisch overzicht geschreven van exposure-oefeningen voor angsten. Van aardbevingen tot zwemmen en alles daar tussenin. Letterlijk van A tot Z dus.
Ze lichten elke angst eerst kort toe. Dan volgen voorbeelden van exposure-oefeningen, in verschillende moeilijkheidsgradaties. Van samen hondenbingo spelen tot een hond aaien (angst voor honden). En van het maken – en smeren – van nepbloed (inclusief recept!) tot bij jezelf een druppel bloed prikken. Ook zijn er oefeningen met een grotere rol voor ouders, zoals minder bevestigingsvragen leren stellen, of je kind alleen leren slapen.
De auteurs doen, heel orthopedagogisch, vooral een beroep op ouders en directe omgeving om het kind te begeleiden tijdens de exposure. Daaronder zit uiteraard de expertise van de behandelaar, om oefeningen te selecteren die passend zijn, om de oefeningen uit te leggen en om aanvullende ondersteuning te bieden. Bijvoorbeeld wanneer EMDR of CGT voorwaardelijk is om verder te kunnen. Belangrijk is, en dit wordt ook aangegeven, dat je weet wat je doet en wanneer je welke oefening inzet. De auteurs gaan ervanuit dat de lezer ervaring heeft met exposure en responspreventie (ERP)-therapie. Dus ben je een geoefend behandelaar: lees dit boek en doe inspiratie op.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Angsten en fobieën bij kinderen van A-Z – met creatieve exposure-oefeningen (2025) van Dawn Huebner en Erin Neely is een uitgave van SWP.
Tijdens een paar intense dagen met mijn pasgeboren baby begon ik aan De ontevreden baby van Pamela Douglas. Ik had behoefte aan herkenning en houvast. Die biedt het boek zeker. De nadruk op de normale variatie in ontwikkeling en gedrag van jonge baby’s werkt geruststellend. Het geeft ruimte aan onzekerheid – en helpt om niet direct in probleem-denken te vervallen.
Douglas baseert haar visie op principes uit de Acceptance and Commitment Therapy (ACT), wat leidt tot een compassievolle benadering van ouderschap. Haar kernboodschappen over slapen, huilen, eten en prikkelverwerking vind ik erg nuttig. Zeker op dagen dat het ouderschap overweldigend voelt, kan dit boek net een beetje lucht geven. Toch las ik het boek niet in één ruk uit. Sommige passages zijn langdradig, met veel herhalingen. De casussen zijn soms wat gemaakt en overdreven. Douglas is kritisch op traditionele benaderingen van babyzorg (zoals rust, reinheid en regelmaat) en dat is begrijpelijk – ze heeft een punt. Maar de manier waarop ze haar standpunten brengt, komt wat belerend en weinig genuanceerd over. Waar ze pleit voor ruimte en mildheid, lijken haar eigen oordelen soms juist erg stellig.
Als aanvulling op het boek is de podcast De ontevreden baby verrassend waardevol. Verschillende experts, waaronder hoogleraar Pedagogiek Maartje Luijk, worden geïnterviewd over de thema’s uit het boek. De afleveringen bieden verdieping en praktische inzichten met een duidelijke wetenschappelijke onderbouwing. Een mooie inhoudelijke aanvulling op het boek – of een prima alternatief voor wie liever luistert dan leest.
tekst: Rianne Manenschijn
De ontevreden baby (2024) van Pamela Douglas is een uitgave van SWP.
Alfred Korzybski (1879-1950) was een Pools-Amerikaanse algemeen linguïst en grondlegger van de Algemene Semantiek. Hij maakt onderscheid tussen de wereld van de spraak en symbolen, en de werkelijke wereld. Eerlijk gezegd had ik nog nooit gehoord van Korzybski, laat staan van het Korzybski Instituut. De podcast Het Korzybski Huis, uitgebracht door dit Belgische instituut, is het beluisteren waard. De focus ligt op oplossingsgericht werken.
In de inmiddels 17 afleveringen van de podcast interviewt psycholoog en psychotherapeut Geert Lefevere verschillende experts over hoe gesprekken helpend kunnen zijn voor mensen die op zoek zijn naar stabiliteit of verandering. Het zijn onder meer experts op het gebied van psychotherapie, ouder-kind relaties, de relatie tussen leerkracht en leerling, vriendschap en andere relaties. Elk gesprek gaat over de menselijke alliantie, over verbinding tussen mensen en over constructief spreken. Actuele onderwerpen komen aan bod, zoals de bejegening van gevluchte jongeren, de functie van machteloosheid en woede, de rol van taal in het creëren van een therapeutische alliantie.
Je leert in de verschillende afleveringen over de impact van het werkwoord ‘zijn’, wat victimiserende empathie is, dat er soms een beetje autistisch met de diagnose autisme wordt omgegaan, dat we zo lang we kwaad zijn hoopvol kunnen zijn en nog veel meer.
De gesprekken zijn inspirerend en niet alleen interessant voor pedagogische professionals. Positieve bijkomstigheid is dat de meeste gesprekken in het Vlaams zijn, wat sowieso al een genot is om naar te luisteren.
tekst: Marleen Baeten
Het Korzybski Huis is te beluisteren via de gebruikelijke podcast-kanalen.
Waarom kijken we graag naar actiefilms met veel geweld? Een zucht naar spanning en sensatie? Of juist een extra gevoel van veiligheid omdat het niet ècht is en ver van je bed? Dat vroeg ik me af toen het boek Scholen op scherp mijn aandacht trok. Kinderen en jongeren met wapens in en rond de school luidt de ondertitel. Dat triggerde iets. Niet omdat er op mijn school een kind met een boksbeugel rondloopt. Maar kennelijk toch omdat de dreiging van geweld fascineert.
Het boek leest lekker weg, met grote letters en levendige voorbeelden. Kees van Overveld, gepromoveerd op agressie onder jongeren, heeft voor een heldere indeling in drieën gezorgd. Als je hier zelf mee te maken hebt op school, vind je wat je zoekt in deel drie. Daarin staan zestien aanbevelingen. Van Overveld levert er bovendien talloze bronnen bij en praktische tips in de bijlagen.
Ben je vooral geïnteresseerd in feiten en achtergronden, dan vind je in de eerste delen vast iets wat je misschien niet zocht, maar wel interessant is. Zo is er een hoofdstuk over drillrap en de bijbehorende straattaal. En een over online gedrag. Het internet zorgt dat het allemaal niet zo ver van je bed is. En dat het niet alleen iets voor grote steden is, maar ook voor een dorp als Drachten (p. 75). En: wapendragers zitten soms nog op de basisschool. So beware!
tekst: Andries Kamminga
Scholen op scherp. Kinderen en jongeren met wapens in en rond de school (2023) van Kees van Overveld is een uitgave van Pica.
Mathijs Vervloed is sinds september 2023 bijzonder hoogleraar Ondersteunde Communicatie bij kinderen met meervoudige beperkingen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Zijn leerstoel wordt gefinancierd door Stichting Milo, die kennis uit praktijk en wetenschap verzamelt op het gebied van ondersteunde communicatie.
Lees meer
Mathijs Vervloed is de opvolger van Hans van Balkom, psycholinguïst en een van de oprichters van Stichting Milo, die zich volledig heeft toegelegd op ondersteunde communicatie.
“Hans en ik kennen elkaar al jaren. Toen hij mij vroeg voor dit hoogleraarschap heb ik er wel even over moeten nadenken. Dit is een veld dat van oudsher wordt gedomineerd door taal- en spraakpathologen en logopedisten. Als orthopedagoog weet ik natuurlijk wel wat van kinderontwikkeling, maar ik beschouwde mezelf niet als expert op taalgebied.”
Hij besloot de positie te aanvaarden, juist vanwege het feit dat hij als orthopedagoog weer een ander perspectief meebrengt. “We werken met kinderen bij wie diagnostiek vaak lastig is, het is niet gemakkelijk om de juiste ingang bij een kind te vinden. Dat vergt niet alleen veel van professionals, maar ook van ouders en andere familieleden. Ik denk dat wij als orthopedagogen veel ervaring hebben in het gemotiveerd houden van al die mensen die om zo’n kind heen staan. We weten hoe we gebruik kunnen maken van het systeem. Daarbij is het prettig dat ik een heel team om me heen heb van collega’s met allerlei verschillende expertises. Ik hoef de kar dus niet alleen te trekken.”
Onder ondersteunde communicatie wordt iedere vorm van hulp verstaan die de gesproken taal kan ondersteunen. Dat varieert van gebarentaal, pictogrammen en liedjes tot meer geavanceerde vormen, zoals spraakcomputers en oogbesturing. Vervloed: “We focussen ons vaak op de techniek, maar er is maar een klein deel van de doelgroep dat hier gebruik van maakt. Sterker nog, er hoeft soms niet eens een hulpmiddel aan te pas te komen om de communicatie met een kind op gang te brengen. Kinderen zenden vaak al allerlei natuurlijke signalen uit en als je leert om die te interpreteren, is dat voldoende.”
Het onderzoek van Vervloed richt zich op kinderen en jongeren (tot 23 jaar) met meervoudige aangeboren beperkingen. Vaak gaat het om een combinatie van een of meerdere zintuigbeperkingen en een verstandelijke of motorische beperking. In het laatste geval gaat het om kinderen die zich niet of heel moeilijk kunnen uiten, maar wel degelijk in staat zijn om spraak en taal te begrijpen.
“Veel van deze kinderen worden onderschat. Dat zie je als je ze ondersteunde communicatie aanbiedt en constateert dat ze prima in staat zijn om een taal te leren. Onze filosofie is sowieso dat je altijd moet onderzoeken of kinderen communicatie kunnen begrijpen, hoe laag het niveau ook is en hoe ernstig of meervoudig de beperkingen ook zijn. Als je het niet probeert, weet je het immers ook niet.”
Mathijs Vervloed en zijn team voeren het onderzoek uit langs drie lijnen. “Allereerst richten we ons op diagnostiek en behandeling. We willen in kaart brengen wat wel en niet werkt. Dat is niet alleen fijn voor deze kinderen, maar ook voor de zorgverzekeraars. We doen met z’n allen namelijk best veel interventies die tijdrovend en kostbaar zijn, dus wij proberen zoveel mogelijk bewijs te verzamelen voor effectieve interventies.
De tweede onderzoekslijn richt zich op het lezen. We zien in de praktijk regelmatig dat kinderen die leren communiceren met plaatjes of tekeningen ook de geschreven woorden oppikken die erbij staan. Dat heeft ons aan het denken gezet. Vandaar dat we nu een vorm van leesonderwijs introduceren om kinderen met meervoudige beperkingen aan het lezen te krijgen.
De derde lijn richt zich op het bevorderen van participatie en inclusief onderwijs. Nederland heeft zich in 2016 aangesloten bij het VN-verdrag Handicap, waarin we beloven dat mensen met een beperking net zo moeten kunnen leven als anderen en dat kinderen recht hebben op inclusief onderwijs. Ik loop al best lang rond in de gehandicaptenzorg, maar eigenlijk komt daar dus weinig van terecht. Je ziet nog steeds dat regulier en speciaal onderwijs twee verschillende werelden zijn en ik wil onderzoeken hoe we dat kunnen doorbreken. Misschien zal dat voor een deel ook buiten de academische setting moeten en ga ik me meer mengen in het maatschappelijk debat. Dat is nieuw voor mij, maar ook leuk en interessant.”
Als hij er één aspect uit zou moeten lichten van wat hij wil bereiken met zijn leerstoel, wat zou dat dan zijn? “Communiceren is zo wezenlijk voor een mens. En dan bedoel ik niet per se taal, maar een boodschap overbrengen op welke manier dan ook. Dat gaat bij sommige kinderen niet vanzelf – om het zacht uit te drukken. Het vergt vaak maanden van intensief onderzoek om erachter te komen wat werkt. Er zijn geen generieke oplossingen, ieder kind is anders.
Het is schrijnend om te zien hoe kinderen als het ware opgesloten zitten in hun lichaam en zich niet kunnen uiten. Als je dan toch dat deurtje open krijgt en de communicatie tussen kinderen en ouders op gang kunt krijgen… dat is onbetaalbaar. Dus ik hoop dat ons onderzoek bijdraagt aan het besef dat alle kinderen kunnen leren en dat er ook vrijwel altijd een vorm van communicatie mogelijk is.”
![]()
“Ik denk dat het goed is dat mensen af en toe uit hun comfortzone treden. Daarom hoop ik dat orthopedagogen-in-opleiding ook eens gaan kijken bij doelgroepen waar ze op het eerste gezicht niet zoveel mee hebben. Ik gun iedere orthopedagoog om te werken met kinderen met een meervoudige beperking. Ze zijn afkomstig uit alle rangen en standen van de samenleving en geen kind is hetzelfde. Maar misschien nog wel belangrijker: iedereen is gemotiveerd om de situatie te verbeteren. En ook al gaat het vaak met kleine stapjes, het is enorm bevredigend als dat ook daadwerkelijk lukt.”
tekst: Raymond Krul
Onder de naam Deelkracht werken onderzoekers, professionals en ervaringsdeskundigen samen aan één einddoel: een samenleving die ook met een zintuiglijke beperking toegankelijk is. Mathijs Vervloed: “Op de website staan hele mooie filmpjes die laten zien wat er mogelijk is met Ondersteunende Communicatie, bijvoorbeeld kinderen die niet kunnen spreken, maar zich toch kunnen uitdrukken dankzij een spraakcomputer. Opeens zijn die kinderen dan veel minder beperkt dan ze op het eerste gezicht leken.”
Meer info: www.deelkracht.nl
Hoe kun je kinderen verhoren over een mogelijk verdacht incident, zoals seksueel misbruik? Om suggestieve vragen te voorkomen, gebruikt de politie de methode van free recall en gerichte invitaties. Daisy Smeets vertelt over de online yogales waarmee zij deze methode in een experiment onderzocht.
Lees meer
Vanuit de praktijk kwam de onderzoeksvraag om de methode van het kindverhoor bij de politie tegen het licht te houden. Als kinderen over een gebeurtenis vertellen, zoals bij een vermoeden van seksueel misbruik, is er bewijs nodig om een verdachte te vervolgen. Hoe uitgebreider en gedetailleerder een kind over het incident vertelt, des te meer bewijs.
Werkt de methode die de politie gebruikt beter als de volgorde van de vragen verandert? Enkele recherchepsychologen kwamen met deze vraag naar Daisy Smeets, universitair docent bij Forensische gezinspedagogiek en jeugdhulpverlening aan de Universiteit Leiden. Samen met collega Lenneke Alink diende Daisy met succes een subsidieaanvraag in bij Politie & Wetenschap. Nu ligt er het onderzoeksrapport.1
Hoe kunnen we het beste met kinderen praten om ze te horen over een mogelijk verdachte gebeurtenis? Dat is een belangrijke vraag, niet alleen voor de politie, maar ook voor bijvoorbeeld Veilig Thuis en de jeugdbescherming. Er is een lange lijn van internationaal wetenschappelijk onderzoek, resulterend in een recent white paper: een diepgaande analyse met aanbevelingen voor het interviewen van kinderen in een forensische setting.2
Door al dat onderzoek is het duidelijker welke vragen we kinderen wel of juist niet moeten stellen, vertelt Daisy. “Suggestieve vragen kunnen ervoor zorgen dat kinderen dingen vertellen die niet waar zijn. Zo gebruikte men in het verleden anatomisch correcte poppen, waarop een kind kon aanwijzen waar een verdachte het kind had aangeraakt. De gedachte was: het kind durft het misschien niet te zeggen, maar wel aan te wijzen. Die poppen, en ook tekeningen, blijken zo suggestief dat kinderen vertellen over aanrakingen die nooit hebben plaatsgevonden. Dat soort methoden zijn achterhaald. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we nu: stel geen sturende vragen en begin met het kind vrij te laten vertellen.”
Een vaste procedure, een protocol, moet de verhoorder behoeden voor suggestieve vragen en leiden tot uitgebreide, betrouwbare informatie. Een protocol is belangrijk, zeker bij een gevoelig onderwerp als seksueel misbruik.
Daisy: “Het protocol bij de politie heet het scenariomodel. Kinderen worden verhoord in een kindvriendelijke studio met in het begin een neutraal gesprekje, bijvoorbeeld over een hobby van het kind. Daarna begint de verhoorder het gesprek over het incident. Er zou bijvoorbeeld iets zijn gebeurd tijdens een bezoek aan oom Piet. De verhoorder nodigt het kind uit om hierover te praten met de vraag: Kun je me daar eens alles over vertellen? De start is dus een free recall, zonder verdere vragen of aanwijzingen. Als het kind helemaal uitverteld is, vat de verhoorder het verhaal van het kind samen, waarbij het kind mag corrigeren. Om te checken of kinderen dat ook durven zijn er oefeningen ingebouwd. Het kind heeft bijvoorbeeld eerder verteld dat zijn hobby voetbal is. De verhoorder zegt dan: Wat zou je zeggen als ik begrepen had dat jouw hobby tennis is?”
Daarna volgt de fase van gerichte invitaties. “De verhoorder wil misschien meer weten over bepaalde dingen die het kind tijdens de free recall vertelde. Het kind zei over oom Piet dat er ook een keer in het zwembad iets was, zonder daar verder op door te gaan. De verhoorder vraagt niet: Wat is er eigenlijk in het zwembad gebeurd? Dat zou een sturende vraag zijn. Er wordt een gerichte invitatie ingezet, waarbij je teruggrijpt op wat het kind eerder zei: Je vertelde net ‘Er was ook een keer iets in het zwembad’. Vertel me daar eens alles over. Eigenlijk hetzelfde als in de eerste fase, maar dan ingezoomd op een specifiek detail. Op deze manier vraagt de verhoorder verder door over andere details.”
In het onderzoek is, op verzoek van de politie, de plek van gerichte invitaties onderzocht. Er deden 32 kinderen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar mee. In de ene helft van de groep verliep het verhoor volgens de gebruikelijke volgorde: dus eerst free recall, dan samenvatten en daarna gerichte invitaties. De andere helft kreeg een alternatieve volgorde: na de free recall geen onderbreking maar meteen gerichte invitaties en daarna eindigen met samenvatten. De vraag was of de timing van gerichte invitaties invloed heeft op hoe uitgebreid kinderen vertellen.
Hoe bedenk je een experiment om dit te onderzoeken?
Daisy: “We wilden kinderen een gebeurtenis laten beleven waarover ze binnenkort zouden terug vertellen. In ander onderzoek is bijvoorbeeld gebruik gemaakt van goochelshows. Wij wilden liever een gebeurtenis die enigszins raakvlakken heeft met misbruik, omdat het kindverhoor bij de politie meestal daarover gaat. Tegelijkertijd mocht het niet stressvol of traumatisch zijn. Het was een echte ethische en praktische uitdaging.”
Uiteindelijk hadden ze een idee, vertelt Daisy. “Dat was nog voor de coronatijd. Ik dacht aan een gymles. Elementen die je ziet bij zaken van misbruik, zoals aanrakingen, kun je dan op een functionele manier toepassen. Bijvoorbeeld: Ik help je even, je rug moet ietsje rechter, waarbij je het kind even vasthoudt. Het onderzoek stond in de startblokken, maar toen kwam de pandemie en mochten we niemand meer aanraken.”
Er kwam toch een goede oplossing. “Er is een toename in het aantal online zedenzaken, ook online misbruik met jonge kinderen. Waarom doen we het experiment niet online? De gymles vormen we om tot online yogales. We kunnen het kind niet aanraken, maar wel andere elementen verwerken, zoals het uittrekken van kleding. We hebben de ouders daarover geïnformeerd: ‘We vragen dat uw kind een T-shirt aanheeft met een vest erover. We gaan het vest uittrekken want we gaan het warm krijgen.’ En verder gebeuren er wat ‘bijzondere’ dingen in de les. De juf doet de flamingo-oefening voor – op één been staan – en ze valt. Ze roept dat ze pijn heeft, doet haar broekspijp omhoog en vraagt of het kind een blauwe plek ziet. Zo zijn er meer voorvallen.”
“De les eindigt met een coolingdown waarbij ze spelen dat ze op het strand zijn om te ontspannen. Op het strand moet je jezelf insmeren om niet te verbranden. Dus krijgt het kind de opdracht: smeer je armen in, smeer je benen in. Kinderen raken zichzelf aan, maar binnen de context van die les is dat niet heel raar. En omdat het zo warm is op het strand, pakken ze er een (nep)ijsje bij. We dachten dat kinderen dat misschien gek zouden vinden, zogenaamd een ijsje likken voor de camera. Maar uiteindelijk vond geen enkel kind dat raar. Na de les belden we de ouders op om een samenvatting te geven van de les. En na een week volgde een tweede online afspraak waarin kinderen aan een andere onderzoeker – niet de yoga-juf – terug vertelden over de les.”
Wat waren de uitkomsten?
Daisy: “De vraag was: wanneer vertellen de kinderen het meest? Als ze de standaardvolgorde bij het verhoor krijgen, of de alternatieve volgorde waarbij gerichte invitaties eerder ingezet worden? Het verschil bleek niet significant te zijn. Dat kan aan de kleine steekproef liggen. Op grond hiervan zien we geen reden om de timing van gerichte invitaties te veranderen. Een andere bevinding is dat alle kinderen – dus bij de standaard volgorde én de alternatieve volgorde – uitgebreider en gedetailleerder vertelden in de fase van gerichte invitaties. Dat is een belangrijke uitkomst voor het kindverhoor bij de politie, want we hoorden dat de inzet van gerichte invitaties weleens kan verminderen in de loop van de tijd. Soms door confirmation bias: als je een vermoeden hebt, wil je dat bevestigd zien en ga je sneller gerichte vragen daarover stellen.”
![]()
Wat kunnen pedagogen leren uit dit onderzoek?
Daisy: “Gerichte invitaties voegen echt iets toe, dat is de belangrijkste les voor pedagogen in de praktijk. Vaak hebben we een kind iets horen zeggen, of je wilt iets weten van een kind, maar je wilt niet sturen. Bijvoorbeeld in een complexe scheidingszaak wil je weten wat het kind ervan vindt om in het weekend bij zijn vader op bezoek te gaan. Of een leraar krijgt twee ruziënde kinderen bij zich en wil weten wat er gebeurd is. In heel veel contexten speelt de vraag: hoe krijg ik een kind aan het praten en hoe zorg ik dat ik niet ga sturen? Begin met free recall, dat is altijd de insteek. En probeer daarna gerichte invitaties in te zetten. Vraag door, steeds op een open manier: Je zei net dit of dat. Vertel me daar eens over?”
tekst: Femmie Juffer
tekening: Feline Woolderink (12 jaar)
Een gz-psycholoog werkt sinds 2021 als orthopedagoog bij een praktijkschool en is betrokken bij de begeleiding van een dan nog minderjarige leerlinge. Zij krijgt vanwege haar thuissituatie en problematiek ondersteuning vanuit de school. Beiden hebben wekelijks gesprekken. In het voorjaar van 2023 wordt het contact intensiever en raakt de orthopedagoog steeds meer betrokken bij de leerlinge. Na de zomervakantie ontstaat er een grensoverschrijdende relatie met seksueel contact.
Lees meer
Helaas is dit een echte casus. Deze gz-psycholoog heeft zichzelf inmiddels uitgeschreven uit het BIG-register. De werkgever heeft een tuchtklacht ingediend. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle heeft vervolgens de gz-psycholoog het recht ontzegd om weer in het BIG-register te worden ingeschreven en gevraagd om publicatie van deze uitspraak in onder meer de Pedagoog.
Artikel 27 lid 2 van de NVO beroepscode zegt nadrukkelijk: De pedagoog onthoudt zich van iedere vorm van grensoverschrijdend gedrag jegens de cliënt en het cliëntsysteem, ook als de cliënt of het cliëntsysteem dit gedrag expliciet vraagt, of daartoe uitnodigt. Het kan onverwacht en onbedoeld gebeuren dat je als hulpverlener gevoelens ontwikkelt voor een cliënt die verder gaan dan hoort bij een professionele relatie. We zijn en blijven allemaal mensen. Van belang is hoe je met zo’n situatie omgaat. Mocht je merken dat je ongepaste gevoelens ontwikkelt, dan is het van belang dit te bespreken met bijvoorbeeld de regiebehandelaar of je leidinggevende, om te bekijken wat verstandig is om te doen.
In april en oktober 2023 spreken zijn collega’s en teamleider de orthopedagoog meerdere keren aan en verzoeken hem om meer afstand te nemen van de leerlinge. Half december 2023 ontvangt de hulpverleningsinstantie, waar de leerlinge onder behandeling is, een melding over de relatie. Deze instantie spoort de orthopedagoog tijdens een gesprek aan om het bij de werkgever te melden. Vervolgens stelt de orthopedagoog zijn teamleider op de hoogte. Op 21 december 2023 vindt er een gesprek plaats met de orthopedagoog, zijn echtgenote, zijn teamleider en de leidinggevende. Aansluitend is de orthopedagoog, met ingang van die dag, op staande voet ontslagen.
Als je meent te merken dat een collega te nauw betrokken raakt bij een cliënt, ga dan vooral open het gesprek aan. Onderzoek samen wat je merkt en hoe de ander dit ziet. Benoem wat je ziet in de relatie met deze cliënt en bijvoorbeeld het verschil in handelen met andere cliënten.
Een te nauwe betrokkenheid ontwikkelt zich vaak ongemerkt. Wellicht is het slechts een kwestie van bewustwording van de collega en is dat voldoende om de relatie met de cliënt weer te normaliseren. Soms is het beter om de cliënt over te dragen aan een andere collega en zo nodig de leidinggevende in te schakelen. Er wordt van je verwacht dat je doet wat noodzakelijk is om een bedreigende of schadelijke situatie voor de cliënt te beëindigen (art 17 lid 2 NVO-beroepscode). Kijk daarbij ook wat passend is bij je functie. Zoals de hulpverleningsorganisatie in deze casus, die de betreffende professional zover kreeg om de situatie zelf bij zijn eigen leidinggevende te melden.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7313
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen, nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Maartje ten Hooven-Radstaake (40), sinds 2015 werkzaam als orthopedagoog bij Expertisecentrum ENCORE, Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam.
Lees meer
“Ik werk als orthopedagoog in het Sophia Kinderziekenhuis op de poli voor kinderen met Angelman syndroom en Dup15q syndroom. Kinderen met Angelman syndroom kunnen niet praten, hebben een verstandelijke beperking, vaak epilepsie en beperkingen in hun motoriek en prikkelverwerking. Kinderen met Dup15q syndroom hebben meer uiteenlopende beperkingen qua verstandelijke, motorische en spraak/taal mogelijkheden. Ook zien we bij deze groep regelmatig autisme.”
“De kinderen komen met hun ouders of verzorgers elk jaar voor een reguliere check-up op de poli zodat we hun ontwikkeling kunnen volgen, behandelen en ondersteunen waar nodig. We werken met een team van een kinderarts, kinderneuroloog, logopedist, fysiotherapeut en orthopedagoog. Ik zie de kinderen altijd samen met de kinderarts en/of kinderneuroloog omdat vragen over bijvoorbeeld slaap, zindelijkheid en ontwikkeling in het algemeen vaak zowel medisch als pedagogisch van aard zijn. Ik denk mee, geef adviezen en bel na afloop ook regelmatig met de school of instelling waar het kind onderwijs of zorg ontvangt. We vragen dan naar hun beeld van het kind en bespreken onze bevindingen en adviezen.”
“Structurele financiering van een orthopedagoog binnen een team. Vanwege indicatieregels is het ingewikkeld een orthopedagoog direct te betrekken bij de zorg voor alle kinderen. Dit is jammer, omdat we problemen vaak voor kunnen zijn of voorkomen dat ze erger worden. Bijvoorbeeld door ouders al vroeg op het hart te drukken niet bij hun kind te gaan slapen als dit ’s nachts veel wakker is. Niet al deze kinderen voldoen aan een DSM-V classificatie, maar hebben wel behoefte aan behandeling en begeleiding met een interdisciplinair karakter.”
“Je moet vooral goed kunnen luisteren. Hoewel deze kinderen hetzelfde syndroom hebben, zijn ze allemaal uniek en komen ouders met uiteenlopende vragen. Het is geen one size fits all. Ik heb geleerd dat niks zeggen soms juist helpend is, al vind ik dat heel moeilijk. Voldoende kennis van slaapproblemen en zindelijkheidstrainingen is prettig, maar absoluut essentieel is kennis over de inzet van ondersteunde communicatie. Deze kinderen spreken vaak niet, maar hebben veel te vertellen! Het meedenken en adviseren bij de inzet van gebaren, pictogrammen en spraakcomputers is van groot belang voor deze groep. Vooral omdat ze dikwijls cognitief worden onderschat. Maar als ze meer kunnen communiceren, gaat er een kleine dan wel grote wereld open.”
“Er is een aantal onderwerpen dat vaker terugkomt in de vragen van ouders. Relevante onderwerpen om je verder in te verdiepen zijn:
“We hadden net een Dup15q poli gehad en in de middag keken we met een paar collega’s een webinar over Gestalt taalverwerking. We herkenden alles en zaten met open mond te luisteren. Vrijwel al deze kinderen verwerken taal op deze manier! Ze leren taal in brokjes. Ze herhalen zinnen uit films, van liedjes, van eerdere momenten in hun leven. Er vielen bij ons allemaal veel kwartjes en we zijn deze inzichten gaan delen met ouders. Ook zij herkenden dit. Voorheen werd deze taal vaak bestempeld als ‘echolalie’ en soms zelfs als ‘iets dat afgeleerd moest worden’. Deze nieuwe visie is radicaal anders en voor ouders zeer waardevol. Wat hun kinderen communiceren, zien we nu als betekenisvol en als aanleiding om te gaan puzzelen wat hun kind daarmee bedoelt. Wat me het meest raakt is hoe dit de blik op het kind verandert en wat dit ook doet met de relatie tussen het kind en diens omgeving. Het is zoveel menselijker en voelt respectvoller om alles wat het kind communiceert als betekenisvol te zien.
En de laatste tijd heb ik spraakknoppen bij me, met een pictogram voor ‘dansen’ en ‘zitten’ erop. Waar het kind op drukt, dat ga ik doen. Ik dans me dus heel wat af op de poli. Hiermee laat ik ouders meteen zien hoe ze spraakknoppen kunnen gebruiken en vooral hoe leuk de inzet van ondersteunde communicatie kan zijn. Daarnaast laat het ook zien hoe leerbaar het kind is en of het bijvoorbeeld al gericht een keuze maakt tussen ‘dansen’ of ‘zitten’. De inzet van deze twee knoppen levert mij als orthopedagoog veel informatie, advies en plezier op.”
“Het is ontzettend mooi, interessant en leerzaam werk. We hebben meer dan 200 kinderen met Angelman syndroom gezien, herkennen patronen en kunnen daardoor soms problemen voorkomen. Er wordt veel onderzoek gedaan naar deze syndromen en daar doen we zelf ook aan mee. De intensieve samenwerking met andere professies is zeer leerzaam en hoog nodig bij deze complexe syndromen. Het directe contact met het kind en diens netwerk helpt om de adviezen echt individueel af te stemmen en vaak kan ik direct dingen voordoen.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
foto: Studio Kijk
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
Terwijl ik dit schrijf, zit ik heerlijk in de zon in mijn tuin. Meestal moet ik even teruglezen en nadenken waar ik het over wil hebben, maar dat hoeft dit keer niet. Ondanks de zomerse ‘rust’ is de NVO namelijk heel druk bezig met een aantal belangrijke thema’s. Zo liet ik in mijn vorige column al weten dat we gestart zijn met het herschrijven van de pedagogische visie.
Daarnaast zijn we aan het onderzoeken of het zinvol is voor de NVO om haar ledenbestand uit te breiden met hbo- en eventueel mbo-pedagogen. Omdat dit een serieus onderwerp is, met serieuze implicaties – én natuurlijk ook mooie en serieuze kansen – hebben we een projectleider in de arm genomen om de mogelijkheden in scenario’s uit te schrijven. In oktober zal het bestuur hierover een spannend besluit moeten nemen en kiezen voor een scenario dat het meest overeenkomt met de waarden en visie van de NVO (lees: de leden). Als directeur mag ik hierover wel meedenken maar niet meebeslissen (helaas…).
Judy Hoffer, directeur NVO
Opzeggen lidmaatschap Wil je je lidmaatschap bij de NVO beëindigen? Zorg ervoor dat je dit vóór 1 november doet. Stuur je opzegging schriftelijk naar onze ledenadministratie via ledenadministratie@nvo.nl of via MijnNVO.
Wijzigen lidmaatschapscategorie Wil je in 2026 overstappen naar een andere contributiecategorie? Dien dan je verzoek, samen met de benodigde bewijsstukken, uiterlijk 1 november in bij onze ledenadministratie via ledenadministratie@nvo.nl. Meer informatie over lidmaatschap en contributie vind je op www.nvo.nl/lidmaatschap/contributie.
Belangrijke deadline Houd er rekening mee dat opzeggingen en wijzigingen die na 1 november worden ingediend, pas in 2027 worden doorgevoerd. We staan klaar om je te helpen met vragen of ondersteuning!
NVO-lid Jason Meijer uit Terneuzen heeft een eigen praktijk, geeft supervisie en scholing en is regiebehandelaar bij Educonsult. Op al die plekken gebruikt en bepleit hij gespreksondersteunend tekenen bij kinderen en jongeren.
“Ik heb lang gewerkt als orthopedagoog in het speciaal onderwijs. In mijn gesprekken met kinderen bleek dat taal soms te vluchtig is, je te snel gaat of té grote stappen neemt. Tekenen bij je gesprek vertraagt, geeft verwerkingstijd en is een prima geheugensteun om soms moeilijke of veel informatie te onthouden.
In mijn contacten met neurodiverse leerlingen en jongeren met een verstandelijke beperking groeide het uittekenen van de uitkomst van een gesprek uit tot de methodiek Tekenpraat, die ik samen met klinisch psycholoog Peter Vermeulen heb vormgegeven.”
“Naast het gespreksondersteunend tekenen, beschreven in het boek Tekenpraat, gebruik ik binnen elk diagnostiek- en behandeltraject tekeningen om de plannen van aanpak uit te leggen, uitkomsten van onderzoeken te verduidelijken en behandeltrajecten te evalueren.
Kinderen en ouders zijn enthousiast. Regelmatig gaan de tekeningen mee naar huis voor op de koelkast, of om uit te leggen aan de leerkracht of opa en oma wat soms moeilijk is, wat iemands krachten zijn en hoe het nog beter kan. Kinderen komen zo echt in hun kracht, zijn betrokken bij hun traject en kunnen veel eenvoudiger zicht houden op de resultaten.”
foto: Mark Neelemans
De Pedagoog is jarig! Precies tien jaar geleden – in het najaar van 2015 – verscheen het allereerste nummer. Even daarvoor nog overwoog de NVO om haar verenigingsblad NVO-Bulletin te vervangen door een digitale versie. Maar een enquête onder NVO-leden stak daar een stokje voor. Een overgrote meerderheid koos voor het behoud van een papieren tijdschrift, inmiddels jaargang 26! Met een grote groep mensen bedachten we toen de Pedagoog, als waardige opvolger van het Bulletin. Met veel meer pagina’s én met een formule. Veel rubrieken uit die begintijd bestaan nog steeds: het interview als opening, onderzoeksnieuws, de promovendus, casus, boeken &zo, gegrepen en op de werkvloer als hekkensluiter.
Lees meer
Coverfoto: Stille Strijd is een enorm beeld van kunstenaar SAZZA om het taboe op depressie en zelfdoding onder jongeren te doorbreken. Fotograaf: Aatjan Renders
De rubriek de hoogleraar is er later bijgekomen. In dit nummer spreekt hoogleraar Ondersteunende Communicatie Mathijs Vervloed de wens uit dat meer orthopedagogen kiezen voor zijn doelgroep: kinderen en jongeren met meervoudige aangeboren beperkingen, die zich vaak niet kunnen uiten en daarom vaak worden onderschat. Gebarentaal, pictogrammen, liedjes en spraakcomputers kunnen uitkomst bieden. ‘Ondersteunende communicatie is essentieel’, zegt orthopedagoog Maartje ten Hooven-Radstaake, die werkt met deze doelgroep in het Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam. Ze vertelt erover in de rubriek young professionals, op de pagina’s die – ook vanaf het begin – zijn ingeruimd voor het NVO-netwerk Studenten en Starters. In de rubriek casus laat Stichting het Gehandicapte Kind zien dat inclusief onderwijs goed mogelijk is, ook een wens van Mathijs Vervloed. Zij organiseren aparte Samen naar School-klassen voor kinderen met een beperking op reguliere basisscholen.
Vier rubrieken besteden aandacht aan (online) seksueel geweld. Opvoeders van nu gaat over het politieverhoor van kinderen over seksueel misbruik. Gastschrijver Asli Karaman organiseert in Turkse moskeeën workshops voor moeders en jongeren over de gevaren van online shame sexting. Redactielid Bart van Gent vertelt in pedagoog in de klas over de ‘knuffelmeester’ op de school van zijn jongste. En in onderzoeksnieuws over het schrikbarend hoge aantal jongeren dat te maken heeft met online seksueel geweld en wat de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek daar de komende jaren aan gaat doen.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Renske Gilissen is onderzoeksleider bij 113 Zelfmoordpreventie. In elf jaar tijd groeide haar afdeling uit tot 35 onderzoekers. Die kijken bij wie zelfdoding het meest voorkomt en hoe we het kunnen voorkomen. Vorig jaar is zij benoemd tot bijzonder hoogleraar Suïcidepreventie bij de Universiteit Leiden en in mei hield ze haar oratie.
Lees meer
Eigenlijk zouden we elkaar treffen op het kantoor van 113 Zelfmoordpreventie in Amsterdam, maar daar is net een verbouwing aan de gang. De organisatie is uit haar jasje gegroeid en krijgt er een hele nieuwe verdieping bij. Vanwege de geluidsoverlast is de hulplijn – waar dagelijks tussen de 500 en 700 telefoontjes en chats binnenkomen, vooral van jongeren en jongvolwassenen – verplaatst naar een ander gebouw. De andere medewerkers is gevraagd zoveel mogelijk thuis te werken.
Renske Gilissen (Delft, 1977) heeft me uitgenodigd op de Universiteit Leiden. Aanleiding voor ons gesprek is haar oratie,1 en de laatste CBS-cijfers. Die laten een stijging zien van het aantal suïcides onder jongeren, vooral onder jonge vrouwen. Het is de belangrijkste doodsoorzaak. Ondanks meer preventiemaatregelen. Een verklaring heeft ze niet zo een, twee, drie.
“Het enige wat ik met zekerheid kan zeggen is dat er niet één verklaring voor is. Suïcidaliteit is complex, helaas. Daarom is er ook niet één oplossing. Wel is het zo dat we niet alleen in Nederland, maar ook in Engeland, Ierland en Australië een toename zien onder jongeren, specifiek onder jonge vrouwen.”
“We moeten niet vergeten dat zelfdoding nog steeds het meest voorkomt bij mannen van middelbare leeftijd, vaak zonder werk. Maar de stijging onder jongeren is echt een zorgelijke ontwikkeling. In Nederland gaat het om vijf zelfdodingen per dag en één daarvan is een jongere. Helaas zien we deze stijging ook bij jongeren die met zelf toegebracht letsel bij de eerste hulp terecht komen.”
Hoewel er niet één verklaring is voor de stijging van zelfdodingen onder jongeren, is er wel meer bekend om welke jongeren het gaat.
Renske Gilissen: “Als we naar de CBS-data kijken, dus naar alle zelfdodingen onder jongeren, zien we opvallend veel schoolverlaters. Van de twintigers is dat zeker de helft. In een ander onderzoek hebben we jongeren zelf gevraagd waardoor hun suïcidale gedachtes zijn gekomen. Heel vaak gaat het om jongeren met een bepaalde kwetsbaarheid, met een jeugdtrauma of psychische problemen, vaak langdurig. Dat laatste zien we vooral bij jonge vrouwen. Daar komen externe stressfactoren bij. Zoals prestatiedruk, relatieproblemen, het gevoel er niet bij te horen, toenemende eenzaamheid of financiële problemen. Het is dus een mix van verschillende problemen, die bij de een weer anders is dan bij de ander.”
Renske Gilissen promoveerde in 2008 bij Pedagogische Wetenschappen in Leiden op onderzoek naar angst bij kinderen. Daarna deed ze bij GGD Haaglanden in Den Haag onderzoek naar dakloosheid en huiselijk geweld. Daar is ze zo’n beetje in het suïcidepreventie-onderzoek gerold.
“Er kwamen veel mensen, veel jongeren ook, op de spoedeisende hulp terecht na een suïcidepoging. Daar deden ze onderzoek naar. Vervolgens ben ik bij het Centraal Bureau voor de Statistiek gaan werken, met de opdracht om meer inzicht te krijgen wie er precies overlijden aan zelfdoding. De gegevens van alle mensen in Nederland die hieraan overlijden ben ik toen gaan koppelen aan andere CBS-gegevens, zoals alleenstaand of niet, met of zonder werk, hoogte van het inkomen. Zo konden we heel goed zien bij wie het nu het meest voorkomt. Dat was in 2013.”
“Toen ik mijn werk presenteerde op een conferentie in Oslo kwam de oprichter van 113 Zelfmoordpreventie Jan Mokkenstorm op me af. Hij zei: ‘Jij moet bij 113 komen werken en neem die data mee.’ Dat heb ik meteen gedaan en ben echt vol gegaan voor suïcidepreventie.”
De afgelopen jaren is 113 Zelfmoordpreventie – opgericht in 2009 – uitgegroeid van een telefonische hulplijn met een paar hulpverleners tot hét suïcide-preventiecentrum van Nederland. Naast de druk gebelde hulplijn is er een communicatieafdeling. Die heeft er onder andere voor gezorgd dat je na elk nieuwsbericht over zelfdoding leest: ‘Heb je vragen? Bel 113.’ En die zorgt voor publiekscampagnes om het taboe rond suïcide te doorbreken, zoals momenteel de campagne voor ouders Praat er niet omheen. De afdeling programma’s stuurt allerlei interventies het land in. En er is een grote onderzoeksafdeling. Hier richten 35 (!) onderzoekers, onder leiding van Renske Gilissen, zich op de vraag: bij wie komt zelfdoding het meest voor en hoe kunnen we het voorkomen?
Renske Gilissen begon haar oratie met een voorbeeld van een dertienjarige jongen die last had van sombere periodes en soms aangaf niet meer te willen leven. Toen hij zichzelf begon te beschadigen, is de huisarts ingeschakeld en die verwees hem door naar de ggz. Vervolgens is hij acht maanden van het kastje naar de muur gestuurd, van de basis-ggz die hem ‘te zwaar’ vond, naar de specialistische ggz die hem ‘te licht’ vond, en weer terug naar de huisarts.
“Helaas is het vinden van passende hulp een groot probleem”, zegt Renske Gilissen. “Dat horen we ook terug in ons onderzoek onder nabestaanden. Die stellen we allerlei vragen over de laatste jaren, maanden en dagen voor de zelfdoding. Het is super zorgelijk, want juist jongeren met suïcidale gedachtes hebben toch al het gevoel er niet bij te horen. Dat wordt alleen maar versterkt als er ook niemand is om je te helpen. Daarom is het zo belangrijk dat er een netwerk om die jongeren heen komt en ze niet tussen wal en schip vallen.”
Suïcidegedachtes zijn soms zelfs een reden om zorg af te houden, vertelt Renske Gilissen. “Het is soms een contra-indicatie, bijvoorbeeld omdat er geen 24-uurs crisiszorg is en wat doe je dan als mensen een poging doen? Daar doen we nu aanvullend onderzoek naar. Ik denk dat er meer kan en er bijvoorbeeld samenwerking gezocht kan worden met crisisdiensten. Maar passende hulp hoeft niet perse allemaal van de ggz te komen. Vanwege de lange wachtlijsten kan dat ook niet. Bovendien is 60 procent van de mensen die overlijden door suïcide helemaal niet in beeld bij de ggz.”
Er ontstaan gelukkig steeds meer laagdrempelige initiatieven, zoals ervaringsdeskundigen die elkaar helpen en inlooppunten. “Verder kunnen jongeren natuurlijk altijd terecht bij 113 voor gesprekken en online coaching, ook als ze niet in zorg zijn. Want vaak zijn gesprekken al het begin van hulp. Dat horen we bijna altijd terug van mensen die suïcidaal zijn geweest en later niet meer: Eindelijk was er iemand die mij serieus nam, bij wie ik mijn verhaal kwijt kon en die echt heeft geluisterd.”
Omdat suïcidaliteit zo’n complex probleem is, moet je eigenlijk heel veel tegelijk doen om het te verminderen, zegt Renske Gilissen. “Bij 113 richten we ons, in navolging van de WHO, op drie niveaus. Universeel, dus voor iedereen, op risicogroepen en op de zorg. Voor jongeren zijn er verschillende interventies die scholen kunnen inzetten, of zouden móeten inzetten. Meerdere onderzoeken laten zien dat één op de vijf jongeren suïcidegedachtes heeft. Zo’n groot aantal kun je niet negeren.”
“Een belangrijk programma is STORM. Daarin worden jongeren in de tweede en vierde klas van de middelbare school gescreend op somberheid en depressie. En álle leerlingen nemen deel aan een mentaal weerbaarheidsprogramma. Als uit die screening blijkt dat leerlingen inderdaad depressief zijn of suïcidale gedachtes hebben, krijgen zij nog een specifiek programma. Dat onderzoeken wij ook op effectiviteit.”
Er moet extra aandacht zijn voor risicogroepen, zegt Renske Gilissen. Zoals voor jongeren met meerdere psychische problemen en schoolverlaters. Wat betreft de zorg wijst ze op de Richtlijn suïcidaliteit. “Die wordt lang niet altijd nageleefd. Belangrijk hierin is het veiligheidsplan,2 dat je samen maakt met jongeren, hun naasten en ouders. Zodat iedereen weet wat helpt als iemand in een crisis komt, of suïcidaal is. Bij de een is dat naar bepaalde muziek luisteren, bij de ander een rondje lopen en bij weer een ander iemand bellen.”
De website van 113 Zelfmoordpreventie biedt een schat aan informatie over wat te doen als mensen kampen met suïcidegedachtes. En voor verschillende doelgroepen, zoals scholen, ouders en hulpverleners.
“Als je een kind signaleert op school dat zichzelf snijdt en aangeeft ‘ik wil dood’, moet je echt zorgen voor een netwerk rondom die leerling. Zorg dat de ouders het weten, de vertrouwenspersoon en de huisarts, zodat die leerling nergens doorheen glipt. En een kind niet ergens naartoe sturen waar het op een wachtlijst komt en er vervolgens niks gebeurt. Van zo’n netwerkaanpak staan er goede voorbeelden op de website, helemaal uitgeschreven. Net zoals een preventieprotocol, met stappen die een school kan nemen als daar een suïcidepoging is geweest. Gelukkig gebeurt dat niet vaak, maar het is belangrijk om te weten dat daar – en zeker bij jongeren – imitatiegedrag bij kan horen. Dat wil je voorkomen.”
Als het aan Renske Gilissen ligt besteden alle scholen in Nederland aandacht aan mentale gezondheidsbevordering, in elke klas. “Internationaal wordt dat ook bepleit. Het hoeft dan niet eens per se te gaan over suïcidaliteit, maar over het omgaan met problemen, wat je dan kunt doen en dat somberheid bij het leven hoort. Net zoals we seksuele voorlichting geven op scholen, zouden we dat ook moeten doen met mentale gezondheid. In ons onderzoek onder jongeren met suïcidale gedachtes horen we heel vaak de verzuchting: Hadden we daar maar meer les over gehad!”
“Wat die jongeren ook zeggen, is: Praat erover met ons! Maar doe dat wel op de goede manier. Onderzoekers uit het Verenigd Koninkrijk zien dat jongeren veel meer onder elkaar zijn gaan praten over hun problemen. Zeker jonge meiden. Maar als zij alleen maar met elkaar praten, is dat niet per se een goede ontwikkeling, want vaak praten zij elkaar nog dieper de put in. Dat zie je vooral op sociale media en in klinieken. Erover praten moeten we zeker blijven doen, maar dan wel met een volwassene erbij.”
Praten over zelfdoding is vaak het begin van een oplossing. “Praten kan levens redden”, zegt Renske Gilissen. Maar erover beginnen is lastig, voor beide partijen.
“Voor iemand met suïcidegedachtes is het vaak moeilijk, je wilt niemand tot last zijn. Het is überhaupt moeilijk om over je eigen problemen te praten, laat staan over suïcidaliteit. Het is ook moeilijk voor de mensen die ernaast staan, met name omdat ze niet weten wat ze kunnen doen als iemand die gedachtes inderdaad blijkt te hebben. Mensen willen graag meteen oplossingen bieden, maar een eerste oplossing is al écht luisteren. Dus eigenlijk moet je op je handen blijven zitten en luisteren, luisteren, luisteren… en doorvragen. Hoe je zo’n gesprek kunt voeren en wat je beter wel en niet kunt doen, kun je leren bij onze online training Vraag maar! 3 Die duurt een uurtje en is gratis.”
De komende jaren ligt de focus van haar onderzoek op de combinatie van verschillende interventiemaatregelen: welke zijn het meest effectief?
“Een voordeel is dat per 1 januari 2026 de Wet integrale Suïcidepreventie ingaat. Dan moet Nederland nationaal en op gemeentelijk niveau met suïcidepreventie aan de slag. Wij raden dan aan om een aantal interventies in te zetten. Je zult verschillen krijgen per gemeente, waarbij sommige gemeentes sneller gaan dan andere. Je hebt immers niet automatisch alle ziekenhuizen, zorg- en onderwijsinstellingen mee. In zo’n natuurlijk onderzoekexperiment kunnen we gemeentes met elkaar vergelijken en zien we hopelijk bij
gemeentes waar er meer in de praktijk gebeurt ook een daling in het aantal suïcides.”
![]()
Tot haar verdriet maakt suïcidepreventie nog geen vast onderdeel uit van de opleidingen pedagogiek, wat nu wel het geval is bij psychologie.
“Wat mij betreft zouden pedagogen zeker een training suïcidepreventie moeten doen, om te weten hoe je er een gesprek over kan voeren met een kind en hoe je moet handelen. Dat het belangrijk is om ouders daarin te steunen, hen te leren bijvoorbeeld dat zij de suïcidale gedachtes van hun kind serieus moeten nemen en suïcidaliteit niet wegwuiven. En om tips te kunnen geven aan ouders hoe daarmee om te gaan. Pedagogen en andere professionals raad ik aan om onze Gatekeepertraining te volgen. Die is niet online maar fysiek en uitgebreider dan de Vraagmaar-training. De training zet in op het signaleren van mogelijke gedachtes aan zelfdoding en op gespreksvaardigheden.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Kees Winkelman
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Peter Hoffenaar & Bart van Gent
Lees meer
Fonds Slachtofferhulp wilde met onderzoek naar online seksueel misbruik en online seksuele intimidatie een ijsberg blootleggen en liet Ipsos een onderzoek uitvoeren dat in mei is gepresenteerd. Volgens het onderzoek De onzichtbare werkelijkheid blootgelegd, waarbij 2.700 Nederlandse jongeren tussen de 12 en 25 jaar gevraagd is naar hun ervaringen, heeft de helft ooit online seksueel misbruik en/of online seksuele intimidatie meemaakt. Voor heel Nederland gaat het om ongeveer 1,5 miljoen jongeren, waarvan 700.000 tot 800.000 hier in het afgelopen jaar mee te maken hadden.
Om grip op de cijfers te krijgen is er een publieksrapportage en het onderzoek zelf. De boodschap in de publieksrapportage is duidelijk. Het onderzoek zelf riep wel vragen op, maar soms is een duidelijke boodschap gewoon nodig om in actie te komen. In de conclusie van de publieksreportage wordt gesteld dat online seksueel misbruik en online seksuele intimidatie maatschappelijke problemen zijn waarvoor we als samenleving gezamenlijk verantwoordelijkheid dragen. ‘We moeten de realiteit onder ogen zien en daarnaar handelen.’ Een call for action dus.
Gelukkig kwam er vanuit de NWO (Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek) een jaar eerder al een call for proposals. Als onderdeel van de Nederlandse Wetenschapsagenda (NWA) is er de komende vijf jaar bijna drie miljoen euro beschikbaar gesteld voor het programma ‘Seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld (SGOG) – naar een effectieve en preventieve aanpak’. Het doel: achterhalen wat werkt om (on- en offline) seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld zoveel mogelijk te voorkomen, om vervolgens effectieve interventie- en preventiestrategieën te ontwikkelen.
Deze handschoen is opgepakt door een zeer uitgebreid consortium onder leiding van pedagoog en socioloog Daphne van de Bongardt, hoogleraar Relationele en seksuele ontwikkeling, educatie en gezondheid aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Zij kreeg met haar consortium T@ckle (Transdisciplinary Analysis and Co-creation of Knowledge to Lead Efforts against Online and Offline Sexually Transgressive Behaviour and Sexual Violence) in april de subsidie toegekend.
Het project van T@ckle heeft een vijfledige aanpak gericht op verschillende sociaal-ecologische niveaus (zowel individueel als sociaal):
Het consortium richt daarnaast een landelijk SGOG-netwerk op. Actie is belangrijk, onderzoek ook. Dit consortium tekent voor allebei. Wordt vervolgd.
Collaborative and Proactive Solutions (CPS) is een manier om samen met je opstandige kind de lont uit het kruitvat te halen – vóórdat de boel ontploft en je als ouder met de brokstukken zit. Psycholoog Ross Greene schreef een populair boek over deze aanpak. Het explosieve kind kent inmiddels een vierde editie en staat al bij meer dan 15.000 gezinnen in de kast. Een tevreden ouder schreef een positieve review: ‘de aanpak die aangedragen wordt, geeft je direct het gevoel dat dat de juiste is.’
Maar is het wel altijd verstandig om te kiezen voor praten en samen naar oplossingen zoeken? Of is het effectiever als ouders zelf de regie houden? In dit onderzoek van Dedousis-Wallace en collega’s kregen ouders van kinderen met dwars en opstandig gedrag óf een training in de klassieke aanpak van straffen en belonen (ook wel Parent Management Training of PMT genoemd) óf een training in de CPS-methode. Beide trainingen zorgden voor een ongeveer even sterke afname van het opstandige gedrag. Het maakt dus weinig uit waar je voor kiest. Maar één groep ouders leek toch beter af met de methode van Ross Greene. Bij ouders die vooral zagen wat hun kind verkeerd deed – en weinig oog hadden voor hun eigen rol – werkte CPS beter dan het sturen van het gedrag met behulp van leertheoretische principes.
Waarschijnlijk omdat CPS ouders helpt in te zien dat het gedrag van hun kind voortkomt uit onvermogen in plaats van kwade opzet. Vermoedelijk zien zij niet langer iemand die steeds dwars wil liggen, maar een opgroeiend kind dat hulp nodig heeft. En als je dat als ouder doorhebt, blijken kinderen best met jou te willen puzzelen op een oplossing.
Dedousis-Wallace, A., Drysdale, S. A. O., McAloon, J., Murrihy, R. C., Greene, R. W., & Ollendick, T. H. (2025). Predictors and Moderators Two Treatments of Oppositional Defiant Disorder in Children. Journal of Clinical Child and Adolescent Psychology, 54(1), 67–82. doi.org/10.1080/15374416.2022.2127102
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Het eerste jaar zit erop! Wat was het superinspirerend, maar ook vermoeiend met de gebruikelijke ups en downs. Een dergelijke opleiding vraagt wat van je werk- en privésituatie en zorgt voor een vol hoofd; de afgelopen weken leek het einde nog ver weg te liggen. Opeens is het eerste jaar voorbij en zijn we al op de helft.
Afgelopen studiejaar hebben we drie KBS (Kenmerkende BeroepsSituatie)-toetsen afgerond: een gesprek waarbij je als orthopedagoog-generalist een besluit neemt, waarbij je nog niet de volledige informatie hebt; een cliëntoverleg voorzitten en een beleidsstuk schrijven. Dit laatste maak ik over het actief betrekken van de jeugdigen in het gezinshuis. Als organisatie hebben wij een primair proces over het wonen en monitoren van de jeugdigen in het gezinshuis. Natuurlijk wordt met de jeugdigen besproken wat zij vinden, maar ik zou ze daarin actiever willen uitnodigen, zodat we het wonen en begeleiden voor hen zo prettig maken en we aansluiten bij hun behoeften.
Dit studiejaar ga ik de overige drie KBS-en uitvoeren: het schrijven van een column, van een recensie over een wetenschappelijk artikel en het geven van een referaat. Afgelopen studiejaar heb ik een cursus over ‘gender’ gevolgd. Er is steeds meer om te doen en mij was er weinig over bekend. Ik zag gender als iets binairs en snapte niet hoe het een spectrum kon zijn. Na het lezen van het eerste artikel begreep ik al zoveel meer. Ik werd enthousiast en wil deze kennis graag delen met collega’s en ook meegeven wat de variaties zijn in diagnostiek en behandeling. Daarom ga ik mijn referaat houden over genderdiversiteit en genderdysforie. De KBS-en zijn gebaseerd op het beroepscompetentieprofiel orthopedagoog-generalist van de NVO.
De eerste groepssupervisie is afgerond. Van de supervisor hebben we alle drie een dier gekregen dat haar aan ons deed denken. Ik kreeg een koala, vanwege mijn rust en zachtheid. Het wonderlijke is dat dit oprecht mijn spirit animal is. Dat wist de supervisor niet; een heel waardevol geschenk.
In de groepssupervisie hebben we ook de casusbeschrijving doorgenomen. Het blijft toch weer even inkomen en wennen, omdat je al jaren vanuit je eigen organisatie op een bepaalde manier diagnostiek en behandeling doet en je in een dergelijke casus alle
stappen weer bewust moet opschrijven en uitwerken. Uiteindelijk is het inzichtgevend, maar op sommige momenten vond ik het wel pittig.
Naast twee groepssupervisietrajecten volgen we ook een (kort) individueel supervisietraject. Hier ben ik recentelijk mee begonnen en ook daar vallen weer nieuwe puzzelstukjes op hun plek. Door al deze nieuwe kennis en inzichten over mijzelf samen te voegen, begin ik mij sterker te voelen als orthopedagoog-generalist.
Het is heerlijk om even vakantie te hebben gehad en vol goede moed weer te beginnen. Nu start ik met CGT (Cognitieve GedragsTherapie). Ik hoop de volgende keer uit te kunnen leggen waarom deze cursus nuttig is in de opleiding tot orthopedagoog-generalist.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Sensorische informatieverwerking boeit me al lang. Daarom zocht ik de afgelopen jaren regelmatig de samenwerking met kinderergotherapeuten op. Ik kreeg het idee dat hun vakgebied veel meer inhoudt dan waar ik, en wellicht andere pedagogen, weet van hebben. Hoog tijd om eens een kijkje te nemen over de grens van onze eigen discipline.
Lees meer
Jantine Mens-Theuns (links) en Isabelle Vogel-Tijl (rechts)
Op een zonnige maandagmorgen ga ik via Zoom in gesprek met Isabelle Vogel-Tijl. Zij is kinderergotherapeut en ruim twaalf jaar, samen met Jantine Mens-Theuns, de praktijkhouder van LEF in de regio Rijnmond. LEF is een kinderergotherapiepraktijk gespecialiseerd in complexe eerstelijnszorg, met veel kennis over sensorische informatieverwerking, (co)regulatie bij prematuur en dysmatuur geboren kinderen, slaap- en voedingsproblemen, ontwikkelingsachterstanden, verstandelijke beperking, ASS en gedrags- en emotieproblemen.
Voor ik Isabelle spreek, lees ik me in over (kinder)ergotherapie. Een ergotherapeut helpt mensen om zo zelfstandig mogelijk te functioneren, ondanks fysieke of psychische beperkingen. Een kinderergotherapeut kijkt specifiek naar de ontwikkeling van kinderen
op gebieden als sensomotoriek, cognitie, spraak-taal, sociaal-emotionele ontwikkeling en spel. Wanneer er drempels zijn in deze ontwikkeling, helpt de ergotherapeut het juiste pad terug te vinden. Dit gebeurt handelings- en contextgericht, vanuit een helicopterview. Verrassend herkenbare termen voor de pedagoog. Waar ik kinderergotherapie eerder associeerde met hulpmiddelen en motoriek – een soort fysiotherapie-plus – blijkt de werkelijkheid veel breder en rijker.
Het verschil tussen kinderfysiotherapie en kinderergotherapie zit ‘m volgens Isabelle in de insteek. “Een fysiotherapeut
werkt functiegericht: als een kind een bal niet goed kan vangen, wordt er gewerkt aan oog-handcoördinatie.
Als een kind moeite heeft met traplopen, wordt er geoefend op traplopen zelf.”
Een kinderergotherapeut kijkt naar het waarom achter het probleem. “Waarvoor is het traplopen nodig? Wat belemmert het kind? Wie kan helpen om belemmeringen te overwinnen? Is er angst voor hoogtes, visuele overbelasting, een gebrek aan overzicht? En wat is de betekenis van die activiteit in het dagelijks leven van het kind?” Zo zoekt de kinderergotherapeut naar de onzichtbare grenzen die de ontwikkeling belemmeren – in het kind zelf, maar ook in de omgeving.
“Maar is het geen kwestie van óf-óf,” zegt kinderergotherapeut Isabelle. “Juist de samenwerking met functiegerichte disciplines, zoals de fysiotherapeut of logopedist, is waardevol. Soms is gericht oefenen essentieel. Maar wij kijken altijd naar het grotere plaatje en hoe een kind in zijn dagelijks leven tot handelen komt.”
Kinderergotherapeuten zijn gefocust op onzichtbare belemmeringen en op het scheppen van voorwaarden voor ontwikkeling. Denk aan eten, slapen, praten, bewegen en spelen. Zij werken dan ook regelmatig samen met logopedisten, diëtisten, fysiotherapeuten,
pedagogen en psychologen. Ergotherapeuten kun je bijna overal tegenkomen – van verzorgingstehuis tot wooninstelling, school, ziekenhuis of een eigen praktijk. Isabelle zelf werkt voornamelijk bij gezinnen thuis en op scholen. Zo krijgt ze goed zicht op factoren die samenhangen met de ontwikkelingsstagnatie en kan ze samenwerken met het systeem om het kind heen, vertelt ze.
In mijn werk als orthopedagoog-generalist merk ik dat op scholen de afgelopen jaren steeds meer hulpmiddelen worden ingezet om problemen met sensorische prikkelverwerking tegen te gaan. Zoals koptelefoons en wiebelkussens. Hoe kijkt Isabelle hier tegenaan?
“We vergeten dat hulpmiddelen ook lastmiddelen kunnen worden. Je went eraan, raakt er afhankelijk van, en soms vergroten hulpmiddelen juist de stress. Als je je oren afschermt met een
koptelefoon, kunnen ze overgevoelig worden voor geluid. Zet je die koptelefoon weer af, dan komt alles extra hard binnen.”
Haar uitgangspunt is: zoek eerst naar wat in het kind zelf aanwezig is. “Wat een kind zélf kan reguleren, raakt het niet kwijt.” Isabelle benadrukt dat het vooral maatwerk blijft. Scholen en begeleiders gaan volgens haar te makkelijk voorbij aan het specifieke sensorische profiel van een kind en de zoektocht waarbij het kind gebaat is.
De raakvlakken tussen ergotherapie en (ortho)pedagogiek zijn groot, maar juist de verschillen maken samenwerking krachtig. Isabelle vertelt over haar samenwerking met een orthopedagoog rondom een volwassen cliënt met het syndroom van Down. De vrouw had zoveel last van tics, dat ze nauwelijks tot handelen kwam. Samen met de orthopedagoog verdiepte Isabelle zich in het levensverhaal van de cliënt, de medische achtergrond, prikkelverwerking en de dynamiek op de groep. Isabelle richtte zich op sensomotoriek, prikkelverwerking en uitlokkende factoren. De orthopedagoog maakte de vertaalslag naar de begeleiding op de groep.
“Samen hebben we hypotheses opgesteld, de cliënt beter leren begrijpen en uiteindelijk konden we passende interventies inzetten. Die samenwerking heeft tot mooie resultaten geleid.”
tekst: Rianne Manenschijn
“Mijn dag start met een huisbezoek aan een jongetje van 2,5 jaar met een syndroom en ontwikkelingsachterstand. Hij gebruikt zijn handjes nauwelijks, dus ik begeleid de ouders in hoe ze hem kunnen stimuleren tot meer handgebruik. En ik help bij het ondersteunen van zijn zelfregulatie.
Daarna observeer ik een jongen met een stofwisselingsziekte op de basisschool. Hij vertoont veel prikkelzoekend gedrag. Samen met de leerkrachten denk ik mee over manieren om hem gericht meer prikkels aan te bieden, zodat hij minder zelf hoeft te ‘zoeken’.
Vervolgens ga ik langs bij een prematuur geboren baby van 1 jaar met eetproblemen. Met de ouders onderzoek ik hoe we stapjes kunnen zetten in wat het kindje eet en durft te proberen. Ook kijken we naar hun pedagogische aanpak rond het eetmoment.
In de middag werk ik met een jongen van 8 jaar met ASS en een ontwikkelingsachterstand. Via de floorplay- en floortimemethodiek richten we ons op zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en communicatie. De dag sluit ik af met een afspraak bij een meisje met cerebrale parese. Hier help ik met praktische aanpassingen, zoals het aanvragen van een aangepaste kinderstoel.”
Meer lezen over Isabelle’s methodieken?
Bij het keuzevak Interculturele Pedagogiek leerde ik dat de wetenschappelijke betekenis van integratie anders is dan de maatschappelijke en politieke. Dertig jaar later is dit verschil in betekenisgeving aan de orde van de dag. Een artikel over de integratieparadox in Nederland wekte mijn interesse. Moeten we anders naar integratie kijken?
Lees meer
In het maatschappelijke en politieke debat heeft het woord integratie een normatieve lading. Er heerst een sterk idee van mislukte integratie: kinderen van migranten (de zogenaamde tweede generatie) zouden, hoewel ze in Nederland geboren en opgegroeid zijn en onderwijs hebben genoten, net zo weinig geïntegreerd zijn als hun ouders. De aanname is dat de verantwoordelijkheid voor integratie bij migranten en hun kinderen ligt.
Wetenschappers kijken ook naar het gedrag en de houding van mensen zonder migratieachtergrond; integratie is een proces tussen verschillende groepen. Als de ongelijkheid tussen migranten en niet-migranten afneemt, en wanneer zij vaker met elkaar in contact komen, neemt de integratie toe. Integratie is dus een tweezijdig proces: het verbetert als migranten de Nederlandse taal leren en zich verbonden voelen met Nederland, en verzwakt als mensen met een migratieachtergrond worden gediscrimineerd en daardoor bijvoorbeeld moeilijker werk vinden.
CBS-cijfers laten zien dat de tweede generatie een veel betere structurele positie heeft dan hun ouders: hoger opleidingsniveau en grotere arbeidsparticipatie. Ook zijn zij sterker sociaal-cultureel geïntegreerd dan hun ouders. Ze beheersen de Nederlandse taal beter, hebben meer sociale contacten en vriendschappen met mensen zonder migratieachtergrond, identificeren zich vaker als ‘Nederlander’ en hun waarden en normen zijn meer ‘Nederlands’.
Zowel de instrumentele als de sociale integratie is dus toegenomen. Echter, aangezien integratie een tweezijdig proces is, moet je ook kijken naar de rol van mensen zonder migratieachtergrond. Hiertoe wordt experimenteel onderzoek gedaan naar discriminatie op grond van herkomst, bijvoorbeeld naar vergelijkbare sollicitatiebrieven voor dezelfde vacature. Dit soort onderzoek loopt al tientallen jaren in Nederland en andere westerse landen, en steeds blijkt dat discriminatie aanzienlijk is en op veel verschillende terreinen voorkomt: van de arbeidsmarkt, stageplekken, rechtspraak tot het aanvragen van een hypotheek en het uitgaansleven.
Studies tonen bovendien aan dat discriminatie de afgelopen decennia niet minder is geworden. Daarbij speelt het huidige politieke klimaat, weerspiegeld in het publieke debat, een rol. Een aanzienlijk deel van migranten en hun kinderen, vooral moslims, hebben te maken met kwetsende opmerkingen en agressie. Tweede generatie jongeren vinden vaker dan hun ouders dat discriminatie veel voorkomt in Nederland. Ook voelen zij zich niet goed vertegenwoordigd door het parlement en hebben zij minder vertrouwen in de regering dan hun ouders.
Deze tegenstrijdige situatie, waarin beter geïntegreerde migranten juist meer discriminatie en uitsluiting ervaren, heet de integratieparadox.1 Een belangrijke verklaring is dat hoger opgeleide migranten zich meer bewust zijn van sociale ongelijkheid en discriminatie. Door hun betere kennis van de taal en samenleving herkennen zij sneller wanneer ze ongelijk worden behandeld of uitgesloten. Bovendien hebben zij vaker contact met mensen zonder migratieachtergrond, wat de kans op het ervaren van discriminatie vergroot.
Het referentiekader van jongeren uit de tweede generatie speelt ook een rol. Hun ouders vergelijken hun positie vaak met hoe hun situatie zou zijn geweest in hun land van herkomst, en meestal valt die vergelijking positief uit. Hun kinderen vergelijken zichzelf vooral met klasgenoten en collega’s zonder migratieachtergrond; hierdoor zijn zij zich sterker bewust van achterstelling en ongelijke behandeling. Het ervaren van discriminatie en uitsluiting heeft niet alleen gevolgen voor het welbevinden van migranten, maar ook voor de hele samenleving. Wie zich afgewezen voelt, voelt minder binding met de maatschappij, en dit heeft gevolgen voor je identiteit.
De integratieparadox zie je terug in de media. Volkskrant-redacteur Hassan Bahara schrijft in april 2025 dat opgroeien in Nederland hem dit heeft geleerd: ‘Alles wat een Marokkaanse Nederlander flikt, kan ook mij worden aangerekend.’ Hij beschrijft de impact van de eenzijdige berichtgeving, die vooral gericht lijkt op meningen en minder op de feiten, en hoe hij de taal als verwondend ervaart.2 In oktober 2024 bericht de Volkskrant dat weggaan uit Nederland onder hoogopgeleide moslims in Nederland steeds vaker onderwerp van gesprek is. Geïnterviewde moslims verwijzen naar het vijandige klimaat: ‘Hier kijken mensen op me neer omdat ik een hoofddoek draag’, ‘waarom zou je je energie en talenten steken in een land waar anderen je niet als volwaardig zien?’3
Belabas en De Jong hebben kwalitatief onderzoek gedaan naar vertrek uit Nederland.4 Door vijandige uitlatingen over migranten en specifieker moslims, gecombineerd met ervaringen van discriminatie en intolerantie in het dagelijks leven, voelt de tweede en derde generatie zich minder geaccepteerd.
Hoogleraar en onderzoeker bij het Sociaal Cultureel Planbureau Jaco Dagevos stelt dat de houdbaarheid van het begrip integratie verstreken is.5 Afgelopen jaren is het politieke en maatschappelijke debat verhard. De nadruk is eenzijdig komen te liggen op factoren die worden toegeschreven aan cultuur of religie. Denk aan politici die de voetbalrellen in Amsterdam duidden als integratieprobleem, en oorzaken eendimensionaal zochten bij de afkomst van mensen.
Wat betekent het integratiebegrip voor de tweede of derde generatie? Door het verharde politieke en maatschappelijke debat voelen zij zich ontheemd; zij dachten burger te zijn van Nederland, maar voelen zich nu weggezet. Ze ervaren dat ze er in de basis toch niet bij horen, ook al hebben ze een Nederlands paspoort en zijn ze hier geboren. Ze worden niet gezien als waardevolle leden van een gemeenschap, maar als leden van groepen die vanwege hun etnische en religieuze achtergrond minder en anders zijn. Deze stigmatisering zet de sociale cohesie onder druk, heeft negatieve gevolgen voor het welzijn van burgers en vermindert het vertrouwen in politiek en instituties.
Dagevos stelt voor om anders te kijken naar de verhoudingen tussen verschillende bevolkingsgroepen. Niet langer vanuit het perspectief van wel of niet erbij horen, maar vanuit het perspectief dat burgers behoren tot groepen met een gelijkwaardige status. We moeten een andere taal en perspectief ontwikkelen waarbij we personen met een migratieachtergrond niet bij voorbaat als ‘anders’, problematisch en niet geïntegreerd zien. Hij adviseert om migratieachtergrond altijd te bezien in relatie tot andere factoren die bijdragen aan iemands positie, opvattingen en sociale netwerken. Het integratieframe is niet neutraal, maar draagt bij aan de uitsluiting van groepen. Het stelt de identiteit van de tweede en derde generatie voortdurend ter discussie. In zijn pleidooi herken ik direct het ecologische model van Bronfenbrenner6 terug. Is een pedagogische contextgerichte visie de oplossing?
In het ecologische model van Bronfenbrenner6 wordt de menselijke ontwikkeling gezien als een voortgaande, wederzijdse aanpassing tussen een opgroeiend kind en zijn directe omgeving. De ecologische omgeving bestaat uit opeenvolgende, in elkaar grijpende systemen: het microsysteem (gezin /familie, school, kinderopvang), mesosysteem (het geheel van microsystemen waarvan een jeugdige deel uitmaakt), exosysteem (de buurt, de wereld van het werk, sociale netwerk van ouders, etnische en religieuze gemeenschap), het macrosysteem (de cultuur of heersende ideologie van een samenleving).
Integratie is geen fenomeen dat losstaat van de culturele en maatschappelijke context waarin kinderen, jongeren, gezinnen, professionals fungeren. Van groot belang is de vraag naar de dominante sociaal-culturele eisen waaraan voldaan moet worden om te kunnen participeren. Pedagogisch gezien kun je hierin voornamelijk het exosysteem en het macrosysteem herkennen.
tekst: Marleen Baeten
foto: Shutterstock
Renée Klein Schaarsberg promoveerde in maart dit jaar aan de Vrij Universiteit Amsterdam op onderzoek naar een innovatieve, op virtual reality gebaseerde interventie voor jongeren in de forensische jeugdhulp. Voor de Pedagoog doet zij verslag.
Lees meer
2024 – heden
Gedragswetenschapper programma Jeugd & Veiligheid, Levvel
2020 – 2025
Promovenda, Vrije Universiteit Amsterdam
2018 – 2019
Gedragswetenschapper, Orion College Amstel
2017 – 2019
Forensische Orthopedagogiek, Universiteit van Amsterdam
2013 – 2016
Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Utrecht
Disruptief gedrag – zoals opstandigheid, agressie of normoverschrijdend gedrag – kan tot op zekere hoogte onderdeel zijn van een normale ontwikkeling van jongeren. In ernstige en aanhoudende vorm kan dergelijk gedrag er echter voor zorgen dat jongeren flink in de knel komen. Hierdoor neemt ook het risico om (herhaaldelijk) met politie en justitie in aanraking te komen toe, waar niet alleen jongeren zelf negatieve gevolgen van kunnen ervaren, maar ook hun omgeving en de maatschappij.
In dit soort situaties kan begeleiding of behandeling binnen het werkveld van de forensische jeugdhulp helpend zijn. Zo kunnen jongeren anders met hun gevoelens, impulsen of ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden leren omgaan. Dit kan jongeren helpen zich anders te gedragen, waardoor ze minder in de problemen komen.
In veel gevallen wordt cognitieve gedragstherapie aangeboden als een bewezen effectieve behandelvorm voor disruptief gedrag. Ook systemische interventies of behandelprogramma’s die individuele en systemische behandelvormen combineren laten positieve effecten zien. Desondanks zijn er jongeren die hier geen of onvoldoende baat bij hebben. Jongeren vallen bijvoorbeeld vroegtijdig uit, behandelaars weten de jongeren niet goed te bereiken of de behandeling sluit onvoldoende aan bij de behoeften van jongeren. Om de zorg aan jongeren met disruptieve gedragsproblemen te verbeteren, hebben we de toegevoegde waarde van Street Temptations onderzocht: een innovatieve, op virtual reality (VR) gebaseerde interventie voor jongeren binnen de forensische jeugdhulp.
Binnen Street Temptations worden jongeren uitgedaagd tot perspectiefwisseling en reflectie, onder andere met behulp van VR. Het programma bestaat uit zeven sessies, waarin jongeren 1-op-1 met een therapeut aan de slag gaan. De eerste sessies zijn gebaseerd op een fictief verhaal over een vechtpartij op straat, in de laatste sessies staat een persoonlijk meegemaakte ervaring van de jongere centraal. In beide gevallen spelen verschillende personages – ‘karakters’ – een rol, waarbij dus zowel verzonnen karakters als voor de jongere bekende karakters voorbijkomen. In de fictieve situatie is er bijvoorbeeld iemand die het gevecht uitlokt, iemand die geslagen wordt en iemand die gaat filmen. In de eigen ervaring kan het gaan om een omstander of een betrokkene.
Per sessie wisselen de jongeren met één van de verschillende karakters van perspectief. Dit doen ze door eerst in de situatie te duiken met behulp van de VR-bril. VR maakt op twee manieren onderdeel uit van Street Temptations: een 360°-video van een vechtpartij en een VR streetview-app waarmee jongeren hun persoonlijke ervaringen kunnen visualiseren. Jongeren bekijken de VR-video waarin de situatie zich afspeelt vanuit derdepersoonsperspectief, of ze worden virtueel getransporteerd naar de plek van hun persoonlijke ervaring. Als ze daar staan vertellen ze wat er precies gebeurde, waarbij de therapeut kan meekijken op een ander scherm. Daarna kiezen ze een karakter dat die sessie centraal zal staan en kruipen ze in de huid van dat karakter om vervolgens op de situatie te reflecteren vanuit dat perspectief.
Het gebruik van VR helpt bij de oefeningen. Zo zorgt VR voor een meer visuele en concrete aanpak. Jongeren kunnen letterlijk rondkijken op de plek waar iets gebeurde, terwijl de therapeut meekijkt doordat het beeld vanuit de VR-bril naar een ander scherm wordt gestreamd. Het brengt herinneringen en gevoelens op een andere manier naar boven. Het is makkelijker om een situatie te visualiseren als je dat niet alleen puur op basis van je eigen gedachten of herinneringen hoeft te doen. Bovendien kunnen de oefeningen gebaseerd worden op emotioneel stimulerende scenario’s. Zo worden de oefeningen een stuk realistischer.
Daarnaast maakt VR het mogelijk om de straat letterlijk van buiten naar binnen te halen. Het idee om VR te gebruiken komt voort uit de samenwerking tussen Garage2020 en JeugdzorgPlus waaruit Street Temptations is ontstaan. Binnen JeugdzorgPlus, een gesloten vorm van jeugdhulp, kunnen jongeren niet zomaar naar buiten om te oefenen met lastige situaties, zoals een vechtpartij op straat of een straatroof. Met VR kun je die situaties in de behandelkamer halen.
De focus op perspectiefwisseling en reflectie binnen Street Temptations komt voort uit het gebruik van mentaliseren als een belangrijk mechanisme. Mentaliseren is de vaardigheid om de onzichtbare binnenwereld (zoals gedachten, gevoelens en behoeften) te koppelen aan de zichtbare buitenwereld: het gedrag. Een belangrijke sociale vaardigheid, omdat we op deze manier achter het gedrag van anderen en onszelf kunnen kijken, waardoor we gedrag kunnen begrijpen. Dit helpt ons om passend te reageren.
Zo kunnen onterecht negatieve of zelfs vijandige interpretaties er ook toe leiden dat iemand vanuit een negatieve of vijandige houding reageert. Hoewel dit soms een overlevingsstrategie is, kan het voor vervelende situaties zorgen. Bij jongeren met ernstig disruptief gedrag zien we dat problemen met mentaliseren een rol kunnen spelen in hun gedrag. Door jongeren tot andere interpretaties uit te dagen, waren we benieuwd in hoeverre negatieve gedachtepatronen, motivatie tot gedragsverandering en ervaren mate van controle over hun eigen gedrag zouden veranderen.
De ontwikkeling van VR-materiaal bleek een van de belangrijkste lessen uit het promotieonderzoek te zijn. In aanloop naar het onderzoek wees de praktijk ons erop dat het VR-materiaal van Street Temptations etnische stereotypering en stigmatisering in de hand zou kunnen werken. Bij het maken van de oorspronkelijke VR-video was onvoldoende nagedacht over de verdeling van rollen en uiterlijke kenmerken van personages. Zo zie je dat wij als onderzoekers ook blinde vlekken hebben.
We hebben de voorbereidingen voor het onderzoek gepauzeerd en zijn terug naar de tekentafel gegaan. Samen met jongeren en professionals gingen we puzzelen hoe we verantwoord VR-materiaal konden maken wat etnische representatie betreft. Want, hoe doe je dat precies, als je gewelddadig gedrag laat zien? Is het oké om een wit persoon een zwart persoon tegen de vlakte te laten werken? En andersom? Of moeten we misschien alleen mensen laten zien die in het midden liggen qua uiterlijke kenmerken?
De belangrijkste boodschap die we terugkregen: zorg ervoor dat diversiteit onmiskenbaar terugkomt. De realiteit is divers, dus een gebrek aan diversiteit is per definitie niet realistisch. Als je ervoor zorgt dat je een goed verhaal neerzet zodat de reden achter het geweld niet gezocht wordt in hoe mensen eruitzien, dan kun je de mensen bij wijze van spreken alle kleuren van de regenboog geven. Ik ben er trots op dat we hebben laten zien hoe je zo’n interventie in samenwerking met de praktijk en de doelgroep kan ontwikkelen.
Op basis van de geleerde lessen uit het ontwikkelproces van Street Temptations hebben we besloten om heel gedetailleerd naar individuele jongeren te gaan kijken en die met zichzelf te vergelijken. We volgden acht jongeren in het onderzoek. Daarvan vielen er vijf uit, waardoor uiteindelijk drie jongeren meegenomen konden worden in de analyse. Drie jongeren klinkt als weinig en het was ook minder dan ik had gehoopt. Niet alleen de complexe (leef)situaties van de deelnemers verhinderde regelmatig deelname, ook organisatorische uitdagingen waren geen uitzondering.
Ondanks onderlinge verschillen kwam bij iedere jongere een positieve verandering in de gedachtepatronen naar voren. De jongeren leken geleerd te hebben hoe ze meer bij het perspectief van de ander kunnen stilstaan. Ook liet iedere jongere een positieve verandering zien in de ervaren mate van controle over het eigen gedrag op het moment dat emoties hoog oplopen. We hebben geen aanwijzingen gevonden dat de jongeren groeiden in hun motivatie om hun eigen gedrag te veranderen. Dit komt misschien doordat we te abstracte vragen aan de jongeren stelden: woorden als ‘gedrag’ en ‘problemen’ kunnen voor verschillende jongeren heel verschillende dingen betekenen.
Alle betrokkenen gaven aan dat de VR-elementen van toegevoegde waarde waren, ondanks uitdagingen en technische problemen, zoals lege batterijen of vastlopende video’s. Het werken met VR leek bovenal therapeutische gesprekken te stimuleren over zowel het persoonlijke leven van jongeren als over de levens van anderen. Bijzonder waardevol was de functie waarmee jongeren virtueel konden terugkeren naar plekken waar ingrijpende gebeurtenissen uit hun eigen leven hadden plaatsgevonden.
Een van de jongeren ‘bezocht’ via de VR-bril de plek waar hij drie jaar geleden een vechtpartij had. Door daar rond te kijken en zich in te leven in een omstander die aanwezig was, realiseerde hij zich dat hij dat niet eerder had gedaan. De jongere zei: “Ik heb nooit mijn excuses aangeboden aan die buurman, kunnen we niet alsnog een bloemetje sturen daarvoor?” Zijn therapeut beschreef hoe waardevol het was om voor het eerst de plek te zien waar het incident had plaatsgevonden: “Die jongere kon helemaal uitleggen: ‘Daar kwam de buurman vandaan, daar gebeurde dit en dat.’ Dat gaf mij veel beter inzicht in zijn ervaring.”
Uit het onderzoek kunnen we verschillende lessen voor de toekomst trekken. De hoge uitval benadrukt hoe complex onderzoek in de forensische jeugdhulp is. Toch kunnen we voorzichtig positief zijn over Street Temptations als interventie. Ik hoop dat het onderzoek laat zien dat innovatieve technologieën zoals VR een waardevolle aanvulling kunnen zijn op bestaande behandelmethoden. Het biedt behandelaars een extra hulpmiddel om in gesprek te gaan met jongeren. Street Temptations is geen vervanging van bestaande therapieën, maar kan deze wel versterken. Dit onderzoek is een eerste stap; verdere ontwikkeling en evaluatie zijn nodig om de effectiviteit en toepassingsmogelijkheden verder in kaart te brengen. Ook al is onderzoek in deze context ingewikkeld, het kan wel. De jongeren in de forensische jeugdhulp verdienen het dat we blijven zoeken naar manieren om de hulp aan hen te verbeteren.
tekst: Renée Klein Schaarsberg
foto: Froukje Vernooij
Proefschrift: Klein Schaarsberg, R. E. (2025). A virtual leap, one practical step. Vrije Universiteit Amsterdam. https://research.vu.nl/files/395508950/178170-renee-klein-schaarsbergprintversie%20-%2067aa4135d9a32.pdf
Het is donker als ik door de kleedkamer loop. Dit is de laatste keer dat ik hier ben, op deze school. Na de zomervakantie zit ook mijn jongste kind op de middelbare. Maar eerst de gymzaal in voor de musical, een van de onvergetelijke ervaringen voor de leerlingen van groep 8.
Lees meer
Die andere onvergetelijke ervaring, het schoolkamp in januari, had een nare nasleep. In de laatste schoolweek kregen we hierover een laatste bericht van school: ‘Terug- en vooruitblik na een bewogen jaar.’ Het had beter ‘Veroordeling oud-leerkracht groep 8 wegens seksueel misbruik’ kunnen heten, want daar ging het over.
Deze meester, van de andere groep 8, stond bekend als de ‘knuffelmeester’. Ouders en leerlingen liepen met hem weg, volgens een bericht in het AD. Tijdens het schoolkamp ging hij over de grens. Een grens die waarschijnlijk al een poos aan het oprekken was. Uit de slachtofferverklaring is opgetekend dat de leraar een belangrijk en leuk schoolmoment helemaal heeft verpest voor de jongen die melding deed.
Als ouder schrok ik toen we na het kamp bericht kregen van wat er gebeurd was. Als leraar kreeg ik ook een ongemakkelijk gevoel. Hoe kan het dat er zoiets gebeurt, hoe zie je (niet) dat een grens diffuus wordt? Als ik mijn collega’s van de onderbouw vraag hoe zij denken over het aanraken van kinderen, merk ik vooral hoe fijn het is hier samen over te praten en hoe weinig we dit eigenlijk doen. We hebben het over de functie van aanraking, over grenzen en over de woorden die je kunt gebruiken om kinderen te leren wat gewenst is en wat niet.
Als ik hier later mijn collega’s van de midden- en bovenbouw naar vraag, gaat het gesprek al snel over de kleedkamer bij gym. Soms is het nodig dat je daar als leraar naar binnen gaat. De juf van een bovenbouwgroep laat zich op de gang al horen, “dan zijn ze wel gewaarschuwd.” Een andere juf vindt het eigenlijk gek dat de meester van groep 6 niet bij de meisjeskleedkamer naar binnen zou kunnen. Ik realiseer me tijdens dit gesprekje: je bent zo een grens over als die niet duidelijk is. Maar ik realiseer me ook: naast afspraken en protocollen zijn dit soort gesprekken hard nodig. Je hebt hier als team een gezamenlijke verantwoordelijkheid.
Na de musical van mijn jongste, worden de leerlingen toegesproken en halen hun meesters en juffen herinneringen op. Voor een van de jongens was de meester uit groep 2 het hoogtepunt van z’n schoolloopbaan. Wat er zo leuk aan hem was? Hij had een keer z’n hamster meegenomen.
Onvergetelijke ervaringen, ze zijn zo gemaakt en ze gaan heel lang mee.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart heeft ruim tien jaar gewerkt als leraar, ib-er en orthopedagoog in het speciaal onderwijs en vijf jaar als docent pedagogische wetenschappen. Hij werkt nu met meertalige kleuters op een reguliere basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
Elk kind verdient veiligheid om zich te kunnen ontwikkelen. In een gesloten groep, zoals een sekte, bestaat die niet. Welke gevolgen heeft opgroeien in zo’n gemeenschap voor een kind? Een verhaal gebaseerd op persoonlijke ervaringen van een pedagoog.
Lees meer
Mijn man en ik zijn geboren en opgegroeid in De Kring, een gesloten geloofsgemeenschap. In 1992 zijn wij op volwassen leeftijd uitgetreden. Mijn man, Hans Groen, vertelde hierover in 1993 bij het tv-programma Vesuvius.
Kinderen van De Kring woonden dicht bij elkaar en gingen naar dezelfde school. Er was geen radio of tv thuis en we mochten niet meedoen met buitenschoolse activiteiten als kamp, feestjes of spelen bij andere kinderen. Dat was te ‘werelds’. Er was onderlinge controle omdat de meesten bij een ander kind uit de groep in de klas zaten. Ons leven was in de groep.
Eind 2018 schreef mijn zus Francisca Flinterman haar autobiografie, Een briefje uit de hemel. Er zijn vergelijkbare verhalen. Het verhaal van Hannelore van Otterloo, die opgroeide in de evangelische sekte van Sipke Vrieswijk, is in 2019 opgetekend door Frank Krake. In 2020 volgde een documentaire. Datzelfde jaar ontworstelde Israël van Dorsten zich uit het van de buitenwereld afgesloten Ruinerwoldgezin. Dit bracht ‘sekteproblematiek’ opnieuw onder de aandacht. In 2024 schreef hij een autobiografie over zijn jeugd: Wij waren, ik ben. Weg uit Ruinerwold.
Afgelopen maart verscheen het boek van Annet van de Pol over haar tijd bij de gesloten geloofsgemeenschap De Terebint. ‘Het was leven in een gevangenis zonder tralies: Je zelfvertrouwen is afgebroken, je gelooft dat als je weggaat, je verloren bent.’ Evelien Vaags sprak op 17 mei in NOS-Nieuwsuur over haar jeugdervaringen in een Twentse sekte en eindigde geëmotioneerd met: ‘Een onschuldig kind verdient een goed leven.’
Een kind wordt grotendeels gevormd door de opvoeding. Het past zich aan, is trouw en loyaal aan opvoeders. In een gezin stellen de ouders aanvankelijk het normenkader, al snel aangevuld en gedeeld met andere leeromgevingen en peergroups (andere gezinnen, school, clubjes). Zo leert een kind dat er wisselende regels en normen zijn, afhankelijk van de omgeving of situatie. Het leert reflecteren op normen, beoordelen wat goed, nuttig en kwaad is en flexibel aanpassen.
In een gesloten groep blijft het normenkader klein en dit wordt bewaakt en bevestigd binnen de groep. Als kind leer je je afzijdig houden van de ‘gevaarlijke’ buitenwereld. Je leert de normen van de groep uitdragen en verdedigen. Reflecteren leer je af, want je mag niet denken; er wordt voor je gedacht. Denk je toch zelf, dan krijg je het stempel ‘dwars’ of ‘dom’, en voel je je al snel minderwaardig. Je wordt onzeker en krijgt door deze geestelijke manipulatie een vervormd zelfbeeld. Je past je aan, gedraagt je ‘voorbeeldig’ en maakt jezelf onzichtbaar. De leiding bepaalt je geluk en je bestaansrecht. Door alle controle is er geen ruimte voor identiteitsontwikkeling. Maar als je niet anders weet, vind je de groepsregels normaal. Het is de norm, jouw wereld, je houvast en veiligheid.
Een volwassene die in een sekte terechtkomt verliest het zelfvertrouwen, maar een kind ontwikkelt dit niet. Het wordt bang en ontwikkelt een minderwaardigheidscomplex. Bij een manipulatieve opvoeding verschuift de verhouding nature-nurture richting nurture. De omgevingsinvloed, de invloed van de leider, wordt zo groot, dat deze grotendeels bepaalt wie je wordt. Je ontwikkelt een groepsidentiteit.
Opgroeien zonder radio, tv, sociale media – gecontroleerd contact met de buitenwereld – zorgt voor een verstoord wereldbeeld. De ‘zuurstof’ van buiten ontbreekt. De leider pretendeert alle kennis te hebben en jij past je aan, gelooft erin. Ruimte voor ‘uitproberen’ is er niet. Alles wordt bepaald, gecontroleerd en je krijgt angst voor het nemen van beslissingen.
De regels en vaste structuur bieden schijnveiligheid, die gepaard gaat met verwarring van gevoelens. Israël van Dorsten zegt hierover: ‘Je vertrouwen is geschaad, maar twijfelen mag niet, want dat staat gelijk aan ongeloof.’
Hoewel de intentie aanvankelijk vaak goed is, corrumpeert macht. Wanneer de opvoeding door de leiding overgenomen wordt en de rol van de ouders genegeerd, raak je als kind in verwarring. Zeker wanneer je ouders bekritiseerd, bestraft of zelfs gediskwalificeerd worden. In combinatie met een afwijkende strenge opvoedingsstijl is dit traumatiserend. Een kind raakt onthecht.
Bij vertrek uit een gesloten (geloofs)gemeenschap, nadat er toch op een of andere manier contact met de buitenwereld is ontstaan, stort je wereld in. Je verkeert in een chronische staat van verwarring, voelt je ontheemd, fundamentloos. Wat is goed? Wat is waar en wat niet? Je moet niet alleen de normen – de codes van de wereld – leren kennen, maar ook ontdekken wie je zelf bent. En dit aandurven.
Een sekte kent een sterk hiërarchisch systeem. Was je volledig aangepast en afhankelijk… hoe weet je dan wat je nieuwe positie is, wat er mag, wat je wilt, kunt of durft? Is je eigen normenkader verstoord… waaraan toets je dan de nieuwe normen?
Je gaat het ‘uitproberen’, net als een jong kind. De leeftijd waarop je uittreedt en of je er al dan niet in geboren bent, spelen mee. Ben je kind, puber, adolescent of volwassene? Is er ruimte voor uitproberen? Als je nog studeert en van omgeving wisselt, is dit eenvoudiger dan wanneer je al een vaste leef- en werkomgeving hebt. Het proces van integreren in een nieuwe cultuur duurt lang. Schuld en schaamte kunnen meespelen, zo durf je het aanvankelijk niet eens een sekte te noemen.
Diepgewortelde angsten blijven een rol spelen. Door jarenlange manipulatie heb je een gebrek aan (zelf)vertrouwen. Je hebt angst om afgerekend te worden, regels te overtreden, angst bij veranderingen en onvoorspelbaarheid, angst om te falen, niet gezien te worden, aan de kant geschoven of gepest te worden. Dus je zorgt dat je niet faalt, de controle houdt en kijkt voortdurend naar wat de ander wil. Vaak kom je niet aan jezelf toe. Je overlevingsstrategie is damage control. Overleven is voor iedereen weer anders. De een vermijdt situaties, de ander forceert en gaat er met een gestrekt been in. Voor de omgeving soms onbegrijpelijk gedrag.
Iemand die in een gesloten groep opgevoed is, heeft ruimte en stabiliteit nodig. Ruimte om te ontdekken, te leren en durven kiezen in een stabiele omgeving waar je niet afgerekend wordt om wie je bent, waar je vrij bent en op zoek kunt gaan naar wie je werkelijk bent. Vooral niets meer ‘moeten’, want je zit op slot als je jarenlang gemanipuleerd bent. Je probeert weer grip te krijgen, op de wereld en op jezelf. Dit kost tijd… veel tijd.
Hulpverleners moeten zich realiseren dat er vaak sprake is van een complex trauma (CPTSS) en een onveilige hechting. Probeer niet te negatief in te gaan op wat er gebeurd is. Dit werkt juist schuld en schaamte in de hand. Bied vooral ruimte voor het persoonlijke verhaal, luister en geef inzicht. Heb geduld, wees voorspelbaar en begrijp de paniek van triggers!
tekst: Liesbeth Groen-Flinterman
beeld: Shutterstock
Hulpinstanties
Een verkennend onderzoek naar het leefklimaat in alternatieve en traditionele vormen van residentiële jeugdhulp is onlangs gepubliceerd. We spreken met twee van de vijf onderzoekers: universitair docent Ymke Riemersma en universitair hoofddocent Orthopedagogiek Elianne Zijlstra, beiden aan de Rijksuniversiteit Groningen. Een gesprek over de ontwikkelingen in de jeugdhulp. Waar staan we nu in Nederland? Wat past het beste bij de kinderen en welke rol spelen orthopedagogen daarbij?
Lees meer
Elianne Zijlstra
“De directe aanleiding om het onderzoek te starten was de documentaire Alicia, waarin schrijnend in beeld werd gebracht hoe jongeren in de jeugdzorg te maken hebben met vele overplaatsingen”, vertelt onderzoeker Ymke Riemersma. “Dit leidde tot vragen over de kwaliteit van het leefklimaat en de effectiviteit van nieuwe, kleinschalige voorzieningen. In totaal zijn er vijf alternatieve, kleinschalige voorzieningen onderzocht, inclusief enkele gezinshuizen, en twee traditionele behandelgroepen op instellingsterreinen.”
Het onderzoek is een van de eerste naar de kwaliteit van kleinschalige voorzieningen. Het startte in 2019 en is gefinancierd door Stichting Het Vergeten Kind. Naast Ymke Riemersma en Elianne Zijlstra, bestond de onderzoeksgroep uit Annemiek Harder (bijzonder hoogleraar, Erasmus Universiteit), Margrite Kalverboer (Kinderombudsvrouw), en Wendy Post (universitair hoofddocent, Rijksuniversiteit Groningen).
Er zijn duidelijke verschillen tussen de traditionele en alternatieve vormen van residentiële jeugdhulp. De transitie van de traditionele vormen naar die alternatieven vormen van jeugdhulp is in Nederland naar schatting gestart in 2018, 2019.
Ymke Riemersma: “Traditionele voorzieningen bevinden zich op instellingsterreinen met groepen van acht tot tien jongeren en zijn gericht op kort verblijf. Alternatieve voorzieningen bevinden zich in reguliere woonwijken, zijn kleinschaliger – vier tot zes jongeren – en bieden in principe langdurig verblijf, tot 18 of zelfs 23 jaar. Belangrijke uitgangspunten bij alternatieve vormen zijn normaliseren, integratie in de samenleving en het versterken van sociale netwerken.”
“De verschillen in leefklimaat en stabiliteit tussen beide vormen van residentiële zorg zijn aanzienlijk”, geeft Ymke aan. “Jongeren in alternatieve voorzieningen voelen zich vaker ‘thuis’, wat zij zelf als belangrijk ervaren voor hun welzijn. Het gevoel van thuis-zijn uit zich in kleine dingen: een eigen kamer, zelf spullen mogen kiezen, en een plek die als ‘van jezelf’ voelt. Ook voelen jongeren zich in alternatieve voorzieningen meer gezien.”
“Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat jongeren in alternatieve vormen vaker meedoen aan de samenleving: ze gaan naar scholen buiten de voorziening, doen mee aan sportclubs of bij andere verenigingen en ze onderhouden contact met vrienden buiten de hulpverlening. Dit staat in contrast met jongeren in traditionele voorzieningen, waar het leven zich vooral binnen het instellingsterrein afspeelt. Bovendien verhuizen jongeren in alternatieve vormen minder vaak, wat bijdraagt aan meer stabiliteit en diepere relaties met professionals en familie.”
Ymke Riemersma
Ondanks de positieve uitkomsten van alternatieve vormen van residentiele jeugdzorg, zijn er ook knelpunten. Niet alle jongeren gedijen in kleinschalige voorzieningen. Jongeren met zware problematiek zoals verslaving, suïcidaal gedrag of ernstige agressie, blijken ook in alternatieve voorzieningen niet een positief leefklimaat te ervaren op lange termijn en belanden opnieuw in gesloten zorg. Dit is een belangrijke aanleiding voor vervolgonderzoek dat zich richt op de vraag: Wat zijn de voorwaarden voor succes, en wanneer lukt het niet?
Daarnaast wijst Elianne Zijlstra op het belang van het normaliseren van het contact met ouders. “Veel jongeren houden een sterke band met hun ouders, ook als het thuis niet veilig was. Toch ontbreekt vaak, bij beide vormen van hulpverlening, de begeleiding bij het herdefiniëren van die relaties. De huidige aanpak is nog vaak repressief: contact wordt beperkt, bijvoorbeeld binnen de verplichte bezoekuren. En dat werkt niet. Beter is het om samen met jongeren en ouders te kijken wat wél werkt.”
Beide onderzoekers benadrukken het belang van normaliseren van het leven van jongeren, ondanks hun uithuisplaatsing. Dit betekent onder andere toegang tot reguliere voorzieningen zoals onderwijs, sportclubs, cultuur voorzieningen en sociale netwerken. Dit vraagt om samenwerking met maatschappelijke partners zoals scholen en (sport)verenigingen. Het vraagt ook iets van de samenleving: acceptatie en ondersteuning, in plaats van stigmatisering. Ook voor professionals ligt er een belangrijke taak. Orthopedagogen kunnen hierin een verbindende rol spelen door bijvoorbeeld sporttrainers of docenten te begeleiden in het omgaan met de kwetsbare jongeren. Continuïteit van zorg is daarbij essentieel.
“Een schrijnend voorbeeld uit het onderzoek: een jongere benoemde de onderzoeker zelf één van de stabiele factoren in zijn leven gedurende de afgelopen twee jaar. Dit onderstreept het belang van vaste gezichten en langdurige betrokkenheid,” geeft Elianne Zijlstra aan.
Ymke Riemersma en Elianne Zijlstra geven in hun onderzoek diverse aanbevelingen voor het verbeteren van de residentiële jeugdhulp. Hun onderzoek zorgt voor een empirische onderbouwing van de adviezen die je ook terugvindt in de Richtlijn uithuisplaatsing en die in kleinschalige voorzieningen beter te realiseren zijn.
Een belangrijk punt is de plaatsing van de jongere dichtbij zijn eigen netwerk. Jongeren profiteren er namelijk van als ze in hun eigen wijk kunnen blijven wonen. Hun leven hoeft dan minder drastisch te veranderen: dezelfde school, hun sportclub en sociaal netwerk blijven behouden.
Een tweede punt is het versterken van de ouderbetrokkenheid. Hiermee wordt bedoeld: betrek ouders actief bij beslissingen. Laat ze mee-eten, helpen met huiswerk, of even bellen bij belangrijke keuzes. Dit verbetert ook de houding van ouders tegenover de hulpverlening, wat jongeren weer ten goede komt.
Daarnaast is het creëren van een thuisgevoel essentieel. Geef jongeren regie over hun leefomgeving. Kleine aanpassingen als een eigen poster, een muurtje verven of lichtjes ophangen kunnen bijdragen aan het gevoel van eigenaarschap en veiligheid.
En investeer in verbinding met de samenleving. Zorg dat jongeren toegang hebben tot sportclubs, muziekles of toneel. Begeleid ook de omgeving: betrek trainers, mentoren en buurtgenoten in het proces om wederzijds begrip en acceptatie te vergroten.
Ook is het van belang dat er vaste gezichten en teams zijn voor de jongeren. Stop met de inzet van zzp’ers op cruciale posities. Continuïteit in begeleiding is van essentieel belang. Jongeren in de residentiële jeugdzorg zijn vaak al vele keren verlaten of overgeplaatst. Beoordeel de situatie van jongeren niet gefragmenteerd. Combineer onderwijs, zorg, vrije tijd en sociaal netwerk in een samenhangende aanpak. Alleen zo kan uithuisplaatsing op de lange termijn succesvol zijn.
Tot slot: luister naar jongeren. Vraag aan hen wat zij nodig hebben om zich thuis te voelen, welke routines hen helpen, en wat hen gelukkig maakt. Hun perspectief is essentieel bij het vormgeven van voorzieningen.
In het vervolgonderzoek, dat in het najaar van 2025 van start gaat, richten de onderzoekers zich op de dilemma’s in het leefklimaat van alternatieve voorzieningen. Dit onderzoek wordt gefinancierd door een subsidieverstrekker uit Noord-Nederland. Daar wordt het onderzoek dan ook gehouden. De uitkomsten kunnen ze vervolgens vertalen naar de rest van het land.
Er worden gesprekken georganiseerd met jongeren, ouders, professionals en pleegouders om samen alternatieven te bedenken voor situaties waarin het leefklimaat niet toereikend is. De nadruk ligt op co-creatie: jongeren en ouders worden gezien als ervaringsdeskundigen en partners in onderzoek.
De uitkomsten van dit verkennende onderzoek laten overtuigend zien dat kleinschalige, alternatieve vormen van residentiële jeugdhulp jongeren een beter perspectief bieden op veiligheid, stabiliteit en participatie in de samenleving.
Elianne Zijlstra: “Maar het vergt meer dan alleen een kleinere groep jongeren in een andere woning. Het vraagt om een fundamentele omslag in denken en doen: van repressie naar relatie, van beheersen naar begeleiden, van regels naar ruimte. Daarbij is samenwerking cruciaal: tussen professionals, ouders, jongeren, en de samenleving als geheel.”
Ymke Riemersma sluit het gesprek af: “De transitie naar alternatieve vormen is inmiddels ingezet, maar kent nog veel uitdagingen. Dit onderzoek biedt belangrijke inzichten voor het verder versterken van het leefklimaat van jongeren in de jeugdzorg. Het is een oproep aan iedereen in en rond de residentiële hulpverlening om werkelijk te investeren in de leefwereld van jongeren. Want uiteindelijk is het doel simpel, maar wezenlijk: jongeren een plek bieden waar ze zich veilig, gezien en thuis kunnen voelen.”
tekst: Marijke Buisman
‘… het is hier net zo’n gezellige sfeer als ik thuis vaak had.’ Een Verkennend Onderzoek naar het Leefklimaat in Alternatieve en Traditionele Vormen van Residentiële Jeugdhulp. doi.org/10.54447/JiO.19223
Opvoedboeken voor het brede publiek staan helaas vaak vol niet-onderbouwde adviezen, die ouders nog onzekerder kunnen maken over hun ouderschap. ‘Jagen, verzamelen, opvoeden’ van de Amerikaanse wetenschapsjournalist Michaeleen Doucleff heeft me positief verrast. De schrijfster combineert etnografische beschrijvingen van drie gemeenschappen die ze zelf heeft bezocht, met haar dochtertje, met direct toepasbare opvoedadviezen.
Lees meer
Jagen, verzamelen, opvoeden opent met ontboezemingen van de schrijfster over de band met haar temperamentvolle 3-jarige dochter Rosy en de strijd die het opvoeden meestal voor haar was. Ze vertelt hoe dit veranderde nadat ze voor haar werk reizen maakte naar landen met jager-verzamelaarsgemeenschappen en hoe deze haar hebben laten zien hoe opvoeden ook kan zijn. Het eerste hoofdstuk is voor lezers met een achtergrond in de sociale wetenschappen waarschijnlijk bekend: hierin beschrijft zij dat het meeste opvoedadvies sterk cultureel bepaald is (lees: gebaseerd op een Westers ideaal) en niet gebaseerd op gedegen wetenschappelijk onderzoek.
Het middelste gedeelte van het boek is het meest interessant. Hierin staat steeds een andere cultuur centraal en maak je kennis met verschillende gezinnen en hun aanpak van bekende opvoedthema’s als slapen, eten en op tijd op school komen. Maar wat deze culturen zo bijzonder maakt – alhoewel ze eigenlijk beter aansluiten op de evolutie van de mensheid dan de Westerse cultuur – is dat de nadruk juist niet ligt op deze individualistische thema’s, maar op het creëren van autonome, behulpzame en verantwoordelijke kinderen binnen een gemeenschap.
In het deel over de Maya’s in Mexico lees je over de term acomedido, die je grofweg kunt vertalen als ‘een klusje of taak doen zonder dat iemand je dat heeft opgedragen’ en hoe Maya-ouders dit al vanaf jonge leeftijd stimuleren door hun kind bij alles te betrekken, op hun eigen niveau. Zodat de 12-jarige Angela na het opstaan uit zichzelf de afwas gaat doen.
Het deel over de Inuit, in het hoge noorden van Canada, gaat over manieren waarop zij hun kinderen leren om hun woede te beheersen.
Spoiler: onder andere door zelf kalm te blijven en weg te lopen, of stil te blijven bij opborrelende boosheid. Ook licht de schrijfster de kracht van verhalen vertellen en spel inzetten toe. Dit kan erg effectief zijn om kinderen op een speelse manier te leren wat het juiste gedrag is. Bij de Hadzabe in Tanzania staan het belang van autonomie (‘probeer maximaal drie bevelen per uur te geven’) en het zoeken van mede-ouders (oppassen, leraren, oudere kinderen, buren, vrienden, familieleden) centraal.
Tussendoor vind je allerlei oefeningen. Ook fijn: ieder hoofdstuk eindigt met een samenvatting van de belangrijkste inzichten en tips. Het boek is niet belerend. Het zegt niet dat je opvoeden op een bepaalde manier moet doen. Het geeft wel veel ideeën om uit te proberen, gebaseerd op de gebruiken en omgangsvormen van drie oude culturen.
Na het lezen van Jagen, verzamelen, opvoeden wilde ik meteen mijn koffers pakken om met eigen ogen te zien welke waardevolle lessen we van deze culturen kunnen leren. Ook is de schrijfster goudeerlijk over haar eigen worstelingen met de opvoeding van haar dochter. Deze combinatie maakt het een inspirerend en herkenbaar boek voor opvoeders die hun blik willen verruimen.
tekst: Sanne de Vet
Jagen, verzamelen, opvoeden (2021) van Michaeleen Doucleff is een uitgave van A.W. Bruna.
Hoe een groeiend netwerk van klassen op reguliere scholen laat zien dat écht inclusief onderwijs mogelijk is – en werkt. Zoals in Schijndel, Groningen en Zutphen.
Lees meer
In 2035 moet inclusief onderwijs de norm zijn in Nederland. Dat is de ambitie van de overheid. Maar voor veel kinderen met een beperking en een complexe ondersteuningsbehoefte is die realiteit nog ver weg. Velen gaan helemaal niet naar school, zitten thuis of gaan naar kinderdagcentra. Anderen reizen dagelijks lange afstanden naar speciaal onderwijs, ver van hun buurt, vriendjes en familie. Stichting het Gehandicapte Kind wil daar verandering in brengen – met het initiatief Samen naar School.
De basis van Samen naar School is gelegd in 2006 en 2011, toen ouders in Breda en Alkmaar eigenhandig klassen oprichtten voor hun kinderen met een ernstige meervoudige beperking: Stichting Mees en Klas op Wielen. Deze initiatieven lieten zien dat het mogelijk is om kinderen met complexe ondersteuningsbehoeften onderwijs te bieden op een reguliere school in de buurt.
Geïnspireerd door deze voorbeelden startte Stichting het Gehandicapte Kind in 2015 het project Samen naar School. Het doel: het aantal klassen uitbreiden én een community bouwen van ouders, scholen en zorgprofessionals die samen laten zien dat inclusief onderwijs werkt. Inmiddels zijn er ruim zestig Samen naar Schoolklassen verspreid over Nederland – en het aantal groeit nog steeds.
Een Samen naar School-klas is een aparte klas binnen een reguliere basisschool, speciaal ingericht voor kinderen met een beperking die intensieve zorg of begeleiding nodig hebben. In deze klas krijgen zij onderwijs en zorg op maat, afgestemd op hun mogelijkheden.
In een gemiddelde klas zitten zes leerlingen. Veelal staat er één leerkracht met expertise uit het speciaal onderwijs voor de groep en zijn er – afhankelijk van de zorgbehoefte van de leerlingen – één of meerdere begeleiders voor extra ondersteuning.1 Ouders zijn nauw betrokken en werken samen met leerkrachten en zorgprofessionals. Therapeuten zoals logopedisten of fysiotherapeuten komen naar school om ondersteuning te bieden en waar nodig wordt ook een orthopedagoog betrokken.
Wat deze klassen uniek maakt, is de verbinding met de rest van de school. Kinderen met en zonder beperking leren en spelen samen. Ze doen mee aan gezamenlijke activiteiten, pauzes, vieringen en waar mogelijk ook aan lessen. Zo ontstaat er een natuurlijke vorm van inclusie, waarin verschillen niet worden weggepoetst, maar juist erkend en gewaardeerd.
Als moeder van een kind met een zware prikkelverwerkingsstoornis weet Astrid hoe ingewikkeld het kan zijn om passende zorg te vinden. Haar zoon Tim aardde als kleuter niet op het orthopedagogisch dagcentrum en zat daarna vijf jaar thuis. “Dat is voor niemand goed,” zegt ze resoluut. Toen Tim acht was, ontstond de kans om een Samen naar School-klas op te richten binnen basisschool EBC Icarus. De schooldirecteur stond direct achter het idee.
“De keuze om aan te haken bij een reguliere school was heel bewust,” vertelt Astrid. “Je doet kinderen tekort als je ze de kans ontneemt het leven te ontdekken. Wij zeggen altijd: we leren ze hier het leven.” De kinderen uit de klas doen soms mee met de gymles, spelen samen buiten en krijgen bezoek van leerlingen uit groep 8 die komen voorlezen. “Ze worden nu echt gezien. Ze worden gegroet op straat. En dat doet iets met ze. Ze zijn megatrots als iemand naar hen zwaait. Het zijn kleine dingen, maar die zijn zó waardevol.”
De impact van Samen naar School is voelbaar op meerdere niveaus. Kinderen met een beperking krijgen de kans om mee te doen in hun eigen buurt. Kinderen zonder beperking leren dat verschillen normaal zijn en ontwikkelen empathie en sociale vaardigheden. Veel leerlingen uit de bovenbouw helpen actief mee in de Samen naar School-klas – bijvoorbeeld door voor te lezen of te assisteren bij activiteiten. Dat versterkt hun zelfvertrouwen én hun betrokkenheid.
Wetenschappelijk onderzoek bevestigt deze positieve effecten. Zo blijkt uit studies dat inclusief onderwijs niet alleen gunstig is voor kinderen met een beperking, maar ook voor hun klasgenoten zonder beperking. Op jonge leeftijd leren dat we allemaal verschillend zijn, stimuleert zorgzaamheid en verdraagzaamheid (Babik & Gardner, 2021). Kinderen ontwikkelen een positievere houding tegenover leeftijdsgenoten met een beperking, vooral als ze hier al op de basisschool mee in aanraking komen.
Empirisch bewijs toont bovendien aan dat inclusief onderwijs leidt tot meer vriendschappen (Vyrastekova, 2021) en betere schooluitkomsten voor álle leerlingen (Szumski et al., 2017). De sociale ontwikkeling van kinderen en jongeren blijkt sterker in inclusieve scholen (Schwab, 2015). Daarmee is Samen naar School niet alleen een pedagogisch wenselijk initiatief, maar ook een onderbouwde investering in de brede ontwikkeling van kinderen.
Wat opvalt, is dat steeds vaker schooldirecteuren zélf het initiatief nemen om een Samen naar School-klas te starten. Ze willen hun leerlingen niet langer doorverwijzen naar het speciaal onderwijs, maar zoeken naar manieren om hen binnen de eigen school te ondersteunen. Deze beweging van onderaf sluit naadloos aan bij de visie van Stichting het Gehandicapte Kind: onderwijsvernieuwing begint bij mensen die het anders willen én durven doen.
In de beginjaren stonden veel leerlingen in Samen naar Schoolklassen nog niet officieel ingeschreven op een reguliere school. Ze vielen onder een vrijstelling van de leerplicht. Inmiddels is die situatie sterk veranderd. Nieuwe klassen krijgen onderwijsfinanciering en de leerlingen worden ingeschreven in de school. Deze ontwikkeling, van vrijstelling naar volwaardige inschrijving, markeert een belangrijke stap richting echte inclusie. De samenwerking met het Steunpunt Passend Onderwijs speelt hierin een belangrijke rol.
Eva Boon, ouder van een leerling en oprichter van de Gripklas bij BSO de Pit in Groningen vertelt: “Mijn dochter ging naar speciaal onderwijs ver van huis en kwam elke dag uitgeput thuis. Niemand in de buurt kende haar. Nu zit ze op een school in de wijk, samen met andere kinderen.”
“Ik vind het belangrijk dat kinderen met een beperking zo normaal mogelijk opgroeien en in de buurt samen met andere kinderen naar school kunnen gaan. Op deze school kijkt niemand meer raar op van een kind dat niet kan praten. Tijdens de weeksluiting geven onze leerlingen een lesje gebarentaal. Er wordt samen gespeeld, er is veel onderling contact en iedereen mag gewoon anders zijn.”
Wanneer de leerlingen ingeschreven worden in de school, krijgen ze een ontwikkelingsperspectief (OPP) waarin de specifieke doelen en extra ondersteuning beschreven staan. De leerlingen van de Samen naar School-klas zijn vrijgesteld van einddoelen en uitstroomprofielen, maar volgen wel de leerroutes die gebruikelijk zijn in het onderwijs. Veel Samen naar School-klassen gebruiken daarvoor de bekende Plancius-leerlijnen of de CED-leerlijnen. Of de leerlijn die speciaal voor Samen naar School-klassen is ontwikkeld en zich met lesvoorbeelden en materialen specifiek richt op inclusie: IPIO-Z (Integraal Pakket voor Inclusief Onderwijs en Zorg).
Ook het onderwijs zelf is zo inclusief mogelijk. Waar het kan, sluiten de kinderen uit de Samen naar School-klas aan bij de reguliere lessen. Bijvoorbeeld voor de instructie van de rekenles. In veel gevallen gaat er een begeleider mee zodat het geen druk legt op de leerkracht van de reguliere klas. Maar ook vice versa is die inclusie er. Veel leerlingen van de reguliere klas helpen regelmatig in de Samen naar School-klas.
De wens om inclusief onderwijs te volgen stopt niet na groep 8. Steeds meer jongeren uit een Samen naar School-klas, zouden ook graag in het voortgezet onderwijs ondersteuning krijgen binnen een reguliere setting. Op dit moment is het nog niet mogelijk om de leerlingen voor Samen naar School in te schrijven in de reguliere VO-school. Stichting het Gehandicapte kind zet zich samen met Steunpunt Passend Onderwijs en het ministerie van OCW actief in om dit te veranderen. Maar er zijn al samenwerkingsverbanden die het belang van deze klassen in het VO inzien en zonder inschrijving toch onderwijsgeld beschikbaar stellen.
Samen naar School gaat nóg een stap verder, want ook voor jongeren van 16 jaar en ouder ontstaan er nieuwe mogelijkheden. Sommige leerlingen stromen eerder uit uit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs, maar willen blijven leren, stage lopen of deelnemen aan de maatschappij. Voor hen zijn er inmiddels speciale klassen binnen het Samen naar School-concept, zoals bij de ALEZ Academie en Paratus Plus. Deze initiatieven bieden maatwerktrajecten waarin leren, werken en persoonlijke ontwikkeling hand in hand gaan.
Samen naar School laat zien dat inclusief onderwijs geen utopie is, maar een haalbare en waardevolle realiteit. Het vraagt om samenwerking tussen ouders, scholen, gemeenten, zorgprofessionals en beleidsmakers. Het vraagt ook om lef: om buiten de gebaande paden te denken en te doen wat nodig is voor kinderen die anders buiten de boot vallen. De beweging groeit. Niet alleen in aantal klassen, maar ook in bewustwording.
De casus Samen naar School toont hoe onderwijsvernieuwing van onderaf kan uitgroeien tot een landelijke beweging. Het is een inspirerend voorbeeld van hoe pedagogisch denken, maatschappelijke betrokkenheid en praktische samenwerking kunnen leiden tot echte verandering. Voor pedagogen, beleidsmakers en onderwijsprofessionals biedt het waardevolle inzichten én een uitnodiging: om mee te bouwen aan een schoolplein waar iedereen welkom is.
Toen schooldirecteur Elza-Baukje Lap de plannen voor een Samen naar School-klas besprak met haar team, meldden zich direct drie leerkrachten die mee wilden doen. Eén van hen had geen ervaring in het speciaal onderwijs, maar volgde cursussen om zich te verdiepen in de doelgroep.
“We merken dat het maatwerk intensief is,” vertelt Lap, “maar het is het waard. Iedereen groeit ervan: de leerlingen, de ouders én het personeel. Samen opgroeien kost wat, maar levert vooral veel op.”
tekst: Miranda Kraaijenhagen, Jetty Anema en Maartje van Boekel
foto’s: Stichting het Gehandicapte Kind
Meer weten of interesse om een Samen naar School-klas te starten? Kijk op www.samennaarschool.nl en neem contact op met de onderwijszorgadviseur van Stichting het Gehandicapte Kind.
Als wijkcoach en actief lid van de Turkse gemeenschap in Enschede – waar taboes rondom seksualiteit sterk aanwezig zijn – maak ik me zorgen over de gevaren van shame-sexting. Met steun van de moskee organiseer ik sinds 2024 workshops voor moeders en inmiddels ook voor jongeren.
Lees meer
Asli Karaman
De casus van een Turks meisje in de basisschoolleeftijd, slachtoffer van shame-sexting, raakte me. Tijdens een ontbijt in mijn ouderlijk huis deelde ik dit verhaal. Haar foto’s waren zonder toestemming verspreid via meerdere sociale mediaplatforms. De beelden werden herhaaldelijk gedeeld, wat leidde tot victim blaming, online shaming en ernstige psychische schade.
Naast deze casus was ik gealarmeerd door recent onderzoek van het Kennisplatform Inclusief Samenleven (KIS). Dit toont aan dat shame-sexting – het ongewenst verspreiden van intiem beeldmateriaal – een groeiend probleem is. Meisjes (en jongens) uit Turkse, Marokkaanse en Hindoestaanse gezinnen zijn extra kwetsbaar, omdat de nadruk op seksuele eer binnen deze gemeenschappen het risico op chantage en uitbuiting vergroot.
In februari 2024 nam ik contact op met de Selimiye moskee (Islamitische Stichting Nederland) in Enschede om dit onderwerp bespreekbaar te maken. De moskee reageerde positief en bood ruimte voor een voorlichtingssessie voor moeders. Samen met de imams zochten we aansluiting bij islamitische en culturele waarden.
Tijdens de sessie benadrukte ik de kwetsbaarheid van jongeren, zowel als slachtoffer als onbedoeld dader. We bespraken risico’s van sexting, de kracht van sociale media, en vooral de rol van ouders. Ik moedigde moeders aan om open gesprekken te voeren – ondanks taboes. Een moeder vroeg: ‘Hoe begin ik zo’n gesprek met mijn dochter, zonder dat ze denkt dat ik haar wantrouw?’ Dit soort onzekerheid bleek veel voor te komen. We keken samen naar manieren om een open gesprek te voeren zonder dat het als ‘beschuldigen’ overkomt. Ook bespraken we het belang van ouderlijke betrokkenheid bij het online leven van hun kinderen.
Na afloop bleven veel moeders hangen om persoonlijke verhalen te delen. Een moeder vertelde dat ze zelf met een soortgelijk probleem te maken had en daarom speciaal naar deze bijeenkomst was gekomen.
Daarna heb ik sessies georganiseerd in meerdere Turkse moskeeën in Enschede, Oldenzaal en Hengelo. In Hengelo en Enschede hoopten moeders dat ook vaders betrokken zouden worden, omdat zij vaak een cruciale rol spelen in de opvoeding, maar niet altijd goed weten hoe ze deze kunnen invullen.
Inmiddels word ik ook benaderd door moskeeën buiten Twente, zoals Amsterdam, Amersfoort en Utrecht. Het laat zien dat er binnen moslimgemeenschappen een groeiende openheid bestaat om thema’s als online veiligheid, seksualiteit en opvoeding bespreekbaar te maken – míts dit op een respectvolle en cultureel sensitieve manier gebeurt.
Op verzoek van de moeders ben ik ook begonnen met het organiseren van workshops voor jongeren. Over thema’s zoals sexting, online shaming, verantwoord online gedrag en de gevolgen van grensoverschrijdend gedrag. Jongeren krijgen hierbij handvatten om bewuster en veiliger online te zijn. Dit wordt mogelijk gemaakt door de steun van de moskeeën, die een veilige en vertrouwde ruimte bieden voor deze gesprekken.
tekst: Asli Karaman
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Als je werkt met kinderen met specifieke angsten en inspiratie zoekt, dan is Angsten en fobieën bij kinderen van A-Z een boek voor jou. De auteurs, zelf (klinisch) psychologen en oudercoach, hebben een praktisch overzicht geschreven van exposure-oefeningen voor angsten. Van aardbevingen tot zwemmen en alles daar tussenin. Letterlijk van A tot Z dus.
Ze lichten elke angst eerst kort toe. Dan volgen voorbeelden van exposure-oefeningen, in verschillende moeilijkheidsgradaties. Van samen hondenbingo spelen tot een hond aaien (angst voor honden). En van het maken – en smeren – van nepbloed (inclusief recept!) tot bij jezelf een druppel bloed prikken. Ook zijn er oefeningen met een grotere rol voor ouders, zoals minder bevestigingsvragen leren stellen, of je kind alleen leren slapen.
De auteurs doen, heel orthopedagogisch, vooral een beroep op ouders en directe omgeving om het kind te begeleiden tijdens de exposure. Daaronder zit uiteraard de expertise van de behandelaar, om oefeningen te selecteren die passend zijn, om de oefeningen uit te leggen en om aanvullende ondersteuning te bieden. Bijvoorbeeld wanneer EMDR of CGT voorwaardelijk is om verder te kunnen. Belangrijk is, en dit wordt ook aangegeven, dat je weet wat je doet en wanneer je welke oefening inzet. De auteurs gaan ervanuit dat de lezer ervaring heeft met exposure en responspreventie (ERP)-therapie. Dus ben je een geoefend behandelaar: lees dit boek en doe inspiratie op.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Angsten en fobieën bij kinderen van A-Z – met creatieve exposure-oefeningen (2025) van Dawn Huebner en Erin Neely is een uitgave van SWP.
Tijdens een paar intense dagen met mijn pasgeboren baby begon ik aan De ontevreden baby van Pamela Douglas. Ik had behoefte aan herkenning en houvast. Die biedt het boek zeker. De nadruk op de normale variatie in ontwikkeling en gedrag van jonge baby’s werkt geruststellend. Het geeft ruimte aan onzekerheid – en helpt om niet direct in probleem-denken te vervallen.
Douglas baseert haar visie op principes uit de Acceptance and Commitment Therapy (ACT), wat leidt tot een compassievolle benadering van ouderschap. Haar kernboodschappen over slapen, huilen, eten en prikkelverwerking vind ik erg nuttig. Zeker op dagen dat het ouderschap overweldigend voelt, kan dit boek net een beetje lucht geven. Toch las ik het boek niet in één ruk uit. Sommige passages zijn langdradig, met veel herhalingen. De casussen zijn soms wat gemaakt en overdreven. Douglas is kritisch op traditionele benaderingen van babyzorg (zoals rust, reinheid en regelmaat) en dat is begrijpelijk – ze heeft een punt. Maar de manier waarop ze haar standpunten brengt, komt wat belerend en weinig genuanceerd over. Waar ze pleit voor ruimte en mildheid, lijken haar eigen oordelen soms juist erg stellig.
Als aanvulling op het boek is de podcast De ontevreden baby verrassend waardevol. Verschillende experts, waaronder hoogleraar Pedagogiek Maartje Luijk, worden geïnterviewd over de thema’s uit het boek. De afleveringen bieden verdieping en praktische inzichten met een duidelijke wetenschappelijke onderbouwing. Een mooie inhoudelijke aanvulling op het boek – of een prima alternatief voor wie liever luistert dan leest.
tekst: Rianne Manenschijn
De ontevreden baby (2024) van Pamela Douglas is een uitgave van SWP.
Alfred Korzybski (1879-1950) was een Pools-Amerikaanse algemeen linguïst en grondlegger van de Algemene Semantiek. Hij maakt onderscheid tussen de wereld van de spraak en symbolen, en de werkelijke wereld. Eerlijk gezegd had ik nog nooit gehoord van Korzybski, laat staan van het Korzybski Instituut. De podcast Het Korzybski Huis, uitgebracht door dit Belgische instituut, is het beluisteren waard. De focus ligt op oplossingsgericht werken.
In de inmiddels 17 afleveringen van de podcast interviewt psycholoog en psychotherapeut Geert Lefevere verschillende experts over hoe gesprekken helpend kunnen zijn voor mensen die op zoek zijn naar stabiliteit of verandering. Het zijn onder meer experts op het gebied van psychotherapie, ouder-kind relaties, de relatie tussen leerkracht en leerling, vriendschap en andere relaties. Elk gesprek gaat over de menselijke alliantie, over verbinding tussen mensen en over constructief spreken. Actuele onderwerpen komen aan bod, zoals de bejegening van gevluchte jongeren, de functie van machteloosheid en woede, de rol van taal in het creëren van een therapeutische alliantie.
Je leert in de verschillende afleveringen over de impact van het werkwoord ‘zijn’, wat victimiserende empathie is, dat er soms een beetje autistisch met de diagnose autisme wordt omgegaan, dat we zo lang we kwaad zijn hoopvol kunnen zijn en nog veel meer.
De gesprekken zijn inspirerend en niet alleen interessant voor pedagogische professionals. Positieve bijkomstigheid is dat de meeste gesprekken in het Vlaams zijn, wat sowieso al een genot is om naar te luisteren.
tekst: Marleen Baeten
Het Korzybski Huis is te beluisteren via de gebruikelijke podcast-kanalen.
Waarom kijken we graag naar actiefilms met veel geweld? Een zucht naar spanning en sensatie? Of juist een extra gevoel van veiligheid omdat het niet ècht is en ver van je bed? Dat vroeg ik me af toen het boek Scholen op scherp mijn aandacht trok. Kinderen en jongeren met wapens in en rond de school luidt de ondertitel. Dat triggerde iets. Niet omdat er op mijn school een kind met een boksbeugel rondloopt. Maar kennelijk toch omdat de dreiging van geweld fascineert.
Het boek leest lekker weg, met grote letters en levendige voorbeelden. Kees van Overveld, gepromoveerd op agressie onder jongeren, heeft voor een heldere indeling in drieën gezorgd. Als je hier zelf mee te maken hebt op school, vind je wat je zoekt in deel drie. Daarin staan zestien aanbevelingen. Van Overveld levert er bovendien talloze bronnen bij en praktische tips in de bijlagen.
Ben je vooral geïnteresseerd in feiten en achtergronden, dan vind je in de eerste delen vast iets wat je misschien niet zocht, maar wel interessant is. Zo is er een hoofdstuk over drillrap en de bijbehorende straattaal. En een over online gedrag. Het internet zorgt dat het allemaal niet zo ver van je bed is. En dat het niet alleen iets voor grote steden is, maar ook voor een dorp als Drachten (p. 75). En: wapendragers zitten soms nog op de basisschool. So beware!
tekst: Andries Kamminga
Scholen op scherp. Kinderen en jongeren met wapens in en rond de school (2023) van Kees van Overveld is een uitgave van Pica.
Mathijs Vervloed is sinds september 2023 bijzonder hoogleraar Ondersteunde Communicatie bij kinderen met meervoudige beperkingen aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Zijn leerstoel wordt gefinancierd door Stichting Milo, die kennis uit praktijk en wetenschap verzamelt op het gebied van ondersteunde communicatie.
Lees meer
Mathijs Vervloed is de opvolger van Hans van Balkom, psycholinguïst en een van de oprichters van Stichting Milo, die zich volledig heeft toegelegd op ondersteunde communicatie.
“Hans en ik kennen elkaar al jaren. Toen hij mij vroeg voor dit hoogleraarschap heb ik er wel even over moeten nadenken. Dit is een veld dat van oudsher wordt gedomineerd door taal- en spraakpathologen en logopedisten. Als orthopedagoog weet ik natuurlijk wel wat van kinderontwikkeling, maar ik beschouwde mezelf niet als expert op taalgebied.”
Hij besloot de positie te aanvaarden, juist vanwege het feit dat hij als orthopedagoog weer een ander perspectief meebrengt. “We werken met kinderen bij wie diagnostiek vaak lastig is, het is niet gemakkelijk om de juiste ingang bij een kind te vinden. Dat vergt niet alleen veel van professionals, maar ook van ouders en andere familieleden. Ik denk dat wij als orthopedagogen veel ervaring hebben in het gemotiveerd houden van al die mensen die om zo’n kind heen staan. We weten hoe we gebruik kunnen maken van het systeem. Daarbij is het prettig dat ik een heel team om me heen heb van collega’s met allerlei verschillende expertises. Ik hoef de kar dus niet alleen te trekken.”
Onder ondersteunde communicatie wordt iedere vorm van hulp verstaan die de gesproken taal kan ondersteunen. Dat varieert van gebarentaal, pictogrammen en liedjes tot meer geavanceerde vormen, zoals spraakcomputers en oogbesturing. Vervloed: “We focussen ons vaak op de techniek, maar er is maar een klein deel van de doelgroep dat hier gebruik van maakt. Sterker nog, er hoeft soms niet eens een hulpmiddel aan te pas te komen om de communicatie met een kind op gang te brengen. Kinderen zenden vaak al allerlei natuurlijke signalen uit en als je leert om die te interpreteren, is dat voldoende.”
Het onderzoek van Vervloed richt zich op kinderen en jongeren (tot 23 jaar) met meervoudige aangeboren beperkingen. Vaak gaat het om een combinatie van een of meerdere zintuigbeperkingen en een verstandelijke of motorische beperking. In het laatste geval gaat het om kinderen die zich niet of heel moeilijk kunnen uiten, maar wel degelijk in staat zijn om spraak en taal te begrijpen.
“Veel van deze kinderen worden onderschat. Dat zie je als je ze ondersteunde communicatie aanbiedt en constateert dat ze prima in staat zijn om een taal te leren. Onze filosofie is sowieso dat je altijd moet onderzoeken of kinderen communicatie kunnen begrijpen, hoe laag het niveau ook is en hoe ernstig of meervoudig de beperkingen ook zijn. Als je het niet probeert, weet je het immers ook niet.”
Mathijs Vervloed en zijn team voeren het onderzoek uit langs drie lijnen. “Allereerst richten we ons op diagnostiek en behandeling. We willen in kaart brengen wat wel en niet werkt. Dat is niet alleen fijn voor deze kinderen, maar ook voor de zorgverzekeraars. We doen met z’n allen namelijk best veel interventies die tijdrovend en kostbaar zijn, dus wij proberen zoveel mogelijk bewijs te verzamelen voor effectieve interventies.
De tweede onderzoekslijn richt zich op het lezen. We zien in de praktijk regelmatig dat kinderen die leren communiceren met plaatjes of tekeningen ook de geschreven woorden oppikken die erbij staan. Dat heeft ons aan het denken gezet. Vandaar dat we nu een vorm van leesonderwijs introduceren om kinderen met meervoudige beperkingen aan het lezen te krijgen.
De derde lijn richt zich op het bevorderen van participatie en inclusief onderwijs. Nederland heeft zich in 2016 aangesloten bij het VN-verdrag Handicap, waarin we beloven dat mensen met een beperking net zo moeten kunnen leven als anderen en dat kinderen recht hebben op inclusief onderwijs. Ik loop al best lang rond in de gehandicaptenzorg, maar eigenlijk komt daar dus weinig van terecht. Je ziet nog steeds dat regulier en speciaal onderwijs twee verschillende werelden zijn en ik wil onderzoeken hoe we dat kunnen doorbreken. Misschien zal dat voor een deel ook buiten de academische setting moeten en ga ik me meer mengen in het maatschappelijk debat. Dat is nieuw voor mij, maar ook leuk en interessant.”
Als hij er één aspect uit zou moeten lichten van wat hij wil bereiken met zijn leerstoel, wat zou dat dan zijn? “Communiceren is zo wezenlijk voor een mens. En dan bedoel ik niet per se taal, maar een boodschap overbrengen op welke manier dan ook. Dat gaat bij sommige kinderen niet vanzelf – om het zacht uit te drukken. Het vergt vaak maanden van intensief onderzoek om erachter te komen wat werkt. Er zijn geen generieke oplossingen, ieder kind is anders.
Het is schrijnend om te zien hoe kinderen als het ware opgesloten zitten in hun lichaam en zich niet kunnen uiten. Als je dan toch dat deurtje open krijgt en de communicatie tussen kinderen en ouders op gang kunt krijgen… dat is onbetaalbaar. Dus ik hoop dat ons onderzoek bijdraagt aan het besef dat alle kinderen kunnen leren en dat er ook vrijwel altijd een vorm van communicatie mogelijk is.”
![]()
“Ik denk dat het goed is dat mensen af en toe uit hun comfortzone treden. Daarom hoop ik dat orthopedagogen-in-opleiding ook eens gaan kijken bij doelgroepen waar ze op het eerste gezicht niet zoveel mee hebben. Ik gun iedere orthopedagoog om te werken met kinderen met een meervoudige beperking. Ze zijn afkomstig uit alle rangen en standen van de samenleving en geen kind is hetzelfde. Maar misschien nog wel belangrijker: iedereen is gemotiveerd om de situatie te verbeteren. En ook al gaat het vaak met kleine stapjes, het is enorm bevredigend als dat ook daadwerkelijk lukt.”
tekst: Raymond Krul
Onder de naam Deelkracht werken onderzoekers, professionals en ervaringsdeskundigen samen aan één einddoel: een samenleving die ook met een zintuiglijke beperking toegankelijk is. Mathijs Vervloed: “Op de website staan hele mooie filmpjes die laten zien wat er mogelijk is met Ondersteunende Communicatie, bijvoorbeeld kinderen die niet kunnen spreken, maar zich toch kunnen uitdrukken dankzij een spraakcomputer. Opeens zijn die kinderen dan veel minder beperkt dan ze op het eerste gezicht leken.”
Meer info: www.deelkracht.nl
Hoe kun je kinderen verhoren over een mogelijk verdacht incident, zoals seksueel misbruik? Om suggestieve vragen te voorkomen, gebruikt de politie de methode van free recall en gerichte invitaties. Daisy Smeets vertelt over de online yogales waarmee zij deze methode in een experiment onderzocht.
Lees meer
Vanuit de praktijk kwam de onderzoeksvraag om de methode van het kindverhoor bij de politie tegen het licht te houden. Als kinderen over een gebeurtenis vertellen, zoals bij een vermoeden van seksueel misbruik, is er bewijs nodig om een verdachte te vervolgen. Hoe uitgebreider en gedetailleerder een kind over het incident vertelt, des te meer bewijs.
Werkt de methode die de politie gebruikt beter als de volgorde van de vragen verandert? Enkele recherchepsychologen kwamen met deze vraag naar Daisy Smeets, universitair docent bij Forensische gezinspedagogiek en jeugdhulpverlening aan de Universiteit Leiden. Samen met collega Lenneke Alink diende Daisy met succes een subsidieaanvraag in bij Politie & Wetenschap. Nu ligt er het onderzoeksrapport.1
Hoe kunnen we het beste met kinderen praten om ze te horen over een mogelijk verdachte gebeurtenis? Dat is een belangrijke vraag, niet alleen voor de politie, maar ook voor bijvoorbeeld Veilig Thuis en de jeugdbescherming. Er is een lange lijn van internationaal wetenschappelijk onderzoek, resulterend in een recent white paper: een diepgaande analyse met aanbevelingen voor het interviewen van kinderen in een forensische setting.2
Door al dat onderzoek is het duidelijker welke vragen we kinderen wel of juist niet moeten stellen, vertelt Daisy. “Suggestieve vragen kunnen ervoor zorgen dat kinderen dingen vertellen die niet waar zijn. Zo gebruikte men in het verleden anatomisch correcte poppen, waarop een kind kon aanwijzen waar een verdachte het kind had aangeraakt. De gedachte was: het kind durft het misschien niet te zeggen, maar wel aan te wijzen. Die poppen, en ook tekeningen, blijken zo suggestief dat kinderen vertellen over aanrakingen die nooit hebben plaatsgevonden. Dat soort methoden zijn achterhaald. Uit wetenschappelijk onderzoek weten we nu: stel geen sturende vragen en begin met het kind vrij te laten vertellen.”
Een vaste procedure, een protocol, moet de verhoorder behoeden voor suggestieve vragen en leiden tot uitgebreide, betrouwbare informatie. Een protocol is belangrijk, zeker bij een gevoelig onderwerp als seksueel misbruik.
Daisy: “Het protocol bij de politie heet het scenariomodel. Kinderen worden verhoord in een kindvriendelijke studio met in het begin een neutraal gesprekje, bijvoorbeeld over een hobby van het kind. Daarna begint de verhoorder het gesprek over het incident. Er zou bijvoorbeeld iets zijn gebeurd tijdens een bezoek aan oom Piet. De verhoorder nodigt het kind uit om hierover te praten met de vraag: Kun je me daar eens alles over vertellen? De start is dus een free recall, zonder verdere vragen of aanwijzingen. Als het kind helemaal uitverteld is, vat de verhoorder het verhaal van het kind samen, waarbij het kind mag corrigeren. Om te checken of kinderen dat ook durven zijn er oefeningen ingebouwd. Het kind heeft bijvoorbeeld eerder verteld dat zijn hobby voetbal is. De verhoorder zegt dan: Wat zou je zeggen als ik begrepen had dat jouw hobby tennis is?”
Daarna volgt de fase van gerichte invitaties. “De verhoorder wil misschien meer weten over bepaalde dingen die het kind tijdens de free recall vertelde. Het kind zei over oom Piet dat er ook een keer in het zwembad iets was, zonder daar verder op door te gaan. De verhoorder vraagt niet: Wat is er eigenlijk in het zwembad gebeurd? Dat zou een sturende vraag zijn. Er wordt een gerichte invitatie ingezet, waarbij je teruggrijpt op wat het kind eerder zei: Je vertelde net ‘Er was ook een keer iets in het zwembad’. Vertel me daar eens alles over. Eigenlijk hetzelfde als in de eerste fase, maar dan ingezoomd op een specifiek detail. Op deze manier vraagt de verhoorder verder door over andere details.”
In het onderzoek is, op verzoek van de politie, de plek van gerichte invitaties onderzocht. Er deden 32 kinderen in de leeftijd van 8 tot 12 jaar mee. In de ene helft van de groep verliep het verhoor volgens de gebruikelijke volgorde: dus eerst free recall, dan samenvatten en daarna gerichte invitaties. De andere helft kreeg een alternatieve volgorde: na de free recall geen onderbreking maar meteen gerichte invitaties en daarna eindigen met samenvatten. De vraag was of de timing van gerichte invitaties invloed heeft op hoe uitgebreid kinderen vertellen.
Hoe bedenk je een experiment om dit te onderzoeken?
Daisy: “We wilden kinderen een gebeurtenis laten beleven waarover ze binnenkort zouden terug vertellen. In ander onderzoek is bijvoorbeeld gebruik gemaakt van goochelshows. Wij wilden liever een gebeurtenis die enigszins raakvlakken heeft met misbruik, omdat het kindverhoor bij de politie meestal daarover gaat. Tegelijkertijd mocht het niet stressvol of traumatisch zijn. Het was een echte ethische en praktische uitdaging.”
Uiteindelijk hadden ze een idee, vertelt Daisy. “Dat was nog voor de coronatijd. Ik dacht aan een gymles. Elementen die je ziet bij zaken van misbruik, zoals aanrakingen, kun je dan op een functionele manier toepassen. Bijvoorbeeld: Ik help je even, je rug moet ietsje rechter, waarbij je het kind even vasthoudt. Het onderzoek stond in de startblokken, maar toen kwam de pandemie en mochten we niemand meer aanraken.”
Er kwam toch een goede oplossing. “Er is een toename in het aantal online zedenzaken, ook online misbruik met jonge kinderen. Waarom doen we het experiment niet online? De gymles vormen we om tot online yogales. We kunnen het kind niet aanraken, maar wel andere elementen verwerken, zoals het uittrekken van kleding. We hebben de ouders daarover geïnformeerd: ‘We vragen dat uw kind een T-shirt aanheeft met een vest erover. We gaan het vest uittrekken want we gaan het warm krijgen.’ En verder gebeuren er wat ‘bijzondere’ dingen in de les. De juf doet de flamingo-oefening voor – op één been staan – en ze valt. Ze roept dat ze pijn heeft, doet haar broekspijp omhoog en vraagt of het kind een blauwe plek ziet. Zo zijn er meer voorvallen.”
“De les eindigt met een coolingdown waarbij ze spelen dat ze op het strand zijn om te ontspannen. Op het strand moet je jezelf insmeren om niet te verbranden. Dus krijgt het kind de opdracht: smeer je armen in, smeer je benen in. Kinderen raken zichzelf aan, maar binnen de context van die les is dat niet heel raar. En omdat het zo warm is op het strand, pakken ze er een (nep)ijsje bij. We dachten dat kinderen dat misschien gek zouden vinden, zogenaamd een ijsje likken voor de camera. Maar uiteindelijk vond geen enkel kind dat raar. Na de les belden we de ouders op om een samenvatting te geven van de les. En na een week volgde een tweede online afspraak waarin kinderen aan een andere onderzoeker – niet de yoga-juf – terug vertelden over de les.”
Wat waren de uitkomsten?
Daisy: “De vraag was: wanneer vertellen de kinderen het meest? Als ze de standaardvolgorde bij het verhoor krijgen, of de alternatieve volgorde waarbij gerichte invitaties eerder ingezet worden? Het verschil bleek niet significant te zijn. Dat kan aan de kleine steekproef liggen. Op grond hiervan zien we geen reden om de timing van gerichte invitaties te veranderen. Een andere bevinding is dat alle kinderen – dus bij de standaard volgorde én de alternatieve volgorde – uitgebreider en gedetailleerder vertelden in de fase van gerichte invitaties. Dat is een belangrijke uitkomst voor het kindverhoor bij de politie, want we hoorden dat de inzet van gerichte invitaties weleens kan verminderen in de loop van de tijd. Soms door confirmation bias: als je een vermoeden hebt, wil je dat bevestigd zien en ga je sneller gerichte vragen daarover stellen.”
![]()
Wat kunnen pedagogen leren uit dit onderzoek?
Daisy: “Gerichte invitaties voegen echt iets toe, dat is de belangrijkste les voor pedagogen in de praktijk. Vaak hebben we een kind iets horen zeggen, of je wilt iets weten van een kind, maar je wilt niet sturen. Bijvoorbeeld in een complexe scheidingszaak wil je weten wat het kind ervan vindt om in het weekend bij zijn vader op bezoek te gaan. Of een leraar krijgt twee ruziënde kinderen bij zich en wil weten wat er gebeurd is. In heel veel contexten speelt de vraag: hoe krijg ik een kind aan het praten en hoe zorg ik dat ik niet ga sturen? Begin met free recall, dat is altijd de insteek. En probeer daarna gerichte invitaties in te zetten. Vraag door, steeds op een open manier: Je zei net dit of dat. Vertel me daar eens over?”
tekst: Femmie Juffer
tekening: Feline Woolderink (12 jaar)
Een gz-psycholoog werkt sinds 2021 als orthopedagoog bij een praktijkschool en is betrokken bij de begeleiding van een dan nog minderjarige leerlinge. Zij krijgt vanwege haar thuissituatie en problematiek ondersteuning vanuit de school. Beiden hebben wekelijks gesprekken. In het voorjaar van 2023 wordt het contact intensiever en raakt de orthopedagoog steeds meer betrokken bij de leerlinge. Na de zomervakantie ontstaat er een grensoverschrijdende relatie met seksueel contact.
Lees meer
Helaas is dit een echte casus. Deze gz-psycholoog heeft zichzelf inmiddels uitgeschreven uit het BIG-register. De werkgever heeft een tuchtklacht ingediend. Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle heeft vervolgens de gz-psycholoog het recht ontzegd om weer in het BIG-register te worden ingeschreven en gevraagd om publicatie van deze uitspraak in onder meer de Pedagoog.
Artikel 27 lid 2 van de NVO beroepscode zegt nadrukkelijk: De pedagoog onthoudt zich van iedere vorm van grensoverschrijdend gedrag jegens de cliënt en het cliëntsysteem, ook als de cliënt of het cliëntsysteem dit gedrag expliciet vraagt, of daartoe uitnodigt. Het kan onverwacht en onbedoeld gebeuren dat je als hulpverlener gevoelens ontwikkelt voor een cliënt die verder gaan dan hoort bij een professionele relatie. We zijn en blijven allemaal mensen. Van belang is hoe je met zo’n situatie omgaat. Mocht je merken dat je ongepaste gevoelens ontwikkelt, dan is het van belang dit te bespreken met bijvoorbeeld de regiebehandelaar of je leidinggevende, om te bekijken wat verstandig is om te doen.
In april en oktober 2023 spreken zijn collega’s en teamleider de orthopedagoog meerdere keren aan en verzoeken hem om meer afstand te nemen van de leerlinge. Half december 2023 ontvangt de hulpverleningsinstantie, waar de leerlinge onder behandeling is, een melding over de relatie. Deze instantie spoort de orthopedagoog tijdens een gesprek aan om het bij de werkgever te melden. Vervolgens stelt de orthopedagoog zijn teamleider op de hoogte. Op 21 december 2023 vindt er een gesprek plaats met de orthopedagoog, zijn echtgenote, zijn teamleider en de leidinggevende. Aansluitend is de orthopedagoog, met ingang van die dag, op staande voet ontslagen.
Als je meent te merken dat een collega te nauw betrokken raakt bij een cliënt, ga dan vooral open het gesprek aan. Onderzoek samen wat je merkt en hoe de ander dit ziet. Benoem wat je ziet in de relatie met deze cliënt en bijvoorbeeld het verschil in handelen met andere cliënten.
Een te nauwe betrokkenheid ontwikkelt zich vaak ongemerkt. Wellicht is het slechts een kwestie van bewustwording van de collega en is dat voldoende om de relatie met de cliënt weer te normaliseren. Soms is het beter om de cliënt over te dragen aan een andere collega en zo nodig de leidinggevende in te schakelen. Er wordt van je verwacht dat je doet wat noodzakelijk is om een bedreigende of schadelijke situatie voor de cliënt te beëindigen (art 17 lid 2 NVO-beroepscode). Kijk daarbij ook wat passend is bij je functie. Zoals de hulpverleningsorganisatie in deze casus, die de betreffende professional zover kreeg om de situatie zelf bij zijn eigen leidinggevende te melden.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Lees de volledige uitspraak: ECLI:NL:TGZRZWO:2025:10 Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Zwolle Z2024/7313
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen, nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Maartje ten Hooven-Radstaake (40), sinds 2015 werkzaam als orthopedagoog bij Expertisecentrum ENCORE, Sophia Kinderziekenhuis in Rotterdam.
Lees meer
“Ik werk als orthopedagoog in het Sophia Kinderziekenhuis op de poli voor kinderen met Angelman syndroom en Dup15q syndroom. Kinderen met Angelman syndroom kunnen niet praten, hebben een verstandelijke beperking, vaak epilepsie en beperkingen in hun motoriek en prikkelverwerking. Kinderen met Dup15q syndroom hebben meer uiteenlopende beperkingen qua verstandelijke, motorische en spraak/taal mogelijkheden. Ook zien we bij deze groep regelmatig autisme.”
“De kinderen komen met hun ouders of verzorgers elk jaar voor een reguliere check-up op de poli zodat we hun ontwikkeling kunnen volgen, behandelen en ondersteunen waar nodig. We werken met een team van een kinderarts, kinderneuroloog, logopedist, fysiotherapeut en orthopedagoog. Ik zie de kinderen altijd samen met de kinderarts en/of kinderneuroloog omdat vragen over bijvoorbeeld slaap, zindelijkheid en ontwikkeling in het algemeen vaak zowel medisch als pedagogisch van aard zijn. Ik denk mee, geef adviezen en bel na afloop ook regelmatig met de school of instelling waar het kind onderwijs of zorg ontvangt. We vragen dan naar hun beeld van het kind en bespreken onze bevindingen en adviezen.”
“Structurele financiering van een orthopedagoog binnen een team. Vanwege indicatieregels is het ingewikkeld een orthopedagoog direct te betrekken bij de zorg voor alle kinderen. Dit is jammer, omdat we problemen vaak voor kunnen zijn of voorkomen dat ze erger worden. Bijvoorbeeld door ouders al vroeg op het hart te drukken niet bij hun kind te gaan slapen als dit ’s nachts veel wakker is. Niet al deze kinderen voldoen aan een DSM-V classificatie, maar hebben wel behoefte aan behandeling en begeleiding met een interdisciplinair karakter.”
“Je moet vooral goed kunnen luisteren. Hoewel deze kinderen hetzelfde syndroom hebben, zijn ze allemaal uniek en komen ouders met uiteenlopende vragen. Het is geen one size fits all. Ik heb geleerd dat niks zeggen soms juist helpend is, al vind ik dat heel moeilijk. Voldoende kennis van slaapproblemen en zindelijkheidstrainingen is prettig, maar absoluut essentieel is kennis over de inzet van ondersteunde communicatie. Deze kinderen spreken vaak niet, maar hebben veel te vertellen! Het meedenken en adviseren bij de inzet van gebaren, pictogrammen en spraakcomputers is van groot belang voor deze groep. Vooral omdat ze dikwijls cognitief worden onderschat. Maar als ze meer kunnen communiceren, gaat er een kleine dan wel grote wereld open.”
“Er is een aantal onderwerpen dat vaker terugkomt in de vragen van ouders. Relevante onderwerpen om je verder in te verdiepen zijn:
“We hadden net een Dup15q poli gehad en in de middag keken we met een paar collega’s een webinar over Gestalt taalverwerking. We herkenden alles en zaten met open mond te luisteren. Vrijwel al deze kinderen verwerken taal op deze manier! Ze leren taal in brokjes. Ze herhalen zinnen uit films, van liedjes, van eerdere momenten in hun leven. Er vielen bij ons allemaal veel kwartjes en we zijn deze inzichten gaan delen met ouders. Ook zij herkenden dit. Voorheen werd deze taal vaak bestempeld als ‘echolalie’ en soms zelfs als ‘iets dat afgeleerd moest worden’. Deze nieuwe visie is radicaal anders en voor ouders zeer waardevol. Wat hun kinderen communiceren, zien we nu als betekenisvol en als aanleiding om te gaan puzzelen wat hun kind daarmee bedoelt. Wat me het meest raakt is hoe dit de blik op het kind verandert en wat dit ook doet met de relatie tussen het kind en diens omgeving. Het is zoveel menselijker en voelt respectvoller om alles wat het kind communiceert als betekenisvol te zien.
En de laatste tijd heb ik spraakknoppen bij me, met een pictogram voor ‘dansen’ en ‘zitten’ erop. Waar het kind op drukt, dat ga ik doen. Ik dans me dus heel wat af op de poli. Hiermee laat ik ouders meteen zien hoe ze spraakknoppen kunnen gebruiken en vooral hoe leuk de inzet van ondersteunde communicatie kan zijn. Daarnaast laat het ook zien hoe leerbaar het kind is en of het bijvoorbeeld al gericht een keuze maakt tussen ‘dansen’ of ‘zitten’. De inzet van deze twee knoppen levert mij als orthopedagoog veel informatie, advies en plezier op.”
“Het is ontzettend mooi, interessant en leerzaam werk. We hebben meer dan 200 kinderen met Angelman syndroom gezien, herkennen patronen en kunnen daardoor soms problemen voorkomen. Er wordt veel onderzoek gedaan naar deze syndromen en daar doen we zelf ook aan mee. De intensieve samenwerking met andere professies is zeer leerzaam en hoog nodig bij deze complexe syndromen. Het directe contact met het kind en diens netwerk helpt om de adviezen echt individueel af te stemmen en vaak kan ik direct dingen voordoen.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
foto: Studio Kijk
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
Terwijl ik dit schrijf, zit ik heerlijk in de zon in mijn tuin. Meestal moet ik even teruglezen en nadenken waar ik het over wil hebben, maar dat hoeft dit keer niet. Ondanks de zomerse ‘rust’ is de NVO namelijk heel druk bezig met een aantal belangrijke thema’s. Zo liet ik in mijn vorige column al weten dat we gestart zijn met het herschrijven van de pedagogische visie.
Daarnaast zijn we aan het onderzoeken of het zinvol is voor de NVO om haar ledenbestand uit te breiden met hbo- en eventueel mbo-pedagogen. Omdat dit een serieus onderwerp is, met serieuze implicaties – én natuurlijk ook mooie en serieuze kansen – hebben we een projectleider in de arm genomen om de mogelijkheden in scenario’s uit te schrijven. In oktober zal het bestuur hierover een spannend besluit moeten nemen en kiezen voor een scenario dat het meest overeenkomt met de waarden en visie van de NVO (lees: de leden). Als directeur mag ik hierover wel meedenken maar niet meebeslissen (helaas…).
Judy Hoffer, directeur NVO
Opzeggen lidmaatschap Wil je je lidmaatschap bij de NVO beëindigen? Zorg ervoor dat je dit vóór 1 november doet. Stuur je opzegging schriftelijk naar onze ledenadministratie via ledenadministratie@nvo.nl of via MijnNVO.
Wijzigen lidmaatschapscategorie Wil je in 2026 overstappen naar een andere contributiecategorie? Dien dan je verzoek, samen met de benodigde bewijsstukken, uiterlijk 1 november in bij onze ledenadministratie via ledenadministratie@nvo.nl. Meer informatie over lidmaatschap en contributie vind je op www.nvo.nl/lidmaatschap/contributie.
Belangrijke deadline Houd er rekening mee dat opzeggingen en wijzigingen die na 1 november worden ingediend, pas in 2027 worden doorgevoerd. We staan klaar om je te helpen met vragen of ondersteuning!
NVO-lid Jason Meijer uit Terneuzen heeft een eigen praktijk, geeft supervisie en scholing en is regiebehandelaar bij Educonsult. Op al die plekken gebruikt en bepleit hij gespreksondersteunend tekenen bij kinderen en jongeren.
“Ik heb lang gewerkt als orthopedagoog in het speciaal onderwijs. In mijn gesprekken met kinderen bleek dat taal soms te vluchtig is, je te snel gaat of té grote stappen neemt. Tekenen bij je gesprek vertraagt, geeft verwerkingstijd en is een prima geheugensteun om soms moeilijke of veel informatie te onthouden.
In mijn contacten met neurodiverse leerlingen en jongeren met een verstandelijke beperking groeide het uittekenen van de uitkomst van een gesprek uit tot de methodiek Tekenpraat, die ik samen met klinisch psycholoog Peter Vermeulen heb vormgegeven.”
“Naast het gespreksondersteunend tekenen, beschreven in het boek Tekenpraat, gebruik ik binnen elk diagnostiek- en behandeltraject tekeningen om de plannen van aanpak uit te leggen, uitkomsten van onderzoeken te verduidelijken en behandeltrajecten te evalueren.
Kinderen en ouders zijn enthousiast. Regelmatig gaan de tekeningen mee naar huis voor op de koelkast, of om uit te leggen aan de leerkracht of opa en oma wat soms moeilijk is, wat iemands krachten zijn en hoe het nog beter kan. Kinderen komen zo echt in hun kracht, zijn betrokken bij hun traject en kunnen veel eenvoudiger zicht houden op de resultaten.”
foto: Mark Neelemans