“Eh… je hebt het in het rood en je hebt het in het wit”, zei mijn vader (toen 80) op de vraag van de serveerster wat hij wilde drinken. Het was Sinterklaasavond, we zaten in een verder verlate pannenkoekenrestaurant en kenden elkaar net een paar uur. Mijn suggestie ‘wijn?’ bleek niet te kloppen. Maar de serveerster kwam er snel achter dat mijn vader van port hield.
Lees meer
Achteraf waren het de eerste tekenen van dementie, voor mij dan. Ik leerde mijn vader pas kennen toen ik tegen de veertig liep. Hij was tachtig, net weduwnaar – wat de weg vrijmaakte voor een ontmoeting – en woonde in een verzorgingshuis. Een charmante man, die zich honderdmaal verontschuldigde dat hij eerdere pogingen tot contact had geweigerd. Die zijn twee oudere dochters en zoon inlichtte over mijn bestaan. En die, als een soort inhaalslag, alsnog met mij de eendjes ging voeren in het stadspark.
Mijn vader en ik konden het prima met elkaar vinden. Dat duurde precies vier jaar en twee dagen. De tweede helft bracht hij door op de gesloten afdeling van een verpleeghuis. Bij de intake kon hij ‘even niet’ op zijn geboortedatum komen. Later viel hij helemaal stil en waren er alleen nog handen en blikken. Gelukkig kende ik zijn levensverhaal toen al. In het omslaginterview vertelt Arianne Uijl hoe belangrijk dat is bij mensen met dementie.
Zo wist ik dat mijn vader zijn vader verloor op z’n 27ste, aan het eind van de oorlog, door een bombardement. Na de oorlog maakte hij dorpsfilms, met zoveel mogelijk inwoners in beeld. De opnames waren ‘s zomers, de vertoningen ’s winters in dorpshuizen en cafés. Zijn beelden duiken regelmatig op in historische documentaires en ik herken ze direct. Er zitten altijd grapjes in, zoals een groep achterstevoren bokje-springende schoolkinderen en koeien die aan de lens snuffelen. Volgens mijn moeder was dan zijn vaste commentaar: “Je kunt wel zien dat het vrouwtjes zijn. Zo nieuwsgierig!”
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Als expert ‘veroudering en dementie bij mensen met een verstandelijke beperking’ begeleidt orthopedagoog-generalist Arianne Uijl medewerkers in de verstandelijk gehandicaptensector en in verpleeghuizen en ze geeft advies en supervisie. Ze pleit al jaren voor een zorgvuldiger diagnose van dementie en draagt die missie overal uit.
Lees meer
Arianne Uijl (Ede, 1971) is bijna zeventig uur per week aan het werk, vertelt ze in haar woonkamer in Den Haag. Op de bovenste verdieping en in de omgebouwde garage heeft ze haar werkkamers, maar meestal is ze met de auto op pad, kriskras door het land. Eigenlijk is het een klein wonder dat ze in deze sector terecht kwam. Ze had lange tijd andere plannen. “Mijn opa was vrijwilliger bij ’s Koonings Jaght, nu Siza, met een groot instellingsterrein voor mensen met een verstandelijke beperking in Arnhem. Daar ging ik als kind al mee naartoe. Mijn moeder werkte in Ede in een verzorgingshuis voor mensen met een auditieve beperking. Ik kan me herinneren dat ik als kind elk jaar met haar mee moest om een heleboel oude mensen een gelukkig nieuwjaar te gaan wensen.
Op mijn twaalfde zijn mijn ouders gescheiden en kreeg mijn moeder een baan als manager bij Stichting Philadelphia Zorg in Den Haag. Mijn moeder, zusje en ik zijn toen naar Den Haag verhuisd. Dus ik ben wel al jong in aanraking gekomen met de sector, maar wilde er zelf niet in werken.”
Ze wil eigenlijk de journalistiek in, maar wordt drie keer uitgeloot voor de School voor Journalistiek. Via een advertentie gaat ze bij de Haagse lokale radio en televisie Lokatel werken en maakt daar vijf jaar programma’s, met veel plezier. Na een tijdje in het buitenland, verhuist ze terug naar Den Haag, waar ze al snel met haar jeugdliefde trouwt met wie ze nog steeds samen is. “Ik ging op een gegeven moment op uitnodiging mee naar een Kerstviering bij Nieuw Buitenzorg, een locatie van Philadelphia waar mensen wonen met een ernstige verstandelijke meervoudige beperking. En ik vond het fantastisch! Mensen genoten met al hun zintuigen van de geuren en kleuren. Toen ben ik meteen begonnen met de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening – ik was een jaar of 25 – en begon als assistent begeleider bij een groot gezinsvervangend tehuis van Philadelphia.”
Het thema dementie komt op haar pad als ze, een paar jaar later, meneer Ton in paniek aantreft in zijn flat. “Ik studeerde inmiddels orthopedagogiek in Leiden en was persoonlijk begeleider. Meneer Ton had het downsyndroom en beginnende dementie. Hij stond in paniek om zich heen te kijken, met dikke tranen. En hij riep alleen maar: ‘Ik wil naar huis! Ik wil naar huis!’ Maar hij was thuis…
Ik heb het toen op kunnen lossen door te zeggen: ‘Hallo, ik ben Arianne, zullen we eens gaan kijken waar we zijn?’ We zijn door de woning gaan lopen en op een gegeven moment zei hij gelukkig: ‘Hier woon ik.’ Toen werd hij rustiger. Maar dat was echt een toevalstreffer. Ik herinner me dat moment nog levendig omdat het me zo triggerde. Wat gaat er om in de hersenen van meneer Ton? Wat gebeurt er dat hij het niet meer snapt?”
Arianne besluit af te studeren op onderzoek naar dementie bij mensen met een verstandelijke beperking. Ze vertelt dat er in die tijd, begin deze eeuw, bij orthopedagogiek weinig aandacht was voor volwassenen met een verstandelijke beperking. “Laat staan voor ouder worden en dementie. Gelukkig zat in Leiden destijds Joop Hoekman, die bezig was met het vertalen van de DSVH (DementieSchaal voor volwassenen met een Verstandelijke Handicap, red.), samen met Marian Maaskant van de universiteit in Maastricht. Daar mocht ik op afstuderen. Het gaf me de kans om overal en nergens in gesprek te gaan met begeleiders, familie en de ouder wordende cliënt zelf. Maar ik begon bij de goeroe van dat moment, orthopedagoog Harry Urlings, een van de mensen die me voor dit vak hebben geïnspireerd. Hij zat helemaal in Limburg, dus ik boekte met mijn man een midweek Landal GreenParks en mocht een weeklang met Harry meelopen. Dat waren de eerste stappen.”
Ze specialiseerde zich verder tijdens haar werk bij ASVZ, een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Daar begon ze in 2003, net een half jaar voor haar afstuderen. “Naast alle gewone werkzaamheden kreeg ik ook gelijk de vraag om mee te denken in de visie en het beleid rondom ouderen”, zegt ze met een grote glimlach. “Een expert was ik nog lang niet, daarvoor moest ik nog heel wat meters maken. Ik heb er veertien jaar gewerkt en mocht er van alles doen, opzetten en ontwikkelen. Zoals een prachtige 8-daagse scholing voor begeleiders, over veroudering en dementie bij mensen met een verstandelijke beperking.”
In die tijd maakte ze ook het dementiespel Weten, vergeten en… begeleiden! 1, dat begeleiders helpt om te gaan met cliënten met dementie. Het spel ligt voor ons op de keukentafel. Er zitten 170 gekleurde kaarten in met opdrachten en vragen op kennisniveau, diagnostiek, visie en begeleiding. En ook een grote foto van een meneer die je streng en een beetje nors aankijkt. “‘Wat roept deze meneer bij je op?’, is de vraag aan begeleiders. Daarna lees je voor wat er achterop de foto staat. Dat hij als kind is verkocht aan een groot boerengezin, niet is herkend dat hij een verstandelijke beperking had en dat het helemaal mis is gegaan. Als begeleiders de foto dan weer bekijken, zie je een heel andere uitdrukking op hun gezicht, je ziet respect. Dat wil je ook voor hun eigen cliënten, dat begeleiders hun levensverhaal kennen, een relatie aangaan.”
Bij het dementiespel hoort een zeer uitgebreide handleiding, die begeleiders, maar vooral ook orthopedagogen en psychologen in de verstandelijk gehandicaptensector, als naslagwerk kunnen gebruiken en nog steeds gratis te downloaden is. In die handleiding staat veel informatie die ook anno 2025 actueel is.
Tijdens het komende NVO-congres De pedagoog van NU, op 26 september, zal Arianne Uijl vertellen over het belang van een goede diagnose bij ouderen met een verstandelijke beperking. Of er sprake is van dementie, is ingewikkelder om te herkennen en vast te stellen bij mensen die bepaalde vaardigheden nooit hebben gehad. Zoals praten, lezen, oriënteren en aankleden. Hoe ernstiger de beperking, hoe moeilijker het is.
“Dementie bij mensen met een verstandelijke beperking wordt vaak te laat of niet gezien. Ze hebben veelal hun leven lang al een disharmonisch profiel in hun functioneren. Ook hebben ze vaak epilepsie, gebruiken langdurig medicijnen, et cetera. Dat zorgt er allemaal voor dat er beelden ontstaan die op dementie lijken, maar het niet zijn. Of andersom, dat begeleiders onterecht denken: dit hoort bij de verstandelijke beperking.”
Volgens Arianne gaan er twee dingen mis. “Bij het vaststellen of er sprake is van dementie, worden screeningslijsten heel vaak gebruikt als onderzoeksinstrumenten, terwijl het alleen gaat om het komen tot hypothesen. Bovendien zijn veel vragenlijsten gericht op het verzamelen van informatie vanuit de familie en begeleiders, maar niet rechtstreeks vanuit de cliënt. Terwijl er wel mooie instrumenten zijn. Zoals de CAMDEX-DS II uit Engeland, die vragenlijsten, neuropsychologisch onderzoek én een interview met de cliënt combineert. Op het NVO-congres zal ik daar meer over vertellen. En over andere instrumenten en de visie op het betrekken van cliënten bij hun eigen onderzoeksproces. Dat is binnen de reguliere ouderenzorg normaal en zou het hier ook moeten zijn.”
Sinds 2010 werkt ze ook als consulent bij het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE). “Eerst puur om mee te puzzelen over veroudering en vermoedens van dementie bij mensen met een verstandelijke beperking. Op een gegeven moment kwamen er steeds meer vragen uit verpleeghuizen: ‘Is hier sprake van dementie of van een beneden gemiddelde intelligentie, veel eerder al in het leven?’ Zo kwam ik in de wereld van de verpleeghuizen terecht, met een heel andere manier van benaderen. In de verstandelijk gehandicaptensector zetten we bijvoorbeeld al heel lang snoezelmaterialen als een tast- of voelkussen in als iemand onrustig is. Maar als je vader directeur bij Shell is geweest, kan zoiets voor de familie confronterend zijn. Het ging daar ook veel meer om echt verzorging en verpleging en minder om begeleiding. Inmiddels is de orthopedagoog-generalist enorm in opkomst in die sector. Omdat je met een mediërende begeleiding, waarin je iedereen om een cliënt heen – verwanten en medewerkers – meeneemt, meer bereikt.”
Je inleven in de situatie van een cliënt, iemand echt leren kennen, is essentieel volgens Arianne. Daarom werkt ze veel met levensverhalen, die bij haar zomaar twintig pagina’s kunnen tellen in plaats van de veelvoorkomende halve A-4tje’s.
“Een levensverhaal is dé basis, voor het mensbeeld en de relatie met iemand, maar ook diagnostisch en in de behandeling. Zo kun je als orthopedagoog bijvoorbeeld zien dat er in iemands jeugd zoveel is gebeurd, dat je het nu complex trauma zou noemen. Maar dat dit nooit is onderkend. Iemand met dementie valt terug op z’n gevoelsbasis, en die kan onveilig zijn. Dat is belangrijk om te weten. In de behandeling kun je er kleine dingen uithalen die mensen in het hier en nu nog kunnen doen. Zo was er een man met een verstandelijke beperking die als kind zijn vader altijd hielp met het ordenen van de papieren giroafschriften, met een perforator en een nietmachine. Toen hij dementie ontwikkelde, kreeg hij net zoiets te doen en daarmee weer het gevoel ‘zijn vader te helpen’.
Ik vraag ook altijd naar muziek bij levensverhalen. Pas was ik bij een dame die niks had met klassiek, maar wel met de Golden Earring. Als je bij haar de hit Radar Love aanzet, met die stampende bassen, maak je haar helemaal blij.”
Sinds 2009 is Arianne voorzitter van het landelijk Netwerk Gedragsdeskundigen voor Ouderen (NGO), waarin zo’n 200 afgevaardigden uit de verstandelijk gehandicaptensector hun kennis en ervaringen delen. Bij PAO geeft ze sinds 2017 de cursus diagnostiek bij dementie aan orthopedagogen en psychologen. Verder schreef ze – als onderdeel van de campagne (H)erken jij dementie… bij mensen met een verstandelijke beperking? – samen met een collega de Handreiking (H)erken jij dementie? Die verscheen in 2022, en biedt een up-to-date overzicht van alle kennis, hulpmiddelen en adviezen. Plus heel veel achtergrondinformatie over veroudering en verschillende vormen van dementie bij mensen met een verstandelijke beperking. Ook deze is gratis te downloaden.2
“Kennis die je in de basisopleiding orthopedagogiek niet meekrijgt”, zegt Arianne. “Maar die je wel moet hebben voor je begint met een diagnostisch onderzoek. Dementie is natuurlijk een paraplubegrip, er zijn meer dan vijftig verschillende vormen. We hebben net vanuit het NGO een mooi schema gereviseerd, met alle vormen van dementie, de symptomen die daarbij horen en de instrumenten om dat te onderzoeken. Een soort Excel-sheet. Dat kun je gebruiken om iets meer voorbereid en gedegen een onderzoek in te gaan.”
Inmiddels werkt Arianne al weer acht jaar voor de organisatie waar ze ooit begon, Philadelphia Zorg. Haar kennis over veroudering en dementie zet ze overal in de organisatie in. En op allerlei manieren daarbuiten. Ze blijft ook generalist en werkzaam in andere domeinen en met andere thema’s, zoals trauma bij volwassenen, kinderen en jongeren.
“Door breed te blijven kijken en werken, krijg je steeds meer stukjes die de puzzel van het mensbeeld net iets completer maken. Ouderen waren ook ooit jong en een brede orthopedagogische en generalistische kijk helpt dan. Daarin zijn we als orthopedagogen van enorme toegevoegde waarde in de ouderenzorg.”
“Het gaat vooral om compassie”, zegt ze. “Je inleven in de mens die iemand was. Ik geef vaker het voorbeeld van een oud-notaris met dementie. Een statige, deftige man, die je niet makkelijk benadert. Een medewerkster in het verpleeghuis vertelde dat ze pas zijn hulp wel had willen vragen om de tuinkussens binnen te halen, maar dat niet goed durfde. We zijn met zijn levensverhaal aan de slag gegaan. Het bleek dat hij eigenlijk helemaal geen notaris had willen worden, maar boswachter. Hij was dol op de natuur, vertelden zijn twee lieve dochters, en heel galant naar dieren en mensen. Zijn leven lang al. Dus de volgende keer vroeg ze hem wel voor de tuinkussens en kon meneer weer even van betekenis zijn.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Patrick Uijl
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Bart van Gent & Peter Hoffenaar
Lees meer
Een van de eerste dingen die ik leerde over trauma is dat jonge kinderen extra kwetsbaar zijn. En ook dat zowel herkenning, diagnostiek als behandeling moeilijk zijn, wanneer het pre-verbaal trauma betreft. Met de DSM-5 is de herkenning en diagnostiek van PTSS verbeterd. En dankzij Renée Beer en Carlijn de Roos, pioniers op het gebied van EMDR-therapie bij kinderen, is er een behandelprotocol voor kinderen en jongeren van 4 tot 18 jaar.
De Roos en collega’s hebben een belangrijke volgende stap gezet met hun recente studie, waarin ze zeer jonge kinderen met PTSS (al vanaf 1,5 jaar) hebben behandeld met EMDRtherapie. Ze onderzochten een groep van negentien kinderen tussen de 1,5 en 8 jaar. De resultaten zijn veelbelovend: na zes sessies van een uur voldeed 79% van de kinderen niet langer aan de diagnostische criteria voor PTSS. Bijna acht op de tien kinderen. Dat is nogal wat. Daarnaast namen emotionele en gedragsproblemen significant af (effectgrootte > 1.20). Ook de ervaren stress bij ouders verminderde aanzienlijk (effectgrootte 0.45). Als klap op de vuurpijl was er onder de deelnemers van het onderzoek geen uitval en zijn er geen negatieve bijwerkingen gerapporteerd. Dit alles gold ook voor de nameting, drie maanden later.
Een uur lang EMDR klinkt als een zware sessie voor zulke jonge kinderen. De auteurs beschrijven dat ouders als co-therapeuten op de achtergrond aanwezig waren om hun kind te helpen en te steunen. Wellicht dat deze actieve rol ook bijdraagt aan het verminderen van stress bij de ouders zelf. Dit is een klein onderzoek, maar wel veelbelovend. De Roos en collega’s laten zien dat EMDR niet alleen veilig en haalbaar is voor jonge kinderen, maar ook effectief in het verminderen van trauma-gerelateerde klachten en in het ondersteunen van ouders. Hopelijk krijgt dit Nederlandse initiatief internationaal vervolg.
De Roos, C., Offermans, J., Bouwmeester, S., Lindauer, R., & Scheper, F. (2025). Preliminary efficacy of eye movement desensitization and reprocessing for children aged 1.5-8 years with PTSD: a multiple baseline experimental design (N= 19). European Journal of Psychotraumatology, 16 (1), 2447654. doi.org/10.1080/20008066.2024.2447654
De Noorse filosoof Sveinung Sundfør Sivertsen instrueerde zijn onderzoeksassistent om een blokkentoren te maken of met stempels een mooi versierde verjaardagskaart. Deze assistent bood de helft van een groep vijfjarigen de kans om hem te helpen, door blokken of stempels te laten vallen. De andere helft mocht alleen het eindresultaat komen bewonderen. Ook manipuleerde de assistent de situatie zo dat helpen soms wel en soms niet ten koste ging van hun eigen spel. Zo wilde Sveinung twee ideeën tegenover elkaar zetten: gedragen kinderen zich als kleine economen, die zich goed voelen als helpen weinig moeite kost? Of raken ze juist vervuld van trots wanneer ze iets goeds doen dat wél een offer vraagt? Anders gezegd: schuilt er in elke kleuter een morele held waar Rutger Bregman jaloers op zou zijn?
Of helpen een prijs had, hing af van een spelonderdeel met twee gatenborden, waarin kinderen met knikkers een dierfiguur konden maken. Het eerste bord lag plat op de grond. Kinderen konden dit gerust even laten liggen om de assistent te hulp te schieten en daarna gewoon verder gaan. Het andere bord stond licht schuin: als de kinderen opstonden, rolden de knikkers weg en konden ze opnieuw beginnen. Hier kostte helpen dus écht iets. Het onderzoeksteam keek naar non-verbale uitingen. Met een Kinect-camera, bekend van de Xbox, maten ze hoe hoog een vast punt op de borst van het kind kwam te liggen. Het idee: wie zich trots voelt, loopt rechterop. Borst vooruit, innerlijke glorie op standje maximaal.
Bij kinderen die hun spel onderbraken om te helpen, was de borstpositie hoger in de offer- dan in de gratis-conditie. Dat wijst op een gevoel van trots doordat ze iets opgaven. Als lezer krijg je bij deze studie een ander gevoel: het brengen van offers lijkt hier dé manier om de onbaatzuchtigheid van kinderen te testen. Bijna elke religie kent wel een offerritueel. Is dit dan ergens verkapte reclame voor religieuze praktijken of is dit experiment een soort rituele dans waarbij de onderzoekers hoopten dat zo de ware aard van kinderen zich aan ons openbaart?
Sivertsen, S. S., Haun, D., & Hepach, R. (2024). Choosing to help others at a cos to oneself elevates preschoolers’ body posture. Evolution and Human Behavior, 45 (2), 175-182, doi.org/10.1016/j.evolhumbehav.2024.02.001
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Zo, we zijn over de helft van het eerste jaar. Ik heb de halfjaarlijkse evaluaties achter de rug en behaald, net als de helft van de bloktoetsen (vier van acht). Na ieder blok van vijf weken, maken we een toets, met een aanbeveling of richtlijn voor de orthopedagooggeneralist in onze eigen organisatie. Daarbij heb ik een prettig ritme gevonden: iedere woensdagochtend stap ik vroeg in de trein met mijn eigen gekozen muziek – heerlijk, als moeder van twee kleine kinderen – en lees ik een boek. Zo kom ik ontspannen aan en kom ik ook met een rustig hoofd weer thuis.
‘s Maandags werk ik bij FamilySupporters in Nijmegen en de andere dagen in Rosmalen. Dus ik heb twee werkbegeleiders. Ze zijn heel verschillend. Inmiddels waardeer ik dat, omdat ik zo juist veel kan leren over mezelf vanuit verschillende invalshoeken. Zo gaat het met de ene werkbegeleider over de inhoud van het werk en met de andere over meer persoonlijke zaken.
Inmiddels hebben we de vakken Onderwijs en Jeugdhulp afgerond. Onderwijs ging vooral over de interprofessionele samenwerking binnen en tussen organisaties. In mijn bloktoets pleit ik voor boundary crossing: niet alleen vanuit eigen perspectief en mogelijkheden meedenken in wat er nodig is voor een gezin, maar over de schutting met elkaar meedenken en zo samenwerken. Zo voorkom je hokjesdenken, ga je overlap tegen en valt niemand tussen wal en schip. Daarnaast geef ik aan dat het nodig is om duidelijk af te spreken wie de regie heeft rondom een gezin en wie wat op gaat pakken. Bij het vak Jeugdhulp komen thema’s aan bod als jeugdbescherming, (v)echtscheidingen en hoe je met de privacy van (ex-)gezinsleden hoort om te gaan. Het gaat over veiligheid en hoe het ideale jeugdstelsel eruit zou moeten zien. De docenten vragen ons op onszelf te reflecteren en om op die manier de zorg en oordeelsvorming te verbeteren. Ik ben trots op het werk dat we doen, ondanks dat er genoeg verbeterpunten te vinden zijn. In onze organisatie zien we nu veel ouders die niet met elkaar in gesprek kunnen gaan over hun kind. Hierbij komen veel vragen over rapporteren en privacy. Meermaals geven mijn jaargenoten aan dat we altijd contact kunnen leggen met de NVO over deze vraagstukken, maar goed om zelf nogmaals van de docenten te horen hoe en wat.
Momenteel zijn we het vak Gehandicaptenzorg aan het afronden en is ook mijn casusbeschrijving al een heel eind af. Dit is vergelijkbaar met de casus voor de diagnostiekaantekening, maar dan meer verdiepend. Verder heb ik mijn eerste individuele supervisie-afspraak staan en gaan wij de laatste blokken in. Daarnaast ben ik bezig met het inleveren van de KBS, waarover volgende keer meer.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Steeds meer wetenschappelijke studies leggen de link bloot tussen dierenmishandeling en andere geweldsdelicten zoals kindermishandeling en huiselijk geweld. Bij dierenartsen en de politie is er groeiende aandacht voor dit zorgwekkende patroon, bij andere professionals minder. Dat betogen deskundigen Nienke Endenburg, universitair hoofddocent Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht en criminoloog Anton van Wijk, mede-directeur van onderzoeksbureau Verinorm.
Lees meer
Nienke Endenburg en Anton van Wijk waren eerder dit jaar te gast in het NPO-radioprogramma De Nieuws BV. Aanleiding was de veroordeling tot levenslang van de voormalig geneeskundestudent Fouad L. voor het doodschieten van twee buren en een docent in het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum. De Erasmusschutter was eerder al eens veroordeeld
“Niet iedereen die in z’n jeugd dieren mishandelt, gaat later ook geweld tegen mensen gebruiken”, wil gz-psycholoog Nienke Endenburg om te beginnen benadrukken. Naast universitair hoofddocent Diergeneeskunde, is ze ook verbonden aan het Landelijk Expertisecentrum Dierenmishandeling aan de Universiteit Utrecht. “Wel zien we bij mensen die dieren mishandelen veel mechanismen die je ook tegenkomt bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Er is vaak sprakevan een afhankelijkheidsrelatie: als mens heb je macht over een dier en kun je controle uitoefenen. Dat is bij huiselijk geweld en kindermishandeling ook aan de orde. Hetzelfde geldt voor de verschillende vormen van mishandeling. Net als mensen worden dieren fysiek en geestelijk mishandeld. Ze worden geschopt, geslagen, aan hun staart rondgeslingerd, uitgescholden, seksueel misbruikt en lichamelijk en emotioneel verwaarloosd.”
Criminoloog en psycholoog Anton van Wijk begint ook met een nuance. “Kinderen zijn nieuwsgierig, spelen met dieren en gaan soms een morele grens over. Denk aan het verbranden van een insect of het uittrekken van vleugeltjes. Maar dat is experimenteergedrag en lijkt geen voorspeller voor later geweld. Waar ik me wel zorgen over maak, is een groep jonge jongens, pubers, die dieren bewust mishandelen en daar genoegen aan ontlenen. Dat sadistische trekje baart me zorgen.” Van Wijk kwam deze groep al tegen in zijn eigen onderzoek uit 2017 naar dierenmishandelaars, beschreven in het rapport De aard van het beestje. Samen met een collega onderzocht hij toen zo’n honderd daders. Opvallend genoeg bleek uit dit eerste grote Nederlandse onderzoek dat dierenmishandeling niet gebonden is aan leeftijd, sociaal milieu en geslacht. Veel gevallen van dierenmishandeling komen voort uit frustratie, gebrekkige impulsbeheersing en verminderd empathisch vermogen. “Dat kan gebeuren in een opwelling”, zegt Van Wijk. “Maar bij de groep die genoegen beleeft aan het veroorzaken van dierenleed gaat er voorbereiding aan vooraf. Zo ging het in een zaak om een groep jongens die in de dierenwinkel goudvissen kochten, die meekregen in een plastic zak met water en die buiten op de stoep kapot schopten. Als criminoloog denk ik dan: Gaan ze dat vaker doen? Gaan ze grotere dieren nemen? Een hond, een kat, een schaap? Daar zou ik graag onderzoek naar doen.”
Volgens Anton van Wijk is er bij de politie een groeiend bewustzijn
van de link tussen dierenmishandeling en andere geweldsdelicten. “In hun opleiding krijgen politieagenten les over huiselijk geweld en de tip om als ze bij gezinnen binnen zijn, ook goed op huisdieren te letten. Worden die slecht verzorgd? Dat kan een signaal zijn dat er iets aan de hand is in een gezin.”
Ook dierenartsen leren in hun opleiding dierenmishandeling te herkennen en welke vervolgstappen ze daarna moeten nemen, vertelt Nienke Endenburg. “Het klinkt heel vreemd, maar dieren die mishandeld worden, komen net zo vaak bij de dierenarts. Ze worden meestal gebracht door een partner die wel zorgen heeft over het dier of helemaal niet weet dat een dier mishandeld wordt. Onze studenten leren dat ze dan in ieder geval 144 moeten bellen, het landelijk meldpunt voor dierenmishandeling en verwaarlozing. Er is ook een meldcode dierenmishandeling voor dierenartsen.”
Nienke Endenburg geeft af en toe lezingen bij Veilig Thuis over de link tussen dierenmishandeling en huiselijk geweld en kindermishandeling. Ze ziet dat het bewustzijn daar wel groeit, maar betreurt dat er geen landelijk beleid is op dit gebied. Ook bij de rechterlijke macht ziet ze nog veel onwetendheid.
“Rechters kijken vaak naar de vervangingswaarde van een dier. Hoeveel zou die doodgeschopte hond waard zijn? Zo’n 250 euro? Nou, dan doen we een taakstrafje van tien uur. Terwijl er best gevangenisstraffen van vijf jaar en boetes van 90.000 euro opgelegd kunnen worden. Maar dat gebeurt niet. Dat komt ook omdat rechters zich niet bewust zijn van de samenhang met andere delicten zoals huiselijk geweld.”
Beiden zien een langzame maatschappelijke ontwikkeling waarbij dieren niet meer gezien worden als dingen en de intrinsieke waarde van een dier in beeld komt. Denk aan de oprichting van de dierenpolitie, de dierenambulance en de invoering van de wet die dierenmishandeling strafbaar stelt. “Die wet is er pas een jaar of tien”, zegt Anton van Wijk. “Dat is niet lang. Weet je hoe dierenmishandeling daarvoor werd geregistreerd bij de politie? Als vernieling van een goed! Het denken over dieren heeft de afgelopen jaren wel een evolutie meegemaakt, maar wat mij betreft kan het niet hard genoeg gaan.” Veel luisteraars belden tijdens de radio-uitzending met de redactie in Hilversum. Hoe zit het met de dieren in de megastallen van de bio-industrie? Is dat ook dierenmishandeling? Anton van Wijk: “Mijn privémening is: ja.”
tekst: Annemiek Haalboom
bron: NPO Radio 1, De Nieuws BV
meer lezen
Het is maandagochtend en ik mag komen kijken in de startklas van de Tijl Uilenspiegelschool in Amsterdam. Als om 8:20 uur de bel gaat, liggen de puzzels klaar en druppelen de kinderen met hun ouders binnen.
Lees meer
Orthopedagoog Laura Koppe en orthopedagoog in opleiding Annika Dekker begroeten alle leerlingen vrolijk en nemen voor elk kind een momentje tijd. Ze zeggen iets over hoe ze eruitzien, of grijpen even terug op de vorige keer dat ze elkaar zagen. Ze zijn ook in contact met de ouders; is er een vraag, hebben ze wat extra nodig in de begeleiding van hun kind? Een jongen schopt zijn stoel om, zijn vader corrigeert hem. Laura grijpt subtiel in, “wat is er aan de hand?” Het jongetje wil niet zitten maar liever staand z’n puzzel maken. Door haar rustige interventiekan het gezamenlijke moment doorgaan en maakt het jongetje de puzzel af.
Om 8:45 uur gaan de ouders de klas uit en de kinderen in de kring. Of eigenlijk een kleine halve cirkel, want er zitten maar zes kinderen in deze klas. Deze kinderen zijn vier, maar nog niet klaar voor hele dagen kleuterklas. In de startklas oefenen ze de meest basale vaardigheden. Twee keer per week starten ze hier de ochtend, de rest van de week zitten ze in hun eigen groep 1/2. De kinderen die al klaar zitten krijgen een complimentje voor ‘het goede voorbeeld geven’, al snel zitten ook de laatste twee. Samen kijken ze naar de afspraken en elk kind mag met een kleurenmonstertje aangeven hoe het zich voelt. Vijf kinderen kiezen voor blij en het zesde kind kiest het kleurenmonster dat zich kalm chill voelt. De spanningsboog is kort vandaag, ziet Laura. Ze kiest ervoor om kort stil te staan bij welke dag het is en wat het rooster is, om vervolgens weer de structuur van een activiteit aan tafel op te zoeken.
Ze doen twee keer hetzelfde spelletje, woordenschatbingo. De kinderen krijgen voortdurend gerichte complimenten, verwachtingen worden duidelijk verwoord en er worden vragen gesteld als ‘wat gebeurt er ook alweer als…?’ om de kinderen alert te houden. Als hetzelfde meisje voor de tweede keer wint zegt Laura “je kunt geluk hebben, dat is fijn.” Het meisje straalt en de andere kinderen gunnen het haar, zo te zien. Hierna gaat de groep nog een keer in de kring, samen met de andere kleuterklassen naar buiten, eten en vrij spelen. Het is een schooldag in het klein. Vanaf elf uur gaan ze naar hun eigen klas en moeten ze het op eigen kracht doen.
En dat gaat goed, vertelt intern begeleider Noortje Rodenhuis na afloop. Ze herinnert zich hoe ze in september 2023 vanuit de voorschool het bericht kreeg dat er onder de kinderen die vier jaar zouden worden en de overstap naar school moesten maken, twaalf kinderen waren met ‘extra ondersteuningsbehoeften’. “Het is een gegeven dat kinderen zich het best ontwikkelen door anderen te kopiëren”, aldus Noortje. “Een instroomgroep met twaalf kinderen die eigenlijk nog niet klaar zijn om op school te starten, is dus op z’n zachts gezegd ‘niet ideaal’. Je geeft ze dan niet de rijke omgeving die ze nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen. We hebben toen besloten ze allemaal in te laten stromen in de drie stamgroepen. In samenwerking met Thuis Orthopedagogen hebben we daarnaast de Klaar voor de Start Klas opgezet waar de kinderen twee ochtenden in de week naartoe konden.”
Van de twaalf kinderen konden er uiteindelijk tien op school blijven. Een kind bleek een intensief onderwijszorgprogramma nodig te hebben – “eigenlijk een jaar lang startklas” – en de ander is vanwege medische problematiek naar het speciaal onderwijs gegaan. Ze vertelt dat het beetje extra aandacht en de positieve bevestiging belangrijk zijn bij het aanleren van routines en het kunnen aanpassen aan de omgeving en dat de kinderen na twaalf tot zestien weken klaar zijn om volledige dagen naar hun stamgroep te gaan.
De Klaar voor de Start Klas is er om kinderen een stevige en fijne start in de kleuterklas te geven. De kinderen leren spelenderwijs in een klein groepje met maximaal acht kinderen en twee begeleiders van THUIS Orthopedagogen. De kinderen krijgen in zo’n twaalf tot zestien weken de basis aangeleerd die nodig is op de basisschool. Tijdens deze periode wordt de woordenschat vergroot en leren de kinderen dingen als: het omgaan met regels, op je beurt wachten, luisteren, het uiten van emoties, het omgaan met andere kinderen, zelfstandigheid en om hulp vragen. De kinderen gaan twee dagdelen per week naar de Klaar voor de Start Klas en daarnaast naar de eigen kleuterklas. Ook spelen ze met hun eigen klas buiten. Er is overleg met de leerkrachten van de stamgroepen en ouders worden meegenomen in de ontwikkeling van hun kind en zijn aanwezig bij de dagstart of dagafsluiting. In overleg met school wordt bepaald wanneer het kind de Klaar voor de Start Klas niet meer nodig heeft.
Meer info: thuisorthopedagogen.nl/klaar-voor-de-start-klas
Gevraagd naar de meerwaarde van orthopedagogen ten opzichte van leerkrachten voor dit traject, noemt Noortje Rodenhuis het zorgvuldig in kaart brengen van de onderwijsbehoeften van de leerlingen, het werken vanuit een handelingsplan waarbij in samenspraak met de school doelen worden gesteld en de planmatige aanpak. Daarnaast is het fijn dat op een neutrale, professionele manier naar de kinderen, maar ook naar de omgeving wordt gekeken.
zijn ze alweer verder aan het kijken. Het vraagt ook wel wat van de kinderen en leerkrachten om de transfer naar de stamgroep te maken. Het zijn kinderen die veel van andere kinderen kunnen leren en de kleuterleerkrachten vroegen zich af of de kinderen in de startklas uiteindelijk niet meer gebaat waren bij begeleiding binnen de stamgroep. Wat ook duidelijk werd: leerkrachten hebben geen behoefte aan iemand die komt vertellen wat ze kunnen doen om deze kinderen te begeleiden. Ze zetten wel hun deur open. Dus voor de volgende lichting kinderen met extra ondersteuningsbehoeften willen ze de orthopedagoog graag in de klas om de kinderen extra te begeleiden.
tekst: Bart van Gent
foto: Tijl Uilenspiegelschool
‘Life after loss: Long-term impact of parental death during childhood’ heet het
proefschrift waarmee Carline van Heijningen op 18 maart promoveerde aan de Universiteit Leiden. Ze onderzocht de gevolgen van het overlijden van een ouder in de kindertijd op de lange termijn. Ik kreeg hier onlangs zelf mee te maken, toen in de krokusvakantie op de teamapp van school het bericht verscheen dat de vader van een leerling was overleden. Wat voor gevolgen dit voor het kind zou hebben, vroeg ik me af. En hoe daar op school mee om te gaan?
2024 – heden
Psycholoog, GGZ Rivierduinen Eetstoornissen Ursula (jeugdteam)
2019 – 2024
Promovendus, Instituut Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Leiden
2018 – 2019
Psycholoog en onderzoeksmedewerker, Curium-LUMC
2018 – 2019
Psycholoog en onderzoeksmedewerker, Universiteit Leiden
2015 – 2018
Research Master Developmental Psychology en master Child & Adolescent Psychology, Universiteit Leiden
2012 – 2015
Bachelor Psychologie, Universiteit Leiden
Geen gezellig onderwerp lijkt me, de dood. Waar komt je interesse vandaan?
“Ik werkte in de klinische praktijk en zag kinderen en jongeren die allerlei ingrijpende gebeurtenissen meemaken en vroeg me af wat maakt dat de een daar meer hinder van ondervindt dan de ander. En hoe we deze verschillen kunnen begrijpen. Omdat ik promotieonderzoek wilde doen, kwam deze optie eigenlijk per toeval langs. Mijn promotor Lenneke Alink had destijds een subsidie ontvangen voor dit onderwerp en een vacature uitgezet, waar ik op gereageerd heb.
Het is een onderwerp waarbij je je niet hoeft af te vragen waarom het relevant is om er onderzoek naar te doen. Het heeft een duidelijke link met de praktijk, dat is iets wat ik erg belangrijk vind. Het onderwerp pakte me heel erg en heeft me ook vastgehouden. De dood lijkt heel veel ongemak te veroorzaken. Ik vond het mooi om de persoonlijke verhalen van de deelnemers en andere mensen te horen en daar ruimte voor te geven, vooral in de interviews.”
Wat heb je precies onderzocht en hoe?
“In het onderzoek wilden we kijken naar zowel de langetermijngevolgen van het verlies als de beleving en ervaringen van volwassenen die hun ouder zijn verloren tijdens de kindertijd. Allereerst hebben we aan de hand van vragenlijsten gekeken naar de langetermijngevolgen. We onderzochten drie gebieden: gezondheid – mentaal, fysiek en gezondheidsgedrag -, romantische relaties – bijvoorbeeld het aangaan van relaties, relatietevredenheid en hechting – en ouderschapsbeleving. De groep van volwassenen die in de kindertijd een ouder verloren vergeleken we met twee andere groepen: een groep volwassenen die dat op of na hun 18de levensjaar meemaakten en een groep volwassenen die geen ouders verloren waren.
Daarnaast zijn we in zestig interviews op zoek gegaan naar wat de deelnemers heeft geholpen in het leren omgaan met het verlies in de loop van de tijd en wat juist niet, steunende en storende factoren dus. Tenslotte hebben we onderzocht wat de ervaringen zijn van broers en zussen na het verlies van een ouder tijdens de kindertijd, om ook zicht te krijgen op de gezinscontext. De verliesgerelateerde factoren die we hierbij hebben meegenomen zijn de leeftijd van het kind ten tijde van het overlijden, het geslacht van de overleden ouder en hoe volwassenen terugkeken op de band met hun ouders tijdens de kindertijd.”
En het geslacht van de kinderen zelf? Of de oorzaak van overlijden?
“Daar hebben we geen onderzoek naar gedaan. Aan het onderzoek hebben veel vrouwen deelgenomen en ziekte was vaak de oorzaak van overlijden van de ouder. Hierdoor was het helaas niet mogelijk om gelijke subgroepen te vormen en deze te vergelijken. We hebben ons in het onderzoek gericht op factoren in de sociale omgeving van het kind, bijvoorbeeld hoe de sociale omgeving reageerde en wat al dan niet als steunend werd ervaren.”
En wat heb je ontdekt?
“We vonden dat volwassenen die tijdens de kindertijd één van hun ouders verloren op veel van de onderzochte langetermijngevolgen op groepsniveau nauwelijks verschillen van volwassenen die dat niet was overkomen. Ook waren er nauwelijks verschillen tussen volwassenen die hun vader ofwel hun moeder verloren en hun ouder op relatief jongere of oudere leeftijd verloren tijdens de kindertijd. We vonden wel dat een betere band met de overleden ouder tijdens de kindertijd gerelateerd was aan minder hechtingsgerelateerde angst binnen romantische relaties in de volwassenheid. Dat laat zien dat we aandacht moeten hebben voor de band met de overleden ouder. Dat iemand er niet meer is, betekent niet dat die band ophoudt te bestaan. We hebben relatief veel aandacht voor de overgebleven ouder, bijvoorbeeld hoe die ouder functioneert, hoe de ouder-kindrelatie zich verder ontwikkelt en hoe de overgebleven ouder in staat is om zelf om te leren gaan met het verlies. Dat is natuurlijk terecht en passend, maar dit onderzoek laat zien dat de band met de overleden ouder er ook heel erg toe doet. Daar is tot op heden relatief weinig aandacht voor.”
Was dit ook de uitkomst die je had verwacht?
“Op voorhand hadden we verwacht dat het verlies van een ouder op jonge leeftijd, omdat het zo’n ingrijpende gebeurtenis is die leidt tot veel bijkomende veranderingen en verliezen, gerelateerd zou zijn aan minder optimale uitkomsten op latere leeftijd. We zien dat deze groep op een vergelijkbaar niveau functioneert als de beide controlegroepen.”
Kun je zeggen dat het overlijden van een ouder in de kindertijd minder impact heeft dan je zou verwachten?
“Het wil zeker niet zeggen dat het overlijden van een ouder tijdens de kindertijd geen impact heeft. Wat we bijvoorbeeld vonden, is dat deze groep gemiddeld genomen relatief meer hechtingsgerelateerde angst en vermijding binnen de romantische relaties rapporteert dan volwassenen in de vergelijkingsgroepen. Binnen de ouderschapsbeleving zagen we daarnaast dat ouders die tijdens de kindertijd hun ouder verloren waren, vaker een angst noemden dat zijzelf of hun partner zou komen te overlijden. Dat zou kunnen wijzen op een angst dat hun kinderen dan hetzelfde zouden moeten doormaken als zijzelf hebben meegemaakt. Op sociale relaties lijkt het dus wel degelijk impact te hebben. Daarnaast kwam tijdens de interviews ook duidelijk de impact van het verlies naar voren.”
Wat vertellen de geïnterviewden je?
“Dat bepaalde fasen in het leven ingewikkeld kunnen zijn, wat kan zorgen voor herrouwen: het opnieuw ontstaan of verergeren van de rouwgevoelens en bijkomende symptomen. Moeilijke fasen kunnen bijvoorbeeld momenten zijn zoals een schoolovergang, het afstuderen waar een ouder niet bij kan zijn, de verjaardag van het kind of van de overledene, de sterfdag, of het moment waarop het kind de leeftijd van de overleden ouder bereikt. Zelf kinderen krijgen kan ook leiden tot een toename van de gevoelens van rouw. Enerzijds hebben de geïnterviewden steun ervaren en hebben zij het gevoel dat ze gehoord en gezien werden en worden door mensen in hun omgeving. Maar veel volwassenen gaven ook aan dat zij een gebrek aan aandacht en steun hebben ervaren. Of ze vertelden over ‘niet-afgestemde’ reacties en opmerkingen die hen lang zijn bijgebleven. Dat kan bijvoorbeeld gaan over dat er bij andere mensen soms het idee leeft dat het na een jaar wel ongeveer weer ‘over’ zou moeten zijn. Alsof er een houdbaarheidsdatum aan rouw zit, zoals een journalist het ooit omschreef.1 Maar juist het herrouwen blijkt heel belangrijk.”
Wat is je uit de interviews het meest bijgebleven?
“Het waren veel aangrijpende verhalen, maar wat mij is bijgebleven zijn bepaalde ‘onafgestemde’ opmerkingen die deelnemers met ons deelden. Dat een deelnemer van iemand hoorde: ‘Nou, je moet het maar zo zien, je bent een ervaring rijker.’ Als je vraagt naar wat niet helpend was, dan komen dit soort reacties naar voren, ook al was het overlijden voor deelnemers elf tot eenenveertig jaar geleden. Of dat een deelnemer hoorde dat ze eigenlijk nog te jong was om er nog herinneringen aan te hebben. Of dat mensen gelijk over hun eigen ervaringen beginnen. Hoewel dit soort opmerkingen met de beste bedoelingen worden gemaakt, kan dit voorbijgaan aan de ervaring van het kind die een ouder is verloren. Het is juist helpend wanneer je afstemt en vooral vraagt en luistert. Dat klinkt heel makkelijk, maar dat is het vaak niet aangezien de dood voor velen een lastig onderwerp kan zijn. In lijn met het vragen en luisteren, gebruikt men vaak de uitdrukking ‘de overledene levend houden’.”
De overledene levend houden?
“Dat kan op heel veel verschillende manieren. Je kunt praten over fijne herinneringen, over wat je vroeger fijn vond om met je moeder of vader te doen. Maar ook over minder fijne herinneringen of over minder voor de hand liggende en vaak complexe gevoelens, zoals schaamte, jaloezie of opluchting. Vanuit de gedachte ‘over de doden niets dan goeds’ kunnen bepaalde herinneringen of gevoelens worden weggestopt. Door er niet over te praten, door het gesprek te vermijden, lijkt het of het er niet meer is. Terwijl die gevoelens er evengoed nog zijn en er ook mógen zijn, naast fijne herinneringen.”
![]()
Wat wil je onze lezers nog meer meegeven?
“Aandacht hebben voor het verlies is erg belangrijk, ook wanneer het verlies langer geleden is. Het is goed om ons bewust te zijn van de impact die een ingrijpend verlies op de lange termijn kan hebben en het ‘herrouwen’. Iets wat misschien voor de hand liggend is: schrijf de datum van het overlijden op in je agenda of in het zorg- of schooldossier van het kind of de jongere. Of de verjaardag van de overleden ouder, als dat een lastig moment is. Check rondom die tijd en op zo’n dag even in, neem de tijd voor het kind en vraag en luister. Ken je het duale procesmodel, van Stroebe en Schut?2 Dat model wordt vaak beschreven aan de hand van de metafoor van een roeiboot met twee riemen. De ene riem staat voor ‘verliesgerichte taken’, de andere voor ‘herstelgerichte taken’. Als je steeds aan één riem trekt, dan draai je rondjes. Je hebt dus beide riemen nodig om vooruit te komen. Het is belangrijk dat er aandacht is voor het verlies en de rouw, maar ook voor het dagelijks leven en afleiding van het verlies. Dat model biedt een mooi kader om rouw en wisselende emoties te begrijpen. Daarbij is het belangrijk om te blijven afstemmen op het kind en te vragen en luisteren.”
tekst: Andries Kamminga
Klik hier voor het proefschrift Life after loss: Long-term impact of parental death during childhood (2025) van Carline van Heijningen.
In de meivakantie word ik meteen na aankomst in Kroatië ziek. Keelontsteking met lichte koorts. De gemiddelde leraar sleept zich met deze diagnose toch naar school en is er dan nog twee weken zoet mee.
Lees meer
Op vakantie kun je je herstel de tijd geven. Ik laat het gezinsuitje aan me voorbijgaan en slaap het grootste deel van de dag. De volgende dag is er tijd voor contemplatie, met uitzicht op het dal. Een jaar geleden vroeg ik me af of het zin had om op school te blijven werken. In het lokaal van een collega keek ik naar de poster van de leerkuil, een concept van James Nottingham waarbij hij het leren vergelijkt met het afdalen in een kuil (de uitdaging aangaan) om er daarna weer uit te klimmen. Maar beneden in de kuil heb je het even zwaar. Ik zag mezelf daar zitten. “Ik weet soms niet of ik ze wel iets extra’s te bieden heb”, zei ik. “Alleen door hier te zijn, ben je al van waarde”, antwoordde mijn collega.
Na de zomervakantie startte ik afgelopen augustus toch met een nieuwe lichting vijfjarigen, waaronder Tobias. Tobias spreekt vloeiend Roemeens en geen woord Nederlands. “Dat komt vanzelf”, stellen zijn juf en ik z’n ouders gerust. Tobias komt heel enthousiast thuis, zegt z’n moeder een paar weken later, maar praat nog steeds geen Nederlands. Ik denk aan de leerkuil en vraag me af wanneer hij gaat klimmen.
Na de herfstvakantie weet ik zeker dat Tobias’ woordenschat vooruitgaat. We oefenen regelmatig, z’n uitspraak is prima en hij leert de woordjes snel. Maar hij gebruikt de taal niet. Hij zegt ‘goedemorgen’ bij binnenkomst en dat is het. Bij z’n ouders zie ik de wanhoop in hun ogen. Ze zijn voor het onderwijs naar Nederland gekomen, maar hebben ze hier goed aan gedaan? Ik verzeker ze dat elk kind op z’n eigen manier leert en dat ook Tobias Nederlands zal gaan praten.
Na de kerstvakantie begin ik te twijfelen. Ik ben zelf al wel een aardig eind uit de leerkuil geklommen, ik twijfel niet meer aan de meerwaarde van wat ik doe. Alleen Tobias baart me zorgen. Hij praat steeds minder tegen me. Ik zie hem wel spelen met andere kinderen, maar dan hoor ik hem nog steeds Roemeens praten terwijl niemand dat verstaat. Na de voorjaarsvakantie valt z’n juf en mij iets op. We horen geen Roemeens meer. En tijdens het spelen gebruikt hij af en toe Nederlandse woorden. Dan, toch nog onverwacht, staat hij voor me en zegt: “Meester Bart, mag ik met de treinbaan?” En ik realiseer me dat m’n collega gelijk had. Voor Tobias was niet zozeer wat we deden, maar vooral dat we er waren belangrijk.
Tobias’ ouders hebben besloten in Nederland te blijven wonen. “Fijne vakantie”, zegt hij als hij me een hand geeft. Zij gaan deze vakantie voor het eerst weer naar Roemenië. Wat zal het heerlijk zijn om z’n eigen taal te spreken. Nog even en hij spreekt er twee.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart heeft ruim tien jaar gewerkt als leraar, ib-er en orthopedagoog in het speciaal onderwijs en vijf jaar als docent pedagogische wetenschappen. Hij werkt nu met meertalige kleuters op een reguliere basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De naam van Tobias is gefingeerd.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een nieuwe methode van werken:
GOM – de generieke onderzoeksmethode. Alle medewerkers hebben hiervoor inmiddels het leertraject gevolgd. GOM doet meer recht aan de complexiteit van kind- en gezinsproblematiek en stelt het kind daadwerkelijk centraal. Programmamanager Jolanda Veenstra en collega Ellis Knegt, orthopedagooggeneralist en adviseur methodiek, speelden een belangrijke rol in dit proces.
Jolanda Veenstra is programmamanager bij de RvdK, waar ze zich inzet voor maatschappelijke impact en duurzame verandering. Ze versterkt haar ervaring met academische verdieping vanuit de master Verandermanagement aan de VU. Haar motto: “Waarheid ontstaat niet door meerderheid, maar door inzicht.”
Lees meer
Kinderen hebben recht op een gezonde en stabiele ontwikkeling. Dat staat in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. In Nederland beschermt de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) dat recht voor kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd. En voor hen die worden verdacht van of veroordeeld zijn voor een strafbaar feit. Daarnaast coördineert de RvdK taakstraffen, geeft advies bij complexe scheidingssituaties en bij adoptie. Landelijk zijn circa 140 gedragsdeskundigen actief bij de negentien locaties van de RvdK. Zij denken mee in alle fasen van de casuïstiek, van start tot besluitvorming. En ondersteunen de toepassing van de methode in de praktijk.
De RvdK komt in actie wanneer rechten (of plichten) van het kind in het geding zijn. Dat doet de RvdK na een zorgmelding of op verzoek van de rechtbank. De overheid heeft een plicht om deze rechten te waarborgen. De vraag is of overheidsingrijpen noodzakelijk en gerechtvaardigd is, welke interventie of straf passend is of welke gezagssituatie, welk hoofdverblijf of welke omgang in het belang is van het kind. De afweging hiertoe maakt de RvdK op basis van de vraag in het raadsonderzoek wat op dit moment het beste is voor de veiligheid en ontwikkeling van het kind. GOM is niet alleen een methode, maar ook een grondhouding. Centraal staat de vraag: wat heeft dít kind (nu) nodig om veilig op te groeien? Professionals analyseren daartoe de krachten en zorgen van het kind en betrekken de context hierin.. Zij werken in dialoog met kinderen en ouders, netwerk en hulpverlening. Het methodisch kader is mede gebaseerd op het gedachtegoed van Signs of Safety, een veiligheidsinterventie bij kindermishandeling. Hierbij staat niet de melding of de procedure centraal, maar het systemisch en oplossingsgericht werken. De ene keer vergt het dichterbij brengen van een oplossing een kinderbeschermingsmaatregel, de andere keer kan het gezin verder met de vrijwillige hulpverlening.
Werken met GOM vraagt een juiste balans tussen een respectvolle houding, die de ander uitnodigt tot samenwerking en een scherp oog voor risico’s. Het is de bedoeling dat kinderen en ouders vanaf het eerste contact merken dat er geluisterd wordt en zij een stem hebben in het onderzoek. Professionals bieden kinderen en ouders ruimte om zélf te vertellen over hun actuele zorgen en over de krachten van het gezin. Het gesprek gaat – in begrijpelijke taal – verder over de reden van het raadsonderzoek, wat er nodig is op dit moment en wat de mogelijke gevolgen zijn als de situatie blijft zoals hij is. Analyse van informatie van derden gebeurt altijd in openheid naar het gezin, zodat het raadsonderzoek transparant en navolgbaar is. Kinderen en ouders worden stap voor stap meegenomen, zodat ze zich gehoord en begrepen voelen. Daarnaast is de cliëntcommunicatie vernieuwd. De stappen van het onderzoek zijn hierin helder en beknopt gevisualiseerd. Aan het eind van elk onderzoek wordt het rapport voorgelegd. Daarin is duidelijk beschreven hoe de conclusies tot stand zijn gekomen en op welke gronden het verzoek en/of advies is gebaseerd. Dit wordt besproken met kinderen en ouders, zodat hun reacties meegenomen kunnen worden in de definitieve versie, die naar de rechter gaat.
De invoering van GOM is een co-creatie. Er hebben gedragsdeskundigen, raadsonderzoekers en juristen aan meegewerkt. De toegevoegde waarde van de gedragsdeskundigen zit in de vertaling van hun kennis over hechting, trauma, risicotaxatie en systeemdynamiek naar praktische handvatten. Deze (orthopedagogische) expertise is ingezet om het kindperspectief zichtbaar te maken en om betrokkenen goed te ondersteunen en adviseren bij gesprekken en besluitvorming
Ellis Knegt is orthopedagoog-generalist en adviseur methodiek bij de RvdK. Als
nevenwerkzaakheden supervisor NVO en NIP en ontwikkelaar van trainingsaanbod voor jeugdzorgprofessionals. Haar motto: “Luister naar wat er gezegd wordt en hoor ook wat er niet gezegd wordt.”
Een extern bureau ondersteunde het leer- en veranderproces bij de Raad voor de Kinderbescherming, in nauwe samenwerking met interne trainers en kritische meedenkers uit de organisatie. Het leertraject om de medewerkers deze nieuwe werkwijze eigen te laten maken, werd ingericht in lijn met de grondhouding van GOM: betrokken, transparant, respectvol en nieuwsgierig. Deelnemers kregen ruimte om te oefenen, feedback te geven en te reflecteren op de impact van hun eigen handelen. Uit een kwalitatieve audit en interviews met de medewerkers bleek dat zij gemotiveerd raakten, doordat GOM hen hielp om meer zicht te krijgen op complexe situaties en betere aansluiting te vinden bij kinderen en ouders. In rapportages werd de stem van het kind explicieter hoorbaar en werd vaker gebruik gemaakt van visuele middelen en begrijpelijke taal, ook voor jonge kinderen of ouders met beperkte taalvaardigheden. Er ontstond meer ruimte voor professionele nabijheid en samenwerking met het netwerk. Door kinderen en ouders vanaf het begin actief te betrekken, ontstond meer eigenaarschap en draagvlak. Dat motiveerde ook de professionals zelf.
Om de methode levend te houden is een aandachtshoudersgroep opgericht, met vertegenwoordigers uit alle regio’s. Deze groep stimuleert scholing, ontwikkeling en reflectie. Ook is een toolbox ontwikkeld met checklists, formats en handreikingen die aansluiten bij de praktijk. De gedragsdeskundigen dragen hierin opnieuw bij aan het bevorderen van de kwaliteit van het raadsonderzoek. Zij beantwoorden vragen en kunnen met hun vragen en adviezen ook anderen scherp houden. Zo zorgen raadsonderzoekers en gedragsdeskundigen en zo nodig de juristen, er samen voor dat het kindperspectief stevig verankerd blijft.
tekst: Ellis Knegt & Jolanda Veenstra
Orthopedagogen Anja Verwoerdt en Chaja Deen schreven samen het boek ‘De school midden in de maatschappij. Hoe bouw je samen aan een stevige pedagogische basis?’ Hierin pleiten zij voor een brede, systemische benadering van onderwijs, opvoeding en jeugdhulp. Hun oproep: kijk verder dan het individu en werk domeinoverstijgend samen. Zo versterk je de ontwikkelkansen van kinderen écht.
Lees meer
Chaja Deen
Chaja Deen en Anja Verwoerdt ontmoetten elkaar via het landelijke netwerk Met Andere Ogen, waarin professionals uit onderwijs, zorg, jeugdhulp en kinderopvang samen werken aan het vergroten van de ontwikkelkansen van kinderen. In het netwerk ontdekten ze al snel hun gedeelde kijk op opvoeding en onderwijs. Ze besloten hun kennis en ervaring te bundelen in een boek.
Anja Verwoerdt is orthopedagoog- generalist, onderwijsadviseur en gz-psycholoog en schreef eerder een boek in haar vakgebied, Onderwijs & Jeugdhulp. Medeauteur Chaja Deen is ook orthopedagoog en heeft ervaring in het onderwijs en de jeugdhulp. Ze werkt al jaren als senior adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut. Hoe was het om samen een boek te schrijven en wat was de aanleiding? Chaja: “Omdat wij elkaar echt aanvullen en soms ook verschillend denken, moesten we heel expliciet zijn in het uitleggen van wat we bedoelen. We konden ook echt kritisch zijn naar elkaar.” “We namen geen blad voor de mond en we hebben in die zin elkaar inderdaad scherp gehouden,” vult Anja aan. “De aanleiding om dit boek te schrijven heeft te maken met de vraag: hoe beïnvloeden we contexten voor goed opgroeien en opvoeden?”, zegt Chaja.
“Wij vinden dat de aandacht in en rond het onderwijs vaak te veel gericht is op het oplossen van individuele problemen en pleiten voor een bredere blik: wat speelt er in de klas, in de wijk, in het netwerk van een leerling? En hoe kunnen we juist de aandacht richten op wat goed gaat en kansen biedt?”
Centraal in het boek van de twee orthopedagogen staat het begrip de pedagogische basis: de combinatie van warme relaties en een stimulerende leefomgeving. De pedagogische basis gaat volgens de auteurs over het geheel van relaties rondom kinderen: ouders, grootouders, buurtgenoten, sportcoaches en vrienden. Ook voorzieningen zoals een speeltuin, sportveld of culturele instelling maken onderdeel uit van die basis. Ze wijden een hoofdstuk in het boek aan de leefomgeving. Waar groei je op? Hoe stimulerend is de omgeving, hoe veilig is de omgeving, inclusief de omgeving van de school? “Sommige relaties kun je beïnvloeden en andere niet, maar ze zijn allemaal van groot belang voor het opgroeien”, aldus Chaja. “Naast de fysieke leefomgeving besteden we ook aandacht aan de digitale leefwereld van jongeren, die steeds belangrijker wordt in hun sociale ontwikkeling.”
Anja en Chaja willen met De school midden in de maatschappij professionals uitnodigen om minder te focussen op individueel gedrag en meer op de context waarin een kind leeft en leert. “Als orthopedagoog kijk je systeemgericht. Dat bredere kijken, komt in ons boek steeds terug”, geeft Anja aan. “Hoe kan je het hek van de school wijd openzetten en welke voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van je leerlingen?” Chaja voegt eraan toe: “Het gaat niet alleen om ingewikkeld gedrag van een kind. Stel met elkaar de goede vragen over de klas, de buurt en de school. In plaats van steeds te reageren op incidenten of gedrag, zou er meer ruimte moeten zijn voor een analyse op schoolniveau: wat is er in deze specifieke setting nodig voor een veilig,inclusief klimaat?”
Anja Verwoerdt
Volgens de auteurs ligt de kracht van de orthopedagoog niet in het hebben van alle antwoorden, maar in het stellen van de juiste vragen en het uitnodigen tot reflectie. Orthopedagogen kunnen binnen teams helpen om trends te signaleren, samenhang aan te brengen tussen maatschappelijke opgaven zoals kansengelijkheid, inclusie en sociale veiligheid, en collega’s inspireren om breder te kijken dan hun eigen vakgebied.
“Ons boek benadrukt het belang van samenwerking binnen het schoolteam én met externe partners zoals ouders, jongerenwerk, bibliotheken en gemeenten”, vertelt Anja. “Daarbij is gedeeld leiderschap essentieel, waarbij teamleden eindverantwoordelijk zijn voor de invulling van het onderwijs. Hoe functioneer je als team? Hoe zorg je dat ook ondersteunend personeel, ouders en externe partijen zich eigenaar voelen van de visie van school? Door de waan van de dag hollen scholen regelmatig van het ene onderwerp naar het andere. Hoe kun je dat verbinden tot een samenhangendverhaal?”
“Een ander belangrijk uitgangspunt in het boek is het concept van de school als lerende organisatie”, licht Chaja toe. “Professionals – inclusief orthopedagogen – worden opgeroepen om met elkaar te leren, te reflecteren en te bouwen aan een gedeelde visie. We kiezen in het boek nadrukkelijk voor de focus op empowerment. Niet alleen van leerlingen, maar ook van teams. Het boek bevat daar handvatten voor.” “We zijn begonnen met een theoretische basis: wat zijn onze uitgangspunten en wat is onze focus? Gevolgd door concrete hoofdstukken over hoe je dat doet, met praktische tools. Vier fictieve casussen illustreren de verschillende contexten: van een stadsschool tot een plattelandsschool. Ook bevat ieder hoofdstuk reflectievragen en QR-codes naar verdiepingsmateriaal.”
De auteurs zijn realistisch over de uitdagingen in het onderwijsveld. Het lerarentekort, beleidsmatige versnippering en soms een gebrek aan richting kunnen scholen belemmeren in het neerzetten van een stevige pedagogische basis. “Een obstakel is dat scholen soms stuurloos raken, omdat er geen heldere visie is of omdat van overheidswege samenhangend beleid ontbreekt”, zeggen ze. Desondanks is hun boodschap hoopvol. “Door met een brede blik te kijken en samenwerking centraal te stellen, kunnen scholen de ontwikkelkansen van leerlingen daadwerkelijk vergroten,” volgens de auteurs.
De school midden in de maatschappij is een pleidooi voor een onderwijspraktijk waarin opvoeding, onderwijs en formele en informele samenwerkingspartners in en rond de school niet langs elkaar heen werken, maar elkaar versterken. Door te investeren in relaties, omgeving en samenwerking, creëren we een stevige basis voor ieder kind.
“Sterke gezinnen, sterke scholen, sterke wijken”, somt Chaja op. “Zorg dat je niet los van elkaar opereert, zodat je samen verder komt. We hebben een stevige basis gelegd met wetenschappelijke inzichten en daarna meteen ook de vertaalslag gemaakt naar de praktijk. Ik denk dat dit een belangrijke kracht is van ons boek.”
tekst: Marijke Buisman
Van uitgeverij Acco mogen we drie exemplaren van De school midden in de maatschappij. Hoe bouw je samen aan een stevige pedagogische basis?
weggeven. Interesse? Stuur voor 14 juli een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Al eerder gegrepen door zijn boek ‘Armoede, uitgelegd aan mensen met geld’, bezoek ik dit voorjaar het theatercollege van Tim ’S Jongers in de Schouwburg Hengelo. De politicoloog, publicist en ervaringsdeskundige pleit voor een andere kijk op armoede, een broodnodige blikwisseling.
Lees meer
“Opgroeien in armoede betekent een 10-0 achterstand”, begint hij. “Je hebt iemand nodig, zoals mijn vriendin Punker. Iemand die met de shitstofzuiger de weg vrijmaakt, een arm om je heen slaat, je verhaal aanhoort, zonder vooroordeel.” Een boodschap van steun en omarming dus.
Op een projectiescherm beweert een minister: “Er is maar één oplossing om uit armoede te komen, gewoon werken!” Zoals er vaak wordt gedacht én geoordeeld. Maar om de maatschappelijke ladder te kunnen beklimmen, moet het fundament niet op drijfzand – armoede – staan. Welvarende deskundigen die oplossingen aandragen, leven los van het armoedeprobleem. Volgens Tim ’S Jongers ‘sociaal maatschappelijke schizofrenie’. Hij pleit voor streetwise ambtenaren, die de kloof tussen beleid en uitvoering kunnen overbruggen. Zij kennen beide werelden, kunnen ervaringskennis als bron inzetten, doorvoelen wat nodig is en weten aan welke knoppen je moet draaien.
Armoede is een fulltime baan: geen geld om ‘shit te outsourcen’, geen hulpbronnen, legt hij uit. Een kind van ouders met financiële stress leert overleven. “Je DNA bepaalt niet je startpositie in de maatschappij, maar de plaats waar je wiegje gestaan heeft, je postcode.” De overdracht van ellende, samen met een negatief zelfbeeld, laat sporen na en vermindert kansengelijkheid. Kinderen worden volwassen, blijven gevangen in het armoedesysteem en ontwikkelen een minderwaardigheidscomplex. Bij bestaansonzekerheid kan één vallend dominosteentje desastreuze gevolgen hebben. Armoede is meer dan gebrek aan geld. Als kind leer je dat je alleen op jezelf kunt terugvallen. Armoede houdt je klein.
Volgens Tim staat bij de aandacht voor armoede niet de ‘kwetsbaarheid’ voorop, maar ‘profiteren tegengaan’. De vraag ‘waar heb je recht op?’ wordt eerder gesteld dan ‘wat heb je nodig?’ En nodig zijn volgens hem persoonlijke aandacht, inlevingsvermogen, perspectief bieden en zelfrespect teruggeven. De voor deskundigen georganiseerde ‘probleemwijksafari’s’ zijn goed bedoeld, maar leveren weinig op. Het zicht op armoede gaat bovendien verloren door het opknippen ervan. Elke soort armoede – beweegarmoede, voedselarmoede, digitale armoede, energiearmoede – heeft een eigen coach. Hij illustreert wat die coaches doen: “Ervaringen inventariseren, doorvragen, reflecteren, complimenteren, invoelend knikken, meewarig hoofdschudden, bedanken voor de ‘opbrengst’, en tot slot afsluiten met ‘motiverende gespreksvoering’.” Een golf van herkenning gaat door de zaal! Tim lacht: “Toen ik na een coachingsessie naar buiten rende om op tijd bij de daklozenopvang te zijn – ik had toen geen fiets – werd dit gezien als ‘goed bezig’. Ik was in elk geval tot actie overgegaan.”
Aan het eind is er ruimte voor vragen. Op de vraag wat hem gered heeft, antwoordt hij “de liefde”, echte zorg, zoals Punker dat voor hem deed. En die ene docent, die onbevooroordeeld vanuit compassie, de beslissing nam tot het geven van een voldoende beoordeling, een nieuwe kans. Tim ’S Jongers heeft één boodschap voor het publiek: Wees een Punker!
tekst: Liesbeth Groen-Flinterman
foto: Isabell Janssen
Armoede uitgelegd aan mensen met geld van Tim ’S Jongers (2024) is een uitgave van de Correspondent. De theatertour liep tot eind mei dit jaar.
In Nederland zijn in 2023 ruim 41.000 jeugdigen uit huis geplaatst. Gemiddeld keren vier op de tien van hen terug naar huis. Uit onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt dat een kwart later nogmaals uit huis geplaatst wordt. Het overkwam ook Jonathan. Gelukkig bood ThuisBest een ander perspectief. Marloes Thonen-Frank, orthopedagoog-generalist bij Pluryn en trajectbegeleider bij ThuisBest, vertelt erover.
Lees meer
Jonathan is een actieve jongen van Nederlands-Surinaamse afkomst, met een grote liefde voor voetbal. Op driejarige leeftijd is hij uit huis geplaatst naar aanleiding van een onstabiele gezinssituatie en meldingen van huiselijk geweld. Zijn grootouders zagen dat hun dochter, de moeder van Jonathan, de zorg niet aankon. Ze maakten zich ook zorgen over het gewelddadige gedrag van vader. De grootouders hebben daarom de pleegzorg voor Jonathan op zich genomen. Zijn moeder bleef betrokken, zijn vader verdween meer op de achtergrond.
Het gaat lange tijd goed met Jonathan, totdat hij in de puberteit komt. Bij de overgang naar de middelbare school, waar Jonathan start met vmbo-basis onderwijs, merken zijn grootouders dat hij steeds vaker een grote mond heeft, slecht luistert en vaker op straat is. Door toenemende conflicten wordt er opvoedondersteuning ingezet. Even is er een rustigere periode, maar al snel raakt Jonathan betrokken bij vechtpartijen, pleegt hij winkeldiefstal en raakt hij op veertienjarige leeftijd betrokken bij een straatroof. Zijn grootouders zijn ten einde raad. Ze hebben continue zorgen en slapen amper. Ook de betrokken hulpverlening krijgt geen grip op de situatie. Er wordt gekozen om Jonathan aan te melden voor tijdelijke uithuisplaatsing.
Jonathan komt tijdelijk op de ThuisBest-groep van Pluryn te wonen. Tijdens het startgesprek zijn de zorgen van de grootouders erkend en is er gekeken naar de mogelijkheden voor terugkeer naar huis. Marloes Thonen-Frank: “We hebben veel stilgestaan bij de negatieve langetermijneffecten wanneer een kind opgroeit in de residentiele jeugdzorg. Het idee is vaak dat er binnen de jeugdzorg strikter beleid gevoerd kan worden, met meer toezicht en controle. Maar daarmee wordt vergeten dat je deze kinderen ook iets belangrijks ontneemt. Namelijk opgroeien bij mensen die echt van hem houden. Ze wonen bovendien samen met leeftijdsgenoten die ook verkeerde dingen doen en hebben vaak een negatieve invloed op elkaar. Er is ook sprake van wisselende opvoeders, veel onduidelijkheid en weinig ruimte om tot rust te komen.” Ook de ouders van Jonathan worden betrokken bij het traject. Zij willen voorkomen dat hij – net als zijzelf – vast komt te zitten in eindeloze hulpverlening. Ze willen allebei wel een rol spelen in zijn leven. “Dat was bijzonder, want er was op dat moment weinig contact tussen Jonathan en zijn vader. Maar we ontdekten dat hij uiteindelijk ook veel invloed had. Zoals mijn manager vaak zegt: ‘De meest afwezige vader, is de meest aanwezige vader.’” Met behulp van de Richtlijn Samen beslissen wordt ThuisBest (zie kader) ingezet om terugkeer naar huis te realiseren.
Jonathan zal zes tot acht weken op de groep verblijven, waar hij behandeling volgt en naar school gaat. Tegelijkertijd wordt gestart met Multisysteem Therapie (MST) in de thuissituatie. De MST-therapeut gaat in gesprek met zowel grootouders als ouders. Op basis van verklarende analyses wordt in kaart gebracht waarom het thuis bij de grootouders niet goed gaat. Op de groep krijgen ze voor het eerst meer zicht op Jonathan’s perspectief. Marloes: “Er is direct gestart met observaties en gesprekken met Jonathan. Hij legde niet alles bloot, maar kon wel kwetsbaar zijn over wat hij miste. Hij schaamde zich soms voor zijn opa en oma. Jonathan kwam over als een stoere jongen, die wil laten zien wat hij kan en durft, maar vanbinnen was het vooral ook een bange jongen. Niet luisteren en weglopen waren zijn coping geworden.” Om hem een andere coping aan te leren en zijn emoties te reguleren, is gestart met de methode Boksend Opvoeden. Hierin leert Jonathan spanning beter voelen in zijn lijf en is er een signaleringsplan met hem opgesteld.
Ondertussen krijgen Jonathan zijn grootouders psycho-educatie over trauma en hechting. Marloes: “Er was een gebrek aan erkenning en begrip dat het leven ook heel ingewikkeld voor Jonathan was geweest. Hij had behoefte om te horen dat hij lief is, de moeite waard is en dat hij ook fouten mag maken. Het was mooi om te zien dat er meer kennis en begrip bij zijn grootouders ontstond. Zij gingen ook dingen bij zichzelf herkennen, de verantwoordelijkheid die zij voelden en wat dat met hen deed. Durven zij hem risico’s te laten nemen, kunnen ze dat verdragen? Het besef kwam ook dat het bij Jonathan zal blijven horen om de grenzen op te zoeken en er soms overheen te gaan.” “Mooi was dat we met de grootouders konden spreken over wat Jonathan nodig heeft en hoe ze dat samen konden doen. Voorheen werd moeder er vaak buiten gehouden en had zij daardoor het idee dat er niet genoeg gedaan werd. Nu ze een rol had, kon ze het proces beter volgen en ging de samenwerking beter.” Er waren ook gesprekken tussen vader en Jonathan. Zijn vader kwam meer in de samenwerkingsmodus op het moment dat hij iets mocht zeggen over zijn zoon.
Het traject loopt niet helemaal vlekkeloos. Al snel blijkt dat Jonathan niet meer welkom is op school. “Dat was een lastige”, vertelt Marloes. “Het streven bij ThuisBest is maximaal acht weken op de crisisgroep. Maar als je geen daginvulling hebt, weten we dat het thuis ook erg ingewikkeld is.” Het traject loopt hierdoor vertraging op, want daginvulling wordt gezien als een vereiste. Jonathan volgt tijdens zijn verblijf onderwijs op het terrein van Pluryn. Deze school is beter afgestemd op zijn niveau en daar blijven lijkt wenselijk. Maar er ging tijd overheen voordat de nodige voorwaarden, zoals de toelaatbaarheidsverklaring en het regelen van vervoer, waren geregeld om dit te realiseren.
ThuisBest combineert Multisysteem Therapie met een kortdurend verblijf in een (jeugd-) zorgorganisatie, ongeveer vier tot acht weken. ThuisBest is er voor jongeren tussen de 10 en 19 jaar met ernstige gedragsproblemen op meerdere leefgebieden – zoals agressie, spijbelen, plegen van delicten, weglopen, drugsgebruik, omgang met verkeerde vrienden – die kortdurend uithuisgeplaatst worden. Het ThuisBest-traject is er om deze uithuisplaatsing van jongeren te verkorten door het gezin en hun netwerk te versterken. ThuisBest zorgt ervoor dat gedragsproblemen afnemen en een jongere een beter toekomstperspectief heeft. Zo kan een jongere weer snel thuis wonen, naar school, werk of dagbesteding gaan, voorkomt ThuisBest (herhaling van delict gedrag) en vermindert ook problematisch drugsgebruik of excessief gamen/gokken. Op dit moment werkt MST Nederland middels ThuisBest samen met drie instellingen die de kortdurende opname organiseren, zowel binnen de jeugdzorgplus als binnen de open jeugdzorg opvangen middels crisisbedden: Almata, Combinatie Jeugdzorg en Pluryn.
bron: thuis-best.com
Uiteindelijk verblijft Jonathan tien weken op de ThuisBest-groep, in de laatste weken is hij steeds vaker en langer thuis bij de grootouders. In samenspraak met het gezin zijn regels en afspraken voor thuis afgesproken. Het signaleringsplan dat samen met Jonathan op de groep is opgesteld, is door de MST-therapeut aangepast voor de thuissituatie. De vader van Jonathan is meer met hem gaan ondernemen, zoals samen naar voetbalwedstrijden gaan. De MST-behandeling thuis blijft ook doorlopen, in totaal 26 weken. “Jonathan was zeker niet helemaal braaf bij thuiskomst. Er was wel een soort rust ontstaan, omdat hij er even uit was geweest. Maar er waren ook terugvallen. Dat zat hem vooral in boze buien en heftige reacties, waardoor de grootouders zich lieten verleiden tot discussie en harder optreden. Daardoor ontstonden incidenten. De grootouders hebben in deze periode veel gebruik gemaakt van de 24/7 bereikbaarheidsdienst van ThuisBest. Op ieder moment van de dag kan een therapeut meedenken en advies geven. Jonathan is in deze tijd bijna opnieuw opgenomen, maar dit hebben we weten te voorkomen.”
Het streven van MST en ThuisBest is om het kind los te krijgen van de hulpverlening. Bij Jonathan is na afronding van het traject gekozen om wel ambulante ondersteuning in te zetten. Jonathan had behoefte aan iemand met wie hij zich kon identificeren, ook vanuit zijn Nederlands-Surinaamse culturele achtergrond. Die vond hij in een ambulante hulpverlener uit de regio. Hoe gaat het nu met Jonathan? Marloes: “Het is eigenlijk pijnlijk, maar ik weet niet hoe het nu met hem gaat. Het traject is afgesloten en daarmee houdt het contact op. MST doet wel follow up onderzoek, maar dat is kwantitatief en anoniem. Tijdens het laatste contactmoment hing Jonathan minder op straat, was hij meer thuis en dus meer in zicht en had hij positieve contacten op school. Zijn
grootouders gaven aan beter te begrijpen wat er gebeurt, wat hun rol is en aan welk stukje ze niet kunnen voldoen.”
De eerste resultaten van ThuisBest tonen aan dat ongeveer de helft van de jongeren thuis is blijven wonen na het traject, de andere helft is opnieuw in de residentiële zorg beland. Toch is Marloes trots. “Het gaat over mensenlevens die nog lang te gaan hebben. De helft van die groep groeit nu wel thuis op.” Marloes ziet dat deze trajecten vooral de samenwerking tussen alle betrokkenen ten goede komt. “Wat ik sterk vind aan ThuisBest is dat je aan allebei de kanten fors investeert. Je start met het kind op de groep, maar er wordt ook direct geluisterd naar het verhaal van de opvoeders. Je gaat samen intensief aan de slag.”
“Helaas hebben we residentiële zorg nodig voor jongeren met een grote ondersteunings- en behandelvraag. Elk kind heeft echter recht op een zorgvuldige afweging om het wonen in een gezinssituatie mogelijk te maken, omdat we weten dat het beter is om bij je ouders of andere dierbaren op te groeien als dat kan.” Landelijk zijn er verschillende initiatieven die op eenzelfde manier proberen om langdurig verblijf in de residentie terug te dringen. Zo is er naast ThuisBest ook RGT Re-entry1, waarbij gebruik gemaakt wordt van dezelfde werkzame elementen in de vorm van intensieve, ambulante hulpverlening naast de behandeling in residentiële setting.
tekst: June Bragg
tekening: Sarah Bouwman (11 jaar)
Jonathan betreft een fictieve casus, gebaseerd op verschillende casussen en
ervaringen, om herleidbaarheid te voorkomen.
bronnen
Veel jongeren ervaren hun mentale gezondheid als ‘niet goed’. Ze hebben last van prestatiedruk, sombere gedachten, angst en verlies van perspectief. In de media doet men daar vaak schamper over. Jongeren zouden verwend zijn en opgevoed tot prinsjes en prinsesjes, die niet tegen kritiek kunnen en bij elke tegenslag een burn-out krijgen.
Lees meer
Ik zie juist jonge mensen die hun problemen onder ogen zien en willen aanpakken, in plaats van bij de pakken neerzitten. Deze generatie vindt mentaal welzijn belangrijk en houdt ons daarmee een spiegel voor dat het anders moet: meer balans in het leven, verbinding zoeken en je gevoel uitspreken. Dit zijn misschien wel dé vaardigheden die we nodig hebben nu de wereld in brand staat en polarisatie hoogtij viert.
In mijn zoektocht naar hoe ik jongeren het beste kan ondersteunen, interviewde ik hen over het versterken van hun mentaal welzijn, zelfvertrouwen en veerkracht. Zij geven aan dat ze vooral gehoord en gezien willen worden. Ze vragen van ons: veroordeel ons niet, maar erken dat wij opgroeien in een complexe wereld en dat onze problemen echt zijn. Dit missen ze vaak in hun gesprekken met volwassenen. Zij ervaren dat volwassenen geneigd zijn om te snel allerlei vragen te stellen en ongevraagd advies te geven, dat snel ‘advieszeuren’ wordt.
Als ik onbevooroordeeld luisterde, verrasten jongeren me vaak met hun creatieve inzichten. Deze wijze lessen hebben zij voor ons:
Faraaz Ramdjanbeg van de Nationale Jeugdraad voerde onlangs een gesprek met jongeren uit de jeugdgevangenis en hij verwoordde het zo: “Als je hen niet benadert als ‘probleemjongeren’, maar als jongeren die problemen hebben meegemaakt en die begrijpen wat er nodig is om te voorkomen dat anderen in dezelfde situatie belanden, dan maak je gebruik van hun expertise van onschatbare waarde.”1
Het is belangrijk dat jongeren het gevoel krijgen dat wij hun wijsheid erkennen én dat ze er niet alleen voor staan. Dan gaan we betekenisvolle relaties aan. Een gezond zelfbeeld, vriendschappen, positief kunnen terugdenken aan belevenissen en sociale netwerken versterken hun veerkracht. Daar kunnen wij allen een rol in spelen. Door jongeren regelmatig uit te dagen en de gelegenheid te geven het verhaal over zichzelf te vertellen. Door het echte gesprek aan te gaan.
tekst: Lieke Kalhorn
Lieke Kalhorn is orthopedagoog, auteur en spreker. Ze begeleidt jongeren op het gebied van mentaal welzijn, studie-/werkkeuze en zelfvertrouwen en geeft jongeren een stem in het maatschappelijke debat. Tevens coacht ze ouders en professionals in communicatie met jongeren.
1. Linkedinpost Faraaz Ramdjanbeg: www.linkedin.com/feed/update/urn:li:activity:7317830317401079809
leestip
Lieke Kalhorn (2024). Als het (l)even lastig is. Hoe vergroot je mentaal welzijn, zelfvertrouwen en veerkracht bij jongeren? SWP.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Wil je meer weten over hoe verslaving eruit kan zien en welke impact dit kan hebben op iemands leven en omgeving? Dan moet je dit boek zeker lezen. Het is het waargebeurde verhaal van Judith Blok, opgetekend door Steven de Munnik. Het laat zien dat verslaving je leven in kan sluipen en, eenmaal binnen, alles overneemt.
Judith gebruikte alcohol en andere drugs zoals cocaïne en crack. Ze werd moeder van vier kinderen. Ze wilde echt wel stoppen met drugs, maar pogingen daartoe lukten niet. Uit angst dat haar kinderen uit huis gehaald zouden worden, durfde ze niet eerlijk te zijn tegenover hulpverleners over haar verslaving en bagatelliseerde ze het, ook voor zichzelf. Uiteindelijk werd haar grootste angst waarheid: haar drie jongste kinderen werden in een pleeggezin geplaatst. Haar grootste angst bleek uiteindelijk haar redding; Judith werd klinisch opgenomen en is nu al een aantal jaar ‘in herstel’ zoals dat heet. Want ook al gebruik je niet meer, je blijft een verslaafde.
Wat mij betreft had het deel over haar leven als verslaafde korter mogen zijn en het deel over haar herstel langer. Het herstel geeft blijk van hoop en vertrouwen en biedt hulpverleners inzicht in wegen daarnaartoe. Judith zelf werkt nu als ervaringsdeskundige voor de Raad voor de Kinderbescherming en Partners voor Jeugd. Ze heeft een eigen zorginstelling op maat opgezet, voor ouders met uit huis geplaatste kinderen.
tekst: Marleen Baeten Mama is verslaafd (2024) van Judith Blok en Steven de Munnik is een uitgave van Nijgh & Van Ditmar.
Ik keek ernaar uit om het boek Kopzorgen. Neurodiversiteit begrijpen in 33 vragen van Jim van Os en Simona Karbouniaris te lezen. En ja, de auteurs bieden een alternatieve bril om naar ontwikkeling te kijken. Eén waarmee we variatie in gedrag en emotie kunnen bekijken, zonder direct in stoorniscategorieën te denken. Een perspectief dat past bij mijn visie. Vooral het overzicht van de dimensies van neurodiversiteit is verhelderend en biedt handvatten om in gesprek te gaan met collega’s, cliënten en voor de diagnostiek. Voor studenten pedagogiek of psychologie kan het boek een waardevolle aanvulling zijn op het traditionele DSM-denken en bijdragen aan een bredere kijk op ontwikkeling en gedrag.
Toch bleef ik wat teleurgesteld achter. Ik hoopte op een boek dat ik kon aanraden aan ouders of mee kon nemen in gesprekken met collega’s, maar de schrijfstijl is behoorlijk complex en ontoegankelijk. Een gemiste kans om deze belangrijke visie breder te verspreiden.
Ook inhoudelijk had ik meer duiding verwacht. Hoewel elk hoofdstuk afsluit met literatuurtips, blijft onduidelijk wat gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek en wat op persoonlijke inzichten of ervaringen. Bovendien is er weinig aandacht voor kritische stemmen binnen het neurodiversiteitsdebat, terwijl juist die discussie een waardevolle verdieping kan geven. Al met al een boek dat professionals aan het denken kan zetten en uitnodigt tot reflectie, maar dat -ondanks de heldere intentie – niet iedereen zal weten te bereiken.
tekst: Rianne Manenschijn
Kopzorgen. Neurodiversiteit begrijpen in 33 vragen (2024) van Jim van Os en Simona Karbouniaris is een uitgave van LannooCampus.
Sommige leerlingen maken meer dan honderd toetsen per jaar. Geen wonder dat leermotivatie een ‘dingetje’ is. “Leren hoeft niet altijd leuk te zijn, maar plezier moet niet de beloning zijn voor zwoegen”, betoogt Filip Mennes. In Outdoor education maakt hij korte metten met de negatieve lading rondom de zogenaamde ‘pretpedagogie’, als zou de focus in het onderwijs te veel liggen op welzijn en plezier en te weinig op kennisoverdracht. Mennes, lerarenopleider en onderzoeker met praktijkervaring als leerkracht, betoogt hoe belangrijk plezier en buitenlucht juist zijn om betrokkenheid en motivatie van leerlingen te verhogen. Hij pleit voor deze factoren als volwaardig onderdeel van kwalitatief goed onderwijs.
Mennes zet eerst uiteen hoe een ‘pedagogie van vertrouwen’ kan dienen als tegenhanger van onderwijs dat te sterk gericht is op doelstellingen, en zo gemakkelijk omslaat naar controle en wantrouwen. Hij roept niet op tot enkel ontdekkend leren. Wel tot speels leren waarbij gebruik wordt gemaakt van de context van de natuur, met ook directe instructie, differentiatie en oog voor individuele leerbehoeften. Deze theoretische onderbouwing is informatief. Niet alleen als basis om spelend leren te implementeren, maar ook als parallel naar de meerwaarde van geleid, speels leren binnen – bijvoorbeeld – de geestelijke gezondheidszorg.
Dan volgen tips en uitgewerkte lesideeën voor wiskunde, taal, wereldoriëntatie en muziek. Foto’s van ‘echte’ lessen en leerlingen illustreren de praktijk. Oppervlakte en inhoud? Letters en woordsoorten? Allemaal te leren in de buitenlucht. Weer of geen weer.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Outdoor education. Buiten aan de slag met wiskunde, wereldoriëntatie, taal en
muzische vorming (2025) van Filip Mennes is een uitgave van SWP.
Bij Vesper verschenen recent twee prentenboeken: Charlie: Een boek over aanraken en aanzitten en Mia & James en het grote online avontuur. De gemene deler is Pieter Melsen, die vanuit zijn ervaring als zedenrechercheur samen met klinisch psycholoog Iva Bicanic (Charlie) en collega-zedenrechercheur Iris Knoops (Mia & James) de prentenboeken schreef en illustreerde.
Charlie gaat over een jongen die met zijn buurman Jan gaat kamperen. In bed voelt Charlie dat Jan aan hem zit. Charlie schrikt hiervan en het roept allerlei gedachten en gevoelens op. Zijn gedrag verandert, maar hij durft er met niemand over te praten. Het boek is duidelijk geschreven door experts en maakt je op een empathische manier deelgenoot van Charlie’s binnenwereld. Ook is er een mooie rol voor de buurvrouw, die merkt dat Charlie de laatste tijd minder buiten speelt en zijn moeder hierover aanspreekt. Het boek is herkenbaar en ondersteunend voor volwassenen en kinderen die met seksueel misbruik te maken hebben (gehad).
Mia & James maakt de leuke én gevaarlijke kanten van internet bekend bij jonge kinderen. Alhoewel het boek hier en daar betuttelend kan overkomen, is de boodschap helder en wordt deze positief en speels gebracht. Beide prentenboeken maken ‘moeilijke’ onderwerpen op een toegankelijke manier bespreekbaar. Hier thuis zetten ze in ieder geval aan tot een goed gesprek. Eindoordeel van de kinderen: goedgekeurd.
tekst: Sanne de Vet
Charlie: Een boek over aanraken en aanzitten (2024) van Pieter Melsen en Iva Bicanic en Mia & James en het grote online avontuur (2025) van Pieter Melsen en Iris Knoop zijn uitgaven van Vesper.
Ontwikkelingspsychologie, dat wilde Anna Lichtwarck-Aschoff studeren. Door een hoge numerus fixus in Duitsland, komt zij in Groningen terecht. Daar start zij tijdens haar promotietraject met het onderwerp identiteitsontwikkeling bij adolescenten. Als hoogleraar Orthopedagogiek verricht zij nu allerlei onderzoek naar die adolescenten, samen met haar team. Eind 2024 hield zij haar oratie: ‘De bomen en het bos: Complexe systeemdynamiek in de orthopedagogiek’.
Lees meer
In de onderzoeken die Anna Lichtwarck-Aschoff doet bij de Rijksuniversiteit Groningen, ziet zij steeds vaker meerdere classificaties per jongere voorbijkomen, vertelt ze. “We zien een klinische realiteit waarin we mensen in hokjes plaatsen, classificatie-hokjes. Tegelijkertijd is ook de hulpverlening in compartimenten verdeeld. Waarin de financiering, organisatie en inhoud van de hulpverlening gedifferentieerd is aan de hand van die classificatie-hokjes.”
De vele onderzoeken die in de afgelopen jaren gedaan zijn, gaan vooral op zoek naar dé onderliggende causale factor voor psychische problemen. En daar gaat het mis, wat Anna betreft. “Door al deze hokjes en schotten, die weliswaar specifieke kennis en expertise opleveren en daarmee een schijn van controleerbaarheid creëren, dreigen we de persoon met zijn unieke situatie en ontwikkelingsgeschiedenis steeds meer uit het oog te verliezen. Het is juist de totaliteit van de persoon, het geïntegreerde geheel van kenmerken en functies, die alles bepalend is voor hoe een persoon reageert op lastige omstandigheden en tegenslagen en hoe de persoon reageert op hulp en behandeling.” Anna pleit ervoor dat we de aandacht voor de stoornis gaan verschuiven naar de aandacht voor de persoon met de stoornis, een person-centered benadering.
“In de pedagogiek bestaan er eigenlijk geen simpele oorzaak-gevolg relaties”, vertelt Anna. “De mens is een systeem en onderdeel van meerdere systemen, en er zullen daarom altijd systeemdynamische reacties optreden als je aan één van de schakels draait. We zien veel heterogeniteit bij personen met dezelfde classificatie. Een classificatie is geen statisch gegeven.” Daarom is zij gaan zoeken naar een theoretisch kader met een brede en dynamische kijk, dat recht doet aan de totaliteit, het geïntegreerde geheel van de persoon in zijn context. De theorie van de complexe dynamische systemen lijkt hier, met zijn holistische benadering, passend te zijn. Een theorie die vooral de problematiek niet bij de persoon legt, maar vooral de persoon in diens systeem en alle bijkomende dynamieken bekijkt.
De verklarende analyse is volgens Anna een heel goede manier om breed naar het verhaal van de cliënt te kijken. Ook als er voorheen al veel hulpverleners betrokken zijn geweest of al veel classificaties toegewezen zijn, kan de verklarende analyse nieuwe ingangen brengen. “In de praktijk is het dan ook belangrijk dat professionals niet symptomen gaan afvinken, maar echt samen met de cliënt naar diens ontwikkelingsgeschiedenis en huidige context kijken. Om helder te krijgen waar problemen vandaan komen en hoe bepaalde patronen in stand worden gehouden. Methodieken zoals de verklarende analyse zijn hier helpend in. Als je daar zicht op hebt, kun je die patronen en dynamiek hierin in de loop van de tijd volgen. Dit noemen we gepersonaliseerde procesmonitoring. Je bedenkt samen met de cliënt persoonlijke vragen, die deze vervolgens dagelijks beantwoordt, om zo inzicht te krijgen in de eigen patronen en de samenhang ervan. Ook kan zo duidelijk worden of verleende hulp aanslaat of aangepast moet worden.”
Als Anna haar hart zou volgen, ligt de DSM 5 niet meer standaard op tafel en bekijken we iedere persoon met alle gedraging in zijn of haar context. “Alleen is de DSM 5 zelf niet de boosdoener. Die vertelt ons welke naam wij hebben gegeven aan welke set gedragskenmerken. In de praktijk wordt het echter omgedraaid: je laat deze gedragskenmerken zien en daar is de classificatie de oorzaak van. Daar gaat de focus van de persoon naar de ziekte.”
“Met mijn intrinsieke motivatie voor systeemtheorieën, bleek ik als promovendus een exoot in onderzoeksland”, vertelt Anna. Ze is van ver gekomen om de aandacht die er inmiddels voor het onderwerp is, op de kaart te zetten. Verandering kost tijd, veel tijd. In haar onderzoeken werkt ze samen met zorgaanbieders, zoals Pluryn, Molendrift en Lentis. Maar voor Anna begint het vooral bij de (ortho)pedagoog zelf!
“Waar sta jij als pedagoog voor, wat is jouw identiteit en visie om anderen te helpen?” Daar begint het wat Anna betreft mee. De pedagogiek heeft van oudsher een holistische kijk op ontwikkeling, het denken in transacties en systemen is niet nieuw. Dat is waarschijnlijk de reden waarom zij zich van meet af aan thuis heeft gevoeld in de (ortho)pedagogiek. Ze is ervan overtuigd dat elke pedagoog een motivatie heeft om systemisch te kijken en te werken. Maar we worden grootgebracht in het huidige zorgsysteem, dat deze motivatie soms wat wegduwt. Het wordt steeds duidelijker dat de gemiddelde cliënt niet bestaat en dat de context een cruciale rol speelt bij het ontstaan en in stand houden van psychische problemen. Een one-size-fits-all benadering, gebaseerd op classificaties, sluit vaak onvoldoende aan, terwijl herstel op veel verschillende manieren kan plaatsvinden. Juist vanuit de pedagogiek hebben wij de expertise in huis om systeemblindheid te verhelpen, afstand te doen van stoornis- en hokjesdenken en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan de verbetering van ons jeugdzorgsysteem. Dus pedagoog, laat je niet weerhouden en laat je systemisch hart spreken!
tekst: Laura van Wijnen
foto: Marieke Boelhouwer
Bekijk hier de oratie De bomen en het bos: Complexe systeemdynamiek
in de orthopedagogiek: books.ugp.rug.nl/ugp/catalog/view/201/215/1323
Meer weten over de verklarende analyse? Kom naar het NVO-congres op vrijdag 26 september 2025, waar Kim Bartelink en Marieke Boelhouwer je meenemen in hoe de verklarende analyse in meervoudige/complexe casuïstieken in te zetten.
Acceptance and Commitment Therapy is in opmars in Nederland. Of, zoals Janna Keulen zegt: ‘ACT is helemaal hip and happening.’ Alle reden om meer te horen over ACT your way, speciaal bedoeld voor jongeren en jongvolwassenen. Janna Keulen en Denise Bodden vertellen over deze training en hun onderzoek ernaar.
Lees meer
Volg je eigen pad (uit: ACT your way)
In het Utrechtse Langeveldgebouw, genoemd naar de bekende pedagoog Martinus J. Langeveld, heb ik afgesproken met Janna Keulen en Denise Bodden, beiden werkzaam bij de afdeling pedagogiek aan de Universiteit Utrecht. Janna Keulen is sinds vier jaar promovenda op het onderzoek naar de effectiviteit van ACT your way. Universitair docent Denise Bodden, gz-psycholoog, is begeleider bij dit onderzoek en schreef samen met Denise Matthijssen en Els de Rooij een werkboek over ACT your way.
ACT your way is afgeleid van Acceptance and Commitment Therapy (ACT). De grondlegger, Steven Hayes, ontwikkelde ACT in de jaren tachtig in de Verenigde Staten. Daar is ACT erkend als evidencebased behandeling voor volwassenen met psychische klachten, onder andere bij depressie. In Nederland werken steeds meer professionals in de ggz met ACT.
ACT your way is een training voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot 25 jaar die vastlopen in hun ontwikkeling of psychische klachten hebben. De training omvat twaalf sessies, in groepsverband of individueel, vertellen Janna en Denise.
“ACT your way is niet zozeer gericht op het verminderen van klachten, maar op het verhogen van psychologische flexibiliteit,” zegt Janna. “Jongeren met psychologische inflexibiliteit doen niet wat ze wel willen doen en doen wel wat ze niet willen doen. Bijvoorbeeld jongeren met depressie gaan niet naar een vriend toe terwijl ze dat eigenlijk wel willen en blijven misschien in bed tv-kijken terwijl ze dat eigenlijk niet willen. Jongeren leren in de training om lastige gevoelens en gedachten te accepteren en niet steeds weg te duwen. Zo ontstaat er ruimte om actie te ondernemen in de richting van hun waarden en te doen wat ze zelf belangrijk vinden, zoals toch naar die vriend toegaan.”
“Het is een transdiagnostische training”, vult Denise aan. “Dus voor jongeren met heel diverse problematiek: jongeren die moeite hebben om met stress om te gaan, jongeren die zich anders voelen, moeilijkheden hebben met relaties of met het kiezen van hun eigen weg en identiteit. Alle jongeren die ergens tegenaan lopen en het anders zouden willen.”
Janna Keulen (foto: David Lok)
Bijzonder is dat de training een brede leeftijdsrange heeft, van 15 tot 25 jaar. Denise legt uit waarom: “Els de Rooij, Denise Matthijssen en ik hebben ACT your way in de klinische praktijk ontwikkeld bij Altrecht Kind en Jeugd in Utrecht. We begeleidden toen veel jongeren die tussen wal en schip vielen. Als je 18 bent, val je onder (Jong)volwassenen en niet meer onder Jeugd. Maar veel jongeren zitten er net tussenin en hebben andere behoeften dan kinderen of volwassenen. Vandaar dat we iets voor deze leeftijdsgroep wilden.”De leeftijd van 15 tot 25 jaar is een levensfase waarin er veel verandert. Janna: “Jongeren gaan het huis uit, kiezen een studie of gaan werken. Ze krijgen een relatie, maken nieuwe vrienden en zijn minder afhankelijk van hun ouders. Bij veel jongeren gaat het goed, maar het is ook een kwetsbare doelgroep. Jongeren van deze leeftijd hebben meer psychische problemen dan jongere kinderen en ook meer dan volwassenen boven de 25 jaar. Bestaande behandelingen sluiten minder goed aan bij wat jongeren in deze fase nodig hebben voor hun identiteits- en autonomieontwikkeling.”
ACT your way is gebaseerd op de ACT-theorie, maar de oefeningen zijn samen met jongeren ontwikkeld en aangepast. Jongeren vonden bijvoorbeeld de mindfulness-oefeningen van ACT te zweverig, ook de naam. Denise: “Ze hadden zoiets van ‘Op een matje zitten, met onze benen gekruist mediteren. Dat gaan we echt niet doen.’ Daarom zijn het meer actieve aandachtsoefeningen geworden. Bijvoorbeeld met je ogen dicht een gezicht tekenen en kijken welke gedachten er in je opkomen. Dan denkt een jongere misschien: ‘Dit gezicht is vast raar, en straks moet ik de tekening laten zien en denken ze allemaal dat het niet goed is.’ Terwijl je zo’n oefening doet, krijg je allerlei gedachten. Merk dat eens op en bedenk wat het met je doet.”
Bij ACT your way werkt de professional – de trainer – volgens een vast protocol met een werkboek, trainershandleiding en online omgeving.1 Omdat jongeren graag iets recents wilden bespreken, is het rondje ‘hobbel en waardevol’ toegevoegd. Denise licht het toe: “Aan het begin van elke bijeenkomst doen we een rondje ‘Wat was deze week jouw hobbel en wat was waardevol voor jou?’ Iedereen heeft daarvoor foto’s gemaakt op zijn mobiel. Bij ‘hobbel’ is dat een foto van een situatie of iets waar ze tegenop zagen, bijvoorbeeld een schooltoets of een feestje. Bij ‘waardevol’ krijg je de meest gevarieerde foto’s: van een kat op schoot, een kamer die er gezellig uitziet, tot een mooie zonsondergang. Dit helpt de jongeren in de training: als zij een gezellige kamer of buiten zijn in de natuur belangrijk vinden, moeten ze hun acties daar misschien vaker aan koppelen.”
In het verleden zijn er twee pilotstudies naar ACT your way uitgevoerd, met veelbelovende resultaten. Het huidige onderzoek is een randomized controlled trial, gesubsidieerd door ZonMw. Het onderzoek2 is uitgevoerd samen met zestien instellingen in Nederland en een in België, vertelt Janna. “Omdat we een transdiagnostische behandeling onderzochten, namen we jongeren op met allerlei psychische klachten. In totaal deden 123 jongeren en jongvolwassenen mee. Na randomisatie kreeg de ene helft ACT your way en de andere helft het standaardaanbod van de instelling, zoals cognitieve gedragstherapie, EMDR of schematherapie. Bij de voor- en nametingen maakten we gebruik van vragenlijsten en interviews. We hebben drie jaar data verzameld, gelukkig net na corona. Soms was randomisatie lastig. ACT is tegenwoordig helemaal hip and happening, dus vonden sommige behandelaars dat een bepaalde jongere écht ACT your way zou moeten krijgen. Uiteindelijk zijn we zeer tevreden met de medewerking van professionals en jongeren.”
Denise Bodden (foto: Ellis Rijkers)
Het onderzoek is in de laatste fase: het schrijven van artikelen voor wetenschappelijke tijdschriften. Er zijn dus al eerste resultaten. “We hadden een aantal vragen,” zegt Janna. “Werkt ACT your way? Werkt het even goed als het standaardaanbod? En voor wie werkt het? Het antwoord op de eerste vraag is positief: jongeren hebben na ACT your way minder psychische klachten en zijn vooruitgegaan in dagelijks functioneren en psychologische flexibiliteit. Als we kijken naar de tweede vraag, zien we dat ACT even goed werkt als de evidence-based behandelingen in het standaardaanbod. ACT is dus een mooie aanvulling op het bestaande behandelaanbod.” Of ACT your way beter werkt voor bepaalde jongeren was een derde onderzoeksvraag. Janna: “We keken naar leeftijd en naar type problematiek: meer externaliserende klachten, zoals druk of opstandig gedrag, of juist internaliserende klachten, zoals angst of depressie. Daarnaast keken we naar de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblemen en autisme. Ook het aantal eerdere behandelingen is meegenomen. De resultaten laten zien dat het voor iedereen even goed werkte. Dat is positief want het betekent dat ACT your way geschikt is voor een brede en veelzijdige doelgroep, van diverse leeftijden en met verschillende soorten problematiek.”
Jongeren en professionals zijn tevreden en enthousiast over ACT your way. Behandelaars mailen de onderzoekers al met de vraag of het werkt, omdat ze de training graag in het behandelaanbod opnemen. Na afronding van het onderzoek gaat het onderzoeksteam ACT your way indienen bij de NJi Databank Effectieve jeugdinterventies. Therapietevredenheid is opgenomen in het onderzoek, maar nog niet geanalyseerd. Janna en Denise laten een paar citaten van jongeren zien. Zo schrijft een jongere: ‘Je leert naar jezelf te kijken zonder alleen maar bezig te zijn met het zieke deel van jezelf. In eerdere therapieën werd dat vooral gedaan. Er werd gekeken hoe ik moest verbeteren. Nu ben ik bezig met wat ik wil veranderen als persoon, wie ik ben en welke waarden ik heb.’
![]()
Hoe kunnen pedagogen werken met ACT your way? Denise: “Pedagogen, psychologen, coaches, gz-psychologen, allemaal kunnen ze aan de slag met het protocol en de gepubliceerde materialen.3 Het is wel fijn om achterliggende kennis te hebben en eerst een ACT basistraining en ACT your way-training te volgen.” Denise besluit met toekomstplannen: “We gaan werken aan een vervolg waarin we jongere jongeren meenemen, vanaf 12 jaar. Daar is nu al vraag naar. Verder willen we de training zo aanpassen dat scholen die kunnen gebruiken. Als preventieve training, zodatjongeren psychologisch flexibeler zijn voordat ze tegen dingen aanlopen.”
tekst: Femmie Juffer
illustratie: Linda van Erve
Karin werkt als gedragswetenschapper met een team ambulante hulpverleners. Een van hen vraagt: mag ik afwijken van een richtlijn? Goeie vraag! En wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor het besluit om al dan niet af te wijken van een richtlijn? Karin of de hulpverlener?
Lees meer
Richtlijnen zijn onderdeel van de ‘professionele standaard’, die verder bestaat uit wet- en regelgeving, kwaliteitsstandaarden, een beroepscode en tuchtrechtsuitspraken. Als professional – zoals een gedragswetenschapper of hulpverlener – ben je verplicht om te werken als goed hulpverlener én volgens de voor jou geldende professionele standaard. In de NVO-beroepscode is dat verwoord als ‘de zorg van een goed pedagoog’. Deze beide verplichtingen zijn vastgelegd in diverse wetgeving.1
Richtlijnen zijn onderdeel van de professionele standaard als zij door de beroepsvereniging zijn geautoriseerd. Oftewel zijn vastgesteld en onderschreven door de NVO. Deze richtlijnen gelden voor pedagogen.2 Of je een richtlijn daadwerkelijk moet toepassen, hangt af van de concrete situatie. Is een richtlijn geautoriseerd door de NVO én past die bij de hulpvraag of problematiek en situatie van de cliënt, dan behoor je deze toe te passen. Soms staat in een richtlijn dat deze ‘ook door pedagogen’ kan worden toegepast. In dat geval ben je niet verplicht de richtlijn toe te passen, maar dat mag wel als het past bij de situatie van een bepaalde cliënt.
Afwijken van een richtlijn mag. Sterker nog, in sommige gevallen móet je afwijken van een richtlijn. Deze afweging maak je op basis van goed hulpverlenerschap oftewel de zorg van een goed pedagoog. Dit betekent dat afwijken mag of moet, als dat voor de goede zorg aan de cliënt noodzakelijk is. Dus het mag alleen als dat beter is voor de cliënt. Dit geldt voor alle richtlijnen, ook als deze geautoriseerd zijn door de NVO. Als je afwijkt, moet dat altijd gemotiveerd, op basis van een afweging. En die moet je noteren in het hulpverleningsdossier. Wil je afwijken van een veiligheidsnorm in de richtlijn? Dan geldt er een extra zware motivatieplicht.
Gedragswetenschappers en hulpverleners hebben een eigen verantwoordelijkheid in de besluitvorming. De gedragswetenschapper moet goed uitvragen en adviseren, zodat de hulpverlener een zorgvuldig gemotiveerd besluit kan nemen. Een hulpverlener mag afwijken van het advies van de gedragswetenschapper als daar goede redenen voor zijn, en overlegt hier bij voorkeur tevoren over met de gedragswetenschapper. Het advies van de gedragswetenschapper – en zo nodig de redenen voor afwijking van het advies – moet de hulpverlener vastleggen in het hulpverleningsdossier.
Gedragswetenschapper Karin dient dus goed uit te vragen wat de richtlijn vereist, wat de situatie is van de cliënt, waarom volgens de hulpverlener van de richtlijn moet worden afgeweken en welke positieve gevolgen en mogelijke risico’s dat voor de cliënt heeft. Ook moet duidelijk zijn wat de cliënt hier zelf van vindt. Pas dan kan Karin goed adviseren. En de hulpverlener op basis van dit advies een gemotiveerd besluit nemen. Vervolgens kan de cliënt geïnformeerde toestemming geven voor de hulpverlening.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Jasper van Dijk (28), sinds 2024 werkzaam als orthopedagoog bij Muurhuizen, een middelbare school in Amersfoort.
Lees meer
“Muurhuizen is een middelbare school voor leerlingen die vmbo-t volgen, met daarbij de mogelijkheid om ook havo 4 en 5 te doen. De leerlingen zijn tussen de twaalf en achttien jaar oud. Als orthopedagoog kom ik vooral in beeld als de basisondersteuning binnen school niet voldoende helpt. Dan kijken we wat er extra nodig is om deze leerlingen toch verder te helpen.”
“Bij Muurhuizen werken we met een ondersteuningsstructuur die is opgedeeld in verschillende ‘PM-niveaus’ (Professionele Momenten). PM-0 gaat over de aanmelding van leerlingen, PM-1 en PM-2 zijn vormen van basisondersteuning die elke leerling krijgt, bijvoorbeeld via de mentor. Komt een leerling daar niet verder mee, dan kiezen wij ervoor om deze leerling extra te ondersteunen binnen PM-3: de extra ondersteuning binnen school. Als dat nog niet genoeg is, betrekken we in PM-4 ook externe hulp. Wat is mijn rol? Ik adviseer mentoren en docenten over hoe ze kunnen omgaan met bepaalde leerlingen of klassen.Samen met mijn collega’s beoordeel ik zorgvragen die binnenkomen en met het ondersteuningsteam overleg ik welke begeleiding er nodig is. Voor leerlingen met extra ondersteuning stel ik een ontwikkelingsperspectief – een OPP – op, waarin we duidelijke doelen formuleren en planmatig werken aan de ontwikkeling van de leerling. Verder denk ik mee over het bredere ondersteuningsbeleid op school. Hoe zorgen we dat alle leerlingen, met of zonder extra behoeften, zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen? Zo hebben wij een schooleigen voorziening: de T’ma (traject met aandacht). Wij kunnen ervoor kiezen om leerlingen in de T’ma extra ondersteuning te laten krijgen van coaches (pedagogisch medewerkers) die aan de leerlingen gekoppeld worden. De ontwikkeling van passend onderwijs is in het onderwijs een voortdurende ontwikkeling.”
“De balans zoeken tussen wat een leerling nodig heeft, wat er mogelijk is binnen de school, en hoe je daarin ouders, leerlingen, docenten en externe partijen op één lijn krijgt. Dat is soms puzzelen, maar juist dat maakt het werk interessant. Als het lukt om samen tot een plan te komen waar iedereen vertrouwen in heeft, geeft dat echt energie. Een andere grote uitdaging is het begeleiden van thuiszitters, leerlingen die – tijdelijk – niet naar school komen. Er zit altijd een verhaal achter, en het is van belang dat wij dat verhaal goed kennen om de juiste ondersteuning te kunnen bieden. Hierbij kijken we hoe we een vorm van onderwijs kunnen organiseren, hoe klein die stapjes soms ook zijn. Bijvoorbeeld door een coach van de T’ma in contact te brengen met deze leerling. Zo is deze coach het medium waardoor de leerling contact houdt met de school en de lesinhoud, en de school de leerling kan blijven zien.”
“Je moet goed kunnen samenwerken en verbinding kunnen maken. Niet alleen met collega’s, maar ook met ouders en leerlingen. Soms betekent dat ook: je eigen ideeën even parkeren en openstaan voor andere perspectieven. Een moeder gaf bijvoorbeeld aan dat haar zoon thuis overstuur raakte door de drukte in de klas. Hoewel ik eerst dacht aan concentratieproblemen, besloot ik haar perspectief serieus te nemen. Na een gesprek met de leerling en een observatie, leek het erop dat ze gelijk had en heeft hij een andere plek gekregen in de klas en een mogelijkheid tot een time-out. Dit lijkt te helpen, zowel op school als thuis. Daarnaast is het belangrijk dat je analytisch sterk bent en snel kunt schakelen. Geen dag is hetzelfde op school – de ene dag zit je in overleggen, de andere dag word je ineens gevraagd om mee te denken over een leerling die net is vastgelopen. Die afwisseling maakt het werk voor mij juist zo leuk.”
“Verdiep je vooral in passend onderwijs. Dat is echt de kern van het werk op school op dit moment. En zorg dat je weet wat er speelt in de klas – hoe beter je snapt wat daar gebeurt, hoe beter je kunt aansluiten bij docenten, leerlingen en ouders. Praktische kennis van het onderwijs helpt je om theorie en praktijk goed aan elkaar te koppelen.”
“De momenten waarop leerlingen of ouders echt laten merken dat ze zich gezien en gesteund voelen, zijn voor mij het meest waardevol. Een leerling die aangeeft zich begrepen te voelen, of ouders die hun waardering uitspreken voor wat school doet. Zoals ouders die blij waren met de extra ondersteuning, waaronder coaching vanuit onze schooleigen voorziening. Zij voelden zich gezien en konden de moeite die de school voor hen deed erg waarderen. Dat geeft veel voldoening. Ook de samenwerking met collega’s, in een omgeving waar elke dag anders is, geeft veel energie.”
“Omdat het werk in het onderwijs je uitdaagt en beloont. Je leert elke dag bij, werkt met allerlei verschillende mensen, en je hebt positieve impact op het leven van jongeren. Niet elke leerling voelt zich vanzelf thuis op school. Maar juist in het zoeken naar wat goed werkt – voor die leerling, in die situatie – zit een mooie uitdaging. En als je daarvan houdt, dan zit je in het onderwijs helemaal op je plek.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
In mijn vorige column schreef ik over matrixen en modellen en hoe toepasbaar deze zijn op bijna alle thema’s die langskomen bij de NVO. Maar matrixen en modellen verbinden niet. Ze leggen uit of maken schematisch inzichtelijk. Verbinden is waar wij als beroepsvereniging voor in het leven geroepen zijn, de essentie. Een heel mooi voorbeeld daarvan is het herijken van de pedagogische visie waarmee de NVO onlangs gestart is. Het herijkingsproces blijkt een verbindend proces op zich. We staan nog aan het begin hiervan, maar ik merk nu al dat degenen met een pedagogisch hart elkaar opzoeken en hun tanden er graag in willen zetten. Het wordt omarmd niet alleen door de usual suspects maar ook door partijen die je niet direct zou verwachten. Bijvoorbeeld onderwijsinstellingen en psychiaters. De verwachting is dat het daar niet bij zal blijven. Wij willen als NVO natuurlijk dat de pedagogische visie over alle werkvelden wordt uitgedragen, door ministeries wordt opgepakt en door de samenleving wordt eigen gemaakt. Ik schrijf dit met een knipoog, maar dat is heel stiekem wat ik wel hoop. Dat de pedagogische visie mensen verbindt, het nieuwe ‘normaal’ wordt in ons land, om het leven een beetje beter te maken.
Judy Hoffer, directeur NVO
Johan Woudenberg in zijn praktijk ORTHOadvies
NVO-lid Johan Woudenberg werkt sinds vijf jaar als regiebehandelaar bij AB Het Spectrum, dat ambulante begeleiding geeft aan jongeren met ASS.
“Mijn rol heb ik te danken aan een jonge supervisante, een orthopedagoog, die ik begeleidde. Via haar kreeg ik een inkijkje bij de afdeling Diagnostiek en Behandeling. Hierover heb ik me kritisch uitgelaten. Het instrumentarium en de werkwijze voor de diagnostiek bleken niet state of the art. De behandelmethodieken ontbeerden een goede evidentie en planmatige onderbouwing. Met mijn kritiek ging ze naar de directie en vond daar een goed luisterend oor. De directeur nodigde me uit om een verbeterslag te maken met de afdeling.”
“Op dit moment zijn alle medewerkers goed geschoold in effectief bewezen methodieken en hebben we een diagnostische werkwijze die zich onderscheidt. Nu durf ik de verantwoordelijkheid voor deze processen te dragen. Het is heel leuk om jonge mensen te ondersteunen en om een klankbord te zijn. Het geeft veel voldoening om mezelf geleidelijk overbodig te maken.”
Daarnaast heeft Johan een eigen praktijk, geeft hij onafhankelijk advies aan scholen, supervisie – zoals aan NVO-orthopedagogen generalist – en is hij actief in de NVO-ledenraad, vooral vanwege de positionering van pedagogen in het onderwijs.
“Het onderwijs heeft altijd mijn hart gehad. Ik bepleit al lang een soort pedagogische managementrol. Zonder een goede inbedding in de zorgstructuur van de school, zonder goed mandaat op het gebied van meebeslissen bij het inrichten van het pedagogische klimaat, blijft de rol van de orthopedagoog te vrijblijvend. Zowel het gevraagde als ongevraagde advies kan genegeerd worden.”
“Eh… je hebt het in het rood en je hebt het in het wit”, zei mijn vader (toen 80) op de vraag van de serveerster wat hij wilde drinken. Het was Sinterklaasavond, we zaten in een verder verlate pannenkoekenrestaurant en kenden elkaar net een paar uur. Mijn suggestie ‘wijn?’ bleek niet te kloppen. Maar de serveerster kwam er snel achter dat mijn vader van port hield.
Lees meer
Achteraf waren het de eerste tekenen van dementie, voor mij dan. Ik leerde mijn vader pas kennen toen ik tegen de veertig liep. Hij was tachtig, net weduwnaar – wat de weg vrijmaakte voor een ontmoeting – en woonde in een verzorgingshuis. Een charmante man, die zich honderdmaal verontschuldigde dat hij eerdere pogingen tot contact had geweigerd. Die zijn twee oudere dochters en zoon inlichtte over mijn bestaan. En die, als een soort inhaalslag, alsnog met mij de eendjes ging voeren in het stadspark.
Mijn vader en ik konden het prima met elkaar vinden. Dat duurde precies vier jaar en twee dagen. De tweede helft bracht hij door op de gesloten afdeling van een verpleeghuis. Bij de intake kon hij ‘even niet’ op zijn geboortedatum komen. Later viel hij helemaal stil en waren er alleen nog handen en blikken. Gelukkig kende ik zijn levensverhaal toen al. In het omslaginterview vertelt Arianne Uijl hoe belangrijk dat is bij mensen met dementie.
Zo wist ik dat mijn vader zijn vader verloor op z’n 27ste, aan het eind van de oorlog, door een bombardement. Na de oorlog maakte hij dorpsfilms, met zoveel mogelijk inwoners in beeld. De opnames waren ‘s zomers, de vertoningen ’s winters in dorpshuizen en cafés. Zijn beelden duiken regelmatig op in historische documentaires en ik herken ze direct. Er zitten altijd grapjes in, zoals een groep achterstevoren bokje-springende schoolkinderen en koeien die aan de lens snuffelen. Volgens mijn moeder was dan zijn vaste commentaar: “Je kunt wel zien dat het vrouwtjes zijn. Zo nieuwsgierig!”
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Als expert ‘veroudering en dementie bij mensen met een verstandelijke beperking’ begeleidt orthopedagoog-generalist Arianne Uijl medewerkers in de verstandelijk gehandicaptensector en in verpleeghuizen en ze geeft advies en supervisie. Ze pleit al jaren voor een zorgvuldiger diagnose van dementie en draagt die missie overal uit.
Lees meer
Arianne Uijl (Ede, 1971) is bijna zeventig uur per week aan het werk, vertelt ze in haar woonkamer in Den Haag. Op de bovenste verdieping en in de omgebouwde garage heeft ze haar werkkamers, maar meestal is ze met de auto op pad, kriskras door het land. Eigenlijk is het een klein wonder dat ze in deze sector terecht kwam. Ze had lange tijd andere plannen. “Mijn opa was vrijwilliger bij ’s Koonings Jaght, nu Siza, met een groot instellingsterrein voor mensen met een verstandelijke beperking in Arnhem. Daar ging ik als kind al mee naartoe. Mijn moeder werkte in Ede in een verzorgingshuis voor mensen met een auditieve beperking. Ik kan me herinneren dat ik als kind elk jaar met haar mee moest om een heleboel oude mensen een gelukkig nieuwjaar te gaan wensen.
Op mijn twaalfde zijn mijn ouders gescheiden en kreeg mijn moeder een baan als manager bij Stichting Philadelphia Zorg in Den Haag. Mijn moeder, zusje en ik zijn toen naar Den Haag verhuisd. Dus ik ben wel al jong in aanraking gekomen met de sector, maar wilde er zelf niet in werken.”
Ze wil eigenlijk de journalistiek in, maar wordt drie keer uitgeloot voor de School voor Journalistiek. Via een advertentie gaat ze bij de Haagse lokale radio en televisie Lokatel werken en maakt daar vijf jaar programma’s, met veel plezier. Na een tijdje in het buitenland, verhuist ze terug naar Den Haag, waar ze al snel met haar jeugdliefde trouwt met wie ze nog steeds samen is. “Ik ging op een gegeven moment op uitnodiging mee naar een Kerstviering bij Nieuw Buitenzorg, een locatie van Philadelphia waar mensen wonen met een ernstige verstandelijke meervoudige beperking. En ik vond het fantastisch! Mensen genoten met al hun zintuigen van de geuren en kleuren. Toen ben ik meteen begonnen met de opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening – ik was een jaar of 25 – en begon als assistent begeleider bij een groot gezinsvervangend tehuis van Philadelphia.”
Het thema dementie komt op haar pad als ze, een paar jaar later, meneer Ton in paniek aantreft in zijn flat. “Ik studeerde inmiddels orthopedagogiek in Leiden en was persoonlijk begeleider. Meneer Ton had het downsyndroom en beginnende dementie. Hij stond in paniek om zich heen te kijken, met dikke tranen. En hij riep alleen maar: ‘Ik wil naar huis! Ik wil naar huis!’ Maar hij was thuis…
Ik heb het toen op kunnen lossen door te zeggen: ‘Hallo, ik ben Arianne, zullen we eens gaan kijken waar we zijn?’ We zijn door de woning gaan lopen en op een gegeven moment zei hij gelukkig: ‘Hier woon ik.’ Toen werd hij rustiger. Maar dat was echt een toevalstreffer. Ik herinner me dat moment nog levendig omdat het me zo triggerde. Wat gaat er om in de hersenen van meneer Ton? Wat gebeurt er dat hij het niet meer snapt?”
Arianne besluit af te studeren op onderzoek naar dementie bij mensen met een verstandelijke beperking. Ze vertelt dat er in die tijd, begin deze eeuw, bij orthopedagogiek weinig aandacht was voor volwassenen met een verstandelijke beperking. “Laat staan voor ouder worden en dementie. Gelukkig zat in Leiden destijds Joop Hoekman, die bezig was met het vertalen van de DSVH (DementieSchaal voor volwassenen met een Verstandelijke Handicap, red.), samen met Marian Maaskant van de universiteit in Maastricht. Daar mocht ik op afstuderen. Het gaf me de kans om overal en nergens in gesprek te gaan met begeleiders, familie en de ouder wordende cliënt zelf. Maar ik begon bij de goeroe van dat moment, orthopedagoog Harry Urlings, een van de mensen die me voor dit vak hebben geïnspireerd. Hij zat helemaal in Limburg, dus ik boekte met mijn man een midweek Landal GreenParks en mocht een weeklang met Harry meelopen. Dat waren de eerste stappen.”
Ze specialiseerde zich verder tijdens haar werk bij ASVZ, een zorginstelling voor mensen met een verstandelijke beperking. Daar begon ze in 2003, net een half jaar voor haar afstuderen. “Naast alle gewone werkzaamheden kreeg ik ook gelijk de vraag om mee te denken in de visie en het beleid rondom ouderen”, zegt ze met een grote glimlach. “Een expert was ik nog lang niet, daarvoor moest ik nog heel wat meters maken. Ik heb er veertien jaar gewerkt en mocht er van alles doen, opzetten en ontwikkelen. Zoals een prachtige 8-daagse scholing voor begeleiders, over veroudering en dementie bij mensen met een verstandelijke beperking.”
In die tijd maakte ze ook het dementiespel Weten, vergeten en… begeleiden! 1, dat begeleiders helpt om te gaan met cliënten met dementie. Het spel ligt voor ons op de keukentafel. Er zitten 170 gekleurde kaarten in met opdrachten en vragen op kennisniveau, diagnostiek, visie en begeleiding. En ook een grote foto van een meneer die je streng en een beetje nors aankijkt. “‘Wat roept deze meneer bij je op?’, is de vraag aan begeleiders. Daarna lees je voor wat er achterop de foto staat. Dat hij als kind is verkocht aan een groot boerengezin, niet is herkend dat hij een verstandelijke beperking had en dat het helemaal mis is gegaan. Als begeleiders de foto dan weer bekijken, zie je een heel andere uitdrukking op hun gezicht, je ziet respect. Dat wil je ook voor hun eigen cliënten, dat begeleiders hun levensverhaal kennen, een relatie aangaan.”
Bij het dementiespel hoort een zeer uitgebreide handleiding, die begeleiders, maar vooral ook orthopedagogen en psychologen in de verstandelijk gehandicaptensector, als naslagwerk kunnen gebruiken en nog steeds gratis te downloaden is. In die handleiding staat veel informatie die ook anno 2025 actueel is.
Tijdens het komende NVO-congres De pedagoog van NU, op 26 september, zal Arianne Uijl vertellen over het belang van een goede diagnose bij ouderen met een verstandelijke beperking. Of er sprake is van dementie, is ingewikkelder om te herkennen en vast te stellen bij mensen die bepaalde vaardigheden nooit hebben gehad. Zoals praten, lezen, oriënteren en aankleden. Hoe ernstiger de beperking, hoe moeilijker het is.
“Dementie bij mensen met een verstandelijke beperking wordt vaak te laat of niet gezien. Ze hebben veelal hun leven lang al een disharmonisch profiel in hun functioneren. Ook hebben ze vaak epilepsie, gebruiken langdurig medicijnen, et cetera. Dat zorgt er allemaal voor dat er beelden ontstaan die op dementie lijken, maar het niet zijn. Of andersom, dat begeleiders onterecht denken: dit hoort bij de verstandelijke beperking.”
Volgens Arianne gaan er twee dingen mis. “Bij het vaststellen of er sprake is van dementie, worden screeningslijsten heel vaak gebruikt als onderzoeksinstrumenten, terwijl het alleen gaat om het komen tot hypothesen. Bovendien zijn veel vragenlijsten gericht op het verzamelen van informatie vanuit de familie en begeleiders, maar niet rechtstreeks vanuit de cliënt. Terwijl er wel mooie instrumenten zijn. Zoals de CAMDEX-DS II uit Engeland, die vragenlijsten, neuropsychologisch onderzoek én een interview met de cliënt combineert. Op het NVO-congres zal ik daar meer over vertellen. En over andere instrumenten en de visie op het betrekken van cliënten bij hun eigen onderzoeksproces. Dat is binnen de reguliere ouderenzorg normaal en zou het hier ook moeten zijn.”
Sinds 2010 werkt ze ook als consulent bij het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE). “Eerst puur om mee te puzzelen over veroudering en vermoedens van dementie bij mensen met een verstandelijke beperking. Op een gegeven moment kwamen er steeds meer vragen uit verpleeghuizen: ‘Is hier sprake van dementie of van een beneden gemiddelde intelligentie, veel eerder al in het leven?’ Zo kwam ik in de wereld van de verpleeghuizen terecht, met een heel andere manier van benaderen. In de verstandelijk gehandicaptensector zetten we bijvoorbeeld al heel lang snoezelmaterialen als een tast- of voelkussen in als iemand onrustig is. Maar als je vader directeur bij Shell is geweest, kan zoiets voor de familie confronterend zijn. Het ging daar ook veel meer om echt verzorging en verpleging en minder om begeleiding. Inmiddels is de orthopedagoog-generalist enorm in opkomst in die sector. Omdat je met een mediërende begeleiding, waarin je iedereen om een cliënt heen – verwanten en medewerkers – meeneemt, meer bereikt.”
Je inleven in de situatie van een cliënt, iemand echt leren kennen, is essentieel volgens Arianne. Daarom werkt ze veel met levensverhalen, die bij haar zomaar twintig pagina’s kunnen tellen in plaats van de veelvoorkomende halve A-4tje’s.
“Een levensverhaal is dé basis, voor het mensbeeld en de relatie met iemand, maar ook diagnostisch en in de behandeling. Zo kun je als orthopedagoog bijvoorbeeld zien dat er in iemands jeugd zoveel is gebeurd, dat je het nu complex trauma zou noemen. Maar dat dit nooit is onderkend. Iemand met dementie valt terug op z’n gevoelsbasis, en die kan onveilig zijn. Dat is belangrijk om te weten. In de behandeling kun je er kleine dingen uithalen die mensen in het hier en nu nog kunnen doen. Zo was er een man met een verstandelijke beperking die als kind zijn vader altijd hielp met het ordenen van de papieren giroafschriften, met een perforator en een nietmachine. Toen hij dementie ontwikkelde, kreeg hij net zoiets te doen en daarmee weer het gevoel ‘zijn vader te helpen’.
Ik vraag ook altijd naar muziek bij levensverhalen. Pas was ik bij een dame die niks had met klassiek, maar wel met de Golden Earring. Als je bij haar de hit Radar Love aanzet, met die stampende bassen, maak je haar helemaal blij.”
Sinds 2009 is Arianne voorzitter van het landelijk Netwerk Gedragsdeskundigen voor Ouderen (NGO), waarin zo’n 200 afgevaardigden uit de verstandelijk gehandicaptensector hun kennis en ervaringen delen. Bij PAO geeft ze sinds 2017 de cursus diagnostiek bij dementie aan orthopedagogen en psychologen. Verder schreef ze – als onderdeel van de campagne (H)erken jij dementie… bij mensen met een verstandelijke beperking? – samen met een collega de Handreiking (H)erken jij dementie? Die verscheen in 2022, en biedt een up-to-date overzicht van alle kennis, hulpmiddelen en adviezen. Plus heel veel achtergrondinformatie over veroudering en verschillende vormen van dementie bij mensen met een verstandelijke beperking. Ook deze is gratis te downloaden.2
“Kennis die je in de basisopleiding orthopedagogiek niet meekrijgt”, zegt Arianne. “Maar die je wel moet hebben voor je begint met een diagnostisch onderzoek. Dementie is natuurlijk een paraplubegrip, er zijn meer dan vijftig verschillende vormen. We hebben net vanuit het NGO een mooi schema gereviseerd, met alle vormen van dementie, de symptomen die daarbij horen en de instrumenten om dat te onderzoeken. Een soort Excel-sheet. Dat kun je gebruiken om iets meer voorbereid en gedegen een onderzoek in te gaan.”
Inmiddels werkt Arianne al weer acht jaar voor de organisatie waar ze ooit begon, Philadelphia Zorg. Haar kennis over veroudering en dementie zet ze overal in de organisatie in. En op allerlei manieren daarbuiten. Ze blijft ook generalist en werkzaam in andere domeinen en met andere thema’s, zoals trauma bij volwassenen, kinderen en jongeren.
“Door breed te blijven kijken en werken, krijg je steeds meer stukjes die de puzzel van het mensbeeld net iets completer maken. Ouderen waren ook ooit jong en een brede orthopedagogische en generalistische kijk helpt dan. Daarin zijn we als orthopedagogen van enorme toegevoegde waarde in de ouderenzorg.”
“Het gaat vooral om compassie”, zegt ze. “Je inleven in de mens die iemand was. Ik geef vaker het voorbeeld van een oud-notaris met dementie. Een statige, deftige man, die je niet makkelijk benadert. Een medewerkster in het verpleeghuis vertelde dat ze pas zijn hulp wel had willen vragen om de tuinkussens binnen te halen, maar dat niet goed durfde. We zijn met zijn levensverhaal aan de slag gegaan. Het bleek dat hij eigenlijk helemaal geen notaris had willen worden, maar boswachter. Hij was dol op de natuur, vertelden zijn twee lieve dochters, en heel galant naar dieren en mensen. Zijn leven lang al. Dus de volgende keer vroeg ze hem wel voor de tuinkussens en kon meneer weer even van betekenis zijn.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Patrick Uijl
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Bart van Gent & Peter Hoffenaar
Lees meer
Een van de eerste dingen die ik leerde over trauma is dat jonge kinderen extra kwetsbaar zijn. En ook dat zowel herkenning, diagnostiek als behandeling moeilijk zijn, wanneer het pre-verbaal trauma betreft. Met de DSM-5 is de herkenning en diagnostiek van PTSS verbeterd. En dankzij Renée Beer en Carlijn de Roos, pioniers op het gebied van EMDR-therapie bij kinderen, is er een behandelprotocol voor kinderen en jongeren van 4 tot 18 jaar.
De Roos en collega’s hebben een belangrijke volgende stap gezet met hun recente studie, waarin ze zeer jonge kinderen met PTSS (al vanaf 1,5 jaar) hebben behandeld met EMDRtherapie. Ze onderzochten een groep van negentien kinderen tussen de 1,5 en 8 jaar. De resultaten zijn veelbelovend: na zes sessies van een uur voldeed 79% van de kinderen niet langer aan de diagnostische criteria voor PTSS. Bijna acht op de tien kinderen. Dat is nogal wat. Daarnaast namen emotionele en gedragsproblemen significant af (effectgrootte > 1.20). Ook de ervaren stress bij ouders verminderde aanzienlijk (effectgrootte 0.45). Als klap op de vuurpijl was er onder de deelnemers van het onderzoek geen uitval en zijn er geen negatieve bijwerkingen gerapporteerd. Dit alles gold ook voor de nameting, drie maanden later.
Een uur lang EMDR klinkt als een zware sessie voor zulke jonge kinderen. De auteurs beschrijven dat ouders als co-therapeuten op de achtergrond aanwezig waren om hun kind te helpen en te steunen. Wellicht dat deze actieve rol ook bijdraagt aan het verminderen van stress bij de ouders zelf. Dit is een klein onderzoek, maar wel veelbelovend. De Roos en collega’s laten zien dat EMDR niet alleen veilig en haalbaar is voor jonge kinderen, maar ook effectief in het verminderen van trauma-gerelateerde klachten en in het ondersteunen van ouders. Hopelijk krijgt dit Nederlandse initiatief internationaal vervolg.
De Roos, C., Offermans, J., Bouwmeester, S., Lindauer, R., & Scheper, F. (2025). Preliminary efficacy of eye movement desensitization and reprocessing for children aged 1.5-8 years with PTSD: a multiple baseline experimental design (N= 19). European Journal of Psychotraumatology, 16 (1), 2447654. doi.org/10.1080/20008066.2024.2447654
De Noorse filosoof Sveinung Sundfør Sivertsen instrueerde zijn onderzoeksassistent om een blokkentoren te maken of met stempels een mooi versierde verjaardagskaart. Deze assistent bood de helft van een groep vijfjarigen de kans om hem te helpen, door blokken of stempels te laten vallen. De andere helft mocht alleen het eindresultaat komen bewonderen. Ook manipuleerde de assistent de situatie zo dat helpen soms wel en soms niet ten koste ging van hun eigen spel. Zo wilde Sveinung twee ideeën tegenover elkaar zetten: gedragen kinderen zich als kleine economen, die zich goed voelen als helpen weinig moeite kost? Of raken ze juist vervuld van trots wanneer ze iets goeds doen dat wél een offer vraagt? Anders gezegd: schuilt er in elke kleuter een morele held waar Rutger Bregman jaloers op zou zijn?
Of helpen een prijs had, hing af van een spelonderdeel met twee gatenborden, waarin kinderen met knikkers een dierfiguur konden maken. Het eerste bord lag plat op de grond. Kinderen konden dit gerust even laten liggen om de assistent te hulp te schieten en daarna gewoon verder gaan. Het andere bord stond licht schuin: als de kinderen opstonden, rolden de knikkers weg en konden ze opnieuw beginnen. Hier kostte helpen dus écht iets. Het onderzoeksteam keek naar non-verbale uitingen. Met een Kinect-camera, bekend van de Xbox, maten ze hoe hoog een vast punt op de borst van het kind kwam te liggen. Het idee: wie zich trots voelt, loopt rechterop. Borst vooruit, innerlijke glorie op standje maximaal.
Bij kinderen die hun spel onderbraken om te helpen, was de borstpositie hoger in de offer- dan in de gratis-conditie. Dat wijst op een gevoel van trots doordat ze iets opgaven. Als lezer krijg je bij deze studie een ander gevoel: het brengen van offers lijkt hier dé manier om de onbaatzuchtigheid van kinderen te testen. Bijna elke religie kent wel een offerritueel. Is dit dan ergens verkapte reclame voor religieuze praktijken of is dit experiment een soort rituele dans waarbij de onderzoekers hoopten dat zo de ware aard van kinderen zich aan ons openbaart?
Sivertsen, S. S., Haun, D., & Hepach, R. (2024). Choosing to help others at a cos to oneself elevates preschoolers’ body posture. Evolution and Human Behavior, 45 (2), 175-182, doi.org/10.1016/j.evolhumbehav.2024.02.001
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Zo, we zijn over de helft van het eerste jaar. Ik heb de halfjaarlijkse evaluaties achter de rug en behaald, net als de helft van de bloktoetsen (vier van acht). Na ieder blok van vijf weken, maken we een toets, met een aanbeveling of richtlijn voor de orthopedagooggeneralist in onze eigen organisatie. Daarbij heb ik een prettig ritme gevonden: iedere woensdagochtend stap ik vroeg in de trein met mijn eigen gekozen muziek – heerlijk, als moeder van twee kleine kinderen – en lees ik een boek. Zo kom ik ontspannen aan en kom ik ook met een rustig hoofd weer thuis.
‘s Maandags werk ik bij FamilySupporters in Nijmegen en de andere dagen in Rosmalen. Dus ik heb twee werkbegeleiders. Ze zijn heel verschillend. Inmiddels waardeer ik dat, omdat ik zo juist veel kan leren over mezelf vanuit verschillende invalshoeken. Zo gaat het met de ene werkbegeleider over de inhoud van het werk en met de andere over meer persoonlijke zaken.
Inmiddels hebben we de vakken Onderwijs en Jeugdhulp afgerond. Onderwijs ging vooral over de interprofessionele samenwerking binnen en tussen organisaties. In mijn bloktoets pleit ik voor boundary crossing: niet alleen vanuit eigen perspectief en mogelijkheden meedenken in wat er nodig is voor een gezin, maar over de schutting met elkaar meedenken en zo samenwerken. Zo voorkom je hokjesdenken, ga je overlap tegen en valt niemand tussen wal en schip. Daarnaast geef ik aan dat het nodig is om duidelijk af te spreken wie de regie heeft rondom een gezin en wie wat op gaat pakken. Bij het vak Jeugdhulp komen thema’s aan bod als jeugdbescherming, (v)echtscheidingen en hoe je met de privacy van (ex-)gezinsleden hoort om te gaan. Het gaat over veiligheid en hoe het ideale jeugdstelsel eruit zou moeten zien. De docenten vragen ons op onszelf te reflecteren en om op die manier de zorg en oordeelsvorming te verbeteren. Ik ben trots op het werk dat we doen, ondanks dat er genoeg verbeterpunten te vinden zijn. In onze organisatie zien we nu veel ouders die niet met elkaar in gesprek kunnen gaan over hun kind. Hierbij komen veel vragen over rapporteren en privacy. Meermaals geven mijn jaargenoten aan dat we altijd contact kunnen leggen met de NVO over deze vraagstukken, maar goed om zelf nogmaals van de docenten te horen hoe en wat.
Momenteel zijn we het vak Gehandicaptenzorg aan het afronden en is ook mijn casusbeschrijving al een heel eind af. Dit is vergelijkbaar met de casus voor de diagnostiekaantekening, maar dan meer verdiepend. Verder heb ik mijn eerste individuele supervisie-afspraak staan en gaan wij de laatste blokken in. Daarnaast ben ik bezig met het inleveren van de KBS, waarover volgende keer meer.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Steeds meer wetenschappelijke studies leggen de link bloot tussen dierenmishandeling en andere geweldsdelicten zoals kindermishandeling en huiselijk geweld. Bij dierenartsen en de politie is er groeiende aandacht voor dit zorgwekkende patroon, bij andere professionals minder. Dat betogen deskundigen Nienke Endenburg, universitair hoofddocent Diergeneeskunde aan de Universiteit Utrecht en criminoloog Anton van Wijk, mede-directeur van onderzoeksbureau Verinorm.
Lees meer
Nienke Endenburg en Anton van Wijk waren eerder dit jaar te gast in het NPO-radioprogramma De Nieuws BV. Aanleiding was de veroordeling tot levenslang van de voormalig geneeskundestudent Fouad L. voor het doodschieten van twee buren en een docent in het Rotterdamse Erasmus Medisch Centrum. De Erasmusschutter was eerder al eens veroordeeld
“Niet iedereen die in z’n jeugd dieren mishandelt, gaat later ook geweld tegen mensen gebruiken”, wil gz-psycholoog Nienke Endenburg om te beginnen benadrukken. Naast universitair hoofddocent Diergeneeskunde, is ze ook verbonden aan het Landelijk Expertisecentrum Dierenmishandeling aan de Universiteit Utrecht. “Wel zien we bij mensen die dieren mishandelen veel mechanismen die je ook tegenkomt bij huiselijk geweld en kindermishandeling. Er is vaak sprakevan een afhankelijkheidsrelatie: als mens heb je macht over een dier en kun je controle uitoefenen. Dat is bij huiselijk geweld en kindermishandeling ook aan de orde. Hetzelfde geldt voor de verschillende vormen van mishandeling. Net als mensen worden dieren fysiek en geestelijk mishandeld. Ze worden geschopt, geslagen, aan hun staart rondgeslingerd, uitgescholden, seksueel misbruikt en lichamelijk en emotioneel verwaarloosd.”
Criminoloog en psycholoog Anton van Wijk begint ook met een nuance. “Kinderen zijn nieuwsgierig, spelen met dieren en gaan soms een morele grens over. Denk aan het verbranden van een insect of het uittrekken van vleugeltjes. Maar dat is experimenteergedrag en lijkt geen voorspeller voor later geweld. Waar ik me wel zorgen over maak, is een groep jonge jongens, pubers, die dieren bewust mishandelen en daar genoegen aan ontlenen. Dat sadistische trekje baart me zorgen.” Van Wijk kwam deze groep al tegen in zijn eigen onderzoek uit 2017 naar dierenmishandelaars, beschreven in het rapport De aard van het beestje. Samen met een collega onderzocht hij toen zo’n honderd daders. Opvallend genoeg bleek uit dit eerste grote Nederlandse onderzoek dat dierenmishandeling niet gebonden is aan leeftijd, sociaal milieu en geslacht. Veel gevallen van dierenmishandeling komen voort uit frustratie, gebrekkige impulsbeheersing en verminderd empathisch vermogen. “Dat kan gebeuren in een opwelling”, zegt Van Wijk. “Maar bij de groep die genoegen beleeft aan het veroorzaken van dierenleed gaat er voorbereiding aan vooraf. Zo ging het in een zaak om een groep jongens die in de dierenwinkel goudvissen kochten, die meekregen in een plastic zak met water en die buiten op de stoep kapot schopten. Als criminoloog denk ik dan: Gaan ze dat vaker doen? Gaan ze grotere dieren nemen? Een hond, een kat, een schaap? Daar zou ik graag onderzoek naar doen.”
Volgens Anton van Wijk is er bij de politie een groeiend bewustzijn
van de link tussen dierenmishandeling en andere geweldsdelicten. “In hun opleiding krijgen politieagenten les over huiselijk geweld en de tip om als ze bij gezinnen binnen zijn, ook goed op huisdieren te letten. Worden die slecht verzorgd? Dat kan een signaal zijn dat er iets aan de hand is in een gezin.”
Ook dierenartsen leren in hun opleiding dierenmishandeling te herkennen en welke vervolgstappen ze daarna moeten nemen, vertelt Nienke Endenburg. “Het klinkt heel vreemd, maar dieren die mishandeld worden, komen net zo vaak bij de dierenarts. Ze worden meestal gebracht door een partner die wel zorgen heeft over het dier of helemaal niet weet dat een dier mishandeld wordt. Onze studenten leren dat ze dan in ieder geval 144 moeten bellen, het landelijk meldpunt voor dierenmishandeling en verwaarlozing. Er is ook een meldcode dierenmishandeling voor dierenartsen.”
Nienke Endenburg geeft af en toe lezingen bij Veilig Thuis over de link tussen dierenmishandeling en huiselijk geweld en kindermishandeling. Ze ziet dat het bewustzijn daar wel groeit, maar betreurt dat er geen landelijk beleid is op dit gebied. Ook bij de rechterlijke macht ziet ze nog veel onwetendheid.
“Rechters kijken vaak naar de vervangingswaarde van een dier. Hoeveel zou die doodgeschopte hond waard zijn? Zo’n 250 euro? Nou, dan doen we een taakstrafje van tien uur. Terwijl er best gevangenisstraffen van vijf jaar en boetes van 90.000 euro opgelegd kunnen worden. Maar dat gebeurt niet. Dat komt ook omdat rechters zich niet bewust zijn van de samenhang met andere delicten zoals huiselijk geweld.”
Beiden zien een langzame maatschappelijke ontwikkeling waarbij dieren niet meer gezien worden als dingen en de intrinsieke waarde van een dier in beeld komt. Denk aan de oprichting van de dierenpolitie, de dierenambulance en de invoering van de wet die dierenmishandeling strafbaar stelt. “Die wet is er pas een jaar of tien”, zegt Anton van Wijk. “Dat is niet lang. Weet je hoe dierenmishandeling daarvoor werd geregistreerd bij de politie? Als vernieling van een goed! Het denken over dieren heeft de afgelopen jaren wel een evolutie meegemaakt, maar wat mij betreft kan het niet hard genoeg gaan.” Veel luisteraars belden tijdens de radio-uitzending met de redactie in Hilversum. Hoe zit het met de dieren in de megastallen van de bio-industrie? Is dat ook dierenmishandeling? Anton van Wijk: “Mijn privémening is: ja.”
tekst: Annemiek Haalboom
bron: NPO Radio 1, De Nieuws BV
meer lezen
Het is maandagochtend en ik mag komen kijken in de startklas van de Tijl Uilenspiegelschool in Amsterdam. Als om 8:20 uur de bel gaat, liggen de puzzels klaar en druppelen de kinderen met hun ouders binnen.
Lees meer
Orthopedagoog Laura Koppe en orthopedagoog in opleiding Annika Dekker begroeten alle leerlingen vrolijk en nemen voor elk kind een momentje tijd. Ze zeggen iets over hoe ze eruitzien, of grijpen even terug op de vorige keer dat ze elkaar zagen. Ze zijn ook in contact met de ouders; is er een vraag, hebben ze wat extra nodig in de begeleiding van hun kind? Een jongen schopt zijn stoel om, zijn vader corrigeert hem. Laura grijpt subtiel in, “wat is er aan de hand?” Het jongetje wil niet zitten maar liever staand z’n puzzel maken. Door haar rustige interventiekan het gezamenlijke moment doorgaan en maakt het jongetje de puzzel af.
Om 8:45 uur gaan de ouders de klas uit en de kinderen in de kring. Of eigenlijk een kleine halve cirkel, want er zitten maar zes kinderen in deze klas. Deze kinderen zijn vier, maar nog niet klaar voor hele dagen kleuterklas. In de startklas oefenen ze de meest basale vaardigheden. Twee keer per week starten ze hier de ochtend, de rest van de week zitten ze in hun eigen groep 1/2. De kinderen die al klaar zitten krijgen een complimentje voor ‘het goede voorbeeld geven’, al snel zitten ook de laatste twee. Samen kijken ze naar de afspraken en elk kind mag met een kleurenmonstertje aangeven hoe het zich voelt. Vijf kinderen kiezen voor blij en het zesde kind kiest het kleurenmonster dat zich kalm chill voelt. De spanningsboog is kort vandaag, ziet Laura. Ze kiest ervoor om kort stil te staan bij welke dag het is en wat het rooster is, om vervolgens weer de structuur van een activiteit aan tafel op te zoeken.
Ze doen twee keer hetzelfde spelletje, woordenschatbingo. De kinderen krijgen voortdurend gerichte complimenten, verwachtingen worden duidelijk verwoord en er worden vragen gesteld als ‘wat gebeurt er ook alweer als…?’ om de kinderen alert te houden. Als hetzelfde meisje voor de tweede keer wint zegt Laura “je kunt geluk hebben, dat is fijn.” Het meisje straalt en de andere kinderen gunnen het haar, zo te zien. Hierna gaat de groep nog een keer in de kring, samen met de andere kleuterklassen naar buiten, eten en vrij spelen. Het is een schooldag in het klein. Vanaf elf uur gaan ze naar hun eigen klas en moeten ze het op eigen kracht doen.
En dat gaat goed, vertelt intern begeleider Noortje Rodenhuis na afloop. Ze herinnert zich hoe ze in september 2023 vanuit de voorschool het bericht kreeg dat er onder de kinderen die vier jaar zouden worden en de overstap naar school moesten maken, twaalf kinderen waren met ‘extra ondersteuningsbehoeften’. “Het is een gegeven dat kinderen zich het best ontwikkelen door anderen te kopiëren”, aldus Noortje. “Een instroomgroep met twaalf kinderen die eigenlijk nog niet klaar zijn om op school te starten, is dus op z’n zachts gezegd ‘niet ideaal’. Je geeft ze dan niet de rijke omgeving die ze nodig hebben om zich te kunnen ontwikkelen. We hebben toen besloten ze allemaal in te laten stromen in de drie stamgroepen. In samenwerking met Thuis Orthopedagogen hebben we daarnaast de Klaar voor de Start Klas opgezet waar de kinderen twee ochtenden in de week naartoe konden.”
Van de twaalf kinderen konden er uiteindelijk tien op school blijven. Een kind bleek een intensief onderwijszorgprogramma nodig te hebben – “eigenlijk een jaar lang startklas” – en de ander is vanwege medische problematiek naar het speciaal onderwijs gegaan. Ze vertelt dat het beetje extra aandacht en de positieve bevestiging belangrijk zijn bij het aanleren van routines en het kunnen aanpassen aan de omgeving en dat de kinderen na twaalf tot zestien weken klaar zijn om volledige dagen naar hun stamgroep te gaan.
De Klaar voor de Start Klas is er om kinderen een stevige en fijne start in de kleuterklas te geven. De kinderen leren spelenderwijs in een klein groepje met maximaal acht kinderen en twee begeleiders van THUIS Orthopedagogen. De kinderen krijgen in zo’n twaalf tot zestien weken de basis aangeleerd die nodig is op de basisschool. Tijdens deze periode wordt de woordenschat vergroot en leren de kinderen dingen als: het omgaan met regels, op je beurt wachten, luisteren, het uiten van emoties, het omgaan met andere kinderen, zelfstandigheid en om hulp vragen. De kinderen gaan twee dagdelen per week naar de Klaar voor de Start Klas en daarnaast naar de eigen kleuterklas. Ook spelen ze met hun eigen klas buiten. Er is overleg met de leerkrachten van de stamgroepen en ouders worden meegenomen in de ontwikkeling van hun kind en zijn aanwezig bij de dagstart of dagafsluiting. In overleg met school wordt bepaald wanneer het kind de Klaar voor de Start Klas niet meer nodig heeft.
Meer info: thuisorthopedagogen.nl/klaar-voor-de-start-klas
Gevraagd naar de meerwaarde van orthopedagogen ten opzichte van leerkrachten voor dit traject, noemt Noortje Rodenhuis het zorgvuldig in kaart brengen van de onderwijsbehoeften van de leerlingen, het werken vanuit een handelingsplan waarbij in samenspraak met de school doelen worden gesteld en de planmatige aanpak. Daarnaast is het fijn dat op een neutrale, professionele manier naar de kinderen, maar ook naar de omgeving wordt gekeken.
zijn ze alweer verder aan het kijken. Het vraagt ook wel wat van de kinderen en leerkrachten om de transfer naar de stamgroep te maken. Het zijn kinderen die veel van andere kinderen kunnen leren en de kleuterleerkrachten vroegen zich af of de kinderen in de startklas uiteindelijk niet meer gebaat waren bij begeleiding binnen de stamgroep. Wat ook duidelijk werd: leerkrachten hebben geen behoefte aan iemand die komt vertellen wat ze kunnen doen om deze kinderen te begeleiden. Ze zetten wel hun deur open. Dus voor de volgende lichting kinderen met extra ondersteuningsbehoeften willen ze de orthopedagoog graag in de klas om de kinderen extra te begeleiden.
tekst: Bart van Gent
foto: Tijl Uilenspiegelschool
‘Life after loss: Long-term impact of parental death during childhood’ heet het
proefschrift waarmee Carline van Heijningen op 18 maart promoveerde aan de Universiteit Leiden. Ze onderzocht de gevolgen van het overlijden van een ouder in de kindertijd op de lange termijn. Ik kreeg hier onlangs zelf mee te maken, toen in de krokusvakantie op de teamapp van school het bericht verscheen dat de vader van een leerling was overleden. Wat voor gevolgen dit voor het kind zou hebben, vroeg ik me af. En hoe daar op school mee om te gaan?
2024 – heden
Psycholoog, GGZ Rivierduinen Eetstoornissen Ursula (jeugdteam)
2019 – 2024
Promovendus, Instituut Pedagogische Wetenschappen, Universiteit Leiden
2018 – 2019
Psycholoog en onderzoeksmedewerker, Curium-LUMC
2018 – 2019
Psycholoog en onderzoeksmedewerker, Universiteit Leiden
2015 – 2018
Research Master Developmental Psychology en master Child & Adolescent Psychology, Universiteit Leiden
2012 – 2015
Bachelor Psychologie, Universiteit Leiden
Geen gezellig onderwerp lijkt me, de dood. Waar komt je interesse vandaan?
“Ik werkte in de klinische praktijk en zag kinderen en jongeren die allerlei ingrijpende gebeurtenissen meemaken en vroeg me af wat maakt dat de een daar meer hinder van ondervindt dan de ander. En hoe we deze verschillen kunnen begrijpen. Omdat ik promotieonderzoek wilde doen, kwam deze optie eigenlijk per toeval langs. Mijn promotor Lenneke Alink had destijds een subsidie ontvangen voor dit onderwerp en een vacature uitgezet, waar ik op gereageerd heb.
Het is een onderwerp waarbij je je niet hoeft af te vragen waarom het relevant is om er onderzoek naar te doen. Het heeft een duidelijke link met de praktijk, dat is iets wat ik erg belangrijk vind. Het onderwerp pakte me heel erg en heeft me ook vastgehouden. De dood lijkt heel veel ongemak te veroorzaken. Ik vond het mooi om de persoonlijke verhalen van de deelnemers en andere mensen te horen en daar ruimte voor te geven, vooral in de interviews.”
Wat heb je precies onderzocht en hoe?
“In het onderzoek wilden we kijken naar zowel de langetermijngevolgen van het verlies als de beleving en ervaringen van volwassenen die hun ouder zijn verloren tijdens de kindertijd. Allereerst hebben we aan de hand van vragenlijsten gekeken naar de langetermijngevolgen. We onderzochten drie gebieden: gezondheid – mentaal, fysiek en gezondheidsgedrag -, romantische relaties – bijvoorbeeld het aangaan van relaties, relatietevredenheid en hechting – en ouderschapsbeleving. De groep van volwassenen die in de kindertijd een ouder verloren vergeleken we met twee andere groepen: een groep volwassenen die dat op of na hun 18de levensjaar meemaakten en een groep volwassenen die geen ouders verloren waren.
Daarnaast zijn we in zestig interviews op zoek gegaan naar wat de deelnemers heeft geholpen in het leren omgaan met het verlies in de loop van de tijd en wat juist niet, steunende en storende factoren dus. Tenslotte hebben we onderzocht wat de ervaringen zijn van broers en zussen na het verlies van een ouder tijdens de kindertijd, om ook zicht te krijgen op de gezinscontext. De verliesgerelateerde factoren die we hierbij hebben meegenomen zijn de leeftijd van het kind ten tijde van het overlijden, het geslacht van de overleden ouder en hoe volwassenen terugkeken op de band met hun ouders tijdens de kindertijd.”
En het geslacht van de kinderen zelf? Of de oorzaak van overlijden?
“Daar hebben we geen onderzoek naar gedaan. Aan het onderzoek hebben veel vrouwen deelgenomen en ziekte was vaak de oorzaak van overlijden van de ouder. Hierdoor was het helaas niet mogelijk om gelijke subgroepen te vormen en deze te vergelijken. We hebben ons in het onderzoek gericht op factoren in de sociale omgeving van het kind, bijvoorbeeld hoe de sociale omgeving reageerde en wat al dan niet als steunend werd ervaren.”
En wat heb je ontdekt?
“We vonden dat volwassenen die tijdens de kindertijd één van hun ouders verloren op veel van de onderzochte langetermijngevolgen op groepsniveau nauwelijks verschillen van volwassenen die dat niet was overkomen. Ook waren er nauwelijks verschillen tussen volwassenen die hun vader ofwel hun moeder verloren en hun ouder op relatief jongere of oudere leeftijd verloren tijdens de kindertijd. We vonden wel dat een betere band met de overleden ouder tijdens de kindertijd gerelateerd was aan minder hechtingsgerelateerde angst binnen romantische relaties in de volwassenheid. Dat laat zien dat we aandacht moeten hebben voor de band met de overleden ouder. Dat iemand er niet meer is, betekent niet dat die band ophoudt te bestaan. We hebben relatief veel aandacht voor de overgebleven ouder, bijvoorbeeld hoe die ouder functioneert, hoe de ouder-kindrelatie zich verder ontwikkelt en hoe de overgebleven ouder in staat is om zelf om te leren gaan met het verlies. Dat is natuurlijk terecht en passend, maar dit onderzoek laat zien dat de band met de overleden ouder er ook heel erg toe doet. Daar is tot op heden relatief weinig aandacht voor.”
Was dit ook de uitkomst die je had verwacht?
“Op voorhand hadden we verwacht dat het verlies van een ouder op jonge leeftijd, omdat het zo’n ingrijpende gebeurtenis is die leidt tot veel bijkomende veranderingen en verliezen, gerelateerd zou zijn aan minder optimale uitkomsten op latere leeftijd. We zien dat deze groep op een vergelijkbaar niveau functioneert als de beide controlegroepen.”
Kun je zeggen dat het overlijden van een ouder in de kindertijd minder impact heeft dan je zou verwachten?
“Het wil zeker niet zeggen dat het overlijden van een ouder tijdens de kindertijd geen impact heeft. Wat we bijvoorbeeld vonden, is dat deze groep gemiddeld genomen relatief meer hechtingsgerelateerde angst en vermijding binnen de romantische relaties rapporteert dan volwassenen in de vergelijkingsgroepen. Binnen de ouderschapsbeleving zagen we daarnaast dat ouders die tijdens de kindertijd hun ouder verloren waren, vaker een angst noemden dat zijzelf of hun partner zou komen te overlijden. Dat zou kunnen wijzen op een angst dat hun kinderen dan hetzelfde zouden moeten doormaken als zijzelf hebben meegemaakt. Op sociale relaties lijkt het dus wel degelijk impact te hebben. Daarnaast kwam tijdens de interviews ook duidelijk de impact van het verlies naar voren.”
Wat vertellen de geïnterviewden je?
“Dat bepaalde fasen in het leven ingewikkeld kunnen zijn, wat kan zorgen voor herrouwen: het opnieuw ontstaan of verergeren van de rouwgevoelens en bijkomende symptomen. Moeilijke fasen kunnen bijvoorbeeld momenten zijn zoals een schoolovergang, het afstuderen waar een ouder niet bij kan zijn, de verjaardag van het kind of van de overledene, de sterfdag, of het moment waarop het kind de leeftijd van de overleden ouder bereikt. Zelf kinderen krijgen kan ook leiden tot een toename van de gevoelens van rouw. Enerzijds hebben de geïnterviewden steun ervaren en hebben zij het gevoel dat ze gehoord en gezien werden en worden door mensen in hun omgeving. Maar veel volwassenen gaven ook aan dat zij een gebrek aan aandacht en steun hebben ervaren. Of ze vertelden over ‘niet-afgestemde’ reacties en opmerkingen die hen lang zijn bijgebleven. Dat kan bijvoorbeeld gaan over dat er bij andere mensen soms het idee leeft dat het na een jaar wel ongeveer weer ‘over’ zou moeten zijn. Alsof er een houdbaarheidsdatum aan rouw zit, zoals een journalist het ooit omschreef.1 Maar juist het herrouwen blijkt heel belangrijk.”
Wat is je uit de interviews het meest bijgebleven?
“Het waren veel aangrijpende verhalen, maar wat mij is bijgebleven zijn bepaalde ‘onafgestemde’ opmerkingen die deelnemers met ons deelden. Dat een deelnemer van iemand hoorde: ‘Nou, je moet het maar zo zien, je bent een ervaring rijker.’ Als je vraagt naar wat niet helpend was, dan komen dit soort reacties naar voren, ook al was het overlijden voor deelnemers elf tot eenenveertig jaar geleden. Of dat een deelnemer hoorde dat ze eigenlijk nog te jong was om er nog herinneringen aan te hebben. Of dat mensen gelijk over hun eigen ervaringen beginnen. Hoewel dit soort opmerkingen met de beste bedoelingen worden gemaakt, kan dit voorbijgaan aan de ervaring van het kind die een ouder is verloren. Het is juist helpend wanneer je afstemt en vooral vraagt en luistert. Dat klinkt heel makkelijk, maar dat is het vaak niet aangezien de dood voor velen een lastig onderwerp kan zijn. In lijn met het vragen en luisteren, gebruikt men vaak de uitdrukking ‘de overledene levend houden’.”
De overledene levend houden?
“Dat kan op heel veel verschillende manieren. Je kunt praten over fijne herinneringen, over wat je vroeger fijn vond om met je moeder of vader te doen. Maar ook over minder fijne herinneringen of over minder voor de hand liggende en vaak complexe gevoelens, zoals schaamte, jaloezie of opluchting. Vanuit de gedachte ‘over de doden niets dan goeds’ kunnen bepaalde herinneringen of gevoelens worden weggestopt. Door er niet over te praten, door het gesprek te vermijden, lijkt het of het er niet meer is. Terwijl die gevoelens er evengoed nog zijn en er ook mógen zijn, naast fijne herinneringen.”
![]()
Wat wil je onze lezers nog meer meegeven?
“Aandacht hebben voor het verlies is erg belangrijk, ook wanneer het verlies langer geleden is. Het is goed om ons bewust te zijn van de impact die een ingrijpend verlies op de lange termijn kan hebben en het ‘herrouwen’. Iets wat misschien voor de hand liggend is: schrijf de datum van het overlijden op in je agenda of in het zorg- of schooldossier van het kind of de jongere. Of de verjaardag van de overleden ouder, als dat een lastig moment is. Check rondom die tijd en op zo’n dag even in, neem de tijd voor het kind en vraag en luister. Ken je het duale procesmodel, van Stroebe en Schut?2 Dat model wordt vaak beschreven aan de hand van de metafoor van een roeiboot met twee riemen. De ene riem staat voor ‘verliesgerichte taken’, de andere voor ‘herstelgerichte taken’. Als je steeds aan één riem trekt, dan draai je rondjes. Je hebt dus beide riemen nodig om vooruit te komen. Het is belangrijk dat er aandacht is voor het verlies en de rouw, maar ook voor het dagelijks leven en afleiding van het verlies. Dat model biedt een mooi kader om rouw en wisselende emoties te begrijpen. Daarbij is het belangrijk om te blijven afstemmen op het kind en te vragen en luisteren.”
tekst: Andries Kamminga
Klik hier voor het proefschrift Life after loss: Long-term impact of parental death during childhood (2025) van Carline van Heijningen.
In de meivakantie word ik meteen na aankomst in Kroatië ziek. Keelontsteking met lichte koorts. De gemiddelde leraar sleept zich met deze diagnose toch naar school en is er dan nog twee weken zoet mee.
Lees meer
Op vakantie kun je je herstel de tijd geven. Ik laat het gezinsuitje aan me voorbijgaan en slaap het grootste deel van de dag. De volgende dag is er tijd voor contemplatie, met uitzicht op het dal. Een jaar geleden vroeg ik me af of het zin had om op school te blijven werken. In het lokaal van een collega keek ik naar de poster van de leerkuil, een concept van James Nottingham waarbij hij het leren vergelijkt met het afdalen in een kuil (de uitdaging aangaan) om er daarna weer uit te klimmen. Maar beneden in de kuil heb je het even zwaar. Ik zag mezelf daar zitten. “Ik weet soms niet of ik ze wel iets extra’s te bieden heb”, zei ik. “Alleen door hier te zijn, ben je al van waarde”, antwoordde mijn collega.
Na de zomervakantie startte ik afgelopen augustus toch met een nieuwe lichting vijfjarigen, waaronder Tobias. Tobias spreekt vloeiend Roemeens en geen woord Nederlands. “Dat komt vanzelf”, stellen zijn juf en ik z’n ouders gerust. Tobias komt heel enthousiast thuis, zegt z’n moeder een paar weken later, maar praat nog steeds geen Nederlands. Ik denk aan de leerkuil en vraag me af wanneer hij gaat klimmen.
Na de herfstvakantie weet ik zeker dat Tobias’ woordenschat vooruitgaat. We oefenen regelmatig, z’n uitspraak is prima en hij leert de woordjes snel. Maar hij gebruikt de taal niet. Hij zegt ‘goedemorgen’ bij binnenkomst en dat is het. Bij z’n ouders zie ik de wanhoop in hun ogen. Ze zijn voor het onderwijs naar Nederland gekomen, maar hebben ze hier goed aan gedaan? Ik verzeker ze dat elk kind op z’n eigen manier leert en dat ook Tobias Nederlands zal gaan praten.
Na de kerstvakantie begin ik te twijfelen. Ik ben zelf al wel een aardig eind uit de leerkuil geklommen, ik twijfel niet meer aan de meerwaarde van wat ik doe. Alleen Tobias baart me zorgen. Hij praat steeds minder tegen me. Ik zie hem wel spelen met andere kinderen, maar dan hoor ik hem nog steeds Roemeens praten terwijl niemand dat verstaat. Na de voorjaarsvakantie valt z’n juf en mij iets op. We horen geen Roemeens meer. En tijdens het spelen gebruikt hij af en toe Nederlandse woorden. Dan, toch nog onverwacht, staat hij voor me en zegt: “Meester Bart, mag ik met de treinbaan?” En ik realiseer me dat m’n collega gelijk had. Voor Tobias was niet zozeer wat we deden, maar vooral dat we er waren belangrijk.
Tobias’ ouders hebben besloten in Nederland te blijven wonen. “Fijne vakantie”, zegt hij als hij me een hand geeft. Zij gaan deze vakantie voor het eerst weer naar Roemenië. Wat zal het heerlijk zijn om z’n eigen taal te spreken. Nog even en hij spreekt er twee.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart heeft ruim tien jaar gewerkt als leraar, ib-er en orthopedagoog in het speciaal onderwijs en vijf jaar als docent pedagogische wetenschappen. Hij werkt nu met meertalige kleuters op een reguliere basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De naam van Tobias is gefingeerd.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft een nieuwe methode van werken:
GOM – de generieke onderzoeksmethode. Alle medewerkers hebben hiervoor inmiddels het leertraject gevolgd. GOM doet meer recht aan de complexiteit van kind- en gezinsproblematiek en stelt het kind daadwerkelijk centraal. Programmamanager Jolanda Veenstra en collega Ellis Knegt, orthopedagooggeneralist en adviseur methodiek, speelden een belangrijke rol in dit proces.
Jolanda Veenstra is programmamanager bij de RvdK, waar ze zich inzet voor maatschappelijke impact en duurzame verandering. Ze versterkt haar ervaring met academische verdieping vanuit de master Verandermanagement aan de VU. Haar motto: “Waarheid ontstaat niet door meerderheid, maar door inzicht.”
Lees meer
Kinderen hebben recht op een gezonde en stabiele ontwikkeling. Dat staat in het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind. In Nederland beschermt de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) dat recht voor kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd. En voor hen die worden verdacht van of veroordeeld zijn voor een strafbaar feit. Daarnaast coördineert de RvdK taakstraffen, geeft advies bij complexe scheidingssituaties en bij adoptie. Landelijk zijn circa 140 gedragsdeskundigen actief bij de negentien locaties van de RvdK. Zij denken mee in alle fasen van de casuïstiek, van start tot besluitvorming. En ondersteunen de toepassing van de methode in de praktijk.
De RvdK komt in actie wanneer rechten (of plichten) van het kind in het geding zijn. Dat doet de RvdK na een zorgmelding of op verzoek van de rechtbank. De overheid heeft een plicht om deze rechten te waarborgen. De vraag is of overheidsingrijpen noodzakelijk en gerechtvaardigd is, welke interventie of straf passend is of welke gezagssituatie, welk hoofdverblijf of welke omgang in het belang is van het kind. De afweging hiertoe maakt de RvdK op basis van de vraag in het raadsonderzoek wat op dit moment het beste is voor de veiligheid en ontwikkeling van het kind. GOM is niet alleen een methode, maar ook een grondhouding. Centraal staat de vraag: wat heeft dít kind (nu) nodig om veilig op te groeien? Professionals analyseren daartoe de krachten en zorgen van het kind en betrekken de context hierin.. Zij werken in dialoog met kinderen en ouders, netwerk en hulpverlening. Het methodisch kader is mede gebaseerd op het gedachtegoed van Signs of Safety, een veiligheidsinterventie bij kindermishandeling. Hierbij staat niet de melding of de procedure centraal, maar het systemisch en oplossingsgericht werken. De ene keer vergt het dichterbij brengen van een oplossing een kinderbeschermingsmaatregel, de andere keer kan het gezin verder met de vrijwillige hulpverlening.
Werken met GOM vraagt een juiste balans tussen een respectvolle houding, die de ander uitnodigt tot samenwerking en een scherp oog voor risico’s. Het is de bedoeling dat kinderen en ouders vanaf het eerste contact merken dat er geluisterd wordt en zij een stem hebben in het onderzoek. Professionals bieden kinderen en ouders ruimte om zélf te vertellen over hun actuele zorgen en over de krachten van het gezin. Het gesprek gaat – in begrijpelijke taal – verder over de reden van het raadsonderzoek, wat er nodig is op dit moment en wat de mogelijke gevolgen zijn als de situatie blijft zoals hij is. Analyse van informatie van derden gebeurt altijd in openheid naar het gezin, zodat het raadsonderzoek transparant en navolgbaar is. Kinderen en ouders worden stap voor stap meegenomen, zodat ze zich gehoord en begrepen voelen. Daarnaast is de cliëntcommunicatie vernieuwd. De stappen van het onderzoek zijn hierin helder en beknopt gevisualiseerd. Aan het eind van elk onderzoek wordt het rapport voorgelegd. Daarin is duidelijk beschreven hoe de conclusies tot stand zijn gekomen en op welke gronden het verzoek en/of advies is gebaseerd. Dit wordt besproken met kinderen en ouders, zodat hun reacties meegenomen kunnen worden in de definitieve versie, die naar de rechter gaat.
De invoering van GOM is een co-creatie. Er hebben gedragsdeskundigen, raadsonderzoekers en juristen aan meegewerkt. De toegevoegde waarde van de gedragsdeskundigen zit in de vertaling van hun kennis over hechting, trauma, risicotaxatie en systeemdynamiek naar praktische handvatten. Deze (orthopedagogische) expertise is ingezet om het kindperspectief zichtbaar te maken en om betrokkenen goed te ondersteunen en adviseren bij gesprekken en besluitvorming
Ellis Knegt is orthopedagoog-generalist en adviseur methodiek bij de RvdK. Als
nevenwerkzaakheden supervisor NVO en NIP en ontwikkelaar van trainingsaanbod voor jeugdzorgprofessionals. Haar motto: “Luister naar wat er gezegd wordt en hoor ook wat er niet gezegd wordt.”
Een extern bureau ondersteunde het leer- en veranderproces bij de Raad voor de Kinderbescherming, in nauwe samenwerking met interne trainers en kritische meedenkers uit de organisatie. Het leertraject om de medewerkers deze nieuwe werkwijze eigen te laten maken, werd ingericht in lijn met de grondhouding van GOM: betrokken, transparant, respectvol en nieuwsgierig. Deelnemers kregen ruimte om te oefenen, feedback te geven en te reflecteren op de impact van hun eigen handelen. Uit een kwalitatieve audit en interviews met de medewerkers bleek dat zij gemotiveerd raakten, doordat GOM hen hielp om meer zicht te krijgen op complexe situaties en betere aansluiting te vinden bij kinderen en ouders. In rapportages werd de stem van het kind explicieter hoorbaar en werd vaker gebruik gemaakt van visuele middelen en begrijpelijke taal, ook voor jonge kinderen of ouders met beperkte taalvaardigheden. Er ontstond meer ruimte voor professionele nabijheid en samenwerking met het netwerk. Door kinderen en ouders vanaf het begin actief te betrekken, ontstond meer eigenaarschap en draagvlak. Dat motiveerde ook de professionals zelf.
Om de methode levend te houden is een aandachtshoudersgroep opgericht, met vertegenwoordigers uit alle regio’s. Deze groep stimuleert scholing, ontwikkeling en reflectie. Ook is een toolbox ontwikkeld met checklists, formats en handreikingen die aansluiten bij de praktijk. De gedragsdeskundigen dragen hierin opnieuw bij aan het bevorderen van de kwaliteit van het raadsonderzoek. Zij beantwoorden vragen en kunnen met hun vragen en adviezen ook anderen scherp houden. Zo zorgen raadsonderzoekers en gedragsdeskundigen en zo nodig de juristen, er samen voor dat het kindperspectief stevig verankerd blijft.
tekst: Ellis Knegt & Jolanda Veenstra
Orthopedagogen Anja Verwoerdt en Chaja Deen schreven samen het boek ‘De school midden in de maatschappij. Hoe bouw je samen aan een stevige pedagogische basis?’ Hierin pleiten zij voor een brede, systemische benadering van onderwijs, opvoeding en jeugdhulp. Hun oproep: kijk verder dan het individu en werk domeinoverstijgend samen. Zo versterk je de ontwikkelkansen van kinderen écht.
Lees meer
Chaja Deen
Chaja Deen en Anja Verwoerdt ontmoetten elkaar via het landelijke netwerk Met Andere Ogen, waarin professionals uit onderwijs, zorg, jeugdhulp en kinderopvang samen werken aan het vergroten van de ontwikkelkansen van kinderen. In het netwerk ontdekten ze al snel hun gedeelde kijk op opvoeding en onderwijs. Ze besloten hun kennis en ervaring te bundelen in een boek.
Anja Verwoerdt is orthopedagoog- generalist, onderwijsadviseur en gz-psycholoog en schreef eerder een boek in haar vakgebied, Onderwijs & Jeugdhulp. Medeauteur Chaja Deen is ook orthopedagoog en heeft ervaring in het onderwijs en de jeugdhulp. Ze werkt al jaren als senior adviseur bij het Nederlands Jeugdinstituut. Hoe was het om samen een boek te schrijven en wat was de aanleiding? Chaja: “Omdat wij elkaar echt aanvullen en soms ook verschillend denken, moesten we heel expliciet zijn in het uitleggen van wat we bedoelen. We konden ook echt kritisch zijn naar elkaar.” “We namen geen blad voor de mond en we hebben in die zin elkaar inderdaad scherp gehouden,” vult Anja aan. “De aanleiding om dit boek te schrijven heeft te maken met de vraag: hoe beïnvloeden we contexten voor goed opgroeien en opvoeden?”, zegt Chaja.
“Wij vinden dat de aandacht in en rond het onderwijs vaak te veel gericht is op het oplossen van individuele problemen en pleiten voor een bredere blik: wat speelt er in de klas, in de wijk, in het netwerk van een leerling? En hoe kunnen we juist de aandacht richten op wat goed gaat en kansen biedt?”
Centraal in het boek van de twee orthopedagogen staat het begrip de pedagogische basis: de combinatie van warme relaties en een stimulerende leefomgeving. De pedagogische basis gaat volgens de auteurs over het geheel van relaties rondom kinderen: ouders, grootouders, buurtgenoten, sportcoaches en vrienden. Ook voorzieningen zoals een speeltuin, sportveld of culturele instelling maken onderdeel uit van die basis. Ze wijden een hoofdstuk in het boek aan de leefomgeving. Waar groei je op? Hoe stimulerend is de omgeving, hoe veilig is de omgeving, inclusief de omgeving van de school? “Sommige relaties kun je beïnvloeden en andere niet, maar ze zijn allemaal van groot belang voor het opgroeien”, aldus Chaja. “Naast de fysieke leefomgeving besteden we ook aandacht aan de digitale leefwereld van jongeren, die steeds belangrijker wordt in hun sociale ontwikkeling.”
Anja en Chaja willen met De school midden in de maatschappij professionals uitnodigen om minder te focussen op individueel gedrag en meer op de context waarin een kind leeft en leert. “Als orthopedagoog kijk je systeemgericht. Dat bredere kijken, komt in ons boek steeds terug”, geeft Anja aan. “Hoe kan je het hek van de school wijd openzetten en welke voorzieningen dragen bij aan de ontwikkeling van je leerlingen?” Chaja voegt eraan toe: “Het gaat niet alleen om ingewikkeld gedrag van een kind. Stel met elkaar de goede vragen over de klas, de buurt en de school. In plaats van steeds te reageren op incidenten of gedrag, zou er meer ruimte moeten zijn voor een analyse op schoolniveau: wat is er in deze specifieke setting nodig voor een veilig,inclusief klimaat?”
Anja Verwoerdt
Volgens de auteurs ligt de kracht van de orthopedagoog niet in het hebben van alle antwoorden, maar in het stellen van de juiste vragen en het uitnodigen tot reflectie. Orthopedagogen kunnen binnen teams helpen om trends te signaleren, samenhang aan te brengen tussen maatschappelijke opgaven zoals kansengelijkheid, inclusie en sociale veiligheid, en collega’s inspireren om breder te kijken dan hun eigen vakgebied.
“Ons boek benadrukt het belang van samenwerking binnen het schoolteam én met externe partners zoals ouders, jongerenwerk, bibliotheken en gemeenten”, vertelt Anja. “Daarbij is gedeeld leiderschap essentieel, waarbij teamleden eindverantwoordelijk zijn voor de invulling van het onderwijs. Hoe functioneer je als team? Hoe zorg je dat ook ondersteunend personeel, ouders en externe partijen zich eigenaar voelen van de visie van school? Door de waan van de dag hollen scholen regelmatig van het ene onderwerp naar het andere. Hoe kun je dat verbinden tot een samenhangendverhaal?”
“Een ander belangrijk uitgangspunt in het boek is het concept van de school als lerende organisatie”, licht Chaja toe. “Professionals – inclusief orthopedagogen – worden opgeroepen om met elkaar te leren, te reflecteren en te bouwen aan een gedeelde visie. We kiezen in het boek nadrukkelijk voor de focus op empowerment. Niet alleen van leerlingen, maar ook van teams. Het boek bevat daar handvatten voor.” “We zijn begonnen met een theoretische basis: wat zijn onze uitgangspunten en wat is onze focus? Gevolgd door concrete hoofdstukken over hoe je dat doet, met praktische tools. Vier fictieve casussen illustreren de verschillende contexten: van een stadsschool tot een plattelandsschool. Ook bevat ieder hoofdstuk reflectievragen en QR-codes naar verdiepingsmateriaal.”
De auteurs zijn realistisch over de uitdagingen in het onderwijsveld. Het lerarentekort, beleidsmatige versnippering en soms een gebrek aan richting kunnen scholen belemmeren in het neerzetten van een stevige pedagogische basis. “Een obstakel is dat scholen soms stuurloos raken, omdat er geen heldere visie is of omdat van overheidswege samenhangend beleid ontbreekt”, zeggen ze. Desondanks is hun boodschap hoopvol. “Door met een brede blik te kijken en samenwerking centraal te stellen, kunnen scholen de ontwikkelkansen van leerlingen daadwerkelijk vergroten,” volgens de auteurs.
De school midden in de maatschappij is een pleidooi voor een onderwijspraktijk waarin opvoeding, onderwijs en formele en informele samenwerkingspartners in en rond de school niet langs elkaar heen werken, maar elkaar versterken. Door te investeren in relaties, omgeving en samenwerking, creëren we een stevige basis voor ieder kind.
“Sterke gezinnen, sterke scholen, sterke wijken”, somt Chaja op. “Zorg dat je niet los van elkaar opereert, zodat je samen verder komt. We hebben een stevige basis gelegd met wetenschappelijke inzichten en daarna meteen ook de vertaalslag gemaakt naar de praktijk. Ik denk dat dit een belangrijke kracht is van ons boek.”
tekst: Marijke Buisman
Van uitgeverij Acco mogen we drie exemplaren van De school midden in de maatschappij. Hoe bouw je samen aan een stevige pedagogische basis?
weggeven. Interesse? Stuur voor 14 juli een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Al eerder gegrepen door zijn boek ‘Armoede, uitgelegd aan mensen met geld’, bezoek ik dit voorjaar het theatercollege van Tim ’S Jongers in de Schouwburg Hengelo. De politicoloog, publicist en ervaringsdeskundige pleit voor een andere kijk op armoede, een broodnodige blikwisseling.
Lees meer
“Opgroeien in armoede betekent een 10-0 achterstand”, begint hij. “Je hebt iemand nodig, zoals mijn vriendin Punker. Iemand die met de shitstofzuiger de weg vrijmaakt, een arm om je heen slaat, je verhaal aanhoort, zonder vooroordeel.” Een boodschap van steun en omarming dus.
Op een projectiescherm beweert een minister: “Er is maar één oplossing om uit armoede te komen, gewoon werken!” Zoals er vaak wordt gedacht én geoordeeld. Maar om de maatschappelijke ladder te kunnen beklimmen, moet het fundament niet op drijfzand – armoede – staan. Welvarende deskundigen die oplossingen aandragen, leven los van het armoedeprobleem. Volgens Tim ’S Jongers ‘sociaal maatschappelijke schizofrenie’. Hij pleit voor streetwise ambtenaren, die de kloof tussen beleid en uitvoering kunnen overbruggen. Zij kennen beide werelden, kunnen ervaringskennis als bron inzetten, doorvoelen wat nodig is en weten aan welke knoppen je moet draaien.
Armoede is een fulltime baan: geen geld om ‘shit te outsourcen’, geen hulpbronnen, legt hij uit. Een kind van ouders met financiële stress leert overleven. “Je DNA bepaalt niet je startpositie in de maatschappij, maar de plaats waar je wiegje gestaan heeft, je postcode.” De overdracht van ellende, samen met een negatief zelfbeeld, laat sporen na en vermindert kansengelijkheid. Kinderen worden volwassen, blijven gevangen in het armoedesysteem en ontwikkelen een minderwaardigheidscomplex. Bij bestaansonzekerheid kan één vallend dominosteentje desastreuze gevolgen hebben. Armoede is meer dan gebrek aan geld. Als kind leer je dat je alleen op jezelf kunt terugvallen. Armoede houdt je klein.
Volgens Tim staat bij de aandacht voor armoede niet de ‘kwetsbaarheid’ voorop, maar ‘profiteren tegengaan’. De vraag ‘waar heb je recht op?’ wordt eerder gesteld dan ‘wat heb je nodig?’ En nodig zijn volgens hem persoonlijke aandacht, inlevingsvermogen, perspectief bieden en zelfrespect teruggeven. De voor deskundigen georganiseerde ‘probleemwijksafari’s’ zijn goed bedoeld, maar leveren weinig op. Het zicht op armoede gaat bovendien verloren door het opknippen ervan. Elke soort armoede – beweegarmoede, voedselarmoede, digitale armoede, energiearmoede – heeft een eigen coach. Hij illustreert wat die coaches doen: “Ervaringen inventariseren, doorvragen, reflecteren, complimenteren, invoelend knikken, meewarig hoofdschudden, bedanken voor de ‘opbrengst’, en tot slot afsluiten met ‘motiverende gespreksvoering’.” Een golf van herkenning gaat door de zaal! Tim lacht: “Toen ik na een coachingsessie naar buiten rende om op tijd bij de daklozenopvang te zijn – ik had toen geen fiets – werd dit gezien als ‘goed bezig’. Ik was in elk geval tot actie overgegaan.”
Aan het eind is er ruimte voor vragen. Op de vraag wat hem gered heeft, antwoordt hij “de liefde”, echte zorg, zoals Punker dat voor hem deed. En die ene docent, die onbevooroordeeld vanuit compassie, de beslissing nam tot het geven van een voldoende beoordeling, een nieuwe kans. Tim ’S Jongers heeft één boodschap voor het publiek: Wees een Punker!
tekst: Liesbeth Groen-Flinterman
foto: Isabell Janssen
Armoede uitgelegd aan mensen met geld van Tim ’S Jongers (2024) is een uitgave van de Correspondent. De theatertour liep tot eind mei dit jaar.
In Nederland zijn in 2023 ruim 41.000 jeugdigen uit huis geplaatst. Gemiddeld keren vier op de tien van hen terug naar huis. Uit onderzoek van de Universiteit Leiden blijkt dat een kwart later nogmaals uit huis geplaatst wordt. Het overkwam ook Jonathan. Gelukkig bood ThuisBest een ander perspectief. Marloes Thonen-Frank, orthopedagoog-generalist bij Pluryn en trajectbegeleider bij ThuisBest, vertelt erover.
Lees meer
Jonathan is een actieve jongen van Nederlands-Surinaamse afkomst, met een grote liefde voor voetbal. Op driejarige leeftijd is hij uit huis geplaatst naar aanleiding van een onstabiele gezinssituatie en meldingen van huiselijk geweld. Zijn grootouders zagen dat hun dochter, de moeder van Jonathan, de zorg niet aankon. Ze maakten zich ook zorgen over het gewelddadige gedrag van vader. De grootouders hebben daarom de pleegzorg voor Jonathan op zich genomen. Zijn moeder bleef betrokken, zijn vader verdween meer op de achtergrond.
Het gaat lange tijd goed met Jonathan, totdat hij in de puberteit komt. Bij de overgang naar de middelbare school, waar Jonathan start met vmbo-basis onderwijs, merken zijn grootouders dat hij steeds vaker een grote mond heeft, slecht luistert en vaker op straat is. Door toenemende conflicten wordt er opvoedondersteuning ingezet. Even is er een rustigere periode, maar al snel raakt Jonathan betrokken bij vechtpartijen, pleegt hij winkeldiefstal en raakt hij op veertienjarige leeftijd betrokken bij een straatroof. Zijn grootouders zijn ten einde raad. Ze hebben continue zorgen en slapen amper. Ook de betrokken hulpverlening krijgt geen grip op de situatie. Er wordt gekozen om Jonathan aan te melden voor tijdelijke uithuisplaatsing.
Jonathan komt tijdelijk op de ThuisBest-groep van Pluryn te wonen. Tijdens het startgesprek zijn de zorgen van de grootouders erkend en is er gekeken naar de mogelijkheden voor terugkeer naar huis. Marloes Thonen-Frank: “We hebben veel stilgestaan bij de negatieve langetermijneffecten wanneer een kind opgroeit in de residentiele jeugdzorg. Het idee is vaak dat er binnen de jeugdzorg strikter beleid gevoerd kan worden, met meer toezicht en controle. Maar daarmee wordt vergeten dat je deze kinderen ook iets belangrijks ontneemt. Namelijk opgroeien bij mensen die echt van hem houden. Ze wonen bovendien samen met leeftijdsgenoten die ook verkeerde dingen doen en hebben vaak een negatieve invloed op elkaar. Er is ook sprake van wisselende opvoeders, veel onduidelijkheid en weinig ruimte om tot rust te komen.” Ook de ouders van Jonathan worden betrokken bij het traject. Zij willen voorkomen dat hij – net als zijzelf – vast komt te zitten in eindeloze hulpverlening. Ze willen allebei wel een rol spelen in zijn leven. “Dat was bijzonder, want er was op dat moment weinig contact tussen Jonathan en zijn vader. Maar we ontdekten dat hij uiteindelijk ook veel invloed had. Zoals mijn manager vaak zegt: ‘De meest afwezige vader, is de meest aanwezige vader.’” Met behulp van de Richtlijn Samen beslissen wordt ThuisBest (zie kader) ingezet om terugkeer naar huis te realiseren.
Jonathan zal zes tot acht weken op de groep verblijven, waar hij behandeling volgt en naar school gaat. Tegelijkertijd wordt gestart met Multisysteem Therapie (MST) in de thuissituatie. De MST-therapeut gaat in gesprek met zowel grootouders als ouders. Op basis van verklarende analyses wordt in kaart gebracht waarom het thuis bij de grootouders niet goed gaat. Op de groep krijgen ze voor het eerst meer zicht op Jonathan’s perspectief. Marloes: “Er is direct gestart met observaties en gesprekken met Jonathan. Hij legde niet alles bloot, maar kon wel kwetsbaar zijn over wat hij miste. Hij schaamde zich soms voor zijn opa en oma. Jonathan kwam over als een stoere jongen, die wil laten zien wat hij kan en durft, maar vanbinnen was het vooral ook een bange jongen. Niet luisteren en weglopen waren zijn coping geworden.” Om hem een andere coping aan te leren en zijn emoties te reguleren, is gestart met de methode Boksend Opvoeden. Hierin leert Jonathan spanning beter voelen in zijn lijf en is er een signaleringsplan met hem opgesteld.
Ondertussen krijgen Jonathan zijn grootouders psycho-educatie over trauma en hechting. Marloes: “Er was een gebrek aan erkenning en begrip dat het leven ook heel ingewikkeld voor Jonathan was geweest. Hij had behoefte om te horen dat hij lief is, de moeite waard is en dat hij ook fouten mag maken. Het was mooi om te zien dat er meer kennis en begrip bij zijn grootouders ontstond. Zij gingen ook dingen bij zichzelf herkennen, de verantwoordelijkheid die zij voelden en wat dat met hen deed. Durven zij hem risico’s te laten nemen, kunnen ze dat verdragen? Het besef kwam ook dat het bij Jonathan zal blijven horen om de grenzen op te zoeken en er soms overheen te gaan.” “Mooi was dat we met de grootouders konden spreken over wat Jonathan nodig heeft en hoe ze dat samen konden doen. Voorheen werd moeder er vaak buiten gehouden en had zij daardoor het idee dat er niet genoeg gedaan werd. Nu ze een rol had, kon ze het proces beter volgen en ging de samenwerking beter.” Er waren ook gesprekken tussen vader en Jonathan. Zijn vader kwam meer in de samenwerkingsmodus op het moment dat hij iets mocht zeggen over zijn zoon.
Het traject loopt niet helemaal vlekkeloos. Al snel blijkt dat Jonathan niet meer welkom is op school. “Dat was een lastige”, vertelt Marloes. “Het streven bij ThuisBest is maximaal acht weken op de crisisgroep. Maar als je geen daginvulling hebt, weten we dat het thuis ook erg ingewikkeld is.” Het traject loopt hierdoor vertraging op, want daginvulling wordt gezien als een vereiste. Jonathan volgt tijdens zijn verblijf onderwijs op het terrein van Pluryn. Deze school is beter afgestemd op zijn niveau en daar blijven lijkt wenselijk. Maar er ging tijd overheen voordat de nodige voorwaarden, zoals de toelaatbaarheidsverklaring en het regelen van vervoer, waren geregeld om dit te realiseren.
ThuisBest combineert Multisysteem Therapie met een kortdurend verblijf in een (jeugd-) zorgorganisatie, ongeveer vier tot acht weken. ThuisBest is er voor jongeren tussen de 10 en 19 jaar met ernstige gedragsproblemen op meerdere leefgebieden – zoals agressie, spijbelen, plegen van delicten, weglopen, drugsgebruik, omgang met verkeerde vrienden – die kortdurend uithuisgeplaatst worden. Het ThuisBest-traject is er om deze uithuisplaatsing van jongeren te verkorten door het gezin en hun netwerk te versterken. ThuisBest zorgt ervoor dat gedragsproblemen afnemen en een jongere een beter toekomstperspectief heeft. Zo kan een jongere weer snel thuis wonen, naar school, werk of dagbesteding gaan, voorkomt ThuisBest (herhaling van delict gedrag) en vermindert ook problematisch drugsgebruik of excessief gamen/gokken. Op dit moment werkt MST Nederland middels ThuisBest samen met drie instellingen die de kortdurende opname organiseren, zowel binnen de jeugdzorgplus als binnen de open jeugdzorg opvangen middels crisisbedden: Almata, Combinatie Jeugdzorg en Pluryn.
bron: thuis-best.com
Uiteindelijk verblijft Jonathan tien weken op de ThuisBest-groep, in de laatste weken is hij steeds vaker en langer thuis bij de grootouders. In samenspraak met het gezin zijn regels en afspraken voor thuis afgesproken. Het signaleringsplan dat samen met Jonathan op de groep is opgesteld, is door de MST-therapeut aangepast voor de thuissituatie. De vader van Jonathan is meer met hem gaan ondernemen, zoals samen naar voetbalwedstrijden gaan. De MST-behandeling thuis blijft ook doorlopen, in totaal 26 weken. “Jonathan was zeker niet helemaal braaf bij thuiskomst. Er was wel een soort rust ontstaan, omdat hij er even uit was geweest. Maar er waren ook terugvallen. Dat zat hem vooral in boze buien en heftige reacties, waardoor de grootouders zich lieten verleiden tot discussie en harder optreden. Daardoor ontstonden incidenten. De grootouders hebben in deze periode veel gebruik gemaakt van de 24/7 bereikbaarheidsdienst van ThuisBest. Op ieder moment van de dag kan een therapeut meedenken en advies geven. Jonathan is in deze tijd bijna opnieuw opgenomen, maar dit hebben we weten te voorkomen.”
Het streven van MST en ThuisBest is om het kind los te krijgen van de hulpverlening. Bij Jonathan is na afronding van het traject gekozen om wel ambulante ondersteuning in te zetten. Jonathan had behoefte aan iemand met wie hij zich kon identificeren, ook vanuit zijn Nederlands-Surinaamse culturele achtergrond. Die vond hij in een ambulante hulpverlener uit de regio. Hoe gaat het nu met Jonathan? Marloes: “Het is eigenlijk pijnlijk, maar ik weet niet hoe het nu met hem gaat. Het traject is afgesloten en daarmee houdt het contact op. MST doet wel follow up onderzoek, maar dat is kwantitatief en anoniem. Tijdens het laatste contactmoment hing Jonathan minder op straat, was hij meer thuis en dus meer in zicht en had hij positieve contacten op school. Zijn
grootouders gaven aan beter te begrijpen wat er gebeurt, wat hun rol is en aan welk stukje ze niet kunnen voldoen.”
De eerste resultaten van ThuisBest tonen aan dat ongeveer de helft van de jongeren thuis is blijven wonen na het traject, de andere helft is opnieuw in de residentiële zorg beland. Toch is Marloes trots. “Het gaat over mensenlevens die nog lang te gaan hebben. De helft van die groep groeit nu wel thuis op.” Marloes ziet dat deze trajecten vooral de samenwerking tussen alle betrokkenen ten goede komt. “Wat ik sterk vind aan ThuisBest is dat je aan allebei de kanten fors investeert. Je start met het kind op de groep, maar er wordt ook direct geluisterd naar het verhaal van de opvoeders. Je gaat samen intensief aan de slag.”
“Helaas hebben we residentiële zorg nodig voor jongeren met een grote ondersteunings- en behandelvraag. Elk kind heeft echter recht op een zorgvuldige afweging om het wonen in een gezinssituatie mogelijk te maken, omdat we weten dat het beter is om bij je ouders of andere dierbaren op te groeien als dat kan.” Landelijk zijn er verschillende initiatieven die op eenzelfde manier proberen om langdurig verblijf in de residentie terug te dringen. Zo is er naast ThuisBest ook RGT Re-entry1, waarbij gebruik gemaakt wordt van dezelfde werkzame elementen in de vorm van intensieve, ambulante hulpverlening naast de behandeling in residentiële setting.
tekst: June Bragg
tekening: Sarah Bouwman (11 jaar)
Jonathan betreft een fictieve casus, gebaseerd op verschillende casussen en
ervaringen, om herleidbaarheid te voorkomen.
bronnen
Veel jongeren ervaren hun mentale gezondheid als ‘niet goed’. Ze hebben last van prestatiedruk, sombere gedachten, angst en verlies van perspectief. In de media doet men daar vaak schamper over. Jongeren zouden verwend zijn en opgevoed tot prinsjes en prinsesjes, die niet tegen kritiek kunnen en bij elke tegenslag een burn-out krijgen.
Lees meer
Ik zie juist jonge mensen die hun problemen onder ogen zien en willen aanpakken, in plaats van bij de pakken neerzitten. Deze generatie vindt mentaal welzijn belangrijk en houdt ons daarmee een spiegel voor dat het anders moet: meer balans in het leven, verbinding zoeken en je gevoel uitspreken. Dit zijn misschien wel dé vaardigheden die we nodig hebben nu de wereld in brand staat en polarisatie hoogtij viert.
In mijn zoektocht naar hoe ik jongeren het beste kan ondersteunen, interviewde ik hen over het versterken van hun mentaal welzijn, zelfvertrouwen en veerkracht. Zij geven aan dat ze vooral gehoord en gezien willen worden. Ze vragen van ons: veroordeel ons niet, maar erken dat wij opgroeien in een complexe wereld en dat onze problemen echt zijn. Dit missen ze vaak in hun gesprekken met volwassenen. Zij ervaren dat volwassenen geneigd zijn om te snel allerlei vragen te stellen en ongevraagd advies te geven, dat snel ‘advieszeuren’ wordt.
Als ik onbevooroordeeld luisterde, verrasten jongeren me vaak met hun creatieve inzichten. Deze wijze lessen hebben zij voor ons:
Faraaz Ramdjanbeg van de Nationale Jeugdraad voerde onlangs een gesprek met jongeren uit de jeugdgevangenis en hij verwoordde het zo: “Als je hen niet benadert als ‘probleemjongeren’, maar als jongeren die problemen hebben meegemaakt en die begrijpen wat er nodig is om te voorkomen dat anderen in dezelfde situatie belanden, dan maak je gebruik van hun expertise van onschatbare waarde.”1
Het is belangrijk dat jongeren het gevoel krijgen dat wij hun wijsheid erkennen én dat ze er niet alleen voor staan. Dan gaan we betekenisvolle relaties aan. Een gezond zelfbeeld, vriendschappen, positief kunnen terugdenken aan belevenissen en sociale netwerken versterken hun veerkracht. Daar kunnen wij allen een rol in spelen. Door jongeren regelmatig uit te dagen en de gelegenheid te geven het verhaal over zichzelf te vertellen. Door het echte gesprek aan te gaan.
tekst: Lieke Kalhorn
Lieke Kalhorn is orthopedagoog, auteur en spreker. Ze begeleidt jongeren op het gebied van mentaal welzijn, studie-/werkkeuze en zelfvertrouwen en geeft jongeren een stem in het maatschappelijke debat. Tevens coacht ze ouders en professionals in communicatie met jongeren.
1. Linkedinpost Faraaz Ramdjanbeg: www.linkedin.com/feed/update/urn:li:activity:7317830317401079809
leestip
Lieke Kalhorn (2024). Als het (l)even lastig is. Hoe vergroot je mentaal welzijn, zelfvertrouwen en veerkracht bij jongeren? SWP.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Wil je meer weten over hoe verslaving eruit kan zien en welke impact dit kan hebben op iemands leven en omgeving? Dan moet je dit boek zeker lezen. Het is het waargebeurde verhaal van Judith Blok, opgetekend door Steven de Munnik. Het laat zien dat verslaving je leven in kan sluipen en, eenmaal binnen, alles overneemt.
Judith gebruikte alcohol en andere drugs zoals cocaïne en crack. Ze werd moeder van vier kinderen. Ze wilde echt wel stoppen met drugs, maar pogingen daartoe lukten niet. Uit angst dat haar kinderen uit huis gehaald zouden worden, durfde ze niet eerlijk te zijn tegenover hulpverleners over haar verslaving en bagatelliseerde ze het, ook voor zichzelf. Uiteindelijk werd haar grootste angst waarheid: haar drie jongste kinderen werden in een pleeggezin geplaatst. Haar grootste angst bleek uiteindelijk haar redding; Judith werd klinisch opgenomen en is nu al een aantal jaar ‘in herstel’ zoals dat heet. Want ook al gebruik je niet meer, je blijft een verslaafde.
Wat mij betreft had het deel over haar leven als verslaafde korter mogen zijn en het deel over haar herstel langer. Het herstel geeft blijk van hoop en vertrouwen en biedt hulpverleners inzicht in wegen daarnaartoe. Judith zelf werkt nu als ervaringsdeskundige voor de Raad voor de Kinderbescherming en Partners voor Jeugd. Ze heeft een eigen zorginstelling op maat opgezet, voor ouders met uit huis geplaatste kinderen.
tekst: Marleen Baeten Mama is verslaafd (2024) van Judith Blok en Steven de Munnik is een uitgave van Nijgh & Van Ditmar.
Ik keek ernaar uit om het boek Kopzorgen. Neurodiversiteit begrijpen in 33 vragen van Jim van Os en Simona Karbouniaris te lezen. En ja, de auteurs bieden een alternatieve bril om naar ontwikkeling te kijken. Eén waarmee we variatie in gedrag en emotie kunnen bekijken, zonder direct in stoorniscategorieën te denken. Een perspectief dat past bij mijn visie. Vooral het overzicht van de dimensies van neurodiversiteit is verhelderend en biedt handvatten om in gesprek te gaan met collega’s, cliënten en voor de diagnostiek. Voor studenten pedagogiek of psychologie kan het boek een waardevolle aanvulling zijn op het traditionele DSM-denken en bijdragen aan een bredere kijk op ontwikkeling en gedrag.
Toch bleef ik wat teleurgesteld achter. Ik hoopte op een boek dat ik kon aanraden aan ouders of mee kon nemen in gesprekken met collega’s, maar de schrijfstijl is behoorlijk complex en ontoegankelijk. Een gemiste kans om deze belangrijke visie breder te verspreiden.
Ook inhoudelijk had ik meer duiding verwacht. Hoewel elk hoofdstuk afsluit met literatuurtips, blijft onduidelijk wat gebaseerd is op wetenschappelijk onderzoek en wat op persoonlijke inzichten of ervaringen. Bovendien is er weinig aandacht voor kritische stemmen binnen het neurodiversiteitsdebat, terwijl juist die discussie een waardevolle verdieping kan geven. Al met al een boek dat professionals aan het denken kan zetten en uitnodigt tot reflectie, maar dat -ondanks de heldere intentie – niet iedereen zal weten te bereiken.
tekst: Rianne Manenschijn
Kopzorgen. Neurodiversiteit begrijpen in 33 vragen (2024) van Jim van Os en Simona Karbouniaris is een uitgave van LannooCampus.
Sommige leerlingen maken meer dan honderd toetsen per jaar. Geen wonder dat leermotivatie een ‘dingetje’ is. “Leren hoeft niet altijd leuk te zijn, maar plezier moet niet de beloning zijn voor zwoegen”, betoogt Filip Mennes. In Outdoor education maakt hij korte metten met de negatieve lading rondom de zogenaamde ‘pretpedagogie’, als zou de focus in het onderwijs te veel liggen op welzijn en plezier en te weinig op kennisoverdracht. Mennes, lerarenopleider en onderzoeker met praktijkervaring als leerkracht, betoogt hoe belangrijk plezier en buitenlucht juist zijn om betrokkenheid en motivatie van leerlingen te verhogen. Hij pleit voor deze factoren als volwaardig onderdeel van kwalitatief goed onderwijs.
Mennes zet eerst uiteen hoe een ‘pedagogie van vertrouwen’ kan dienen als tegenhanger van onderwijs dat te sterk gericht is op doelstellingen, en zo gemakkelijk omslaat naar controle en wantrouwen. Hij roept niet op tot enkel ontdekkend leren. Wel tot speels leren waarbij gebruik wordt gemaakt van de context van de natuur, met ook directe instructie, differentiatie en oog voor individuele leerbehoeften. Deze theoretische onderbouwing is informatief. Niet alleen als basis om spelend leren te implementeren, maar ook als parallel naar de meerwaarde van geleid, speels leren binnen – bijvoorbeeld – de geestelijke gezondheidszorg.
Dan volgen tips en uitgewerkte lesideeën voor wiskunde, taal, wereldoriëntatie en muziek. Foto’s van ‘echte’ lessen en leerlingen illustreren de praktijk. Oppervlakte en inhoud? Letters en woordsoorten? Allemaal te leren in de buitenlucht. Weer of geen weer.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Outdoor education. Buiten aan de slag met wiskunde, wereldoriëntatie, taal en
muzische vorming (2025) van Filip Mennes is een uitgave van SWP.
Bij Vesper verschenen recent twee prentenboeken: Charlie: Een boek over aanraken en aanzitten en Mia & James en het grote online avontuur. De gemene deler is Pieter Melsen, die vanuit zijn ervaring als zedenrechercheur samen met klinisch psycholoog Iva Bicanic (Charlie) en collega-zedenrechercheur Iris Knoops (Mia & James) de prentenboeken schreef en illustreerde.
Charlie gaat over een jongen die met zijn buurman Jan gaat kamperen. In bed voelt Charlie dat Jan aan hem zit. Charlie schrikt hiervan en het roept allerlei gedachten en gevoelens op. Zijn gedrag verandert, maar hij durft er met niemand over te praten. Het boek is duidelijk geschreven door experts en maakt je op een empathische manier deelgenoot van Charlie’s binnenwereld. Ook is er een mooie rol voor de buurvrouw, die merkt dat Charlie de laatste tijd minder buiten speelt en zijn moeder hierover aanspreekt. Het boek is herkenbaar en ondersteunend voor volwassenen en kinderen die met seksueel misbruik te maken hebben (gehad).
Mia & James maakt de leuke én gevaarlijke kanten van internet bekend bij jonge kinderen. Alhoewel het boek hier en daar betuttelend kan overkomen, is de boodschap helder en wordt deze positief en speels gebracht. Beide prentenboeken maken ‘moeilijke’ onderwerpen op een toegankelijke manier bespreekbaar. Hier thuis zetten ze in ieder geval aan tot een goed gesprek. Eindoordeel van de kinderen: goedgekeurd.
tekst: Sanne de Vet
Charlie: Een boek over aanraken en aanzitten (2024) van Pieter Melsen en Iva Bicanic en Mia & James en het grote online avontuur (2025) van Pieter Melsen en Iris Knoop zijn uitgaven van Vesper.
Ontwikkelingspsychologie, dat wilde Anna Lichtwarck-Aschoff studeren. Door een hoge numerus fixus in Duitsland, komt zij in Groningen terecht. Daar start zij tijdens haar promotietraject met het onderwerp identiteitsontwikkeling bij adolescenten. Als hoogleraar Orthopedagogiek verricht zij nu allerlei onderzoek naar die adolescenten, samen met haar team. Eind 2024 hield zij haar oratie: ‘De bomen en het bos: Complexe systeemdynamiek in de orthopedagogiek’.
Lees meer
In de onderzoeken die Anna Lichtwarck-Aschoff doet bij de Rijksuniversiteit Groningen, ziet zij steeds vaker meerdere classificaties per jongere voorbijkomen, vertelt ze. “We zien een klinische realiteit waarin we mensen in hokjes plaatsen, classificatie-hokjes. Tegelijkertijd is ook de hulpverlening in compartimenten verdeeld. Waarin de financiering, organisatie en inhoud van de hulpverlening gedifferentieerd is aan de hand van die classificatie-hokjes.”
De vele onderzoeken die in de afgelopen jaren gedaan zijn, gaan vooral op zoek naar dé onderliggende causale factor voor psychische problemen. En daar gaat het mis, wat Anna betreft. “Door al deze hokjes en schotten, die weliswaar specifieke kennis en expertise opleveren en daarmee een schijn van controleerbaarheid creëren, dreigen we de persoon met zijn unieke situatie en ontwikkelingsgeschiedenis steeds meer uit het oog te verliezen. Het is juist de totaliteit van de persoon, het geïntegreerde geheel van kenmerken en functies, die alles bepalend is voor hoe een persoon reageert op lastige omstandigheden en tegenslagen en hoe de persoon reageert op hulp en behandeling.” Anna pleit ervoor dat we de aandacht voor de stoornis gaan verschuiven naar de aandacht voor de persoon met de stoornis, een person-centered benadering.
“In de pedagogiek bestaan er eigenlijk geen simpele oorzaak-gevolg relaties”, vertelt Anna. “De mens is een systeem en onderdeel van meerdere systemen, en er zullen daarom altijd systeemdynamische reacties optreden als je aan één van de schakels draait. We zien veel heterogeniteit bij personen met dezelfde classificatie. Een classificatie is geen statisch gegeven.” Daarom is zij gaan zoeken naar een theoretisch kader met een brede en dynamische kijk, dat recht doet aan de totaliteit, het geïntegreerde geheel van de persoon in zijn context. De theorie van de complexe dynamische systemen lijkt hier, met zijn holistische benadering, passend te zijn. Een theorie die vooral de problematiek niet bij de persoon legt, maar vooral de persoon in diens systeem en alle bijkomende dynamieken bekijkt.
De verklarende analyse is volgens Anna een heel goede manier om breed naar het verhaal van de cliënt te kijken. Ook als er voorheen al veel hulpverleners betrokken zijn geweest of al veel classificaties toegewezen zijn, kan de verklarende analyse nieuwe ingangen brengen. “In de praktijk is het dan ook belangrijk dat professionals niet symptomen gaan afvinken, maar echt samen met de cliënt naar diens ontwikkelingsgeschiedenis en huidige context kijken. Om helder te krijgen waar problemen vandaan komen en hoe bepaalde patronen in stand worden gehouden. Methodieken zoals de verklarende analyse zijn hier helpend in. Als je daar zicht op hebt, kun je die patronen en dynamiek hierin in de loop van de tijd volgen. Dit noemen we gepersonaliseerde procesmonitoring. Je bedenkt samen met de cliënt persoonlijke vragen, die deze vervolgens dagelijks beantwoordt, om zo inzicht te krijgen in de eigen patronen en de samenhang ervan. Ook kan zo duidelijk worden of verleende hulp aanslaat of aangepast moet worden.”
Als Anna haar hart zou volgen, ligt de DSM 5 niet meer standaard op tafel en bekijken we iedere persoon met alle gedraging in zijn of haar context. “Alleen is de DSM 5 zelf niet de boosdoener. Die vertelt ons welke naam wij hebben gegeven aan welke set gedragskenmerken. In de praktijk wordt het echter omgedraaid: je laat deze gedragskenmerken zien en daar is de classificatie de oorzaak van. Daar gaat de focus van de persoon naar de ziekte.”
“Met mijn intrinsieke motivatie voor systeemtheorieën, bleek ik als promovendus een exoot in onderzoeksland”, vertelt Anna. Ze is van ver gekomen om de aandacht die er inmiddels voor het onderwerp is, op de kaart te zetten. Verandering kost tijd, veel tijd. In haar onderzoeken werkt ze samen met zorgaanbieders, zoals Pluryn, Molendrift en Lentis. Maar voor Anna begint het vooral bij de (ortho)pedagoog zelf!
“Waar sta jij als pedagoog voor, wat is jouw identiteit en visie om anderen te helpen?” Daar begint het wat Anna betreft mee. De pedagogiek heeft van oudsher een holistische kijk op ontwikkeling, het denken in transacties en systemen is niet nieuw. Dat is waarschijnlijk de reden waarom zij zich van meet af aan thuis heeft gevoeld in de (ortho)pedagogiek. Ze is ervan overtuigd dat elke pedagoog een motivatie heeft om systemisch te kijken en te werken. Maar we worden grootgebracht in het huidige zorgsysteem, dat deze motivatie soms wat wegduwt. Het wordt steeds duidelijker dat de gemiddelde cliënt niet bestaat en dat de context een cruciale rol speelt bij het ontstaan en in stand houden van psychische problemen. Een one-size-fits-all benadering, gebaseerd op classificaties, sluit vaak onvoldoende aan, terwijl herstel op veel verschillende manieren kan plaatsvinden. Juist vanuit de pedagogiek hebben wij de expertise in huis om systeemblindheid te verhelpen, afstand te doen van stoornis- en hokjesdenken en daarmee een belangrijke bijdrage te leveren aan de verbetering van ons jeugdzorgsysteem. Dus pedagoog, laat je niet weerhouden en laat je systemisch hart spreken!
tekst: Laura van Wijnen
foto: Marieke Boelhouwer
Bekijk hier de oratie De bomen en het bos: Complexe systeemdynamiek
in de orthopedagogiek: books.ugp.rug.nl/ugp/catalog/view/201/215/1323
Meer weten over de verklarende analyse? Kom naar het NVO-congres op vrijdag 26 september 2025, waar Kim Bartelink en Marieke Boelhouwer je meenemen in hoe de verklarende analyse in meervoudige/complexe casuïstieken in te zetten.
Acceptance and Commitment Therapy is in opmars in Nederland. Of, zoals Janna Keulen zegt: ‘ACT is helemaal hip and happening.’ Alle reden om meer te horen over ACT your way, speciaal bedoeld voor jongeren en jongvolwassenen. Janna Keulen en Denise Bodden vertellen over deze training en hun onderzoek ernaar.
Lees meer
Volg je eigen pad (uit: ACT your way)
In het Utrechtse Langeveldgebouw, genoemd naar de bekende pedagoog Martinus J. Langeveld, heb ik afgesproken met Janna Keulen en Denise Bodden, beiden werkzaam bij de afdeling pedagogiek aan de Universiteit Utrecht. Janna Keulen is sinds vier jaar promovenda op het onderzoek naar de effectiviteit van ACT your way. Universitair docent Denise Bodden, gz-psycholoog, is begeleider bij dit onderzoek en schreef samen met Denise Matthijssen en Els de Rooij een werkboek over ACT your way.
ACT your way is afgeleid van Acceptance and Commitment Therapy (ACT). De grondlegger, Steven Hayes, ontwikkelde ACT in de jaren tachtig in de Verenigde Staten. Daar is ACT erkend als evidencebased behandeling voor volwassenen met psychische klachten, onder andere bij depressie. In Nederland werken steeds meer professionals in de ggz met ACT.
ACT your way is een training voor jongeren en jongvolwassenen van 15 tot 25 jaar die vastlopen in hun ontwikkeling of psychische klachten hebben. De training omvat twaalf sessies, in groepsverband of individueel, vertellen Janna en Denise.
“ACT your way is niet zozeer gericht op het verminderen van klachten, maar op het verhogen van psychologische flexibiliteit,” zegt Janna. “Jongeren met psychologische inflexibiliteit doen niet wat ze wel willen doen en doen wel wat ze niet willen doen. Bijvoorbeeld jongeren met depressie gaan niet naar een vriend toe terwijl ze dat eigenlijk wel willen en blijven misschien in bed tv-kijken terwijl ze dat eigenlijk niet willen. Jongeren leren in de training om lastige gevoelens en gedachten te accepteren en niet steeds weg te duwen. Zo ontstaat er ruimte om actie te ondernemen in de richting van hun waarden en te doen wat ze zelf belangrijk vinden, zoals toch naar die vriend toegaan.”
“Het is een transdiagnostische training”, vult Denise aan. “Dus voor jongeren met heel diverse problematiek: jongeren die moeite hebben om met stress om te gaan, jongeren die zich anders voelen, moeilijkheden hebben met relaties of met het kiezen van hun eigen weg en identiteit. Alle jongeren die ergens tegenaan lopen en het anders zouden willen.”
Janna Keulen (foto: David Lok)
Bijzonder is dat de training een brede leeftijdsrange heeft, van 15 tot 25 jaar. Denise legt uit waarom: “Els de Rooij, Denise Matthijssen en ik hebben ACT your way in de klinische praktijk ontwikkeld bij Altrecht Kind en Jeugd in Utrecht. We begeleidden toen veel jongeren die tussen wal en schip vielen. Als je 18 bent, val je onder (Jong)volwassenen en niet meer onder Jeugd. Maar veel jongeren zitten er net tussenin en hebben andere behoeften dan kinderen of volwassenen. Vandaar dat we iets voor deze leeftijdsgroep wilden.”De leeftijd van 15 tot 25 jaar is een levensfase waarin er veel verandert. Janna: “Jongeren gaan het huis uit, kiezen een studie of gaan werken. Ze krijgen een relatie, maken nieuwe vrienden en zijn minder afhankelijk van hun ouders. Bij veel jongeren gaat het goed, maar het is ook een kwetsbare doelgroep. Jongeren van deze leeftijd hebben meer psychische problemen dan jongere kinderen en ook meer dan volwassenen boven de 25 jaar. Bestaande behandelingen sluiten minder goed aan bij wat jongeren in deze fase nodig hebben voor hun identiteits- en autonomieontwikkeling.”
ACT your way is gebaseerd op de ACT-theorie, maar de oefeningen zijn samen met jongeren ontwikkeld en aangepast. Jongeren vonden bijvoorbeeld de mindfulness-oefeningen van ACT te zweverig, ook de naam. Denise: “Ze hadden zoiets van ‘Op een matje zitten, met onze benen gekruist mediteren. Dat gaan we echt niet doen.’ Daarom zijn het meer actieve aandachtsoefeningen geworden. Bijvoorbeeld met je ogen dicht een gezicht tekenen en kijken welke gedachten er in je opkomen. Dan denkt een jongere misschien: ‘Dit gezicht is vast raar, en straks moet ik de tekening laten zien en denken ze allemaal dat het niet goed is.’ Terwijl je zo’n oefening doet, krijg je allerlei gedachten. Merk dat eens op en bedenk wat het met je doet.”
Bij ACT your way werkt de professional – de trainer – volgens een vast protocol met een werkboek, trainershandleiding en online omgeving.1 Omdat jongeren graag iets recents wilden bespreken, is het rondje ‘hobbel en waardevol’ toegevoegd. Denise licht het toe: “Aan het begin van elke bijeenkomst doen we een rondje ‘Wat was deze week jouw hobbel en wat was waardevol voor jou?’ Iedereen heeft daarvoor foto’s gemaakt op zijn mobiel. Bij ‘hobbel’ is dat een foto van een situatie of iets waar ze tegenop zagen, bijvoorbeeld een schooltoets of een feestje. Bij ‘waardevol’ krijg je de meest gevarieerde foto’s: van een kat op schoot, een kamer die er gezellig uitziet, tot een mooie zonsondergang. Dit helpt de jongeren in de training: als zij een gezellige kamer of buiten zijn in de natuur belangrijk vinden, moeten ze hun acties daar misschien vaker aan koppelen.”
In het verleden zijn er twee pilotstudies naar ACT your way uitgevoerd, met veelbelovende resultaten. Het huidige onderzoek is een randomized controlled trial, gesubsidieerd door ZonMw. Het onderzoek2 is uitgevoerd samen met zestien instellingen in Nederland en een in België, vertelt Janna. “Omdat we een transdiagnostische behandeling onderzochten, namen we jongeren op met allerlei psychische klachten. In totaal deden 123 jongeren en jongvolwassenen mee. Na randomisatie kreeg de ene helft ACT your way en de andere helft het standaardaanbod van de instelling, zoals cognitieve gedragstherapie, EMDR of schematherapie. Bij de voor- en nametingen maakten we gebruik van vragenlijsten en interviews. We hebben drie jaar data verzameld, gelukkig net na corona. Soms was randomisatie lastig. ACT is tegenwoordig helemaal hip and happening, dus vonden sommige behandelaars dat een bepaalde jongere écht ACT your way zou moeten krijgen. Uiteindelijk zijn we zeer tevreden met de medewerking van professionals en jongeren.”
Denise Bodden (foto: Ellis Rijkers)
Het onderzoek is in de laatste fase: het schrijven van artikelen voor wetenschappelijke tijdschriften. Er zijn dus al eerste resultaten. “We hadden een aantal vragen,” zegt Janna. “Werkt ACT your way? Werkt het even goed als het standaardaanbod? En voor wie werkt het? Het antwoord op de eerste vraag is positief: jongeren hebben na ACT your way minder psychische klachten en zijn vooruitgegaan in dagelijks functioneren en psychologische flexibiliteit. Als we kijken naar de tweede vraag, zien we dat ACT even goed werkt als de evidence-based behandelingen in het standaardaanbod. ACT is dus een mooie aanvulling op het bestaande behandelaanbod.” Of ACT your way beter werkt voor bepaalde jongeren was een derde onderzoeksvraag. Janna: “We keken naar leeftijd en naar type problematiek: meer externaliserende klachten, zoals druk of opstandig gedrag, of juist internaliserende klachten, zoals angst of depressie. Daarnaast keken we naar de aanwezigheid van persoonlijkheidsproblemen en autisme. Ook het aantal eerdere behandelingen is meegenomen. De resultaten laten zien dat het voor iedereen even goed werkte. Dat is positief want het betekent dat ACT your way geschikt is voor een brede en veelzijdige doelgroep, van diverse leeftijden en met verschillende soorten problematiek.”
Jongeren en professionals zijn tevreden en enthousiast over ACT your way. Behandelaars mailen de onderzoekers al met de vraag of het werkt, omdat ze de training graag in het behandelaanbod opnemen. Na afronding van het onderzoek gaat het onderzoeksteam ACT your way indienen bij de NJi Databank Effectieve jeugdinterventies. Therapietevredenheid is opgenomen in het onderzoek, maar nog niet geanalyseerd. Janna en Denise laten een paar citaten van jongeren zien. Zo schrijft een jongere: ‘Je leert naar jezelf te kijken zonder alleen maar bezig te zijn met het zieke deel van jezelf. In eerdere therapieën werd dat vooral gedaan. Er werd gekeken hoe ik moest verbeteren. Nu ben ik bezig met wat ik wil veranderen als persoon, wie ik ben en welke waarden ik heb.’
![]()
Hoe kunnen pedagogen werken met ACT your way? Denise: “Pedagogen, psychologen, coaches, gz-psychologen, allemaal kunnen ze aan de slag met het protocol en de gepubliceerde materialen.3 Het is wel fijn om achterliggende kennis te hebben en eerst een ACT basistraining en ACT your way-training te volgen.” Denise besluit met toekomstplannen: “We gaan werken aan een vervolg waarin we jongere jongeren meenemen, vanaf 12 jaar. Daar is nu al vraag naar. Verder willen we de training zo aanpassen dat scholen die kunnen gebruiken. Als preventieve training, zodatjongeren psychologisch flexibeler zijn voordat ze tegen dingen aanlopen.”
tekst: Femmie Juffer
illustratie: Linda van Erve
Karin werkt als gedragswetenschapper met een team ambulante hulpverleners. Een van hen vraagt: mag ik afwijken van een richtlijn? Goeie vraag! En wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor het besluit om al dan niet af te wijken van een richtlijn? Karin of de hulpverlener?
Lees meer
Richtlijnen zijn onderdeel van de ‘professionele standaard’, die verder bestaat uit wet- en regelgeving, kwaliteitsstandaarden, een beroepscode en tuchtrechtsuitspraken. Als professional – zoals een gedragswetenschapper of hulpverlener – ben je verplicht om te werken als goed hulpverlener én volgens de voor jou geldende professionele standaard. In de NVO-beroepscode is dat verwoord als ‘de zorg van een goed pedagoog’. Deze beide verplichtingen zijn vastgelegd in diverse wetgeving.1
Richtlijnen zijn onderdeel van de professionele standaard als zij door de beroepsvereniging zijn geautoriseerd. Oftewel zijn vastgesteld en onderschreven door de NVO. Deze richtlijnen gelden voor pedagogen.2 Of je een richtlijn daadwerkelijk moet toepassen, hangt af van de concrete situatie. Is een richtlijn geautoriseerd door de NVO én past die bij de hulpvraag of problematiek en situatie van de cliënt, dan behoor je deze toe te passen. Soms staat in een richtlijn dat deze ‘ook door pedagogen’ kan worden toegepast. In dat geval ben je niet verplicht de richtlijn toe te passen, maar dat mag wel als het past bij de situatie van een bepaalde cliënt.
Afwijken van een richtlijn mag. Sterker nog, in sommige gevallen móet je afwijken van een richtlijn. Deze afweging maak je op basis van goed hulpverlenerschap oftewel de zorg van een goed pedagoog. Dit betekent dat afwijken mag of moet, als dat voor de goede zorg aan de cliënt noodzakelijk is. Dus het mag alleen als dat beter is voor de cliënt. Dit geldt voor alle richtlijnen, ook als deze geautoriseerd zijn door de NVO. Als je afwijkt, moet dat altijd gemotiveerd, op basis van een afweging. En die moet je noteren in het hulpverleningsdossier. Wil je afwijken van een veiligheidsnorm in de richtlijn? Dan geldt er een extra zware motivatieplicht.
Gedragswetenschappers en hulpverleners hebben een eigen verantwoordelijkheid in de besluitvorming. De gedragswetenschapper moet goed uitvragen en adviseren, zodat de hulpverlener een zorgvuldig gemotiveerd besluit kan nemen. Een hulpverlener mag afwijken van het advies van de gedragswetenschapper als daar goede redenen voor zijn, en overlegt hier bij voorkeur tevoren over met de gedragswetenschapper. Het advies van de gedragswetenschapper – en zo nodig de redenen voor afwijking van het advies – moet de hulpverlener vastleggen in het hulpverleningsdossier.
Gedragswetenschapper Karin dient dus goed uit te vragen wat de richtlijn vereist, wat de situatie is van de cliënt, waarom volgens de hulpverlener van de richtlijn moet worden afgeweken en welke positieve gevolgen en mogelijke risico’s dat voor de cliënt heeft. Ook moet duidelijk zijn wat de cliënt hier zelf van vindt. Pas dan kan Karin goed adviseren. En de hulpverlener op basis van dit advies een gemotiveerd besluit nemen. Vervolgens kan de cliënt geïnformeerde toestemming geven voor de hulpverlening.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Jasper van Dijk (28), sinds 2024 werkzaam als orthopedagoog bij Muurhuizen, een middelbare school in Amersfoort.
Lees meer
“Muurhuizen is een middelbare school voor leerlingen die vmbo-t volgen, met daarbij de mogelijkheid om ook havo 4 en 5 te doen. De leerlingen zijn tussen de twaalf en achttien jaar oud. Als orthopedagoog kom ik vooral in beeld als de basisondersteuning binnen school niet voldoende helpt. Dan kijken we wat er extra nodig is om deze leerlingen toch verder te helpen.”
“Bij Muurhuizen werken we met een ondersteuningsstructuur die is opgedeeld in verschillende ‘PM-niveaus’ (Professionele Momenten). PM-0 gaat over de aanmelding van leerlingen, PM-1 en PM-2 zijn vormen van basisondersteuning die elke leerling krijgt, bijvoorbeeld via de mentor. Komt een leerling daar niet verder mee, dan kiezen wij ervoor om deze leerling extra te ondersteunen binnen PM-3: de extra ondersteuning binnen school. Als dat nog niet genoeg is, betrekken we in PM-4 ook externe hulp. Wat is mijn rol? Ik adviseer mentoren en docenten over hoe ze kunnen omgaan met bepaalde leerlingen of klassen.Samen met mijn collega’s beoordeel ik zorgvragen die binnenkomen en met het ondersteuningsteam overleg ik welke begeleiding er nodig is. Voor leerlingen met extra ondersteuning stel ik een ontwikkelingsperspectief – een OPP – op, waarin we duidelijke doelen formuleren en planmatig werken aan de ontwikkeling van de leerling. Verder denk ik mee over het bredere ondersteuningsbeleid op school. Hoe zorgen we dat alle leerlingen, met of zonder extra behoeften, zich zo goed mogelijk kunnen ontwikkelen? Zo hebben wij een schooleigen voorziening: de T’ma (traject met aandacht). Wij kunnen ervoor kiezen om leerlingen in de T’ma extra ondersteuning te laten krijgen van coaches (pedagogisch medewerkers) die aan de leerlingen gekoppeld worden. De ontwikkeling van passend onderwijs is in het onderwijs een voortdurende ontwikkeling.”
“De balans zoeken tussen wat een leerling nodig heeft, wat er mogelijk is binnen de school, en hoe je daarin ouders, leerlingen, docenten en externe partijen op één lijn krijgt. Dat is soms puzzelen, maar juist dat maakt het werk interessant. Als het lukt om samen tot een plan te komen waar iedereen vertrouwen in heeft, geeft dat echt energie. Een andere grote uitdaging is het begeleiden van thuiszitters, leerlingen die – tijdelijk – niet naar school komen. Er zit altijd een verhaal achter, en het is van belang dat wij dat verhaal goed kennen om de juiste ondersteuning te kunnen bieden. Hierbij kijken we hoe we een vorm van onderwijs kunnen organiseren, hoe klein die stapjes soms ook zijn. Bijvoorbeeld door een coach van de T’ma in contact te brengen met deze leerling. Zo is deze coach het medium waardoor de leerling contact houdt met de school en de lesinhoud, en de school de leerling kan blijven zien.”
“Je moet goed kunnen samenwerken en verbinding kunnen maken. Niet alleen met collega’s, maar ook met ouders en leerlingen. Soms betekent dat ook: je eigen ideeën even parkeren en openstaan voor andere perspectieven. Een moeder gaf bijvoorbeeld aan dat haar zoon thuis overstuur raakte door de drukte in de klas. Hoewel ik eerst dacht aan concentratieproblemen, besloot ik haar perspectief serieus te nemen. Na een gesprek met de leerling en een observatie, leek het erop dat ze gelijk had en heeft hij een andere plek gekregen in de klas en een mogelijkheid tot een time-out. Dit lijkt te helpen, zowel op school als thuis. Daarnaast is het belangrijk dat je analytisch sterk bent en snel kunt schakelen. Geen dag is hetzelfde op school – de ene dag zit je in overleggen, de andere dag word je ineens gevraagd om mee te denken over een leerling die net is vastgelopen. Die afwisseling maakt het werk voor mij juist zo leuk.”
“Verdiep je vooral in passend onderwijs. Dat is echt de kern van het werk op school op dit moment. En zorg dat je weet wat er speelt in de klas – hoe beter je snapt wat daar gebeurt, hoe beter je kunt aansluiten bij docenten, leerlingen en ouders. Praktische kennis van het onderwijs helpt je om theorie en praktijk goed aan elkaar te koppelen.”
“De momenten waarop leerlingen of ouders echt laten merken dat ze zich gezien en gesteund voelen, zijn voor mij het meest waardevol. Een leerling die aangeeft zich begrepen te voelen, of ouders die hun waardering uitspreken voor wat school doet. Zoals ouders die blij waren met de extra ondersteuning, waaronder coaching vanuit onze schooleigen voorziening. Zij voelden zich gezien en konden de moeite die de school voor hen deed erg waarderen. Dat geeft veel voldoening. Ook de samenwerking met collega’s, in een omgeving waar elke dag anders is, geeft veel energie.”
“Omdat het werk in het onderwijs je uitdaagt en beloont. Je leert elke dag bij, werkt met allerlei verschillende mensen, en je hebt positieve impact op het leven van jongeren. Niet elke leerling voelt zich vanzelf thuis op school. Maar juist in het zoeken naar wat goed werkt – voor die leerling, in die situatie – zit een mooie uitdaging. En als je daarvan houdt, dan zit je in het onderwijs helemaal op je plek.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
In mijn vorige column schreef ik over matrixen en modellen en hoe toepasbaar deze zijn op bijna alle thema’s die langskomen bij de NVO. Maar matrixen en modellen verbinden niet. Ze leggen uit of maken schematisch inzichtelijk. Verbinden is waar wij als beroepsvereniging voor in het leven geroepen zijn, de essentie. Een heel mooi voorbeeld daarvan is het herijken van de pedagogische visie waarmee de NVO onlangs gestart is. Het herijkingsproces blijkt een verbindend proces op zich. We staan nog aan het begin hiervan, maar ik merk nu al dat degenen met een pedagogisch hart elkaar opzoeken en hun tanden er graag in willen zetten. Het wordt omarmd niet alleen door de usual suspects maar ook door partijen die je niet direct zou verwachten. Bijvoorbeeld onderwijsinstellingen en psychiaters. De verwachting is dat het daar niet bij zal blijven. Wij willen als NVO natuurlijk dat de pedagogische visie over alle werkvelden wordt uitgedragen, door ministeries wordt opgepakt en door de samenleving wordt eigen gemaakt. Ik schrijf dit met een knipoog, maar dat is heel stiekem wat ik wel hoop. Dat de pedagogische visie mensen verbindt, het nieuwe ‘normaal’ wordt in ons land, om het leven een beetje beter te maken.
Judy Hoffer, directeur NVO
Johan Woudenberg in zijn praktijk ORTHOadvies
NVO-lid Johan Woudenberg werkt sinds vijf jaar als regiebehandelaar bij AB Het Spectrum, dat ambulante begeleiding geeft aan jongeren met ASS.
“Mijn rol heb ik te danken aan een jonge supervisante, een orthopedagoog, die ik begeleidde. Via haar kreeg ik een inkijkje bij de afdeling Diagnostiek en Behandeling. Hierover heb ik me kritisch uitgelaten. Het instrumentarium en de werkwijze voor de diagnostiek bleken niet state of the art. De behandelmethodieken ontbeerden een goede evidentie en planmatige onderbouwing. Met mijn kritiek ging ze naar de directie en vond daar een goed luisterend oor. De directeur nodigde me uit om een verbeterslag te maken met de afdeling.”
“Op dit moment zijn alle medewerkers goed geschoold in effectief bewezen methodieken en hebben we een diagnostische werkwijze die zich onderscheidt. Nu durf ik de verantwoordelijkheid voor deze processen te dragen. Het is heel leuk om jonge mensen te ondersteunen en om een klankbord te zijn. Het geeft veel voldoening om mezelf geleidelijk overbodig te maken.”
Daarnaast heeft Johan een eigen praktijk, geeft hij onafhankelijk advies aan scholen, supervisie – zoals aan NVO-orthopedagogen generalist – en is hij actief in de NVO-ledenraad, vooral vanwege de positionering van pedagogen in het onderwijs.
“Het onderwijs heeft altijd mijn hart gehad. Ik bepleit al lang een soort pedagogische managementrol. Zonder een goede inbedding in de zorgstructuur van de school, zonder goed mandaat op het gebied van meebeslissen bij het inrichten van het pedagogische klimaat, blijft de rol van de orthopedagoog te vrijblijvend. Zowel het gevraagde als ongevraagde advies kan genegeerd worden.”