redactioneel

 

Op het spoor gezet

Soms bepaalt een ontmoeting of een gebeurtenis welke kant je opgaat. In het openingsinterview vertelt traumaexpert Leony Coppens over de fysiotherapeut van Kevin, geboren met cerebrale parese en daardoor moeite met bewegen. Die vroeg wat Kevin zelf graag wilde. Voetballen! De therapeut zorgde dat Kevin, ondanks zijn beperking, bij een voetbalclub kwam, voetbalschoenen kreeg,
voetbalkleren en een tas. Later is Kevin voetbaltrainer geworden en dat leidde er uiteindelijk toe dat hij nu leerkracht is.

 

Lees meer

Tijdens haar studie in Duitsland kwam Jana Knot-Dickscheit als stagiaire bij een gezin waar al meerdere kinderen uit huis waren geplaatst. Ook het jongste kind moest voortijdig het nest verlaten. Ze herinnert zich nog levendig het drama voor de ouders en de enorme hulpeloosheid bij de hulpverleners. “Dat zou toch anders moeten en kunnen”, dacht ze. Inmiddels is Jana hoofd van het Expertisecentrum Gezinnen met meervoudige en complexe problemen.

Zes jaar geleden deelde orthopedagoog-generalist Marjolein Prenger, op een congres over Positieve Educatie aan de Universiteit Twente, de helft van haar workshop met kunstdocent Irma Smegen. Tijdens die workshop bleek dat niet alleen hun onderwerpen – mindfulness en yoga in de klas – goed bij elkaar pasten, maar zij zelf ook. Samen ontwikkelden ze een training en vorig jaar verscheen hun boek Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen.

In 2004 verhuisde Stijn Sieckelinck van België naar Nederland om daar aan zijn proefschrift te werken over jongeren en hun idealen. In dat jaar werd filmmaker Theo van Gogh vermoord, een paar straten verderop in Amsterdam. “Deze gebeurtenis heeft mijn proefschrift en mijn loopbaan gekleurd.” Inmiddels houdt Stijn zich al twintig jaar bezig met het onderwerp radicalisering en werkte hij mee aan de nieuwe Richtlijn Radicalisering voor de jeugdhulp en jeugdbescherming. “Radicalisering is heel vaak een vermomde hulpvraag”, legt hij uit in dit nummer
van de Pedagoog.

Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog

interview


 

‘Je hoeft geen therapeut te zijn om kinderen met trauma te steunen’

Volgens orthopedagoog Leony Coppens is het helemaal niet ingewikkeld om
de veerkracht van kinderen met trauma te vergroten. In haar boek ‘Iedereen
kan het verschil maken’ legt ze uit hoe je dat doet. Ze interviewde twaalf
‘overlevers’ over hun ervaringen als kind en wat hen heeft geholpen om weer
grip op hun leven te krijgen.

 

Lees meer
Leony Coppens

 

Leony Coppens (’s-Hertogenbosch, 1966) ontvangt me in haar eigen praktijk, hartje Den Haag, waar ze sinds 2016 traumabehandeling geeft aan kinderen, jongeren en de mensen om hen heen. Een ruime kamer, met uitzicht op een binnenplaatsje en een zonnig geel geschilderde muur.

Ze herinnert zich nog goed dat ze daar vorig jaar zomer buiten zat met Mellody (22), een van de overlevers die ze interviewde voor haar boek. Als jong meisje was Mellody twee keer bij haar in therapie wegens nachtmerries.

“De zon scheen. Ik vond het zo mooi om haar weer terug te zien na zoveel tijd. Dat gebeurt eigenlijk nooit. Ik weet ook nooit hoe het verder gaat met kinderen. Van haar wist ik via via toevallig wel dat ze in de gesloten jeugdzorg had gezeten en het een hele tijd steeds slechter is gegaan. We hadden het ook over de tijd toen ze bij mij kwam en ze zich verstopte onder tafel of ik haar soms echt kwijt was en zij de deur was uitgeglipt.”

Bronnen van veerkracht

Voor haar boek Iedereen kan het verschil maken, dat afgelopen juni uitkwam, interviewde Leony Coppens twaalf volwassenen die terugkijken op hun traumatische jeugdervaringen, hoe ze daar toch sterk zijn uitgekomen en welke steun hen daarbij echt verder heeft geholpen.

Mellody is de enige oud-cliënt. Andere kandidaten kwam ze op het spoor via collega’s, familie, vrienden en bekenden. Schrijver Israel van Dorsten kende ze al via een congres. Hij was bereid te vertellen over de jarenlange emotionele en fysieke mishandeling van hem en zijn broers en zussen, thuis in Ruinerwold. Hij schreef er een boek over, Wij waren, ik ben.

De interviews zoomen in op ieders veerkracht – zoals geloof in zichzelf, maar vooral steun van buiten. De bronnen van veerkracht staan puntsgewijs aan het eind van elk interview opgesomd. Mellody heeft er twaalf, waaronder muziek, motivatie voor haar opleiding, vriendschappen en steun van een lieve leraar die in haar geloofde.

 

Israel heeft nog steeds warm contact met een van de eerste politieagenten die hij ontmoette en met het gezin dat hem opving, na zijn ontsnapping uit de boerderij van zijn vader, nu vijf jaar geleden.

Herstellende ervaringen

De interviews illustreren mooi de andere hoofdstukken waarin Leony Coppens uitlegt wat trauma is, de impact van trauma en hoe je kunt reageren en kinderen steunen. Allemaal gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en vijfentwintig jaar ervaring als traumabehandelaar.

Ze realiseert zich al heel lang dat een uurtje traumatherapie in de week niet genoeg is. Dat het veel meer effect heeft als je ook de kracht weet te benutten van de volwassenen die dagelijks met een kind te maken hebben. In 2006 las ze het boek The boy who was raised as a dog, van de Amerikaanse kinderpsychiater Bruce Perry. In die tijd was ze hoofd behandeling van een kinder- en jeugdpolikliniek in Den Haag.

“In de polikliniek zijn we de gedragsproblemen waarmee kinderen waren aangemeld, meer gaan zien in het licht van wat ze hadden meegemaakt in plaats van als stoornis. Dat was toen een heel andere kijk. Na een paar jaar kwamen er alleen nog kinderen met problemen die gerelateerd waren aan traumatische ervaringen.”

“Ik herkende veel in wat Perry schreef. Hij benoemde het belang van veel herstellende ervaringen voor kinderen die al vroeg ik hun leven getraumatiseerd zijn. Je brein ontwikkelt zich op basis van ervaringen. Als je veel negatieve ervaringen hebt – het is niet veilig, anderen kunnen gevaarlijk zijn, jijzelf bent niet de moeite waard – dan heb je heel veel herstellende ervaringen nodig om nieuwe neurale verbindingen te maken in je brein. Méér dan de negatieve ervaringen die je hebt gehad. Een uurtje therapie is dan maar heel beperkt.”

 

Goud

In de polikliniek kwamen steeds meer kinderen die in pleeggezinnen of gezinshuizen opgroeiden.

“Ik dacht: die pleegouders hebben goud in handen om die herstellende ervaringen te bieden, maar dan moeten ze er wel meer over weten. Bijvoorbeeld dat kinderen die geleerd hebben dat ze niet de moeite waard zijn of dat opvoeders eigenlijk niet te vertrouwen zijn, net kunnen doen of ze niemand nodig hebben. Dat is veiliger. Dan kun je als opvoeder gaan denken dat kinderen je afwijzen, dat je iets verkeerd doet of dat ze zich alleen wel redden. Maar dat is niet zo. Wat ze nodig hebben zijn nieuwe ervaringen met andere mensen, die voor ze zorgen, de moeite waard vinden, beschermen en vertrouwen.”

Pleegouders en leerkrachten

Samen met een collega vertaalde Leony Coppens in 2012 een Amerikaanse training voor pleegouders, Zorgen voor getraumatiseerde kinderen. De volledig herziene versie1 komt begin volgend jaar uit en de training wordt inmiddels bij alle pleegzorgorganisaties in het land gegeven. Ook zijn er trainingen in België. Vier jaar later volgde het boek Lesgeven aan getraumatiseerde kinderen en bijbehorende training, voor het onderwijs.

“Voor pleegouders was het een eyeopener dat kinderen zich op een bepaalde manier gedragen door eerdere ervaringen. Dat het niet komt door iets wat zíj doen, maar omdat ze het eerder zo geleerd hebben. Dat kinderen niet jóu onbetrouwbaar vinden, maar álle volwassenen. Daardoor raken pleegouders ook minder makkelijk geraakt of gekrenkt door het gedrag van kinderen.”

“Toen ik daarmee bezig was, realiseerde in me dat kinderen vijf dagen per week op school zitten. Ik zag ook kinderen en leerkrachten die vastliepen. Vandaar dat boek over traumasensitief onderwijs, en op basis daarvan een training. Wat ik me niet helemaal had gerealiseerd, is dat onderwijs in vergelijking met pleegzorg gigantisch groot is. Er is veel vraag naar de training. Dus ik heb inmiddels een assistente en vijf mensen die ook trainingen geven. Zelf train ik alleen de trainers,
anders wordt het te veel. Ook omdat ik gewoon nog behandelaar ben en veel supervisie geef.”

Mantra

In haar nieuwe boek laat Leony Coppens zien dat niet alleen pleegouders en leraren, maar letterlijk iedereen het verschil kan maken. Soms zonder het zelf door te hebben. Zoals de politieagent die Martha (57) – als kind door haar moeder opgesloten in haar kamer – opvangt als ze op haar veertigste, ’s nacht in pyjama, haar tweede gewelddadige huwelijk ontvlucht.

Die agent zei: ‘Martha, voor jou lijkt het nu alsof je voor een heel hoge muur staat en jij denkt dat je daar nooit overheen komt. Maar geloof mij: jij gaat die muur steen voor steen afbreken en er komt een dag, dan stap jij daar overheen.’

Leony Coppens: “Zijn zinnen heeft ze sindsdien als een soort mantra herhaald als ze ’s avonds in bed lag. Een paar jaar geleden dacht ze: ‘ik ga over die muur stappen. Dat heeft die agent gedaan.’ Ik kreeg kippenvel toen ze dat vertelde. Die agent moest eens weten!”

Fysiotherapeut

Ze zou wel eens een bijeenkomst willen organiseren met al die mensen die misschien geen idee hebben hoe belangrijk ze zijn geweest. Zoals Peter, de fysiotherapeut van Kevin (38), geboren met cerebrale parese en daardoor moeite met bewegen. Kevin verloor zijn heroïneverslaafde vader door zelfdoding toen hij twee was. Hij was bang voor zijn moeder, met psychiatrische problemen en een verstandelijke beperking.

“Kevins fysiotherapeut in het revalidatiecentrum, Peter, vroeg wat hij zelf graag wilde en dat was voetballen. Hij zorgde dat Kevin, ondanks zijn beperking, bij een voetbalclub kwam, dat hij voetbalschoenen kreeg, voetbalkleren en een tas. Kevin is later voetbaltrainer geworden en dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat hij nu leerkracht is. En een hele goeie, begrijp ik.”

Speciaal onderwijs

In haar boek schrijft Leony Coppens dat er pas sinds 2016 Nederlands onderzoek is naar wat kinderen zoal meemaken aan ingrijpende gebeurtenissen. De cijfers zijn schrikbarend. In het reguliere basisonderwijs heeft 54% van de kinderen tussen de één en drie ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, en 35% vier of meer. In het speciaal onderwijs heeft maar liefst 77% van de kinderen vier of meer ingrijpende ervaringen opgedaan.

“Zo’n stapeling van verschillende ervaringen komt heel vaak voor, in mijn eigen praktijk gaat het om zo’n negentig procent. Bijvoorbeeld een ouder in detentie én een ouder met ernstige psychiatrische problemen én fysieke mishandeling én verwaarlozing. Er zaten in dat onderzoek ook kinderen met twaalf verschillende ingrijpende ervaringen. Er was niemand in het speciaal onderwijs die niets had meegemaakt.”

Het onderzoek2 – een effectmeting naar traumasensitief onderwijs- steunt haar hypothese dat deze kinderen niet toevallig op het speciaal onderwijs zitten, maar dat hun traumatische ervaringen en onbegrepen gedrag daarvoor juist de reden zijn.

“Nee, ik schrok niet van die cijfers, ik was blij dat ze er waren. Traumatische ervaringen zorgen ervoor dat leren en functioneren op school ingewikkelder is. Kinderen zijn voortdurend op hun hoede, gestrest, maar zijn zich daar niet van bewust. Je kunt niet goed leren als je weet dat je moeder thuis niet veilig is of je broertjes en zusjes. Het kan zijn dat je de hele boel op stelten zet, zodat je naar
huis gestuurd wordt om voor hen te zorgen. Of je wordt een ideale leerling, die overal mee wil helpen, zodat je complimentjes krijgt en langer op school kan blijven.”

 

Niks aan de hand

Het is moeilijk te herkennen dat kinderen zijn getraumatiseerd, hun gedrag kan allerlei vormen aannemen. Let vooral op de met-mij-isniks- aan-de-hand kinderen, waarschuwt Jeen (46), leraar op een middelbare beroepsopleiding, in het boek.

Zijn ouders hadden een alcoholprobleem, er was huiselijk geweld, zijn narcistische vader had altijd kritiek op Jeen en er waren schulden. Op school hadden ze niks door.

‘Maar ik deed ook alsof er niets aan de hand was en ik altijd blij was. Nu ik zelf leraar ben, ben ik erg alert op kinderen die ook altijd vrolijk zijn of blij ogen, omdat dit een manier kan zijn om te maskeren hoe ze zich echt voelen.’

Orthopedagoog

Haar twee zoons voelen zich echte Hagenezen, de jongste overweegt zelfs een tattoo van een ooievaar zoals in het gemeentewapen. Zelf groeide Leony Coppens op een boerderij in Brabant op, als jongste van vijf kinderen.

“Ik was een keer op pad met mijn moeder. Zij zat bij een katholieke vrouwenvereniging en die gaf een toneelvoorstelling bij een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Toen had ik al het idee: daar zou ik wel willen werken. Maar dan niet als iemand die hen verzorgt, maar als iemand die erover nadenkt hoe je hen kunt helpen. De moeder van een vriendin van mijn zus wist dat je dan orthopedagogiek moest gaan studeren.”

Ze koos voor Utrecht en studeerde in 1990 af in de richting ‘moeilijk
opvoedbaren’, zoals dat toen nog heette.

“Bij hoogleraar Kok leerde ik al dat het niet alleen om de behandeling gaat, maar dat de omgeving heel belangrijk is. Uiteindelijk ben ik klinisch psycholoog geworden, gespecialiseerd in traumabehandeling en het vergroten van traumasensitiviteit van de omgeving van kinderen. Dus in de basis toch een orthopedagoog. Het is bij uitstek onze rol om uit te leggen waarom kinderen met trauma doen zoals ze doen en handvatten te geven hoe je als omgeving die kinderen kunt steunen en hun veerkracht vergroten.”

Tips voor pedagogen

Wat kunnen pedagogen betekenen? Leony Coppens: “Focus niet alleen op de behandeling van traumaklachten met bijvoorbeeld EMDR en cognitieve gedragstherapie. Kijk ook hoe kinderen nieuwe ervaringen op kunnen doen, waardoor ze weer vertrouwen krijgen in zichzelf en in anderen. Kijk om te beginnen goed naar het netwerk van kinderen. Onderzoek en bezoek dat netwerk. Wie is er op school belangrijk voor een kind? Kun je die wat dikker in de verf zetten zodat ze een actievere rol gaan spelen? Je hoeft geen therapeut te zijn om kinderen met trauma te steunen.”

“Kijk ook naar de talenten van kinderen. Naar waar ze goed in zijn en plezier in hebben”, zegt ze. Zo is voor Kevin de voetbalclub een enorme steun geweest en heeft Jeen het onder andere gered door zijn liefde voor muziek, door het bandje waarin hij gitaar speelde en waar hij wél waardering kreeg en het gevoel ergens bij te horen.

 

Buurvrouw

Leony Coppens heeft nog steeds contact met de twaalf overlevers die ze interviewde voor haar boek. Als het even kan, neemt ze een van hen mee naar een boekpresentatie of congres. “Zij kunnen het beter vertellen dan ik.”

Het was niet haar doel, maar de interviews leverden ook iets op voor haar gesprekspartners. Vooral de vragen naar veerkracht. “Er schoot hen van alles te binnen waar ze steun aan hadden gehad. Ze ontdekten ook krachten in zichzelf, zoals discipline en open kunnen staan voor hulp. Deze zomer stond ik op een congres, samen met Jeen. Hij zei: ‘ik ben je helemaal vergeten te vertellen dat er ook nog een buurvrouw was waar ik altijd naartoe kon’.”

tekst: Annemiek Haalboom
foto: Annabel Oosteweeghel


Mellody en Martha heten in werkelijkheid anders.

Meer informatie: leonycoppens.nl

  1. De herziene versie verschijnt onder de nieuwe naam Traumasensitief opvoeden en begeleiden.
  2. Artikelen over het onderzoek vind je hier: www.traumasensitiefonderwijs.com/resultaten/artikelen

Boek cadeau

Van uitgeverij Ten Have mogen we drie exemplaren van Iedereen kan het verschil maken weggeven. Belangstelling? Stuur voor 21 oktober je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.

onderzoeksnieuws


 

Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.

 

Lees meer

De kracht van verbeelding

Veel jongeren kunnen wel iets leukers verzinnen dan lezen. Maar missen zij zo niet de voordelen van lezen? Zoals betere sociale vaardigheden en zich beter kunnen inleven in anderen? Helaas kreeg de reputatie van literaire teksten een gevoelige knauw toen onderzoekers aan de Erasmus Universiteit bij het herhalen van een eerder experiment – met opvallend positieve resultaten – deze keer niet vonden dat het lezen van literaire teksten leidde tot betere prestaties op emotieherkenningstaken. Zo bleken de scores op de Reading the Mind in the Eyes Test nagenoeg gelijk na het lezen van literaire versus populaire teksten. Het is dus maar de vraag of het lezen van literatuur ons meer empathisch maakt.

Maar hebben jongeren die tussen hun tiende en vijftiende jaar meer en meer gaan lezen dan geen streepje voor op de rest? Dit zochten Jan Lenhart en collega’s uit met een grote longitudinale dataset. Zij keken in hoeverre jongeren met van nature al wat meer inlevingsvermogen, meer gingen lezen en hoe sterk het effect van lezen, en een opeenstapeling aan literaire ervaringen, op hun empathie was. Ook hier geen positief beeld. Het lezen van klassiekers leverde wel iets meer empathie op, maar dat was het ook wel.

 

Wat is het effect als je jongeren samen laat lezen? Jody Polleck uit New York nam de gesprekken van leerlingen tijdens een leesclub op school onder de loep. Zij kwam tot de conclusie dat deze onderwijsvorm bijdraagt aan de ontwikkeling van sociaalemotionele competenties. Recent deed zij ook onderzoek naar meer therapeutische boekenclubs, op een Amsterdamse school voor speciaal onderwijs. Op basis van twee boekenclubs – een groep met zeven leerlingen die zichzelf omschreven als autistisch of angstig en depressief en eentje met drie leerlingen met ADHD of autisme – is haar conclusie dat in kleine groepjes een boek lezen, over herkenbare problemen, jongeren aan het denken zet. Het kan hen ook net een duwtje geven om betere sociale voelsprieten te ontwikkelen.

Het boek als spiegel, zou het dan toch kloppen?


  • Dijkstra, K., Verkoeijen, P., van Kuijk, I., Yee Chow, S., Bakker, A., & Zwaan, R. (2015). Leidt het lezen van literaire fictie tot meer empathie? Een replicatiestudie. De Psycholoog, 50 (10), 10-21.
  • Lenhart, J., Richter, T., Appel, M., & Mar, R. (2023). Adolescent leisure reading and its longitudinal association with prosocial behavior and social adjustment. Scientific Reports, 13, 9695. doi.org/10.1038/s41598-023-35346-7
  • Polleck, J.N. (2024). Using culturally sustaining science fiction book clubs to address agency and academic and emotional literacies with Dutch neurodiverse youth. Journal of Adolescent & Adult Literacy, 00, 1–13. doi.org/10.1002/jaal.1342

Knagend verantwoordelijkheidsgevoel

Wie zoekt op ‘ouders’ in het Hoofdlijnenakkoord 2024 – 2028 van PVV, VVD, NSC en BBB stuit bijna vaker op veehouders dan op de primaire opvoeders van kinderen. De term duikt wel op onder het kopje Nationale veiligheid (p. 20): Er komen meer mogelijkheden om ouders verantwoordelijk te houden voor schade
die kinderen aanrichten.

Nu zijn verantwoordelijkheid, schuldig zijn en je schuldig voelen verschillende dingen. Maar van het laatste weten we nu, via harde cijfers, dat het versterkt wordt door probleemgedrag van kinderen. Onderzoekers van de Ben-Gurion University vroegen ruim honderd ouders naar hun schuldgevoelens, naar situaties die dit gevoel hadden opgeroepen en hoe ze ermee waren omgegaan.

Via een nieuw coderingssysteem scoorden zij hoe vaak en heftig deze emotie beleefd was (intensiteit), hoe sterk de neiging was om het op de een of andere manier goed te maken (reparatie) en hoe mild of streng ouders voor zichzelf waren (zelfcompassie versus jezelf willen straffen). Ouders die net wat minder goed in staat waren om te reflecteren over zichzelf als opvoeder, bleken het meest gevoelig voor lastig en sociaal onaangepast gedrag en voor somberheid of prikkelbaarheid bij hun kind.

De auteurs komen met een radicaal ander voorstel dan het nieuwe kabinet: Onderzoek of we via het stimuleren van zelfreflectie ouders zoveel mogelijk kunnen vrijwaren van schuldgevoelens, die als een last op hun schouders drukken en die de opvoeding alleen nog maar ingewikkelder maken.


  • Shalev, I., Sharon, N., Uzefovsky, F. & Atzaba-Poria, N. (2023). Parental Guilt and Children’s Internalizing and Externalizing Behavior. Journal of Family Psychology, 37 (8), 1241-1252. doi: 10.1037/fam0001156

pedagoog in opleiding


 

‘Een groep postmaster studenten kan prima een hele dag luisteren’

June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen.

 

Lees meer
Véronique Wils

6 juni 2024

Een hele module van vijf lesdagen over autisme spectrum stoornissen (ASS). Wat zou mij dat nog kunnen brengen? Dat vraag ik me af terwijl ik het parkeerterrein van RINO Zuid in Eindhoven oprijd. Ik werk immers al jarenlang met cliënten met onder andere ASS en denk wel het nodige te weten.

Aan het einde van deze eerste lesdag duizelt mijn hoofd van alle kennis, nieuwe theorieën en ervaringen van docent Birgitta Kox. Zoals de nieuwe inzichten over het voorspellende brein en waarom ASS nog ondergediagnosticeerd wordt bij vrouwen. Mijn klasgenoten ervaren hetzelfde.

Het blijkt dat een groep postmaster studenten heel graag kennis wil opslurpen en zolang het maar boeiend is, prima een hele dag kan luisteren. Juist even geen rollenspellen en groepsopdrachten. De vele praktijkervaringen van de docent brengen de theorie tot leven. Geïnspireerd maar ook moe rijd ik terug naar huis. Wat zal de rest van de module gaan brengen?

17 juni 2024

Een dag voor mijn verjaardag staat mijn halfjaarlijkse evaluatie gepland. Voor het eerst ben ik niet echt zenuwachtig. Ik weet inmiddels hoe het werkt en wat er van mij verwacht wordt. En nog veel belangrijker: Ik ben tevreden over mijn voortgang. Nooit eerder ben ik zo zelfverzekerd geweest, er is immers altijd wel iets dat beter kan. En dat is er ook, maar dat zijn mijn leerdoelen voor het laatste half jaar. Mijn vertrouwen in deze evaluatie blijkt terecht.

Mijn praktijkopleider, werkbegeleider en supervisor bevestigen mijn voortgang en zien zelfs nog meer vooruitgang dan ik. Vol goede moed kan ik het laatste half jaar in. En met een gerust hart mijn verjaardag gaan vieren.

5 juli 2024

Het is de laatste lesdag van de module ASS. De zomervakantie staat voor de deur en iedereen is opgebrand. We verzamelen ’s ochtends met koffie in onze hand en de belofte elkaar de dag door te helpen. Tot zover is de module blijven boeien en ik heb er veel uitgehaald om mee te nemen in de praktijk. Zoals de manier van vragen stellen om te achterhalen welke voorspellingsfouten er plaats vinden in de gedachten van de cliënt, waardoor je gedrag vaak veel beter kunt begrijpen en begeleiden.

Deze ochtend krijgen we nog wat theorie over leervaardigheden en ASS. In de middag wisselen we de infographics uit die we in subgroepen hebben gemaakt. Het is bijzonder om te zien hoe we vanuit verschillende werkvelden toch met elkaar in gesprek raken en blijven over specifieke onderwerpen, zoals begrijpend lezen en ASS.

 

Binnen de gehandicaptenzorg heb je hier nagenoeg niet mee te maken, maar stiekem valt er toch veel over te zeggen. Zo zijn de principes om een tekst te kunnen begrijpen, ook toe te passen op het begrijpen van gesproken taal en de wereld om de cliënt heen. Samenvatten, visualiseren, concretiseren en ondertitelen zijn daar onderdeel van. Op naar de laatste sprint, de eindevaluatie in december!

Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:

over de grens


Kinkeeping

Vooral vrouwen onderhouden band met familie

Kinkeeping is een begrip uit de sociologie en kun je vertalen als ‘het onderhouden van de familie- en gezinsbanden’. Vooral vrouwen en moeders zouden het grootste deel van dit ‘onzichtbare’ werk op zich nemen en zij krijgen daar niet altijd waardering voor. Recent onderzoek van het NIDI en de Tilburg University toont aan dat dit eerste inderdaad zo is: taken die vallen onder kinkeeping worden – nog steeds – grotendeels uitgevoerd door de (stief)moeder.

 

Lees meer

Bij kinkeeping1 – ook wel emotional labour – kun je onder andere denken aan taken als het doorgeven van berichten en nieuwtjes, het initiëren en organiseren van familie- en gezinsuitjes, het regelen van cadeautjes voor of namens het gezin en het bemiddelen bij onderlinge conflicten.

De term kinkeeping is geïntroduceerd door de Canadese socioloog Carolyn Rosenthal en maakt onderdeel uit van het meer ‘cognitieve’ huishoudelijk werk. Het vergt minder fysieke inspanning dan de meeste andere huishoudelijke taken zoals stofzuigen en de was doen en het is bovendien minder duidelijk afgebakend in tijd. Het is wel een erg belangrijke taak, want het bevordert de cohesie en een gevoel van verbondenheid binnen het gezin en het bredere sociale netwerk van familie en vrienden.

In mijn gezin van herkomst was het vooral mijn moeder die deze taken op zich nam en een snelle rondvraag onder vrienden levert grotendeels hetzelfde antwoord op.

Kinkeeping bij (stief)gezinnen

Uit een onderzoek van Maaike Hornstra (Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, NIDI) en Katya Ivanova (Tilburg University) naar kinkeeping2 bleek vorig jaar dat zowel bij intacte gezinnen als bij gezinnen met een stiefvader de biologische moeder in meer dan de helft van de gevallen in haar eentje de meeste taken op zich nam. In dit onderzoek zijn als kinkeeping meegenomen: berichtjes doorgeven, uitjes organiseren, cadeaus uitzoeken en bemiddelen bij conflicten. In gezinnen met een stiefmoeder waren de taken iets meer ambigue verdeeld: bemiddelen bij conflicten deed in de meeste gezinnen zowel de biologische vader als de stiefmoeder. De biologische vader gaf in de meeste gevallen berichtjes door. Het organiseren van uitjes en het uitzoeken van cadeaus deden in de meeste gevallen beide ouders of alleen de stiefmoeder.

 

Het kwam verder relatief weinig voor dat (stief)moeders niet betrokken waren bij één van de vier kinkeeping-taken, terwijl dit voor ongeveer de helft van de (stief)vaders wel zo was. Gescheiden vaders waren daarbij meer betrokken dan vaders van intacte gezinnen, terwijl dit contrast minder van toepassing was op
gescheiden moeders en moeders van intacte gezinnen. Ten slotte waren stiefmoeders (veel) meer betrokken bij kinkeeping dan (stief)vaders.

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de rolpatronen in Nederlandse (heteroseksuele) tweeoudergezinnen nog steeds vrij traditioneel zijn. En dat stiefmoeders over het algemeen volwaardig onderdeel uitmaken van het nieuwe (samengestelde) gezin, in ieder geval als het aankomt op het onderhouden van de familiebanden.

Kinkeeping en ouder-kindrelatie

In eerder onderzoek van Tilburg University uit 2007 bleek dat de relatie tussen kinderen en hun vaders zwakker wordt na een scheiding of overlijden van de moeder. Waarschijnlijk door het ontbreken van de moeder als kinkeeper. Het onderzoek van Hornstra en Ivanova bevestigt dit beeld.

Zij vonden ook een verband tussen kinkeeping en de ouder-kindrelatie en dat deze sterker was als de echtgenoot van de ouder betrokken was bij kinkeeping, ongeacht verwantschap. De onderzoekers stellen daarom dat stiefmoeders net zo effectief kunnen zijn als een gehuwde biologische moeder in het bevorderen van hechte gezins- en familiebanden op volwassen leeftijd.

Nog veel vragen

Het meeste onderzoek naar kinkeeping is nog vrij recent. In de toekomst zou het interessant zijn om ook de mate van kinkeeping in gezinnen met minderjarige kinderen te bestuderen. Hiernaast rijst de vraag: nemen vrouwen en (stief)moeders deze taken grotendeels op zich omdat ze hier biologisch gezien geschikter voor zijn of hebben ze dit gedrag aangeleerd (gekregen) door sociale en maatschappelijke normen? En: hoe ziet de verdeling in kinkeeping tussen genders en verschillende gezinstypen eruit in andere landen? En hoe is de taakverdeling in homoseksuele gezinnen?

Persoonlijke noot

N = 1, maar toch: mijn verloofde is alleenstaande vader (alhoewel hij zich nu niet meer zo noemt) en is behoorlijk goed in kinkeeping. Grotendeels noodgedwongen, maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat het blijkbaar mogelijk is. En dat stemt hoopvol. Alhoewel ik het kinkeepen uiteindelijk waarschijnlijk voor een
groot deel van hem ga overnemen, vooral omdat ik het leuk vind.

tekst: Sanne de Vet
beeld: Shutterstock

Take-home message voor pedagogen

De onderzoekers geven ook een aantal implicaties voor de praktijk. Meer aandacht voor (het belang van) kinkeeping en de mentale last die dit kan veroorzaken is belangrijk. Vooral als deze taak (grotendeels) op de schouders van één ouder komt te liggen, kan dit parental burn-out als gevolg hebben. De resultaten laten ook zien dat met name gescheiden vaders in een kwetsbare positie terecht kunnen komen als hun partner wegvalt als kinkeeper. Ten slotte kan dit onderzoek een constructieve bijdrage leveren aan het ondersteunen van stiefouders in hun soms onduidelijke nieuwe rol.


  1. What is Kinkeeping? – The New York Times (nytimes.com)
  2. Hornstra, M., & Ivanova, K. (2023). Kinkeeping across families: The central role of mothers and stepmothers in the facilitation of adult intergenerational ties. Sex Roles, 88(7), 367–382; nidi.nl/demos/de-manager-van-de-familiebanden-is-vaak-de-moederfiguur

Vragenlijstonderzoek

Het onderzoek van Hornstra en Ivanova – Ouders en Kinderen in Nederland – betreft een vragenlijstonderzoek, uitgevoerd in 2017 en 2020. Volwassenen geboren tussen 1971 en 1999 en hun (stief)ouders is onder andere gevraagd naar de huidige interacties binnen hun gezin van herkomst en de kwaliteit van de ouderkindrelaties. In totaal deden er 746 intacte gezinnen, 982 stiefvadergezinnen en 1010 stiefmoedergezinnen mee. De studie maakt deel uit van een groter onderzoek, gesubsidieerd door de European Research Council.


 

Kleine momenten van aandacht voor jezelf en voor de ander

NVO-lid Marjolein Prenger – orthopedagoog-generalist, docent op de Universiteit Twente – en Irma Smegen – kunstdocent, trainer bij Speel je Wijs – zijn beiden gecertificeerd mindfulness- en compassietrainer. Samen schreven
ze ‘Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen’.

 

Lees meer
Marjolein Prenger (rechts op de foto) is orthopedagoog-generalist. Ze is werkzaam als docent bij de vakgroep Psychologie, Gezondheid en Technologie op de Universiteit Twente en heeft een eigen praktijk. www.praktijkfiducie.nl Irma Smegen heeft jaren ervaring als leerkracht (speciaal) basisonderwijs, lerarenopleider en theaterdocent en deelt haar kennis als auteur, spreker en trainer. www.irmasmegen.com

Op de vraag hoe ze elkaar hebben leren kennen, vertelt Marjolein over het Congres Positieve Educatie dat eind 2018 werd georganiseerd op de Universiteit Twente, waarin het Positief Educatie Programma (PEP) centraal stond.

“Het uitgangspunt van dit programma is dat basisscholen zich niet alleen op resultaten, maar ook op het proces van leren richten. Het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen staat centraal. Irma was geïnteresseerd om een bijdrage te leveren en een workshop te geven over yoga in de klas, maar het programma was al vol. Ik vond wat Irma te bieden had echter zo goed aansluiten bij mijn workshop over mindfulness in de klas, dat ik voorstelde om samen een workshop te geven.”

Irma: “Dat vond ik nou echt een gebaar van compassie, je organiseert een congres en je geeft de helft van je workshoptijd aan mij.” Tijdens de workshop bleek dat niet alleen de onderwerpen goed bij elkaar pasten maar ook Irma en Marjolein elkaar naadloos aanvulden. De basis voor verdere samenwerking was gelegd.

Eigen ervaringen

Marjolein en Irma zijn allebei al jaren geleden begonnen als beoefenaar van mindfulness. Ze hebben zelf onder andere de mindfulnesstraining Mindfulness Based Stress Reduction (MBSR), de compassietraining Mindfulness Based Compassionate Living (MBCL) en aansluitende retraites gevolgd en vervolgens van beide trainingen de trainersopleidingen gedaan.

Beiden hebben al veel trainingen gegeven. Irma vooral aan leerkrachten en kinderen, Marjolein is meer gericht op ouders en hulpverleners. Naast de mindfulnesstrainingen voor kinderen die er al bestonden, misten ze een kindervariant van de compassietraining. Die stond niet alleen dichter bij henzelf, maar sloot vaak ook beter aan bij kinderen, vonden ze: “Bij compassie gaat het over ‘ik en de ander’ en ‘hoe beweeg ik mij in de wereld’, thema’s waar kinderen dagelijks mee bezig zijn.”

Van toolbox tot boek

Vanuit hun eigen ervaring met compassietraining en jarenlange ervaring met het geven van trainingen, ontstond de wens om de toolbox aan oefeningen die ze tot hun beschikking hadden te ordenen.

“We wilden echt een training ontwikkelen”, zegt Marjolein. “We hebben contact gezocht met Erik van den Brink en Frits Koster die de MBCL hebben ontwikkeld. Een goed onderbouwde training, waar al veel onderzoek naar gedaan is en die we beiden ook gevolgd hebben. Zij gaven toestemming om met de MBCL als basis een training voor kinderen te ontwikkelen. We hebben de zes thema’s (zie kader, red.) uit hun training als kapstok gebruikt voor de kindervariant.”

Compassietraining

Vorig jaar, vijf jaar na hun eerste ontmoeting, verscheen hun boek Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen. Ze zien het boek ook echt als handleiding voor de training.

“De neiging om er een paar oefeningen uit te halen is begrijpelijk, maar dan bestaat de kans dat het een trucje wordt”, waarschuwen ze. “Idealiter is het een zevenweekse training, waarbij je wel zelf kunt kiezen welke van de 52 oefeningen je per thema gebruikt. Voor een schoolklas is het wellicht fijner om de training wat meer over het jaar te verspreiden. Dan is het wel belangrijk om de thema’s op de voorgeschreven wijze te doorlopen.”

“Compassie, of levenskunst, als vak vinden we een essentiële aanvulling op het huidige curriculum in zowel het basis- als voortgezet onderwijs. Nu ligt de nadruk vooral op cognitieve ontwikkeling. Ontdekken wie je bent, wat je voelt en hoe je je verhoudt tot anderen is minstens zo belangrijk.”

Zelf training geven

Het belangrijkste uitgangspunt om zelf de training Doe ’s lief te geven, is dat je er affiniteit mee hebt, zeggen ze.

“Je hoeft geen mindfulness- of compassietrainer te zijn, maar je moet wel op z’n minst een goed gevoel hebben bij de oefeningen. Natuurlijk helpt het als je behalve affiniteit ook ervaring met de oefeningen hebt. Daarom geven we zelf een training van een of twee dagen, waarbij we de oefeningen uitproberen en achtergrondinformatie geven. Het zelf wíllen doen, embodiment, is belangrijk.”

Levenskunst

Aan het eind van het interview praten we nog even door over onze eigen ervaringen met mindfulness- en compassietraining en wat we in onze eigen gezinnen beleven. Mijn zoon van dertien die zegt: “Maar wij hebben helemaal geen tijd op school om zulke oefeningen te doen.” Of studenten van Marjolein die zeggen: “Had ik dit maar eerder geweten, dat ik zelf deze invloed op mijn gevoel van welbevinden heb.”

Al snel blijkt dat we alle drie ervaren hoe kleine momenten van aandacht voor jezelf en voor de ander een groot verschil kunnen maken. Elkaar bewust een fijne dag wensen in het gezin en napraten tijdens het avondeten kan al wezenlijk zijn.

tekst: Bart van Gent
foto: Nadine Maas

 

Doe ’s lief

Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen is een vrolijk geïllustreerd, toegankelijk boek met 52 oefeningen. Het behandelt zes thema’s: aandacht, stress, doen of denken, vriendelijkheid voor jezelf, vriendelijkheid voor de wereld om je heen en werken aan geluk. Het is bedoeld om te gebruiken met kinderen tussen de 8 en 13 jaar. Dat kan zowel op school, als in de hulpverlening en groepsgewijs of individueel.

Oefeningen

Tijdens het schrijven zijn de oefeningen uitgeprobeerd door kinderen. Quotes van deze kinderen zijn opgenomen in het boek en maken nog inzichtelijker wat je als kind dan kunt tegenkomen. Kees (11) moest zich bijvoorbeeld voorstellen dat een voor hem lastige persoon het zelf ook weleens moeilijk heeft. En die persoon vervolgens iets vriendelijks toewensen. Kees vond dit een pittige opdracht, want hij dacht aan iemand die hem gepest had.

“Die stap is voor een jongen van elf misschien nog te groot”, zegt Marjolein
hierover. “Soms kun je zo’n stap ook weglaten, of zeggen: ‘Als je voelt dat het nu nog niet kan, is dat prima’. Het gesprek daarna is belangrijk: ‘Het lukte mij niet, ik voelde boosheid, maar als ik het erover heb, wordt het wel minder’. Als je de oefening niet doet, komt het ook niet op tafel.”

 

de promovendus


Kleuters met een beperking

‘Het bleek ontzettend moeilijk om reguliere scholen met onze doelgroep te vinden’

Op een zaterdagochtend zit de universiteitsbibliotheek in Groningen vol studenten. Toch is het er opmerkelijk stil. Ieder is met of zonder koptelefoon
verdiept in zijn eigen bubbel. Gelukkig heeft Florianne Rademaker een ruimte
gevonden waarin we een gesprek kunnen hebben zonder de stilte te verstoren.
Florianne promoveerde onlangs aan de RUG over de participatie van onze
allerjongste studenten: kleuters, met een beperking in dit geval.

Lees meer

curriculum vitae

Florianne Rademaker

2023 – heden
Universitair docent Pedagogische Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen
2021 – 2023
Docent/Onderzoeker Pedagogische Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen
2015 – 2023
Promovendus, Rijksuniversiteit Groningen
2014 – 2023
Onderzoekscoördinator diverse projecten, Universitair Centrum Psychiatrie Groningen
2011 – 2012
Master Psychologie, Rijksuniversiteit Groningen (cum laude)
2009 – 2012
Master Pedagogische Wetenschappen richting Orthopedagogiek, Rijksuniversiteit Groningen
2006 – 2009
Bachelor Pedagogische Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen

Wat hield je onderzoek precies in?

“In een notendop ging het om het op basis van theorie en praktijk doorontwikkelen van de reeds bestaande Amerikaanse interventie Special Friends. Die interventie beoogt de houding van medeleerlingen van kinderen met een beperking wat positiever te maken. Ons uiteindelijke doel was de sociale participatie van de leerlingen met een
verstandelijke, lichamelijke of auditieve beperking te verstevigen. We wilden niet alleen een effectieve interventie maken, maar ook eentje die leerkrachten willen gebruiken in de klas.

We weten dat kinderen vaker toetrekken naar andere kinderen die op hen lijken en ook dat kinderen op jonge leeftijd al best wat verschillen
zien tussen henzelf en kinderen met een beperking. Je moet met beide partijen iets doen om meer interactie te bewerkstelligen. Daarnaast wilden we het effect van de interventie onderzoeken.”

Wat voor interventie is dat dan?

“Het gaat om de interventie Iedereen hoort erbij!.1 Die bestaat uit drie componenten: een korte voorbereidende training voor leerkrachten, drie geanimeerde prentenboeken2 met informatie over verschillende beperkingen en achttien coöperatieve werkvormen. De laatste twee componenten zijn gebaseerd op de inmiddels al heel oude theorie van
Gordon Allport, de Contact Theorie.”

De Contact Theorie, wat is dat precies?

De Contact Theorie gaat ervanuit dat wanneer je echt contact hebt met elkaar en je elkaar beter leert kennen, vooroordelen die je hebt over elkaar wat meer naar de achtergrond gaan. Die theorie is veelvuldig bewezen in grote meta-analyses en studies, ook bij jonge kinderen. Of met het verminderen van vooroordelen de relatie en de sociale participatie ook beter worden, daar is minder onderzoek naar gedaan.

Gordon Allport stelt dat het contact aan vier belangrijke voorwaarden moet voldoen: gelijke status, samenwerken, een gemeenschappelijk doel en steun door de autoriteiten. Dus het ene kind moet niet belangrijker zijn of een groter aandeel hebben in het contact dan het andere. Kinderen moeten niet een wedstrijd met elkaar aangaan, maar juist een coöperatief geheel vormen en daarbij toewerken naar iets dat van hen allemaal is. En van de leerkracht wordt verwacht dat die het contact ondersteunt en zorgt voor een sfeer van acceptatie in
de klas.

Zo kwamen wij al gauw uit op coöperatieve werkvormen, zoals samen een ballon hooghouden of samen een puzzel maken. Daaraan voorafgaand kregen kinderen een prentenboek aangeboden, met
informatie over verschillende beperkingen. Om zeker te weten dat die informatie goed overgekomen was, volgde er een nabespreking over het boek in de kring.”

In een van je stellingen beweer je dat de Contact Theorie veel potentieel heeft voor inclusief onderwijs, maar dat het slechts de helft van het verhaal vertelt. Wat is de andere helft?

“Behalve de kinderen worden ook de leerkrachten en ouders meegenomen. Die hebben een belangrijke invloed op de houding van de klasgenoten van leerlingen met een beperking. Ik heb een aantal
ouderavonden gedaan en gemerkt dat ouders van andere kinderen er over het algemeen vrij neutraal tot positief in staan.

Die houding heeft ook drie componenten: overtuiging, gevoel en gedrag. Vaak zien we dat die eerste twee niet zo’n probleem zijn, maar dat het met de derde component een stuk spannender wordt. Of een kind na schooltijd meegevraagd wordt om te spelen bijvoorbeeld. Is een kind met een beperking ook welkom op het verjaardagsfeestje
van je kind?

Ouders geven in vragenlijsten aan niet zo goed te weten wat ze met hun kind moeten bespreken. Ze willen het niet erger maken of kinderen met een beperking stigmatiseren. Hoe kun je je kind
meegeven dat diversiteit oké is? Welke woorden kies je? Moet je de verschillen eigenlijk wel benoemen? En is niet-benoemen niet juist schadelijker?

Ook bij leerkrachten speelt soms de angst voor het onbekende. Een gedeelde visie op inclusiviteit, gedragen door directeur, intern begeleider en collega’s op school, maakt het gemakkelijker. Ik sprak een schooldirecteur die zei: hoe fijn is het dat je met je toekomstige werkgever al in de zandbak hebt gespeeld? En dat ook die werkgever al vanuit zijn kindertijd weet dat je met z’n allen de maatschappij in te richten hebt.”

Hoeveel scholen deden er mee aan je onderzoek?

“We hadden in ons onderzoeksdesign dertig tot zesendertig klassen in gedachten en wilden aanvankelijk zelfs drie condities met elkaar vergelijken. Maar daar zijn we al vrij snel van afgestapt. Het bleek ontzettend moeilijk om reguliere scholen met onze doelgroep te vinden! Uiteindelijk hebben we het onderzoek uitgevoerd voor 332 klasgenootjes van twintig kinderen met een beperking, in achttien klassen.”

Waren die scholen zo moeilijk te vinden of zijn ze er misschien niet? Met andere woorden: beginnen deze kinderen eigenlijk wel op de reguliere basisschool?

“Als je de landelijke cijfers mag geloven wel. Ik denk dat er hele grote verschillen zijn, misschien ook regionaal. Een kind met een beperking in het reguliere onderwijs laten instromen, vraagt strijdbare ouders.

Het is niet voor alle ouders weggelegd om voor hun kind op de barricades te gaan staan. Ik kan me voorstellen dat veel ouders uit bescherming van hun kind deze stap niet durven te zetten. Ik weet
dat veel kinderen met downsyndroom wel regulier beginnen, maar in groep 3 uitstromen naar het speciaal onderwijs. Met de manier waarop het regulier onderwijs nu is ingericht, denk ik dat specialistisch onderwijs ook nodig zal blijven.”

Wat zou er dan moeten veranderen?

“Ik denk dat het op school nog te vaak gaat over of kinderen de leerlijn wel kunnen volgen en of het uitstroomprofiel goed genoeg is voor de Onderwijsinspectie. Wat ik ook gezien heb is dat kinderen met een beperking vaak extra ondersteuning krijgen, maar dat die dan gepland wordt op momenten van vrij spel, zodat ze niks van de lesstof hoeven te missen. Ik wilde die kinderen observeren tijdens een vrij spelmoment om te kijken hoe ze het deden in relatie met klasgenootjes, maar dat kon dan niet want dan had dat kind net op dat moment extra ondersteuning! Waarom juist dan? Kinderen leren sociale vaardigheden van elkaar. Als je die niet van andere kinderen kunt afkijken, welk voorbeeld heb je dan?”

Is de maatschappij er eigenlijk wel klaar voor, voor meer inclusiviteit?

“‘Iedereen hoort erbij’ klinkt niet erg als het motto van de nieuwe regering. Daar maak ik me wel wat zorgen om. Ik denk dat veel mensen niet zo goed beseffen dat verdraagzaamheid en meer inclusiviteit nodig is om uit de polarisatie te komen, waar we nu in zitten met z’n allen. Dat we elkaar weer echt moeten leren kennen. En dan kom ik toch weer bij Gordon Allport uit.”

Aan het einde van het gesprek met Florianne, realiseer ik me dat we het over van alles gehad hebben, maar nauwelijks over de resultaten
van haar onderzoek. Waarschijnlijk heeft ze er wel iets over gezegd, maar heb ik het gewoon niet willen horen. De attitude van alle deelnemende kleuters ten aanzien van hun klasgenootjes met een
beperking blijkt in de loop van de tijd namelijk niet positiever, maar juist minder positief te zijn geworden. Op deze leeftijd wordt dat overigens vaker gevonden.

Ten opzichte van de controlegroep heeft de interventie Iedereen hoort erbij! echter wel een klein afremmend effect gehad op deze neerwaartse trend. In de coöperatieve werkvormen blijken de onderlinge verhoudingen toch wel wát te veranderen en komen de proporties van dominantie en afhankelijkheid iets meer in evenwicht.
Mogen we dit een lichtpuntje noemen? Een voorzichtig beginnetje om de trend te keren? Kennelijk is er nog wel meer nodig. Inclusief onderwijs lijkt nog ver weg.

tekst: Andries Kamminga


  1. De interventie ‘Iedereen hoort erbij!’ is te verkrijgen via www.bereslim.nl
  2. De tekeningen van prinses Peetjie van Peggy van Gurp. Lor van Elfi Nijssen en Eline van Lindenhuizen. Slompie, een spin met vijf poten van Gerard van Midden.

column


 

‘Harder naar buiten toe en toch lief’

Bedeesd komt hij binnen voor het oudergesprek. Tom is nog nooit bij ons op het behandelcentrum geweest. ‘Is dit een school?’, vraagt hij.
‘Zoiets’, antwoord ik. ‘Een school en een plek waar Dinaia begeleiding en hulp krijgt. Wat is uw relatie met Dinaia?’

 

Lees meer

“Ik ben haar oom. De broer van haar moeder Sarah. Zij komt trouwens niet, ze moet werken en heeft mij gevraagd dit gesprek te doen.”

“O, wat fijn dat u wel kunt komen. We willen u wat vragen stellen over Dinaia. Denkt u dat haar moeder dat goed vindt? Vindt u het goed dat we haar even bellen?”

“Nou, misschien slaapt ze nog, maar ze vindt het zeker goed. Mijn zus is een hele goede moeder hoor, maar ze heeft veel meegemaakt. Dinaia heeft dat ook gezien.”

Zorgzaam

“Oké, bent u bang dat we haar geen goede moeder vinden?”

“Nou, soms wel, ik wil niet dat zij Dinaia kwijtraakt. Ze is wel eens depressief en dan is het moeilijk voor haar om uit bed te komen.

Maar ze is slim en zorgzaam. En ik help haar. Ik zorg elke ochtend dat Dinaia naar school gaat. Zij vindt het hier heel fijn, weet u.”

Schoolangst

Dinaia (10) gaat al een paar maanden niet meer naar school en is aangemeld met schoolangst. Zij riep meteen bij binnenkomst al heel hard dat haar moeder toch niet zou komen. “Mijn oompie wel hoor, juf Elena, en hij is heel cool. Maar mijn moeder kan écht niet!”

Intussen heeft haar moeder telefonisch toestemming gegeven om verder te praten. Ze probeert zelf ook nog te komen, vertelt ze.

“Ik doe hard mijn best om goed voor mijn zus en Dinaia te zorgen”, begint Tom (30). “Wij hebben geen ouders meer. Mijn zus is slim, maar identificeert zich met gebroken mensen. Ik probeer hen een andere wereld te laten zien en haar het gevoel te geven dat ze een goed iemand is.”

Grenzen

Tom ontpopt zich als een gevoelige en empathische jongeman. “Mijn zus is heel zacht en kan niet zo goed haar grenzen aangeven. Dinaia loopt gewoon over haar heen. Ik probeer haar te leren dat je wat
harder moet zijn naar buiten toe en dan toch lief kunt zijn.”

Vol bewondering kijk ik naar deze wijze man die heeft besloten een groot deel van zijn tijd aan het gezin van zijn zus te geven.

“En hoe houdt u het vol? U zorgt ook grotendeels voor Dinaia. Heeft u nog tijd voor uzelf?”

“Nou, dat is wel moeilijk voor mij. Misschien heb ik ook moeite met grenzen. Ik houd van boksen, maar dat heb ik al even niet gedaan.”

Sorry

Dan loopt de moeder van Dinaia onze kamer binnen. Een tengere, verlegen vrouw. Ze lacht vriendelijk. “Sorry, ik moest niet werken.”

Dinaia ziet haar moeder binnenkomen en haar ogen beginnen te glanzen.

 

tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.


De namen in deze column zijn gefingeerd.


 

‘Wees niet bang voor radicalisering’

Er is een nieuwe richtlijn gepubliceerd voor de jeugdhulp en jeugdbescherming. De richtlijn Radicalisering. Deze kwam tot stand door de samenwerking tussen het NJi, NIP, de BPSW en de NVO. Een gesprek met onderzoeker en pedagoog Stijn Sieckelinck, één van de schrijvers van de richtlijn.

Lees meer
Stijn Sieckelinck

Stijn Siekelinck schreef deze richtlijn samen met Ron van Wonderen (projectleider), Dominique Burggraaff en Mehmet Day , alle drie van Verwey Jonker Instituut. En Annebregt Dijkman van Sherazade Advies. Zelf houdt hij zich al twintig jaar bezig met het onderwerp radicalisering.

“In 2004 ben ik van België naar Nederland verhuisd om daar aan mijn proefschrift te werken over jongeren en hun idealen. Het is ook het jaar van de extremistische moord op filmmaker Theo van Gogh.
Dat gebeurde een paar straten van waar ik woonde in Amsterdam. Deze gebeurtenis heeft mijn proefschrift en mijn loopbaan gekleurd. Door de dood van de filmmaker kwam namelijk het maatschappelijk debat over tolerantie op scherp: hoe gaan we om met de vrijheid van meningsuiting? Hoe moeten we mensen beschermen? Maar ook,
hoe moeten we mensen opleiden om jongeren te helpen die extreme gedachten hebben?”

“In mijn proefschrift ben ik mij onder meer gaan richten op de vraag hoe we radicalisering pedagogisch kunnen duiden. Sindsdien heeft het
thema mij niet meer losgelaten. Ik heb altijd geprobeerd radicalisering met een brede ontwikkelingsbril te benaderen. Het hangt heel vaak
samen met zaken die niet op orde zijn in het gezin, op school of in de wijk. Dat vind ik heel boeiend. Hoe kunnen we tijdig ingrijpen door beter op de hoogte te zijn van wat jonge mensen bezighoudt? En welke gesprekken moeten we dan voeren? Radicalisering is heel vaak een vermomde hulpvraag; een jongere heeft geen vertrouwen meer in deze samenleving en heeft bijna helemaal zijn rug gekeerd, maar wil eigenlijk zeggen: ‘Haal mij er terug bij.’ Dat doet men dan wel vaak op een uiterst
provocerende manier.”

Met wie werkte je aan deze richtlijn?

“De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft samen met de expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het ministerie van SZW aan het NJi gevraagd om een richtlijn op te stellen. Voorafgaand is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd en daarna is een bureau geselecteerd. Vervolgens ontstond een prettige samenwerking met collega’s van het wetenschappelijk onderzoeksbureau Verwey-Jonker om aan de richtlijn te werken. Mijn input is vooral academisch en vanuit pedagogische blik en in aanvulling op de input van radicaliseringsexpert Annebregt Dijkman. Zo hadden we een mooie groep deskundigen aan tafel, met ieder een verschillende invalshoek. Ook was er een klankbordgroep van professionals die ons bij de les hield.”

Voor wie is de richtlijn geschreven?

“Voor zowel professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming als andere jeugdprofessionals die te maken kunnen krijgen met radicalisering bij jongeren. Het is een thema waarbij de eerste signalen zelden bij professionals binnen de jeugdhulp binnenkomen, maar juist in wijken, buurtcentra en scholen. Daar moet dus ook deze richtlijn bekend zijn. In elk geval op hoofdlijnen.

Tegelijk weten we dat jongerenwerkers – die de meeste signalen van radicalisering oppikken – nog niet zo gewend zijn om met richtlijnen te werken. Dit komt omdat ze een systematische, maar meer open manier van werken hanteren. Dat wil niet zeggen dat ze er niets aan kunnen hebben, al was het maar om het gesprek met andere jeugdprofessionals en instanties te kunnen voeren. Met dat in ons achterhoofd hebben we de richtlijn ook geschreven. Niet gericht op slecht één beroepsgroep, er is vanuit diverse kanten gekeken: vanuit veiligheid, vanuit zorg, vanuit families en vanuit school. Zoals de
richtlijn er nu ligt, is het gelukt om voor en vanuit deze verschillende beroepsgroepen te schrijven.”

Wat is de definitie van radicalisering in de context van opvoeden en jongeren?

“De term ‘zorgwekkende radicalisering’ roept veel verschillende beelden op en kent veel verschillende definities. Wees daarom terughoudend in het gebruiken van het label ‘radicalisering’ en heb oog voor de individuele omstandigheden van een jongere. De praktijk leert dat docenten en opvoeders onderstaande pedagogische betekenis waarderen:

Radicalisering is een proces waarbij iemands ideologische opvattingen de ruimte voor dialoog met andersdenkenden inperken en de bereidheid om dwang of geweld te gebruiken doen toenemen. Dit proces kan aanleiding zijn voor individuen, groepen of instituties om zich af te keren van de door democratische principes gestuurde samenleving. Het kan leiden tot schade aan relaties, zichzelf of anderen.” (Sieckelinck, 2016)

Welke signalen kunnen professionals oppikken wanneer er vermoedens zijn of iemand radicaliseert?

“Dat kunnen hele uiteenlopende signalen zijn. Maar we weten dat wanneer een jongere veel tegenstand ervaart in sociale zin, hij of zij zich onveilig en buitengesloten voelt. Dat is een belangrijke voedingsbodem voor wantrouwen. Een jongere wil immers altijd ergens bij horen en gewaardeerd worden. Wanneer een jongere geen vertrouwen meer heeft in zijn opvoeders, hulpverleners, leerkrachten of agenten kan het wantrouwen in de samenleving toenemen. Vooral wanneer hij ervaart
dat hij niet gelijk wordt behandeld.

Een voorbeeld wat we vaker onder jonge mannen zien is dat zij niet aan de bak komen, omdat er alleen maar vrouwen van kleur worden aangenomen. Dan wordt deze persoon kwetsbaarder voor boodschappen die dat versterken, en daarbij maakt het weinig uit welke afkomst je hebt. Een proces van verwijdering en vervreemding kan het gevolg zijn. Dan moet je als professional alert zijn. Daarnaast is er ook een enorm online-aanbod waar je ideologisch je gedachten gaat vormen. Wanneer jongeren uren online allerlei boodschappen op
zich afgevuurd krijgen over hoe bepaalde groepen niet thuishoren in Nederland, dan is een gesprek wel op zijn plek. Ook wanneer politieke tegenstanders worden weggezet als verraders van het volk. Andere
signalen zijn conflicten, ruzies omwille van andersdenkend: mensen met een andere levensstijl, die andere symbolen dragen en daarmee in conflict komen. Dat zijn duidelijk signalen. Vaak zijn er daarvoor al momenten geweest om in te grijpen.”

Wat kan een orthopedagoog doen?

“De orthopedagoog doet er goed aan om een beeld te vormen van de context van zo’n jongere. In welke familie groeit hij op? Welke invloeden ervaart hij? Dat impliceert dus dat het van belang is in de familie zelf contacten aan te knopen en te investeren in affectieve professionaliteit. Pas dan kun je een beeld vormen van de context die invloed heeft op de
jongere. Wie staan er om de jongere heen waarbij we kunnen aanhaken om wat tegengewicht te bieden? Een voorbeeld is verandering van een patroon. Maar daar moet altijd nog betekenis aan gegeven worden. Dus is het goed om rond te vragen of iemand anders ook een probleem ziet. Daarbij is het eveneens goed om – zeker bij voorzichtige signalen – de ontwikkelingsgerichte bril op te houden. Niet gelijk opschalen om onnodige escalatie te voorkomen. Stel dat iemand vindt dat bepaald geweld geoorloofd is, ga dan juist in gesprek. Hoe zit dat? Waarom?
Heeft diegene zelf wel eens geweld meegemaakt? Kan het ook om pesten gaan of verwaarlozing? Of om een andersoortig trauma? Daar hebben we aanpakken voor. Vaak is er ook een levensstijlcomponent.

 

Heeft iemand een minimaal gezonde levensstijl? Hoe gaat iemand om met schermtijd? Onze hersenen zijn namelijk ongelofelijk gevoelig voor
digitale content.

Verwacht geen wonderen na enkele gesprekken. Jij gaat niemand succesvol overtuigen van je eigen wereldbeeld. Wees tevreden met kleine stapjes. Het gaat om toenadering zoeken en werken aan
de relatie met de jongere en met de nauw betrokkenen. Waar zijn ingangen op basis van gedeelde interesses op basis waarvan je kunt
bouwen aan het ontwikkelingsaspect? Het contextgericht werken kun je vanuit verschillende scenario’s uitvogelen, waarmee je vooruitgang
boekt met de jongere en andere belangrijk mensen in zijn of haar omgeving.”

Welk advies kun je geven aan orthopedagogen/opvoeders/professionals?

“Wees niet bang voor radicalisering. Angst gaat in de weg staan van heldere observatie en analyse van degene die je voor je hebt. Zie radicalisering als een ontwikkelingsvraagstuk.

Wees niet bang voor extreme uitspraken of extreme gedragingen, want eigenlijk is het een kreet om aandacht en een hulpvraag. Ik ken heel weinig casussen waarbij oprechte ondersteuning van een professional heeft geleid tot meer geweld, meer bedreiging of meer onveiligheid.

 

 

 

 

Er zijn juist casussen bekend waarbij door een professional vanuit interesse is gehandeld, de juiste vragen zijn gesteld en zo het verschil kon worden gemaakt. Belangrijk is om je te verdiepen in waarom die gedachten aantrekkelijk zijn voor een jongere. Dan kun je je inleven en tegelijk ondersteuning organiseren om het contact te herstellen of te verbeteren.”

 

tekst: Marijke Buisman

pedagogiek & politiek


 

‘Bewaar rust en blijf bij wat je met elkaar hebt bedacht’

In alle gemeenten in Nederland wonen gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Hoewel er effectieve interventies bestaan om deze gezinnen te helpen, zitten in de praktijk nog veel gemeenten en hulpverleners met de handen in het haar. Een gesprek met Jana Knot-Dickscheit, hoofd van het Expertisecentrum Gezinnen met meervoudige en complexe problemen.

 

Lees meer

Gezinnen met meervoudige en complexe problemen staan meer dan ooit in de schijnwerpers. Het zijn stuk voor stuk gezinnen met een hoog zorggebruik, die tegelijkertijd veel vragen van de kwaliteit van
zorg in een tijd van krappe budgetten en grote tekorten.

Het Expertisecentrum van Jana Knot-Dickscheit en collega’s ondersteunt met raad en daad en publiceert over het onderwerp. Zo verschijnt in oktober het themanummer Gezinnen met meervoudige en complexe problemen in het Nederlandstalige open access tijdschrift Jeugd in Ontwikkeling.

Hoe ben je betrokken geraakt bij deze gezinnen?

“Dat is geleidelijk gegaan”, vertelt Jana. Tijdens haar studie in Duitsland kwam ze als stagiaire bij een gezin waar al meerdere kinderen uit huis waren geplaatst, toen ook het jongste kind dat lot moest ondergaan.

“Een drama voor de ouders, en enorme hulpeloosheid bij de hulpverleners. Dat is mij sterk bijgebleven, dat zou toch anders moeten en kunnen! Op mijn werk hier bij de universiteit werden we
vervolgens steeds vaker door praktijkorganisaties benaderd om mee te denken over ‘doen we het goede, doen we het op de goede manier en zijn we wel echt betekenisvol voor deze gezinnen?’. Zo raakte ik steeds meer betrokken en hoop vurig dat we voor de kinderen die in deze gezinnen opgroeien weer een perspectief kunnen creëren.”

Hoe kun je deze gezinnen omschrijven?

Jana ziet een aantal overkoepelende kenmerken. “Zo is er een opeenstapeling van problemen op verschillende levensgebieden, zoals opvoedingsproblematiek én psychische problemen van ouders en tegelijkertijd armoede én problemen op school. Problemen die vaak al langere tijd aanwezig zijn, elkaar versterken en een chronisch verloop hebben, soms tussen generaties en over generaties heen.

 

Eerdere ingezette hulp heeft onvoldoende duurzame oplossingen opgeleverd. Gezinnen komen er zelf niet meer uit. Deze gezinnen hebben onvoldoende buffers, geen sociaal netwerk. De complexiteit ontstaat ook door hoe wij hulp hebben ingericht in al die hokjes. Je bent voortdurend brandjes aan het blussen, hoewel bijvoorbeeld bestrijding van armoede om structurele oplossingen vraagt.”

Vertragen en verdragen

In deze gezinnen is het de kunst om te vertragen en te verdragen. Hulpverleners hebben sterk de neiging om direct op de problemen af te gaan. Juist waar het ingewikkeld is, al veel is geprobeerd en eerdere hulp weinig effect heeft gehad, daar is het nodig om een pas op de plaats te maken.

 

Jana: “Luister aandachtig naar de ouders en kinderen, welke shit ze hebben meegemaakt en hoe ze het überhaupt hebben overleefd. Luister naar al die ervaringskennis. Ga met alle gezinsleden –
denk ook aan de (stief)vader – aan tafel, maar ook met iedereen individueel. Ga niet louter op symptoomgedrag af, zoals ‘we hebben hier een agressief kind, of een ouder die niet mee wil werken’, maar neem de tijd, analyseer, ga in gesprek en stem goed af met andere hulpverleners en het gezin.”

Behalve vertragen moet je ook verdragen. Dus af en toe verdragen dat het niet helemaal honderd procent goed gaat, dat er op een bepaald gebied soms een crisis is.

Jana: “Gooi dus niet elke keer je hele aanpak overboord omdat er net op een bepaald gebied een bepaalde crisis is. Bewaar rust en blijf bij wat je met elkaar hebt bedacht!”

Verklarende Analyse (VA)

“Voordat je hulp gaat inzetten, maak je een analyse waarmee je probeert te verklaren hoe problemen zijn ontstaan en hoe het kan dat ze voortduren”, vertelt Jana. “Tegelijkertijd kijk je ook wat factoren
of omstandigheden zijn die bijdragen aan positieve ontwikkeling of positief gedrag. Inherent aan een VA is dat gezin en kind zich in de analyse herkennen, deze delen en ook, dat als je met andere
professionals samenwerkt, zij deze analyse dragen. Op basis daarvan kom je weer tot perspectief voor kind en gezin, kun je prioriteren en een gezamenlijk plan maken. Je moet hiervoor echt klinisch redeneren, daar komt de orthopedagoog om de hoek kijken. Ook in de Richtlijn uithuisplaatsing en terugplaatsing – onze gezinnen komen vaak met jeugdbescherming in aanraking – is de VA opgenomen. Het hoort gewoon bij onze beroepsstandaard.”

Effectieve interventies en onderzoek

Er is landelijk onderzoek gedaan naar de werkzame elementen van interventies bij zware opvoedproblematiek en voor gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Wat kwam daar zoal uit?

Jana: “Dan zie je dat deze interventies veel gemeenschappelijke kenmerken hebben, zoals het belang van een gezamenlijk plan, werken aan opvoedingsondersteuning en praktische ondersteuning. We hebben helemaal geen nieuwe interventies nodig, maar moeten beter worden in wat we al doen. Dus onderzoeken we bijvoorbeeld in een door ZonMw gefinancierd project op welke momenten en hoe intensief je elementen van interventies moet inzetten toegepast op de vraag van
het gezin. En we kijken steeds meer naar gepersonaliseerde zorg. Beter luisteren naar ouders en kinderen is belangrijk. We maken binnen het
ZonMw project gebruik van de iamYu app. In de app kunnen kinderen en ouders dagelijks aangeven hoe het met hen gaat op de voor hen belangrijke doelgebieden. En de betrokken hulpverlener geeft na elk contact met het gezin aan wat hij/zij/hen heeft gedaan.”

Veel van deze gezinnen hebben een langdurige vorm van ondersteuning nodig. Dat hangt samen met de aard en de chroniciteit van de problemen: psychiatrische problematiek, verslaving, ouders met een licht verstandelijke beperking.

Jana: “Daar moet je langdurige flexibele zorgarrangementen voor bedenken. Zo is bij verslavingsproblematiek het terugvalrisico erg groot. En als we bij ouders met lvb willen dat kinderen thuis opgroeien, dan moeten we er zo lang bij blijven totdat die kinderen op eigen benen staan.”

Praktische ondersteuning

Deze gezinnen hebben een grote behoefte aan praktische ondersteuning. Jana benadrukt dat hulpverleners zelf ook de handen uit de mouwen moeten steken: “Als je in zo’n gezin komt en je ziet dat het een en al chaos is, dan kun je zeggen ‘je moet opruimen’, maar je kunt dan beter zelf meehelpen en samen die afwas doen. Tijdens de afwas kun je meteen ook een heleboel met die ouders bespreken. En voordoen, oefenen, daar gaat het ook om.”

Multidisciplinair samenwerken

Interventies hebben pas echt kans van slagen als onderling goed wordt samengewerkt. Niet verschuilen achter de protocollen van je instelling. Samen met andere hulpverleners werken aan een gedeeld perspectief en één plan met het gezin.

Jana: “Dat is een hele klus waarbij een grote rol voor orthopedagogen is weggelegd. Want als orthopedagoog denk je vanuit het systeem. Dat kan het sociale systeem zijn, maar ook ons hulpverleningssysteem. Als iemand door alle ondersteuning weer in staat is vrijwilligerswerk of betaald werk op te pakken, dan is het fijn als je bij een gemeente een goed aanspreekpunt hebt die meteen hierin meedenkt. Ook zien we bij veel gezinnen dat ouders door eigen jeugdervaringen of door partnergeweld zijn getraumatiseerd, tegelijkertijd zie je dan ook dat veel kinderen beschadigd zijn.

 

Dan is het belangrijk om gespecialiseerde hulp zoals traumabehandeling in te kunnen zetten. Als het hoofd van ouders vol is, en ze zo beperkt worden door eigen problematiek, dan kan ik wel tig keer over opvoeding beginnen, maar daar is dan geen ruimte voor.”

“Tegelijkertijd kunnen we niet alle hobbels wegnemen. Het is aan ons om kinderen vaardigheden aan te leren waarmee zij de komende
jaren en in hun volwassen leven verder kunnen. Als je luistert naar ouders en kinderen, hoor je ook steeds dat ze het belangrijk vinden dat het sociaal netwerk erbij betrokken wordt. Dus als dat netwerk onvoldoende bestaat of functioneert, kunnen we ze helpen om dat op te bouwen en beter te onderhouden.”

 

Tompoezeneffect

Een samenhangend aanbod van preventie en interventie is essentieel.

Jana: “Anders doet het ‘tompoezeneffect’ zich voor. Als je preventie afknijpt, dan merk je uiteindelijk dat meer mensen problemen ontwikkelen die specialistische hulp nodig hebben. En als je de achterkant dichtknijpt, zie je dat preventie het niet voldoende kan oplossen. GGD – consultatiebureaus – en onderwijs zijn belangrijk om problematiek vroegtijdig te signaleren. Maar er moet nog veel meer gebeuren. We moeten van al die hokjes af en proberen de zorg eenvoudiger te organiseren. En wat echt scheelt, stop met die wirwar aan armoedebestrijdingsinitiatieven. Zorg ervoor dat iedereen een fatsoenlijk inkomen of een uitkering heeft waarvan je écht kunt leven. Kinderopvang dient gratis te zijn.”

tekst: John Smeets
tekening: Lily Woolderink (9 jaar)
foto: Ronald Zijlstra

 

‘Als je ziet dat het bij een gezin een en al chaos is, kun je zeggen “ je moet opruimen”, maar je kunt beter meehelpen en samen die afwas doen.’

Expertisecentrum

Het Expertisecentrum Gezinnen met meervoudige en complexe problemen is gespecialiseerd in onderzoek, onderwijs, advies en netwerk m.b.t. gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Het GMCP werkt samen met diverse regionale en landelijke partners.

Kijk voor informatie en webinars op www.rug.nl/gmw/expertisecentrum-gmcp/

meer lezen

  • Gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Theorie en Praktijk. Onder redactie van Jana Knot-Dickscheit en Erik Knorth (2019), Lemniscaat.
  • In oktober verschijnt een themanummer over gezinnen met meervoudige en complexe problemen van het gratis tijdschrift Jeugd in Ontwikkeling. www.jeugdinontwikkeling.nl
  • Richtlijn Gezinnen met meervoudige en complexe problemen: www.richtlijnenjeugdhulp.nl/gezinnen-met-meervoudige-en-complexeproblemen

gegrepen


 

Nu ben ik 18

Samen met mijn zoon van bijna achttien kijk ik naar een preview van de teledoc ‘Nu ben ik 18’. Over twee alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die in de opvang beste vrienden zijn geworden. Issa is al achttien, Hamidi bijna. Als het goed is, hebben ze via het COA begeleiding gekregen om vanaf dat moment zelfstandig te zijn. Is dat ook zo?

 

Lees meer

Issa – rechts op de foto – is zestien jaar als hij de oorlog in Syrië ontvlucht, zonder zijn ouders. In Nederland komt hij terecht in de beschermde minderjarigenopvang in Amsterdam. Hier ontmoet hij Hamidi en tussen beiden ontstaat een hechte vriendschap.

Stil

Dan wordt Issa achttien, wettelijk volwassen, en overgeplaatst naar het azc in Maastricht. Hij belandt zonder steun in een onbekende stad. We zien hem in z’n eentje op zijn kamer. Hij belt regelmatig met zijn
familie, ze hopen op gezinshereniging. Issa weet dat hij dit niet kan bespoedigen, maar voelt de druk van zijn familie. Hij zegt dat hij zijn moeder mist, dat hij haar graag wil zien, maar niet weet wat hij kan
doen. Er klinkt vaak ‘insjallah’, ‘als God het wil’. Na elk gesprek is Issa stil. Mijn zoon en ik voelen zijn machteloosheid en gemis.

Later bezoekt Issa zijn vriend Hamidi in Amsterdam. Met een grote glimlach omhelzen ze elkaar. “Ik heb je gemist.” Issa mist ook het samenleven met andere jongeren. Niemand die hij kent is bij hem, vertelt hij. Hij zit alleen op zijn kamer in plaats van met vier of vijf anderen, zoals in de opvang. “Die tijd is op, ik moet alles zelf doen en alles zelf leren.” Zoals koken, de was doen en op de juiste datum en tijd naar de IND.

Weer verhuizen

De achttiende verjaardag van Hamidi nadert. Zijn voogd komt praten over de toekomst. Hij vertelt haar dat hij stress heeft, omdat hij niet weet waar hij komt te wonen. Het COA beslist daarover. In een volgend fragment krijgt hij te horen dat hij doorstroomt naar een azc en binnen twee dagen moet vertrekken naar Rotterdam. Zijn leven staat op z’n kop. Tegelijkertijd moet Issa weer verhuizen, dit
keer naar Almere

In een van de laatste fragmenten zien we Issa en Hamidi samen in Rotterdam. Hamidi vertelt dat zijn leven gestopt is. En Issa zegt dat Hamidi nu eindelijk begrijpt wat hij vanaf zijn achttiende heeft
ervaren. Een schrale troost.

Gedumpt

Mijn zoon en ik praten na over wat we gezien hebben. “Heftig”, vindt hij. “Ze worden eigenlijk gewoon gedumpt, ze krijgen een dak boven hun hoofd en de rest moeten ze maar uitzoeken.” Hij voelt feilloos het verschil met zijn eigen situatie, dat hij zijn ouders heeft om op terug te vallen en om hulp aan te vragen als dat nodig is. “Zij hebben niemand, echt bizar.”

tekst: Marleen Baeten
beeld: Zouka

Nog even wachten… De teledoc Nu ben ik 18 van Sarah Vasen is op 2 december (terug) te zien bij de NTR op NPO 2.


Alleenstaande minderjarige vreemdelingen zijn jongeren die alleen of samen met andere kinderen of ‘vreemde’ volwassenen naar Nederland komen en hier asiel aanvragen. Op de website van de rijksoverheid en het COA staat dat zij een voogd krijgen tot ze achttien jaar zijn of uit Nederland weggaan. En begeleiding bij hun ontwikkeling naar volwassenheid, zodat ze op hun achttiende zelfstandig kunnen wonen in een azc, het land van herkomst of een eigen huis in Nederland.

casus


Beweging-als-houvast

Wederkerigheid als basis
voor ontwikkeling en
gedragsverandering

In februari 2024 zijn Sonja Graafstal en Carine Heijligers samen gepromoveerd op de methode Beweging-als-houvast. Beiden geven op hun eigen werkplek adviezen en training aan professionals en ouders. Carine Heijligers als gedragsdeskundige binnen de onderwijs-zorgorganisatie Koraal Noordoost-Brabant. Orthopedagoog Sonja Graafstal als docent aan de Radboud Universiteit en het Radboud Centrum voor Sociale Wetenschappen. Voor de Pedagoog doen zij verslag.

 

Lees meer
In het begin van ieders leven is bewegen een belangrijk communicatiemiddel. Hier wordt de basis voor het afstemmen op de beweging van de ander gelegd.

Leraar speciaal onderwijs Paul zucht als hem gevraagd wordt naar de ontwikkeling van Patrick. “Hij mag dan wel negen jaar zijn, maar daar lijkt het niet echt op. Hij praat dwars door de andere kinderen heen, roept luidkeels door de klas zonder zijn vinger op te steken en ik moet wel tien keer zeggen dat hij zijn pen en schrift moet pakken en kan beginnen met zijn sommen. Tijdens het buitenspelen heeft hij vaak ruzie met andere kinderen en moet ik het brandje komen blussen. Ik heb al van alles geprobeerd, maar het lijkt wel of mijn woorden niet binnenkomen bij hem. Belonen voor goed gedrag werkt ook niet echt. Het effect is slechts kortdurend. Ik kan toch niet aan de gang blijven met stickers uitdelen of hem op de gang zetten en ruzietjes bijleggen?”

Het verhaal van leraar Paul is exemplarisch voor de verhalen die wij regelmatig horen. Bekwame professionals die, ondanks hun expertise en inzet, vastlopen in de omgang met kinderen en jongeren en merken dat hun woorden en/of cognitieve strategieën niet leiden tot gedragsverandering en ontwikkeling.

Beweging

Het vernieuwende van de methode Beweging-als-houvast is dat verbale en non-verbale communicatie middels beweging centraal staat.

Meestal wordt bij communicatie als eerste gedacht aan de manier waarop mensen verbaal op elkaar reageren en informatie uitwisselen, dat blijkt ook uit het verhaal van leraar Paul. Maar dat is niet de enige
manier om contact te maken. We weten dat ook lichaamstaal een belangrijke rol speelt in de communicatie binnen een relatie. Denk bijvoorbeeld aan je houding, je mimiek en gezichtsuitdrukkingen of gebaren en stemvolume. Wanneer we met iemand prettig contact hebben, dan stemmen we onbewust onze houding en bewegingen op elkaar af. We gaan op dezelfde manier zitten als de ander of we verhogen eveneens ons stemvolume om daarmee te laten zien dat we meevoelen met het enthousiasme van de spreker.

De term ‘lichaamstaal’ kan ons echter op het verkeerde been zetten, want het dekt niet helemaal de lading van wat wij verstaan onder het ‘niet-verbale deel’ van communicatie. Daarom spreken we liever over de beweging van een persoon in de communicatie.

Afstemming op elkaar

De basis voor het afstemmen op de beweging van de ander wordt gelegd in de periode direct na de geboorte. Het leven van ieder mens begint met een periode waarin bewegen het belangrijkste instrument in de communicatie vormt. Ouders en baby’s stemmen op elkaar af middels geluiden en bewegingen.1 Een baby die een geluidje maakt als “uuuhh uuuhh”, nodigt de ouder uit om dit te herhalen met “uuuhh, uuuhh”. Aan de trappelende beentjes van de baby kan de ouder aflezen hoe de baby zich voelt. De ouder kan hierop reageren door in hetzelfde ritme mee te bewegen met hoofd en handen of door enthousiast en blij te gaan praten.

Op deze manier geven ouders en baby’s elkaar de boodschap door ‘ik zie jou’ en ‘ik hoor jou’. Omgekeerd kan de ouder zelf ook een beweging initiëren die door de baby gevolgd wordt, zoals een geluidje maken of met de armen zwaaien waardoor de baby uitgenodigd wordt om dat te volgen.

Volgen

Ontwikkelingsmijlpalen zoals joint attention, samenspelen of luisteren en een taak opvolgen, zijn allemaal gebaseerd op het kunnen volgen van de ander. Bij joint attention, dat wil zeggen gezamenlijke of gedeelde aandacht, kijken ouder en kind bijvoorbeeld naar hetzelfde speeltje. Voor joint attention is het nodig dat je de kijkrichting van de ander kunt volgen en dat je gevolgd wordt in jouw kijkrichting door de ander. Voor samenspelen is het nodig dat je het initiatief van de ander kunt volgen en zelf ook een inbreng kunt hebben. De complexiteit van samenspelen is weliswaar van een andere orde dan joint attention, maar in de kern gaat het steeds om volggedrag en initiatiefname. De basis hiervoor wordt gelegd in de eerste periode van het leven, waarin volggedrag en gevolgd worden vooral gebaseerd zijn op beweging.

Sonja Graafstal

 

Aangeboren vermogen

De frustratie van leraar Paul is heel goed te begrijpen. We zijn zo gewend binnen de hulpverlening om probleemgedrag centraal te stellen en te proberen daar verandering in aan te brengen, dat het niet voor de hand ligt om eerst naar de wederzijdse bewegingen van de interactiepartners te kijken. Onze ervaring heeft geleerd dat hierin toch de oplossing ligt en dat ontwikkeling op gang gebracht kan worden. Dit komt omdat bewegen en het kunnen volgen van de beweging van de ander een aangeboren vermogen is van ieder mens. We kunnen daar altijd gebruik van maken, ongeacht type probleemgedrag, leeftijd of DSM-classificatie.

We zien in de praktijk dat het ontbreken van wederkerigheid geen kwestie hoeft te zijn van onwil of verzet, maar eerder van onvermogen en soms van toevalligheden. Een baby met een lage snelheid van bewegen, zal een ouder met een hoge snelheid van
bewegen moeilijker kunnen volgen, dan wanneer de bewegingssnelheid van beiden ongeveer gelijk is. Er is niemand schuldig, het is meer een ongelukkige match tussen deze ouder en dit kind.

 

Menno krijgt meer oog voor de ander

Menno (21) woont bij zijn ouders, samen met zijn twee broers van 23 en 20 jaar. In zijn dossier is sprake van de classificaties verstandelijke beperking en autisme. De problemen die de ouders met Menno ervaren, concentreren zich rondom een gebrek aan wederkerigheid, een zeer zwakke zelfregulatie en een hoge mate van zelfbepalend gedrag.

Als Menno iets wil, dan moet het per se op zijn manier en zijn tijd gebeuren. Zo niet, dan wordt hij boos, gaat gooien, schreeuwen en schoppen. Zo’n bui kan vijftien minuten duren, maar ook enkele uren. Dit komt meermalen per week voor en wordt ook op de dag- en weekendopvang herkend. De ouders vrezen dat het vinden van een passende woonomgeving voor Menno in de toekomst een moeilijke opgave zal worden, wanneer zij de zorg niet meer zelf zouden kunnen bieden.

Structuur

De eerdere hulpverlening in het gezin concentreerde zich op het aanbrengen van structuur in de vorm van picto’s, afstreeplijsten, alarmsignalen en adviezen aan ouders over het omgaan met het zelfbepalende gedrag van Menno. Na vier jaar is deze vorm van hulpverlening stopgezet, wegens het ontbreken van vooruitgang.

Volgens de ouders werkte het niet, want óf Menno zette zelf de wekker vooruit als hij de activiteit te lang vond duren en de wekker nog niet was gegaan, óf hij streepte bij de dagplanning alles af, ook al was het niet gedaan. De ouders: “Eigenlijk
moesten wij ook een beetje autistisch worden om beter te passen bij Menno, daar kwam het op neer. Want, werd er gezegd, Menno kan zich niet aanpassen, dat moeten jullie doen.”

Wederkerigheid

Joram, de hulpverlener die volgens Beweging-als-houvast met Menno gaat werken, richt zich op het ontwikkelen van wederkerigheid. Want het zelfbepalende gedrag van Menno was terug te voeren op het ontbreken van volggedrag van Menno. In feite waren de ouders voortdurend Menno aan het volgen.

Joram is begonnen bij de basis van wederkerigheid, namelijk een gezamenlijke kijkrichting en joint attention creëren door samen boekjes te lezen. De kijkrichting wisselt dan tussen wat beiden aanwijzen in het boekje. Zo ontstaat er bij Menno een eenvoudige vorm van volgen, namelijk Jorams beweging bij het aanwijzen en zijn hoofdbeweging en kijkrichting volgen.

Vanuit dit volggedrag ontstaan er in de loop van de tijd nieuwe structuren op een complexer gedragsniveau. Menno krijgt meer oog voor de mensen om hem heen en kan wat beter omgaan met onvoorspelbaarheid en variaties in het dagprogramma. Uiteindelijk kan er voor hem een passende woonruimte buiten het gezin worden gevonden.

De ouders vertellen dat ze blij zijn met hoe het met Menno gaat. “Het was lange tijd ondenkbaar dat Menno aandacht en belangstelling voor de ander zou hebben. Nu genieten we elke keer van zijn gezelligheid en vrolijkheid. De moeilijkere momenten zijn minder geworden, duren korter en zijn beter te verdragen en om te buigen. Voor ons is deze methode een geschenk uit de hemel geweest.”

(Deze casus is volledig beschreven in ons proefschrift,
hoofdstuk 3B.)

Carina Heijligers

 

Filmfragment

Concreet betekent dit dat wij, bij aanmelding of een vraag om advies, een kort filmfragment bekijken van de interactie tussen een jeugdige en de professional of ouder. We analyseren de wederkerigheid van de interactie en geven vervolgens advies aan de hulpgever. Hoe kan deze zijn bewegingen zo aanpassen aan de jeugdige, dat volggedrag of initiatiefname ontlokt kan worden? In een volgende sessie bekijken we of de interventie is ingezet zoals bedoeld en analyseren we de reactie van de jeugdige. Zo monitoren we of de ontwikkeling de gewenste
kant op gaat. In het voorbeeld van leraar Paul en leerling Patrick zou het best kunnen dat we Paul voorstellen om zijn bewegingssnelheid te vertragen, zodat Patrick zijn opmerkingen beter kan volgen.
Bijvoorbeeld door langzamer te praten of langer te wachten op een reactie van Patrick.

Ons promotieonderzoek bevat tien uitgebreide casussen. In de casus van de 21-jarige Menno past hulpverlener Joram de methode Beweging-als-houvast toe om de wederkerigheid tussen Menno en
zijn ouders te bevorderen (zie kader).

 

tekst: Sonja Graafstal en Carine Heijligers
foto: Gerben Pul


Daniel Stern (1985/2000). The interpersonal world of the infant, Routledge.

Meer weten over Beweging-als-houvast?

gast


 

‘Toen jij op vakantie was, kon ik ook ontspannen’

Die had ik niet zien aankomen. Ik hoorde het van twee afzonderlijke moeders na afloop van mijn eerste week vrij, nadat ik was begonnen bij het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire (OT).

 

Lees meer
Jan Pieter Meijer

Ik had zorgvuldig een overdracht geschreven, de ouders ingelicht wie ze konden bellen en in een enkel geval had ik op hun verzoek een collega geïnformeerd over de actuele ontwikkelingen. Ik kon ontspannen op vakantie.

Eyeopener

Na mijn vakantie hoorde ik dus tot tweemaal toe het zinnetje: ‘Toen jij op vakantie was, kon ik ook ontspannen.’ De zoveelste eyeopener in mijn werk bij het Ondersteuningsteam.

Ik vond het een prachtige en leerzame reflectie. Leerzaam voor mijzelf, want was ik echt wel gerust toen ik op vakantie ging? Voelde ik mij stiekem toch een beetje onmisbaar? Toch een beetje die redder? Gelukkig verliep alles goed, op een natte en veel te koude vakantie na.

Triggeren

De uitspraak zette mij aan het denken. Ik sta vanuit het Ondersteuningsteam met een unieke positie van steun naast ouders. Maar ik sta er natuurlijk niet voor niets. Vaak is er naast financiële en bureaucratische problemen van alles aan de hand in de communicatie met betrokkenen professionals waar ze op een of andere manier afhankelijk van zijn en/of tegen hun zin in mee te maken hebben. Hun meningen en hun juridische positie en macht. Denk aan een bewindvoerder, jeugdbeschermer, consulent, orthopedagoog, ex-partner. Mensen die getraumatiseerde ouders zomaar, onbewust, enorm kunnen triggeren.

Realiteit

En ik dan? JP van het OT is toch neutraal? Is toch juist steunend? Niet bedreigend? Ja, dat klopt gelukkig in de meeste gevallen. Maar ook ik, en daarmee ben ik weer een les rijker, ben een link naar de shit. De stress. Het gedoe. De spanning. Als dat er niet was geweest, was ik er ook niet. Als alles soepel liep en ze zich begrepen voelden, was ik niet nodig.

En hoewel ik helemaal niet wekelijks contact heb met deze twee moeders, was het feit dat ik op vakantie was rustgevend voor hen. JP zal niet bellen, geen geïnteresseerd appje sturen. Een vriendelijk appje, maar toch een die weer een deur opent naar de realiteit die vaak pijnlijk en vermoeiend is. Omdat we bij het OT vaak meegenomen worden in de communicatie met instanties, zeker wanneer dat contact als moeilijk wordt ervaren, zou dat contact
opschuiven tot na mijn vakantie. Dat deze communicatie door mijn vakantie zou uitblijven, ook dat gaf rust.

Invloed en macht

‘Wanneer jij op vakantie bent, kan ik ook even ontspannen.’ Ik hoop dat deze quote het bewustzijn vergroot over je positie van invloed en macht. Macht over de financiën, kinderen, wonen en perspectief
van ouders.

Ik hoop ook dat we beter beseffen wat onze aanwezigheid voor een ander betekent. Wat voor ons ‘werk’ is, kan voor de ander een onnatuurlijke betrokkenheid bij hun leven zijn. Een teken van verminderde autonomie en minder zelfredzaamheid. Een bedreiging? Of juist afhankelijkheid? Je bent of voelt je misschien onmisbaar als professional. Weet jij wat jouw aanwezigheid, én afwezigheid(!), voor de ander betekent? Vraag het eens!

tekst: Jan Pieter Meijer, procesbegeleider van het
Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire. Eerder werkzaam als jeugdbeschermer in de crisisdienst bij Jeugdbescherming Gelderland.

foto: Joshua Rood

boeken &zo


 

Boeken &zo: Inspiratie en inzicht voor pedagogen

Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.

 

Lees meer

 

ACT met kinderen

Tamar Black biedt met ACT met kinderen een toegankelijke gids voor therapeuten die werken met kinderen. Ze legt de kernprocessen van Acceptance en Commitment Therapie (ACT) helder uit, waardoor het geschikt is voor zowel beginnende als gevorderde ACT-therapeuten. Een fijne bijkomstigheid zijn de werkbladen die te downloaden zijn voor gebruik met kinderen en ouders. Zo zijn de oefeningen makkelijk in de praktijk in te zetten. Een sterk punt is de nadruk op ouderbetrokkenheid. Bij elk ACT-proces wordt via ouders de vertaalslag naar de thuis- en of schoolomgeving gemaakt.

Leuk zijn ook de aangepaste metaforen, die aansluiten bij de leefwereld van kinderen. Maar in tegenstelling tot wat de titel doet verwachten, is mijn inschatting dat de meeste oefeningen het best bruikbaar zijn voor kinderen vanaf zeven jaar. Een groot deel vraagt een niveau van zelfbewustzijn en taalbegrip dat bij jongere kinderen nog niet is ontwikkeld. Er zijn een paar uitzonderingen, zoals de bellenblaasoefening.

De Amerikaanse achtergrond van de auteur is soms merkbaar. Bijvoorbeeld in het advies om altijd ouderlijke toestemming te vragen voor het gebruik van muziek in therapie, vanwege een mogelijke religieuze achtergrond waarbij dit niet is toegestaan. Dit soort adviezen voelen soms overbodig aan.

Kortom, ACT met kinderen is een nuttig en toegankelijk (werk)-boek, vooral voor het werken met kinderen vanaf zeven jaar, en biedt waardevolle tips en inzichten voor therapeuten.

tekst: Rianne van Kesteren

ACT met kinderen: De praktische toepassing van Acceptance en Commitment Therapie bij 5- tot 12-jarigen (2023) van Tamar D. Black is een uitgave van Boom.

 

Marionettenbestaan

In zijn historische jeugdroman Kermiskind neemt Jacques Vriens (1946) je mee naar Nederland honderd jaar geleden. Het is 1925, de Titanic is net gezonken, hagelslag en de stomme film zijn nieuwigheidjes. Voor ieders vermaak trekken er kermiswagens rond, van dorp naar dorp. Met een zweefmolen, vlooientheater en spookhuis.

Rosa (13) staat met haar familie – vader, moeder, oma, oom en tante – op de kermis met theater Vonkestein. Ze speelt al van kleins af aan mee, maar met steeds meer tegenzin. Past ze eigenlijk wel op de planken? Als een echte puber verzet Rosa zich tegen haar ‘marionettenbestaan’. Ze wil niet langer de rollen spelen die haar vader opdraagt, op een manier zoals hij het wil.

Rosa’s beste vriend is Teunis (18), de enige medeacteur buiten de familie. Hij speelt veel vrouwenrollen, tot groot plezier van het publiek. Als Rosa Teunis ziet zoenen met Wolter – ze wist niet dat dat kon! – legt hij uit wat homoseksualiteit is. En dat hij volgens artikel 248bis van het wetboek van strafrecht niet met een jongen mag zoenen, omdat hij nog geen 21 is. Rosa en haar vrijgevochten
oma maakt het niet uit. Maar oom Gerrit noemt Teunis ‘mietje’ en wil van hem af.

Wil je weten of het de twee kermiskinderen lukt om zichzelf te mogen zijn? Lees dan dit spannende boek, het liefst met de hele klas. Kermiskind is geschikt voor kinderen vanaf tien jaar. Er is ook
een lesbrief. https://bit.ly/3ZihFZ5

tekst: Annemiek Haalboom

Kermiskind (2024) van Jacques Vriens is een uitgave van Van Holkema & Warendorf.

 

Meer dan een dossier

Bijzonder, dit boek over de levens van kinderen die in de jaren ’90 naar school gingen op de Pionier, behorend bij het toenmalige Paedologisch Instituut (PI) in Duivendrecht. Ik woonde er destijds, als student op kamers, een paar honderd meter vandaan.

De klas van meester Wilfred, geschreven door diezelfde meester samen met oud-collega Henk Fibbe, biedt een inkijkje in de levens van de kinderen die bij hem in de klas zaten. Dertig jaar na dato begonnen de auteurs een zoektocht naar deze kinderen. Hoe is het hen vergaan en hoe kijken ze terug op de periode bij het PI? Met tien kinderen van toen hebben ze gesprekken gevoerd. Het levert indringende portretten op, gevangen in verhalen over de periode voor, op en na het PI. Verhalen over misstanden en afhankelijkheid, over twijfel en verdriet, maar ook over ontwikkeling en perspectief.

Zoals de jongen voor wie de plaatsing bij het PI niet de eerste is, en verzucht dat het nooit went. Vreemde mensen, vreemde kamers, vreemde afspraken, het is zo anders dan thuis. Het enige wat steeds hetzelfde blijft is hijzelf. Of het meisje dat het niet zo heeft op hulpverleners. Ze heeft het gevoel dat zij alleen op afspraak in haar geïnteresseerd zijn. Voor hen is ze werk, ze krijgen geld om met haar te praten. Juist de terugblik van de kinderen zelf maakt dit boek waardevol. Hun woorden zeggen meer dan een dossier.

tekst: Marleen Baeten

De klas van meester Wilfred. ‘Als je leven een dossier is’ (2024) van Wilfred Woutersen en Henk Fibbe is een uitgave van St. Fibbe Studie Centrum voor Leerontwikkeling.

 

Emotioneel veerkrachtige leerkrachten

Femke Klomp (onderwijsadviseur, trainer en coach) en Maaike Steeman (gezondheidszorgpsycholoog) laten onderwijs, psychologie en gedragswetenschap samenvloeien in Psychologische flexibiliteit in het onderwijs. Hun boek over acceptance- en commitmenttraining (ACT) voor het onderwijs gaat vooral over hoe je als leerkracht met behulp van ACT allereerst zélf bewuster en veerkrachtiger kunt omgaan met jouw eigen emoties en kwetsbaarheden. Vervolgens komt ACT met leerlingen aan bod.

Er is veel aandacht voor de theoretische onderleggers van veerkracht, emotieregulatie en van ACT. Vervolgens maken de auteurs de koppeling met de dagelijkse praktijk van het omgaan met (emoties van) leerlingen in de klas. Er zijn veel praktijkvoorbeelden, oefeningen en ‘hoe zit dat bij jou’-opdrachten, die direct toepasbaar zijn. Een grote kracht van het boek is dat de rol van het zelf – wat breng jij mee als leerkracht? – uitgebreid aan de orde komt. Waardevol, want als je je eigen emoties en kwetsbaarheden (h)erkent, kun je uiteindelijk veerkrachtiger omgaan met je leerlingen. En ze zo helpen om op te groeien tot emotioneel veerkrachtige volwassenen.

De lezer moet er wel tijd en energie in willen steken, want veel oefeningen vragen een grote mate van zelfreflectie. Geen boek om even snel door te bladeren dus. Maar gezien de theoretische onderbouwing en de praktische toepasbaarheid is het een inzichtelijk en functioneel boek. Niet alleen voor leerkrachten, maar zeker ook voor andere onderwijsprofessionals zoals orthopedagogen.

tekst: Aafke Peeten-de Klein

Psychologische flexibiliteit in het onderwijs. Doen wat werkt met hart en ziel. Acceptatie- en commitmenttraining (2020/2024) van Maaike Steeman en Femke Klomp is een uitgave van SWP

de hoogleraar


 

‘Jaren geleden zijn we al overgestapt op single case-designs’

Evelien Poelen is per 1 mei benoemd tot bijzonder hoogleraar ‘Gepersonaliseerde zorg bij mensen met een licht verstandelijke beperking’. De leerstoel is een samenwerking van de Radboud Universiteit in Nijmegen en Pluryn, een landelijke organisatie voor hulp aan jongeren, volwassenen en hun gezinnen op het gebied van gehandicaptenzorg en jeugdhulp.

 

Lees meer
Evelien Poelen

Gefeliciteerd met je benoeming tot hoogleraar binnen de pedagogische wetenschappen. Om meteen maar met de deur in huis te vallen, je bent van huis uit gezondheidswetenschapper. Hoe verhoud je je tot de pedagogiek?

“Eigenlijk zit ik er tussenin. Ik ben geen pedagoog, maar direct na mijn afstuderen ben ik wel als promovenda pedagogische wetenschappen in Nijmegen terechtgekomen. Wat mijn beeld was bij de studie gezondheidswetenschappen is wat ik ben gaan doen. Toen ik ging studeren wist ik al dat ik graag achter de schermen in de zorg wilde werken, zonder zelf de hulpverlener te zijn. Na mijn
promotieonderzoek voelde ik opnieuw de drang om bij de zorg terecht te komen. Interventieontwikkeling was een belangrijk thema in de opleiding en daar ben ik ook in mijn werkende leven bij Pluryn veel mee bezig geweest.”

Hoe zorg je als onderzoeker voor de verbinding met de praktijk?

“Behandelaars bij Pluryn zijn elke dag al bezig met gepersonaliseerde zorg: wat heeft mijn cliënt nodig en hoe pas ik mijn handelen daarop aan? Wij sluiten daar in ons onderzoek bij aan. Pluryn heeft al jarenlang een eigen onderzoeksafdeling. Met deze leerstoel verbinden we Pluryn aan de Radboud Universiteit en versterken we de verbinding tussen wetenschap en praktijk.

Er wordt gekeken waar binnen de organisatie behoefte aan is, welke vragen er uit het veld komen. We kunnen onderzoek doen dat echt belangrijk is voor onze doelgroep en onze werknemers. Gedragswetenschappers zijn daarbij voor ons belangrijke sparringpartners. Onlangs heeft orthopedagoog-generalist Sanne de Baaij aangeklopt voor promotieonderzoek om zich door te kunnen ontwikkelen als scientist-practitioner. Dat zijn leuke projecten.”

Ik herinner me uit de studie pedagogische wetenschappen, als het om onderzoek ging, een focus op randomized controlled trials (RCTs), meta-analyses, grote studies. Voor jou is de N=1-studie belangrijk. Kun je dat toelichten?

“Ja, ik ben zelf ook grootgebracht met dat soort grote effectstudies. Bij Pluryn kwam ik erachter dat voor het toetsen van effectiviteit van interventies iets anders nodig was. Onze cliënten laten een samengaan van meerdere vormen van complexe gedragsproblematiek zien. Als je een RCT hebt waarin je een grote groep voor en na de interventie volgt, komt daar een gemiddeld effect uit, daar zijn zij niet mee geholpen.

Er is bij Pluryn vaak sprake van intensieve zorg, er zijn geen gigantisch grote groepen om te vergelijken en het is ook niet ethisch verantwoord om mensen omwille van het onderzoek op een wachtlijst te plaatsen. Jaren geleden zijn we daarom al overgestapt op single case-designs met een experimentele opzet, waarin een base line-fase gevolgd wordt door een interventiefase. Omdat je de cliënt eerst een periode volgt zonder en daarna mét interventie, kun je kijken of er verandering optreedt die te verklaren is door die interventie.

Een mooi houvast voor mij was een artikel van Heckler en collega’s van een paar jaar geleden.1 Dat artikel laat zien dat een small case paradigm veel dichter tegen de hulpverlening aan zit. Al ons onderzoek start vanuit het helpen van individuen, van daaruit kun je mechanismen ontrafelen en kennis generen die ook van toepassing is op anderen.”

En wil je daar in de opleiding ook wat in veranderen?

“In Nijmegen heeft dat al een plek in het curriculum. Er is een methode- en statistiekvak waarin individuele verandering en dynamische systemen worden behandeld. In het werkveld kom ik het ook meer tegen. Ik begeleid een klinisch psycholoog en zij vertelde dat in haar onderzoeksgroep steeds meer single caseonderzoek wordt gedaan. Dus het vindt steeds meer z’n weg. Een belangrijke steun in de rug was dat in de richtlijnen van Vilans en het NJi werd opgenomen dat niet alleen RCT’s, maar ook tien goed uitgevoerde single case-studies een sterke bewijskracht vormen in het erkenningstraject van nieuwe interventies.”

Kun je een voorbeeld geven van onderzoek binnen gepersonaliseerde zorg?

“Promovendus Daan Hulsmans deed een studie naar een cliënt met ernstig zelfbeschadigend en suïcidaal gedrag, waar ook agressie bij kwam kijken. Voor dit onderzoek heeft de cliënt ruim 500 dagen lang een dagboek bijgehouden. Het dagboek bijhouden is ook onderdeel van de dialectische gedragstherapie, aan de hand daarvan kijk je dan terug met je cliënt. Om de context mee te nemen hebben we de dagrapportages gebruikt die de medewerkers op de
groep bijhouden.

We hebben gevonden dat bij dit ‘moeilijk verstaanbaar gedrag’ geen directe relatie te vinden is tussen de meest aannemelijk geachte oorzaken (zoals trauma herbeleven, hallucineren, pijn ervaren, ziek zijn, negatieve stemming, familiaire spanningen) en gedrag. Het gedrag is dus niet te voorspellen of aan te zien komen. Dat maakt het complex, het is heel lastig om grip te krijgen op hoe het gaat met je cliënt.

Bemoedigend is dat we vonden dat er op de dag na therapie minder zelfbeschadiging voorkwam. Terwijl dit op dagen waarin onvrijwillige zorg toegepast werd juist meer voorkwam. Er wordt daarom ook ingezet op het verminderen van dwangmaatregelen, onvrijwillige zorg en het intensiveren van psychologische therapie.”

Hoe kun je mensen goed helpen als je niet weet wat de aanleiding tot bepaald gedrag is?

“Dat is lastig natuurlijk. In een ander project, dat ik samen met Sanne de Baaij uitvoer, kijken we naar het opbouwen van spanning bij cliënten. Dat herkennen cliënten zelf niet altijd en is aan de buitenkant ook niet altijd te zien. Hierdoor lijkt het plotseling op te komen. Wellicht dat met fysiologische meting betere signalering mogelijk is, cliënten dragen daarvoor een ‘slimme sok’ die door middel van huidgeleiding aangeeft dat spanning wordt opgebouwd. We verwachten dat deze slimme sok een extra bron van informatie zal zijn, waarmee we onze signaleringsplannen kunnen verbeteren.”

Tot slot. Vind je dat LVB voldoende aandacht krijgt in de opleiding?

“Het interessante is dat het wel vaak over gedragsproblemen gaat, maar niet zozeer over de doelgroep die ook een verstandelijke beperking heeft. Ik heb gemerkt, in de eerste jaren dat ik bij
Pluryn werkte en bijvoorbeeld scriptiestudenten begeleidde die bij ons onderzoek wilden doen, dat studenten verbaasd enthousiast werden bij de kennismaking met de doelgroep. Dat is voor mij
een belangrijke motivatie, die studenten orthopedagogiek zien wij natuurlijk graag als onze toekomstige gedragswetenschappers.”

tekst: Bart van Gent


  1. Why we need a small data paradigm (2019), Eric B. Hekler e.a.

opvoeders van nu


 

Mockingbird

‘Zoals spotlijsters vogelgezang imiteren, zo leren pleegouders van elkaar’

Mockingbird is een nieuwe werkwijze in pleegzorg. Pleeggezinnen die bij elkaar in de buurt wonen, vormen een netwerk voor onderlinge ondersteuning. Het doel is de stabiliteit in pleegzorg te bevorderen en overplaatsingen te voorkomen.

Roza Freriks en Maaike Rawie van Ondersteuning Pleeggezin, de stichting die Mockingbird implementeert in Nederland, vertellen over hun ervaringen.

Lees meer

Kleindochter Sarah ziet het meteen voor zich als ze de tekening voor dit artikel maakt. Mockingbird kinderen wonen volgens haar in verschillende vogelnesten in dezelfde boom, met één nest in het midden. Zo zijn ze dicht bij elkaar en groeien ze samen op. Een mooie metafoor voor de Mockingbird werkwijze,1 die sinds 2022 in Nederland in pleegzorg wordt toegepast.

De werkwijze komt uit Amerika en is ook ingezet en onderzocht in onder meer Engeland en Australië. Onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut laat zien dat de eerste ervaringen in Nederland positief zijn.2

Spotlijster

Wat is Mockingbird en heeft de naam een bepaalde betekenis? Dat vraag ik aan Roza Freriks, programmamanager, en Maaike Rawie, implementatiecoördinator van Mockingbird op het kantoor van Ondersteuning Pleeggezin in Utrecht.

Een mockingbird is een spotlijster die het gezang van andere vogels kan imiteren, vertellen ze. Vertaald naar pleegzorg: pleegouders kunnen van elkaar leren en dat is precies wat de werkwijze beoogt.

Roza: “Bij Mockingbird worden meerdere pleeggezinnen aan elkaar gekoppeld in een soort familienetwerk, zodat ze elkaar onderling kunnen helpen en ondersteunen. Zo’n netwerk noemen we een constellatie.

Binnen zo’n constellatie staat het hubhome centraal, hier wonen ervaren pleegouders die minimaal twee logeerplekken beschikbaar hebben. De zes tot tien pleeggezinnen eromheen noemen we satelliet pleeggezinnen.”

Maaike vult aan: “De gezinnen wonen dicht bij elkaar. Als het bijvoorbeeld moeilijk gaat in een van de pleeggezinnen, kan een pleegkind even bij het hubhome logeren. Terwijl het wel naar zijn eigen school blijft gaan en met zijn vriendjes kan spelen.”

 

Helden

Een stevig netwerk is voor alle opvoeders belangrijk en zeker voor pleegouders.

Roza: “Pleegouders lopen tegen allerlei uitdagingen aan. Ze zorgen voor pleegkinderen die trauma’s hebben meegemaakt in hun eerste levensjaren. Mensen om hen heen begrijpen dat niet altijd. Soms hebben ze zoiets van ‘je hebt toch zelf voor pleegzorg gekozen?’. Of pleegouders worden gezien als helden die het vast heel zwaar hebben. Bij Mockingbird bestaat het netwerk uit pleeggezinnen die allemaal de specifieke ervaringen van pleegzorg kennen. Daardoor gaan de pleegouders gelijkwaardig met elkaar om.”

Maaike: “Zet pleegouders bij elkaar en je krijgt een soort chemie. Ze hoeven de ander maar aan te kijken en ze begrijpen elkaar al. Dat is bij mensen die pleegzorg niet kennen toch anders. Die herkenning en erkenning is uniek en dat vinden ze bij Mockingbird.”

 

Maaike Rawie

Stabiliteit

In Nederland worden pleegkinderen vaak overgeplaatst.3 Het voorkomen van overplaatsingen en zo stabiliteit bevorderen is het belangrijkste doel van Mockingbird.

Roza: “Er zijn helaas te veel breakdowns in pleegzorg, dat zijn ongewenste, voortijdig afgebroken plaatsingen. Het is verdrietig voor de pleegkinderen, die naar een nieuwe plek moeten. Iedere keer dat banden worden doorgeknipt is dat pijnlijk en schadelijk voor een kind. En wat doet het met volwassenen als ze zo opgroeien als kind? Daarnaast is het voor de pleegouders verdrietig omdat ze er met de beste wil aan begonnen waren. Mogelijk stoppen ze helemaal met pleegzorg.”

Er komen al positieve signalen uit de praktijk dat Mockingbird de stabiliteit in pleeggezinnen bevordert. Roza: “Een pleegouder vertelde dat het opvoeden heel pittig is, maar gelukkig kan het pleegkind af en toe logeren in het hubhome. En iemand zei: ‘de andere pleeggezinnen begrijpen waar ik doorheen ga, waardoor het net iets beter te dragen is.”’

Deze positieve signalen sluiten aan bij een conclusie uit het onderzoeksrapport van het Verwey-Jonker Intituut (pagina 40): ‘De cohesie binnen de Mockingbird constellatie is duidelijk naar voren gekomen. Er heerst een sterk gevoel van gemeenschap, waarbij de deelnemers duidelijk aangeven bij elkaar te horen. De groep vertoont veerkracht in moeilijke tijden en er is sprake van onderlinge betrokkenheid.’

Hubhome

De eerste Mockingbird constellatie is samen met pleegzorgaanbieder iHub pleegzorg & gezinshuizen (voorheen Horizon) in Zuid-Holland opgetuigd. Binnenkort starten Combinatie Jeugdzorg in Noord-Brabant en Pactum in Limburg. Daarna volgen Enver in Zuid-Holland en iHub samen met WSGV in Rijnmond. Het starten van een constellatie begint altijd met het vinden van geschikte hubhome pleegouders.

 

Maaike: “Hubhome pleegouders zijn ervaren pleegouders die het leuk vinden om hun ervaringen te delen en anderen praktisch te ondersteunen. Ze hebben logeerruimte in hun huis en ze hebben ruimte in hoofd en hart. Dat wil zeggen dat ze niet midden in een crisisplaatsing zitten of problemen hebben die aandacht vragen. Het zijn verbinders en kartrekkers. Met veel enthousiasme organiseren ze maandelijkse bijeenkomsten en extra activiteiten voor het hele netwerk. Ze zorgen ervoor dat het hubhome een vertrouwde omgeving is voor alle kinderen, zowel de pleegkinderen als de eigen kinderen van pleegouders.”

Voor de maandelijkse activiteit beschikt de constellatie over een budget. Roza: “Ze beslissen zelf wat ze ermee doen. Ze kunnen bij elkaar komen in het hubhome voor een spelletjesmiddag en samen eten. Of ze sparen voor all you can eat sushi en huren een keer bootjes met z’n allen.”

 

Roza Freriks

Spontane acties

Volgens het Mockingbird gedachtegoed blijft het niet bij die ene maandelijkse activiteit. Dat blijkt ook uit de praktijk.

Maaike: “Het hubhome investeert in een-op-eencontacten met pleegouders en activiteiten voor de kinderen. In de eerste constellatie komen een paar meiden bijvoorbeeld geregeld naar het hubhome om samen de paarden te verzorgen. En er zijn spontane acties. Zo hadden de hubhome ouders op een zomerse dag een berichtje gestuurd: ‘Alle kinderen zijn vandaag welkom, het zwembad staat op.’ Uiteindelijk waren alle pleegkinderen er. Maar ook alle pleegouders, en die gingen niet meer weg! Ze hadden een heerlijke dag met z’n allen.”

Hubhome pleegouders investeren in de relatie, vertelt Maaike. “Wat je wil bereiken is dat pleegouders vanuit de relatie hulp vragen. De drempel is laag. Je kunt hubhome pleegouders vergelijken met een opa en oma waar je een goede band mee hebt. Als je het even zwaar hebt, bieden zij hulp aan of je voelt de ruimte om die hulp te vragen.”

De ondersteuning komt niet alleen van de hubhome pleegouders. Roza: “Het hubhome heeft een belangrijke functie, zeker in het begin. En daarna blijven zij de spil om activiteiten aan te zwengelen en de basis om op terug te vallen. Maar net als in een familie leren ook de satelliet pleeggezinnen elkaar steeds beter kennen. Ze whatsappen en drinken samen koffie. De kinderen worden vriendjes, gaan bij elkaar logeren, of zitten op dezelfde school. Ze zijn er voor elkaar wanneer dat nodig is. Op die manier wordt het hele netwerk veerkrachtiger.”

Brandjes blussen

Voor professionals betekent Mockingbird een andere manier van werken. Waar vaak het professionele systeem leidend is binnen jeugdzorg, staat bij Mockingbird informele zorg vanuit de constellatie voorop. Wel kunnen ze daarbij rekenen op de pleegzorgorganisatie. De begeleiding van de hubhome pleegouders en de gezinnen in de constellatie is in handen van een Mockingbird begeleider. Meestal is dat een pleegzorgbegeleider die de taak van Mockingbird begeleider erbij krijgt.

Voor de pedagoog die er als gedragswetenschapper bij betrokken is, verandert ook iets.

Maaike: “Gedragswetenschappers zijn nu nog vaak bezig met het blussen van brandjes in pleeggezinnen waar het moeilijk gaat. Bij Mockingbird zien we dat er veel meer door het netwerk zelf wordt opgelost. De gedragswetenschapper is er dan voor specialistische vragen. Zo heeft een constellatie een keer de gedragswetenschapper uitgenodigd om het te hebben over een pedagogisch thema: hoe komt het dat kinderen soms liegen en wat kunnen we er als opvoeders aan doen? De gedragswetenschapper krijgt dus minder dagelijkse problemen en meer inhoudelijke vragen.”

Roza: “Dat geldt ook voor de Mockingbird begeleider. Die kan iets meer afstand houden van dagelijkse beslommeringen omdat het netwerk veel van dat soort kwesties onderling opvangt. Aan de andere kant ervaren ze meer nabijheid in het contact met pleegouders, omdat ze bijvoorbeeld bij de maandelijkse bijeenkomsten van de constellatie zijn.”

Voordelen

Er zijn veel positieve reacties, al hoeft Mockingbird niet bij iedereen te passen.

Roza: “Het komt voor dat pleeggezinnen aangeven dat zij het zelf niet nodig hebben. Bijvoorbeeld omdat ze al veel ervaring met pleegzorg hebben of over een goed netwerk beschikken. Toch zeggen deze pleegouders dan vaak: ‘hadden wij dat maar gehad toen we startten met pleegzorg.’”

De praktijk laat de voordelen van Mockingbird zien voor pleegkinderen en pleegouders. Zo besloot een van de pleeggezinnen om ook het broertje van de pleegzoon in hun gezin op te nemen, omdat er zoveel steun vanuit de constellatie werd ervaren. Een ander pleeggezin had een crisisplaatsing. De bijeenkomsten bij het hubhome hebben dit meisje geholpen om het pleegkind-zijn te normaliseren. Nu heeft ze er een paar goede vriendinnen bij. Pleegkinderen geven aan het fijn te vinden dat ze niet hoeven uit te leggen waarom ze niet meer bij hun ouders wonen.

tekst: Femmie Juffer
tekening: Sarah Bouwman (10 jaar)

verder kijken
Pleegmoeder Helena vertelt in 1 minuut wat Mockingbird voor haar betekent.

  1. Mockingbird werkwijze: https://mockingbirdnederland.nl/
  2. Karin van Bemmel, Mehmet Day, & Donya Yassine (2024). Mockingbird werkwijze in Nederland. Verwey-Jonker Instituut. www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2024/04/222330 Mockingbirdwerkwijze-Nederland.pdf
  3. www.pleegzorg.nl/bibliotheek/1-wat-is-pleegzorg/37-feiten-en-ijfersover-pleegzorg

juridische en beroepsethische vragen


 

Een geheim in de hulpverlening

De moeder van Peter (45 jaar) belt met Monique, pedagoog en behandelaar van Peter. Ze vertelt dat ze zich zorgen maakt over het drank- en drugsgebruik van Peter, maar dat hij dat niet mag weten.

 

Lees meer

Als pedagoog heb je een dossierplicht en leg je vast wat noodzakelijk is voor de kwaliteit en continuïteit van de behandeling van Peter (art. 31 NVO beroepscode). Als iemand belt met informatie over Peter die van belang is voor de behandeling, dan moet je uitleggen dat deze informatie, inclusief bronvermelding, wordt vastgelegd in het dossier en besproken met Peter. Meestal kun je deze werkwijze vooraf toelichten, wanneer iemand vraagt om een (telefonische) afspraak. Als er naasten zijn betrokken bij de hulpverlening, kun je hen dit bij de start vertellen. Wie informatie wil verstrekken, kan dan een afweging maken of hij dat onder deze voorwaarden wil doen.

Belang

Soms word je verrast door een telefoontje, mail of brief en heb je de kans niet om dit tevoren uit te leggen. Afhankelijk van het belang van de informatie kies je je handelwijze. Bij gering belang kun je bijvoorbeeld de optie aanbieden om de mail als niet verzonden te beschouwen. Bij groot belang is het zorgvuldig om te benoemen dat dit niet geheim gehouden kan worden voor de cliënt. Wel kun je dan eventueel bespreken op welke manier en op welk moment de informatie met de cliënt te delen, rekening houdend met de reactie die dit kan losmaken. Zijn er grote zorgen over de veiligheid, dan is het van belang om te wijzen op de mogelijkheid contact op te nemen met Veilig Thuis.

Toegang tot dossier

Peter vertelt aan Joost (begeleider) dat hij regelmatig veel drinkt en ook drugs gebruikt. Peter wil niet dat Joost dit vermeldt in het dossier of deelt met de gedragswetenschapper van het team.

Ook hier geldt dat de begeleider vastlegt in het dossier wat ‘noodzakelijk is voor goede hulpverlening’ aan Peter (artikel 7:454 lid 1 BW). Het is dus niet Peter die beslist welke informatie wordt vastgelegd, maar Joost.

 

Vastleggen in het dossier betekent ook dat de professionals die betrokken zijn bij de hulpverlening aan Peter hiervan kennis kunnen nemen. Bij de aanmelding van Peter is verteld hoe er wordt gewerkt – bijvoorbeeld in een team van begeleiders en een gedragswetenschapper – en wie toegang heeft tot het dossier (artikel 18 NVO beroepscode). De professionals die rechtstreeks betrokken zijn bij dezelfde hulpverlening aan dezelfde cliënt hebben geen toestemming nodig voor het verkrijgen van inlichtingen over de cliënt of voor inzage in het dossier (artikel 26 NVO beroepscode, artikel 7:457 BW).

Ook in deze situatie moet Joost beoordelen wat het belang is van de informatie voor de hulpverlening en of dit daadwerkelijk vastgelegd moet worden. Afhankelijk van de ernst van de situatie/informatie kan hij besluiten nog even de tijd te nemen om Peter te motiveren om informatie toch te delen, zodat de vertrouwensband niet wordt beschadigd. Ook kan Joost besluiten – na zorgvuldige afweging – om toch de gedragswetenschapper te informeren.

tekst: Mirthe Maessen


Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt
op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.

young professionals


 

Waar werk jij?

Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ’Waar werk jij?’ een kijkje in de verschillende keukens. Dit keer bij Eefje Groot Koerkamp, (26), sinds begin 2022 werkzaam in de ggz.

 

Lees meer
Eefje Groot Koerkamp

Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?

“De poli Zorg en Onderwijs van Yulius1 behoort tot de specialistische ggz. Binnen onze polikliniek helpen we jeugdigen die vastlopen op school en complexe psychische problemen ervaren. De doelgroep is heel divers. Zo helpen we kinderen en jongeren met uitdagingen op het gebied van aandacht en concentratie of emotieregulatie, jeugdigen die selectief praten (bijvoorbeeld niet op school, maar wel thuis), maar ook jongeren met een sombere stemming die soms nare levenservaringen hebben meegemaakt. Vanuit de poli vinden we het belangrijk om de hele context waarin de jeugdige leeft te betrekken, om die reden bieden we ook ondersteuning aan ouders of scholen.”

Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?

“Je ziet een bepaald aantal kinderen en jongeren voor diagnostisch onderzoek of behandelgesprekken. Binnen de poli Zorg en Onderwijs doen we vaak uitgebreid neuropsychologisch onderzoek en maken we een sterkte- en zwakteanalyse. Zo brengen we de krachten, maar ook de uitdagingen van een kind in kaart en dat geeft meer inzicht voor ouders en school om te voorzien in de ondersteuningsbehoeften. We zijn altijd samen met andere collega’s van de poli betrokken bij een jeugdige en het systeem. Soms heb je als orthopedagoog de rol als coördinerend behandelaar, waarbij je het aanspreekpunt bent voor de jeugdige, ouders en school. Hoewel alle betrokken collega’s bij iedere jongere hun eigen verantwoordelijkheden hebben, heb je als coördinerend behandelaar ook de verantwoordelijkheid om het zorgplan met doelen bij te houden en bijvoorbeeld een terugkoppeling te geven na een zorgafstemmingsgesprek.”

Wat maakt dit werkveld zo leuk?

“Wat het werk in de sggz en specifiek onze afdeling zo leuk maakt, is dat we een outreachend multidisciplinair team zijn! We bieden over het algemeen diagnostiek en behandeling op school onder schooltijd, indien dat passend is natuurlijk. In sommige gevallen is het wenselijker om jeugdigen of het systeem te zien op de polikliniek voor behandeling of diagnostiek, dus dat bieden we ook. Bijvoorbeeld bij thuiszitters. Hierdoor kom ik op verschillende scholen in Rotterdam, Dordrecht en omgeving. Zowel op regulier als speciaal onderwijs en zowel op basis- als voortgezet onderwijs. Het is heel leuk om een indruk te krijgen van de verschillende typen en soorten scholen die er zijn. Doordat je regelmatig op de school van de jeugdige bent voor behandeling of omdat je bijvoorbeeld een klassenobservatie doet in het kader van onderzoek, weet je waar een jeugdige een groot gedeelte van de dag doorbrengt.

Ten tweede heb ik ondervonden dat collega’s enorm belangrijk zijn. Ik werk in een ontzettend leuk team met collega’s uit verschillende disciplines, zoals orthopedagogen-generalist, specialistisch ambulant behandelaren, psychomotorisch therapeuten, beeldend therapeuten, systeemtherapeuten, psychiaters, psychologen en dus orthopedagogen. Iedere collega heeft zijn eigen ervaring, kennis en visie en dat is heel waardevol en leerzaam.”

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?

“Als hulpverlener wil je de jeugdige helpen, maar met poliklinische zorg kan je niet ‘het kind fixen’. We zijn maar één à twee uur per week betrokken. Het is een uitdaging om het kind en zijn omgeving zó te ondersteunen, zodat ze zelfstandig verder kunnen en uitdagingen in hun leven zelfstandig kunnen aangaan. Daarnaast zijn kinderen en hun systeem vaak al eerder aangemeld geweest en zijn ze soms het vertrouwen in de hulpverlening verloren. Ik vind het een leuke uitdaging om echt naast de cliënt te staan, het contact aan te gaan en vertrouwen te winnen om zo – als passant in het systeem – de juiste ondersteuning te kunnen bieden.

Een specifieke uitdaging vanuit onze poli binnen de ggz is de verbinding en samenwerking met het onderwijs. Alleen op praktisch gebied zijn er al voldoende uitdagingen, zoals het werken in afzonderlijke registratiesystemen”

Welke mogelijkheden zijn er voor specialisatie of verdere opleiding?

“Als orthopedagoog kan je een postmasteropleiding doen, zoals orthopedagoog-generalist of gezondheidszorgpsycholoog. Dat is niet specifiek voor dit werkveld. Er zijn daarnaast nog veel andere opleidingen mogelijk. Zo kan je je verdiepen in bepaalde behandelvormen en therapieën zoals cognitieve gedragstherapie, acceptance en commitment therapy of bijvoorbeeld EMDR.

Ook kan je neuropsychologische scholing volgen om je kennis rondom diagnostiek te vergroten. Er zijn echt enorm veel bij- en nascholingsmogelijkheden.”

Hoe is de verhouding tussen directe cliëntenzorg en administratieve taken binnen dit werkveld?

“Het streven is om de helft van de tijd te besteden aan ‘directe cliëntenzorg’ en de andere helft aan administratie.”

Wat houdt directe cliëntenzorg binnen dit werkveld in?

“Bij ‘directe cliëntenzorg’ gaat het om het contact met de jeugdige, hun ouders of verzorgers. Bijvoorbeeld het contact tijdens een diagnostiekafname of behandelgesprek. Vaak is dit face-to-face, maar het kan ook contact via de telefoon zijn.”

Waarom zou jij dit werkveld aanraden aan andere pedagogen?

“Ik zou dit werkveld, de ggz, aanraden omdat je ervaring en kennis opdoet met jeugdigen met diverse uitdagingen. Daarnaast is er veel samenwerking met verschillende disciplines waar je ook weer veel van leert. Ook vind ik het leuk dat er binnen de poli Zorg en Onderwijs extra aandacht is voor de context van het kind, zodat je ook met de omgeving kan meedenken hoe ze het beste kunnen aansluiten bij de jeugdige.

Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit specifieke werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je hier een loopbaan kiest?

“Naast de vaardigheden voor diagnostiek en behandeling, is het belangrijk dat je zelfstandig kunt werken, kan plannen en organiseren en je verantwoordelijkheid daarin neemt. Het outreachende karakter van deze poli vraagt ook om flexibiliteit en creativiteit, om bijvoorbeeld behandeling vorm te geven op de verschillende plekken waar je komt.

Soms is het goed om ook in te spelen op de situatie die zich op school voordoet of heeft voorgedaan die dag. Door de vele mensen waarmee je schakelt, zoals naast jeugdigen, ouders en scholen, maar ook vaak een jeugd- of wijkteam, samenwerkingsverbanden of andere betrokken hulpverleners en collega’s, is het ook enorm belangrijk om goed te kunnen samenwerken en communicatieskills te hebben.”

tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters


Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com

  1. Yulius is een organisatie die psychische problemen behandelt en ondersteunt bij kinderen, jongeren en volwassenen in de regio’s Rijnmond en Zuid-Holland Zuid. www.yulius.nl

 

Ledennieuws: Blijf verbonden en op de hoogte


 

De NVO doet ook aan triple helix

Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.

 

Lees meer

Wanneer ik dit schrijf is het hartje zomer. Bijna iedereen is op vakantie of keert langzaam terug en tot mijn grote vreugde kan ik me sinds lange tijd weer volledig onderdompelen in een boek! Heerlijk wegdromen met het verhaal van de schrijver. Dat is namelijk wel even geleden. Ik heb mijn bul afgelopen juli in ontvangst mogen nemen; mijn studie bestuurskunde zit erop. Het thema van mijn scriptie ging over triple helix samenwerkingen in de regio (samenwerking tussen overheid-ondernemers-onderwijs/onderzoeksorganisaties). Mijn onderzoek richtte zich op factoren die van belang bleken in deze samenwerking.

Inmiddels ben ik tien maanden werkzaam voor de NVO en ook de NVO werkt eigenlijk triple helix. ‘Triple’ staat weliswaar voor drie partijen, maar in grote lijnen komt het wel overeen. We werken samen met een aantal ministeries, universiteiten én collega-(beroeps) en branche-organisaties. Mij is opgevallen dat de factoren die van belang zijn bij een triple helix, ook gelden voor de samenwerkingen waar de NVO mee te maken heeft.

Ik noem er vier. Vooral een heldere probleemdefinitie, een gezamenlijk gedragen agenda en daaruit voorvloeiende doelen onder leiding van een bezielende voorzitter bepalen het succes van de samenwerking. Dit klinkt waarschijnlijk heel logisch, maar de praktijk is soms wat weerbarstiger… Ik ben er na deze vakantie weer helemaal klaar voor!

Judy Hoffer
directeur NVO

op de werkvloer


 

Behaviour support practitioner in Melbourne

 

Lees meer
foto: Elio Rulli, Studio House Photography

NVO-lid Nicolette Floor-Ginjaar (36) werkt sinds 2011 als orthopedagoog in de gehandicaptensector, het laatste jaar in Australië.

“Tien jaar geleden maakte ik een wereldreis met mijn man, waarvan drie maanden in Australië. We besloten er ooit te gaan wonen en werken.”

“Toen de covid-maatregelen afnamen, heb ik gesolliciteerd als behaviour support practitioner bij een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking, St. John of God Accord in Melbourne. We woonden nog in Nederland, alles ging digitaal. Vorig jaar zijn we met onze twee kinderen geëmigreerd.”

“In mijn werk ben ik betrokken bij cliënten met gedragsproblemen en meestal ook beperkende maatregelen. Het ultieme doel is om die maatregelen te stoppen natuurlijk. Dat doe ik door meer kwaliteit aan het bestaan van cliënten toe te voegen, bijvoorbeeld door te tuinieren.”

“Er zijn veel verschillen in de gehandicaptenzorg. In Nederland krijgt een cliënt alle zorg van één instelling: ergo-, logo-, fysiotherapeut, orthopedagoog en begeleiders van de woning. In Australië kan die zorg van verschillende instellingen komen. Voor alle cliënten werk ik dus met verschillende zorgteams.”

“Een discipline die ik erg mis is de AVG, de Arts voor Verstandelijk Gehandicapten. In Australië is de huisarts betrokken en soms een psychiater. Zij zijn echter vaak niet gespecialiseerd in de problematieken van mensen met een verstandelijke beperking.”

redactioneel

 

Op het spoor gezet

Soms bepaalt een ontmoeting of een gebeurtenis welke kant je opgaat. In het openingsinterview vertelt traumaexpert Leony Coppens over de fysiotherapeut van Kevin, geboren met cerebrale parese en daardoor moeite met bewegen. Die vroeg wat Kevin zelf graag wilde. Voetballen! De therapeut zorgde dat Kevin, ondanks zijn beperking, bij een voetbalclub kwam, voetbalschoenen kreeg,
voetbalkleren en een tas. Later is Kevin voetbaltrainer geworden en dat leidde er uiteindelijk toe dat hij nu leerkracht is.

 

Lees meer

Tijdens haar studie in Duitsland kwam Jana Knot-Dickscheit als stagiaire bij een gezin waar al meerdere kinderen uit huis waren geplaatst. Ook het jongste kind moest voortijdig het nest verlaten. Ze herinnert zich nog levendig het drama voor de ouders en de enorme hulpeloosheid bij de hulpverleners. “Dat zou toch anders moeten en kunnen”, dacht ze. Inmiddels is Jana hoofd van het Expertisecentrum Gezinnen met meervoudige en complexe problemen.

Zes jaar geleden deelde orthopedagoog-generalist Marjolein Prenger, op een congres over Positieve Educatie aan de Universiteit Twente, de helft van haar workshop met kunstdocent Irma Smegen. Tijdens die workshop bleek dat niet alleen hun onderwerpen – mindfulness en yoga in de klas – goed bij elkaar pasten, maar zij zelf ook. Samen ontwikkelden ze een training en vorig jaar verscheen hun boek Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen.

In 2004 verhuisde Stijn Sieckelinck van België naar Nederland om daar aan zijn proefschrift te werken over jongeren en hun idealen. In dat jaar werd filmmaker Theo van Gogh vermoord, een paar straten verderop in Amsterdam. “Deze gebeurtenis heeft mijn proefschrift en mijn loopbaan gekleurd.” Inmiddels houdt Stijn zich al twintig jaar bezig met het onderwerp radicalisering en werkte hij mee aan de nieuwe Richtlijn Radicalisering voor de jeugdhulp en jeugdbescherming. “Radicalisering is heel vaak een vermomde hulpvraag”, legt hij uit in dit nummer
van de Pedagoog.

Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog

interview


 

‘Je hoeft geen therapeut te zijn om kinderen met trauma te steunen’

Volgens orthopedagoog Leony Coppens is het helemaal niet ingewikkeld om
de veerkracht van kinderen met trauma te vergroten. In haar boek ‘Iedereen
kan het verschil maken’ legt ze uit hoe je dat doet. Ze interviewde twaalf
‘overlevers’ over hun ervaringen als kind en wat hen heeft geholpen om weer
grip op hun leven te krijgen.

 

Lees meer
Leony Coppens

 

Leony Coppens (’s-Hertogenbosch, 1966) ontvangt me in haar eigen praktijk, hartje Den Haag, waar ze sinds 2016 traumabehandeling geeft aan kinderen, jongeren en de mensen om hen heen. Een ruime kamer, met uitzicht op een binnenplaatsje en een zonnig geel geschilderde muur.

Ze herinnert zich nog goed dat ze daar vorig jaar zomer buiten zat met Mellody (22), een van de overlevers die ze interviewde voor haar boek. Als jong meisje was Mellody twee keer bij haar in therapie wegens nachtmerries.

“De zon scheen. Ik vond het zo mooi om haar weer terug te zien na zoveel tijd. Dat gebeurt eigenlijk nooit. Ik weet ook nooit hoe het verder gaat met kinderen. Van haar wist ik via via toevallig wel dat ze in de gesloten jeugdzorg had gezeten en het een hele tijd steeds slechter is gegaan. We hadden het ook over de tijd toen ze bij mij kwam en ze zich verstopte onder tafel of ik haar soms echt kwijt was en zij de deur was uitgeglipt.”

Bronnen van veerkracht

Voor haar boek Iedereen kan het verschil maken, dat afgelopen juni uitkwam, interviewde Leony Coppens twaalf volwassenen die terugkijken op hun traumatische jeugdervaringen, hoe ze daar toch sterk zijn uitgekomen en welke steun hen daarbij echt verder heeft geholpen.

Mellody is de enige oud-cliënt. Andere kandidaten kwam ze op het spoor via collega’s, familie, vrienden en bekenden. Schrijver Israel van Dorsten kende ze al via een congres. Hij was bereid te vertellen over de jarenlange emotionele en fysieke mishandeling van hem en zijn broers en zussen, thuis in Ruinerwold. Hij schreef er een boek over, Wij waren, ik ben.

De interviews zoomen in op ieders veerkracht – zoals geloof in zichzelf, maar vooral steun van buiten. De bronnen van veerkracht staan puntsgewijs aan het eind van elk interview opgesomd. Mellody heeft er twaalf, waaronder muziek, motivatie voor haar opleiding, vriendschappen en steun van een lieve leraar die in haar geloofde.

 

Israel heeft nog steeds warm contact met een van de eerste politieagenten die hij ontmoette en met het gezin dat hem opving, na zijn ontsnapping uit de boerderij van zijn vader, nu vijf jaar geleden.

Herstellende ervaringen

De interviews illustreren mooi de andere hoofdstukken waarin Leony Coppens uitlegt wat trauma is, de impact van trauma en hoe je kunt reageren en kinderen steunen. Allemaal gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en vijfentwintig jaar ervaring als traumabehandelaar.

Ze realiseert zich al heel lang dat een uurtje traumatherapie in de week niet genoeg is. Dat het veel meer effect heeft als je ook de kracht weet te benutten van de volwassenen die dagelijks met een kind te maken hebben. In 2006 las ze het boek The boy who was raised as a dog, van de Amerikaanse kinderpsychiater Bruce Perry. In die tijd was ze hoofd behandeling van een kinder- en jeugdpolikliniek in Den Haag.

“In de polikliniek zijn we de gedragsproblemen waarmee kinderen waren aangemeld, meer gaan zien in het licht van wat ze hadden meegemaakt in plaats van als stoornis. Dat was toen een heel andere kijk. Na een paar jaar kwamen er alleen nog kinderen met problemen die gerelateerd waren aan traumatische ervaringen.”

“Ik herkende veel in wat Perry schreef. Hij benoemde het belang van veel herstellende ervaringen voor kinderen die al vroeg ik hun leven getraumatiseerd zijn. Je brein ontwikkelt zich op basis van ervaringen. Als je veel negatieve ervaringen hebt – het is niet veilig, anderen kunnen gevaarlijk zijn, jijzelf bent niet de moeite waard – dan heb je heel veel herstellende ervaringen nodig om nieuwe neurale verbindingen te maken in je brein. Méér dan de negatieve ervaringen die je hebt gehad. Een uurtje therapie is dan maar heel beperkt.”

 

Goud

In de polikliniek kwamen steeds meer kinderen die in pleeggezinnen of gezinshuizen opgroeiden.

“Ik dacht: die pleegouders hebben goud in handen om die herstellende ervaringen te bieden, maar dan moeten ze er wel meer over weten. Bijvoorbeeld dat kinderen die geleerd hebben dat ze niet de moeite waard zijn of dat opvoeders eigenlijk niet te vertrouwen zijn, net kunnen doen of ze niemand nodig hebben. Dat is veiliger. Dan kun je als opvoeder gaan denken dat kinderen je afwijzen, dat je iets verkeerd doet of dat ze zich alleen wel redden. Maar dat is niet zo. Wat ze nodig hebben zijn nieuwe ervaringen met andere mensen, die voor ze zorgen, de moeite waard vinden, beschermen en vertrouwen.”

Pleegouders en leerkrachten

Samen met een collega vertaalde Leony Coppens in 2012 een Amerikaanse training voor pleegouders, Zorgen voor getraumatiseerde kinderen. De volledig herziene versie1 komt begin volgend jaar uit en de training wordt inmiddels bij alle pleegzorgorganisaties in het land gegeven. Ook zijn er trainingen in België. Vier jaar later volgde het boek Lesgeven aan getraumatiseerde kinderen en bijbehorende training, voor het onderwijs.

“Voor pleegouders was het een eyeopener dat kinderen zich op een bepaalde manier gedragen door eerdere ervaringen. Dat het niet komt door iets wat zíj doen, maar omdat ze het eerder zo geleerd hebben. Dat kinderen niet jóu onbetrouwbaar vinden, maar álle volwassenen. Daardoor raken pleegouders ook minder makkelijk geraakt of gekrenkt door het gedrag van kinderen.”

“Toen ik daarmee bezig was, realiseerde in me dat kinderen vijf dagen per week op school zitten. Ik zag ook kinderen en leerkrachten die vastliepen. Vandaar dat boek over traumasensitief onderwijs, en op basis daarvan een training. Wat ik me niet helemaal had gerealiseerd, is dat onderwijs in vergelijking met pleegzorg gigantisch groot is. Er is veel vraag naar de training. Dus ik heb inmiddels een assistente en vijf mensen die ook trainingen geven. Zelf train ik alleen de trainers,
anders wordt het te veel. Ook omdat ik gewoon nog behandelaar ben en veel supervisie geef.”

Mantra

In haar nieuwe boek laat Leony Coppens zien dat niet alleen pleegouders en leraren, maar letterlijk iedereen het verschil kan maken. Soms zonder het zelf door te hebben. Zoals de politieagent die Martha (57) – als kind door haar moeder opgesloten in haar kamer – opvangt als ze op haar veertigste, ’s nacht in pyjama, haar tweede gewelddadige huwelijk ontvlucht.

Die agent zei: ‘Martha, voor jou lijkt het nu alsof je voor een heel hoge muur staat en jij denkt dat je daar nooit overheen komt. Maar geloof mij: jij gaat die muur steen voor steen afbreken en er komt een dag, dan stap jij daar overheen.’

Leony Coppens: “Zijn zinnen heeft ze sindsdien als een soort mantra herhaald als ze ’s avonds in bed lag. Een paar jaar geleden dacht ze: ‘ik ga over die muur stappen. Dat heeft die agent gedaan.’ Ik kreeg kippenvel toen ze dat vertelde. Die agent moest eens weten!”

Fysiotherapeut

Ze zou wel eens een bijeenkomst willen organiseren met al die mensen die misschien geen idee hebben hoe belangrijk ze zijn geweest. Zoals Peter, de fysiotherapeut van Kevin (38), geboren met cerebrale parese en daardoor moeite met bewegen. Kevin verloor zijn heroïneverslaafde vader door zelfdoding toen hij twee was. Hij was bang voor zijn moeder, met psychiatrische problemen en een verstandelijke beperking.

“Kevins fysiotherapeut in het revalidatiecentrum, Peter, vroeg wat hij zelf graag wilde en dat was voetballen. Hij zorgde dat Kevin, ondanks zijn beperking, bij een voetbalclub kwam, dat hij voetbalschoenen kreeg, voetbalkleren en een tas. Kevin is later voetbaltrainer geworden en dat heeft er uiteindelijk toe geleid dat hij nu leerkracht is. En een hele goeie, begrijp ik.”

Speciaal onderwijs

In haar boek schrijft Leony Coppens dat er pas sinds 2016 Nederlands onderzoek is naar wat kinderen zoal meemaken aan ingrijpende gebeurtenissen. De cijfers zijn schrikbarend. In het reguliere basisonderwijs heeft 54% van de kinderen tussen de één en drie ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt, en 35% vier of meer. In het speciaal onderwijs heeft maar liefst 77% van de kinderen vier of meer ingrijpende ervaringen opgedaan.

“Zo’n stapeling van verschillende ervaringen komt heel vaak voor, in mijn eigen praktijk gaat het om zo’n negentig procent. Bijvoorbeeld een ouder in detentie én een ouder met ernstige psychiatrische problemen én fysieke mishandeling én verwaarlozing. Er zaten in dat onderzoek ook kinderen met twaalf verschillende ingrijpende ervaringen. Er was niemand in het speciaal onderwijs die niets had meegemaakt.”

Het onderzoek2 – een effectmeting naar traumasensitief onderwijs- steunt haar hypothese dat deze kinderen niet toevallig op het speciaal onderwijs zitten, maar dat hun traumatische ervaringen en onbegrepen gedrag daarvoor juist de reden zijn.

“Nee, ik schrok niet van die cijfers, ik was blij dat ze er waren. Traumatische ervaringen zorgen ervoor dat leren en functioneren op school ingewikkelder is. Kinderen zijn voortdurend op hun hoede, gestrest, maar zijn zich daar niet van bewust. Je kunt niet goed leren als je weet dat je moeder thuis niet veilig is of je broertjes en zusjes. Het kan zijn dat je de hele boel op stelten zet, zodat je naar
huis gestuurd wordt om voor hen te zorgen. Of je wordt een ideale leerling, die overal mee wil helpen, zodat je complimentjes krijgt en langer op school kan blijven.”

 

Niks aan de hand

Het is moeilijk te herkennen dat kinderen zijn getraumatiseerd, hun gedrag kan allerlei vormen aannemen. Let vooral op de met-mij-isniks- aan-de-hand kinderen, waarschuwt Jeen (46), leraar op een middelbare beroepsopleiding, in het boek.

Zijn ouders hadden een alcoholprobleem, er was huiselijk geweld, zijn narcistische vader had altijd kritiek op Jeen en er waren schulden. Op school hadden ze niks door.

‘Maar ik deed ook alsof er niets aan de hand was en ik altijd blij was. Nu ik zelf leraar ben, ben ik erg alert op kinderen die ook altijd vrolijk zijn of blij ogen, omdat dit een manier kan zijn om te maskeren hoe ze zich echt voelen.’

Orthopedagoog

Haar twee zoons voelen zich echte Hagenezen, de jongste overweegt zelfs een tattoo van een ooievaar zoals in het gemeentewapen. Zelf groeide Leony Coppens op een boerderij in Brabant op, als jongste van vijf kinderen.

“Ik was een keer op pad met mijn moeder. Zij zat bij een katholieke vrouwenvereniging en die gaf een toneelvoorstelling bij een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Toen had ik al het idee: daar zou ik wel willen werken. Maar dan niet als iemand die hen verzorgt, maar als iemand die erover nadenkt hoe je hen kunt helpen. De moeder van een vriendin van mijn zus wist dat je dan orthopedagogiek moest gaan studeren.”

Ze koos voor Utrecht en studeerde in 1990 af in de richting ‘moeilijk
opvoedbaren’, zoals dat toen nog heette.

“Bij hoogleraar Kok leerde ik al dat het niet alleen om de behandeling gaat, maar dat de omgeving heel belangrijk is. Uiteindelijk ben ik klinisch psycholoog geworden, gespecialiseerd in traumabehandeling en het vergroten van traumasensitiviteit van de omgeving van kinderen. Dus in de basis toch een orthopedagoog. Het is bij uitstek onze rol om uit te leggen waarom kinderen met trauma doen zoals ze doen en handvatten te geven hoe je als omgeving die kinderen kunt steunen en hun veerkracht vergroten.”

Tips voor pedagogen

Wat kunnen pedagogen betekenen? Leony Coppens: “Focus niet alleen op de behandeling van traumaklachten met bijvoorbeeld EMDR en cognitieve gedragstherapie. Kijk ook hoe kinderen nieuwe ervaringen op kunnen doen, waardoor ze weer vertrouwen krijgen in zichzelf en in anderen. Kijk om te beginnen goed naar het netwerk van kinderen. Onderzoek en bezoek dat netwerk. Wie is er op school belangrijk voor een kind? Kun je die wat dikker in de verf zetten zodat ze een actievere rol gaan spelen? Je hoeft geen therapeut te zijn om kinderen met trauma te steunen.”

“Kijk ook naar de talenten van kinderen. Naar waar ze goed in zijn en plezier in hebben”, zegt ze. Zo is voor Kevin de voetbalclub een enorme steun geweest en heeft Jeen het onder andere gered door zijn liefde voor muziek, door het bandje waarin hij gitaar speelde en waar hij wél waardering kreeg en het gevoel ergens bij te horen.

 

Buurvrouw

Leony Coppens heeft nog steeds contact met de twaalf overlevers die ze interviewde voor haar boek. Als het even kan, neemt ze een van hen mee naar een boekpresentatie of congres. “Zij kunnen het beter vertellen dan ik.”

Het was niet haar doel, maar de interviews leverden ook iets op voor haar gesprekspartners. Vooral de vragen naar veerkracht. “Er schoot hen van alles te binnen waar ze steun aan hadden gehad. Ze ontdekten ook krachten in zichzelf, zoals discipline en open kunnen staan voor hulp. Deze zomer stond ik op een congres, samen met Jeen. Hij zei: ‘ik ben je helemaal vergeten te vertellen dat er ook nog een buurvrouw was waar ik altijd naartoe kon’.”

tekst: Annemiek Haalboom
foto: Annabel Oosteweeghel


Mellody en Martha heten in werkelijkheid anders.

Meer informatie: leonycoppens.nl

  1. De herziene versie verschijnt onder de nieuwe naam Traumasensitief opvoeden en begeleiden.
  2. Artikelen over het onderzoek vind je hier: www.traumasensitiefonderwijs.com/resultaten/artikelen

Boek cadeau

Van uitgeverij Ten Have mogen we drie exemplaren van Iedereen kan het verschil maken weggeven. Belangstelling? Stuur voor 21 oktober je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.

onderzoeksnieuws


 

Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.

 

Lees meer

De kracht van verbeelding

Veel jongeren kunnen wel iets leukers verzinnen dan lezen. Maar missen zij zo niet de voordelen van lezen? Zoals betere sociale vaardigheden en zich beter kunnen inleven in anderen? Helaas kreeg de reputatie van literaire teksten een gevoelige knauw toen onderzoekers aan de Erasmus Universiteit bij het herhalen van een eerder experiment – met opvallend positieve resultaten – deze keer niet vonden dat het lezen van literaire teksten leidde tot betere prestaties op emotieherkenningstaken. Zo bleken de scores op de Reading the Mind in the Eyes Test nagenoeg gelijk na het lezen van literaire versus populaire teksten. Het is dus maar de vraag of het lezen van literatuur ons meer empathisch maakt.

Maar hebben jongeren die tussen hun tiende en vijftiende jaar meer en meer gaan lezen dan geen streepje voor op de rest? Dit zochten Jan Lenhart en collega’s uit met een grote longitudinale dataset. Zij keken in hoeverre jongeren met van nature al wat meer inlevingsvermogen, meer gingen lezen en hoe sterk het effect van lezen, en een opeenstapeling aan literaire ervaringen, op hun empathie was. Ook hier geen positief beeld. Het lezen van klassiekers leverde wel iets meer empathie op, maar dat was het ook wel.

 

Wat is het effect als je jongeren samen laat lezen? Jody Polleck uit New York nam de gesprekken van leerlingen tijdens een leesclub op school onder de loep. Zij kwam tot de conclusie dat deze onderwijsvorm bijdraagt aan de ontwikkeling van sociaalemotionele competenties. Recent deed zij ook onderzoek naar meer therapeutische boekenclubs, op een Amsterdamse school voor speciaal onderwijs. Op basis van twee boekenclubs – een groep met zeven leerlingen die zichzelf omschreven als autistisch of angstig en depressief en eentje met drie leerlingen met ADHD of autisme – is haar conclusie dat in kleine groepjes een boek lezen, over herkenbare problemen, jongeren aan het denken zet. Het kan hen ook net een duwtje geven om betere sociale voelsprieten te ontwikkelen.

Het boek als spiegel, zou het dan toch kloppen?


  • Dijkstra, K., Verkoeijen, P., van Kuijk, I., Yee Chow, S., Bakker, A., & Zwaan, R. (2015). Leidt het lezen van literaire fictie tot meer empathie? Een replicatiestudie. De Psycholoog, 50 (10), 10-21.
  • Lenhart, J., Richter, T., Appel, M., & Mar, R. (2023). Adolescent leisure reading and its longitudinal association with prosocial behavior and social adjustment. Scientific Reports, 13, 9695. doi.org/10.1038/s41598-023-35346-7
  • Polleck, J.N. (2024). Using culturally sustaining science fiction book clubs to address agency and academic and emotional literacies with Dutch neurodiverse youth. Journal of Adolescent & Adult Literacy, 00, 1–13. doi.org/10.1002/jaal.1342

Knagend verantwoordelijkheidsgevoel

Wie zoekt op ‘ouders’ in het Hoofdlijnenakkoord 2024 – 2028 van PVV, VVD, NSC en BBB stuit bijna vaker op veehouders dan op de primaire opvoeders van kinderen. De term duikt wel op onder het kopje Nationale veiligheid (p. 20): Er komen meer mogelijkheden om ouders verantwoordelijk te houden voor schade
die kinderen aanrichten.

Nu zijn verantwoordelijkheid, schuldig zijn en je schuldig voelen verschillende dingen. Maar van het laatste weten we nu, via harde cijfers, dat het versterkt wordt door probleemgedrag van kinderen. Onderzoekers van de Ben-Gurion University vroegen ruim honderd ouders naar hun schuldgevoelens, naar situaties die dit gevoel hadden opgeroepen en hoe ze ermee waren omgegaan.

Via een nieuw coderingssysteem scoorden zij hoe vaak en heftig deze emotie beleefd was (intensiteit), hoe sterk de neiging was om het op de een of andere manier goed te maken (reparatie) en hoe mild of streng ouders voor zichzelf waren (zelfcompassie versus jezelf willen straffen). Ouders die net wat minder goed in staat waren om te reflecteren over zichzelf als opvoeder, bleken het meest gevoelig voor lastig en sociaal onaangepast gedrag en voor somberheid of prikkelbaarheid bij hun kind.

De auteurs komen met een radicaal ander voorstel dan het nieuwe kabinet: Onderzoek of we via het stimuleren van zelfreflectie ouders zoveel mogelijk kunnen vrijwaren van schuldgevoelens, die als een last op hun schouders drukken en die de opvoeding alleen nog maar ingewikkelder maken.


  • Shalev, I., Sharon, N., Uzefovsky, F. & Atzaba-Poria, N. (2023). Parental Guilt and Children’s Internalizing and Externalizing Behavior. Journal of Family Psychology, 37 (8), 1241-1252. doi: 10.1037/fam0001156

pedagoog in opleiding


 

‘Een groep postmaster studenten kan prima een hele dag luisteren’

June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen.

 

Lees meer
Véronique Wils

6 juni 2024

Een hele module van vijf lesdagen over autisme spectrum stoornissen (ASS). Wat zou mij dat nog kunnen brengen? Dat vraag ik me af terwijl ik het parkeerterrein van RINO Zuid in Eindhoven oprijd. Ik werk immers al jarenlang met cliënten met onder andere ASS en denk wel het nodige te weten.

Aan het einde van deze eerste lesdag duizelt mijn hoofd van alle kennis, nieuwe theorieën en ervaringen van docent Birgitta Kox. Zoals de nieuwe inzichten over het voorspellende brein en waarom ASS nog ondergediagnosticeerd wordt bij vrouwen. Mijn klasgenoten ervaren hetzelfde.

Het blijkt dat een groep postmaster studenten heel graag kennis wil opslurpen en zolang het maar boeiend is, prima een hele dag kan luisteren. Juist even geen rollenspellen en groepsopdrachten. De vele praktijkervaringen van de docent brengen de theorie tot leven. Geïnspireerd maar ook moe rijd ik terug naar huis. Wat zal de rest van de module gaan brengen?

17 juni 2024

Een dag voor mijn verjaardag staat mijn halfjaarlijkse evaluatie gepland. Voor het eerst ben ik niet echt zenuwachtig. Ik weet inmiddels hoe het werkt en wat er van mij verwacht wordt. En nog veel belangrijker: Ik ben tevreden over mijn voortgang. Nooit eerder ben ik zo zelfverzekerd geweest, er is immers altijd wel iets dat beter kan. En dat is er ook, maar dat zijn mijn leerdoelen voor het laatste half jaar. Mijn vertrouwen in deze evaluatie blijkt terecht.

Mijn praktijkopleider, werkbegeleider en supervisor bevestigen mijn voortgang en zien zelfs nog meer vooruitgang dan ik. Vol goede moed kan ik het laatste half jaar in. En met een gerust hart mijn verjaardag gaan vieren.

5 juli 2024

Het is de laatste lesdag van de module ASS. De zomervakantie staat voor de deur en iedereen is opgebrand. We verzamelen ’s ochtends met koffie in onze hand en de belofte elkaar de dag door te helpen. Tot zover is de module blijven boeien en ik heb er veel uitgehaald om mee te nemen in de praktijk. Zoals de manier van vragen stellen om te achterhalen welke voorspellingsfouten er plaats vinden in de gedachten van de cliënt, waardoor je gedrag vaak veel beter kunt begrijpen en begeleiden.

Deze ochtend krijgen we nog wat theorie over leervaardigheden en ASS. In de middag wisselen we de infographics uit die we in subgroepen hebben gemaakt. Het is bijzonder om te zien hoe we vanuit verschillende werkvelden toch met elkaar in gesprek raken en blijven over specifieke onderwerpen, zoals begrijpend lezen en ASS.

 

Binnen de gehandicaptenzorg heb je hier nagenoeg niet mee te maken, maar stiekem valt er toch veel over te zeggen. Zo zijn de principes om een tekst te kunnen begrijpen, ook toe te passen op het begrijpen van gesproken taal en de wereld om de cliënt heen. Samenvatten, visualiseren, concretiseren en ondertitelen zijn daar onderdeel van. Op naar de laatste sprint, de eindevaluatie in december!

Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:

over de grens


Kinkeeping

Vooral vrouwen onderhouden band met familie

Kinkeeping is een begrip uit de sociologie en kun je vertalen als ‘het onderhouden van de familie- en gezinsbanden’. Vooral vrouwen en moeders zouden het grootste deel van dit ‘onzichtbare’ werk op zich nemen en zij krijgen daar niet altijd waardering voor. Recent onderzoek van het NIDI en de Tilburg University toont aan dat dit eerste inderdaad zo is: taken die vallen onder kinkeeping worden – nog steeds – grotendeels uitgevoerd door de (stief)moeder.

 

Lees meer

Bij kinkeeping1 – ook wel emotional labour – kun je onder andere denken aan taken als het doorgeven van berichten en nieuwtjes, het initiëren en organiseren van familie- en gezinsuitjes, het regelen van cadeautjes voor of namens het gezin en het bemiddelen bij onderlinge conflicten.

De term kinkeeping is geïntroduceerd door de Canadese socioloog Carolyn Rosenthal en maakt onderdeel uit van het meer ‘cognitieve’ huishoudelijk werk. Het vergt minder fysieke inspanning dan de meeste andere huishoudelijke taken zoals stofzuigen en de was doen en het is bovendien minder duidelijk afgebakend in tijd. Het is wel een erg belangrijke taak, want het bevordert de cohesie en een gevoel van verbondenheid binnen het gezin en het bredere sociale netwerk van familie en vrienden.

In mijn gezin van herkomst was het vooral mijn moeder die deze taken op zich nam en een snelle rondvraag onder vrienden levert grotendeels hetzelfde antwoord op.

Kinkeeping bij (stief)gezinnen

Uit een onderzoek van Maaike Hornstra (Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, NIDI) en Katya Ivanova (Tilburg University) naar kinkeeping2 bleek vorig jaar dat zowel bij intacte gezinnen als bij gezinnen met een stiefvader de biologische moeder in meer dan de helft van de gevallen in haar eentje de meeste taken op zich nam. In dit onderzoek zijn als kinkeeping meegenomen: berichtjes doorgeven, uitjes organiseren, cadeaus uitzoeken en bemiddelen bij conflicten. In gezinnen met een stiefmoeder waren de taken iets meer ambigue verdeeld: bemiddelen bij conflicten deed in de meeste gezinnen zowel de biologische vader als de stiefmoeder. De biologische vader gaf in de meeste gevallen berichtjes door. Het organiseren van uitjes en het uitzoeken van cadeaus deden in de meeste gevallen beide ouders of alleen de stiefmoeder.

 

Het kwam verder relatief weinig voor dat (stief)moeders niet betrokken waren bij één van de vier kinkeeping-taken, terwijl dit voor ongeveer de helft van de (stief)vaders wel zo was. Gescheiden vaders waren daarbij meer betrokken dan vaders van intacte gezinnen, terwijl dit contrast minder van toepassing was op
gescheiden moeders en moeders van intacte gezinnen. Ten slotte waren stiefmoeders (veel) meer betrokken bij kinkeeping dan (stief)vaders.

De resultaten van dit onderzoek laten zien dat de rolpatronen in Nederlandse (heteroseksuele) tweeoudergezinnen nog steeds vrij traditioneel zijn. En dat stiefmoeders over het algemeen volwaardig onderdeel uitmaken van het nieuwe (samengestelde) gezin, in ieder geval als het aankomt op het onderhouden van de familiebanden.

Kinkeeping en ouder-kindrelatie

In eerder onderzoek van Tilburg University uit 2007 bleek dat de relatie tussen kinderen en hun vaders zwakker wordt na een scheiding of overlijden van de moeder. Waarschijnlijk door het ontbreken van de moeder als kinkeeper. Het onderzoek van Hornstra en Ivanova bevestigt dit beeld.

Zij vonden ook een verband tussen kinkeeping en de ouder-kindrelatie en dat deze sterker was als de echtgenoot van de ouder betrokken was bij kinkeeping, ongeacht verwantschap. De onderzoekers stellen daarom dat stiefmoeders net zo effectief kunnen zijn als een gehuwde biologische moeder in het bevorderen van hechte gezins- en familiebanden op volwassen leeftijd.

Nog veel vragen

Het meeste onderzoek naar kinkeeping is nog vrij recent. In de toekomst zou het interessant zijn om ook de mate van kinkeeping in gezinnen met minderjarige kinderen te bestuderen. Hiernaast rijst de vraag: nemen vrouwen en (stief)moeders deze taken grotendeels op zich omdat ze hier biologisch gezien geschikter voor zijn of hebben ze dit gedrag aangeleerd (gekregen) door sociale en maatschappelijke normen? En: hoe ziet de verdeling in kinkeeping tussen genders en verschillende gezinstypen eruit in andere landen? En hoe is de taakverdeling in homoseksuele gezinnen?

Persoonlijke noot

N = 1, maar toch: mijn verloofde is alleenstaande vader (alhoewel hij zich nu niet meer zo noemt) en is behoorlijk goed in kinkeeping. Grotendeels noodgedwongen, maar daar gaat het niet om. Het gaat erom dat het blijkbaar mogelijk is. En dat stemt hoopvol. Alhoewel ik het kinkeepen uiteindelijk waarschijnlijk voor een
groot deel van hem ga overnemen, vooral omdat ik het leuk vind.

tekst: Sanne de Vet
beeld: Shutterstock

Take-home message voor pedagogen

De onderzoekers geven ook een aantal implicaties voor de praktijk. Meer aandacht voor (het belang van) kinkeeping en de mentale last die dit kan veroorzaken is belangrijk. Vooral als deze taak (grotendeels) op de schouders van één ouder komt te liggen, kan dit parental burn-out als gevolg hebben. De resultaten laten ook zien dat met name gescheiden vaders in een kwetsbare positie terecht kunnen komen als hun partner wegvalt als kinkeeper. Ten slotte kan dit onderzoek een constructieve bijdrage leveren aan het ondersteunen van stiefouders in hun soms onduidelijke nieuwe rol.


  1. What is Kinkeeping? – The New York Times (nytimes.com)
  2. Hornstra, M., & Ivanova, K. (2023). Kinkeeping across families: The central role of mothers and stepmothers in the facilitation of adult intergenerational ties. Sex Roles, 88(7), 367–382; nidi.nl/demos/de-manager-van-de-familiebanden-is-vaak-de-moederfiguur

Vragenlijstonderzoek

Het onderzoek van Hornstra en Ivanova – Ouders en Kinderen in Nederland – betreft een vragenlijstonderzoek, uitgevoerd in 2017 en 2020. Volwassenen geboren tussen 1971 en 1999 en hun (stief)ouders is onder andere gevraagd naar de huidige interacties binnen hun gezin van herkomst en de kwaliteit van de ouderkindrelaties. In totaal deden er 746 intacte gezinnen, 982 stiefvadergezinnen en 1010 stiefmoedergezinnen mee. De studie maakt deel uit van een groter onderzoek, gesubsidieerd door de European Research Council.


 

Kleine momenten van aandacht voor jezelf en voor de ander

NVO-lid Marjolein Prenger – orthopedagoog-generalist, docent op de Universiteit Twente – en Irma Smegen – kunstdocent, trainer bij Speel je Wijs – zijn beiden gecertificeerd mindfulness- en compassietrainer. Samen schreven
ze ‘Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen’.

 

Lees meer
Marjolein Prenger (rechts op de foto) is orthopedagoog-generalist. Ze is werkzaam als docent bij de vakgroep Psychologie, Gezondheid en Technologie op de Universiteit Twente en heeft een eigen praktijk. www.praktijkfiducie.nl Irma Smegen heeft jaren ervaring als leerkracht (speciaal) basisonderwijs, lerarenopleider en theaterdocent en deelt haar kennis als auteur, spreker en trainer. www.irmasmegen.com

Op de vraag hoe ze elkaar hebben leren kennen, vertelt Marjolein over het Congres Positieve Educatie dat eind 2018 werd georganiseerd op de Universiteit Twente, waarin het Positief Educatie Programma (PEP) centraal stond.

“Het uitgangspunt van dit programma is dat basisscholen zich niet alleen op resultaten, maar ook op het proces van leren richten. Het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen staat centraal. Irma was geïnteresseerd om een bijdrage te leveren en een workshop te geven over yoga in de klas, maar het programma was al vol. Ik vond wat Irma te bieden had echter zo goed aansluiten bij mijn workshop over mindfulness in de klas, dat ik voorstelde om samen een workshop te geven.”

Irma: “Dat vond ik nou echt een gebaar van compassie, je organiseert een congres en je geeft de helft van je workshoptijd aan mij.” Tijdens de workshop bleek dat niet alleen de onderwerpen goed bij elkaar pasten maar ook Irma en Marjolein elkaar naadloos aanvulden. De basis voor verdere samenwerking was gelegd.

Eigen ervaringen

Marjolein en Irma zijn allebei al jaren geleden begonnen als beoefenaar van mindfulness. Ze hebben zelf onder andere de mindfulnesstraining Mindfulness Based Stress Reduction (MBSR), de compassietraining Mindfulness Based Compassionate Living (MBCL) en aansluitende retraites gevolgd en vervolgens van beide trainingen de trainersopleidingen gedaan.

Beiden hebben al veel trainingen gegeven. Irma vooral aan leerkrachten en kinderen, Marjolein is meer gericht op ouders en hulpverleners. Naast de mindfulnesstrainingen voor kinderen die er al bestonden, misten ze een kindervariant van de compassietraining. Die stond niet alleen dichter bij henzelf, maar sloot vaak ook beter aan bij kinderen, vonden ze: “Bij compassie gaat het over ‘ik en de ander’ en ‘hoe beweeg ik mij in de wereld’, thema’s waar kinderen dagelijks mee bezig zijn.”

Van toolbox tot boek

Vanuit hun eigen ervaring met compassietraining en jarenlange ervaring met het geven van trainingen, ontstond de wens om de toolbox aan oefeningen die ze tot hun beschikking hadden te ordenen.

“We wilden echt een training ontwikkelen”, zegt Marjolein. “We hebben contact gezocht met Erik van den Brink en Frits Koster die de MBCL hebben ontwikkeld. Een goed onderbouwde training, waar al veel onderzoek naar gedaan is en die we beiden ook gevolgd hebben. Zij gaven toestemming om met de MBCL als basis een training voor kinderen te ontwikkelen. We hebben de zes thema’s (zie kader, red.) uit hun training als kapstok gebruikt voor de kindervariant.”

Compassietraining

Vorig jaar, vijf jaar na hun eerste ontmoeting, verscheen hun boek Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen. Ze zien het boek ook echt als handleiding voor de training.

“De neiging om er een paar oefeningen uit te halen is begrijpelijk, maar dan bestaat de kans dat het een trucje wordt”, waarschuwen ze. “Idealiter is het een zevenweekse training, waarbij je wel zelf kunt kiezen welke van de 52 oefeningen je per thema gebruikt. Voor een schoolklas is het wellicht fijner om de training wat meer over het jaar te verspreiden. Dan is het wel belangrijk om de thema’s op de voorgeschreven wijze te doorlopen.”

“Compassie, of levenskunst, als vak vinden we een essentiële aanvulling op het huidige curriculum in zowel het basis- als voortgezet onderwijs. Nu ligt de nadruk vooral op cognitieve ontwikkeling. Ontdekken wie je bent, wat je voelt en hoe je je verhoudt tot anderen is minstens zo belangrijk.”

Zelf training geven

Het belangrijkste uitgangspunt om zelf de training Doe ’s lief te geven, is dat je er affiniteit mee hebt, zeggen ze.

“Je hoeft geen mindfulness- of compassietrainer te zijn, maar je moet wel op z’n minst een goed gevoel hebben bij de oefeningen. Natuurlijk helpt het als je behalve affiniteit ook ervaring met de oefeningen hebt. Daarom geven we zelf een training van een of twee dagen, waarbij we de oefeningen uitproberen en achtergrondinformatie geven. Het zelf wíllen doen, embodiment, is belangrijk.”

Levenskunst

Aan het eind van het interview praten we nog even door over onze eigen ervaringen met mindfulness- en compassietraining en wat we in onze eigen gezinnen beleven. Mijn zoon van dertien die zegt: “Maar wij hebben helemaal geen tijd op school om zulke oefeningen te doen.” Of studenten van Marjolein die zeggen: “Had ik dit maar eerder geweten, dat ik zelf deze invloed op mijn gevoel van welbevinden heb.”

Al snel blijkt dat we alle drie ervaren hoe kleine momenten van aandacht voor jezelf en voor de ander een groot verschil kunnen maken. Elkaar bewust een fijne dag wensen in het gezin en napraten tijdens het avondeten kan al wezenlijk zijn.

tekst: Bart van Gent
foto: Nadine Maas

 

Doe ’s lief

Doe ’s lief, compassietraining voor kinderen is een vrolijk geïllustreerd, toegankelijk boek met 52 oefeningen. Het behandelt zes thema’s: aandacht, stress, doen of denken, vriendelijkheid voor jezelf, vriendelijkheid voor de wereld om je heen en werken aan geluk. Het is bedoeld om te gebruiken met kinderen tussen de 8 en 13 jaar. Dat kan zowel op school, als in de hulpverlening en groepsgewijs of individueel.

Oefeningen

Tijdens het schrijven zijn de oefeningen uitgeprobeerd door kinderen. Quotes van deze kinderen zijn opgenomen in het boek en maken nog inzichtelijker wat je als kind dan kunt tegenkomen. Kees (11) moest zich bijvoorbeeld voorstellen dat een voor hem lastige persoon het zelf ook weleens moeilijk heeft. En die persoon vervolgens iets vriendelijks toewensen. Kees vond dit een pittige opdracht, want hij dacht aan iemand die hem gepest had.

“Die stap is voor een jongen van elf misschien nog te groot”, zegt Marjolein
hierover. “Soms kun je zo’n stap ook weglaten, of zeggen: ‘Als je voelt dat het nu nog niet kan, is dat prima’. Het gesprek daarna is belangrijk: ‘Het lukte mij niet, ik voelde boosheid, maar als ik het erover heb, wordt het wel minder’. Als je de oefening niet doet, komt het ook niet op tafel.”

 

de promovendus


Kleuters met een beperking

‘Het bleek ontzettend moeilijk om reguliere scholen met onze doelgroep te vinden’

Op een zaterdagochtend zit de universiteitsbibliotheek in Groningen vol studenten. Toch is het er opmerkelijk stil. Ieder is met of zonder koptelefoon
verdiept in zijn eigen bubbel. Gelukkig heeft Florianne Rademaker een ruimte
gevonden waarin we een gesprek kunnen hebben zonder de stilte te verstoren.
Florianne promoveerde onlangs aan de RUG over de participatie van onze
allerjongste studenten: kleuters, met een beperking in dit geval.

Lees meer

curriculum vitae

Florianne Rademaker

2023 – heden
Universitair docent Pedagogische Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen
2021 – 2023
Docent/Onderzoeker Pedagogische Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen
2015 – 2023
Promovendus, Rijksuniversiteit Groningen
2014 – 2023
Onderzoekscoördinator diverse projecten, Universitair Centrum Psychiatrie Groningen
2011 – 2012
Master Psychologie, Rijksuniversiteit Groningen (cum laude)
2009 – 2012
Master Pedagogische Wetenschappen richting Orthopedagogiek, Rijksuniversiteit Groningen
2006 – 2009
Bachelor Pedagogische Wetenschappen, Rijksuniversiteit Groningen

Wat hield je onderzoek precies in?

“In een notendop ging het om het op basis van theorie en praktijk doorontwikkelen van de reeds bestaande Amerikaanse interventie Special Friends. Die interventie beoogt de houding van medeleerlingen van kinderen met een beperking wat positiever te maken. Ons uiteindelijke doel was de sociale participatie van de leerlingen met een
verstandelijke, lichamelijke of auditieve beperking te verstevigen. We wilden niet alleen een effectieve interventie maken, maar ook eentje die leerkrachten willen gebruiken in de klas.

We weten dat kinderen vaker toetrekken naar andere kinderen die op hen lijken en ook dat kinderen op jonge leeftijd al best wat verschillen
zien tussen henzelf en kinderen met een beperking. Je moet met beide partijen iets doen om meer interactie te bewerkstelligen. Daarnaast wilden we het effect van de interventie onderzoeken.”

Wat voor interventie is dat dan?

“Het gaat om de interventie Iedereen hoort erbij!.1 Die bestaat uit drie componenten: een korte voorbereidende training voor leerkrachten, drie geanimeerde prentenboeken2 met informatie over verschillende beperkingen en achttien coöperatieve werkvormen. De laatste twee componenten zijn gebaseerd op de inmiddels al heel oude theorie van
Gordon Allport, de Contact Theorie.”

De Contact Theorie, wat is dat precies?

De Contact Theorie gaat ervanuit dat wanneer je echt contact hebt met elkaar en je elkaar beter leert kennen, vooroordelen die je hebt over elkaar wat meer naar de achtergrond gaan. Die theorie is veelvuldig bewezen in grote meta-analyses en studies, ook bij jonge kinderen. Of met het verminderen van vooroordelen de relatie en de sociale participatie ook beter worden, daar is minder onderzoek naar gedaan.

Gordon Allport stelt dat het contact aan vier belangrijke voorwaarden moet voldoen: gelijke status, samenwerken, een gemeenschappelijk doel en steun door de autoriteiten. Dus het ene kind moet niet belangrijker zijn of een groter aandeel hebben in het contact dan het andere. Kinderen moeten niet een wedstrijd met elkaar aangaan, maar juist een coöperatief geheel vormen en daarbij toewerken naar iets dat van hen allemaal is. En van de leerkracht wordt verwacht dat die het contact ondersteunt en zorgt voor een sfeer van acceptatie in
de klas.

Zo kwamen wij al gauw uit op coöperatieve werkvormen, zoals samen een ballon hooghouden of samen een puzzel maken. Daaraan voorafgaand kregen kinderen een prentenboek aangeboden, met
informatie over verschillende beperkingen. Om zeker te weten dat die informatie goed overgekomen was, volgde er een nabespreking over het boek in de kring.”

In een van je stellingen beweer je dat de Contact Theorie veel potentieel heeft voor inclusief onderwijs, maar dat het slechts de helft van het verhaal vertelt. Wat is de andere helft?

“Behalve de kinderen worden ook de leerkrachten en ouders meegenomen. Die hebben een belangrijke invloed op de houding van de klasgenoten van leerlingen met een beperking. Ik heb een aantal
ouderavonden gedaan en gemerkt dat ouders van andere kinderen er over het algemeen vrij neutraal tot positief in staan.

Die houding heeft ook drie componenten: overtuiging, gevoel en gedrag. Vaak zien we dat die eerste twee niet zo’n probleem zijn, maar dat het met de derde component een stuk spannender wordt. Of een kind na schooltijd meegevraagd wordt om te spelen bijvoorbeeld. Is een kind met een beperking ook welkom op het verjaardagsfeestje
van je kind?

Ouders geven in vragenlijsten aan niet zo goed te weten wat ze met hun kind moeten bespreken. Ze willen het niet erger maken of kinderen met een beperking stigmatiseren. Hoe kun je je kind
meegeven dat diversiteit oké is? Welke woorden kies je? Moet je de verschillen eigenlijk wel benoemen? En is niet-benoemen niet juist schadelijker?

Ook bij leerkrachten speelt soms de angst voor het onbekende. Een gedeelde visie op inclusiviteit, gedragen door directeur, intern begeleider en collega’s op school, maakt het gemakkelijker. Ik sprak een schooldirecteur die zei: hoe fijn is het dat je met je toekomstige werkgever al in de zandbak hebt gespeeld? En dat ook die werkgever al vanuit zijn kindertijd weet dat je met z’n allen de maatschappij in te richten hebt.”

Hoeveel scholen deden er mee aan je onderzoek?

“We hadden in ons onderzoeksdesign dertig tot zesendertig klassen in gedachten en wilden aanvankelijk zelfs drie condities met elkaar vergelijken. Maar daar zijn we al vrij snel van afgestapt. Het bleek ontzettend moeilijk om reguliere scholen met onze doelgroep te vinden! Uiteindelijk hebben we het onderzoek uitgevoerd voor 332 klasgenootjes van twintig kinderen met een beperking, in achttien klassen.”

Waren die scholen zo moeilijk te vinden of zijn ze er misschien niet? Met andere woorden: beginnen deze kinderen eigenlijk wel op de reguliere basisschool?

“Als je de landelijke cijfers mag geloven wel. Ik denk dat er hele grote verschillen zijn, misschien ook regionaal. Een kind met een beperking in het reguliere onderwijs laten instromen, vraagt strijdbare ouders.

Het is niet voor alle ouders weggelegd om voor hun kind op de barricades te gaan staan. Ik kan me voorstellen dat veel ouders uit bescherming van hun kind deze stap niet durven te zetten. Ik weet
dat veel kinderen met downsyndroom wel regulier beginnen, maar in groep 3 uitstromen naar het speciaal onderwijs. Met de manier waarop het regulier onderwijs nu is ingericht, denk ik dat specialistisch onderwijs ook nodig zal blijven.”

Wat zou er dan moeten veranderen?

“Ik denk dat het op school nog te vaak gaat over of kinderen de leerlijn wel kunnen volgen en of het uitstroomprofiel goed genoeg is voor de Onderwijsinspectie. Wat ik ook gezien heb is dat kinderen met een beperking vaak extra ondersteuning krijgen, maar dat die dan gepland wordt op momenten van vrij spel, zodat ze niks van de lesstof hoeven te missen. Ik wilde die kinderen observeren tijdens een vrij spelmoment om te kijken hoe ze het deden in relatie met klasgenootjes, maar dat kon dan niet want dan had dat kind net op dat moment extra ondersteuning! Waarom juist dan? Kinderen leren sociale vaardigheden van elkaar. Als je die niet van andere kinderen kunt afkijken, welk voorbeeld heb je dan?”

Is de maatschappij er eigenlijk wel klaar voor, voor meer inclusiviteit?

“‘Iedereen hoort erbij’ klinkt niet erg als het motto van de nieuwe regering. Daar maak ik me wel wat zorgen om. Ik denk dat veel mensen niet zo goed beseffen dat verdraagzaamheid en meer inclusiviteit nodig is om uit de polarisatie te komen, waar we nu in zitten met z’n allen. Dat we elkaar weer echt moeten leren kennen. En dan kom ik toch weer bij Gordon Allport uit.”

Aan het einde van het gesprek met Florianne, realiseer ik me dat we het over van alles gehad hebben, maar nauwelijks over de resultaten
van haar onderzoek. Waarschijnlijk heeft ze er wel iets over gezegd, maar heb ik het gewoon niet willen horen. De attitude van alle deelnemende kleuters ten aanzien van hun klasgenootjes met een
beperking blijkt in de loop van de tijd namelijk niet positiever, maar juist minder positief te zijn geworden. Op deze leeftijd wordt dat overigens vaker gevonden.

Ten opzichte van de controlegroep heeft de interventie Iedereen hoort erbij! echter wel een klein afremmend effect gehad op deze neerwaartse trend. In de coöperatieve werkvormen blijken de onderlinge verhoudingen toch wel wát te veranderen en komen de proporties van dominantie en afhankelijkheid iets meer in evenwicht.
Mogen we dit een lichtpuntje noemen? Een voorzichtig beginnetje om de trend te keren? Kennelijk is er nog wel meer nodig. Inclusief onderwijs lijkt nog ver weg.

tekst: Andries Kamminga


  1. De interventie ‘Iedereen hoort erbij!’ is te verkrijgen via www.bereslim.nl
  2. De tekeningen van prinses Peetjie van Peggy van Gurp. Lor van Elfi Nijssen en Eline van Lindenhuizen. Slompie, een spin met vijf poten van Gerard van Midden.

column


 

‘Harder naar buiten toe en toch lief’

Bedeesd komt hij binnen voor het oudergesprek. Tom is nog nooit bij ons op het behandelcentrum geweest. ‘Is dit een school?’, vraagt hij.
‘Zoiets’, antwoord ik. ‘Een school en een plek waar Dinaia begeleiding en hulp krijgt. Wat is uw relatie met Dinaia?’

 

Lees meer

“Ik ben haar oom. De broer van haar moeder Sarah. Zij komt trouwens niet, ze moet werken en heeft mij gevraagd dit gesprek te doen.”

“O, wat fijn dat u wel kunt komen. We willen u wat vragen stellen over Dinaia. Denkt u dat haar moeder dat goed vindt? Vindt u het goed dat we haar even bellen?”

“Nou, misschien slaapt ze nog, maar ze vindt het zeker goed. Mijn zus is een hele goede moeder hoor, maar ze heeft veel meegemaakt. Dinaia heeft dat ook gezien.”

Zorgzaam

“Oké, bent u bang dat we haar geen goede moeder vinden?”

“Nou, soms wel, ik wil niet dat zij Dinaia kwijtraakt. Ze is wel eens depressief en dan is het moeilijk voor haar om uit bed te komen.

Maar ze is slim en zorgzaam. En ik help haar. Ik zorg elke ochtend dat Dinaia naar school gaat. Zij vindt het hier heel fijn, weet u.”

Schoolangst

Dinaia (10) gaat al een paar maanden niet meer naar school en is aangemeld met schoolangst. Zij riep meteen bij binnenkomst al heel hard dat haar moeder toch niet zou komen. “Mijn oompie wel hoor, juf Elena, en hij is heel cool. Maar mijn moeder kan écht niet!”

Intussen heeft haar moeder telefonisch toestemming gegeven om verder te praten. Ze probeert zelf ook nog te komen, vertelt ze.

“Ik doe hard mijn best om goed voor mijn zus en Dinaia te zorgen”, begint Tom (30). “Wij hebben geen ouders meer. Mijn zus is slim, maar identificeert zich met gebroken mensen. Ik probeer hen een andere wereld te laten zien en haar het gevoel te geven dat ze een goed iemand is.”

Grenzen

Tom ontpopt zich als een gevoelige en empathische jongeman. “Mijn zus is heel zacht en kan niet zo goed haar grenzen aangeven. Dinaia loopt gewoon over haar heen. Ik probeer haar te leren dat je wat
harder moet zijn naar buiten toe en dan toch lief kunt zijn.”

Vol bewondering kijk ik naar deze wijze man die heeft besloten een groot deel van zijn tijd aan het gezin van zijn zus te geven.

“En hoe houdt u het vol? U zorgt ook grotendeels voor Dinaia. Heeft u nog tijd voor uzelf?”

“Nou, dat is wel moeilijk voor mij. Misschien heb ik ook moeite met grenzen. Ik houd van boksen, maar dat heb ik al even niet gedaan.”

Sorry

Dan loopt de moeder van Dinaia onze kamer binnen. Een tengere, verlegen vrouw. Ze lacht vriendelijk. “Sorry, ik moest niet werken.”

Dinaia ziet haar moeder binnenkomen en haar ogen beginnen te glanzen.

 

tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.


De namen in deze column zijn gefingeerd.


 

‘Wees niet bang voor radicalisering’

Er is een nieuwe richtlijn gepubliceerd voor de jeugdhulp en jeugdbescherming. De richtlijn Radicalisering. Deze kwam tot stand door de samenwerking tussen het NJi, NIP, de BPSW en de NVO. Een gesprek met onderzoeker en pedagoog Stijn Sieckelinck, één van de schrijvers van de richtlijn.

Lees meer
Stijn Sieckelinck

Stijn Siekelinck schreef deze richtlijn samen met Ron van Wonderen (projectleider), Dominique Burggraaff en Mehmet Day , alle drie van Verwey Jonker Instituut. En Annebregt Dijkman van Sherazade Advies. Zelf houdt hij zich al twintig jaar bezig met het onderwerp radicalisering.

“In 2004 ben ik van België naar Nederland verhuisd om daar aan mijn proefschrift te werken over jongeren en hun idealen. Het is ook het jaar van de extremistische moord op filmmaker Theo van Gogh.
Dat gebeurde een paar straten van waar ik woonde in Amsterdam. Deze gebeurtenis heeft mijn proefschrift en mijn loopbaan gekleurd. Door de dood van de filmmaker kwam namelijk het maatschappelijk debat over tolerantie op scherp: hoe gaan we om met de vrijheid van meningsuiting? Hoe moeten we mensen beschermen? Maar ook,
hoe moeten we mensen opleiden om jongeren te helpen die extreme gedachten hebben?”

“In mijn proefschrift ben ik mij onder meer gaan richten op de vraag hoe we radicalisering pedagogisch kunnen duiden. Sindsdien heeft het
thema mij niet meer losgelaten. Ik heb altijd geprobeerd radicalisering met een brede ontwikkelingsbril te benaderen. Het hangt heel vaak
samen met zaken die niet op orde zijn in het gezin, op school of in de wijk. Dat vind ik heel boeiend. Hoe kunnen we tijdig ingrijpen door beter op de hoogte te zijn van wat jonge mensen bezighoudt? En welke gesprekken moeten we dan voeren? Radicalisering is heel vaak een vermomde hulpvraag; een jongere heeft geen vertrouwen meer in deze samenleving en heeft bijna helemaal zijn rug gekeerd, maar wil eigenlijk zeggen: ‘Haal mij er terug bij.’ Dat doet men dan wel vaak op een uiterst
provocerende manier.”

Met wie werkte je aan deze richtlijn?

“De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) heeft samen met de expertise-unit Sociale Stabiliteit (ESS) van het ministerie van SZW aan het NJi gevraagd om een richtlijn op te stellen. Voorafgaand is een haalbaarheidsonderzoek uitgevoerd en daarna is een bureau geselecteerd. Vervolgens ontstond een prettige samenwerking met collega’s van het wetenschappelijk onderzoeksbureau Verwey-Jonker om aan de richtlijn te werken. Mijn input is vooral academisch en vanuit pedagogische blik en in aanvulling op de input van radicaliseringsexpert Annebregt Dijkman. Zo hadden we een mooie groep deskundigen aan tafel, met ieder een verschillende invalshoek. Ook was er een klankbordgroep van professionals die ons bij de les hield.”

Voor wie is de richtlijn geschreven?

“Voor zowel professionals in de jeugdhulp en jeugdbescherming als andere jeugdprofessionals die te maken kunnen krijgen met radicalisering bij jongeren. Het is een thema waarbij de eerste signalen zelden bij professionals binnen de jeugdhulp binnenkomen, maar juist in wijken, buurtcentra en scholen. Daar moet dus ook deze richtlijn bekend zijn. In elk geval op hoofdlijnen.

Tegelijk weten we dat jongerenwerkers – die de meeste signalen van radicalisering oppikken – nog niet zo gewend zijn om met richtlijnen te werken. Dit komt omdat ze een systematische, maar meer open manier van werken hanteren. Dat wil niet zeggen dat ze er niets aan kunnen hebben, al was het maar om het gesprek met andere jeugdprofessionals en instanties te kunnen voeren. Met dat in ons achterhoofd hebben we de richtlijn ook geschreven. Niet gericht op slecht één beroepsgroep, er is vanuit diverse kanten gekeken: vanuit veiligheid, vanuit zorg, vanuit families en vanuit school. Zoals de
richtlijn er nu ligt, is het gelukt om voor en vanuit deze verschillende beroepsgroepen te schrijven.”

Wat is de definitie van radicalisering in de context van opvoeden en jongeren?

“De term ‘zorgwekkende radicalisering’ roept veel verschillende beelden op en kent veel verschillende definities. Wees daarom terughoudend in het gebruiken van het label ‘radicalisering’ en heb oog voor de individuele omstandigheden van een jongere. De praktijk leert dat docenten en opvoeders onderstaande pedagogische betekenis waarderen:

Radicalisering is een proces waarbij iemands ideologische opvattingen de ruimte voor dialoog met andersdenkenden inperken en de bereidheid om dwang of geweld te gebruiken doen toenemen. Dit proces kan aanleiding zijn voor individuen, groepen of instituties om zich af te keren van de door democratische principes gestuurde samenleving. Het kan leiden tot schade aan relaties, zichzelf of anderen.” (Sieckelinck, 2016)

Welke signalen kunnen professionals oppikken wanneer er vermoedens zijn of iemand radicaliseert?

“Dat kunnen hele uiteenlopende signalen zijn. Maar we weten dat wanneer een jongere veel tegenstand ervaart in sociale zin, hij of zij zich onveilig en buitengesloten voelt. Dat is een belangrijke voedingsbodem voor wantrouwen. Een jongere wil immers altijd ergens bij horen en gewaardeerd worden. Wanneer een jongere geen vertrouwen meer heeft in zijn opvoeders, hulpverleners, leerkrachten of agenten kan het wantrouwen in de samenleving toenemen. Vooral wanneer hij ervaart
dat hij niet gelijk wordt behandeld.

Een voorbeeld wat we vaker onder jonge mannen zien is dat zij niet aan de bak komen, omdat er alleen maar vrouwen van kleur worden aangenomen. Dan wordt deze persoon kwetsbaarder voor boodschappen die dat versterken, en daarbij maakt het weinig uit welke afkomst je hebt. Een proces van verwijdering en vervreemding kan het gevolg zijn. Dan moet je als professional alert zijn. Daarnaast is er ook een enorm online-aanbod waar je ideologisch je gedachten gaat vormen. Wanneer jongeren uren online allerlei boodschappen op
zich afgevuurd krijgen over hoe bepaalde groepen niet thuishoren in Nederland, dan is een gesprek wel op zijn plek. Ook wanneer politieke tegenstanders worden weggezet als verraders van het volk. Andere
signalen zijn conflicten, ruzies omwille van andersdenkend: mensen met een andere levensstijl, die andere symbolen dragen en daarmee in conflict komen. Dat zijn duidelijk signalen. Vaak zijn er daarvoor al momenten geweest om in te grijpen.”

Wat kan een orthopedagoog doen?

“De orthopedagoog doet er goed aan om een beeld te vormen van de context van zo’n jongere. In welke familie groeit hij op? Welke invloeden ervaart hij? Dat impliceert dus dat het van belang is in de familie zelf contacten aan te knopen en te investeren in affectieve professionaliteit. Pas dan kun je een beeld vormen van de context die invloed heeft op de
jongere. Wie staan er om de jongere heen waarbij we kunnen aanhaken om wat tegengewicht te bieden? Een voorbeeld is verandering van een patroon. Maar daar moet altijd nog betekenis aan gegeven worden. Dus is het goed om rond te vragen of iemand anders ook een probleem ziet. Daarbij is het eveneens goed om – zeker bij voorzichtige signalen – de ontwikkelingsgerichte bril op te houden. Niet gelijk opschalen om onnodige escalatie te voorkomen. Stel dat iemand vindt dat bepaald geweld geoorloofd is, ga dan juist in gesprek. Hoe zit dat? Waarom?
Heeft diegene zelf wel eens geweld meegemaakt? Kan het ook om pesten gaan of verwaarlozing? Of om een andersoortig trauma? Daar hebben we aanpakken voor. Vaak is er ook een levensstijlcomponent.

 

Heeft iemand een minimaal gezonde levensstijl? Hoe gaat iemand om met schermtijd? Onze hersenen zijn namelijk ongelofelijk gevoelig voor
digitale content.

Verwacht geen wonderen na enkele gesprekken. Jij gaat niemand succesvol overtuigen van je eigen wereldbeeld. Wees tevreden met kleine stapjes. Het gaat om toenadering zoeken en werken aan
de relatie met de jongere en met de nauw betrokkenen. Waar zijn ingangen op basis van gedeelde interesses op basis waarvan je kunt
bouwen aan het ontwikkelingsaspect? Het contextgericht werken kun je vanuit verschillende scenario’s uitvogelen, waarmee je vooruitgang
boekt met de jongere en andere belangrijk mensen in zijn of haar omgeving.”

Welk advies kun je geven aan orthopedagogen/opvoeders/professionals?

“Wees niet bang voor radicalisering. Angst gaat in de weg staan van heldere observatie en analyse van degene die je voor je hebt. Zie radicalisering als een ontwikkelingsvraagstuk.

Wees niet bang voor extreme uitspraken of extreme gedragingen, want eigenlijk is het een kreet om aandacht en een hulpvraag. Ik ken heel weinig casussen waarbij oprechte ondersteuning van een professional heeft geleid tot meer geweld, meer bedreiging of meer onveiligheid.

 

 

 

 

Er zijn juist casussen bekend waarbij door een professional vanuit interesse is gehandeld, de juiste vragen zijn gesteld en zo het verschil kon worden gemaakt. Belangrijk is om je te verdiepen in waarom die gedachten aantrekkelijk zijn voor een jongere. Dan kun je je inleven en tegelijk ondersteuning organiseren om het contact te herstellen of te verbeteren.”

 

tekst: Marijke Buisman

pedagogiek & politiek


 

‘Bewaar rust en blijf bij wat je met elkaar hebt bedacht’

In alle gemeenten in Nederland wonen gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Hoewel er effectieve interventies bestaan om deze gezinnen te helpen, zitten in de praktijk nog veel gemeenten en hulpverleners met de handen in het haar. Een gesprek met Jana Knot-Dickscheit, hoofd van het Expertisecentrum Gezinnen met meervoudige en complexe problemen.

 

Lees meer

Gezinnen met meervoudige en complexe problemen staan meer dan ooit in de schijnwerpers. Het zijn stuk voor stuk gezinnen met een hoog zorggebruik, die tegelijkertijd veel vragen van de kwaliteit van
zorg in een tijd van krappe budgetten en grote tekorten.

Het Expertisecentrum van Jana Knot-Dickscheit en collega’s ondersteunt met raad en daad en publiceert over het onderwerp. Zo verschijnt in oktober het themanummer Gezinnen met meervoudige en complexe problemen in het Nederlandstalige open access tijdschrift Jeugd in Ontwikkeling.

Hoe ben je betrokken geraakt bij deze gezinnen?

“Dat is geleidelijk gegaan”, vertelt Jana. Tijdens haar studie in Duitsland kwam ze als stagiaire bij een gezin waar al meerdere kinderen uit huis waren geplaatst, toen ook het jongste kind dat lot moest ondergaan.

“Een drama voor de ouders, en enorme hulpeloosheid bij de hulpverleners. Dat is mij sterk bijgebleven, dat zou toch anders moeten en kunnen! Op mijn werk hier bij de universiteit werden we
vervolgens steeds vaker door praktijkorganisaties benaderd om mee te denken over ‘doen we het goede, doen we het op de goede manier en zijn we wel echt betekenisvol voor deze gezinnen?’. Zo raakte ik steeds meer betrokken en hoop vurig dat we voor de kinderen die in deze gezinnen opgroeien weer een perspectief kunnen creëren.”

Hoe kun je deze gezinnen omschrijven?

Jana ziet een aantal overkoepelende kenmerken. “Zo is er een opeenstapeling van problemen op verschillende levensgebieden, zoals opvoedingsproblematiek én psychische problemen van ouders en tegelijkertijd armoede én problemen op school. Problemen die vaak al langere tijd aanwezig zijn, elkaar versterken en een chronisch verloop hebben, soms tussen generaties en over generaties heen.

 

Eerdere ingezette hulp heeft onvoldoende duurzame oplossingen opgeleverd. Gezinnen komen er zelf niet meer uit. Deze gezinnen hebben onvoldoende buffers, geen sociaal netwerk. De complexiteit ontstaat ook door hoe wij hulp hebben ingericht in al die hokjes. Je bent voortdurend brandjes aan het blussen, hoewel bijvoorbeeld bestrijding van armoede om structurele oplossingen vraagt.”

Vertragen en verdragen

In deze gezinnen is het de kunst om te vertragen en te verdragen. Hulpverleners hebben sterk de neiging om direct op de problemen af te gaan. Juist waar het ingewikkeld is, al veel is geprobeerd en eerdere hulp weinig effect heeft gehad, daar is het nodig om een pas op de plaats te maken.

 

Jana: “Luister aandachtig naar de ouders en kinderen, welke shit ze hebben meegemaakt en hoe ze het überhaupt hebben overleefd. Luister naar al die ervaringskennis. Ga met alle gezinsleden –
denk ook aan de (stief)vader – aan tafel, maar ook met iedereen individueel. Ga niet louter op symptoomgedrag af, zoals ‘we hebben hier een agressief kind, of een ouder die niet mee wil werken’, maar neem de tijd, analyseer, ga in gesprek en stem goed af met andere hulpverleners en het gezin.”

Behalve vertragen moet je ook verdragen. Dus af en toe verdragen dat het niet helemaal honderd procent goed gaat, dat er op een bepaald gebied soms een crisis is.

Jana: “Gooi dus niet elke keer je hele aanpak overboord omdat er net op een bepaald gebied een bepaalde crisis is. Bewaar rust en blijf bij wat je met elkaar hebt bedacht!”

Verklarende Analyse (VA)

“Voordat je hulp gaat inzetten, maak je een analyse waarmee je probeert te verklaren hoe problemen zijn ontstaan en hoe het kan dat ze voortduren”, vertelt Jana. “Tegelijkertijd kijk je ook wat factoren
of omstandigheden zijn die bijdragen aan positieve ontwikkeling of positief gedrag. Inherent aan een VA is dat gezin en kind zich in de analyse herkennen, deze delen en ook, dat als je met andere
professionals samenwerkt, zij deze analyse dragen. Op basis daarvan kom je weer tot perspectief voor kind en gezin, kun je prioriteren en een gezamenlijk plan maken. Je moet hiervoor echt klinisch redeneren, daar komt de orthopedagoog om de hoek kijken. Ook in de Richtlijn uithuisplaatsing en terugplaatsing – onze gezinnen komen vaak met jeugdbescherming in aanraking – is de VA opgenomen. Het hoort gewoon bij onze beroepsstandaard.”

Effectieve interventies en onderzoek

Er is landelijk onderzoek gedaan naar de werkzame elementen van interventies bij zware opvoedproblematiek en voor gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Wat kwam daar zoal uit?

Jana: “Dan zie je dat deze interventies veel gemeenschappelijke kenmerken hebben, zoals het belang van een gezamenlijk plan, werken aan opvoedingsondersteuning en praktische ondersteuning. We hebben helemaal geen nieuwe interventies nodig, maar moeten beter worden in wat we al doen. Dus onderzoeken we bijvoorbeeld in een door ZonMw gefinancierd project op welke momenten en hoe intensief je elementen van interventies moet inzetten toegepast op de vraag van
het gezin. En we kijken steeds meer naar gepersonaliseerde zorg. Beter luisteren naar ouders en kinderen is belangrijk. We maken binnen het
ZonMw project gebruik van de iamYu app. In de app kunnen kinderen en ouders dagelijks aangeven hoe het met hen gaat op de voor hen belangrijke doelgebieden. En de betrokken hulpverlener geeft na elk contact met het gezin aan wat hij/zij/hen heeft gedaan.”

Veel van deze gezinnen hebben een langdurige vorm van ondersteuning nodig. Dat hangt samen met de aard en de chroniciteit van de problemen: psychiatrische problematiek, verslaving, ouders met een licht verstandelijke beperking.

Jana: “Daar moet je langdurige flexibele zorgarrangementen voor bedenken. Zo is bij verslavingsproblematiek het terugvalrisico erg groot. En als we bij ouders met lvb willen dat kinderen thuis opgroeien, dan moeten we er zo lang bij blijven totdat die kinderen op eigen benen staan.”

Praktische ondersteuning

Deze gezinnen hebben een grote behoefte aan praktische ondersteuning. Jana benadrukt dat hulpverleners zelf ook de handen uit de mouwen moeten steken: “Als je in zo’n gezin komt en je ziet dat het een en al chaos is, dan kun je zeggen ‘je moet opruimen’, maar je kunt dan beter zelf meehelpen en samen die afwas doen. Tijdens de afwas kun je meteen ook een heleboel met die ouders bespreken. En voordoen, oefenen, daar gaat het ook om.”

Multidisciplinair samenwerken

Interventies hebben pas echt kans van slagen als onderling goed wordt samengewerkt. Niet verschuilen achter de protocollen van je instelling. Samen met andere hulpverleners werken aan een gedeeld perspectief en één plan met het gezin.

Jana: “Dat is een hele klus waarbij een grote rol voor orthopedagogen is weggelegd. Want als orthopedagoog denk je vanuit het systeem. Dat kan het sociale systeem zijn, maar ook ons hulpverleningssysteem. Als iemand door alle ondersteuning weer in staat is vrijwilligerswerk of betaald werk op te pakken, dan is het fijn als je bij een gemeente een goed aanspreekpunt hebt die meteen hierin meedenkt. Ook zien we bij veel gezinnen dat ouders door eigen jeugdervaringen of door partnergeweld zijn getraumatiseerd, tegelijkertijd zie je dan ook dat veel kinderen beschadigd zijn.

 

Dan is het belangrijk om gespecialiseerde hulp zoals traumabehandeling in te kunnen zetten. Als het hoofd van ouders vol is, en ze zo beperkt worden door eigen problematiek, dan kan ik wel tig keer over opvoeding beginnen, maar daar is dan geen ruimte voor.”

“Tegelijkertijd kunnen we niet alle hobbels wegnemen. Het is aan ons om kinderen vaardigheden aan te leren waarmee zij de komende
jaren en in hun volwassen leven verder kunnen. Als je luistert naar ouders en kinderen, hoor je ook steeds dat ze het belangrijk vinden dat het sociaal netwerk erbij betrokken wordt. Dus als dat netwerk onvoldoende bestaat of functioneert, kunnen we ze helpen om dat op te bouwen en beter te onderhouden.”

 

Tompoezeneffect

Een samenhangend aanbod van preventie en interventie is essentieel.

Jana: “Anders doet het ‘tompoezeneffect’ zich voor. Als je preventie afknijpt, dan merk je uiteindelijk dat meer mensen problemen ontwikkelen die specialistische hulp nodig hebben. En als je de achterkant dichtknijpt, zie je dat preventie het niet voldoende kan oplossen. GGD – consultatiebureaus – en onderwijs zijn belangrijk om problematiek vroegtijdig te signaleren. Maar er moet nog veel meer gebeuren. We moeten van al die hokjes af en proberen de zorg eenvoudiger te organiseren. En wat echt scheelt, stop met die wirwar aan armoedebestrijdingsinitiatieven. Zorg ervoor dat iedereen een fatsoenlijk inkomen of een uitkering heeft waarvan je écht kunt leven. Kinderopvang dient gratis te zijn.”

tekst: John Smeets
tekening: Lily Woolderink (9 jaar)
foto: Ronald Zijlstra

 

‘Als je ziet dat het bij een gezin een en al chaos is, kun je zeggen “ je moet opruimen”, maar je kunt beter meehelpen en samen die afwas doen.’

Expertisecentrum

Het Expertisecentrum Gezinnen met meervoudige en complexe problemen is gespecialiseerd in onderzoek, onderwijs, advies en netwerk m.b.t. gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Het GMCP werkt samen met diverse regionale en landelijke partners.

Kijk voor informatie en webinars op www.rug.nl/gmw/expertisecentrum-gmcp/

meer lezen

  • Gezinnen met meervoudige en complexe problemen. Theorie en Praktijk. Onder redactie van Jana Knot-Dickscheit en Erik Knorth (2019), Lemniscaat.
  • In oktober verschijnt een themanummer over gezinnen met meervoudige en complexe problemen van het gratis tijdschrift Jeugd in Ontwikkeling. www.jeugdinontwikkeling.nl
  • Richtlijn Gezinnen met meervoudige en complexe problemen: www.richtlijnenjeugdhulp.nl/gezinnen-met-meervoudige-en-complexeproblemen

gegrepen


 

Nu ben ik 18

Samen met mijn zoon van bijna achttien kijk ik naar een preview van de teledoc ‘Nu ben ik 18’. Over twee alleenstaande minderjarige vreemdelingen, die in de opvang beste vrienden zijn geworden. Issa is al achttien, Hamidi bijna. Als het goed is, hebben ze via het COA begeleiding gekregen om vanaf dat moment zelfstandig te zijn. Is dat ook zo?

 

Lees meer

Issa – rechts op de foto – is zestien jaar als hij de oorlog in Syrië ontvlucht, zonder zijn ouders. In Nederland komt hij terecht in de beschermde minderjarigenopvang in Amsterdam. Hier ontmoet hij Hamidi en tussen beiden ontstaat een hechte vriendschap.

Stil

Dan wordt Issa achttien, wettelijk volwassen, en overgeplaatst naar het azc in Maastricht. Hij belandt zonder steun in een onbekende stad. We zien hem in z’n eentje op zijn kamer. Hij belt regelmatig met zijn
familie, ze hopen op gezinshereniging. Issa weet dat hij dit niet kan bespoedigen, maar voelt de druk van zijn familie. Hij zegt dat hij zijn moeder mist, dat hij haar graag wil zien, maar niet weet wat hij kan
doen. Er klinkt vaak ‘insjallah’, ‘als God het wil’. Na elk gesprek is Issa stil. Mijn zoon en ik voelen zijn machteloosheid en gemis.

Later bezoekt Issa zijn vriend Hamidi in Amsterdam. Met een grote glimlach omhelzen ze elkaar. “Ik heb je gemist.” Issa mist ook het samenleven met andere jongeren. Niemand die hij kent is bij hem, vertelt hij. Hij zit alleen op zijn kamer in plaats van met vier of vijf anderen, zoals in de opvang. “Die tijd is op, ik moet alles zelf doen en alles zelf leren.” Zoals koken, de was doen en op de juiste datum en tijd naar de IND.

Weer verhuizen

De achttiende verjaardag van Hamidi nadert. Zijn voogd komt praten over de toekomst. Hij vertelt haar dat hij stress heeft, omdat hij niet weet waar hij komt te wonen. Het COA beslist daarover. In een volgend fragment krijgt hij te horen dat hij doorstroomt naar een azc en binnen twee dagen moet vertrekken naar Rotterdam. Zijn leven staat op z’n kop. Tegelijkertijd moet Issa weer verhuizen, dit
keer naar Almere

In een van de laatste fragmenten zien we Issa en Hamidi samen in Rotterdam. Hamidi vertelt dat zijn leven gestopt is. En Issa zegt dat Hamidi nu eindelijk begrijpt wat hij vanaf zijn achttiende heeft
ervaren. Een schrale troost.

Gedumpt

Mijn zoon en ik praten na over wat we gezien hebben. “Heftig”, vindt hij. “Ze worden eigenlijk gewoon gedumpt, ze krijgen een dak boven hun hoofd en de rest moeten ze maar uitzoeken.” Hij voelt feilloos het verschil met zijn eigen situatie, dat hij zijn ouders heeft om op terug te vallen en om hulp aan te vragen als dat nodig is. “Zij hebben niemand, echt bizar.”

tekst: Marleen Baeten
beeld: Zouka

Nog even wachten… De teledoc Nu ben ik 18 van Sarah Vasen is op 2 december (terug) te zien bij de NTR op NPO 2.


Alleenstaande minderjarige vreemdelingen zijn jongeren die alleen of samen met andere kinderen of ‘vreemde’ volwassenen naar Nederland komen en hier asiel aanvragen. Op de website van de rijksoverheid en het COA staat dat zij een voogd krijgen tot ze achttien jaar zijn of uit Nederland weggaan. En begeleiding bij hun ontwikkeling naar volwassenheid, zodat ze op hun achttiende zelfstandig kunnen wonen in een azc, het land van herkomst of een eigen huis in Nederland.

casus


Beweging-als-houvast

Wederkerigheid als basis
voor ontwikkeling en
gedragsverandering

In februari 2024 zijn Sonja Graafstal en Carine Heijligers samen gepromoveerd op de methode Beweging-als-houvast. Beiden geven op hun eigen werkplek adviezen en training aan professionals en ouders. Carine Heijligers als gedragsdeskundige binnen de onderwijs-zorgorganisatie Koraal Noordoost-Brabant. Orthopedagoog Sonja Graafstal als docent aan de Radboud Universiteit en het Radboud Centrum voor Sociale Wetenschappen. Voor de Pedagoog doen zij verslag.

 

Lees meer
In het begin van ieders leven is bewegen een belangrijk communicatiemiddel. Hier wordt de basis voor het afstemmen op de beweging van de ander gelegd.

Leraar speciaal onderwijs Paul zucht als hem gevraagd wordt naar de ontwikkeling van Patrick. “Hij mag dan wel negen jaar zijn, maar daar lijkt het niet echt op. Hij praat dwars door de andere kinderen heen, roept luidkeels door de klas zonder zijn vinger op te steken en ik moet wel tien keer zeggen dat hij zijn pen en schrift moet pakken en kan beginnen met zijn sommen. Tijdens het buitenspelen heeft hij vaak ruzie met andere kinderen en moet ik het brandje komen blussen. Ik heb al van alles geprobeerd, maar het lijkt wel of mijn woorden niet binnenkomen bij hem. Belonen voor goed gedrag werkt ook niet echt. Het effect is slechts kortdurend. Ik kan toch niet aan de gang blijven met stickers uitdelen of hem op de gang zetten en ruzietjes bijleggen?”

Het verhaal van leraar Paul is exemplarisch voor de verhalen die wij regelmatig horen. Bekwame professionals die, ondanks hun expertise en inzet, vastlopen in de omgang met kinderen en jongeren en merken dat hun woorden en/of cognitieve strategieën niet leiden tot gedragsverandering en ontwikkeling.

Beweging

Het vernieuwende van de methode Beweging-als-houvast is dat verbale en non-verbale communicatie middels beweging centraal staat.

Meestal wordt bij communicatie als eerste gedacht aan de manier waarop mensen verbaal op elkaar reageren en informatie uitwisselen, dat blijkt ook uit het verhaal van leraar Paul. Maar dat is niet de enige
manier om contact te maken. We weten dat ook lichaamstaal een belangrijke rol speelt in de communicatie binnen een relatie. Denk bijvoorbeeld aan je houding, je mimiek en gezichtsuitdrukkingen of gebaren en stemvolume. Wanneer we met iemand prettig contact hebben, dan stemmen we onbewust onze houding en bewegingen op elkaar af. We gaan op dezelfde manier zitten als de ander of we verhogen eveneens ons stemvolume om daarmee te laten zien dat we meevoelen met het enthousiasme van de spreker.

De term ‘lichaamstaal’ kan ons echter op het verkeerde been zetten, want het dekt niet helemaal de lading van wat wij verstaan onder het ‘niet-verbale deel’ van communicatie. Daarom spreken we liever over de beweging van een persoon in de communicatie.

Afstemming op elkaar

De basis voor het afstemmen op de beweging van de ander wordt gelegd in de periode direct na de geboorte. Het leven van ieder mens begint met een periode waarin bewegen het belangrijkste instrument in de communicatie vormt. Ouders en baby’s stemmen op elkaar af middels geluiden en bewegingen.1 Een baby die een geluidje maakt als “uuuhh uuuhh”, nodigt de ouder uit om dit te herhalen met “uuuhh, uuuhh”. Aan de trappelende beentjes van de baby kan de ouder aflezen hoe de baby zich voelt. De ouder kan hierop reageren door in hetzelfde ritme mee te bewegen met hoofd en handen of door enthousiast en blij te gaan praten.

Op deze manier geven ouders en baby’s elkaar de boodschap door ‘ik zie jou’ en ‘ik hoor jou’. Omgekeerd kan de ouder zelf ook een beweging initiëren die door de baby gevolgd wordt, zoals een geluidje maken of met de armen zwaaien waardoor de baby uitgenodigd wordt om dat te volgen.

Volgen

Ontwikkelingsmijlpalen zoals joint attention, samenspelen of luisteren en een taak opvolgen, zijn allemaal gebaseerd op het kunnen volgen van de ander. Bij joint attention, dat wil zeggen gezamenlijke of gedeelde aandacht, kijken ouder en kind bijvoorbeeld naar hetzelfde speeltje. Voor joint attention is het nodig dat je de kijkrichting van de ander kunt volgen en dat je gevolgd wordt in jouw kijkrichting door de ander. Voor samenspelen is het nodig dat je het initiatief van de ander kunt volgen en zelf ook een inbreng kunt hebben. De complexiteit van samenspelen is weliswaar van een andere orde dan joint attention, maar in de kern gaat het steeds om volggedrag en initiatiefname. De basis hiervoor wordt gelegd in de eerste periode van het leven, waarin volggedrag en gevolgd worden vooral gebaseerd zijn op beweging.

Sonja Graafstal

 

Aangeboren vermogen

De frustratie van leraar Paul is heel goed te begrijpen. We zijn zo gewend binnen de hulpverlening om probleemgedrag centraal te stellen en te proberen daar verandering in aan te brengen, dat het niet voor de hand ligt om eerst naar de wederzijdse bewegingen van de interactiepartners te kijken. Onze ervaring heeft geleerd dat hierin toch de oplossing ligt en dat ontwikkeling op gang gebracht kan worden. Dit komt omdat bewegen en het kunnen volgen van de beweging van de ander een aangeboren vermogen is van ieder mens. We kunnen daar altijd gebruik van maken, ongeacht type probleemgedrag, leeftijd of DSM-classificatie.

We zien in de praktijk dat het ontbreken van wederkerigheid geen kwestie hoeft te zijn van onwil of verzet, maar eerder van onvermogen en soms van toevalligheden. Een baby met een lage snelheid van bewegen, zal een ouder met een hoge snelheid van
bewegen moeilijker kunnen volgen, dan wanneer de bewegingssnelheid van beiden ongeveer gelijk is. Er is niemand schuldig, het is meer een ongelukkige match tussen deze ouder en dit kind.

 

Menno krijgt meer oog voor de ander

Menno (21) woont bij zijn ouders, samen met zijn twee broers van 23 en 20 jaar. In zijn dossier is sprake van de classificaties verstandelijke beperking en autisme. De problemen die de ouders met Menno ervaren, concentreren zich rondom een gebrek aan wederkerigheid, een zeer zwakke zelfregulatie en een hoge mate van zelfbepalend gedrag.

Als Menno iets wil, dan moet het per se op zijn manier en zijn tijd gebeuren. Zo niet, dan wordt hij boos, gaat gooien, schreeuwen en schoppen. Zo’n bui kan vijftien minuten duren, maar ook enkele uren. Dit komt meermalen per week voor en wordt ook op de dag- en weekendopvang herkend. De ouders vrezen dat het vinden van een passende woonomgeving voor Menno in de toekomst een moeilijke opgave zal worden, wanneer zij de zorg niet meer zelf zouden kunnen bieden.

Structuur

De eerdere hulpverlening in het gezin concentreerde zich op het aanbrengen van structuur in de vorm van picto’s, afstreeplijsten, alarmsignalen en adviezen aan ouders over het omgaan met het zelfbepalende gedrag van Menno. Na vier jaar is deze vorm van hulpverlening stopgezet, wegens het ontbreken van vooruitgang.

Volgens de ouders werkte het niet, want óf Menno zette zelf de wekker vooruit als hij de activiteit te lang vond duren en de wekker nog niet was gegaan, óf hij streepte bij de dagplanning alles af, ook al was het niet gedaan. De ouders: “Eigenlijk
moesten wij ook een beetje autistisch worden om beter te passen bij Menno, daar kwam het op neer. Want, werd er gezegd, Menno kan zich niet aanpassen, dat moeten jullie doen.”

Wederkerigheid

Joram, de hulpverlener die volgens Beweging-als-houvast met Menno gaat werken, richt zich op het ontwikkelen van wederkerigheid. Want het zelfbepalende gedrag van Menno was terug te voeren op het ontbreken van volggedrag van Menno. In feite waren de ouders voortdurend Menno aan het volgen.

Joram is begonnen bij de basis van wederkerigheid, namelijk een gezamenlijke kijkrichting en joint attention creëren door samen boekjes te lezen. De kijkrichting wisselt dan tussen wat beiden aanwijzen in het boekje. Zo ontstaat er bij Menno een eenvoudige vorm van volgen, namelijk Jorams beweging bij het aanwijzen en zijn hoofdbeweging en kijkrichting volgen.

Vanuit dit volggedrag ontstaan er in de loop van de tijd nieuwe structuren op een complexer gedragsniveau. Menno krijgt meer oog voor de mensen om hem heen en kan wat beter omgaan met onvoorspelbaarheid en variaties in het dagprogramma. Uiteindelijk kan er voor hem een passende woonruimte buiten het gezin worden gevonden.

De ouders vertellen dat ze blij zijn met hoe het met Menno gaat. “Het was lange tijd ondenkbaar dat Menno aandacht en belangstelling voor de ander zou hebben. Nu genieten we elke keer van zijn gezelligheid en vrolijkheid. De moeilijkere momenten zijn minder geworden, duren korter en zijn beter te verdragen en om te buigen. Voor ons is deze methode een geschenk uit de hemel geweest.”

(Deze casus is volledig beschreven in ons proefschrift,
hoofdstuk 3B.)

Carina Heijligers

 

Filmfragment

Concreet betekent dit dat wij, bij aanmelding of een vraag om advies, een kort filmfragment bekijken van de interactie tussen een jeugdige en de professional of ouder. We analyseren de wederkerigheid van de interactie en geven vervolgens advies aan de hulpgever. Hoe kan deze zijn bewegingen zo aanpassen aan de jeugdige, dat volggedrag of initiatiefname ontlokt kan worden? In een volgende sessie bekijken we of de interventie is ingezet zoals bedoeld en analyseren we de reactie van de jeugdige. Zo monitoren we of de ontwikkeling de gewenste
kant op gaat. In het voorbeeld van leraar Paul en leerling Patrick zou het best kunnen dat we Paul voorstellen om zijn bewegingssnelheid te vertragen, zodat Patrick zijn opmerkingen beter kan volgen.
Bijvoorbeeld door langzamer te praten of langer te wachten op een reactie van Patrick.

Ons promotieonderzoek bevat tien uitgebreide casussen. In de casus van de 21-jarige Menno past hulpverlener Joram de methode Beweging-als-houvast toe om de wederkerigheid tussen Menno en
zijn ouders te bevorderen (zie kader).

 

tekst: Sonja Graafstal en Carine Heijligers
foto: Gerben Pul


Daniel Stern (1985/2000). The interpersonal world of the infant, Routledge.

Meer weten over Beweging-als-houvast?

gast


 

‘Toen jij op vakantie was, kon ik ook ontspannen’

Die had ik niet zien aankomen. Ik hoorde het van twee afzonderlijke moeders na afloop van mijn eerste week vrij, nadat ik was begonnen bij het Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire (OT).

 

Lees meer
Jan Pieter Meijer

Ik had zorgvuldig een overdracht geschreven, de ouders ingelicht wie ze konden bellen en in een enkel geval had ik op hun verzoek een collega geïnformeerd over de actuele ontwikkelingen. Ik kon ontspannen op vakantie.

Eyeopener

Na mijn vakantie hoorde ik dus tot tweemaal toe het zinnetje: ‘Toen jij op vakantie was, kon ik ook ontspannen.’ De zoveelste eyeopener in mijn werk bij het Ondersteuningsteam.

Ik vond het een prachtige en leerzame reflectie. Leerzaam voor mijzelf, want was ik echt wel gerust toen ik op vakantie ging? Voelde ik mij stiekem toch een beetje onmisbaar? Toch een beetje die redder? Gelukkig verliep alles goed, op een natte en veel te koude vakantie na.

Triggeren

De uitspraak zette mij aan het denken. Ik sta vanuit het Ondersteuningsteam met een unieke positie van steun naast ouders. Maar ik sta er natuurlijk niet voor niets. Vaak is er naast financiële en bureaucratische problemen van alles aan de hand in de communicatie met betrokkenen professionals waar ze op een of andere manier afhankelijk van zijn en/of tegen hun zin in mee te maken hebben. Hun meningen en hun juridische positie en macht. Denk aan een bewindvoerder, jeugdbeschermer, consulent, orthopedagoog, ex-partner. Mensen die getraumatiseerde ouders zomaar, onbewust, enorm kunnen triggeren.

Realiteit

En ik dan? JP van het OT is toch neutraal? Is toch juist steunend? Niet bedreigend? Ja, dat klopt gelukkig in de meeste gevallen. Maar ook ik, en daarmee ben ik weer een les rijker, ben een link naar de shit. De stress. Het gedoe. De spanning. Als dat er niet was geweest, was ik er ook niet. Als alles soepel liep en ze zich begrepen voelden, was ik niet nodig.

En hoewel ik helemaal niet wekelijks contact heb met deze twee moeders, was het feit dat ik op vakantie was rustgevend voor hen. JP zal niet bellen, geen geïnteresseerd appje sturen. Een vriendelijk appje, maar toch een die weer een deur opent naar de realiteit die vaak pijnlijk en vermoeiend is. Omdat we bij het OT vaak meegenomen worden in de communicatie met instanties, zeker wanneer dat contact als moeilijk wordt ervaren, zou dat contact
opschuiven tot na mijn vakantie. Dat deze communicatie door mijn vakantie zou uitblijven, ook dat gaf rust.

Invloed en macht

‘Wanneer jij op vakantie bent, kan ik ook even ontspannen.’ Ik hoop dat deze quote het bewustzijn vergroot over je positie van invloed en macht. Macht over de financiën, kinderen, wonen en perspectief
van ouders.

Ik hoop ook dat we beter beseffen wat onze aanwezigheid voor een ander betekent. Wat voor ons ‘werk’ is, kan voor de ander een onnatuurlijke betrokkenheid bij hun leven zijn. Een teken van verminderde autonomie en minder zelfredzaamheid. Een bedreiging? Of juist afhankelijkheid? Je bent of voelt je misschien onmisbaar als professional. Weet jij wat jouw aanwezigheid, én afwezigheid(!), voor de ander betekent? Vraag het eens!

tekst: Jan Pieter Meijer, procesbegeleider van het
Ondersteuningsteam Uithuisplaatsingen Toeslagenaffaire. Eerder werkzaam als jeugdbeschermer in de crisisdienst bij Jeugdbescherming Gelderland.

foto: Joshua Rood

boeken &zo


 

Boeken &zo: Inspiratie en inzicht voor pedagogen

Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.

 

Lees meer

 

ACT met kinderen

Tamar Black biedt met ACT met kinderen een toegankelijke gids voor therapeuten die werken met kinderen. Ze legt de kernprocessen van Acceptance en Commitment Therapie (ACT) helder uit, waardoor het geschikt is voor zowel beginnende als gevorderde ACT-therapeuten. Een fijne bijkomstigheid zijn de werkbladen die te downloaden zijn voor gebruik met kinderen en ouders. Zo zijn de oefeningen makkelijk in de praktijk in te zetten. Een sterk punt is de nadruk op ouderbetrokkenheid. Bij elk ACT-proces wordt via ouders de vertaalslag naar de thuis- en of schoolomgeving gemaakt.

Leuk zijn ook de aangepaste metaforen, die aansluiten bij de leefwereld van kinderen. Maar in tegenstelling tot wat de titel doet verwachten, is mijn inschatting dat de meeste oefeningen het best bruikbaar zijn voor kinderen vanaf zeven jaar. Een groot deel vraagt een niveau van zelfbewustzijn en taalbegrip dat bij jongere kinderen nog niet is ontwikkeld. Er zijn een paar uitzonderingen, zoals de bellenblaasoefening.

De Amerikaanse achtergrond van de auteur is soms merkbaar. Bijvoorbeeld in het advies om altijd ouderlijke toestemming te vragen voor het gebruik van muziek in therapie, vanwege een mogelijke religieuze achtergrond waarbij dit niet is toegestaan. Dit soort adviezen voelen soms overbodig aan.

Kortom, ACT met kinderen is een nuttig en toegankelijk (werk)-boek, vooral voor het werken met kinderen vanaf zeven jaar, en biedt waardevolle tips en inzichten voor therapeuten.

tekst: Rianne van Kesteren

ACT met kinderen: De praktische toepassing van Acceptance en Commitment Therapie bij 5- tot 12-jarigen (2023) van Tamar D. Black is een uitgave van Boom.

 

Marionettenbestaan

In zijn historische jeugdroman Kermiskind neemt Jacques Vriens (1946) je mee naar Nederland honderd jaar geleden. Het is 1925, de Titanic is net gezonken, hagelslag en de stomme film zijn nieuwigheidjes. Voor ieders vermaak trekken er kermiswagens rond, van dorp naar dorp. Met een zweefmolen, vlooientheater en spookhuis.

Rosa (13) staat met haar familie – vader, moeder, oma, oom en tante – op de kermis met theater Vonkestein. Ze speelt al van kleins af aan mee, maar met steeds meer tegenzin. Past ze eigenlijk wel op de planken? Als een echte puber verzet Rosa zich tegen haar ‘marionettenbestaan’. Ze wil niet langer de rollen spelen die haar vader opdraagt, op een manier zoals hij het wil.

Rosa’s beste vriend is Teunis (18), de enige medeacteur buiten de familie. Hij speelt veel vrouwenrollen, tot groot plezier van het publiek. Als Rosa Teunis ziet zoenen met Wolter – ze wist niet dat dat kon! – legt hij uit wat homoseksualiteit is. En dat hij volgens artikel 248bis van het wetboek van strafrecht niet met een jongen mag zoenen, omdat hij nog geen 21 is. Rosa en haar vrijgevochten
oma maakt het niet uit. Maar oom Gerrit noemt Teunis ‘mietje’ en wil van hem af.

Wil je weten of het de twee kermiskinderen lukt om zichzelf te mogen zijn? Lees dan dit spannende boek, het liefst met de hele klas. Kermiskind is geschikt voor kinderen vanaf tien jaar. Er is ook
een lesbrief. https://bit.ly/3ZihFZ5

tekst: Annemiek Haalboom

Kermiskind (2024) van Jacques Vriens is een uitgave van Van Holkema & Warendorf.

 

Meer dan een dossier

Bijzonder, dit boek over de levens van kinderen die in de jaren ’90 naar school gingen op de Pionier, behorend bij het toenmalige Paedologisch Instituut (PI) in Duivendrecht. Ik woonde er destijds, als student op kamers, een paar honderd meter vandaan.

De klas van meester Wilfred, geschreven door diezelfde meester samen met oud-collega Henk Fibbe, biedt een inkijkje in de levens van de kinderen die bij hem in de klas zaten. Dertig jaar na dato begonnen de auteurs een zoektocht naar deze kinderen. Hoe is het hen vergaan en hoe kijken ze terug op de periode bij het PI? Met tien kinderen van toen hebben ze gesprekken gevoerd. Het levert indringende portretten op, gevangen in verhalen over de periode voor, op en na het PI. Verhalen over misstanden en afhankelijkheid, over twijfel en verdriet, maar ook over ontwikkeling en perspectief.

Zoals de jongen voor wie de plaatsing bij het PI niet de eerste is, en verzucht dat het nooit went. Vreemde mensen, vreemde kamers, vreemde afspraken, het is zo anders dan thuis. Het enige wat steeds hetzelfde blijft is hijzelf. Of het meisje dat het niet zo heeft op hulpverleners. Ze heeft het gevoel dat zij alleen op afspraak in haar geïnteresseerd zijn. Voor hen is ze werk, ze krijgen geld om met haar te praten. Juist de terugblik van de kinderen zelf maakt dit boek waardevol. Hun woorden zeggen meer dan een dossier.

tekst: Marleen Baeten

De klas van meester Wilfred. ‘Als je leven een dossier is’ (2024) van Wilfred Woutersen en Henk Fibbe is een uitgave van St. Fibbe Studie Centrum voor Leerontwikkeling.

 

Emotioneel veerkrachtige leerkrachten

Femke Klomp (onderwijsadviseur, trainer en coach) en Maaike Steeman (gezondheidszorgpsycholoog) laten onderwijs, psychologie en gedragswetenschap samenvloeien in Psychologische flexibiliteit in het onderwijs. Hun boek over acceptance- en commitmenttraining (ACT) voor het onderwijs gaat vooral over hoe je als leerkracht met behulp van ACT allereerst zélf bewuster en veerkrachtiger kunt omgaan met jouw eigen emoties en kwetsbaarheden. Vervolgens komt ACT met leerlingen aan bod.

Er is veel aandacht voor de theoretische onderleggers van veerkracht, emotieregulatie en van ACT. Vervolgens maken de auteurs de koppeling met de dagelijkse praktijk van het omgaan met (emoties van) leerlingen in de klas. Er zijn veel praktijkvoorbeelden, oefeningen en ‘hoe zit dat bij jou’-opdrachten, die direct toepasbaar zijn. Een grote kracht van het boek is dat de rol van het zelf – wat breng jij mee als leerkracht? – uitgebreid aan de orde komt. Waardevol, want als je je eigen emoties en kwetsbaarheden (h)erkent, kun je uiteindelijk veerkrachtiger omgaan met je leerlingen. En ze zo helpen om op te groeien tot emotioneel veerkrachtige volwassenen.

De lezer moet er wel tijd en energie in willen steken, want veel oefeningen vragen een grote mate van zelfreflectie. Geen boek om even snel door te bladeren dus. Maar gezien de theoretische onderbouwing en de praktische toepasbaarheid is het een inzichtelijk en functioneel boek. Niet alleen voor leerkrachten, maar zeker ook voor andere onderwijsprofessionals zoals orthopedagogen.

tekst: Aafke Peeten-de Klein

Psychologische flexibiliteit in het onderwijs. Doen wat werkt met hart en ziel. Acceptatie- en commitmenttraining (2020/2024) van Maaike Steeman en Femke Klomp is een uitgave van SWP

de hoogleraar


 

‘Jaren geleden zijn we al overgestapt op single case-designs’

Evelien Poelen is per 1 mei benoemd tot bijzonder hoogleraar ‘Gepersonaliseerde zorg bij mensen met een licht verstandelijke beperking’. De leerstoel is een samenwerking van de Radboud Universiteit in Nijmegen en Pluryn, een landelijke organisatie voor hulp aan jongeren, volwassenen en hun gezinnen op het gebied van gehandicaptenzorg en jeugdhulp.

 

Lees meer
Evelien Poelen

Gefeliciteerd met je benoeming tot hoogleraar binnen de pedagogische wetenschappen. Om meteen maar met de deur in huis te vallen, je bent van huis uit gezondheidswetenschapper. Hoe verhoud je je tot de pedagogiek?

“Eigenlijk zit ik er tussenin. Ik ben geen pedagoog, maar direct na mijn afstuderen ben ik wel als promovenda pedagogische wetenschappen in Nijmegen terechtgekomen. Wat mijn beeld was bij de studie gezondheidswetenschappen is wat ik ben gaan doen. Toen ik ging studeren wist ik al dat ik graag achter de schermen in de zorg wilde werken, zonder zelf de hulpverlener te zijn. Na mijn
promotieonderzoek voelde ik opnieuw de drang om bij de zorg terecht te komen. Interventieontwikkeling was een belangrijk thema in de opleiding en daar ben ik ook in mijn werkende leven bij Pluryn veel mee bezig geweest.”

Hoe zorg je als onderzoeker voor de verbinding met de praktijk?

“Behandelaars bij Pluryn zijn elke dag al bezig met gepersonaliseerde zorg: wat heeft mijn cliënt nodig en hoe pas ik mijn handelen daarop aan? Wij sluiten daar in ons onderzoek bij aan. Pluryn heeft al jarenlang een eigen onderzoeksafdeling. Met deze leerstoel verbinden we Pluryn aan de Radboud Universiteit en versterken we de verbinding tussen wetenschap en praktijk.

Er wordt gekeken waar binnen de organisatie behoefte aan is, welke vragen er uit het veld komen. We kunnen onderzoek doen dat echt belangrijk is voor onze doelgroep en onze werknemers. Gedragswetenschappers zijn daarbij voor ons belangrijke sparringpartners. Onlangs heeft orthopedagoog-generalist Sanne de Baaij aangeklopt voor promotieonderzoek om zich door te kunnen ontwikkelen als scientist-practitioner. Dat zijn leuke projecten.”

Ik herinner me uit de studie pedagogische wetenschappen, als het om onderzoek ging, een focus op randomized controlled trials (RCTs), meta-analyses, grote studies. Voor jou is de N=1-studie belangrijk. Kun je dat toelichten?

“Ja, ik ben zelf ook grootgebracht met dat soort grote effectstudies. Bij Pluryn kwam ik erachter dat voor het toetsen van effectiviteit van interventies iets anders nodig was. Onze cliënten laten een samengaan van meerdere vormen van complexe gedragsproblematiek zien. Als je een RCT hebt waarin je een grote groep voor en na de interventie volgt, komt daar een gemiddeld effect uit, daar zijn zij niet mee geholpen.

Er is bij Pluryn vaak sprake van intensieve zorg, er zijn geen gigantisch grote groepen om te vergelijken en het is ook niet ethisch verantwoord om mensen omwille van het onderzoek op een wachtlijst te plaatsen. Jaren geleden zijn we daarom al overgestapt op single case-designs met een experimentele opzet, waarin een base line-fase gevolgd wordt door een interventiefase. Omdat je de cliënt eerst een periode volgt zonder en daarna mét interventie, kun je kijken of er verandering optreedt die te verklaren is door die interventie.

Een mooi houvast voor mij was een artikel van Heckler en collega’s van een paar jaar geleden.1 Dat artikel laat zien dat een small case paradigm veel dichter tegen de hulpverlening aan zit. Al ons onderzoek start vanuit het helpen van individuen, van daaruit kun je mechanismen ontrafelen en kennis generen die ook van toepassing is op anderen.”

En wil je daar in de opleiding ook wat in veranderen?

“In Nijmegen heeft dat al een plek in het curriculum. Er is een methode- en statistiekvak waarin individuele verandering en dynamische systemen worden behandeld. In het werkveld kom ik het ook meer tegen. Ik begeleid een klinisch psycholoog en zij vertelde dat in haar onderzoeksgroep steeds meer single caseonderzoek wordt gedaan. Dus het vindt steeds meer z’n weg. Een belangrijke steun in de rug was dat in de richtlijnen van Vilans en het NJi werd opgenomen dat niet alleen RCT’s, maar ook tien goed uitgevoerde single case-studies een sterke bewijskracht vormen in het erkenningstraject van nieuwe interventies.”

Kun je een voorbeeld geven van onderzoek binnen gepersonaliseerde zorg?

“Promovendus Daan Hulsmans deed een studie naar een cliënt met ernstig zelfbeschadigend en suïcidaal gedrag, waar ook agressie bij kwam kijken. Voor dit onderzoek heeft de cliënt ruim 500 dagen lang een dagboek bijgehouden. Het dagboek bijhouden is ook onderdeel van de dialectische gedragstherapie, aan de hand daarvan kijk je dan terug met je cliënt. Om de context mee te nemen hebben we de dagrapportages gebruikt die de medewerkers op de
groep bijhouden.

We hebben gevonden dat bij dit ‘moeilijk verstaanbaar gedrag’ geen directe relatie te vinden is tussen de meest aannemelijk geachte oorzaken (zoals trauma herbeleven, hallucineren, pijn ervaren, ziek zijn, negatieve stemming, familiaire spanningen) en gedrag. Het gedrag is dus niet te voorspellen of aan te zien komen. Dat maakt het complex, het is heel lastig om grip te krijgen op hoe het gaat met je cliënt.

Bemoedigend is dat we vonden dat er op de dag na therapie minder zelfbeschadiging voorkwam. Terwijl dit op dagen waarin onvrijwillige zorg toegepast werd juist meer voorkwam. Er wordt daarom ook ingezet op het verminderen van dwangmaatregelen, onvrijwillige zorg en het intensiveren van psychologische therapie.”

Hoe kun je mensen goed helpen als je niet weet wat de aanleiding tot bepaald gedrag is?

“Dat is lastig natuurlijk. In een ander project, dat ik samen met Sanne de Baaij uitvoer, kijken we naar het opbouwen van spanning bij cliënten. Dat herkennen cliënten zelf niet altijd en is aan de buitenkant ook niet altijd te zien. Hierdoor lijkt het plotseling op te komen. Wellicht dat met fysiologische meting betere signalering mogelijk is, cliënten dragen daarvoor een ‘slimme sok’ die door middel van huidgeleiding aangeeft dat spanning wordt opgebouwd. We verwachten dat deze slimme sok een extra bron van informatie zal zijn, waarmee we onze signaleringsplannen kunnen verbeteren.”

Tot slot. Vind je dat LVB voldoende aandacht krijgt in de opleiding?

“Het interessante is dat het wel vaak over gedragsproblemen gaat, maar niet zozeer over de doelgroep die ook een verstandelijke beperking heeft. Ik heb gemerkt, in de eerste jaren dat ik bij
Pluryn werkte en bijvoorbeeld scriptiestudenten begeleidde die bij ons onderzoek wilden doen, dat studenten verbaasd enthousiast werden bij de kennismaking met de doelgroep. Dat is voor mij
een belangrijke motivatie, die studenten orthopedagogiek zien wij natuurlijk graag als onze toekomstige gedragswetenschappers.”

tekst: Bart van Gent


  1. Why we need a small data paradigm (2019), Eric B. Hekler e.a.

opvoeders van nu


 

Mockingbird

‘Zoals spotlijsters vogelgezang imiteren, zo leren pleegouders van elkaar’

Mockingbird is een nieuwe werkwijze in pleegzorg. Pleeggezinnen die bij elkaar in de buurt wonen, vormen een netwerk voor onderlinge ondersteuning. Het doel is de stabiliteit in pleegzorg te bevorderen en overplaatsingen te voorkomen.

Roza Freriks en Maaike Rawie van Ondersteuning Pleeggezin, de stichting die Mockingbird implementeert in Nederland, vertellen over hun ervaringen.

Lees meer

Kleindochter Sarah ziet het meteen voor zich als ze de tekening voor dit artikel maakt. Mockingbird kinderen wonen volgens haar in verschillende vogelnesten in dezelfde boom, met één nest in het midden. Zo zijn ze dicht bij elkaar en groeien ze samen op. Een mooie metafoor voor de Mockingbird werkwijze,1 die sinds 2022 in Nederland in pleegzorg wordt toegepast.

De werkwijze komt uit Amerika en is ook ingezet en onderzocht in onder meer Engeland en Australië. Onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut laat zien dat de eerste ervaringen in Nederland positief zijn.2

Spotlijster

Wat is Mockingbird en heeft de naam een bepaalde betekenis? Dat vraag ik aan Roza Freriks, programmamanager, en Maaike Rawie, implementatiecoördinator van Mockingbird op het kantoor van Ondersteuning Pleeggezin in Utrecht.

Een mockingbird is een spotlijster die het gezang van andere vogels kan imiteren, vertellen ze. Vertaald naar pleegzorg: pleegouders kunnen van elkaar leren en dat is precies wat de werkwijze beoogt.

Roza: “Bij Mockingbird worden meerdere pleeggezinnen aan elkaar gekoppeld in een soort familienetwerk, zodat ze elkaar onderling kunnen helpen en ondersteunen. Zo’n netwerk noemen we een constellatie.

Binnen zo’n constellatie staat het hubhome centraal, hier wonen ervaren pleegouders die minimaal twee logeerplekken beschikbaar hebben. De zes tot tien pleeggezinnen eromheen noemen we satelliet pleeggezinnen.”

Maaike vult aan: “De gezinnen wonen dicht bij elkaar. Als het bijvoorbeeld moeilijk gaat in een van de pleeggezinnen, kan een pleegkind even bij het hubhome logeren. Terwijl het wel naar zijn eigen school blijft gaan en met zijn vriendjes kan spelen.”

 

Helden

Een stevig netwerk is voor alle opvoeders belangrijk en zeker voor pleegouders.

Roza: “Pleegouders lopen tegen allerlei uitdagingen aan. Ze zorgen voor pleegkinderen die trauma’s hebben meegemaakt in hun eerste levensjaren. Mensen om hen heen begrijpen dat niet altijd. Soms hebben ze zoiets van ‘je hebt toch zelf voor pleegzorg gekozen?’. Of pleegouders worden gezien als helden die het vast heel zwaar hebben. Bij Mockingbird bestaat het netwerk uit pleeggezinnen die allemaal de specifieke ervaringen van pleegzorg kennen. Daardoor gaan de pleegouders gelijkwaardig met elkaar om.”

Maaike: “Zet pleegouders bij elkaar en je krijgt een soort chemie. Ze hoeven de ander maar aan te kijken en ze begrijpen elkaar al. Dat is bij mensen die pleegzorg niet kennen toch anders. Die herkenning en erkenning is uniek en dat vinden ze bij Mockingbird.”

 

Maaike Rawie

Stabiliteit

In Nederland worden pleegkinderen vaak overgeplaatst.3 Het voorkomen van overplaatsingen en zo stabiliteit bevorderen is het belangrijkste doel van Mockingbird.

Roza: “Er zijn helaas te veel breakdowns in pleegzorg, dat zijn ongewenste, voortijdig afgebroken plaatsingen. Het is verdrietig voor de pleegkinderen, die naar een nieuwe plek moeten. Iedere keer dat banden worden doorgeknipt is dat pijnlijk en schadelijk voor een kind. En wat doet het met volwassenen als ze zo opgroeien als kind? Daarnaast is het voor de pleegouders verdrietig omdat ze er met de beste wil aan begonnen waren. Mogelijk stoppen ze helemaal met pleegzorg.”

Er komen al positieve signalen uit de praktijk dat Mockingbird de stabiliteit in pleeggezinnen bevordert. Roza: “Een pleegouder vertelde dat het opvoeden heel pittig is, maar gelukkig kan het pleegkind af en toe logeren in het hubhome. En iemand zei: ‘de andere pleeggezinnen begrijpen waar ik doorheen ga, waardoor het net iets beter te dragen is.”’

Deze positieve signalen sluiten aan bij een conclusie uit het onderzoeksrapport van het Verwey-Jonker Intituut (pagina 40): ‘De cohesie binnen de Mockingbird constellatie is duidelijk naar voren gekomen. Er heerst een sterk gevoel van gemeenschap, waarbij de deelnemers duidelijk aangeven bij elkaar te horen. De groep vertoont veerkracht in moeilijke tijden en er is sprake van onderlinge betrokkenheid.’

Hubhome

De eerste Mockingbird constellatie is samen met pleegzorgaanbieder iHub pleegzorg & gezinshuizen (voorheen Horizon) in Zuid-Holland opgetuigd. Binnenkort starten Combinatie Jeugdzorg in Noord-Brabant en Pactum in Limburg. Daarna volgen Enver in Zuid-Holland en iHub samen met WSGV in Rijnmond. Het starten van een constellatie begint altijd met het vinden van geschikte hubhome pleegouders.

 

Maaike: “Hubhome pleegouders zijn ervaren pleegouders die het leuk vinden om hun ervaringen te delen en anderen praktisch te ondersteunen. Ze hebben logeerruimte in hun huis en ze hebben ruimte in hoofd en hart. Dat wil zeggen dat ze niet midden in een crisisplaatsing zitten of problemen hebben die aandacht vragen. Het zijn verbinders en kartrekkers. Met veel enthousiasme organiseren ze maandelijkse bijeenkomsten en extra activiteiten voor het hele netwerk. Ze zorgen ervoor dat het hubhome een vertrouwde omgeving is voor alle kinderen, zowel de pleegkinderen als de eigen kinderen van pleegouders.”

Voor de maandelijkse activiteit beschikt de constellatie over een budget. Roza: “Ze beslissen zelf wat ze ermee doen. Ze kunnen bij elkaar komen in het hubhome voor een spelletjesmiddag en samen eten. Of ze sparen voor all you can eat sushi en huren een keer bootjes met z’n allen.”

 

Roza Freriks

Spontane acties

Volgens het Mockingbird gedachtegoed blijft het niet bij die ene maandelijkse activiteit. Dat blijkt ook uit de praktijk.

Maaike: “Het hubhome investeert in een-op-eencontacten met pleegouders en activiteiten voor de kinderen. In de eerste constellatie komen een paar meiden bijvoorbeeld geregeld naar het hubhome om samen de paarden te verzorgen. En er zijn spontane acties. Zo hadden de hubhome ouders op een zomerse dag een berichtje gestuurd: ‘Alle kinderen zijn vandaag welkom, het zwembad staat op.’ Uiteindelijk waren alle pleegkinderen er. Maar ook alle pleegouders, en die gingen niet meer weg! Ze hadden een heerlijke dag met z’n allen.”

Hubhome pleegouders investeren in de relatie, vertelt Maaike. “Wat je wil bereiken is dat pleegouders vanuit de relatie hulp vragen. De drempel is laag. Je kunt hubhome pleegouders vergelijken met een opa en oma waar je een goede band mee hebt. Als je het even zwaar hebt, bieden zij hulp aan of je voelt de ruimte om die hulp te vragen.”

De ondersteuning komt niet alleen van de hubhome pleegouders. Roza: “Het hubhome heeft een belangrijke functie, zeker in het begin. En daarna blijven zij de spil om activiteiten aan te zwengelen en de basis om op terug te vallen. Maar net als in een familie leren ook de satelliet pleeggezinnen elkaar steeds beter kennen. Ze whatsappen en drinken samen koffie. De kinderen worden vriendjes, gaan bij elkaar logeren, of zitten op dezelfde school. Ze zijn er voor elkaar wanneer dat nodig is. Op die manier wordt het hele netwerk veerkrachtiger.”

Brandjes blussen

Voor professionals betekent Mockingbird een andere manier van werken. Waar vaak het professionele systeem leidend is binnen jeugdzorg, staat bij Mockingbird informele zorg vanuit de constellatie voorop. Wel kunnen ze daarbij rekenen op de pleegzorgorganisatie. De begeleiding van de hubhome pleegouders en de gezinnen in de constellatie is in handen van een Mockingbird begeleider. Meestal is dat een pleegzorgbegeleider die de taak van Mockingbird begeleider erbij krijgt.

Voor de pedagoog die er als gedragswetenschapper bij betrokken is, verandert ook iets.

Maaike: “Gedragswetenschappers zijn nu nog vaak bezig met het blussen van brandjes in pleeggezinnen waar het moeilijk gaat. Bij Mockingbird zien we dat er veel meer door het netwerk zelf wordt opgelost. De gedragswetenschapper is er dan voor specialistische vragen. Zo heeft een constellatie een keer de gedragswetenschapper uitgenodigd om het te hebben over een pedagogisch thema: hoe komt het dat kinderen soms liegen en wat kunnen we er als opvoeders aan doen? De gedragswetenschapper krijgt dus minder dagelijkse problemen en meer inhoudelijke vragen.”

Roza: “Dat geldt ook voor de Mockingbird begeleider. Die kan iets meer afstand houden van dagelijkse beslommeringen omdat het netwerk veel van dat soort kwesties onderling opvangt. Aan de andere kant ervaren ze meer nabijheid in het contact met pleegouders, omdat ze bijvoorbeeld bij de maandelijkse bijeenkomsten van de constellatie zijn.”

Voordelen

Er zijn veel positieve reacties, al hoeft Mockingbird niet bij iedereen te passen.

Roza: “Het komt voor dat pleeggezinnen aangeven dat zij het zelf niet nodig hebben. Bijvoorbeeld omdat ze al veel ervaring met pleegzorg hebben of over een goed netwerk beschikken. Toch zeggen deze pleegouders dan vaak: ‘hadden wij dat maar gehad toen we startten met pleegzorg.’”

De praktijk laat de voordelen van Mockingbird zien voor pleegkinderen en pleegouders. Zo besloot een van de pleeggezinnen om ook het broertje van de pleegzoon in hun gezin op te nemen, omdat er zoveel steun vanuit de constellatie werd ervaren. Een ander pleeggezin had een crisisplaatsing. De bijeenkomsten bij het hubhome hebben dit meisje geholpen om het pleegkind-zijn te normaliseren. Nu heeft ze er een paar goede vriendinnen bij. Pleegkinderen geven aan het fijn te vinden dat ze niet hoeven uit te leggen waarom ze niet meer bij hun ouders wonen.

tekst: Femmie Juffer
tekening: Sarah Bouwman (10 jaar)

verder kijken
Pleegmoeder Helena vertelt in 1 minuut wat Mockingbird voor haar betekent.

  1. Mockingbird werkwijze: https://mockingbirdnederland.nl/
  2. Karin van Bemmel, Mehmet Day, & Donya Yassine (2024). Mockingbird werkwijze in Nederland. Verwey-Jonker Instituut. www.verwey-jonker.nl/wp-content/uploads/2024/04/222330 Mockingbirdwerkwijze-Nederland.pdf
  3. www.pleegzorg.nl/bibliotheek/1-wat-is-pleegzorg/37-feiten-en-ijfersover-pleegzorg

juridische en beroepsethische vragen


 

Een geheim in de hulpverlening

De moeder van Peter (45 jaar) belt met Monique, pedagoog en behandelaar van Peter. Ze vertelt dat ze zich zorgen maakt over het drank- en drugsgebruik van Peter, maar dat hij dat niet mag weten.

 

Lees meer

Als pedagoog heb je een dossierplicht en leg je vast wat noodzakelijk is voor de kwaliteit en continuïteit van de behandeling van Peter (art. 31 NVO beroepscode). Als iemand belt met informatie over Peter die van belang is voor de behandeling, dan moet je uitleggen dat deze informatie, inclusief bronvermelding, wordt vastgelegd in het dossier en besproken met Peter. Meestal kun je deze werkwijze vooraf toelichten, wanneer iemand vraagt om een (telefonische) afspraak. Als er naasten zijn betrokken bij de hulpverlening, kun je hen dit bij de start vertellen. Wie informatie wil verstrekken, kan dan een afweging maken of hij dat onder deze voorwaarden wil doen.

Belang

Soms word je verrast door een telefoontje, mail of brief en heb je de kans niet om dit tevoren uit te leggen. Afhankelijk van het belang van de informatie kies je je handelwijze. Bij gering belang kun je bijvoorbeeld de optie aanbieden om de mail als niet verzonden te beschouwen. Bij groot belang is het zorgvuldig om te benoemen dat dit niet geheim gehouden kan worden voor de cliënt. Wel kun je dan eventueel bespreken op welke manier en op welk moment de informatie met de cliënt te delen, rekening houdend met de reactie die dit kan losmaken. Zijn er grote zorgen over de veiligheid, dan is het van belang om te wijzen op de mogelijkheid contact op te nemen met Veilig Thuis.

Toegang tot dossier

Peter vertelt aan Joost (begeleider) dat hij regelmatig veel drinkt en ook drugs gebruikt. Peter wil niet dat Joost dit vermeldt in het dossier of deelt met de gedragswetenschapper van het team.

Ook hier geldt dat de begeleider vastlegt in het dossier wat ‘noodzakelijk is voor goede hulpverlening’ aan Peter (artikel 7:454 lid 1 BW). Het is dus niet Peter die beslist welke informatie wordt vastgelegd, maar Joost.

 

Vastleggen in het dossier betekent ook dat de professionals die betrokken zijn bij de hulpverlening aan Peter hiervan kennis kunnen nemen. Bij de aanmelding van Peter is verteld hoe er wordt gewerkt – bijvoorbeeld in een team van begeleiders en een gedragswetenschapper – en wie toegang heeft tot het dossier (artikel 18 NVO beroepscode). De professionals die rechtstreeks betrokken zijn bij dezelfde hulpverlening aan dezelfde cliënt hebben geen toestemming nodig voor het verkrijgen van inlichtingen over de cliënt of voor inzage in het dossier (artikel 26 NVO beroepscode, artikel 7:457 BW).

Ook in deze situatie moet Joost beoordelen wat het belang is van de informatie voor de hulpverlening en of dit daadwerkelijk vastgelegd moet worden. Afhankelijk van de ernst van de situatie/informatie kan hij besluiten nog even de tijd te nemen om Peter te motiveren om informatie toch te delen, zodat de vertrouwensband niet wordt beschadigd. Ook kan Joost besluiten – na zorgvuldige afweging – om toch de gedragswetenschapper te informeren.

tekst: Mirthe Maessen


Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt
op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.

young professionals


 

Waar werk jij?

Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ’Waar werk jij?’ een kijkje in de verschillende keukens. Dit keer bij Eefje Groot Koerkamp, (26), sinds begin 2022 werkzaam in de ggz.

 

Lees meer
Eefje Groot Koerkamp

Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?

“De poli Zorg en Onderwijs van Yulius1 behoort tot de specialistische ggz. Binnen onze polikliniek helpen we jeugdigen die vastlopen op school en complexe psychische problemen ervaren. De doelgroep is heel divers. Zo helpen we kinderen en jongeren met uitdagingen op het gebied van aandacht en concentratie of emotieregulatie, jeugdigen die selectief praten (bijvoorbeeld niet op school, maar wel thuis), maar ook jongeren met een sombere stemming die soms nare levenservaringen hebben meegemaakt. Vanuit de poli vinden we het belangrijk om de hele context waarin de jeugdige leeft te betrekken, om die reden bieden we ook ondersteuning aan ouders of scholen.”

Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?

“Je ziet een bepaald aantal kinderen en jongeren voor diagnostisch onderzoek of behandelgesprekken. Binnen de poli Zorg en Onderwijs doen we vaak uitgebreid neuropsychologisch onderzoek en maken we een sterkte- en zwakteanalyse. Zo brengen we de krachten, maar ook de uitdagingen van een kind in kaart en dat geeft meer inzicht voor ouders en school om te voorzien in de ondersteuningsbehoeften. We zijn altijd samen met andere collega’s van de poli betrokken bij een jeugdige en het systeem. Soms heb je als orthopedagoog de rol als coördinerend behandelaar, waarbij je het aanspreekpunt bent voor de jeugdige, ouders en school. Hoewel alle betrokken collega’s bij iedere jongere hun eigen verantwoordelijkheden hebben, heb je als coördinerend behandelaar ook de verantwoordelijkheid om het zorgplan met doelen bij te houden en bijvoorbeeld een terugkoppeling te geven na een zorgafstemmingsgesprek.”

Wat maakt dit werkveld zo leuk?

“Wat het werk in de sggz en specifiek onze afdeling zo leuk maakt, is dat we een outreachend multidisciplinair team zijn! We bieden over het algemeen diagnostiek en behandeling op school onder schooltijd, indien dat passend is natuurlijk. In sommige gevallen is het wenselijker om jeugdigen of het systeem te zien op de polikliniek voor behandeling of diagnostiek, dus dat bieden we ook. Bijvoorbeeld bij thuiszitters. Hierdoor kom ik op verschillende scholen in Rotterdam, Dordrecht en omgeving. Zowel op regulier als speciaal onderwijs en zowel op basis- als voortgezet onderwijs. Het is heel leuk om een indruk te krijgen van de verschillende typen en soorten scholen die er zijn. Doordat je regelmatig op de school van de jeugdige bent voor behandeling of omdat je bijvoorbeeld een klassenobservatie doet in het kader van onderzoek, weet je waar een jeugdige een groot gedeelte van de dag doorbrengt.

Ten tweede heb ik ondervonden dat collega’s enorm belangrijk zijn. Ik werk in een ontzettend leuk team met collega’s uit verschillende disciplines, zoals orthopedagogen-generalist, specialistisch ambulant behandelaren, psychomotorisch therapeuten, beeldend therapeuten, systeemtherapeuten, psychiaters, psychologen en dus orthopedagogen. Iedere collega heeft zijn eigen ervaring, kennis en visie en dat is heel waardevol en leerzaam.”

Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?

“Als hulpverlener wil je de jeugdige helpen, maar met poliklinische zorg kan je niet ‘het kind fixen’. We zijn maar één à twee uur per week betrokken. Het is een uitdaging om het kind en zijn omgeving zó te ondersteunen, zodat ze zelfstandig verder kunnen en uitdagingen in hun leven zelfstandig kunnen aangaan. Daarnaast zijn kinderen en hun systeem vaak al eerder aangemeld geweest en zijn ze soms het vertrouwen in de hulpverlening verloren. Ik vind het een leuke uitdaging om echt naast de cliënt te staan, het contact aan te gaan en vertrouwen te winnen om zo – als passant in het systeem – de juiste ondersteuning te kunnen bieden.

Een specifieke uitdaging vanuit onze poli binnen de ggz is de verbinding en samenwerking met het onderwijs. Alleen op praktisch gebied zijn er al voldoende uitdagingen, zoals het werken in afzonderlijke registratiesystemen”

Welke mogelijkheden zijn er voor specialisatie of verdere opleiding?

“Als orthopedagoog kan je een postmasteropleiding doen, zoals orthopedagoog-generalist of gezondheidszorgpsycholoog. Dat is niet specifiek voor dit werkveld. Er zijn daarnaast nog veel andere opleidingen mogelijk. Zo kan je je verdiepen in bepaalde behandelvormen en therapieën zoals cognitieve gedragstherapie, acceptance en commitment therapy of bijvoorbeeld EMDR.

Ook kan je neuropsychologische scholing volgen om je kennis rondom diagnostiek te vergroten. Er zijn echt enorm veel bij- en nascholingsmogelijkheden.”

Hoe is de verhouding tussen directe cliëntenzorg en administratieve taken binnen dit werkveld?

“Het streven is om de helft van de tijd te besteden aan ‘directe cliëntenzorg’ en de andere helft aan administratie.”

Wat houdt directe cliëntenzorg binnen dit werkveld in?

“Bij ‘directe cliëntenzorg’ gaat het om het contact met de jeugdige, hun ouders of verzorgers. Bijvoorbeeld het contact tijdens een diagnostiekafname of behandelgesprek. Vaak is dit face-to-face, maar het kan ook contact via de telefoon zijn.”

Waarom zou jij dit werkveld aanraden aan andere pedagogen?

“Ik zou dit werkveld, de ggz, aanraden omdat je ervaring en kennis opdoet met jeugdigen met diverse uitdagingen. Daarnaast is er veel samenwerking met verschillende disciplines waar je ook weer veel van leert. Ook vind ik het leuk dat er binnen de poli Zorg en Onderwijs extra aandacht is voor de context van het kind, zodat je ook met de omgeving kan meedenken hoe ze het beste kunnen aansluiten bij de jeugdige.

Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit specifieke werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je hier een loopbaan kiest?

“Naast de vaardigheden voor diagnostiek en behandeling, is het belangrijk dat je zelfstandig kunt werken, kan plannen en organiseren en je verantwoordelijkheid daarin neemt. Het outreachende karakter van deze poli vraagt ook om flexibiliteit en creativiteit, om bijvoorbeeld behandeling vorm te geven op de verschillende plekken waar je komt.

Soms is het goed om ook in te spelen op de situatie die zich op school voordoet of heeft voorgedaan die dag. Door de vele mensen waarmee je schakelt, zoals naast jeugdigen, ouders en scholen, maar ook vaak een jeugd- of wijkteam, samenwerkingsverbanden of andere betrokken hulpverleners en collega’s, is het ook enorm belangrijk om goed te kunnen samenwerken en communicatieskills te hebben.”

tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters


Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com

  1. Yulius is een organisatie die psychische problemen behandelt en ondersteunt bij kinderen, jongeren en volwassenen in de regio’s Rijnmond en Zuid-Holland Zuid. www.yulius.nl

 

Ledennieuws: Blijf verbonden en op de hoogte


 

De NVO doet ook aan triple helix

Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.

 

Lees meer

Wanneer ik dit schrijf is het hartje zomer. Bijna iedereen is op vakantie of keert langzaam terug en tot mijn grote vreugde kan ik me sinds lange tijd weer volledig onderdompelen in een boek! Heerlijk wegdromen met het verhaal van de schrijver. Dat is namelijk wel even geleden. Ik heb mijn bul afgelopen juli in ontvangst mogen nemen; mijn studie bestuurskunde zit erop. Het thema van mijn scriptie ging over triple helix samenwerkingen in de regio (samenwerking tussen overheid-ondernemers-onderwijs/onderzoeksorganisaties). Mijn onderzoek richtte zich op factoren die van belang bleken in deze samenwerking.

Inmiddels ben ik tien maanden werkzaam voor de NVO en ook de NVO werkt eigenlijk triple helix. ‘Triple’ staat weliswaar voor drie partijen, maar in grote lijnen komt het wel overeen. We werken samen met een aantal ministeries, universiteiten én collega-(beroeps) en branche-organisaties. Mij is opgevallen dat de factoren die van belang zijn bij een triple helix, ook gelden voor de samenwerkingen waar de NVO mee te maken heeft.

Ik noem er vier. Vooral een heldere probleemdefinitie, een gezamenlijk gedragen agenda en daaruit voorvloeiende doelen onder leiding van een bezielende voorzitter bepalen het succes van de samenwerking. Dit klinkt waarschijnlijk heel logisch, maar de praktijk is soms wat weerbarstiger… Ik ben er na deze vakantie weer helemaal klaar voor!

Judy Hoffer
directeur NVO

op de werkvloer


 

Behaviour support practitioner in Melbourne

 

Lees meer
foto: Elio Rulli, Studio House Photography

NVO-lid Nicolette Floor-Ginjaar (36) werkt sinds 2011 als orthopedagoog in de gehandicaptensector, het laatste jaar in Australië.

“Tien jaar geleden maakte ik een wereldreis met mijn man, waarvan drie maanden in Australië. We besloten er ooit te gaan wonen en werken.”

“Toen de covid-maatregelen afnamen, heb ik gesolliciteerd als behaviour support practitioner bij een instelling voor mensen met een verstandelijke beperking, St. John of God Accord in Melbourne. We woonden nog in Nederland, alles ging digitaal. Vorig jaar zijn we met onze twee kinderen geëmigreerd.”

“In mijn werk ben ik betrokken bij cliënten met gedragsproblemen en meestal ook beperkende maatregelen. Het ultieme doel is om die maatregelen te stoppen natuurlijk. Dat doe ik door meer kwaliteit aan het bestaan van cliënten toe te voegen, bijvoorbeeld door te tuinieren.”

“Er zijn veel verschillen in de gehandicaptenzorg. In Nederland krijgt een cliënt alle zorg van één instelling: ergo-, logo-, fysiotherapeut, orthopedagoog en begeleiders van de woning. In Australië kan die zorg van verschillende instellingen komen. Voor alle cliënten werk ik dus met verschillende zorgteams.”

“Een discipline die ik erg mis is de AVG, de Arts voor Verstandelijk Gehandicapten. In Australië is de huisarts betrokken en soms een psychiater. Zij zijn echter vaak niet gespecialiseerd in de problematieken van mensen met een verstandelijke beperking.”

Voorblad
redactioneel
interview
onderzoeksnieuws
pedagoog in opleiding
over de grens
Vrije rubriek
de promovendus
column
Vrije rubriek
pedagogiek & politiek
gegrepen
casus
gast
boeken &zo
de hoogleraar
opvoeders van nu
juridische en beroepsethische vragen
young professionals
ledennieuws
op de werkvloer