‘Sinds de jaren negentig is opvoeden veranderd van iets wat je er gewoon bij deed, naar hét levensproject dat moet slagen’, zegt orthopedagoog en gastschrijver Kina Smit in dit nummer van de Pedagoog. ‘Opvoeden is stressvol en reuze ingewikkeld geworden.’
Volgens Smit kunnen orthopedagogen een tegengeluid laten horen om ouders hun vertrouwen terug te geven. Om te beginnen met de boodschap dat kinderen geen perfecte opvoeder nodig hebben, maar gewoon ouders. ‘Mensen die het goed bedoelen, vanuit liefde handelen en soms de mist in gaan.’
Volgens hoogleraar Biologische aspecten van zorgrelaties Peter Bos moeten ouders tegenwoordig veel ballen tegelijk in de lucht houden. ‘Dat maakt opvoeden complexer en zorgt voor meer mentale last’, vertelt hij in het omslaginterview. Veel gezinnen gaan gebukt onder stress en kinderen nemen de stress over van hun ouders.
‘Zelfs als ze niet weten waar die stress vandaan komt. In een ideale gezinssituatie kun je een buffer zijn voor elkaars stress, co-reguleren. Als dat niet meer lukt, wordt de stress alleen maar erger en de kwaliteit van zorg minder. Eigenlijk loopt zo’n systeem dan vast. Voor kinderen heeft dit gevolgen op alle vlakken: emotioneel, op school, hun gezondheid.’
Echtscheidingen zorgen voor veel stress in gezinnen. ‘Bij ouders kan de opvoeding onder druk komen te staan’, schrijft Femmie Juffer in opvoeders van nu. ‘Kinderen van gescheiden ouders hebben een lager welbevinden en meer gedragsproblemen.’ Om die kinderen en hun ouders te ondersteunen, startte TNO het programma Dappere Dino’s. Later kwamen daar Stoere Schildpadden voor kleuters en de ScheidingsATLAS voor ouders bij.
In de casus schrijft orthopedagoog Marja Hodes over Priscilla (29), een alleenstaande moeder met een lichte verstandelijke beperking, die het opvoeden van haar drie kinderen erg stressvol vindt. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van de jongste, Frenkie van 3 jaar. Hij heeft driftbuien, luistert niet, gooit met spullen en praat weinig. Dankzij de opvoedinterventie VIPP-LD, die werkt met videofeedback, leert Priscilla haar zoontje beter te begrijpen en op zijn gedrag te reageren. Dat dempt haar stress – en die van Frenkie – enorm.
Pffff…
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Peter Bos, hoogleraar Biologische aspecten van zorgrelaties aan de Universiteit Leiden, heeft zelf altijd iets zorgzaams in zich gehad. Net als zijn vader. Met zijn onderzoek naar de invloed van stress en hormonen op zorggedrag wil hij ouders – en met name vaders – steunen. ‘Om te beginnen kun je ouders de biologische basis van hun eigen gedrag uitleggen en hun schuldgevoel wegnemen.’
Lees meer
‘Ik was opnieuw een baby’, schrijft Peter Bos (Harderwijk, 1983) in het begin van Verbonden over de biologie van menselijke relaties. Dit mooie, vaak grappige en persoonlijke boek opent met een scene in het plaatselijke ziekenhuis. Daar belandt hij, derdejaars student psychologie en vierentwintig uur na het vieren van zijn twintigste verjaardag, wegens ademhalingsmoeilijkheden op de intensive care. Volledig aangesloten aan bedrading en volledig afhankelijk van de zorg van anderen. De diagnose: lymfeklierkanker, met tachtig procent kans om te overleven.
Is toen, in het ziekenhuis, je interesse voor zorgrelaties ontstaan?
“De ervaring dat je zo fundamenteel afhankelijk bent en hulpeloos is zeker vormend geweest. Je beseft dat het goede leven dat je hebt niet vanzelfsprekend is en zelfs je gewone basisbehoeftes niet. Daarvoor ben je afhankelijk van anderen. Het besef dat mensen inherent heel kwetsbaar zijn, heeft zeker een zaadje geplant. Dat neem je mee bij alles wat je daarna doet. En ook mijn dochter.”
Je oudste dochter?
“Ja, ze is nu bijna zeventien. Het was een verrassing dat zij het syndroom van Down had, want m’n vrouw en ik waren allebei nog jong. Echt een donderslag bij heldere hemel. Het ouder worden maakt al heel duidelijk dat jij de verantwoordelijkheid draagt voor zo’n hulpeloos wezentje. In haar geval wisten we meteen dat ze de rest van haar leven meer afhankelijk van ons zou zijn dan anders.”
“Je komt ook in een wereld terecht van zorgbehoefte, van speciaal onderwijs en van instanties als de stichting Downsyndroom. Als je gezonde kinderen hebt, blijft die wereld verborgen. Misschien wel dankzij al die goede zorg, waardoor er een eigen wereldje is gecreëerd voor mensen die niet mee kunnen met de rest van de stroom. Dat heeft mijn ogen geopend: dat kan toch niet de bedoeling zijn! Dus dat heeft ook meegespeeld. Ik vind het mooi om nu op een instituut te werken waar mensen daar ook onderzoek naar doen en met die doelgroep werken.”
In zijn boek Verbonden uit 2020 schrijft Peter Bos dat hij het meest gefascineerd is door de evolutionair oudste sociale band die er is, die tussen ouder en kind. Daarbij interesseert de werking van hormonen hem in het bijzonder. Hij promoveerde als biologisch psycholoog aan de Universiteit Utrecht op de invloed van hormonen op sociaal gedrag.
Hoe ziet de band tussen ouder en kind er evolutionair gezien uit?
“Bij zorggedrag denken we vaak aan het ‘echte’ verzorgen, het vasthouden, het voeden. Maar daar gaat een vorm van zorggedrag aan vooraf: het beschermen. Dat is evolutionair nog ouder, dat zie je al bij vissen. Vandaaruit zijn wij zoogdieren afhankelijk geworden van warmte, lichaamscontact, borstvoeding. Naast bescherming moet je dat een kleintje ook geven, het hele pakket. Het zijn heel oude fundamentele behoeften, die ook spelen in de complexe wereld van nu.”
Welke hormonen spelen daarbij een rol?
“Testosteron is vanaf het begin betrokken geweest bij dat beschermende zorggedrag. Het maakt je emotioneel reactiever, waakzamer, zorgt dat je sneller in actie komt als er bijvoorbeeld een baby huilt. Tegelijkertijd kan veel testosteron ertoe leiden dat je niet altijd de beste inschattingen maakt. Daar is een stof als oxytocine dan weer beter voor. Dit zoogdierhormoon zorgt voor meer kalmte, meer oogcontact, meer sociale verbinding, meer rust. Dat heb je nodig om goed af te stemmen op een kind. Onze hormoonhuishouding is heel dynamisch en wordt beïnvloed door je omgeving en hoe jij je gedraagt. Bij vaders die veel voor kinderen zorgen, zie je bijvoorbeeld dat hun testosteron daalt en oxytocine stijgt.”
Sinds 2024 is hij hoogleraar Biologische aspecten van zorgrelaties bij Pedagogische Wetenschappen in Leiden. In zijn oratie Een wetenschap van verbondenheid1 vorig jaar, vertelde hij dat veel gezinnen gebukt gaan onder stress. ‘Bij ouders kan dit leiden tot het recentelijk erkende fenomeen parental burn-out.’
Wat is er aan de hand?
“Ouders moeten veel ballen in de lucht houden. Kinderen krijgen en opvoeden is sowieso zwaar en intensief. Daarnaast wil je een carrière op gang houden. Of je hebt geen werk en de muren komen op je af. Er is ook veel bijgekomen voor ouders: allerlei clubjes en afspraken, meer aandacht voor psychische problemen van kinderen, meer betrokkenheid bij school – denk alleen al aan Magister dat je constant op de hoogte houdt – mobiele telefoons, omgaan met sociale media. Dat maakt opvoeden complexer en zorgt voor meer mentale last.
Waarbij er nog steeds onevenredig veel zorg neerkomt op de schouders van moeders, ondanks alle goede voornemens de taken eerlijk te verdelen wanneer er een eerste kind op komst is. Na een jaar blijkt dat in negen van de tien gevallen niet te zijn gelukt.”
Welke gevolgen heeft die stress voor kinderen?
“Stress is breder dan het individu. Mensen hebben stress, maar gezinnen ook. Wat is de weerbaarheid van het hele systeem onder druk? Als ouders stress ervaren, nemen kinderen het over, weten we uit onderzoek. Zelfs als ze niet weten waar die stress vandaan komt. Dus gestreste ouders maken gestreste kinderen. In een ideale gezinssituatie kun je een buffer zijn voor elkaars stress, zorgen dat een ander z’n stress kan laten zakken, co-reguleren. Als dat niet meer lukt, wordt de stress alleen maar erger en de kwaliteit van zorg minder. Eigenlijk loopt zo’n systeem dan vast. Voor kinderen heeft dit gevolgen op alle vlakken: emotioneel, op school, hun gezondheid.”
Hoe kan de kennis van hormonen bijdragen aan minder stress?
“Mijn insteek als onderzoeker is vooral fundamenteel, ik wil weten hoe het zit, niet direct een oplossing brengen. Zo dragen we bij aan meer kennis over hoe stress binnen gezinnen werkt. We geven een biologische basis aan waaróm je je op een bepaalde manier gedraagt. Je kunt ouders uitleggen wat er gebeurt. Het zit niet ‘tussen je oren’. Nu voelen mensen zich vaak schuldig, een slechte ouder, als er iets misgaat. Maar het kan ook aan je eigen jeugd liggen. Trauma heeft een enorm effect op hoe je op stress reageert en hoe je dat weer overdraagt op de volgende generatie.”
Tijdens het NVO-congres vorig jaar vertelde promovendus Ashish Ghoerbien van de Universiteit Leiden over het vervolgonderzoek naar opvoedstress bij vaders die in hun jeugd zijn mishandeld. Met steun van het NVO-Onderzoeksfonds startte Renate Buisman dit onderzoek in 2023. Samen met hen werkt Peter Bos aan nieuw onderzoek.
“Mijn onderzoek naar hormonen en stress en hun onderzoek naar trauma komen zo mooi bij elkaar. We weten dat trauma veel effect heeft op de hormoonhuishouding en de psychologie van mensen. We willen nu onderzoeken hoe zich dat vertaalt naar zorggedrag met eigen kinderen. Als je een verleden met mishandeling hebt, ben je dan emotioneel reactiever, gevoeliger voor stresssignalen, sneller getriggerd bij kinderen? Kom je sneller in een negatieve spiraal terecht? Dat ingewikkelde proces hopen we beter te gaan begrijpen.”
Volgens Peter Bos wordt in veel onderzoek – tot nu toe – mishandeling of trauma op één hoop gegooid. “Maar waarschijnlijk is de vorm van trauma heel bepalend. Verwaarlozing, wat veel voorkomt, emotioneel of fysiek, kan bijvoorbeeld een heel andere uitwerking hebben dan actieve mishandeling, dus fysiek of emotioneel geweld.
Daar willen we de komende jaren beter zicht op krijgen zodat we die vaders ook beter kunnen ondersteunen. Liefst laagdrempelig, voordat zij problemen ondervinden en er zware, dure interventies nodig zijn. Hoe deze interventies er uit moeten zien, is een urgente vraag. Om die reden hebben we een vader-kenniscafé georganiseerd met professionals over vaderbetrokkenheid, om zo wetenschap en praktijk meer met elkaar te verbinden.”
Peter Bos pleit voor het meer collectief grootbrengen van kinderen via informele netwerken, zoals we dat van oudsher gewend zijn, toen we nog in groepen leefden in plaats van tegenwoordig inkerngezinnen. In Verbonden legt hij uit dat cognitieve empathie – je in een ander kunnen verplaatsen – in die tijd waarschijnlijk is ontstaan, toen we ons als kinderen nog aan vele opvoeders moesten hechten. Hij ontkracht de mythe dat moeders de beste verzorgers zijn.
“Vaders zijn daar net zo goed in en voegen ook iets toe. Ze dagen kinderen in spel vaker uit bijvoorbeeld en daardoor zijn zij op latere leeftijd minder angstig, hebben ze meer zelfvertrouwen. Daarnaast kan opvoeding door een vader positieve effecten hebben op de cognitieve ontwikkeling en schoolvaardigheden van kinderen.”
Je schrijft in je boek dat oma’s van oudsher ook heel belangrijk zijn. Hoe zit dat?
“Vanuit de evolutionaire psychologie is daar de grootmoederhypothese omheen gebouwd. Die stelt een heel crue. vraag: waarom zijn er eigenlijk oma’s? Waarom leven vrouwen nog als ze niet meer vruchtbaar zijn? Als je door de survival of the fittest bril kijkt, zou het slim zijn je tot aan je kist voort te planten. Dus blijkbaar kun je op een bepaalde leeftijd een grotere bijdrage leveren als steun voor je kleinkinderen in plaats van zelf nieuwe kinderen op de wereld te zetten. Uit onderzoek blijkt dat betrokken grootouders – ook opa’s – alle succesfactoren verhogen in de ontwikkeling voor kinderen. Dus het is niet voor niks.”
Peter Bos woont met zijn dochter (16), zoon (14) en jongste dochter (8) in Ermelo, vlak naast zijn geboorteplaats Harderwijk. Wat voor vader is hij zelf?
“Ik probeer te practisen wat ik preach. Als ik terugkijk op hoe ze zijn groot geworden, heb ik niets gemist, overal bij kunnen zijn en een rol kunnen spelen in het zorgen. Nu ze groter zijn, hoef ik geen luiers meer te verschonen, maar mag ik ’s avonds helpen bij de planning van hun huiswerk. Ik maak nog wel dagelijks broodtrommels klaar. Het is een luxe dat ik altijd flexibel ben geweest met mijn werk. Als onderzoeker kun je ook ’s avonds en desnoods ’s nachts werken. Daardoor kon ik mijn kinderen naar school brengen en ophalen.”
Dat zorgzame zit in hem, denkt hij. Hij was dol op zijn kleine neefjes en nichtjes en zijn vader was een groot voorbeeld.
“Thuis lag de bulk van het huishoudelijk werk wel bij mijn moeder, als huisvrouw. Maar mijn vader draaide volwaardig mee. De was doen, stofzuigen, schoonmaken, afwassen, boodschappen doen, de was ophangen. Hij deed het allemaal. Later realiseerde ik me pas hoe bijzonder dat eigenlijk was. Ik heb ook altijd iets zorgzaams in me gehad, vroeger vooral voor dieren en de natuur. Maar peuters en kleuters heb ik altijd leuk gevonden en dat wilde ik ook graag
ervaren als vader.”
Je was al jong vader?
“Ik was 26 toen mijn oudste dochter geboren werd. In mijn bubbel was dat heel jong. Toen ik het op de universiteit vertelde, moesten mensen erom lachen. Ze geloofden het gewoon niet. ‘Jij vader?!’ Dat vond ik heel raar en niet zo heel aardig.”
Je bent ook een jonge hoogleraar en sinds vorig jaar bovendien wetenschappelijk directeur van het onderzoeksinstituut. Hoe ben je in 2019 als biologisch psycholoog bij Pedagogische Wetenschappen in Leiden beland?
“Dat is echt uit interesse. Onderzoek naar empathie heb ik altijd interessant gevonden. In Utrecht zat ik bij een onderzoeksgroep waar heel fundamenteel onderzoek werd gedaan, vooral naar het visuele systeem en daar had ik weinig affiniteit mee. Ik wilde onderzoek doen dat ertoe doet voor mensen, dat gaat over wat voor mij belangrijk is in het leven. En dat doen we hier bij Pedagogische Wetenschappen.
Dat ik in Leiden terechtkwam, was gewoon mazzel. Ik was universitair docent in Utrecht en er kwam in Leiden een vacature voor hoogleraar. Daar kon ik niet op solliciteren, zover was ik nog helemaal niet. Maar ik heb het toch gedaan. Gaandeweg het gesprek bleek de klik zo goed, dat ik toch mocht komen. Maar nog niet als hoogleraar, dat duurde nog even.”
Aan het eind van ons gesprek vraag ik nieuwsgierig naar de grote babybox, die in de hoek van zijn werkkamer in Leiden staat. Wat doet die daar?
“Die stond in het gezinslab voor onderzoek. Toen dat dicht ging, vroeg een collega of er nog iets bewaard moest worden. Anders ging alles naar de stort. Toen zag ik die box en ik heb toch veel te veel ruimte in deze kamer. Ik dacht: als er een keer iemand op de afdeling is met een baby, mogen ze die even bij mij brengen. Hij is nog niet erg gebruikt. Dat vind ik wel jammer. Een paar uur met een baby lijkt me reuze gezellig.”
Tekst: Annemiek Haalboom
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Rianne Manenschijn & Laura van Wijnen
Lees meer
De resultaten van dit onderzoek lijken een open deur: werk is zinvol voor mensen met een verstandelijke beperking. Het geeft hen structuur, zin in het leven, zelfvertrouwen, contact met anderen én het gevoel dat ze iets bijdragen. Toch opvallend dat na de start van de Participatiewet, die voor een verbetering van de positie van mensen met een beperking op de werkvloer moest gaan zorgen, hun deelname op de arbeidsmarkt nog steeds achterblijft. Hoe komt dat toch?
Moniek Voermans van de Tilburg University heeft een uniek promotieonderzoek gedaan. Zij voerde veel gesprekken met de doelgroep, mensen met een verstandelijke beperking met betaald en onbetaald werk of dagbesteding. Het is niet altijd even makkelijk voor hen om zich te uiten of te benoemen wat zij willen. Uit de gesprekken komen mooie wensen en ideeën naar boven, zoals eerlijk worden behandeld, betrokkenheid van leidinggevenden en kansen krijgen. Want zonder kans heb je er immers geen weet van of werk passend is. Helaas zijn er nog veel vooroordelen aan werkgeverskant – zoals dat mensen met een verstandelijke beperking niet goed kunnen werken – en maken wetten en regels het soms ook ingewikkeld. Het idee van inclusie zou ook niet altijd even goed bij de doelen van een bedrijf passen. Zonde, zou je zeggen.
Want ieder mens heeft kwaliteiten en talenten en met een beetje hulp kunnen ze ver komen. Past het echt niet binnen de doelen van een bedrijf of moeten we soms wat beter kijken?
Voermans, M. (2025). How it works for me: Exploring the lived experiences and the dynamic process of creating meaningful work for people with intellectual disabilities. doi.org/10.26116/tsb.12552086doi.org/10.1111/cdev.70030
Er is veel onderzoek gedaan naar behandelingen voor ADHD, zowel bij kinderen als volwassenen. De uitkomsten lopen sterk uiteen. Juist daarom is een zogenoemde umbrella review – een overkoepelende analyse waarin resultaten uit meerdere systematische reviews en meta-analyses worden samengebracht – zo waardevol. In dit onderzoek zijn maar liefst 221 meta-analyses opnieuw geanalyseerd. Elk met een unieke combinatie van deelnemers, interventies, comparators (controle- of vergelijkingsgroepen) en uitkomstmaten.en. Een waardevolle tool om gesprekken met cliënten
Bijzonder is dat dit onderzoek laat zien waarom effectgroottes niet alles zeggen. Een effectgrootte geeft aan hoe sterk een interventie gemiddeld werkt; bewijskracht zegt iets over hoe zeker we van dat effect kunnen zijn, op basis van de kwaliteit en hoeveelheid onderzoek. Die twee lopen in het geval van ADHD-onderzoek verrassend vaak niet gelijk met elkaar op. Niet-medicamenteuze interventies – zoals acupunctuur, ouderbegeleiding, cognitieve gedragstherapie of mindfulness – laten soms grote effecten zien, maar met lage bewijskracht, óf juist kleinere effecten met hogere bewijskracht. Verder laten medicamenteuze behandelingen op korte termijn regelmatig medium tot grote effecten zien op ADHD-symptomen, maar blijken ze tegelijkertijd vaak minder goed te verdragen door cliënten, zeker op volwassen leeftijd. Bijwerkingen spelen daarbij een grote rol. Op de lange termijn vonden de onderzoekers opvallend weinig betrouwbare gegevens, ongeacht het type behandeling.
Voor ons professionals betekent dit vooral dat voorzichtig adviseren essentieel blijft. Grote effecten in statistieken kunnen in de praktijk heel anders uitpakken voor kinderen, jongeren en volwassenen. Shared decision making is daarbij van groot belang. Zorg ervoor dat je als professional goed op de hoogte bent van wat we wel én niet weten over ADHD- interventies en wat per interventie de voor- en nadelen kunnen zijn, zodat je accurate informatie kunt delen met cliënten. Het onderzoeksteam van deze review ontwikkelde hiervoor een toegankelijke website (ebiadhd-database.org) waarop per leeftijdsgroep en per interventie inzichtelijk is gemaakt wat bekend is over effect, bewijskracht en mogelijke bijwerkingen. Een waardevolle tool om gesprekken met cliënten wetenschappelijk goed onderbouwd te voeren.
Gosling, C.J., Garcia-Argibay, M., De Prisco, M., et al. (2025). Benefits and harms of ADHD interventions: umbrella review and platform for shared decision making. doi.org/10.1136/bmj-2025-085875
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Afgelopen periode hebben we twee keer het vak Capita Selecta, Maatschappelijke thema’s gehad, waar ik vorige keer over schreef. Van tevoren leek de wetenschappelijke lesdag mij taai, maar het was super interessant en motiverend. Zo ook de lesdag over columns schrijven. We startten met het bedenken welke cliënt ons is bijgebleven en waarom. Op basis daarvan hebben we een column geschreven. Mijn column gaat over het belang van de samenwerking tussen jeugd- en volwassenenzorg. Doordat de volwassenenzorg vaak individualistisch wordt aangepakt en er ook geen overdracht plaatsvindt naar de omgeving, komen gezinnen vaak in de problemen, waardoor de kinderen in de jeugdhulp terechtkomen. Mijns inziens kan dat verbeteren door de zorg aan volwassenen systemisch in te zetten. Onze columns, tevens een Kenmerkende BeroepsSituatie, hebben we allemaal gepubliceerd. Velen van ons op de website van de NVO www.ikkanhet.nl. Het schrijven over het vak is zo drempelverlagend geweest.
In het tweede blok Capita Selecta hebben we twee lesdagen over rouw gehad, één over verslaving en één over seksueel misbruik en seksueel geweld. Inhoudelijk zware thema’s, maar ook nu weer super interessant en inspirerend. Ondanks dat ik met veel van deze problematiek al werk, heb ik tijdens deze lesdagen ook veel nieuwe dingen geleerd. Bijvoorbeeld hoe je met ouders in gesprek kan over het middelengebruik van hun kind en van zichzelf, om hen zo te stimuleren te stoppen met het middelengebruik. Of hoe je in gesprek kan gaan met een kind over verlies en in hoeverre je informatie aan het kind geeft of niet. Ik heb nog nooit zoveel notities meegeschreven als tijdens de inspirerende lesdag van Iva Bicanic, klinisch psycholoog en onlangs benoemd tot hoogleraar ‘Seksueel misbruik van kinderen: de gevolgen en behandeling’ aan het UMC Utrecht. Niet alleen over cijfers, de onderzoeken die ze heeft gedaan, de consequenties, maar ook hoe belangrijk het is om in gesprek te gaan met de gezinnen over de seksuele ontwikkeling en seksuele ervaringen.
Tussen deze blokken door hebben we het blok Cognitieve GedragsTherapie gehad. Dat viel me zwaar, omdat je steeds moet switchen tussen de vakken. De voorbereiding en literatuur zijn veel meer dan de andere vakken, waardoor het meer tijd en energie kost naast het privéleven. Na een paar dagen rust heb ik mijn schouders er weer ondergezet en ben ik er weer vol voor gegaan. Inhoudelijk is het best boeiend en neem ik er veel van mee in de praktijk.
Ook heb ik in januari mijn halfjaarlijkse evaluaties gedaan bij de groepssupervisie en op mijn werk. Dan sta je weer stil bij wat je het afgelopen half jaar geleerd hebt en dat blijkt steeds verbazingwekkend veel. Soms groei je onbewust en door daarbij stil te staan, merk je dat je veel oppikt uit de lessen en supervisie.
Binnenkort starten we met systeemtherapie. Iets waar ik heel erg naar uitkijk, omdat wij dat bij FamilySupporters veelvuldig toepassen en ik veel collega-systeemtherapeuten heb. Ik verheug me erop me daarin te gaan verdiepen. De boeken zijn al binnen én het einde van de opleiding is in zicht.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Liesbeth Klaver – orthopedagoog en filosoof – is al jaren actief als bijzondere curator. Ze runt haar eigen mediation-bureau in Boxtel en zet zich in voor kinderen die klem raken in conflictsituaties. Als bijzondere curator wordt zij door de rechter benoemd wanneer de belangen van een kind botsen met die van de ouders of instanties. Zij vertegenwoordigt uitsluitend het belang en de stem van het kind.
Lees meer
Liesbeth kwam bij het werk als bijzondere curator terecht via een rechter in Breda. Zij werkte toen als mediator en werd gevraagd deze rol op zich te nemen. “Toen de rechter mij uitlegde wat het inhield, dacht ik meteen: dit is precies waar ik iets kan betekenen. Kinderen die klem zitten in een loyaliteitsconflict, daar móet iemand naast gaan staan.”
In haar zoektocht naar een passende werkwijze, ontdekte ze dat er geen duidelijke, uitgewerkte methodiek was voor zo’n belangrijke rol. Vanuit haar eerdere werk was zij vertrouwd met triangulatie en die methode nam zij mee. “Triangulatie betekent voor mij: iedereen horen, terugkoppelen wat je hebt gehoord en opnieuw luisteren naar de reactie daarop. Door perspectieven naast elkaar te leggen, ontstaat er ruimte. Je ziet dan dat er niet één waarheid is.”
Haar aanpak viel op. Een raadsheer uit Den Bosch, die werkte aan een pilot voor bijzondere curatoren, vroeg haar plaats te nemen in de begeleidingscommissie. Haar rapportages werden gewaardeerd. “Het was pionieren,” zegt ze. “Er was veel vrijheid, maar ook veel verantwoordelijkheid.”
In haar werk kiest Liesbeth voor een vaste werkwijze, maar niet voor een strak model.
“Hoe meer je een complexe situatie in een model probeert te vangen, hoe meer je de nuance verliest,” stelt ze. “Ik werk ook vanuit het verhaal. Mensen willen begrepen worden, niet ingepast.”
Door deze werkwijzen te combineren, zoek je niet naar de waarheid maar naar betekenis. Met triangulatie probeer je zo dicht mogelijk bij de feiten, de waarheid, te komen. Met het eigen narratief, zo dicht mogelijk bij de eigen betekenis. Zowel de betrouwbaarheid als de diepte van de betekenis winnen hierbij.
Vanuit ‘denkvragen’ probeert ze samen met het kind of de volwassenen te begrijpen hoe iemand tot zijn denken is gekomen. Haar achtergrond als orthopedagoog is onmisbaar om de ‘klemsituatie’ van het kind te doorgronden. Haar benadering maakt.uiteindelijk zichtbaar hoe het kind zich positioneert in zijn context. Wat herken je aan het gedrag Transparantie is essentieel, Liesbeth legt haar verslagen altijd voor aan de betrokkenen.
“Ik zeg altijd: dit is jullie verhaal. Als er iets niet klopt of anders moet, dan passen we dat aan. Zelfs als het uiteindelijk anders wordt geformuleerd dan ik het heb gehoord. Het gaat erom dat mensen zich eigenaar voelen. Dat vergroot het vertrouwen aanzienlijk. Mensen voelen zich serieus genomen. Dat verandert de toon van het hele traject.”
Ze ziet zichzelf niet als probleemoplosser. “Ik los geen conflicten op. Met de ‘denkvragen’ probeer ik vooral bewustwording op gang te brengen.” Confrontatie met het eigen denken en het denken van de volwassenen in het (gezins)systeem helpen daarbij. Een rechter typeerde haar aanpak ooit als een bewustwordingstraject. Binnen de rechtbank is haar werkwijze ook wel de ‘Boxtelse methode’ genoemd. “Eigenlijk geen methode, maar een transparante manier van werken, volgens een vast patroon.”
In veel zaken ziet Liesbeth hoe ouders, maar ook hun kinderen, zich vastklampen aan hun overtuigingen. “Die overtuigingen geven houvast. Maar ze maken ook dat mensen muurvast komen te zitten. In het gevecht om het gelijk wordt de ander al snel een vijand.” Achter die overtuigingen gaat vaak oude pijn schuil. “Soms hoor ik in het gesprek niet alleen de ouder, maar ook het kind dat iemand ooit was. Afwijzing, trauma, onzekerheid – dat werkt door.” Conflicten worden van de ene generatie op de andere doorgegeven.
Door filosofische en praktische vragen te stellen, nodigt zij ouders uit tot reflectie. “Ik vraag bijvoorbeeld: ‘Kun je er ook anders naar kijken? Dat jouw ervaring waar is, én die van de ander ook?’” Volgens Liesbeth leven we in een tijd waarin kaders verschuiven en zekerheden minder vanzelfsprekend zijn. “Dat maakt mensen onzeker. En onzekerheid vergroot polarisatie. Kinderen bevinden zich ondertussen in een uiterst kwetsbare positie. Hun grootste wens is meestal rust. Veel kinderen proberen zelf oplossingen te bedenken om ruzies te stoppen. Ze cijferen zichzelf weg.”
Ze stelt geen diagnoses. “Ik registreer wat een kind zegt. Zo letterlijk mogelijk. Het zijn hún woorden. Ook die leg ik voor ter correctie. Het moet kloppen voor het kind. Maar ik kijk ook naar hun gedrag. Wat brengen zij daarmee ‘tot uiting’?”
In 2012 verscheen het rapport De bijzondere curator, een lot uit de loterij? van de Kinderombudsman. In die periode is er een klankbordgroep opgericht, waaruit uiteindelijk de Stichting Bijzondere Curator Nederland ontstond. Liesbeth was veertien jaar namens de NVO betrokken bij deze ontwikkeling.
“Het is belangrijk dat de stem van het kind steviger wordt verankerd,”zegt ze. Ze vindt het jammer dat de achtergrond van steeds meer bijzondere curatoren een juridische is. Ook voor de zaken waarbij de rechtbank gedragsdeskundige expertise noodzakelijk vindt. Tegelijkertijd ziet ze dat de complexiteit van casussen toeneemt. “Bijzondere curatoren worden vaak pas ingeschakeld als het conflict al volledig is geëscaleerd. Dan is er al veel beschadigd.” Ook de maatschappelijke context verandert. “Technologie, globalisering, verschillen tussen gezinnen, armoede – het speelt allemaal mee. Niet elk kind krijgt vanzelfsprekend de ruimte om zijn verhaal te doen.” Volgens haar is het daarom essentieel dat gedragsdeskundige kennis aanwezig blijft in de rechtbank. “Juist nu.”
Hoewel zij basiskennis van wetgeving noodzakelijk vindt, ziet zij het juridische kader als het domein van de rechter en advocaten. “Ik haal geen wetsartikelen aan in mijn rapportages. Dat is niet mijn rol. Mijn bijdrage is het gedragsdeskundige perspectief: wat gebeurt hier in deze dynamiek? Wat betekent dit voor het kind?”
Een belangrijk knelpunt is de beperkte tijd. “Gemiddeld krijg je tien uur per zaak. Dat is te weinig voor de zorgvuldigheid die je wil bieden.” Ze doet dit werk dan ook deels vanuit idealisme. “Ik zie hoe kinderen in het systeem soms niet echt gehoord worden. Dan kun je niet anders dan je blijven inzetten.”
Er zouden meer orthopedagogen bijzondere curator moeten worden, vindt ze. “De rechtbanken hebben gedragsdeskundige expertise nodig, maar het kindperspectief vraagt om een andere bril dan de juridische. Dat was ook de oorspronkelijke bedoeling. Er staan momenteel slechts zo’n twaalf orthopedagogen of psychologen op de lijst van inzetbare bijzondere curatoren, minder dan tien procent. Veel te weinig. Terwijl de vraag groot is.”
De beperkte vergoeding en tijdsinzet vormden een belemmering, maar hier is sinds kort verandering in gekomen. Dat biedt meer mogelijkheden. “Met goede inschattingen en gerichte inzet kun je veel betekenen. En soms voorkom je dat een kind nog vijf keer zijn verhaal moet doen bij verschillende instanties.”
Liesbeth zou het toejuichen als NVO-leden die werken met ouders en kinderen in (vecht) scheidingen met elkaar in gesprek gaan. De NVO kan dit gesprek faciliteren. Het gaat met name om de NVO-leden die ook als bijzondere curator benoemd willen worden. De vraag die in dit gesprek aan de orde moet worden gesteld is: Hoe positioneert de NVO-er zich in de rechtspraak? Belangstellenden kunnen zich per e-mail melden bij de NVO via communicatie@nvo.nl.
De vraag naar bijzondere curatoren zal niet verdwijnen. “Integendeel. Gedragsdeskundige kennis hoort thuis op de plek waar beslissingen worden genomen over het leven van kinderen.”
Voor Liesbeth staat één overtuiging centraal ”Kinderen moeten gehoord worden. Juist als volwassenen vastlopen. Als bijzondere curator kun je het conflict niet altijd oplossen. Maar je kunt wel ruimte maken voor reflectie, niet alleen voor de betrokkenen, maar ook voor het systeem van zorg en recht. Dat kan een groot verschil maken.”
tekst: Marijke Buisman
Onlangs heb ik een congres bezocht georganiseerd door het Kennisplatfor AI in de GGz. Floriane Jaspers, kinder- en jeugdpsychiater en initiatiefnemer van het Kennisplatform, doet de aftrap. Ik val middenin een lesje IT-geschiedenis: van Alan Turing en binaire nummers tot algoritmes en machine learning. Termen waar ik me normaal ver vandaan houd, ik richt me liever op mensen en verbinding. Toch raak ik snel gegrepen.
Lees meer
Wie nu niet meebeweegt, blijft achter, dat gevoel overheerst. Binnen de ggz wordt al sinds 2010 gewerkt aan kunstmatige intelligentie (AI). Van ontkiemen tot exploreren, inmiddels zit AI in de implementatiefase: toepassingen verschijnen in de praktijk, de EU AI ACT is van kracht, en AI zal steeds meer een plek krijgen in ggz opleidingen. De lezingen op het congres tonen hoe breed de inzet van AI in de ggz inmiddels is; van diagnostiek tot behandeling, van risicotaxatie tot dementiezorg.
Wim Veling, hoofd Virtual Reality Mental Health lab en psychiater bij het UMC Groningen, presenteert zijn onderzoek naar de virtuele psychiater. Zijn team onderzoekt of elementen van cognitieve gedragstherapie en virtual reality geautomatiseerd kunnen worden. De resultaten zijn hoopgevend, maar ook spannend.
chatbots blijken niet altijd onschuldig: voor mensen met een psychotische kwetsbaarheid kunnen ze zelfs riskant zijn. Waar een mens nuance en tegenspraak kan bieden, bevestigt een chatbot vaak wat iemand zegt, met het risico dat denkfouten of wanen worden versterkt. “Technologie is niet neutraal,” benadrukt Veling. Daarmee raakt hij een kernpunt van de dag: AI vraagt om menselijk ontwerp. Niet alleen technisch, maar ook ethisch. Wie bepaalt wat technologie mag doen, welke waarden erin vervat zijn, en wie verantwoordelijk is voor wat eruit komt?
Theo Gevers, hoogleraar computer vision, breidt het perspectief uit. Zijn verhaal over deepfake therapie en generatieve AI laat zien hoe snel het veld zich ontwikkelt. In deepfake-therapie worden elementen van imaginaire therapie gecombineerd met virtuele blootstelling. Cliënten blijven in behandeling bij hun therapeut, maar oefenen tussendoor met een AI programma dat motiveert, begeleidt of feedback geeft. Denk aan toepassingen als Talk2Talk, gericht op stressmanagement en gedragsverandering.
Toch is ook hier nuance nodig: taalmodellen als ChatGPT ‘vlakken af’ volgens Gevers. Omdat ze trainen op bestaande data, die ze daarna opnieuw gebruiken, neemt de vernieuwing af. Zijn oproep: Werk samen – als zorgprofessionals, onderzoekers en technici – zodat innovatie ten dienste blijft staan van de mens.
Een voorbeeld van die samenwerking komt van onderzoeker aan de Tilburg University Ilja Bongers, die in een tbs-kliniek een AI-tool ontwikkelde voor risicotaxaties. Waar gedragswetenschappers zich vroeger door dossiers van een halve meter moesten worstelen, levert de tool nu een snel overzicht op één A4. De beslissingen blijven bij mensen, maar de voorbereiding is vele malen efficiënter.
Wijnand IJsselsteijn van de Technische Universiteit Eindhoven laat zien hoe AI kan bijdragen aan de zorg voor mensen met dementie. Zijn project rond hybride intelligentie, de samenwerking tussen mens en AI, richt zich op praktische ondersteuning in het dagelijks leven. Zoals geheugenhulpen of navigatiesystemen, die zich aanpassen aan de gebruiker. Hij introduceert het begrip warme technologie: innovaties die niet alleen slim zijn, maar ook empathisch, mensgericht en ondersteunend. Co-creatie met cliënten en zorgverleners staat daarbij centraal.
Tot slot presenteert Wiepke Cahn van het UMC Utrecht het Psychose Prognose Predictor Project, waarin AI wordt ingezet om op basis van klinische gegevens en leefstijlfactoren het beloop van psychotische aandoeningen te voorspellen. De modellen helpen behandelaren bij het inschatten van herstelkansen en risico’s, zonder de menselijke besluitvorming te vervangen.
Hoewel de voorbeelden veelbelovend zijn, blijkt tijdens het congres ook hoe complex de implementatie van AI in de ggz is. Succesvolle toepassing kan alleen ontstaan wanneer management, professionals en wetenschap samenwerken.
Daarnaast vraagt AI om een bredere cultuurverschuiving. Professionals moeten leren samenwerken met algoritmes, zonder hun autonomie te verliezen: kritisch blijven, begrijpen hoe een model werkt en vooral weten wanneer je het níet moet gebruiken. Dit proces vraagt om scholing, maar ook om onderling vertrouwen, zowel in technologie als in de eigen beroepsgroep.
Een intrigerende vraag die Veling stelt, raakt aan iets diepers: waarom zijn psychologen en pedagogen bang om vervangen te worden? Misschien gaat dit vooral over identiteit. In een tijd waarin systemen kunnen meedenken, moeten we opnieuw bepalen wie we zijn als professional. Bang om onze baan te verliezen, hoeven we volgens Veling niet te zijn, de werkdruk en wachtlijsten zijn immers enorm. Gevers vindt dat we juist daarom als beroepsgroep de verantwoordelijkheid hebben om te onderzoeken hoe AI wél waardevol en verantwoord kan worden ingezet, want cliënten kunnen er daadwerkelijk baat bij hebben.
De ethische dimensie komt duidelijk naar voren in de presentatie van promovendus bij UMC Amsterdam Mehrdad Rahsepar Meadi, die chatbots in de ggz onderzoekt. Hij onderscheidt drie typen: algemene
chatbots (zoals ChatGPT), mental health-chatbots (zoals Woebot of Wysa) en companion chatbots die langdurige gesprekken aangaan. Voordelen van chatbots zijn er zeker: geen wachttijden, altijd beschikbaar en laagdrempelig. Maar Rahsepar Meadi benoemde ook tien risico’s en zorgen: van privacy en verantwoordelijkheid tot empathie, rechtvaardigheid en vermenselijking. De onderzoeksvraag waarop hij promoveert is: onder welke voorwaarden is het verantwoord om AI-chatbots in de ggz in te zetten? De vraag raakt aan een fundamenteel punt: Wie is aansprakelijk als een chatbot verkeerd reageert of schade veroorzaakt? Technologie mag dan efficiënt zijn, maar verantwoordelijkheid kan je niet uitbesteden. Tegelijkertijd zullen we ook niet uitvinden hoe we met AI kunnen samenwerken als we het als beroepsgroep teveel uit de weg gaan.
Als pedagoog verlaat ik het congres met een mengeling van enthousiasme en voorzichtigheid. Ja, ik zie kansen. AI kan mij ondersteunen in mijn werk, bijvoorbeeld bij het maken van target- afbeeldingen voor EMDR, het ontwikkelen van psycho-educatie of metaforen en het ontwerpen van groepsbehandelingen. De meer geavanceerde AI-systemen kunnen ook gesprekken omzetten naar verslagen, mij als professional kritisch bevragen op bias en simulaties van rollenspellen of pre-teaching ontwikkelen. Maar ik voel ook sterk dat er een grens ligt bij datgene waar we geen verantwoordelijke meer voor kunnen aanwijzen. Als beroepsgroep moeten we onszelf, denk ik, vragen blijven stellen:
De toekomst van de ggz draait niet om de vraag óf AI zijn intrede
doet, maar hoé en hoe wij daar als professionals mee omgaan.
tekst: Rianne Manenschijn
Meer lezen
In de vorige Pedagoog schreef ik over de serie Adolescence, waarin een jongen een meisje van zijn leeftijd vermoordt. Mirthe Verbeek schreef haar proefschrift over de preventie van seksueel- en datinggeweld bij jongens en jonge mannen. Ze is minder enthousiast over de serie dan ik. Benieuwd naar haar bevindingen zocht ik haar op in het Sjoerd Groenmangebouw, bij de afdeling Interdisciplinaire Sociale Wetenschap van de Universiteit Utrecht.
Lees meer
2026 – heden
Postdoc T@CKLE Project, Mapping Diverse Pathways to Perpetration of Sexually Transgressive Behavior, Universiteit
Utrecht
2025 – 2025
Docent Interdisciplinaire Sociale Wetenschap, Universiteit Utrecht
2020 – 2025
Promotietraject, Move Up! Project, Erasmus Universiteit Rotterdam
2019 – 2020
Docent Psychologie, Vrije Universiteit Amsterdam
2016 – 2018
Research Master Development and Socialization in Childhood and Adolescence, Universiteit Utrecht
2013 – 2016
Bachelor Psychologie, richting Klinische Kind- en Jeugd en Sociale Psychologie, Universiteit Utrecht
Waarom heb je dit onderwerp gekozen voor je proefschrift?
“De lessen over de psychoseksuele gezondheid op school gingen lange tijd vooral over risicogedrag. De focus lag op meisjes beschermen – ‘jongens zoeken het zelf wel uit’ – en voorlichting over risico’s op soa’s en zwangerschap. Het idee is vaak dat meisjes ‘gatekeeper’ zijn en jongens altijd zin in seks hebben. Daarin zit ongelijkheid en daar wilde ik graag onderzoek naar doen. Dit project kwam voorbij: er was geld voor de evaluatie van de Make a Move(+) programma’s. Toen ben ik ingestapt.”
Seksueel- en datinggeweld, kortweg SDG, wat moeten we daaronder verstaan?
“In het Nederlands spreken we meestal van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat gaat van seksistische opmerkingen tot aan verkrachting. Dating geweld gaat specifiek over geweld binnen een romantische relatie. Het is emotioneel, psychisch, fysiek of seksueel van aard: schelden, schoppen, slaan, dwang. Het meest voorkomende seksueel grensoverschrijdende gedrag is het maken van seksueel getinte opmerkingen en ongewenste aanrakingen. Zwaardere vormen komen ook voor, zowel bij meisjes als jongens. Net als online gedrag, zoals het doorsturen van naaktfoto’s zonder toestemming en dickpics zonder dat iemand erom gevraagd heeft. Die dingen zijn allemaal strafbaar tegenwoordig. We hebben in ons onderzoek dus een brede definitie gebruikt, net als Rutgers1 die het programma heeft ontwikkeld.”
Waarom richtte je je op deze doelgroep?
“Rutgers heeft het preventieprogramma Make a Move ontwikkeldvoor jongens van 12 tot 18 jaar in de residentiële jeugdzorg. Dat is uitgebreid naar jeugdwerk en onderwijs, VMBO-MBO. Uit de praktijk kwam de vraag naar een minder talig programma, bruikbaar voor jongens in het speciaal onderwijs en praktijkonderwijs. Daarom is Make a Move+ ontwikkeld, voor jongens met een licht verstandelijke beperking (LVB) tussen de 14 en 21 jaar. Het ging ons om het effect van het programma en hoe het werd uitgevoerd. Meestal was dat in het derde leerjaar van school, als jongens een jaar of 14, 15 zijn.”
Hoe ziet het preventieprogramma Make a Move eruit?
“Het bestaat uit acht sessies van anderhalf uur met verschillende werkvormen, zoals quizzen, uitleg, filmpjes van Can you fix it?2 die een dilemma aankaarten, groepsdiscussies en rollenspelen. Het programma heeft een opbouw. Eerst elkaar leren kennen, wat basale anatomielessen van de geslachtsorganen en afspraken over bij welke woorden iedereen zich comfortabel voelt. Dan meer relationele thema’s, zoals: wat doe je met een vriendje of vriendinnetje, wie zou jouw ideale partner zijn en wat heb je zelf te bieden als partner? Vanaf de vijfde sessie gaat het meer over seks: wat is leuke seks, wat is veilige seks, wat zijn wensen en grenzen?”
Heb je zelf ook gezien hoe er in de praktijk mee werdgewerkt?
“Ja, ik heb een paar willekeurige sessies online meegekeken naar wat de trainer deed, om te turven welke onderdelen van het programma wel en niet volledig werden uitgevoerd. Zo kregen we een beeld hoe veel van het programma aangeboden werd. Mijn collega’s van Atria3 hebben er in drie groepen bij gezeten en alle sessies meegekeken. Ze hebben verslagen gemaakt over de interactie tussen jongens, trainers en materiaal. Uit de observaties haalde ik dat de programma’s nogal vol zitten. Per sessie van anderhalf uur moeten meestal zo’n vijf onderdelen worden uitgevoerd. Veel scholen en jeugdzorgorganisaties zeiden ‘leuk, maar we hebben vijftig minuten, geen negentig’, of ‘wij hebben wel voldoende tijd, maar het is te lang voor de jongens’. Dan moet je het programma in minder tijd doen, met jongens die bovendien snel afgeleid zijn, grappen maken en met elkaar bezig zijn. De trainers hadden een pittige taak. Sommige groepen waren te groot: een klas van twaalf leerlingen met één trainer in plaats van zes tot acht met twee trainers.”
Van de jongens met een LVB rapporteert maar liefst een derde dat ze dader van SDG zijn geweest. Over welk gedrag hebben we het dan?
“Het hoogste percentage was voor het doorsturen van naaktfoto’s. Dat is gedrag waar veel jongens met een LVB vaak niet de consequenties van zien. Ze krijgen die foto’s zelf ook doorgestuurd en het kan zijn dat ze degene op de foto niet kennen. Ze voelen dan niet dat ze iets verkeerd doen en leggen vaak de schuld bij het slachtoffer: dan had die de foto maar niet moeten maken. Iemand dwingen tot seksuele handelingen scoort op de meeste metingen nul procent. Iemand daartoe overhalen levert een hoger percentage op. Een interessant onderscheid dat jongens blijkbaar maken. Voor degene die overgehaald werd kan het wel als dwang hebben gevoeld.”
In je onderzoek zitten ook jongens die (dating-) geweld rechtvaardigen en vinden dat mannen moeten domineren over vrouwen. Ik lees dat dit niet te maken heeft met een laag gevoel van eigenwaarde of weinig weerstand tegen groepsdruk. Waar komt deze attitude dan vandaan? Spelen de manosphere en influencers zoals Andrew Tate hier een rol, zoals in ‘Adolescence’?
“Dat speelde toen ik begon in 2020 allemaal nog niet zo sterk. Toen was net de BOOS-uitzending over de misstanden bij The Voice of Holland geweest. Sindsdien is het wel een belangrijk thema in Nederland. Het zijn trouwens maar heel weinig jongens die zich op deze manier uiten hoor! Verreweg de meeste jongens staan helemaal niet positief tegenover SDG. Waar die attitude vandaan komt hebben. we niet in dit onderzoek getoetst. Ander onderzoek laat wel zien dat jongens met een lagere sociaal-economische status relatief vaker vasthouden aan rigide mannelijkheidsnormen.”
Je hebt weinig bewijs gevonden voor de effectiviteit van Make a Move. Er zijn zelfs jongens die na het volgen van het programma negatiever dachten over meisjes. Hun positieve intenties in het geval van seksuele afwijzing waren afgenomen. Is dat niet verontrustend?
“Dat zou inderdaad zeer verontrustend zijn, maar ik moet opnieuw zeggen dat die conclusie op basis van heel weinig jongens is getrokken. Onze dataverzameling van Make a Move is een beetje in de soep gelopen. We hadden bij de follow-up nog maar zeven jongens over die het programma hadden gevolgd en de vragenlijst hebben ingevuld. Ik heb door allerlei hoepels moeten springen om daar nog een analyse op los te laten. Bij een paar jongens zagen we inderdaad die toename in negatieve attitudes. We moeten dit signaal wel serieus nemen, maar er ook weer niet te zwaar aan tillen.”
Kun je zeggen dat ‘wat je aandacht geeft, groeit’? En dat er misschien te veel aandacht uitgegaan is naar het negatieve gedrag?
“Het programma zelf heeft een positieve insteek, maar in de praktijk zag je dat er door tijdgebrek en de korte spanningsboog soms nog snel even de risico’s benoemd werden. Ook hadden trainers niet altijd tijd om op alle stoere praat in te gaan, of dit te corrigeren. Daardoor heeft het negatieve mogelijk meer aandacht gekregen dan de bedoeling was. Maar als jongens alléén wordt geleerd dat ze zo veel mogelijk hun eigen plezier achterna mogen lopen, dan is dat óók een voedingsbodem voor grensoverschrijding. Daarom vraagt het in de uitvoering van zo’n programma om een goede balans. Het oefenen van gewenst gedrag, bijvoorbeeld hoe je een vriend aanspreekt die een meisje op de billen tikt, zat vooral in de rollenspellen. En die werden vaak overgeslagen.”
Wat zijn jouw aanbevelingen?
“De lessen insteken vanuit de motivatie, die er ook bij jongens is, positieve romantische en seksuele ervaringen op te doen. Het aantal doelen van het programma beperken en vooral aandacht besteden aan de sterkste voorspellers van wat je wilt bereiken. Trainers zo uitrusten dat ze programma’s kunnen uitvoeren zoals ze zijn bedoeld, dus met voldoende vaardigheden, tijd en ruimte. Liever meer tijd nemen voor doelen die nog niet bereikt zijn dan alvast verdergaan met het volgende doel. En, last but not least, aandacht voor slachtofferschap onder jongens, want een aanzienlijk deel van de jongens in mijn onderzoek rapporteerde dat en het wordt weinig erkend. Het gaat bijvoorbeeld om gezoend worden zonder toestemming, naaktfoto’s die worden doorgestuurd en aanraking op ongewenste plekken. Allemaal even grensoverschrijdend als bij meisjes. Als je gezegd wordt dat je grenzen van meisjes en vrouwen moet respecteren, maar je eigen grenzen worden steeds overschreden zonder dat daar aandacht voor is, dan komt die boodschap mogelijk minder goed aan.”
De meeste jongens zullen natuurlijk nooit met dit programma te maken krijgen. Bij wie ligt de verantwoordelijkheid om die jongens op een goede manier voor te lichten volgens jou?
“Ik denk dat we die taak als hele samenleving dragen. We hebben een norm te stellen. Een handige tool is de piramide van gender- gerelateerd geweld, onlangs ontwikkeld door Atria. Boven in de top staat femicide, maar aan de basis vind je seksistische opmerkingen, uitsluiting en discriminatie van gender- of seksueel diverse personen. Daar ligt de voedingsbodem voor heftigere vormen van geweld. Zolang we het normaal vinden dat emotionele afstandelijkheid, agressie en seksuele activiteit horen bij het man-zijn en dat mannen bovendien rijk en succesvol moeten zijn, dan zullen veel mannen, zeker die met een LVB, daar niet aan kunnen voldoen. Met mogelijk vervelende gevolgen. Om dat te veranderen is een cultuuromslag nodig. En positieve rolmodellen.”
Wat wil je onze lezers meegeven?
“Vergeet niet dat ook jongens ondersteuning nodig hebben bij relaties en seksualiteit en dat ze daar iets over kunnen en meestal ook willen leren. Daarbij is preventief inzetten op een positieve romantische en seksuele ontwikkeling mijns inziens beter dan jongens aanspreken uit angst voor wat ze bijvoorbeeld online tegenkomen, naar aanleiding van een fictief en extreem voorbeeld zoals in de serie Adolescence.”
tekst: Andries Kamminga
foto: Froukje Vernooij
‘Wat kom je doen?’, vraagt de Bulgaarse Nikolay als ik zijn klas binnenkom en naar hem toe loop. ‘Je bedanken voor je armbandje’, zeg ik. ‘Zullen we samen een foto maken?’ Hij ontspant meteen en we gaan lachend op de foto.
Lees meer
We zijn tegelijk begonnen op school. December 2023. Ik mag nog komen kijken of het wat voor me is, Nikolay heeft geen keuze: hij is net vier jaar geworden. Met grote ogen zit hij om zich heen te kijken, zoekend naar houvast. Als ik naast ‘m ga zitten begint hij meteen te praten. Geruststellend terugpraten is het enige dat ik kan doen, echt begrijpen wat hij me probeert te vertellen zit er dan nog niet in.
De eerste maanden maken zijn juf Els en ik ons best zorgen. Hij is veel in zichzelf gekeerd en lijkt zich snel te verliezen in z’n fantasiewereld waar monsters een grote rol spelen. Soms staat hij opeens voor ons, z’n handjes dicht bij elkaar: ‘M’n zusje is zó klein.’ Pas als juf Els op huisbezoek gaat hoort ze dat het zusje zeer prematuur geboren is en het lang onzeker is geweest of ze zou blijven leven.
Het tweede schooljaar zit Nikolay in m’n wekelijkse taalklas en zie ik ‘m tot bloei komen. Zijn taal ontwikkelt zich goed, hij heeft vrienden, is vaak een grote hulp en loopt trots met zijn borst vooruit door de school. Thuis lijkt de rust te zijn neergedaald.
Maar dan komt de volgende klap voor het gezin, vader wordt ziek. Nikolay heeft hierbij verwarrende gevoelens. Hij weet dat het niet goed gaat met z’n vader, maar die is nu wel altijd thuis en dat is fijn. Juf Els heeft het vertrouwen van moeder gewonnen en we worden op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.
Na de zomervakantie blijkt dat er geen behandeling meer mogelijk is. En na de herfstvakantie horen we dat z’n vader is overleden. Nu zit ik naast Nikolay met het armbandje dat hij als afscheid voor me heeft gemaakt.
“Ons huis gaat instorten, dus we verhuizen naar Bulgarije”, zegt hij. Even heb ik de neiging om hem te verbeteren. Maar dan denk ik aan z’n moeder, die ik de afgelopen maanden als brugfunctionaris heb geprobeerd te begeleiden. Bijna twintig jaar heeft ze hier met haar man gewoond. Ze hadden samen een bedrijf en een koophuis. En nu brokkelt alles af. Ze gaat weg voor het instort.
“Hebben jullie een mooi stevig huis bij oma in Bulgarije?”, vraag ik dan maar. “Ja”, zegt hij.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart is orthopedagoog. Hij werkt als brugfunctionaris en leraar op een basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De gebruikte namen zijn gefingeerd.
Wat is er bekend over de effecten van het volgen van speciaal onderwijs op leerlingen? Het Verwey-Jonker Instituut deed hier onderzoek naar, op verzoek van Auris – gespecialiseerd in cluster 2-onderwijs. Meer aandacht voor sociale inclusie en extra aandacht bij de wisseling van speciaal naar regulier onderwijs lijken nodig.
Lees meer
Sinds de invoering van de Wet passend onderwijs in 2014 hebben scholen een zorgplicht om een passende onderwijsplek te bieden aan alle leerlingen, inclusief die leerlingen die extra begeleiding en ondersteuning nodig hebben (inclusief onderwijs). Naast regulier onderwijs is er speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. In 2024 ging 4,8% van de leerlingen in het primair onderwijs naar het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs. In het voortgezet speciaal onderwijs was dat 4,1%.1
Het onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut2 betreft het gehele cluster 2-onderwijs in Nederland, niet alleen van Auris. Het onderzoek, dat bestaat uit literatuuranalyse, data-analyse en beleidsanalyse, geeft een genuanceerd beeld van de impact van speciaal onderwijs op leerlingen, dat per domein verschilt. De overkoepelende conclusie is dat leerlingen die regulier onderwijs volgen, met ondersteuning vanuit het speciaal onderwijs, gemiddeld beter scoren op schoolprestaties, schoolloopbaan en werk en inkomen, vergeleken met leerlingen in het speciaal onderwijs. Selectieve plaatsing is hier een gedeeltelijke verklaring voor: leerlingen in het speciaal onderwijs hebben vaak complexere ondersteuningsbehoeften. Voor sociale uitkomsten en welbevinden – zoals sociale vaardigheden, de relatie met leeftijdsgenoten en de leraar-leerling relatie – lopen de resultaten meer uiteen. Kleine groepen en een omgeving met leerlingen met vergelijkbare ondersteuningsbehoeften hebben mogelijk positieve effecten. Met name de relaties met andere leerlingen lijken leerlingen in het speciaal onderwijs positiever te ervaren dan in het reguliere onderwijs met extra ondersteuning. Een opvallende conclusie is dat wisseling tussen speciaal en regulier onderwijs (naar beide kanten) in het algemeen niet positief uitwerkt. Dit onderstreept het belang van stabiliteit en gerichte ondersteuning. De resultaten laten zien dat versterking van zowel inclusief als speciaal onderwijs nodig is, plus ondersteuning van de overgang van speciaal naar regulier onderwijs.
Over het onderzoek en de resultaten praat ik door met Bas Tierolf, orthopedagoog en senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en Annelies de Leeuw, hoofd beleid, kwaliteit, onderzoek en innovatie bij Auris. Annelies de Leeuw legt uit dat cluster 2-onderwijs, waar Auris zich op richt, bedoeld is voor leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis en voor dove en slechthorende leerlingen. Bij alle leerlingen vraagt hun communicatieve participatie extra aandacht en dus ondersteuning. Ze vertelt dat Auris, naast speciaal onderwijs, ambulante dienstverlening biedt waarbij specialistische kennis naar de reguliere scholen gebracht wordt. “Bij elke aanmelding kijken we secuur wat de onderwijs-ondersteuningsbehoefte is van een leerling: wat heeft de leerling nodig om zich goed verder te kunnen ontwikkelen?
De ambulante dienstverlening is niet alleen gericht op de leerling zelf, maar ook op de leerkracht en mogelijke aanpassingen in bijvoorbeeld didactiek. Het doel is om kennis duurzaam naar het onderwijs te brengen. Aanleiding voor het onderzoek was de vraag wat er precies bekend is over de effecten van langdurig volgen van gespecialiseerd onderwijs op de cognitieve en de sociaal-emotionele ontwikkeling.” Voor onderzoeker Bas Tierolf was de grootste verrassing dat de wisseling van speciaal onderwijs naar regulier onderwijs een negatief effect heeft. Een wisseling moet daarom altijd zorgvuldig begeleid worden, vindt hij. “Kinderen stappen over naar het regulier onderwijs op basis van verwachtingen over de mogelijkheden die dat biedt voor hun ontwikkeling, terwijl het onderzoek laat zien dat kinderen juist meer moeite hebben met zo’n overgang.”
Volgens Annelies is het onderzoek enerzijds een bevestiging van waar Auris al mee bezig was: specialistische kennis naar het regulier onderwijs brengen. Anderzijds is het een verdieping van hoe er al nagedacht wordt over de overgang van speciaal naar regulier onderwijs. “Auris gaat hier zorgvuldig mee om. Er wordt altijd gekeken of een kind met ondersteuning op de eigen school kan blijven en een terugplaatsing wordt zorgvuldig begeleid. Kinderen krijgen altijd een arrangement mee bij deze overgang, zodat er een warme overdracht is van de onderwijsleerbehoeften.”
Een andere verdieping is dat de focus niet alleen moet liggen op de cognitieve ontwikkeling, maar ook op sociale inclusie. Recent heeft Auris een werkproces ontwikkeld met ondersteunend materiaal voor ouders, zodat zij inzicht krijgen in wat een overgang betekent voor hun kind.
Hoewel resultaten niet zomaar generaliseerbaar zijn naar scholen in andere clusters, lijkt de wisseling van speciaal naar regulier onderwijs en de aandacht voor sociale inclusie wel voor alle scholen van groot belang. Adviezen van Bas en Annelies zijn dan ook hier op gericht:
tekst: Marleen Baeten
foto: Koninklijke Auris Groep
1 www.ocwincijfers.nl/themas/passend-onderwijs/leerlingaantallen
2 www.verwey-jonker.nl/publicatie/effecten-langdurig-volgen-speciaal- onderwijs-op-leerlingen-en-hun leven
Cluster 3 en 4 scholen zijn onderdeel van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, waarbij scholen voor regulier onderwijs en speciaal onderwijs samenwerken om de zorgplicht te vervullen. Cluster 1 en 2 zijn landelijk georganiseerd. Leerlingen binnen cluster 1 en 2 kunnen naar een school voor speciaal onderwijs of krijgen ambulante ondersteuning van de cluster 1 of 2 school.
bron: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs/speciaal-onderwijs
Het Jeugd Expertise Punt – kortweg JEP – Veendam is een samenwerkingsverband waarin onderwijs, jeugdhulp, het medische en sociale domein elkaar vinden. De eigenzinnige aanpak van JEP heeft geleid tot het verdwijnen van wachtlijsten, een verlaging van de kosten en een vermindering van crisissituaties. Een gesprek met twee betrokkenen: Lisse Wesselink, orthopedagoog bij Team050 en Maarten Wetterauw, directeur algemene zaken bij Molendrift.
Lees meer
Lisse Wesselink, orthopedagoog bij Team050 in Groningen. Team050 biedt ambulante begeleiding aan kinderen en jongeren, thuis, op school of op een andere plek.
Maarten Wetterauw, directeur algemene zaken bij Molendrift, een specialistische zorgorganisatie in Groningen die hulp biedt aan kinderen, jongeren en volwassenen die vastlopen in het dagelijks leven.
Sinds gemeenten vanaf 2015 verantwoordelijk zijn voor jeugdhulp, hebben de problemen zich in veel gemeenten opgestapeld. Er is sprake van een wildgroei van aanbieders, lange wachtlijsten en oplopende financiële tekorten. Een op de zeven Nederlandse kinderen en jongeren maakt jaarlijks gebruik van jeugdhulp, wat de houdbaarheid en continuïteit van het stelsel sterk onder druk zet.
In Veendam is voor een aanpak gekozen om het tij te keren. De gemeente besloot alle ambulante jeugdhulp te beleggen bij het Jeugd Expertise Punt (JEP) Veendam, een samenwerkingsverband van zes organisaties voor jeugdhulp.1 Een van de opvallendste elementen van de aanpak van JEP is dat de specialisten ‘naar de voorkant’ zijn gehaald; op iedere school, in iedere kinderopvang en in iedere huisartsenpraktijk in de gemeente is één dag(deel) per week een orthopedagoog of psycholoog aan het werk.
Lisse Wesselink en Maarten Wetterauw werken beiden voor een JEP-partner: Lisse voor Team050, met name gericht op ambulante begeleiding en Maarten voor Molendrift, met de focus op behandeling.
Wat was de aanleiding om de jeugdhulp in Veendam anders in te richten en hoe hebben jullie de gemeente daarin mee gekregen?
Maarten: “Zoals in zoveel gemeenten stond ook hier in het noorden de jeugdhulp onder druk. In Veendam en omstreken waren er 220 aanbieders van jeugdhulp. Dat was de aanleiding voor wethouder Ans Grimbergen om het anders te willen doen. We zijn met een aantal partijen bij elkaar gaan zitten om te bespreken hoe we het beter kunnen inrichten. Dat heeft behoorlijk wat voeten in aarde gehad, maar uiteindelijk is de aanpak ontstaan zoals JEP die nu in praktijk brengt.
JEP is niet alleen verantwoordelijk voor de ambulante jeugdhulp, maar ook voor het budget. De zes deelnemende partijen in JEP zijn dus risicodragend. Niet iedereen wilde dat. De zes werken nauw samen met acht andere jeugdhulp aanbieders, die niet risicodragend zijn, maar zich wel conformeren aan de JEP-werkwijze. In 2023 is JEP van start gegaan. In het begin hadden we wat aanloopproblemen, maar de wethouder is ons altijd blijven verdedigen. Die volhardende visie vanuit de gemeente is voor ons erg belangrijk geweest.”
‘Eerder is kleiner’ is een van de principes van de werkwijze van JEP, waarmee wordt bedoeld dat hoogopgeleide professionals eerder betrokken raken.
Maarten: “We hebben een uitgebreide data-analyse gedaan voordat we begonnen en daaruit bleek dat wachten op passende hulp de problemen vaak alleen maar groter maakt. Veel kinderen en jongeren zaten drie, vier jaar in de zorg, waarbij ze allerlei soorten hulp kregen en van de ene aanbieder naar de andere gingen. Dat werkte niet, en zorgde tegelijkertijd voor financiële stress bij de gemeente. Die stress wilden we eruit halen. Dus hebben we gezegd: we zetten die hoogopgeleide professional aan de voorkant en maken de toegang tot die professional heel laagdrempelig. De problemen zijn dan vaak nog klein en ouders durven zelf met tips aan de slag te gaan.”
Lisse: “Als orthopedagoog werk ik een dag per week op een basisschool en een dag in een huisartsenpraktijk. Ouders kunnen mij gewoon benaderen als ze ergens mee zitten en dan gaan we meteen aan de slag. We werken dus niet meer met verwijzers of wachtlijsten.”
Maarten: “Normaal gesproken komen cliënten eerst bij een loket, maar nu meteen bij een gedragswetenschapper zoals Lisse. Inmiddels weten we dat Lisse en haar collega’s zo’n zestig procent van de hulpvragen in gemiddeld vier gesprekken kunnen afhandelen, zonder dat verdere hulp nodig is.”
Lisse: “Laatst kwam er een moeder overstuur bij me binnen omdat haar zoontje die ochtend thuis helemaal door het lint was gegaan. Het helpt vaak al enorm als ouders hun verhaal bij me kwijt kunnen. Ik probeer als het even kan te normaliseren, bijvoorbeeld door te zeggen dat een driftbui er soms gewoon bij hoort. En dan geef ik wat praktische tips. Als het echt nodig is, gaan we natuurlijk wel wat opstarten. Maar juist omdat je er zo vroeg bij bent, kun je in veel gevallen aan preventie doen. Daarom hebben wij geen wachtlijsten; we kunnen veel vragen klein houden. Als dat niet voldoende is, kan ik zelf bijvoorbeeld ook kortdurende behandeling bieden. Bij ingewikkelder vragen verwijs ik heel gericht door naar bij JEP aangesloten aanbieders, die het ook weer wachttijdvrij oppakken.”
De verklarende analyse speelt een belangrijke rol bij de JEP-aanpak. Hoe werkt dat?
Lisse: “Het is cruciaal om goed te snappen wat er speelt, niet alleen bij het kind maar ook in het gezin. In de verklarende analyse beschrijf je wat er aan de hand is en benoem je de interventies die je gaat inzetten, het is dus een beschrijvende vorm van diagnostiek. Dat doe je samen met kinderen, ouders en anderen die een rol spelen. Pas als je het met elkaar eens bent over de aanpak en iedereen gemotiveerd is, kun je resultaten boeken. En blijkt de hulp na een tijdje niet voldoende aan te slaan, dan sturen we ouders niet door naar een andere aanbieder, maar gaan we samen terug naar de verklarende analyse. Juist in het begin vertragen we het proces bewust om die analyse zo goed mogelijk op papier te krijgen.”
Maarten: “Het is dus eigenlijk versnellen én vertragen. Er is geen wachtlijst meer, dus je bent snel aan de beurt. Maar we zijn wel zorgvuldig bij het opstellen van de verklarende analyse. Want je moet het met elkaar eens worden over waar je naartoe wilt, het moet echt een gedeeld document zijn. Met resultaat, want de hulp is veel vaker in één keer goed.”
Hoe zijn de vergoedingen geregeld, bijvoorbeeld met de scholen?
Maarten: “We brengen ook veel kennis bij de schoolteams. Normaal gesproken ontstaat er discussie over wie er moet betalen als je wilt opschalen. Zijn dat de scholen, is dat de gemeente? Die discussie kennen we niet. Jeugdhulp die vroeger alleen poliklinisch werd geboden, bieden wij nu bij mensen thuis, op school en bij huisartsen. Dus Lisse zit er ook gewoon voor de leerkrachten.”
Lisse: “Laatst viel me op dat er meer ouders met vragen kwamen over driftbuien bij kleuters. Na overleg met de intern begeleider hebben we besloten om binnenkort een voorlichtingsavond te organiseren voor ouders, waar we tips en adviezen kunnen geven. Dat vind ik zo tof aan mijn rol: ik kan zelf bepalen wat nodig is. Inmiddels heb ik een goede band opgebouwd met de leerkrachten, intern begeleiders, schoolmaatschappelijk werk en de directeur. Dat maakt dat ze echt open staan voor tips en adviezen.”
Maarten: “Dat was in het begin best even wennen voor de schoolmaatschappelijk werkers en andere professionals op de scholen. Zij dachten: wat komen die gedragswetenschappers hier nu doen?! Als je uitlegt dat het geen concurrenten zijn, maar dat ze komen helpen en specialistische kennis toevoegen, dan gaan schoolteams die aanwezigheid van de orthopedagoog al snel als een cadeautje zien.”
JEP Veendam draait sinds 1 april 2023. Wat zijn de belangrijkste resultaten?
Maarten: “De wachtlijsten zijn verdwenen. We zitten tien procent onder het kostenniveau van 2021. Er is bijna geen schooluitval meer en we kunnen steeds meer uithuisplaatsingen voorkomen. Niet onbelangrijk is dat de professionals meer plezier hebben in hun werk en dat er veel positieve media-aandacht is voor Veendam. Dat is wel eens anders geweest, want Veendam stond lange tijd op de tweede plek van gemeenten waar het vaakst gebruik werd gemaakt van jeugdhulp. Nu we de jeugdhulp met relatief weinig partijen hebben georganiseerd, weten we elkaar als professionals ook veel makkelijker te vinden. Dat werkt erg prettig.”
JEP Veendam werkt samen met Team Jeugd. JEP is er voor de ambulante jeugdhulp terwijl Team Jeugd om de hoek komt kijken als er meer nodig is, bijvoorbeeld dagbehandeling of pleegzorg. Hoe is die samenwerking?
Lisse: “Heel fijn, want de lijnen zijn kort. Soms begint iets ogenschijnlijk klein – een leerling die niet lekker in zijn vel zit bijvoorbeeld – maar dan blijkt er veel meer achter te zitten, denk aan een onveilige thuissituatie. Dan pak ik het samen op met Team Jeugd en trek ik op met de casemanager. Ik heb die rol zelf niet, maar houd wel de vinger aan de pols en check of we nog steeds met elkaar achter de verklarende analyse staan. Dus ik blijf betrokken.”
Maarten: “En juist dat is nu zo bijzonder. Ouders worden niet elke keer doorverwezen, waardoor ze steeds weer opnieuw hun verhaal moeten vertellen. Lisse blijft hun aanspreekpunt.”
Jullie boeken klinkende resultaten en hebben al verschillende prijzen gewonnen voor de manier waarop de jeugdhulp in Veendam is ingericht. Hoe kijken andere gemeenten naar jullie?
Maarten: “Er is veel belangstelling. We organiseren webinars voor andere gemeenten, of ze komen bij ons op bezoek. Maar mensen zeggen dan toch ook vaak: Mooi hoe jullie het geregeld hebben, maar bij ons werkt het toch anders. Steeds vaker bieden we dan aan om mee te denken. Zelf staan we ook niet stil en denken we na over hoe we het model kunnen doorontwikkelen. Ik zou het bijvoorbeeld mooi vinden ook de volwassen-ggz te betrekken. Daar zijn de wachttijden nog enorm, dus ook daar zou ik graag aan de slag willen met wachttijdvrij werken.”
Lisse: “Ik vind het sowieso heel leuk om over JEP te vertellen en anderen te inspireren. Juist omdat we zelf iedere dag merken hoe goed het werkt.”
![]()
Hebben jullie nog tips voor orthopedagogen?
Lisse: “Natuurlijk hebben wij geluk met een gemeente die visie heeft en die echt durft te veranderen. Maar dan nog loop je soms tegen het systeem aan en heb je te maken met protocollen en financiële grenzen. Ik zou iedereen willen meegeven: durf af en toe buiten de lijntjes te kleuren. Wees creatief in het bedenken van oplossingen en inspireer elkaar. Samen kun je ervoor zorgen dat de jeugdhulp kleiner, beter en leuker wordt – net als hier in Veendam.”
Maarten: “Je kunt alleen succesvol zijn als gemeente en jeugdhulpaanbieders elkaar kennen en vertrouwen. Is dat vertrouwen er niet, dan moet je daar eerst aan werken.”
tekst: Raymond Krul
foto: Marleen Annema
Stel je voor: je houdt een kledingstuk in je handen en je bekijkt het label. Daar staat van alles op: katoen, 30 graden wassen, made in Bangladesh. Interessant, denk je. Je weet nu iets over het materiaal en waar het vandaan komt. Maar weet je ook wat voor kledingstuk je vasthoudt?
Is het een trui of een jurk? Heeft het gaten die zorgvuldig zijn dichtgemaakt, of is het gloednieuw? Welke kleur heeft dit kledingstuk? Is het iemands lievelingskleding die vaak gedragen wordt, of ligt het meestal achterin de kast? Alleen op basis van het label kun je daar niets over zeggen.
En stel je voor dat je het kledingstuk wil wassen. Het label zegt: niet in de droger. Maar wat als het altijd nat op een koude zolder hangt te drogen? Of elke dag haastig wordt gewassen in een overvolle machine? Wordt het wel of niet gestreken? Zelfs met een perfect label weet je nog niet hoe het kledingstuk in het dagelijks leven behandeld wordt en welke effecten dat heeft – en dus ook niet wat het nodig heeft.
Zo is het ook met kinderen in de diagnostiek. Een classificatie zoals ASS of ADHD geeft ons wellicht enige informatie, maar het vertelt ons niet wie het kind is. Hoe het in elkaar zit, wat het fijn vindt, hoe de omgeving met hem of haar omgaat, of waar mogelijkheden voor groei liggen. Het label is een beginpunt, geen eindpunt en soms zelfs niet nodig.
Als we werkelijk willen begrijpen wat een kind nodig heeft, moeten we verder kijken dan het label. Pas dan kunnen we zorg op maat bieden – zorg die past als een fijn zittend kledingstuk.
tekst: Rianne Manenschijn
tekening: Danibal
Geïnspireerd door: www.zijaanzij.info/wat-zegt-een-etiket
VIPP-LD is een videofeedback opvoedinterventie voor ouders met verstandelijke beperkingen. Marja Hodes, werkzaam bij zorgorganisatie ASVZ, deed promotieonderzoek naar VIPP-LD en ontving een implementatiesubsidie van ZonMw om deze behandeling breder beschikbaar te maken. Voor de Pedagoog doet zij verslag.
Lees meer
Ouders met verstandelijke beperkingen krijgen vaak te maken met stigma en vooroordelen. Het VN-verdrag Handicap uit 2006 geeft in artikel 23 aan dat mensen met beperkingen het recht hebben om een eigen gezin te starten en roept zorgprofessionals op tot goede ondersteuning van ouders met beperkingen.
Verschillende studies laten zien dat ouders met verstandelijke beperkingen goed in staat zijn opvoedvaardigheden te leren en hun opvoedgedrag te verbeteren. Drie beschermende factoren spelen daarbij een rol: het durven vragen en kunnen accepteren van hulp, het aanbieden van evidence-based opvoedinterventies en het kunnen terugvallen op een steunend sociaal netwerk. Op deze beschermende factoren baseerde het onderzoeksconsortium ‘Wat werkt voor ouders met verstandelijke beperkingen’ (Vrije Universiteit, Amsterdam) een grootschalig onderzoek.
Een van de deelstudies bestond uit het op maat maken – en uittesten – van de reeds effectief gebleken interventie VIPP- SD, Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting and Sensitive Discipline,1 naar een interventie voor ouders met verstandelijke beperkingen. Voor deze groep was nog geen opvoedinterventie voorhanden die inspeelt op sensitiviteit en gehechtheid. Terwijl voor elk kind een veilige basis belangrijk is voor positieve kansen in zijn verdere leven.
Reden om VIPP-LD2 te ontwikkelen en onderzoeken, waarbij LD – Learning Difficulties – staat voor moeilijk lerend. Uit mijn promotieonderzoek bleek dat voor de totale groep ouders met verstandelijke beperkingen de opvoedstress daalde en dat ouders met laag adaptief vermogen het meeste profiteerden van VIPP-LD. Inmiddels is in diverse publicaties vastgesteld dat de interventie waardevol is voor ouders met verstandelijke beperkingen.
VIPP-LD is een opvoedinterventie, gebaseerd op de gehechtheidstheorie, waarbij ouders met verstandelijke beperkingen met behulp van videofeedback leren om sensitief en responsief te reageren op het (moeilijke) gedrag van hun kind. Ouders met kinderen tussen de 0 en 8 jaar leren hun kind te observeren om beter te begrijpen wat er in hun kind omgaat. Verder krijgen ze meer kennis over wat er bij de leeftijd van hun kind hoort en wordt er gewerkt aan het verlagen van opvoedstress.
De behandeling vindt thuis in het gezin plaats, tijdens zestien huisbezoeken in ongeveer vier maanden. In het ene huisbezoek worden er video-opnames gemaakt (filmbezoek) en in het volgende huisbezoek krijgen ouders op opbouwende wijze feedback op deze opnames (praatbezoek). De video-opnames zijn van alledaagse momenten, zoals spelen, eten, of een situatie die ouders lastig vinden.
VIPP-LD is bij voorkeur een bouwsteen in een groter ondersteuningsprogramma met zowel praktische als pedagogische ondersteuning voor ouders met verstandelijke beperkingen. Dit is ook het geval bij Priscilla in de casusbeschrijving (zie kader).
tekst: Marja Hodes
Priscilla (29 jaar) is een alleenstaande moeder met een lichte verstandelijke beperking (IQ:68; significante beperkingen in sociaal adaptief vermogen). Ze woont in een achterstandswijk van een grote stad. Priscilla heeft zelf een geschiedenis van jeugdzorgplaatsingen. Haar oudste zoon van 12 woont niet meer thuis, hij is destijds uit huis geplaatst vanwege huiselijk geweld en drugsgerelateerde problematiek. Haar dochter van 6 en zoon van 3 jaar staan onder OTS. Priscilla is zeer wantrouwend tegenover hulpverlening.
Priscilla krijgt verschillende soorten ondersteuning. Er is hulp bij de opvoeding en het runnen van haar huishouding, hulp bij de post en financiën, het opbouwen en onderhouden van een steunend sociaal netwerk, het vinden van zinvolle dagbesteding en behandeling voor haar persoonlijke problematiek (PTSS en clean blijven).
Priscilla vindt het opvoeden van haar kinderen zeer stressvol.
Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van haar jongste zoon Frenkie van 3 jaar. Hij heeft driftbuien, luistert niet, gooit met spullen en praat weinig. Priscilla krijgt VIPP-LD aangeboden met als doel de opvoedstress te verlagen en positieve ouder-kind interacties te stimuleren.
Bij de introductie van VIPP-LD geeft Priscilla aan dat ze het heel spannend vindt. Maar ook dat ze bang is dat de video-opnames tegen haar gebruikt kunnen worden en dat Frenkie uit huis geplaatst kan worden. De VIPP-LD behandelaar, Els, laat een filmpje zien van een moeder die zelf VIPP-LD heeft gehad en daar heel enthousiast over is. Deze moeder vertelt dat je niet bang hoeft te zijn dat de video-opnames in een rechtszaak gebruikt worden. Dit helpt Priscilla. Ze geeft aan het wel te willen proberen.
Voor Priscilla is een goede planning van het VIPP-LD traject belangrijk. Ze heeft veel afspraken voor haar kinderen en voor haar eigen behandeling. Els introduceert een kalender waar alle huisbezoeken visueel zijn gemaakt met pictogrammen.
Het bezoek met video-opnames (filmbezoek) is weergegeven met een camera-pictogram. Voor de huisbezoeken met het bekijken en bespreken van de opnames (praatbezoek) is er een televisie-pictogram. Vanwege haar drukke programma is Priscilla bang om afspraken te vergeten. Daarom zal Els een halfuur van tevoren een spraakbericht via WhatsApp versturen om Priscilla aan de afspraak te herinneren. Priscilla ervaart dit als zeer ondersteunend en mist uiteindelijk geen enkele afspraak.
Voor ouders met verstandelijke beperkingen is het niet makkelijk om zich te verplaatsen in het perspectief van hun kind. Daarom is de techniek Speaking for the Child – het ‘ondertitelen’ van het gedrag van een kind – een centraal onderdeel van elk huisbezoek. De eerste sessies richten zich op gehechtheid versus exploratie. Het doel is te ontdekken wanneer het kind troost en bescherming zoekt en wanneer het kind ruimte en stimulering nodig heeft om zelf spelend op ontdekkingstocht te gaan. Veel aandacht gaat uit naar het leren observeren van je kind. Wat zou er in zo’n koppie omgaan en hoe kun je dat zien?
Bij de video-opname krijgt Frenkie LegoDuplo aangeboden. Frenkie gooit de hele doos leeg en bestudeert alle blokken die voor hem liggen. Priscilla wil hem helpen en pakt twee blokken, doet ze op elkaar en geeft deze aan Frenkie. Hij wordt boos, roept ‘nee’ en gooit de blokken weg. Priscilla schuift daarop alle blokken naar Frenkie toe en doet haar armen over elkaar. Haar gezicht staat op onweer en ze houdt haar lippen stijf op elkaar.
Bij de feedbacksessie, het praatbezoek, vertelt Priscilla dat dit altijd zo gaat. Ze voelde zich erg afgewezen. Ze deed zo haar best om te helpen, maar kreeg stank voor dank.
Bij VIPP-LD wordt gebruik gemaakt van micro-analyses waarbij het videobeeld wordt stilgezet en er een soort frozen picture ontstaat. Zo kun je samen naar het beeld kijken en ontdekken wat er precies gebeurt.
Priscilla vindt het spannend om naar de video-opname te gaan kijken. We zien het enthousiasme dat van Frenkie afstraalt om met de Duplo te gaan spelen. Bij het terugkijken blijkt de boosheid van Frenkie van korte duur te zijn. Als moeder de blokken meteen erna naar hem toeschuift, zien we een stralende lach van oor tot oor en kijkt hij haar opgetogen aan. Dit is het moment dat Els de video pauzeert. Met Speaking for the child geeft ze duiding en zegt namens Frenkie: “Dank je wel, mam!” Vervolgens zien we dat Frenkie zelf aan de slag gaat met de blokken. Els legt moeder uit dat dit precies de goede hulp was om Frenkie op weg te helpen.
Frenkie plaatst vier blokken op een frame met wielen. Hij roept enthousiast naar zijn moeder: “Auto!” Priscilla lacht terug. Els pauzeert de video en zegt: “Jij bent zo belangrijk voor Frenkie. Door te lachen naar hem, weet hij dat jij trots op hem bent dat hij zelf zo’n mooie auto heeft gemaakt.”
Daarna laat Frenkie zijn auto een rondje rijden. Weer pauzeert Els en vertelt moeder: “Kijk eens, hij laat je zien dat die ook echt kan rijden!” Moeder krijgt tranen in haar ogen en is erg geraakt door alle complimenten. Ze vertelt dat dit de eerste keer was dat Frenkie bleef zitten en iets ging bouwen. En dat dit niet eindigde in een enorme driftbui. Ze dacht dat Frenkie haar expres zat te pesten. Nu begrijpt ze dat hij heel graag zélf wilde spelen. Maar wel in de buurt van mama.
Voor elke ouder maken we een persoonlijk ontdekboek met foto’s en quotes uit behandelsessies. Zo krijgen ouders foto’s van belangrijke momenten met hun kind. Dit helpt om hun rugzak te vullen met nieuwe ontdekkingen en handelingsmogelijkheden.
Van deze sessie kiest Els drie foto’s (frozen pictures) om te printen. Eén moment waarop Frenkie zijn moeder enthousiast aankijkt als ze alle blokken naar hem toeschuift, een tweede moment waarop Frenkie zijn auto aan moeder laat zien en een derde moment waarop moeder naar Frenkie lacht. Onder de foto’s worden quotes geschreven. Priscilla heeft moeite met lezen. Els gebruikt daarom een- en tweewoordzinnen: ‘Dankjewel!’ bij de eerste foto, ‘Zelf gemaakt’ bij de tweede en ‘Supertrots’ bij de derde foto. Deze woorden kan Priscilla lezen.
Bij het volgende bezoek straalt Priscilla. Ze heeft elke dag het ontdekboek bekeken. Verder vertelde ze op de kinderopvang dat Frenkie thuis zo leuk met Duplo had gebouwd. Ze kreeg complimenten van zijn juf en mocht een doos Duplo lenen om thuis mee te spelen.
Priscilla was zeer gemotiveerd om door te gaan met VIPP-LD en heeft deze succesvol afgerond.
Marja Hodes, NVO-lid, is werkzaam als klinisch psycholoog en orthopedagoog- generalist bij ASVZ, een zorgorganisatie binnen de gehandicaptenzorg die onder andere ondersteuning biedt aan gezinnen met ouders met verstandelijke beperkingen.
Informatie over de opleiding in VIPP-LD en voorwaarden voor implementatie en borging is verkrijgbaar bij Marja Hodes: mhodes@asvz.nl.
In een tijd waarin ouders worden overspoeld met opvoedadvies, van gentle parenting tot liefdevolle verwaarlozing en alles daar tussenin, is één ding duidelijk: je doet het als ouder nooit goed genoeg.
Lees meer
Opvoeden is stressvol en reuze ingewikkeld geworden. Bijna de helft van alle ouders ervaart opvoeden als zwaarder dan ooit. ‘We willen gewoon dat ons kind gelukkig is’, merkt menig wanhopig ouder op in mijn jeugd ggz-praktijk. En dat is best lastig in onze hypernerveuze samenleving vol hoge verwachtingen, snelle veranderingen en maatschappelijke druk.
Sinds de jaren negentig is opvoeden veranderd van iets wat je er gewoon bij deed, naar hét levensproject dat moet slagen. De vanzelfsprekende steun van de gemeenschap is veelal weggevallen waardoor ouders er vaker alleen voor staan. De maakbaarheid overheerst. Gaat het niet goed met je kind? Dan ligt dat aan de ouders, de school of het kind zelf. En de maatschappij, wanneer gaat die eens in behandeling?
Welk tegengeluid kunnen wij als orthopedagogen laten horen om ouders juist nu hun vertrouwen terug te geven? Laten we vooral beginnen bij de essentie: kinderen hebben geen perfecte opvoeder nodig, maar gewoon ouders. Mensen die het goed bedoelen, vanuit liefde handelen en soms de mist in gaan. Elke opvoeding kent momenten van uitbarsting en controleverlies. De kracht zit hem juist in het repareren van de breuk, erop terugkomen en samen opnieuw beginnen. Niemand is elke dag de beste versie van zichzelf. Sterker nog: kinderen gedijen beter bij ontspannen ouders die zichzelf zijn. Natuurlijk is het als ouder gezond om te blijven leren, maar opvoeden is geen wedstrijd of examen.
Ouders vergelijken hun eigen gezinsleven onbewust met hoogtepunten van andere gezinnen op sociale media. Dat vergelijken voert de druk alleen maar op, terwijl het gezinsleven voor iedereen lang niet zo perfect is als het lijkt. (Kleine aanbeveling: Ouders, haal die socials van je telefoon!)
Een andere belangrijke boodschap: doe het niet alleen. Hulp vragen is geen zwakte. Zoek je village op en betrek anderen bij de opvoeding van je kind. Niet alleen opa’s en oma’s, maar ook vrienden, kennissen of buren. Opvallend genoeg laten onderzoeken zien dat ouders bij problemen eerder een psycholoog bellen dan een vriend. Terwijl een eerlijk gesprek zo veel kan betekenen.
Tot slot stel ik voor dat wij orthopedagogen de boer op gaan met een vierde R. Naast Rust, Reinheid en Regelmaat hoort de R van relativeren. ‘Ook dit gedrag van mijn kind hoort erbij. Het komt wel goed. Ik doe mijn best en meer kan ik niet doen. Mijn kind is oké zoals het is.’ Opvoeden en opgroeien gaat nu eenmaal met vallen en opstaan. Als het thuis vaak goed gaat, is dat goed genoeg. Punt.
tekst: Kina Smit
Orthopedagoog-generalist Kina Smit heeft een eigen jeugd ggz-praktijk en werkt daarnaast als docent, auteur en spreker. In oktober 2025 kwam haar boek uit: Opvoeden, het hoeft niet zo perfect – Ontspannen ouderschap in een hectische tijd.

Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Het recht op de dag van vandaag bevat bijdragen van professionals op het gebied van opvoeding en onderwijs, onder redactie van Arie de Bruin. Vanuit diverse invalshoeken – pedagogiek, onderzoek, onderwijs, filosofie en kinderrechten – zetten zij uiteen waarom het gedachtegoed van Korczak juist nu aandacht nodig heeft.
De auteurs onderstrepen het belang om kinderen te zien in het hier en nu, als volwaardig en geen ‘personen in wording’. De huidige maatschappij is sterk gericht op de toekomst en op het controleren daarvan. Dit werkt door in opvoeding en onderwijs: van een focus op presteren tot aan de keuze voor bepaald speelgoed – want: ‘goed voor later’. Maar juist door kinderen serieus te nemen in hun initiatieven om bij te dragen aan de samenleving, krijgt hun ‘zijn’ in het hier en nu betekenis en komt ontwikkeling op gang. En dat draagt weer bij aan ‘later’.
Het boek is omschreven als ‘een prachtige inspiratiebron voor iedereen die dagelijks met kinderen omgaat!’ Zo laat het zich ook lezen: kies een bijdrage en laat je inspireren. Neem opgedane inzichten mee naar de werkdag van morgen, zodat je de kracht van de dag van vandaag niet uit het oog verliest.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Het recht op de dag van vandaag. Een grondrecht voor ieder kind (2025) van Arie de Bruin (red) is een uitgave van SWP, namens de Janusz Korczak Stichting.
Met een zucht sla ik het boek dicht. Wat een verhaal! Eerst lijkt het wat te veel fictie; in een stadje wordt een jong meisje hoog in een boom gevonden, ze praat niet en komt met geen mogelijkheid naar beneden. Ze kan wel huilen als een wolf. Zou ze opgegroeid zijn tussen de wilde dieren?
De hulp van psychiater Julia Cates wordt ingeroepen om te achterhalen wat er met dit meisje aan de hand is en wat zij nodig heeft. Met haar geduld mag Julia letterlijk en figuurlijk steeds een stapje dichterbij komen. Er komt contact, er ontstaat verbinding. Julia merkt dat ze naast hulpverlener ook als mens van dit meisje is gaan houden. En dan staat er een man voor de deur die beweert dat hij de vader van het meisje is…
Deze roman geeft inzicht in hoe je als hulpverlener een kind kan benaderen als het vol angst zit vanuit heftig trauma. Hulpverlener zijn is niet alleen een baan, taak of rol. Het is onderdeel van jou als mens en je kan en mag geraakt worden. Julia kan al haar kennis en theorieën erop naslaan, maar uiteindelijk bereikt zij juist haar doel door zichzelf te zijn. Met tijd, geduld en oprechte aandacht ontstaat er verbinding. En ik moet nog steeds een beetje bijkomen van de kracht en het belang hiervan. Zucht!
tekst: Laura van Wijnen
Als de wolven huilen (2024) van Kristin Hannah is een uitgave van Boekerij. De oorspronkelijke titel is Wild.
Paul van der Ham, eigenaar van een mediabureau, heeft een podcast gemaakt op basis van zijn eigen ervaringen. Hij behoort tot de ouders van de (volgens het CBS 1 op de 5) kinderen die na een scheiding het contact verliezen met één van hun ouders. Om te begrijpen hoe het zo ver heeft kunnen komen, spreekt
hij met andere ouders en kinderen (inmiddels jongvolwassenen) over toen en nu. En met deskundigen zoals een familierechter, forensisch psychiater, pedagoog verbonden aan het Vader Kennis Centrum en een advocaat.
Van der Ham wil niet overkomen als slachtoffer die zijn gelijk wil halen. Natuurlijk hoor je tussen de regels door zijn eigen pijn. Maar hij toont oprechte interesse in de vaders – en steeds vaker moeders – die het contact met hun kind(eren) verliezen. Door alle ervaringsverhalen en interviews met experts, concludeert hij dat het systeem van rechtspraak en hulpverlening wringt.
Zo zegt forensisch psychiater en onderzoeker Corine de Ruiter dat er meer en vooral degelijker systemisch onderzoek moet plaatsvinden wanneer kinderen aangeven geen contact meer te willen met een van hun ouders.
Pedagogen en andere (jeugdzorg)professionals kunnen lessen trekken uit deze podcast. Echt luisteren, zonder je oordeel al klaar te hebben. Dat zou zowel kinderen als ‘verstoten’ ouders geholpen hebben. Ook wordt duidelijk dat echtscheidingsproblematiek nooit één waarheid kent. Behalve dat wanneer kinderen na een scheiding het contact verliezen met een van hun ouders, er vooral slachtoffers zijn.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Papa, ik wil je nooit meer zien is geproduceerd door iGlow en RTV Oost en te beluisteren via podcast-apps.
‘Omdat al jouw beslissingen en gevoelens rondom dit thema er mogen zijn. In de wetenschap dat het niet altijd een keuze is.’ Nieuw leven & psychische kwetsbaarheid van Annemiek Lely (schrijver, podcastmaker en ervaringsdeskundige) start empathisch en deze toon houdt het hele boek aan.
Lely beschrijft vanuit haar eigen ervaringen en die van haar partner hoe ze is omgegaan met haar ontluikende kinderwens en alle vragen en zorgen daaromheen. Beiden hebben ze te maken met een psychische kwetsbaarheid. Hoeveel groter is de kans dat hun kind ‘erfelijk belast’ zal zijn? En kun je psychofarmaca (blijven) slikken tijdens de zwangerschap als dat nodig is?
De auteur ging op onderzoek en neemt de lezer mee. Het resultaat is een eerlijk en kwetsbaar verslag, gelardeerd met verhalen van andere ervaringsdeskundigen, medische informatie en interviews met psychiaters. In de bijbehorende podcast spreekt ze enkele ervaringsdeskundigen uitgebreider, weer met veel openheid en respect. Veel verschillende beslissingen en gevoelens rondom het thema passeren de revue. Dit geeft je een brede kijk.
Enig minpuntje: een overzicht van de geraadpleegde wetenschappelijke studies was fijn geweest. Los hiervan zijn het boek en de podcast de moeite waard om te lezen en beluisteren, zowel als ervaringsdeskundige als professional in de zorg voor zwangeren en/of ouders met een psychische kwetsbaarheid. Het biedt stof tot nadenken en input voor gesprekken, belangrijk bij een taboe- onderwerp als dit.
tekst: Sanne Seinen-de Vet
Nieuw leven & psychische kwetsbaarheid. De invloed van psychische klachten op een kinderwens (2026) van Annemiek Lely is een uitgave van de Graaff.
Gonneke Stevens is hoogleraar Jongerenwelzijn bij Interdisciplinaire Sociale Wetenschap aan de Universiteit Utrecht. Al twintig jaar lang houdt zij zich bezig met trends en ongelijkheden in de mentale gezondheid onder jongeren. Tijdens haar oratie in juni 2025 pleitte zij voor het complexe verhaal.
Lees meer
Gonneke Stevens
De mentale gezondheid van de Nederlandse jongeren is de afgelopen jaren gedaald. Dat blijkt uit onderzoek naar het welzijn van schoolgaande jongeren (onder andere rapport HBSC, 2021). De coronacrisis en social media worden veelal als boosdoener aangewezen. Maar volgens de hoogleraar doen we daarmee geen recht aan onze jongeren: “We moeten ons niet richten op één factor, maar op verschillende factoren en kijken hoe die met elkaar samenhangen. Het eenvoudige verhaal helpt ons niet vooruit.”
“Social media is natuurlijk een usual suspect. We denken echt dat de opkomst van social media een rol speelt in de trends in mentale gezondheid, maar het ligt genuanceerder dan vaak wordt voorgesteld. Net als in veel ander onderzoek, maken we een onderscheid tussen intensief socialmediagebruik en problematisch socialmediagebruik.” Intensief gaat om de frequentie en duur van socialmediagebruik en dan met name om het in contact met anderen staan via social media. Problematisch gebruik richt zich op verslavingskenmerken, zoals je rot voelen wanneer je niet op social media kan, minder interesse hebben in hobby’s vanwege social media of ruzie krijgen over social media. “We zien vooral dat problematisch socialmediagebruik gerelateerd is aan meer mentale problemen. Gemiddeld zien we dat eigenlijk niet terug voor intensief gebruik. Omdat problematisch social mediagebruik weinig voorkomt, is het onwaarschijnlijk dat dit de enige verklaring is voor de trends in mentale gezondheid.”
Ook de covid-19-pandemie pandemie – van januari 2020 tot en met mei 2022 – kunnen we niet negeren. In de onderzoeksperiode tussen 2017 en 2021 is er een duidelijke trendbreuk gezien in de cijfers: De mentale gezondheid daalde in deze tijd veel sneller dan voorheen. Allerlei risicofactoren gerelateerd aan de coronamaatregelen zijn in die tijd bovendien toegenomen.
Het meest veranderd in de afgelopen twintig jaar is de druk die jongeren ervaren rondom schoolwerk. Dat percentage is verdrievoudigd. Uit onderzoek is bekend dat prestatiedruk sterk samenhangt met mentale problemen.
Een andere mogelijke factor is prevalence inflation: door meer aandacht voor mentale gezondheid, zien jongeren lichte symptomen sneller als een mentaal probleem en dit leidt vervolgens daadwerkelijk tot het ontwikkelen van mentale problemen.
Gonneke Stevens: “Het is nagenoeg onbekend in hoeverre dit een rol speelt in de trends in mentale gezondheid. We zijn bezig met een aantal onderzoeken om daar meer zicht op te krijgen. Los daarvan moeten we erachter komen welke elementen van interventies en campagnes mogelijk leiden tot inflation en voor welke elementen dat juist niet het geval is. Dat is cruciaal voor de ontwikkeling van dit soort programma’s.”
In vervolgonderzoek is ook aandacht voor factoren waarvan de invloed op mentale gezondheid nog onbekend is, zoals klimaatverandering, oorlogen en de huizenmarkt.
Op basis van onderzoek zijn er dus veel factoren die een rol kunnen spelen. En die factoren kunnen elkaar ook nog eens beïnvloeden. Vandaar Stevens’ pleidooi voor het complexe verhaal. “Kijk je bijvoorbeeld naar social media en prestatiedruk, dan geven veel jongeren aan minder tijd aan hun huiswerk te besteden vanwege smartphone gebruik. Tegelijkertijd zitten ze in een context waarin presteren heel belangrijk is. Dat kan tot extra schooldruk leiden en mentale problemen vergroten.”
Opvallend is het verschil tussen meisjes en jongens. “De toename in mentale problemen is sterker bij meisjes dan bij jongens. Het is vooral zichtbaar voor internaliserende problemen, maar ook wel voor gedragsproblemen en problemen rondom hyperactiviteit. Dat laatste hebben we ook wel gekenmerkt als ‘emancipatie van de meiden’, waarin ze in de loop der jaren in uitingsvorm meer op jongens zijn gaan lijken. Sekseverschillen verdwijnen in dat opzicht, maar de stijging van internaliserende problemen is een stuk groter onder meiden. We zien dat in bijna alle landen van het HBSC-onderzoek. Het lijkt erop dat meisjes kwetsbaarder zijn voor maatschappelijke veranderingen dan jongens.”
Deze veranderingen lijken bij meisjes onder andere te leiden tot relatief sterke stijgingen in schooldruk en problematisch social- mediagebruik. In de coronaperiode was er ook sprake van een grotere daling van sociale relaties bij meisjes dan bij jongens. “Op al die verschillende indicatoren zien we steeds dat meisjes minder gunstig scoren dan jongens en vaak ook dat de samenhang met mentale problemen in deze groep sterker is.”
De hoogleraar is van plan om aandacht voor en onderzoek naar mentale gezondheid onder jongeren voort te zetten. Vanuit het project Minding the Gap doet zij samen met jongeren, ouders en professionals onderzoek naar de impact van armoede op mentale gezondheid.
“Hierin bestuderen we hoe er in Utrecht en Amersfoort gewerkt wordt in integrale wijkteams om jongerenwelzijn te verbeteren en hoe je meer rekening kan houden met het perspectief van jongeren en ouders. Dat sluit aan bij de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028. Hierin worden gemeentes verantwoordelijk gehouden om via een integrale aanpak de meest kwetsbare jongeren en gezinnen te identificeren en ondersteunen. Als we weten dat de oorzaken op allerlei niveaus liggen, dan zijn er ook meerdere professionals nodig om daar samen in op te trekken. Daar moeten nog veel stappen in worden gezet. Hoe je dat precies doet en vormgeeft, daar ligt de uitdaging.”
Gonneke Stevens probeert hierin een brug te vormen tussen onderzoek en de praktijk. Als docent aan de universiteit besteedt zij daarom aandacht aan de vaardigheden die nodig zijn om deel uit te maken van dergelijke processen. “In ons masterprogramma Youth Development & Social Change zetten we in op het opleiden van bruggenbouwers tussen verschillende disciplines. Zo staat de ontwikkeling van allerlei vaardigheden centraal, zoals feedback geven, samenwerken, maar ook het bewustzijn van de verschillende doelen en perspectieven die verschillende mensen in verschillende organisaties hebben.”
Gonneke Stevens pleit naast bewustzijn van het complexe verhaal ook voor reflectie als professional. Waar loop je in samenwerkingen met andere professionals tegenaan en hoe komt dat nu eigenlijk? Wat zegt dat over jouw perspectief en dat van de ander? En wat is er nodig om bij elkaar te komen? Daarnaast vraagt ze aandacht voor het praten over mentale gezondheid.
“Denk vanuit jouw expertise mee over hoe ouders en onderwijs- professionals dat kunnen doen. Wat zijn elementen uit jouw ervaring die daarin misschien helpend of niet helpend zijn?” Alles om samen op te kunnen trekken om het welzijn van jongeren te vergroten.
tekst: June Bragg
foto: Ed van Rijswijk
bronnen
Het Health Behaviour in School-aged Children (HBSC)-onderzoek heeft als doel om de gezondheid, het gedrag en de sociale omgeving van jongeren van 11 tot 16 jaar te monitoren en begrijpen. Het onderzoek wordt gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en wordt uitgevoerd door de Universiteit Utrecht (afdeling Interdisciplinaire Sociale Wetenschap) en het Trimbos- instituut. Sinds 2001 wordt iedere vier jaar informatie verzamelt bij een grote, representatieve groep jongeren in Nederland. In 2025 vond het HBSC-onderzoek voor de zevende keer plaats. De resultaten hiervan worden in het najaar van 2026 gepubliceerd.
Het HBSC-onderzoek in Nederland maakt deel uit van het internationale HBSC-onderzoek. In 2021 namen er 51 landen deel aan het onderzoek.
bron: hbscnederland.nl
Om kinderen van gescheiden ouders te ondersteunen, startten Mariska Klein Velderman en Fieke Pannebakker van TNO het programma Dappere Dino’s.
Later kwamen daar Stoere Schildpadden voor kleuters en ScheidingsATLAS voor ouders bij. Onlangs kreeg Dappere Dino’s nationale en Europese erkenning en ook worden de drie programma’s nu samen ingebed in één platform, Zo kan het ook!
Lees meer
Fieke Pannebakker (links) en Mariska Klein Velderman (rechts)
Er zijn veel kinderen met gescheiden ouders. Jaarlijks gaat het om zo’n 86.000 minderjarige kinderen. Dappere Dino’s,1 is een preventief groepsprogramma om kinderen te leren omgaan met problemen en emoties rond de scheiding.
Senior-onderzoekers Mariska Klein Velderman en Fieke Pannebakker haalden het programma naar Nederland. Zij zijn allebei pedagoog en twintig respectievelijk achttien jaar werkzaam bij TNO in Leiden. Naast het doen van onderzoek verzorgen zij, samen met Kenniscentrum Kind en Scheiding,2 de opleiding voor nieuwe trainers. Met Dappere Dino’s willen zij bijdragen aan ‘kansen voor emotioneel veilig opgroeien en een positieve ontwikkeling’ van kinderen met gescheiden ouders.
Scheiding is een ingrijpende levensgebeurtenis voor gezinnen. Bij ouders kan de opvoeding onder druk komen te staan. Kinderen van gescheiden ouders hebben volgens onderzoek een lager welbevinden en meer gedragsproblemen dan kinderen met niet-gescheiden ouders. Kinderen kunnen last hebben van verschillende dingen, vertelt Mariska. “Er kan onbegrip zijn over wat de scheiding betekent. Als papa en mama ophouden om van elkaar te houden, kunnen zij dan ook ophouden om van mij te houden? Ze kunnen zich zorgen maken over hun vader als ze bij hun moeder zijn, of andersom. Sommige kinderen zijn boos terwijl andere stil en teruggetrokken zijn. Of ze gaan weer in bed plassen. Kinderen kunnen worstelen met hun emoties.”
In Nederland waren er al programma’s voor oudere kinderen van gescheiden ouders, zoals KIES (Kinderen in een scheiding). “Maar er was geen aanbod voor jongere kinderen,” zegt Fieke. “Dat zagen wij als een gemiste kans, want ongeveer een derde van alle kinderen van gescheiden ouders is tussen de 5 en 9 jaar. Daarom zochten we programma’s voor die leeftijdsgroep. En, om het wiel niet opnieuw uit te vinden, het liefst een programma dat al onderzocht was. Dat bleek er te zijn: het Amerikaanse Children of Divorce Intervention Program, CODIP.” Ruim vijftien jaar geleden gingen ze er bij TNO mee aan de slag en in nauwe samenwerking met de ontwikkelaar – JoAnne Pedro-Carroll – is het programma vertaald en aangepast tot Dappere Dino’s. Het bestaat uit twaalf sessies voor maximaal zeven kinderen van 6 tot en met 8 jaar, begeleid door twee trainers. Eén trainer is opgeleid in het programma en de andere – bijvoorbeeld een IB’er op school – zorgt in de rol van co-trainer voor procesbewaking. De locatie kan variëren: op school, in een buurtcentrum of bibliotheek.
Dappere Dino’s is een preventieve training met cognitief- gedragstherapeutische elementen. Het gaat uit van balans-denken, zegt Mariska. “We leggen kinderen uit dat sommige dingen grotemensenproblemen zijn. Je kunt je ouders niet weer bij elkaar brengen, ook al denken kinderen dat soms en hopen ze dat vurig. Net zoals dat het niet hun schuld is als ouders uit elkaar gaan. Maar er zijn wel dingen die je kunt doen om je beter te voelen. In de training leren kinderen hun gevoelens te herkennen en erkennen. We weten uit wetenschappelijk onderzoek dat het verwoorden van emoties bijdraagt aan een kalmere activiteit van het brein. We oefenen veel met spelletjes, zoals: grabbel een kaartje uit de zak en beeld het gevoel uit dat op het kaartje staat.”
Fieke noemt een ander spelletje: “Bij het oefenen met probleem- oplossen is er een soort boter-kaas-en-eieren. De hele groep zoekt naar oplossingen voor een bepaald probleem en bij iedere oplossing krijgen ze een kaartje met een kruisje of een nulletje, tot ze er drie op een rij hebben.”
Vorig jaar kreeg Dappere Dino’s een her-erkenning van het Nederlands Jeugdinstituut: ‘effectief volgens goede aanwijzingen’.3 In de Verenigde Staten bleek uit longitudinaal onderzoek dat kinderen na de training positiever functioneerden en minder gezondheidsproblemen hadden. Mariska vertelt over hun eigen onderzoek dat in de erkenningsaanvraag een rol speelde.
“In quasi-experimenteel onderzoek vergeleken we de kinderen die deelnamen aan Dappere Dino’s met twee groepen: een divorce- control groep – kinderen met gescheiden ouders die niet deelnamen – en een non-divorce-control groep van kinderen met niet-gescheiden ouders die niet deelnamen.4 Bij de Dappere Dinodeelnemers verbeterde het functioneren en welzijn en nam problematiek af, vergeleken met die twee groepen.”
Op dit moment wordt onderzocht of de positieve effecten standhouden nu het programma al langer en op meer locaties beschikbaar is.
Dappere Dino’s is onderdeel van de Gezonde School, waarbij meer dan 3000 scholen zijn aangesloten.5 “Gezonde School richt zich op voeding en fysieke gezondheid én op mentale gezondheid,” legt Fieke uit. “Programma’s worden opgenomen als ze onderbouwd en zinvol bijdragen aan de visie van de Gezonde School. Als school kun je uit een palet van activiteiten kiezen, waaronder Dappere Dino’s. Dat heeft als voordeel dat de school een tegemoetkoming van de overheid krijgt in de kosten.”
Mariska noemt nog een nieuwe erkenning. “Sinds kort is Dappere Dino’s opgenomen in de European Best Practices Mental Health. Dat betekent dat het programma in Europees verband erkend is als onderbouwde training voor kinderen van gescheiden ouders.”
Na Dappere Dino’s ontwikkelden ze bij TNO het programma Stoere Schildpadden, vertelt Fieke. “Stoere Schildpadden is bedoeld voor kleuters met gescheiden ouders in de leeftijd van 4 tot en met 6 jaar. In een groep van maximaal zes kinderen en twee begeleiders gaat het om dezelfde thema’s als bij Dappere Dino’s, maar dan afgestemd op deze leeftijdsgroep. Dus veel herhalingen, beweegoefeningen en plaatjes in plaats van tekst.”
Ook aan de ouders is gedacht. Mariska: “ScheidingsATLAS is een training voor ouders, tijdens en na de scheiding. In twee bijeenkomsten staan ouders stil bij de invloed van de scheiding op het ouderschap. Thema’s als verlies en rouw komen aan bod en ook positieve communicatie en opvoedstijlen. Uniek is dat beide ex-partners individueel en niet samen in één groep deelnemen. Er is ook een gratis online versie van ScheidingsATLAS beschikbaar.”6
Met hulp van een ZonMw-implementatiesubsidie krijgen Dappere Dino’s, Stoere Schildpadden en ScheidingsATLAS momenteel een update en worden ze geïntegreerd en ingebed in één platform, Zo kan het ook!
Mariska: “We zagen dat professionals die Dappere Dino’s gaven ook vaak ScheidingsATLAS wilden organiseren, of andersom.
De drie programma’s gaan uit van dezelfde visie en bevatten vergelijkbare boodschappen. Daarom is het mooi dat trainers het nu op één plek kunnen vinden.”
Populair bij de kinderen zijn de handpoppen: dino Rex bij Dappere Dino’s en schildpad Sam bij Stoere Schildpadden. De trainer is opgeleid om de handpop te laten praten. Mariska: “Rex en Sam zijn even oud als de kinderen in de groep en hebben ook gescheiden ouders. Als een kind bijvoorbeeld moeilijk kan praten over dat er bij zijn ouders gedoe aan de deur is bij het wisselmoment, dan heeft Rex of Sam heel toevallig iets soortgelijks meegemaakt en vertelt hij daarover. Dat kan kinderen helpen om te praten.”
Fieke vult aan: “Kinderen vinden het soms fijner om iets met Rex of Sam te delen dan met de trainer. Dan fluisteren ze iets in het oor van de handpop. De trainer vraagt vervolgens of Rex of Sam het aan de groep mag vertellen en dat is meestal goed. Op die manier zorgt de handpop voor verbinding. En bij Sam is het mooi dat hij als schildpad in zijn schild kan kruipen als hij iets spannend vindt. Samen met de groep kijk je dan hoe hij er weer uit kan komen.”
Kinderen en ouders zijn tevreden over Dappere Dino’s en Stoere Schildpadden. Fieke: “De kinderen vertellen dat ze vriendjes hebben gemaakt. Dat andere kinderen ook een scheiding hebben meegemaakt, speelt daarbij zeker een rol. Het is een veilige plek voor kinderen om te vertellen waar ze mee zitten. Aan het eind krijgen ze een mooi diploma en vaak een foto van zichzelf met Rex of Sam.” Mariska: “Ouders merken dat hun kinderen meer praten over wat ze voelen. En ze leren wat de zorgen zijn van hun kinderen. Soms zie je dat ouders met meer kinderen het jongere broertje of zusje van het Dino-kind laten meedoen aan Stoere Schildpadden. Want zoiets wilden ze eigenlijk ook wel voor hun andere kind.”
![]()
Een tip van Mariska en Fieke voor pedagogen: “Onder volwassenen hoor je vaak ‘scheiding komt zo vaak voor, het is niet meer bijzonder’. Maar voor kinderen is het echt een ingrijpende ervaring. Ook al zitten er meer kinderen van gescheiden ouders in de klas, kinderen weten dat niet altijd van elkaar. Het maakt een groot verschil als je aan het kind vraagt hoe het gaat.”
tekst: Femmie Juffer
foto’s: Femke van den Heuvel
tekening: Sarah Bouwman (12 jaar)
Sharon is orthopedagoog bij een zorgaanbieder die cliënten met een licht verstandelijke beperking thuis ambulante begeleiding biedt. Sharon merkt al een tijdje dat een begeleider uit haar team nauwelijks rapporteert in het cliëntdossier van een jongedame. Ook ontbreekt in het dossier het verslag van de afgelopen evaluatie. Ze vraagt zich af of de halfjaarlijkse evaluatie van het ondersteuningsplan überhaupt heeft plaatsgevonden. Ze maakt zich zorgen of deze begeleider wel handelt volgens de professionele standaard en nodigt hem uit voor een gesprek.
Lees meer
Mirthe Maessen (links) en Monica de Visser (rechts)
Sharon uit in het gesprek1 met de begeleider haar zorgen over het ontbreken van rapportage over de voortgang van de afgesproken doelen in het dossier. Ook merkt ze op dat ze het verslag mist over het laatste evaluatiegesprek. Volgens de begeleider is er sprake van een verschil in visie op het begeleiden van een cliënt met een licht verstandelijke beperking. Rapportages en het maken van verslagen kost hem (te) veel tijd. Hij vindt dat hij die beter kan besteden aan persoonlijk contact, maar ziet wel het belang in en belooft het advies van Sharon op te volgen en vaker te rapporteren. Ook zal hij het evaluatieverslag in het dossier zetten.
Wat zegt de NVO-beroepscode over hoe te handelen in dit soort situaties? Waar leg je je zorgen over een in jouw ogen onprofessioneel handelende collega vast? In het cliëntdossier of elders? En moet de cliënt worden geïnformeerd over het in jouw ogen onprofessioneel handelen van de begeleider?
In artikel 34 van de NVO-beroepscode staat dat de pedagoog alle gegevens in het dossier vastlegt die noodzakelijk zijn voor de kwaliteit en de continuïteit van de professionele relatie en voor het afleggen van verantwoording hierover. De pedagoog houdt zich daarbij aan de eisen over het zorgvuldig omgaan met informatie over de cliënt. Deze zorgvuldigheidseisen staan in artikel 11 van de NVO-beroepscode. Ook zorgen over onprofessioneel handelen van een collega moeten worden vastgelegd, maar horen niet thuis in het cliëntdossier.
Deze zorgen – en eventueel contact met de leidinggevende hierover en vervolggesprekken – zul je elders in je eigen (veilige) werkomgeving moeten vastleggen. Gegevens die relevant zijn voor de kwaliteit en continuïteit van de begeleiding van de cliënt, horen wel in het cliëntdossier. In deze casus bijvoorbeeld het advies om te rapporteren op de voortgang van de doelen en het opnemen van het evaluatieverslag in het dossier.
Dus in deze casus zet je de afspraak in het cliëntdossier dat de begeleider de rapportages en het evaluatieverslag alsnog maakt. Eventuele vervolgafspraken over het functioneren van de begeleider leg je vast in je eigen werkomgeving. De manager rapporteert zo nodig in het personeelsdossier van de begeleider.
Sharon zal haar cliënte op de hoogte stellen dat haar dossier nu nog niet helemaal op orde is, maar dat de rapportages aangevuld worden en het evaluatieverslag spoedig in haar dossier wordt opgenomen. Voor Sharon is het belangrijk dat zij monitort of de begeleider daadwerkelijk weer rapporteert en het evaluatieverslag in het dossier opneemt. Vervolgens kan ze beoordelen of er vervolgstappen nodig zijn.
tekst: Monica de Visser
Mr. Monica de Visser is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht en ethiek. Zij verzorgt samen met mr. Mirthe Maessen het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO op dinsdag 13.30-15.30 uur en donderdag 10.30-12.30 uur.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Kim Horsselenberg, sinds november 2024 werkzaam als orthopedagoog in de ggz bij De OpgroeiPraktijk, onderdeel van Levéo in Amsterdam.
Lees meer
Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?
“Bij De OpgroeiPraktijk bieden wij hulp vanuit de ggz, en behandelen wij kinderen, jongeren en gezinnen. We zijn gespecialiseerd in het verminderen van psychische klachten, ontwikkelingsproblemen en opvoedvragen. Hierdoor heb je diverse probleemgebieden in je caseload, wat het heel erg leuk en leerzaam maakt. Op dit moment werk ik onder andere met kinderen die last hebben van sociale angst, problemen in emotieregulatie, stemmingsklachten, een laag zelfbeeld, dwangklachten en genderdysforie.”
Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?
“Als orthopedagoog ben ik verantwoordelijk voor het uitvoeren van psychologisch onderzoek en van behandeltrajecten. Bij onderzoek komt een kind binnen met klachten en een hulpvraag, waarna we samen op zoek gaan naar een mogelijke verklaring. Die zoektocht kan bestaan uit intelligentieonderzoek, aanvullend neuropsychologisch onderzoek, contact met school en verdiepende gesprekken met ouders. Elk onderzoek voelt als een puzzel, elk kind is anders. En wanneer de puzzelstukjes op hun plek vallen en het kind beter begrepen wordt, geeft dit veel voldoening.
Daarnaast begeleid ik behandeltrajecten van kinderen en hun ouders. Samen met het kind en het systeem stellen we een behandelplan op. Bij De OpgroeiPraktijk is er een breed aanbod aan protocollen, middelen en oefeningen. Het is mijn taak om samen met de regiebehandelaar te kiezen voor interventies die passen bij het kind en gezin. Daarbij heb ik de vrijheid om in de gesprekken ook mijn eigen creativiteit toe te passen, zoals een actieve spelvorm of een tekenopdracht.
In Amsterdam werken alle jeugdhulporganisaties inmiddels steeds meer samen. Dit heet gebiedsgericht werken. Eens per twee weken is er in elk stadsdeel een overleg met vertegenwoordigers van bijna alle jeugdhulporganisaties, die met elkaar casussen bespreken en samenwerkingen opzoeken. Als orthopedagoog is het dus de bedoeling dat je van je laat horen, kan netwerken en klaar staat wanneer andere organisaties je vragen om mee te denken of samen te werken. Ik vind het een erg leuke toevoeging aan de werkzaamheden.”
Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?
“Het is soms lastig om cliënten te activeren ook buiten de behandelkamer te oefenen en de aangereikte tools in de praktijk toe te passen. Sommige kinderen en ouders verwachten dat het aanwezig zijn op afspraken voldoende is om ‘het probleem op te lossen’. In zulke situaties gebruik ik regelmatig de metafoor: ‘In de behandeling planten we de zaadjes: ideeën, vaardigheden en denkstrategieën. Thuis krijgen deze zaadjes extra water, zon en aandacht. Door die verzorging wordt het uiteindelijk een grote sterke plant.’
Ook vind ik het soms uitdagend wanneer een jongere wel hulp wil, maar het tegelijk moeilijk vindt om zich open te stellen. In die gevallen is het eerst opbouwen van een vertrouwensband belangrijk. Zeker bij stemmings- of angstklachten zou ik het liefst direct aan de slag gaan met uitleg en tools, maar in de praktijk vraagt dit tijd en geduld. Pas wanneer een jongere zich voldoende veilig voelt om te delen wat er in hem of haar omgaat, ontstaat er ruimte om hier samen dieper op in te gaan.”
Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je hier een loopbaan kiest?
“Bij De OpgroeiPraktijk werken wij met zelfsturende teams en beheer je je eigen agenda. Je plant je eigen afspraken en houdt zelf je declarabiliteit in de gaten. Dit is anders dan bij sommige grotere ggz-organisaties. Het is dus van belang dat je goed kan plannen, overzicht houden en communiceren met de cliënt. Daarnaast moet je grenzen kunnen stellen naar ouders en de cliënt durven los te laten als de doelen zijn behaald, ook als er mogelijk nog enkele uitdagingen liggen. Ouders en cliënten vinden het soms moeilijk dat we afsluiten, omdat ze nog andere vragen hebben. Maar niet elke vraag hoeft binnen de ggz opgelost te worden. Het gezin moet ook gewezen worden op de eigen kracht, hulp van familie of de sociale basis.”
Welke verdiepingsmogelijkheden zou je binnen dit werkveld aanraden?
“In dit werkveld volgen veel professionals opleidingen zoals CGT, EMDR en systeemtherapie. Wie regiebehandelaar wil worden, kan de GZ-opleiding of de OG-opleiding volgen. Ik heb recent een kortere cursus gedaan gericht op minder praten en meer beleven in de behandelkamer. We leerden allerlei leuke spelvormen, metaforen
en tekenoefeningen om in je behandeling toe te passen. Ik merk dat ik hierdoor beter kan aansluiten bij een kind, plezier heb samen en verassende informatie krijg over wat er in het kind omgaat.”
Welk moment tijdens je werk is je het meest bijgebleven?
“De momenten waarop kinderen aangeven zich echt begrepen te voelen, vooral wanneer er in het begin juist weerstand is geweest. Het geeft veel voldoening wanneer kinderen en jongeren bij de afsluiting merken dat zij het zelf aan kunnen en een positiever zelfbeeld hebben. Precies dat steuntje in de rug hoop ik te kunnen bieden.”
Waarom zou je dit werkveld aanraden aan andere pedagogen?
“Het werk geeft veel voldoening omdat je doelen vaak in relatief korte tijd behaalt. Je hebt veel afwisseling door een diverse caseload, je kennis wordt flink uitgebreid, en je kunt leuke interventies toepassen op een manier die bij jezelf én bij de cliënt past. Bovendien kun je onderzoek en behandeling combineren.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
Zojuist – maandag 23 februari – toch maar even gekeken naar de beëdiging van Kabinet-Jetten. We zijn allemaal heel benieuwd hoe zij Nederland gaan regeren. Gelukkig heb ik niet al te veel tijd om daarbij stil te staan, want woensdag is er weer een bestuursvergadering. De normaal al volle agenda staat dit keer nog voller, met nogal belangrijke thema’s. Hoe staat het met het herschrijven van de pedagogische visie? De komende verkiezing van de ledenraad moet besproken worden – we hopen dat veel leden zich hiervoor willen aanmelden! Ons NVO-kwaliteitsregister staat erop, een aantal handreikingen, maar ook de brief van voormalig minister Bruijn, met het verbijsterende bericht dat hij heeft besloten de orthopedagoog- generalist-opleiding niet centraal te bekostigen vanuit VWS. Dit bericht heeft behoorlijk effect voor de collega’s op kantoor, voor leden en voor samenwerkingspartners; logisch, de gevolgen zijn fors. We kunnen het er niet bij laten zitten en zullen alle wegen bewandelen om de Tweede Kamer ervan te overtuigen dit besluit te heroverwegen. Wordt vervolgd…
Judy Hoffer, directeur NVO





‘Goed leven is voor iedereen belangrijk.’ Dat is de kern van het LACCS-programma1 volgens NVO-leden Michelle Both (rechts op de foto) en Mirjam Zijlmans-van Berkel. Zij zijn orthopedagoog-generalist en kartrekkers geweest in het uitrollen van het programma bij gehandicaptenzorgorganisatie Amarant in Noord-Brabant.
Als Michelle zich in 2017 inschrijft voor de EVB-leergang2 met daarin LACCS als onderdeel, komt onverwacht het volledige LACCS programma in de cursus terug. Ze is meteen enthousiast en spoort haar collega Mirjam aan: “Jij moet die scholing ook écht gaan doen!” Volgens hen voegt het programma veel toe voor de EVB/EMB3 doelgroep, waar ze beiden overwegend mee werken. “Het is zeer laagdrempelig, met duidelijke taal. Heel toegankelijk.”
“Het goed leven gesprek is een belangrijk onderdeel van het programma, waarin alle LACCS-waarden besproken worden met de betrokkenen en waar kan ook met de cliënt zelf. Het programma stimuleert een gezamenlijke, brede blik op de verschillende domeinen van kwaliteit van leven en vermindert de focus op het probleemgedrag. Onze doelgroep kan het tenslotte zelf niet vertellen en verdient ook een goed leven, net als wij.”
tekst en foto: Laura van Wijnen
‘Sinds de jaren negentig is opvoeden veranderd van iets wat je er gewoon bij deed, naar hét levensproject dat moet slagen’, zegt orthopedagoog en gastschrijver Kina Smit in dit nummer van de Pedagoog. ‘Opvoeden is stressvol en reuze ingewikkeld geworden.’
Volgens Smit kunnen orthopedagogen een tegengeluid laten horen om ouders hun vertrouwen terug te geven. Om te beginnen met de boodschap dat kinderen geen perfecte opvoeder nodig hebben, maar gewoon ouders. ‘Mensen die het goed bedoelen, vanuit liefde handelen en soms de mist in gaan.’
Volgens hoogleraar Biologische aspecten van zorgrelaties Peter Bos moeten ouders tegenwoordig veel ballen tegelijk in de lucht houden. ‘Dat maakt opvoeden complexer en zorgt voor meer mentale last’, vertelt hij in het omslaginterview. Veel gezinnen gaan gebukt onder stress en kinderen nemen de stress over van hun ouders.
‘Zelfs als ze niet weten waar die stress vandaan komt. In een ideale gezinssituatie kun je een buffer zijn voor elkaars stress, co-reguleren. Als dat niet meer lukt, wordt de stress alleen maar erger en de kwaliteit van zorg minder. Eigenlijk loopt zo’n systeem dan vast. Voor kinderen heeft dit gevolgen op alle vlakken: emotioneel, op school, hun gezondheid.’
Echtscheidingen zorgen voor veel stress in gezinnen. ‘Bij ouders kan de opvoeding onder druk komen te staan’, schrijft Femmie Juffer in opvoeders van nu. ‘Kinderen van gescheiden ouders hebben een lager welbevinden en meer gedragsproblemen.’ Om die kinderen en hun ouders te ondersteunen, startte TNO het programma Dappere Dino’s. Later kwamen daar Stoere Schildpadden voor kleuters en de ScheidingsATLAS voor ouders bij.
In de casus schrijft orthopedagoog Marja Hodes over Priscilla (29), een alleenstaande moeder met een lichte verstandelijke beperking, die het opvoeden van haar drie kinderen erg stressvol vindt. Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van de jongste, Frenkie van 3 jaar. Hij heeft driftbuien, luistert niet, gooit met spullen en praat weinig. Dankzij de opvoedinterventie VIPP-LD, die werkt met videofeedback, leert Priscilla haar zoontje beter te begrijpen en op zijn gedrag te reageren. Dat dempt haar stress – en die van Frenkie – enorm.
Pffff…
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
Peter Bos, hoogleraar Biologische aspecten van zorgrelaties aan de Universiteit Leiden, heeft zelf altijd iets zorgzaams in zich gehad. Net als zijn vader. Met zijn onderzoek naar de invloed van stress en hormonen op zorggedrag wil hij ouders – en met name vaders – steunen. ‘Om te beginnen kun je ouders de biologische basis van hun eigen gedrag uitleggen en hun schuldgevoel wegnemen.’
Lees meer
‘Ik was opnieuw een baby’, schrijft Peter Bos (Harderwijk, 1983) in het begin van Verbonden over de biologie van menselijke relaties. Dit mooie, vaak grappige en persoonlijke boek opent met een scene in het plaatselijke ziekenhuis. Daar belandt hij, derdejaars student psychologie en vierentwintig uur na het vieren van zijn twintigste verjaardag, wegens ademhalingsmoeilijkheden op de intensive care. Volledig aangesloten aan bedrading en volledig afhankelijk van de zorg van anderen. De diagnose: lymfeklierkanker, met tachtig procent kans om te overleven.
Is toen, in het ziekenhuis, je interesse voor zorgrelaties ontstaan?
“De ervaring dat je zo fundamenteel afhankelijk bent en hulpeloos is zeker vormend geweest. Je beseft dat het goede leven dat je hebt niet vanzelfsprekend is en zelfs je gewone basisbehoeftes niet. Daarvoor ben je afhankelijk van anderen. Het besef dat mensen inherent heel kwetsbaar zijn, heeft zeker een zaadje geplant. Dat neem je mee bij alles wat je daarna doet. En ook mijn dochter.”
Je oudste dochter?
“Ja, ze is nu bijna zeventien. Het was een verrassing dat zij het syndroom van Down had, want m’n vrouw en ik waren allebei nog jong. Echt een donderslag bij heldere hemel. Het ouder worden maakt al heel duidelijk dat jij de verantwoordelijkheid draagt voor zo’n hulpeloos wezentje. In haar geval wisten we meteen dat ze de rest van haar leven meer afhankelijk van ons zou zijn dan anders.”
“Je komt ook in een wereld terecht van zorgbehoefte, van speciaal onderwijs en van instanties als de stichting Downsyndroom. Als je gezonde kinderen hebt, blijft die wereld verborgen. Misschien wel dankzij al die goede zorg, waardoor er een eigen wereldje is gecreëerd voor mensen die niet mee kunnen met de rest van de stroom. Dat heeft mijn ogen geopend: dat kan toch niet de bedoeling zijn! Dus dat heeft ook meegespeeld. Ik vind het mooi om nu op een instituut te werken waar mensen daar ook onderzoek naar doen en met die doelgroep werken.”
In zijn boek Verbonden uit 2020 schrijft Peter Bos dat hij het meest gefascineerd is door de evolutionair oudste sociale band die er is, die tussen ouder en kind. Daarbij interesseert de werking van hormonen hem in het bijzonder. Hij promoveerde als biologisch psycholoog aan de Universiteit Utrecht op de invloed van hormonen op sociaal gedrag.
Hoe ziet de band tussen ouder en kind er evolutionair gezien uit?
“Bij zorggedrag denken we vaak aan het ‘echte’ verzorgen, het vasthouden, het voeden. Maar daar gaat een vorm van zorggedrag aan vooraf: het beschermen. Dat is evolutionair nog ouder, dat zie je al bij vissen. Vandaaruit zijn wij zoogdieren afhankelijk geworden van warmte, lichaamscontact, borstvoeding. Naast bescherming moet je dat een kleintje ook geven, het hele pakket. Het zijn heel oude fundamentele behoeften, die ook spelen in de complexe wereld van nu.”
Welke hormonen spelen daarbij een rol?
“Testosteron is vanaf het begin betrokken geweest bij dat beschermende zorggedrag. Het maakt je emotioneel reactiever, waakzamer, zorgt dat je sneller in actie komt als er bijvoorbeeld een baby huilt. Tegelijkertijd kan veel testosteron ertoe leiden dat je niet altijd de beste inschattingen maakt. Daar is een stof als oxytocine dan weer beter voor. Dit zoogdierhormoon zorgt voor meer kalmte, meer oogcontact, meer sociale verbinding, meer rust. Dat heb je nodig om goed af te stemmen op een kind. Onze hormoonhuishouding is heel dynamisch en wordt beïnvloed door je omgeving en hoe jij je gedraagt. Bij vaders die veel voor kinderen zorgen, zie je bijvoorbeeld dat hun testosteron daalt en oxytocine stijgt.”
Sinds 2024 is hij hoogleraar Biologische aspecten van zorgrelaties bij Pedagogische Wetenschappen in Leiden. In zijn oratie Een wetenschap van verbondenheid1 vorig jaar, vertelde hij dat veel gezinnen gebukt gaan onder stress. ‘Bij ouders kan dit leiden tot het recentelijk erkende fenomeen parental burn-out.’
Wat is er aan de hand?
“Ouders moeten veel ballen in de lucht houden. Kinderen krijgen en opvoeden is sowieso zwaar en intensief. Daarnaast wil je een carrière op gang houden. Of je hebt geen werk en de muren komen op je af. Er is ook veel bijgekomen voor ouders: allerlei clubjes en afspraken, meer aandacht voor psychische problemen van kinderen, meer betrokkenheid bij school – denk alleen al aan Magister dat je constant op de hoogte houdt – mobiele telefoons, omgaan met sociale media. Dat maakt opvoeden complexer en zorgt voor meer mentale last.
Waarbij er nog steeds onevenredig veel zorg neerkomt op de schouders van moeders, ondanks alle goede voornemens de taken eerlijk te verdelen wanneer er een eerste kind op komst is. Na een jaar blijkt dat in negen van de tien gevallen niet te zijn gelukt.”
Welke gevolgen heeft die stress voor kinderen?
“Stress is breder dan het individu. Mensen hebben stress, maar gezinnen ook. Wat is de weerbaarheid van het hele systeem onder druk? Als ouders stress ervaren, nemen kinderen het over, weten we uit onderzoek. Zelfs als ze niet weten waar die stress vandaan komt. Dus gestreste ouders maken gestreste kinderen. In een ideale gezinssituatie kun je een buffer zijn voor elkaars stress, zorgen dat een ander z’n stress kan laten zakken, co-reguleren. Als dat niet meer lukt, wordt de stress alleen maar erger en de kwaliteit van zorg minder. Eigenlijk loopt zo’n systeem dan vast. Voor kinderen heeft dit gevolgen op alle vlakken: emotioneel, op school, hun gezondheid.”
Hoe kan de kennis van hormonen bijdragen aan minder stress?
“Mijn insteek als onderzoeker is vooral fundamenteel, ik wil weten hoe het zit, niet direct een oplossing brengen. Zo dragen we bij aan meer kennis over hoe stress binnen gezinnen werkt. We geven een biologische basis aan waaróm je je op een bepaalde manier gedraagt. Je kunt ouders uitleggen wat er gebeurt. Het zit niet ‘tussen je oren’. Nu voelen mensen zich vaak schuldig, een slechte ouder, als er iets misgaat. Maar het kan ook aan je eigen jeugd liggen. Trauma heeft een enorm effect op hoe je op stress reageert en hoe je dat weer overdraagt op de volgende generatie.”
Tijdens het NVO-congres vorig jaar vertelde promovendus Ashish Ghoerbien van de Universiteit Leiden over het vervolgonderzoek naar opvoedstress bij vaders die in hun jeugd zijn mishandeld. Met steun van het NVO-Onderzoeksfonds startte Renate Buisman dit onderzoek in 2023. Samen met hen werkt Peter Bos aan nieuw onderzoek.
“Mijn onderzoek naar hormonen en stress en hun onderzoek naar trauma komen zo mooi bij elkaar. We weten dat trauma veel effect heeft op de hormoonhuishouding en de psychologie van mensen. We willen nu onderzoeken hoe zich dat vertaalt naar zorggedrag met eigen kinderen. Als je een verleden met mishandeling hebt, ben je dan emotioneel reactiever, gevoeliger voor stresssignalen, sneller getriggerd bij kinderen? Kom je sneller in een negatieve spiraal terecht? Dat ingewikkelde proces hopen we beter te gaan begrijpen.”
Volgens Peter Bos wordt in veel onderzoek – tot nu toe – mishandeling of trauma op één hoop gegooid. “Maar waarschijnlijk is de vorm van trauma heel bepalend. Verwaarlozing, wat veel voorkomt, emotioneel of fysiek, kan bijvoorbeeld een heel andere uitwerking hebben dan actieve mishandeling, dus fysiek of emotioneel geweld.
Daar willen we de komende jaren beter zicht op krijgen zodat we die vaders ook beter kunnen ondersteunen. Liefst laagdrempelig, voordat zij problemen ondervinden en er zware, dure interventies nodig zijn. Hoe deze interventies er uit moeten zien, is een urgente vraag. Om die reden hebben we een vader-kenniscafé georganiseerd met professionals over vaderbetrokkenheid, om zo wetenschap en praktijk meer met elkaar te verbinden.”
Peter Bos pleit voor het meer collectief grootbrengen van kinderen via informele netwerken, zoals we dat van oudsher gewend zijn, toen we nog in groepen leefden in plaats van tegenwoordig inkerngezinnen. In Verbonden legt hij uit dat cognitieve empathie – je in een ander kunnen verplaatsen – in die tijd waarschijnlijk is ontstaan, toen we ons als kinderen nog aan vele opvoeders moesten hechten. Hij ontkracht de mythe dat moeders de beste verzorgers zijn.
“Vaders zijn daar net zo goed in en voegen ook iets toe. Ze dagen kinderen in spel vaker uit bijvoorbeeld en daardoor zijn zij op latere leeftijd minder angstig, hebben ze meer zelfvertrouwen. Daarnaast kan opvoeding door een vader positieve effecten hebben op de cognitieve ontwikkeling en schoolvaardigheden van kinderen.”
Je schrijft in je boek dat oma’s van oudsher ook heel belangrijk zijn. Hoe zit dat?
“Vanuit de evolutionaire psychologie is daar de grootmoederhypothese omheen gebouwd. Die stelt een heel crue. vraag: waarom zijn er eigenlijk oma’s? Waarom leven vrouwen nog als ze niet meer vruchtbaar zijn? Als je door de survival of the fittest bril kijkt, zou het slim zijn je tot aan je kist voort te planten. Dus blijkbaar kun je op een bepaalde leeftijd een grotere bijdrage leveren als steun voor je kleinkinderen in plaats van zelf nieuwe kinderen op de wereld te zetten. Uit onderzoek blijkt dat betrokken grootouders – ook opa’s – alle succesfactoren verhogen in de ontwikkeling voor kinderen. Dus het is niet voor niks.”
Peter Bos woont met zijn dochter (16), zoon (14) en jongste dochter (8) in Ermelo, vlak naast zijn geboorteplaats Harderwijk. Wat voor vader is hij zelf?
“Ik probeer te practisen wat ik preach. Als ik terugkijk op hoe ze zijn groot geworden, heb ik niets gemist, overal bij kunnen zijn en een rol kunnen spelen in het zorgen. Nu ze groter zijn, hoef ik geen luiers meer te verschonen, maar mag ik ’s avonds helpen bij de planning van hun huiswerk. Ik maak nog wel dagelijks broodtrommels klaar. Het is een luxe dat ik altijd flexibel ben geweest met mijn werk. Als onderzoeker kun je ook ’s avonds en desnoods ’s nachts werken. Daardoor kon ik mijn kinderen naar school brengen en ophalen.”
Dat zorgzame zit in hem, denkt hij. Hij was dol op zijn kleine neefjes en nichtjes en zijn vader was een groot voorbeeld.
“Thuis lag de bulk van het huishoudelijk werk wel bij mijn moeder, als huisvrouw. Maar mijn vader draaide volwaardig mee. De was doen, stofzuigen, schoonmaken, afwassen, boodschappen doen, de was ophangen. Hij deed het allemaal. Later realiseerde ik me pas hoe bijzonder dat eigenlijk was. Ik heb ook altijd iets zorgzaams in me gehad, vroeger vooral voor dieren en de natuur. Maar peuters en kleuters heb ik altijd leuk gevonden en dat wilde ik ook graag
ervaren als vader.”
Je was al jong vader?
“Ik was 26 toen mijn oudste dochter geboren werd. In mijn bubbel was dat heel jong. Toen ik het op de universiteit vertelde, moesten mensen erom lachen. Ze geloofden het gewoon niet. ‘Jij vader?!’ Dat vond ik heel raar en niet zo heel aardig.”
Je bent ook een jonge hoogleraar en sinds vorig jaar bovendien wetenschappelijk directeur van het onderzoeksinstituut. Hoe ben je in 2019 als biologisch psycholoog bij Pedagogische Wetenschappen in Leiden beland?
“Dat is echt uit interesse. Onderzoek naar empathie heb ik altijd interessant gevonden. In Utrecht zat ik bij een onderzoeksgroep waar heel fundamenteel onderzoek werd gedaan, vooral naar het visuele systeem en daar had ik weinig affiniteit mee. Ik wilde onderzoek doen dat ertoe doet voor mensen, dat gaat over wat voor mij belangrijk is in het leven. En dat doen we hier bij Pedagogische Wetenschappen.
Dat ik in Leiden terechtkwam, was gewoon mazzel. Ik was universitair docent in Utrecht en er kwam in Leiden een vacature voor hoogleraar. Daar kon ik niet op solliciteren, zover was ik nog helemaal niet. Maar ik heb het toch gedaan. Gaandeweg het gesprek bleek de klik zo goed, dat ik toch mocht komen. Maar nog niet als hoogleraar, dat duurde nog even.”
Aan het eind van ons gesprek vraag ik nieuwsgierig naar de grote babybox, die in de hoek van zijn werkkamer in Leiden staat. Wat doet die daar?
“Die stond in het gezinslab voor onderzoek. Toen dat dicht ging, vroeg een collega of er nog iets bewaard moest worden. Anders ging alles naar de stort. Toen zag ik die box en ik heb toch veel te veel ruimte in deze kamer. Ik dacht: als er een keer iemand op de afdeling is met een baby, mogen ze die even bij mij brengen. Hij is nog niet erg gebruikt. Dat vind ik wel jammer. Een paar uur met een baby lijkt me reuze gezellig.”
Tekst: Annemiek Haalboom
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Rianne Manenschijn & Laura van Wijnen
Lees meer
De resultaten van dit onderzoek lijken een open deur: werk is zinvol voor mensen met een verstandelijke beperking. Het geeft hen structuur, zin in het leven, zelfvertrouwen, contact met anderen én het gevoel dat ze iets bijdragen. Toch opvallend dat na de start van de Participatiewet, die voor een verbetering van de positie van mensen met een beperking op de werkvloer moest gaan zorgen, hun deelname op de arbeidsmarkt nog steeds achterblijft. Hoe komt dat toch?
Moniek Voermans van de Tilburg University heeft een uniek promotieonderzoek gedaan. Zij voerde veel gesprekken met de doelgroep, mensen met een verstandelijke beperking met betaald en onbetaald werk of dagbesteding. Het is niet altijd even makkelijk voor hen om zich te uiten of te benoemen wat zij willen. Uit de gesprekken komen mooie wensen en ideeën naar boven, zoals eerlijk worden behandeld, betrokkenheid van leidinggevenden en kansen krijgen. Want zonder kans heb je er immers geen weet van of werk passend is. Helaas zijn er nog veel vooroordelen aan werkgeverskant – zoals dat mensen met een verstandelijke beperking niet goed kunnen werken – en maken wetten en regels het soms ook ingewikkeld. Het idee van inclusie zou ook niet altijd even goed bij de doelen van een bedrijf passen. Zonde, zou je zeggen.
Want ieder mens heeft kwaliteiten en talenten en met een beetje hulp kunnen ze ver komen. Past het echt niet binnen de doelen van een bedrijf of moeten we soms wat beter kijken?
Voermans, M. (2025). How it works for me: Exploring the lived experiences and the dynamic process of creating meaningful work for people with intellectual disabilities. doi.org/10.26116/tsb.12552086doi.org/10.1111/cdev.70030
Er is veel onderzoek gedaan naar behandelingen voor ADHD, zowel bij kinderen als volwassenen. De uitkomsten lopen sterk uiteen. Juist daarom is een zogenoemde umbrella review – een overkoepelende analyse waarin resultaten uit meerdere systematische reviews en meta-analyses worden samengebracht – zo waardevol. In dit onderzoek zijn maar liefst 221 meta-analyses opnieuw geanalyseerd. Elk met een unieke combinatie van deelnemers, interventies, comparators (controle- of vergelijkingsgroepen) en uitkomstmaten.en. Een waardevolle tool om gesprekken met cliënten
Bijzonder is dat dit onderzoek laat zien waarom effectgroottes niet alles zeggen. Een effectgrootte geeft aan hoe sterk een interventie gemiddeld werkt; bewijskracht zegt iets over hoe zeker we van dat effect kunnen zijn, op basis van de kwaliteit en hoeveelheid onderzoek. Die twee lopen in het geval van ADHD-onderzoek verrassend vaak niet gelijk met elkaar op. Niet-medicamenteuze interventies – zoals acupunctuur, ouderbegeleiding, cognitieve gedragstherapie of mindfulness – laten soms grote effecten zien, maar met lage bewijskracht, óf juist kleinere effecten met hogere bewijskracht. Verder laten medicamenteuze behandelingen op korte termijn regelmatig medium tot grote effecten zien op ADHD-symptomen, maar blijken ze tegelijkertijd vaak minder goed te verdragen door cliënten, zeker op volwassen leeftijd. Bijwerkingen spelen daarbij een grote rol. Op de lange termijn vonden de onderzoekers opvallend weinig betrouwbare gegevens, ongeacht het type behandeling.
Voor ons professionals betekent dit vooral dat voorzichtig adviseren essentieel blijft. Grote effecten in statistieken kunnen in de praktijk heel anders uitpakken voor kinderen, jongeren en volwassenen. Shared decision making is daarbij van groot belang. Zorg ervoor dat je als professional goed op de hoogte bent van wat we wel én niet weten over ADHD- interventies en wat per interventie de voor- en nadelen kunnen zijn, zodat je accurate informatie kunt delen met cliënten. Het onderzoeksteam van deze review ontwikkelde hiervoor een toegankelijke website (ebiadhd-database.org) waarop per leeftijdsgroep en per interventie inzichtelijk is gemaakt wat bekend is over effect, bewijskracht en mogelijke bijwerkingen. Een waardevolle tool om gesprekken met cliënten wetenschappelijk goed onderbouwd te voeren.
Gosling, C.J., Garcia-Argibay, M., De Prisco, M., et al. (2025). Benefits and harms of ADHD interventions: umbrella review and platform for shared decision making. doi.org/10.1136/bmj-2025-085875
Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen en Nijmegen – begon in september 2024 aan haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. Dat doet ze bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Afgelopen periode hebben we twee keer het vak Capita Selecta, Maatschappelijke thema’s gehad, waar ik vorige keer over schreef. Van tevoren leek de wetenschappelijke lesdag mij taai, maar het was super interessant en motiverend. Zo ook de lesdag over columns schrijven. We startten met het bedenken welke cliënt ons is bijgebleven en waarom. Op basis daarvan hebben we een column geschreven. Mijn column gaat over het belang van de samenwerking tussen jeugd- en volwassenenzorg. Doordat de volwassenenzorg vaak individualistisch wordt aangepakt en er ook geen overdracht plaatsvindt naar de omgeving, komen gezinnen vaak in de problemen, waardoor de kinderen in de jeugdhulp terechtkomen. Mijns inziens kan dat verbeteren door de zorg aan volwassenen systemisch in te zetten. Onze columns, tevens een Kenmerkende BeroepsSituatie, hebben we allemaal gepubliceerd. Velen van ons op de website van de NVO www.ikkanhet.nl. Het schrijven over het vak is zo drempelverlagend geweest.
In het tweede blok Capita Selecta hebben we twee lesdagen over rouw gehad, één over verslaving en één over seksueel misbruik en seksueel geweld. Inhoudelijk zware thema’s, maar ook nu weer super interessant en inspirerend. Ondanks dat ik met veel van deze problematiek al werk, heb ik tijdens deze lesdagen ook veel nieuwe dingen geleerd. Bijvoorbeeld hoe je met ouders in gesprek kan over het middelengebruik van hun kind en van zichzelf, om hen zo te stimuleren te stoppen met het middelengebruik. Of hoe je in gesprek kan gaan met een kind over verlies en in hoeverre je informatie aan het kind geeft of niet. Ik heb nog nooit zoveel notities meegeschreven als tijdens de inspirerende lesdag van Iva Bicanic, klinisch psycholoog en onlangs benoemd tot hoogleraar ‘Seksueel misbruik van kinderen: de gevolgen en behandeling’ aan het UMC Utrecht. Niet alleen over cijfers, de onderzoeken die ze heeft gedaan, de consequenties, maar ook hoe belangrijk het is om in gesprek te gaan met de gezinnen over de seksuele ontwikkeling en seksuele ervaringen.
Tussen deze blokken door hebben we het blok Cognitieve GedragsTherapie gehad. Dat viel me zwaar, omdat je steeds moet switchen tussen de vakken. De voorbereiding en literatuur zijn veel meer dan de andere vakken, waardoor het meer tijd en energie kost naast het privéleven. Na een paar dagen rust heb ik mijn schouders er weer ondergezet en ben ik er weer vol voor gegaan. Inhoudelijk is het best boeiend en neem ik er veel van mee in de praktijk.
Ook heb ik in januari mijn halfjaarlijkse evaluaties gedaan bij de groepssupervisie en op mijn werk. Dan sta je weer stil bij wat je het afgelopen half jaar geleerd hebt en dat blijkt steeds verbazingwekkend veel. Soms groei je onbewust en door daarbij stil te staan, merk je dat je veel oppikt uit de lessen en supervisie.
Binnenkort starten we met systeemtherapie. Iets waar ik heel erg naar uitkijk, omdat wij dat bij FamilySupporters veelvuldig toepassen en ik veel collega-systeemtherapeuten heb. Ik verheug me erop me daarin te gaan verdiepen. De boeken zijn al binnen én het einde van de opleiding is in zicht.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Liesbeth Klaver – orthopedagoog en filosoof – is al jaren actief als bijzondere curator. Ze runt haar eigen mediation-bureau in Boxtel en zet zich in voor kinderen die klem raken in conflictsituaties. Als bijzondere curator wordt zij door de rechter benoemd wanneer de belangen van een kind botsen met die van de ouders of instanties. Zij vertegenwoordigt uitsluitend het belang en de stem van het kind.
Lees meer
Liesbeth kwam bij het werk als bijzondere curator terecht via een rechter in Breda. Zij werkte toen als mediator en werd gevraagd deze rol op zich te nemen. “Toen de rechter mij uitlegde wat het inhield, dacht ik meteen: dit is precies waar ik iets kan betekenen. Kinderen die klem zitten in een loyaliteitsconflict, daar móet iemand naast gaan staan.”
In haar zoektocht naar een passende werkwijze, ontdekte ze dat er geen duidelijke, uitgewerkte methodiek was voor zo’n belangrijke rol. Vanuit haar eerdere werk was zij vertrouwd met triangulatie en die methode nam zij mee. “Triangulatie betekent voor mij: iedereen horen, terugkoppelen wat je hebt gehoord en opnieuw luisteren naar de reactie daarop. Door perspectieven naast elkaar te leggen, ontstaat er ruimte. Je ziet dan dat er niet één waarheid is.”
Haar aanpak viel op. Een raadsheer uit Den Bosch, die werkte aan een pilot voor bijzondere curatoren, vroeg haar plaats te nemen in de begeleidingscommissie. Haar rapportages werden gewaardeerd. “Het was pionieren,” zegt ze. “Er was veel vrijheid, maar ook veel verantwoordelijkheid.”
In haar werk kiest Liesbeth voor een vaste werkwijze, maar niet voor een strak model.
“Hoe meer je een complexe situatie in een model probeert te vangen, hoe meer je de nuance verliest,” stelt ze. “Ik werk ook vanuit het verhaal. Mensen willen begrepen worden, niet ingepast.”
Door deze werkwijzen te combineren, zoek je niet naar de waarheid maar naar betekenis. Met triangulatie probeer je zo dicht mogelijk bij de feiten, de waarheid, te komen. Met het eigen narratief, zo dicht mogelijk bij de eigen betekenis. Zowel de betrouwbaarheid als de diepte van de betekenis winnen hierbij.
Vanuit ‘denkvragen’ probeert ze samen met het kind of de volwassenen te begrijpen hoe iemand tot zijn denken is gekomen. Haar achtergrond als orthopedagoog is onmisbaar om de ‘klemsituatie’ van het kind te doorgronden. Haar benadering maakt.uiteindelijk zichtbaar hoe het kind zich positioneert in zijn context. Wat herken je aan het gedrag Transparantie is essentieel, Liesbeth legt haar verslagen altijd voor aan de betrokkenen.
“Ik zeg altijd: dit is jullie verhaal. Als er iets niet klopt of anders moet, dan passen we dat aan. Zelfs als het uiteindelijk anders wordt geformuleerd dan ik het heb gehoord. Het gaat erom dat mensen zich eigenaar voelen. Dat vergroot het vertrouwen aanzienlijk. Mensen voelen zich serieus genomen. Dat verandert de toon van het hele traject.”
Ze ziet zichzelf niet als probleemoplosser. “Ik los geen conflicten op. Met de ‘denkvragen’ probeer ik vooral bewustwording op gang te brengen.” Confrontatie met het eigen denken en het denken van de volwassenen in het (gezins)systeem helpen daarbij. Een rechter typeerde haar aanpak ooit als een bewustwordingstraject. Binnen de rechtbank is haar werkwijze ook wel de ‘Boxtelse methode’ genoemd. “Eigenlijk geen methode, maar een transparante manier van werken, volgens een vast patroon.”
In veel zaken ziet Liesbeth hoe ouders, maar ook hun kinderen, zich vastklampen aan hun overtuigingen. “Die overtuigingen geven houvast. Maar ze maken ook dat mensen muurvast komen te zitten. In het gevecht om het gelijk wordt de ander al snel een vijand.” Achter die overtuigingen gaat vaak oude pijn schuil. “Soms hoor ik in het gesprek niet alleen de ouder, maar ook het kind dat iemand ooit was. Afwijzing, trauma, onzekerheid – dat werkt door.” Conflicten worden van de ene generatie op de andere doorgegeven.
Door filosofische en praktische vragen te stellen, nodigt zij ouders uit tot reflectie. “Ik vraag bijvoorbeeld: ‘Kun je er ook anders naar kijken? Dat jouw ervaring waar is, én die van de ander ook?’” Volgens Liesbeth leven we in een tijd waarin kaders verschuiven en zekerheden minder vanzelfsprekend zijn. “Dat maakt mensen onzeker. En onzekerheid vergroot polarisatie. Kinderen bevinden zich ondertussen in een uiterst kwetsbare positie. Hun grootste wens is meestal rust. Veel kinderen proberen zelf oplossingen te bedenken om ruzies te stoppen. Ze cijferen zichzelf weg.”
Ze stelt geen diagnoses. “Ik registreer wat een kind zegt. Zo letterlijk mogelijk. Het zijn hún woorden. Ook die leg ik voor ter correctie. Het moet kloppen voor het kind. Maar ik kijk ook naar hun gedrag. Wat brengen zij daarmee ‘tot uiting’?”
In 2012 verscheen het rapport De bijzondere curator, een lot uit de loterij? van de Kinderombudsman. In die periode is er een klankbordgroep opgericht, waaruit uiteindelijk de Stichting Bijzondere Curator Nederland ontstond. Liesbeth was veertien jaar namens de NVO betrokken bij deze ontwikkeling.
“Het is belangrijk dat de stem van het kind steviger wordt verankerd,”zegt ze. Ze vindt het jammer dat de achtergrond van steeds meer bijzondere curatoren een juridische is. Ook voor de zaken waarbij de rechtbank gedragsdeskundige expertise noodzakelijk vindt. Tegelijkertijd ziet ze dat de complexiteit van casussen toeneemt. “Bijzondere curatoren worden vaak pas ingeschakeld als het conflict al volledig is geëscaleerd. Dan is er al veel beschadigd.” Ook de maatschappelijke context verandert. “Technologie, globalisering, verschillen tussen gezinnen, armoede – het speelt allemaal mee. Niet elk kind krijgt vanzelfsprekend de ruimte om zijn verhaal te doen.” Volgens haar is het daarom essentieel dat gedragsdeskundige kennis aanwezig blijft in de rechtbank. “Juist nu.”
Hoewel zij basiskennis van wetgeving noodzakelijk vindt, ziet zij het juridische kader als het domein van de rechter en advocaten. “Ik haal geen wetsartikelen aan in mijn rapportages. Dat is niet mijn rol. Mijn bijdrage is het gedragsdeskundige perspectief: wat gebeurt hier in deze dynamiek? Wat betekent dit voor het kind?”
Een belangrijk knelpunt is de beperkte tijd. “Gemiddeld krijg je tien uur per zaak. Dat is te weinig voor de zorgvuldigheid die je wil bieden.” Ze doet dit werk dan ook deels vanuit idealisme. “Ik zie hoe kinderen in het systeem soms niet echt gehoord worden. Dan kun je niet anders dan je blijven inzetten.”
Er zouden meer orthopedagogen bijzondere curator moeten worden, vindt ze. “De rechtbanken hebben gedragsdeskundige expertise nodig, maar het kindperspectief vraagt om een andere bril dan de juridische. Dat was ook de oorspronkelijke bedoeling. Er staan momenteel slechts zo’n twaalf orthopedagogen of psychologen op de lijst van inzetbare bijzondere curatoren, minder dan tien procent. Veel te weinig. Terwijl de vraag groot is.”
De beperkte vergoeding en tijdsinzet vormden een belemmering, maar hier is sinds kort verandering in gekomen. Dat biedt meer mogelijkheden. “Met goede inschattingen en gerichte inzet kun je veel betekenen. En soms voorkom je dat een kind nog vijf keer zijn verhaal moet doen bij verschillende instanties.”
Liesbeth zou het toejuichen als NVO-leden die werken met ouders en kinderen in (vecht) scheidingen met elkaar in gesprek gaan. De NVO kan dit gesprek faciliteren. Het gaat met name om de NVO-leden die ook als bijzondere curator benoemd willen worden. De vraag die in dit gesprek aan de orde moet worden gesteld is: Hoe positioneert de NVO-er zich in de rechtspraak? Belangstellenden kunnen zich per e-mail melden bij de NVO via communicatie@nvo.nl.
De vraag naar bijzondere curatoren zal niet verdwijnen. “Integendeel. Gedragsdeskundige kennis hoort thuis op de plek waar beslissingen worden genomen over het leven van kinderen.”
Voor Liesbeth staat één overtuiging centraal ”Kinderen moeten gehoord worden. Juist als volwassenen vastlopen. Als bijzondere curator kun je het conflict niet altijd oplossen. Maar je kunt wel ruimte maken voor reflectie, niet alleen voor de betrokkenen, maar ook voor het systeem van zorg en recht. Dat kan een groot verschil maken.”
tekst: Marijke Buisman
Onlangs heb ik een congres bezocht georganiseerd door het Kennisplatfor AI in de GGz. Floriane Jaspers, kinder- en jeugdpsychiater en initiatiefnemer van het Kennisplatform, doet de aftrap. Ik val middenin een lesje IT-geschiedenis: van Alan Turing en binaire nummers tot algoritmes en machine learning. Termen waar ik me normaal ver vandaan houd, ik richt me liever op mensen en verbinding. Toch raak ik snel gegrepen.
Lees meer
Wie nu niet meebeweegt, blijft achter, dat gevoel overheerst. Binnen de ggz wordt al sinds 2010 gewerkt aan kunstmatige intelligentie (AI). Van ontkiemen tot exploreren, inmiddels zit AI in de implementatiefase: toepassingen verschijnen in de praktijk, de EU AI ACT is van kracht, en AI zal steeds meer een plek krijgen in ggz opleidingen. De lezingen op het congres tonen hoe breed de inzet van AI in de ggz inmiddels is; van diagnostiek tot behandeling, van risicotaxatie tot dementiezorg.
Wim Veling, hoofd Virtual Reality Mental Health lab en psychiater bij het UMC Groningen, presenteert zijn onderzoek naar de virtuele psychiater. Zijn team onderzoekt of elementen van cognitieve gedragstherapie en virtual reality geautomatiseerd kunnen worden. De resultaten zijn hoopgevend, maar ook spannend.
chatbots blijken niet altijd onschuldig: voor mensen met een psychotische kwetsbaarheid kunnen ze zelfs riskant zijn. Waar een mens nuance en tegenspraak kan bieden, bevestigt een chatbot vaak wat iemand zegt, met het risico dat denkfouten of wanen worden versterkt. “Technologie is niet neutraal,” benadrukt Veling. Daarmee raakt hij een kernpunt van de dag: AI vraagt om menselijk ontwerp. Niet alleen technisch, maar ook ethisch. Wie bepaalt wat technologie mag doen, welke waarden erin vervat zijn, en wie verantwoordelijk is voor wat eruit komt?
Theo Gevers, hoogleraar computer vision, breidt het perspectief uit. Zijn verhaal over deepfake therapie en generatieve AI laat zien hoe snel het veld zich ontwikkelt. In deepfake-therapie worden elementen van imaginaire therapie gecombineerd met virtuele blootstelling. Cliënten blijven in behandeling bij hun therapeut, maar oefenen tussendoor met een AI programma dat motiveert, begeleidt of feedback geeft. Denk aan toepassingen als Talk2Talk, gericht op stressmanagement en gedragsverandering.
Toch is ook hier nuance nodig: taalmodellen als ChatGPT ‘vlakken af’ volgens Gevers. Omdat ze trainen op bestaande data, die ze daarna opnieuw gebruiken, neemt de vernieuwing af. Zijn oproep: Werk samen – als zorgprofessionals, onderzoekers en technici – zodat innovatie ten dienste blijft staan van de mens.
Een voorbeeld van die samenwerking komt van onderzoeker aan de Tilburg University Ilja Bongers, die in een tbs-kliniek een AI-tool ontwikkelde voor risicotaxaties. Waar gedragswetenschappers zich vroeger door dossiers van een halve meter moesten worstelen, levert de tool nu een snel overzicht op één A4. De beslissingen blijven bij mensen, maar de voorbereiding is vele malen efficiënter.
Wijnand IJsselsteijn van de Technische Universiteit Eindhoven laat zien hoe AI kan bijdragen aan de zorg voor mensen met dementie. Zijn project rond hybride intelligentie, de samenwerking tussen mens en AI, richt zich op praktische ondersteuning in het dagelijks leven. Zoals geheugenhulpen of navigatiesystemen, die zich aanpassen aan de gebruiker. Hij introduceert het begrip warme technologie: innovaties die niet alleen slim zijn, maar ook empathisch, mensgericht en ondersteunend. Co-creatie met cliënten en zorgverleners staat daarbij centraal.
Tot slot presenteert Wiepke Cahn van het UMC Utrecht het Psychose Prognose Predictor Project, waarin AI wordt ingezet om op basis van klinische gegevens en leefstijlfactoren het beloop van psychotische aandoeningen te voorspellen. De modellen helpen behandelaren bij het inschatten van herstelkansen en risico’s, zonder de menselijke besluitvorming te vervangen.
Hoewel de voorbeelden veelbelovend zijn, blijkt tijdens het congres ook hoe complex de implementatie van AI in de ggz is. Succesvolle toepassing kan alleen ontstaan wanneer management, professionals en wetenschap samenwerken.
Daarnaast vraagt AI om een bredere cultuurverschuiving. Professionals moeten leren samenwerken met algoritmes, zonder hun autonomie te verliezen: kritisch blijven, begrijpen hoe een model werkt en vooral weten wanneer je het níet moet gebruiken. Dit proces vraagt om scholing, maar ook om onderling vertrouwen, zowel in technologie als in de eigen beroepsgroep.
Een intrigerende vraag die Veling stelt, raakt aan iets diepers: waarom zijn psychologen en pedagogen bang om vervangen te worden? Misschien gaat dit vooral over identiteit. In een tijd waarin systemen kunnen meedenken, moeten we opnieuw bepalen wie we zijn als professional. Bang om onze baan te verliezen, hoeven we volgens Veling niet te zijn, de werkdruk en wachtlijsten zijn immers enorm. Gevers vindt dat we juist daarom als beroepsgroep de verantwoordelijkheid hebben om te onderzoeken hoe AI wél waardevol en verantwoord kan worden ingezet, want cliënten kunnen er daadwerkelijk baat bij hebben.
De ethische dimensie komt duidelijk naar voren in de presentatie van promovendus bij UMC Amsterdam Mehrdad Rahsepar Meadi, die chatbots in de ggz onderzoekt. Hij onderscheidt drie typen: algemene
chatbots (zoals ChatGPT), mental health-chatbots (zoals Woebot of Wysa) en companion chatbots die langdurige gesprekken aangaan. Voordelen van chatbots zijn er zeker: geen wachttijden, altijd beschikbaar en laagdrempelig. Maar Rahsepar Meadi benoemde ook tien risico’s en zorgen: van privacy en verantwoordelijkheid tot empathie, rechtvaardigheid en vermenselijking. De onderzoeksvraag waarop hij promoveert is: onder welke voorwaarden is het verantwoord om AI-chatbots in de ggz in te zetten? De vraag raakt aan een fundamenteel punt: Wie is aansprakelijk als een chatbot verkeerd reageert of schade veroorzaakt? Technologie mag dan efficiënt zijn, maar verantwoordelijkheid kan je niet uitbesteden. Tegelijkertijd zullen we ook niet uitvinden hoe we met AI kunnen samenwerken als we het als beroepsgroep teveel uit de weg gaan.
Als pedagoog verlaat ik het congres met een mengeling van enthousiasme en voorzichtigheid. Ja, ik zie kansen. AI kan mij ondersteunen in mijn werk, bijvoorbeeld bij het maken van target- afbeeldingen voor EMDR, het ontwikkelen van psycho-educatie of metaforen en het ontwerpen van groepsbehandelingen. De meer geavanceerde AI-systemen kunnen ook gesprekken omzetten naar verslagen, mij als professional kritisch bevragen op bias en simulaties van rollenspellen of pre-teaching ontwikkelen. Maar ik voel ook sterk dat er een grens ligt bij datgene waar we geen verantwoordelijke meer voor kunnen aanwijzen. Als beroepsgroep moeten we onszelf, denk ik, vragen blijven stellen:
De toekomst van de ggz draait niet om de vraag óf AI zijn intrede
doet, maar hoé en hoe wij daar als professionals mee omgaan.
tekst: Rianne Manenschijn
Meer lezen
In de vorige Pedagoog schreef ik over de serie Adolescence, waarin een jongen een meisje van zijn leeftijd vermoordt. Mirthe Verbeek schreef haar proefschrift over de preventie van seksueel- en datinggeweld bij jongens en jonge mannen. Ze is minder enthousiast over de serie dan ik. Benieuwd naar haar bevindingen zocht ik haar op in het Sjoerd Groenmangebouw, bij de afdeling Interdisciplinaire Sociale Wetenschap van de Universiteit Utrecht.
Lees meer
2026 – heden
Postdoc T@CKLE Project, Mapping Diverse Pathways to Perpetration of Sexually Transgressive Behavior, Universiteit
Utrecht
2025 – 2025
Docent Interdisciplinaire Sociale Wetenschap, Universiteit Utrecht
2020 – 2025
Promotietraject, Move Up! Project, Erasmus Universiteit Rotterdam
2019 – 2020
Docent Psychologie, Vrije Universiteit Amsterdam
2016 – 2018
Research Master Development and Socialization in Childhood and Adolescence, Universiteit Utrecht
2013 – 2016
Bachelor Psychologie, richting Klinische Kind- en Jeugd en Sociale Psychologie, Universiteit Utrecht
Waarom heb je dit onderwerp gekozen voor je proefschrift?
“De lessen over de psychoseksuele gezondheid op school gingen lange tijd vooral over risicogedrag. De focus lag op meisjes beschermen – ‘jongens zoeken het zelf wel uit’ – en voorlichting over risico’s op soa’s en zwangerschap. Het idee is vaak dat meisjes ‘gatekeeper’ zijn en jongens altijd zin in seks hebben. Daarin zit ongelijkheid en daar wilde ik graag onderzoek naar doen. Dit project kwam voorbij: er was geld voor de evaluatie van de Make a Move(+) programma’s. Toen ben ik ingestapt.”
Seksueel- en datinggeweld, kortweg SDG, wat moeten we daaronder verstaan?
“In het Nederlands spreken we meestal van seksueel grensoverschrijdend gedrag. Dat gaat van seksistische opmerkingen tot aan verkrachting. Dating geweld gaat specifiek over geweld binnen een romantische relatie. Het is emotioneel, psychisch, fysiek of seksueel van aard: schelden, schoppen, slaan, dwang. Het meest voorkomende seksueel grensoverschrijdende gedrag is het maken van seksueel getinte opmerkingen en ongewenste aanrakingen. Zwaardere vormen komen ook voor, zowel bij meisjes als jongens. Net als online gedrag, zoals het doorsturen van naaktfoto’s zonder toestemming en dickpics zonder dat iemand erom gevraagd heeft. Die dingen zijn allemaal strafbaar tegenwoordig. We hebben in ons onderzoek dus een brede definitie gebruikt, net als Rutgers1 die het programma heeft ontwikkeld.”
Waarom richtte je je op deze doelgroep?
“Rutgers heeft het preventieprogramma Make a Move ontwikkeldvoor jongens van 12 tot 18 jaar in de residentiële jeugdzorg. Dat is uitgebreid naar jeugdwerk en onderwijs, VMBO-MBO. Uit de praktijk kwam de vraag naar een minder talig programma, bruikbaar voor jongens in het speciaal onderwijs en praktijkonderwijs. Daarom is Make a Move+ ontwikkeld, voor jongens met een licht verstandelijke beperking (LVB) tussen de 14 en 21 jaar. Het ging ons om het effect van het programma en hoe het werd uitgevoerd. Meestal was dat in het derde leerjaar van school, als jongens een jaar of 14, 15 zijn.”
Hoe ziet het preventieprogramma Make a Move eruit?
“Het bestaat uit acht sessies van anderhalf uur met verschillende werkvormen, zoals quizzen, uitleg, filmpjes van Can you fix it?2 die een dilemma aankaarten, groepsdiscussies en rollenspelen. Het programma heeft een opbouw. Eerst elkaar leren kennen, wat basale anatomielessen van de geslachtsorganen en afspraken over bij welke woorden iedereen zich comfortabel voelt. Dan meer relationele thema’s, zoals: wat doe je met een vriendje of vriendinnetje, wie zou jouw ideale partner zijn en wat heb je zelf te bieden als partner? Vanaf de vijfde sessie gaat het meer over seks: wat is leuke seks, wat is veilige seks, wat zijn wensen en grenzen?”
Heb je zelf ook gezien hoe er in de praktijk mee werdgewerkt?
“Ja, ik heb een paar willekeurige sessies online meegekeken naar wat de trainer deed, om te turven welke onderdelen van het programma wel en niet volledig werden uitgevoerd. Zo kregen we een beeld hoe veel van het programma aangeboden werd. Mijn collega’s van Atria3 hebben er in drie groepen bij gezeten en alle sessies meegekeken. Ze hebben verslagen gemaakt over de interactie tussen jongens, trainers en materiaal. Uit de observaties haalde ik dat de programma’s nogal vol zitten. Per sessie van anderhalf uur moeten meestal zo’n vijf onderdelen worden uitgevoerd. Veel scholen en jeugdzorgorganisaties zeiden ‘leuk, maar we hebben vijftig minuten, geen negentig’, of ‘wij hebben wel voldoende tijd, maar het is te lang voor de jongens’. Dan moet je het programma in minder tijd doen, met jongens die bovendien snel afgeleid zijn, grappen maken en met elkaar bezig zijn. De trainers hadden een pittige taak. Sommige groepen waren te groot: een klas van twaalf leerlingen met één trainer in plaats van zes tot acht met twee trainers.”
Van de jongens met een LVB rapporteert maar liefst een derde dat ze dader van SDG zijn geweest. Over welk gedrag hebben we het dan?
“Het hoogste percentage was voor het doorsturen van naaktfoto’s. Dat is gedrag waar veel jongens met een LVB vaak niet de consequenties van zien. Ze krijgen die foto’s zelf ook doorgestuurd en het kan zijn dat ze degene op de foto niet kennen. Ze voelen dan niet dat ze iets verkeerd doen en leggen vaak de schuld bij het slachtoffer: dan had die de foto maar niet moeten maken. Iemand dwingen tot seksuele handelingen scoort op de meeste metingen nul procent. Iemand daartoe overhalen levert een hoger percentage op. Een interessant onderscheid dat jongens blijkbaar maken. Voor degene die overgehaald werd kan het wel als dwang hebben gevoeld.”
In je onderzoek zitten ook jongens die (dating-) geweld rechtvaardigen en vinden dat mannen moeten domineren over vrouwen. Ik lees dat dit niet te maken heeft met een laag gevoel van eigenwaarde of weinig weerstand tegen groepsdruk. Waar komt deze attitude dan vandaan? Spelen de manosphere en influencers zoals Andrew Tate hier een rol, zoals in ‘Adolescence’?
“Dat speelde toen ik begon in 2020 allemaal nog niet zo sterk. Toen was net de BOOS-uitzending over de misstanden bij The Voice of Holland geweest. Sindsdien is het wel een belangrijk thema in Nederland. Het zijn trouwens maar heel weinig jongens die zich op deze manier uiten hoor! Verreweg de meeste jongens staan helemaal niet positief tegenover SDG. Waar die attitude vandaan komt hebben. we niet in dit onderzoek getoetst. Ander onderzoek laat wel zien dat jongens met een lagere sociaal-economische status relatief vaker vasthouden aan rigide mannelijkheidsnormen.”
Je hebt weinig bewijs gevonden voor de effectiviteit van Make a Move. Er zijn zelfs jongens die na het volgen van het programma negatiever dachten over meisjes. Hun positieve intenties in het geval van seksuele afwijzing waren afgenomen. Is dat niet verontrustend?
“Dat zou inderdaad zeer verontrustend zijn, maar ik moet opnieuw zeggen dat die conclusie op basis van heel weinig jongens is getrokken. Onze dataverzameling van Make a Move is een beetje in de soep gelopen. We hadden bij de follow-up nog maar zeven jongens over die het programma hadden gevolgd en de vragenlijst hebben ingevuld. Ik heb door allerlei hoepels moeten springen om daar nog een analyse op los te laten. Bij een paar jongens zagen we inderdaad die toename in negatieve attitudes. We moeten dit signaal wel serieus nemen, maar er ook weer niet te zwaar aan tillen.”
Kun je zeggen dat ‘wat je aandacht geeft, groeit’? En dat er misschien te veel aandacht uitgegaan is naar het negatieve gedrag?
“Het programma zelf heeft een positieve insteek, maar in de praktijk zag je dat er door tijdgebrek en de korte spanningsboog soms nog snel even de risico’s benoemd werden. Ook hadden trainers niet altijd tijd om op alle stoere praat in te gaan, of dit te corrigeren. Daardoor heeft het negatieve mogelijk meer aandacht gekregen dan de bedoeling was. Maar als jongens alléén wordt geleerd dat ze zo veel mogelijk hun eigen plezier achterna mogen lopen, dan is dat óók een voedingsbodem voor grensoverschrijding. Daarom vraagt het in de uitvoering van zo’n programma om een goede balans. Het oefenen van gewenst gedrag, bijvoorbeeld hoe je een vriend aanspreekt die een meisje op de billen tikt, zat vooral in de rollenspellen. En die werden vaak overgeslagen.”
Wat zijn jouw aanbevelingen?
“De lessen insteken vanuit de motivatie, die er ook bij jongens is, positieve romantische en seksuele ervaringen op te doen. Het aantal doelen van het programma beperken en vooral aandacht besteden aan de sterkste voorspellers van wat je wilt bereiken. Trainers zo uitrusten dat ze programma’s kunnen uitvoeren zoals ze zijn bedoeld, dus met voldoende vaardigheden, tijd en ruimte. Liever meer tijd nemen voor doelen die nog niet bereikt zijn dan alvast verdergaan met het volgende doel. En, last but not least, aandacht voor slachtofferschap onder jongens, want een aanzienlijk deel van de jongens in mijn onderzoek rapporteerde dat en het wordt weinig erkend. Het gaat bijvoorbeeld om gezoend worden zonder toestemming, naaktfoto’s die worden doorgestuurd en aanraking op ongewenste plekken. Allemaal even grensoverschrijdend als bij meisjes. Als je gezegd wordt dat je grenzen van meisjes en vrouwen moet respecteren, maar je eigen grenzen worden steeds overschreden zonder dat daar aandacht voor is, dan komt die boodschap mogelijk minder goed aan.”
De meeste jongens zullen natuurlijk nooit met dit programma te maken krijgen. Bij wie ligt de verantwoordelijkheid om die jongens op een goede manier voor te lichten volgens jou?
“Ik denk dat we die taak als hele samenleving dragen. We hebben een norm te stellen. Een handige tool is de piramide van gender- gerelateerd geweld, onlangs ontwikkeld door Atria. Boven in de top staat femicide, maar aan de basis vind je seksistische opmerkingen, uitsluiting en discriminatie van gender- of seksueel diverse personen. Daar ligt de voedingsbodem voor heftigere vormen van geweld. Zolang we het normaal vinden dat emotionele afstandelijkheid, agressie en seksuele activiteit horen bij het man-zijn en dat mannen bovendien rijk en succesvol moeten zijn, dan zullen veel mannen, zeker die met een LVB, daar niet aan kunnen voldoen. Met mogelijk vervelende gevolgen. Om dat te veranderen is een cultuuromslag nodig. En positieve rolmodellen.”
Wat wil je onze lezers meegeven?
“Vergeet niet dat ook jongens ondersteuning nodig hebben bij relaties en seksualiteit en dat ze daar iets over kunnen en meestal ook willen leren. Daarbij is preventief inzetten op een positieve romantische en seksuele ontwikkeling mijns inziens beter dan jongens aanspreken uit angst voor wat ze bijvoorbeeld online tegenkomen, naar aanleiding van een fictief en extreem voorbeeld zoals in de serie Adolescence.”
tekst: Andries Kamminga
foto: Froukje Vernooij
‘Wat kom je doen?’, vraagt de Bulgaarse Nikolay als ik zijn klas binnenkom en naar hem toe loop. ‘Je bedanken voor je armbandje’, zeg ik. ‘Zullen we samen een foto maken?’ Hij ontspant meteen en we gaan lachend op de foto.
Lees meer
We zijn tegelijk begonnen op school. December 2023. Ik mag nog komen kijken of het wat voor me is, Nikolay heeft geen keuze: hij is net vier jaar geworden. Met grote ogen zit hij om zich heen te kijken, zoekend naar houvast. Als ik naast ‘m ga zitten begint hij meteen te praten. Geruststellend terugpraten is het enige dat ik kan doen, echt begrijpen wat hij me probeert te vertellen zit er dan nog niet in.
De eerste maanden maken zijn juf Els en ik ons best zorgen. Hij is veel in zichzelf gekeerd en lijkt zich snel te verliezen in z’n fantasiewereld waar monsters een grote rol spelen. Soms staat hij opeens voor ons, z’n handjes dicht bij elkaar: ‘M’n zusje is zó klein.’ Pas als juf Els op huisbezoek gaat hoort ze dat het zusje zeer prematuur geboren is en het lang onzeker is geweest of ze zou blijven leven.
Het tweede schooljaar zit Nikolay in m’n wekelijkse taalklas en zie ik ‘m tot bloei komen. Zijn taal ontwikkelt zich goed, hij heeft vrienden, is vaak een grote hulp en loopt trots met zijn borst vooruit door de school. Thuis lijkt de rust te zijn neergedaald.
Maar dan komt de volgende klap voor het gezin, vader wordt ziek. Nikolay heeft hierbij verwarrende gevoelens. Hij weet dat het niet goed gaat met z’n vader, maar die is nu wel altijd thuis en dat is fijn. Juf Els heeft het vertrouwen van moeder gewonnen en we worden op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen.
Na de zomervakantie blijkt dat er geen behandeling meer mogelijk is. En na de herfstvakantie horen we dat z’n vader is overleden. Nu zit ik naast Nikolay met het armbandje dat hij als afscheid voor me heeft gemaakt.
“Ons huis gaat instorten, dus we verhuizen naar Bulgarije”, zegt hij. Even heb ik de neiging om hem te verbeteren. Maar dan denk ik aan z’n moeder, die ik de afgelopen maanden als brugfunctionaris heb geprobeerd te begeleiden. Bijna twintig jaar heeft ze hier met haar man gewoond. Ze hadden samen een bedrijf en een koophuis. En nu brokkelt alles af. Ze gaat weg voor het instort.
“Hebben jullie een mooi stevig huis bij oma in Bulgarije?”, vraag ik dan maar. “Ja”, zegt hij.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart is orthopedagoog. Hij werkt als brugfunctionaris en leraar op een basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De gebruikte namen zijn gefingeerd.
Wat is er bekend over de effecten van het volgen van speciaal onderwijs op leerlingen? Het Verwey-Jonker Instituut deed hier onderzoek naar, op verzoek van Auris – gespecialiseerd in cluster 2-onderwijs. Meer aandacht voor sociale inclusie en extra aandacht bij de wisseling van speciaal naar regulier onderwijs lijken nodig.
Lees meer
Sinds de invoering van de Wet passend onderwijs in 2014 hebben scholen een zorgplicht om een passende onderwijsplek te bieden aan alle leerlingen, inclusief die leerlingen die extra begeleiding en ondersteuning nodig hebben (inclusief onderwijs). Naast regulier onderwijs is er speciaal basisonderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs. In 2024 ging 4,8% van de leerlingen in het primair onderwijs naar het speciaal basisonderwijs of speciaal onderwijs. In het voortgezet speciaal onderwijs was dat 4,1%.1
Het onderzoek door het Verwey-Jonker Instituut2 betreft het gehele cluster 2-onderwijs in Nederland, niet alleen van Auris. Het onderzoek, dat bestaat uit literatuuranalyse, data-analyse en beleidsanalyse, geeft een genuanceerd beeld van de impact van speciaal onderwijs op leerlingen, dat per domein verschilt. De overkoepelende conclusie is dat leerlingen die regulier onderwijs volgen, met ondersteuning vanuit het speciaal onderwijs, gemiddeld beter scoren op schoolprestaties, schoolloopbaan en werk en inkomen, vergeleken met leerlingen in het speciaal onderwijs. Selectieve plaatsing is hier een gedeeltelijke verklaring voor: leerlingen in het speciaal onderwijs hebben vaak complexere ondersteuningsbehoeften. Voor sociale uitkomsten en welbevinden – zoals sociale vaardigheden, de relatie met leeftijdsgenoten en de leraar-leerling relatie – lopen de resultaten meer uiteen. Kleine groepen en een omgeving met leerlingen met vergelijkbare ondersteuningsbehoeften hebben mogelijk positieve effecten. Met name de relaties met andere leerlingen lijken leerlingen in het speciaal onderwijs positiever te ervaren dan in het reguliere onderwijs met extra ondersteuning. Een opvallende conclusie is dat wisseling tussen speciaal en regulier onderwijs (naar beide kanten) in het algemeen niet positief uitwerkt. Dit onderstreept het belang van stabiliteit en gerichte ondersteuning. De resultaten laten zien dat versterking van zowel inclusief als speciaal onderwijs nodig is, plus ondersteuning van de overgang van speciaal naar regulier onderwijs.
Over het onderzoek en de resultaten praat ik door met Bas Tierolf, orthopedagoog en senior onderzoeker bij het Verwey-Jonker Instituut en Annelies de Leeuw, hoofd beleid, kwaliteit, onderzoek en innovatie bij Auris. Annelies de Leeuw legt uit dat cluster 2-onderwijs, waar Auris zich op richt, bedoeld is voor leerlingen met een taalontwikkelingsstoornis en voor dove en slechthorende leerlingen. Bij alle leerlingen vraagt hun communicatieve participatie extra aandacht en dus ondersteuning. Ze vertelt dat Auris, naast speciaal onderwijs, ambulante dienstverlening biedt waarbij specialistische kennis naar de reguliere scholen gebracht wordt. “Bij elke aanmelding kijken we secuur wat de onderwijs-ondersteuningsbehoefte is van een leerling: wat heeft de leerling nodig om zich goed verder te kunnen ontwikkelen?
De ambulante dienstverlening is niet alleen gericht op de leerling zelf, maar ook op de leerkracht en mogelijke aanpassingen in bijvoorbeeld didactiek. Het doel is om kennis duurzaam naar het onderwijs te brengen. Aanleiding voor het onderzoek was de vraag wat er precies bekend is over de effecten van langdurig volgen van gespecialiseerd onderwijs op de cognitieve en de sociaal-emotionele ontwikkeling.” Voor onderzoeker Bas Tierolf was de grootste verrassing dat de wisseling van speciaal onderwijs naar regulier onderwijs een negatief effect heeft. Een wisseling moet daarom altijd zorgvuldig begeleid worden, vindt hij. “Kinderen stappen over naar het regulier onderwijs op basis van verwachtingen over de mogelijkheden die dat biedt voor hun ontwikkeling, terwijl het onderzoek laat zien dat kinderen juist meer moeite hebben met zo’n overgang.”
Volgens Annelies is het onderzoek enerzijds een bevestiging van waar Auris al mee bezig was: specialistische kennis naar het regulier onderwijs brengen. Anderzijds is het een verdieping van hoe er al nagedacht wordt over de overgang van speciaal naar regulier onderwijs. “Auris gaat hier zorgvuldig mee om. Er wordt altijd gekeken of een kind met ondersteuning op de eigen school kan blijven en een terugplaatsing wordt zorgvuldig begeleid. Kinderen krijgen altijd een arrangement mee bij deze overgang, zodat er een warme overdracht is van de onderwijsleerbehoeften.”
Een andere verdieping is dat de focus niet alleen moet liggen op de cognitieve ontwikkeling, maar ook op sociale inclusie. Recent heeft Auris een werkproces ontwikkeld met ondersteunend materiaal voor ouders, zodat zij inzicht krijgen in wat een overgang betekent voor hun kind.
Hoewel resultaten niet zomaar generaliseerbaar zijn naar scholen in andere clusters, lijkt de wisseling van speciaal naar regulier onderwijs en de aandacht voor sociale inclusie wel voor alle scholen van groot belang. Adviezen van Bas en Annelies zijn dan ook hier op gericht:
tekst: Marleen Baeten
foto: Koninklijke Auris Groep
1 www.ocwincijfers.nl/themas/passend-onderwijs/leerlingaantallen
2 www.verwey-jonker.nl/publicatie/effecten-langdurig-volgen-speciaal- onderwijs-op-leerlingen-en-hun leven
Cluster 3 en 4 scholen zijn onderdeel van de samenwerkingsverbanden passend onderwijs, waarbij scholen voor regulier onderwijs en speciaal onderwijs samenwerken om de zorgplicht te vervullen. Cluster 1 en 2 zijn landelijk georganiseerd. Leerlingen binnen cluster 1 en 2 kunnen naar een school voor speciaal onderwijs of krijgen ambulante ondersteuning van de cluster 1 of 2 school.
bron: www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/passend-onderwijs/speciaal-onderwijs
Het Jeugd Expertise Punt – kortweg JEP – Veendam is een samenwerkingsverband waarin onderwijs, jeugdhulp, het medische en sociale domein elkaar vinden. De eigenzinnige aanpak van JEP heeft geleid tot het verdwijnen van wachtlijsten, een verlaging van de kosten en een vermindering van crisissituaties. Een gesprek met twee betrokkenen: Lisse Wesselink, orthopedagoog bij Team050 en Maarten Wetterauw, directeur algemene zaken bij Molendrift.
Lees meer
Lisse Wesselink, orthopedagoog bij Team050 in Groningen. Team050 biedt ambulante begeleiding aan kinderen en jongeren, thuis, op school of op een andere plek.
Maarten Wetterauw, directeur algemene zaken bij Molendrift, een specialistische zorgorganisatie in Groningen die hulp biedt aan kinderen, jongeren en volwassenen die vastlopen in het dagelijks leven.
Sinds gemeenten vanaf 2015 verantwoordelijk zijn voor jeugdhulp, hebben de problemen zich in veel gemeenten opgestapeld. Er is sprake van een wildgroei van aanbieders, lange wachtlijsten en oplopende financiële tekorten. Een op de zeven Nederlandse kinderen en jongeren maakt jaarlijks gebruik van jeugdhulp, wat de houdbaarheid en continuïteit van het stelsel sterk onder druk zet.
In Veendam is voor een aanpak gekozen om het tij te keren. De gemeente besloot alle ambulante jeugdhulp te beleggen bij het Jeugd Expertise Punt (JEP) Veendam, een samenwerkingsverband van zes organisaties voor jeugdhulp.1 Een van de opvallendste elementen van de aanpak van JEP is dat de specialisten ‘naar de voorkant’ zijn gehaald; op iedere school, in iedere kinderopvang en in iedere huisartsenpraktijk in de gemeente is één dag(deel) per week een orthopedagoog of psycholoog aan het werk.
Lisse Wesselink en Maarten Wetterauw werken beiden voor een JEP-partner: Lisse voor Team050, met name gericht op ambulante begeleiding en Maarten voor Molendrift, met de focus op behandeling.
Wat was de aanleiding om de jeugdhulp in Veendam anders in te richten en hoe hebben jullie de gemeente daarin mee gekregen?
Maarten: “Zoals in zoveel gemeenten stond ook hier in het noorden de jeugdhulp onder druk. In Veendam en omstreken waren er 220 aanbieders van jeugdhulp. Dat was de aanleiding voor wethouder Ans Grimbergen om het anders te willen doen. We zijn met een aantal partijen bij elkaar gaan zitten om te bespreken hoe we het beter kunnen inrichten. Dat heeft behoorlijk wat voeten in aarde gehad, maar uiteindelijk is de aanpak ontstaan zoals JEP die nu in praktijk brengt.
JEP is niet alleen verantwoordelijk voor de ambulante jeugdhulp, maar ook voor het budget. De zes deelnemende partijen in JEP zijn dus risicodragend. Niet iedereen wilde dat. De zes werken nauw samen met acht andere jeugdhulp aanbieders, die niet risicodragend zijn, maar zich wel conformeren aan de JEP-werkwijze. In 2023 is JEP van start gegaan. In het begin hadden we wat aanloopproblemen, maar de wethouder is ons altijd blijven verdedigen. Die volhardende visie vanuit de gemeente is voor ons erg belangrijk geweest.”
‘Eerder is kleiner’ is een van de principes van de werkwijze van JEP, waarmee wordt bedoeld dat hoogopgeleide professionals eerder betrokken raken.
Maarten: “We hebben een uitgebreide data-analyse gedaan voordat we begonnen en daaruit bleek dat wachten op passende hulp de problemen vaak alleen maar groter maakt. Veel kinderen en jongeren zaten drie, vier jaar in de zorg, waarbij ze allerlei soorten hulp kregen en van de ene aanbieder naar de andere gingen. Dat werkte niet, en zorgde tegelijkertijd voor financiële stress bij de gemeente. Die stress wilden we eruit halen. Dus hebben we gezegd: we zetten die hoogopgeleide professional aan de voorkant en maken de toegang tot die professional heel laagdrempelig. De problemen zijn dan vaak nog klein en ouders durven zelf met tips aan de slag te gaan.”
Lisse: “Als orthopedagoog werk ik een dag per week op een basisschool en een dag in een huisartsenpraktijk. Ouders kunnen mij gewoon benaderen als ze ergens mee zitten en dan gaan we meteen aan de slag. We werken dus niet meer met verwijzers of wachtlijsten.”
Maarten: “Normaal gesproken komen cliënten eerst bij een loket, maar nu meteen bij een gedragswetenschapper zoals Lisse. Inmiddels weten we dat Lisse en haar collega’s zo’n zestig procent van de hulpvragen in gemiddeld vier gesprekken kunnen afhandelen, zonder dat verdere hulp nodig is.”
Lisse: “Laatst kwam er een moeder overstuur bij me binnen omdat haar zoontje die ochtend thuis helemaal door het lint was gegaan. Het helpt vaak al enorm als ouders hun verhaal bij me kwijt kunnen. Ik probeer als het even kan te normaliseren, bijvoorbeeld door te zeggen dat een driftbui er soms gewoon bij hoort. En dan geef ik wat praktische tips. Als het echt nodig is, gaan we natuurlijk wel wat opstarten. Maar juist omdat je er zo vroeg bij bent, kun je in veel gevallen aan preventie doen. Daarom hebben wij geen wachtlijsten; we kunnen veel vragen klein houden. Als dat niet voldoende is, kan ik zelf bijvoorbeeld ook kortdurende behandeling bieden. Bij ingewikkelder vragen verwijs ik heel gericht door naar bij JEP aangesloten aanbieders, die het ook weer wachttijdvrij oppakken.”
De verklarende analyse speelt een belangrijke rol bij de JEP-aanpak. Hoe werkt dat?
Lisse: “Het is cruciaal om goed te snappen wat er speelt, niet alleen bij het kind maar ook in het gezin. In de verklarende analyse beschrijf je wat er aan de hand is en benoem je de interventies die je gaat inzetten, het is dus een beschrijvende vorm van diagnostiek. Dat doe je samen met kinderen, ouders en anderen die een rol spelen. Pas als je het met elkaar eens bent over de aanpak en iedereen gemotiveerd is, kun je resultaten boeken. En blijkt de hulp na een tijdje niet voldoende aan te slaan, dan sturen we ouders niet door naar een andere aanbieder, maar gaan we samen terug naar de verklarende analyse. Juist in het begin vertragen we het proces bewust om die analyse zo goed mogelijk op papier te krijgen.”
Maarten: “Het is dus eigenlijk versnellen én vertragen. Er is geen wachtlijst meer, dus je bent snel aan de beurt. Maar we zijn wel zorgvuldig bij het opstellen van de verklarende analyse. Want je moet het met elkaar eens worden over waar je naartoe wilt, het moet echt een gedeeld document zijn. Met resultaat, want de hulp is veel vaker in één keer goed.”
Hoe zijn de vergoedingen geregeld, bijvoorbeeld met de scholen?
Maarten: “We brengen ook veel kennis bij de schoolteams. Normaal gesproken ontstaat er discussie over wie er moet betalen als je wilt opschalen. Zijn dat de scholen, is dat de gemeente? Die discussie kennen we niet. Jeugdhulp die vroeger alleen poliklinisch werd geboden, bieden wij nu bij mensen thuis, op school en bij huisartsen. Dus Lisse zit er ook gewoon voor de leerkrachten.”
Lisse: “Laatst viel me op dat er meer ouders met vragen kwamen over driftbuien bij kleuters. Na overleg met de intern begeleider hebben we besloten om binnenkort een voorlichtingsavond te organiseren voor ouders, waar we tips en adviezen kunnen geven. Dat vind ik zo tof aan mijn rol: ik kan zelf bepalen wat nodig is. Inmiddels heb ik een goede band opgebouwd met de leerkrachten, intern begeleiders, schoolmaatschappelijk werk en de directeur. Dat maakt dat ze echt open staan voor tips en adviezen.”
Maarten: “Dat was in het begin best even wennen voor de schoolmaatschappelijk werkers en andere professionals op de scholen. Zij dachten: wat komen die gedragswetenschappers hier nu doen?! Als je uitlegt dat het geen concurrenten zijn, maar dat ze komen helpen en specialistische kennis toevoegen, dan gaan schoolteams die aanwezigheid van de orthopedagoog al snel als een cadeautje zien.”
JEP Veendam draait sinds 1 april 2023. Wat zijn de belangrijkste resultaten?
Maarten: “De wachtlijsten zijn verdwenen. We zitten tien procent onder het kostenniveau van 2021. Er is bijna geen schooluitval meer en we kunnen steeds meer uithuisplaatsingen voorkomen. Niet onbelangrijk is dat de professionals meer plezier hebben in hun werk en dat er veel positieve media-aandacht is voor Veendam. Dat is wel eens anders geweest, want Veendam stond lange tijd op de tweede plek van gemeenten waar het vaakst gebruik werd gemaakt van jeugdhulp. Nu we de jeugdhulp met relatief weinig partijen hebben georganiseerd, weten we elkaar als professionals ook veel makkelijker te vinden. Dat werkt erg prettig.”
JEP Veendam werkt samen met Team Jeugd. JEP is er voor de ambulante jeugdhulp terwijl Team Jeugd om de hoek komt kijken als er meer nodig is, bijvoorbeeld dagbehandeling of pleegzorg. Hoe is die samenwerking?
Lisse: “Heel fijn, want de lijnen zijn kort. Soms begint iets ogenschijnlijk klein – een leerling die niet lekker in zijn vel zit bijvoorbeeld – maar dan blijkt er veel meer achter te zitten, denk aan een onveilige thuissituatie. Dan pak ik het samen op met Team Jeugd en trek ik op met de casemanager. Ik heb die rol zelf niet, maar houd wel de vinger aan de pols en check of we nog steeds met elkaar achter de verklarende analyse staan. Dus ik blijf betrokken.”
Maarten: “En juist dat is nu zo bijzonder. Ouders worden niet elke keer doorverwezen, waardoor ze steeds weer opnieuw hun verhaal moeten vertellen. Lisse blijft hun aanspreekpunt.”
Jullie boeken klinkende resultaten en hebben al verschillende prijzen gewonnen voor de manier waarop de jeugdhulp in Veendam is ingericht. Hoe kijken andere gemeenten naar jullie?
Maarten: “Er is veel belangstelling. We organiseren webinars voor andere gemeenten, of ze komen bij ons op bezoek. Maar mensen zeggen dan toch ook vaak: Mooi hoe jullie het geregeld hebben, maar bij ons werkt het toch anders. Steeds vaker bieden we dan aan om mee te denken. Zelf staan we ook niet stil en denken we na over hoe we het model kunnen doorontwikkelen. Ik zou het bijvoorbeeld mooi vinden ook de volwassen-ggz te betrekken. Daar zijn de wachttijden nog enorm, dus ook daar zou ik graag aan de slag willen met wachttijdvrij werken.”
Lisse: “Ik vind het sowieso heel leuk om over JEP te vertellen en anderen te inspireren. Juist omdat we zelf iedere dag merken hoe goed het werkt.”
![]()
Hebben jullie nog tips voor orthopedagogen?
Lisse: “Natuurlijk hebben wij geluk met een gemeente die visie heeft en die echt durft te veranderen. Maar dan nog loop je soms tegen het systeem aan en heb je te maken met protocollen en financiële grenzen. Ik zou iedereen willen meegeven: durf af en toe buiten de lijntjes te kleuren. Wees creatief in het bedenken van oplossingen en inspireer elkaar. Samen kun je ervoor zorgen dat de jeugdhulp kleiner, beter en leuker wordt – net als hier in Veendam.”
Maarten: “Je kunt alleen succesvol zijn als gemeente en jeugdhulpaanbieders elkaar kennen en vertrouwen. Is dat vertrouwen er niet, dan moet je daar eerst aan werken.”
tekst: Raymond Krul
foto: Marleen Annema
Stel je voor: je houdt een kledingstuk in je handen en je bekijkt het label. Daar staat van alles op: katoen, 30 graden wassen, made in Bangladesh. Interessant, denk je. Je weet nu iets over het materiaal en waar het vandaan komt. Maar weet je ook wat voor kledingstuk je vasthoudt?
Is het een trui of een jurk? Heeft het gaten die zorgvuldig zijn dichtgemaakt, of is het gloednieuw? Welke kleur heeft dit kledingstuk? Is het iemands lievelingskleding die vaak gedragen wordt, of ligt het meestal achterin de kast? Alleen op basis van het label kun je daar niets over zeggen.
En stel je voor dat je het kledingstuk wil wassen. Het label zegt: niet in de droger. Maar wat als het altijd nat op een koude zolder hangt te drogen? Of elke dag haastig wordt gewassen in een overvolle machine? Wordt het wel of niet gestreken? Zelfs met een perfect label weet je nog niet hoe het kledingstuk in het dagelijks leven behandeld wordt en welke effecten dat heeft – en dus ook niet wat het nodig heeft.
Zo is het ook met kinderen in de diagnostiek. Een classificatie zoals ASS of ADHD geeft ons wellicht enige informatie, maar het vertelt ons niet wie het kind is. Hoe het in elkaar zit, wat het fijn vindt, hoe de omgeving met hem of haar omgaat, of waar mogelijkheden voor groei liggen. Het label is een beginpunt, geen eindpunt en soms zelfs niet nodig.
Als we werkelijk willen begrijpen wat een kind nodig heeft, moeten we verder kijken dan het label. Pas dan kunnen we zorg op maat bieden – zorg die past als een fijn zittend kledingstuk.
tekst: Rianne Manenschijn
tekening: Danibal
Geïnspireerd door: www.zijaanzij.info/wat-zegt-een-etiket
VIPP-LD is een videofeedback opvoedinterventie voor ouders met verstandelijke beperkingen. Marja Hodes, werkzaam bij zorgorganisatie ASVZ, deed promotieonderzoek naar VIPP-LD en ontving een implementatiesubsidie van ZonMw om deze behandeling breder beschikbaar te maken. Voor de Pedagoog doet zij verslag.
Lees meer
Ouders met verstandelijke beperkingen krijgen vaak te maken met stigma en vooroordelen. Het VN-verdrag Handicap uit 2006 geeft in artikel 23 aan dat mensen met beperkingen het recht hebben om een eigen gezin te starten en roept zorgprofessionals op tot goede ondersteuning van ouders met beperkingen.
Verschillende studies laten zien dat ouders met verstandelijke beperkingen goed in staat zijn opvoedvaardigheden te leren en hun opvoedgedrag te verbeteren. Drie beschermende factoren spelen daarbij een rol: het durven vragen en kunnen accepteren van hulp, het aanbieden van evidence-based opvoedinterventies en het kunnen terugvallen op een steunend sociaal netwerk. Op deze beschermende factoren baseerde het onderzoeksconsortium ‘Wat werkt voor ouders met verstandelijke beperkingen’ (Vrije Universiteit, Amsterdam) een grootschalig onderzoek.
Een van de deelstudies bestond uit het op maat maken – en uittesten – van de reeds effectief gebleken interventie VIPP- SD, Video-feedback Intervention to promote Positive Parenting and Sensitive Discipline,1 naar een interventie voor ouders met verstandelijke beperkingen. Voor deze groep was nog geen opvoedinterventie voorhanden die inspeelt op sensitiviteit en gehechtheid. Terwijl voor elk kind een veilige basis belangrijk is voor positieve kansen in zijn verdere leven.
Reden om VIPP-LD2 te ontwikkelen en onderzoeken, waarbij LD – Learning Difficulties – staat voor moeilijk lerend. Uit mijn promotieonderzoek bleek dat voor de totale groep ouders met verstandelijke beperkingen de opvoedstress daalde en dat ouders met laag adaptief vermogen het meeste profiteerden van VIPP-LD. Inmiddels is in diverse publicaties vastgesteld dat de interventie waardevol is voor ouders met verstandelijke beperkingen.
VIPP-LD is een opvoedinterventie, gebaseerd op de gehechtheidstheorie, waarbij ouders met verstandelijke beperkingen met behulp van videofeedback leren om sensitief en responsief te reageren op het (moeilijke) gedrag van hun kind. Ouders met kinderen tussen de 0 en 8 jaar leren hun kind te observeren om beter te begrijpen wat er in hun kind omgaat. Verder krijgen ze meer kennis over wat er bij de leeftijd van hun kind hoort en wordt er gewerkt aan het verlagen van opvoedstress.
De behandeling vindt thuis in het gezin plaats, tijdens zestien huisbezoeken in ongeveer vier maanden. In het ene huisbezoek worden er video-opnames gemaakt (filmbezoek) en in het volgende huisbezoek krijgen ouders op opbouwende wijze feedback op deze opnames (praatbezoek). De video-opnames zijn van alledaagse momenten, zoals spelen, eten, of een situatie die ouders lastig vinden.
VIPP-LD is bij voorkeur een bouwsteen in een groter ondersteuningsprogramma met zowel praktische als pedagogische ondersteuning voor ouders met verstandelijke beperkingen. Dit is ook het geval bij Priscilla in de casusbeschrijving (zie kader).
tekst: Marja Hodes
Priscilla (29 jaar) is een alleenstaande moeder met een lichte verstandelijke beperking (IQ:68; significante beperkingen in sociaal adaptief vermogen). Ze woont in een achterstandswijk van een grote stad. Priscilla heeft zelf een geschiedenis van jeugdzorgplaatsingen. Haar oudste zoon van 12 woont niet meer thuis, hij is destijds uit huis geplaatst vanwege huiselijk geweld en drugsgerelateerde problematiek. Haar dochter van 6 en zoon van 3 jaar staan onder OTS. Priscilla is zeer wantrouwend tegenover hulpverlening.
Priscilla krijgt verschillende soorten ondersteuning. Er is hulp bij de opvoeding en het runnen van haar huishouding, hulp bij de post en financiën, het opbouwen en onderhouden van een steunend sociaal netwerk, het vinden van zinvolle dagbesteding en behandeling voor haar persoonlijke problematiek (PTSS en clean blijven).
Priscilla vindt het opvoeden van haar kinderen zeer stressvol.
Er zijn grote zorgen over de ontwikkeling van haar jongste zoon Frenkie van 3 jaar. Hij heeft driftbuien, luistert niet, gooit met spullen en praat weinig. Priscilla krijgt VIPP-LD aangeboden met als doel de opvoedstress te verlagen en positieve ouder-kind interacties te stimuleren.
Bij de introductie van VIPP-LD geeft Priscilla aan dat ze het heel spannend vindt. Maar ook dat ze bang is dat de video-opnames tegen haar gebruikt kunnen worden en dat Frenkie uit huis geplaatst kan worden. De VIPP-LD behandelaar, Els, laat een filmpje zien van een moeder die zelf VIPP-LD heeft gehad en daar heel enthousiast over is. Deze moeder vertelt dat je niet bang hoeft te zijn dat de video-opnames in een rechtszaak gebruikt worden. Dit helpt Priscilla. Ze geeft aan het wel te willen proberen.
Voor Priscilla is een goede planning van het VIPP-LD traject belangrijk. Ze heeft veel afspraken voor haar kinderen en voor haar eigen behandeling. Els introduceert een kalender waar alle huisbezoeken visueel zijn gemaakt met pictogrammen.
Het bezoek met video-opnames (filmbezoek) is weergegeven met een camera-pictogram. Voor de huisbezoeken met het bekijken en bespreken van de opnames (praatbezoek) is er een televisie-pictogram. Vanwege haar drukke programma is Priscilla bang om afspraken te vergeten. Daarom zal Els een halfuur van tevoren een spraakbericht via WhatsApp versturen om Priscilla aan de afspraak te herinneren. Priscilla ervaart dit als zeer ondersteunend en mist uiteindelijk geen enkele afspraak.
Voor ouders met verstandelijke beperkingen is het niet makkelijk om zich te verplaatsen in het perspectief van hun kind. Daarom is de techniek Speaking for the Child – het ‘ondertitelen’ van het gedrag van een kind – een centraal onderdeel van elk huisbezoek. De eerste sessies richten zich op gehechtheid versus exploratie. Het doel is te ontdekken wanneer het kind troost en bescherming zoekt en wanneer het kind ruimte en stimulering nodig heeft om zelf spelend op ontdekkingstocht te gaan. Veel aandacht gaat uit naar het leren observeren van je kind. Wat zou er in zo’n koppie omgaan en hoe kun je dat zien?
Bij de video-opname krijgt Frenkie LegoDuplo aangeboden. Frenkie gooit de hele doos leeg en bestudeert alle blokken die voor hem liggen. Priscilla wil hem helpen en pakt twee blokken, doet ze op elkaar en geeft deze aan Frenkie. Hij wordt boos, roept ‘nee’ en gooit de blokken weg. Priscilla schuift daarop alle blokken naar Frenkie toe en doet haar armen over elkaar. Haar gezicht staat op onweer en ze houdt haar lippen stijf op elkaar.
Bij de feedbacksessie, het praatbezoek, vertelt Priscilla dat dit altijd zo gaat. Ze voelde zich erg afgewezen. Ze deed zo haar best om te helpen, maar kreeg stank voor dank.
Bij VIPP-LD wordt gebruik gemaakt van micro-analyses waarbij het videobeeld wordt stilgezet en er een soort frozen picture ontstaat. Zo kun je samen naar het beeld kijken en ontdekken wat er precies gebeurt.
Priscilla vindt het spannend om naar de video-opname te gaan kijken. We zien het enthousiasme dat van Frenkie afstraalt om met de Duplo te gaan spelen. Bij het terugkijken blijkt de boosheid van Frenkie van korte duur te zijn. Als moeder de blokken meteen erna naar hem toeschuift, zien we een stralende lach van oor tot oor en kijkt hij haar opgetogen aan. Dit is het moment dat Els de video pauzeert. Met Speaking for the child geeft ze duiding en zegt namens Frenkie: “Dank je wel, mam!” Vervolgens zien we dat Frenkie zelf aan de slag gaat met de blokken. Els legt moeder uit dat dit precies de goede hulp was om Frenkie op weg te helpen.
Frenkie plaatst vier blokken op een frame met wielen. Hij roept enthousiast naar zijn moeder: “Auto!” Priscilla lacht terug. Els pauzeert de video en zegt: “Jij bent zo belangrijk voor Frenkie. Door te lachen naar hem, weet hij dat jij trots op hem bent dat hij zelf zo’n mooie auto heeft gemaakt.”
Daarna laat Frenkie zijn auto een rondje rijden. Weer pauzeert Els en vertelt moeder: “Kijk eens, hij laat je zien dat die ook echt kan rijden!” Moeder krijgt tranen in haar ogen en is erg geraakt door alle complimenten. Ze vertelt dat dit de eerste keer was dat Frenkie bleef zitten en iets ging bouwen. En dat dit niet eindigde in een enorme driftbui. Ze dacht dat Frenkie haar expres zat te pesten. Nu begrijpt ze dat hij heel graag zélf wilde spelen. Maar wel in de buurt van mama.
Voor elke ouder maken we een persoonlijk ontdekboek met foto’s en quotes uit behandelsessies. Zo krijgen ouders foto’s van belangrijke momenten met hun kind. Dit helpt om hun rugzak te vullen met nieuwe ontdekkingen en handelingsmogelijkheden.
Van deze sessie kiest Els drie foto’s (frozen pictures) om te printen. Eén moment waarop Frenkie zijn moeder enthousiast aankijkt als ze alle blokken naar hem toeschuift, een tweede moment waarop Frenkie zijn auto aan moeder laat zien en een derde moment waarop moeder naar Frenkie lacht. Onder de foto’s worden quotes geschreven. Priscilla heeft moeite met lezen. Els gebruikt daarom een- en tweewoordzinnen: ‘Dankjewel!’ bij de eerste foto, ‘Zelf gemaakt’ bij de tweede en ‘Supertrots’ bij de derde foto. Deze woorden kan Priscilla lezen.
Bij het volgende bezoek straalt Priscilla. Ze heeft elke dag het ontdekboek bekeken. Verder vertelde ze op de kinderopvang dat Frenkie thuis zo leuk met Duplo had gebouwd. Ze kreeg complimenten van zijn juf en mocht een doos Duplo lenen om thuis mee te spelen.
Priscilla was zeer gemotiveerd om door te gaan met VIPP-LD en heeft deze succesvol afgerond.
Marja Hodes, NVO-lid, is werkzaam als klinisch psycholoog en orthopedagoog- generalist bij ASVZ, een zorgorganisatie binnen de gehandicaptenzorg die onder andere ondersteuning biedt aan gezinnen met ouders met verstandelijke beperkingen.
Informatie over de opleiding in VIPP-LD en voorwaarden voor implementatie en borging is verkrijgbaar bij Marja Hodes: mhodes@asvz.nl.
In een tijd waarin ouders worden overspoeld met opvoedadvies, van gentle parenting tot liefdevolle verwaarlozing en alles daar tussenin, is één ding duidelijk: je doet het als ouder nooit goed genoeg.
Lees meer
Opvoeden is stressvol en reuze ingewikkeld geworden. Bijna de helft van alle ouders ervaart opvoeden als zwaarder dan ooit. ‘We willen gewoon dat ons kind gelukkig is’, merkt menig wanhopig ouder op in mijn jeugd ggz-praktijk. En dat is best lastig in onze hypernerveuze samenleving vol hoge verwachtingen, snelle veranderingen en maatschappelijke druk.
Sinds de jaren negentig is opvoeden veranderd van iets wat je er gewoon bij deed, naar hét levensproject dat moet slagen. De vanzelfsprekende steun van de gemeenschap is veelal weggevallen waardoor ouders er vaker alleen voor staan. De maakbaarheid overheerst. Gaat het niet goed met je kind? Dan ligt dat aan de ouders, de school of het kind zelf. En de maatschappij, wanneer gaat die eens in behandeling?
Welk tegengeluid kunnen wij als orthopedagogen laten horen om ouders juist nu hun vertrouwen terug te geven? Laten we vooral beginnen bij de essentie: kinderen hebben geen perfecte opvoeder nodig, maar gewoon ouders. Mensen die het goed bedoelen, vanuit liefde handelen en soms de mist in gaan. Elke opvoeding kent momenten van uitbarsting en controleverlies. De kracht zit hem juist in het repareren van de breuk, erop terugkomen en samen opnieuw beginnen. Niemand is elke dag de beste versie van zichzelf. Sterker nog: kinderen gedijen beter bij ontspannen ouders die zichzelf zijn. Natuurlijk is het als ouder gezond om te blijven leren, maar opvoeden is geen wedstrijd of examen.
Ouders vergelijken hun eigen gezinsleven onbewust met hoogtepunten van andere gezinnen op sociale media. Dat vergelijken voert de druk alleen maar op, terwijl het gezinsleven voor iedereen lang niet zo perfect is als het lijkt. (Kleine aanbeveling: Ouders, haal die socials van je telefoon!)
Een andere belangrijke boodschap: doe het niet alleen. Hulp vragen is geen zwakte. Zoek je village op en betrek anderen bij de opvoeding van je kind. Niet alleen opa’s en oma’s, maar ook vrienden, kennissen of buren. Opvallend genoeg laten onderzoeken zien dat ouders bij problemen eerder een psycholoog bellen dan een vriend. Terwijl een eerlijk gesprek zo veel kan betekenen.
Tot slot stel ik voor dat wij orthopedagogen de boer op gaan met een vierde R. Naast Rust, Reinheid en Regelmaat hoort de R van relativeren. ‘Ook dit gedrag van mijn kind hoort erbij. Het komt wel goed. Ik doe mijn best en meer kan ik niet doen. Mijn kind is oké zoals het is.’ Opvoeden en opgroeien gaat nu eenmaal met vallen en opstaan. Als het thuis vaak goed gaat, is dat goed genoeg. Punt.
tekst: Kina Smit
Orthopedagoog-generalist Kina Smit heeft een eigen jeugd ggz-praktijk en werkt daarnaast als docent, auteur en spreker. In oktober 2025 kwam haar boek uit: Opvoeden, het hoeft niet zo perfect – Ontspannen ouderschap in een hectische tijd.

Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Het recht op de dag van vandaag bevat bijdragen van professionals op het gebied van opvoeding en onderwijs, onder redactie van Arie de Bruin. Vanuit diverse invalshoeken – pedagogiek, onderzoek, onderwijs, filosofie en kinderrechten – zetten zij uiteen waarom het gedachtegoed van Korczak juist nu aandacht nodig heeft.
De auteurs onderstrepen het belang om kinderen te zien in het hier en nu, als volwaardig en geen ‘personen in wording’. De huidige maatschappij is sterk gericht op de toekomst en op het controleren daarvan. Dit werkt door in opvoeding en onderwijs: van een focus op presteren tot aan de keuze voor bepaald speelgoed – want: ‘goed voor later’. Maar juist door kinderen serieus te nemen in hun initiatieven om bij te dragen aan de samenleving, krijgt hun ‘zijn’ in het hier en nu betekenis en komt ontwikkeling op gang. En dat draagt weer bij aan ‘later’.
Het boek is omschreven als ‘een prachtige inspiratiebron voor iedereen die dagelijks met kinderen omgaat!’ Zo laat het zich ook lezen: kies een bijdrage en laat je inspireren. Neem opgedane inzichten mee naar de werkdag van morgen, zodat je de kracht van de dag van vandaag niet uit het oog verliest.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Het recht op de dag van vandaag. Een grondrecht voor ieder kind (2025) van Arie de Bruin (red) is een uitgave van SWP, namens de Janusz Korczak Stichting.
Met een zucht sla ik het boek dicht. Wat een verhaal! Eerst lijkt het wat te veel fictie; in een stadje wordt een jong meisje hoog in een boom gevonden, ze praat niet en komt met geen mogelijkheid naar beneden. Ze kan wel huilen als een wolf. Zou ze opgegroeid zijn tussen de wilde dieren?
De hulp van psychiater Julia Cates wordt ingeroepen om te achterhalen wat er met dit meisje aan de hand is en wat zij nodig heeft. Met haar geduld mag Julia letterlijk en figuurlijk steeds een stapje dichterbij komen. Er komt contact, er ontstaat verbinding. Julia merkt dat ze naast hulpverlener ook als mens van dit meisje is gaan houden. En dan staat er een man voor de deur die beweert dat hij de vader van het meisje is…
Deze roman geeft inzicht in hoe je als hulpverlener een kind kan benaderen als het vol angst zit vanuit heftig trauma. Hulpverlener zijn is niet alleen een baan, taak of rol. Het is onderdeel van jou als mens en je kan en mag geraakt worden. Julia kan al haar kennis en theorieën erop naslaan, maar uiteindelijk bereikt zij juist haar doel door zichzelf te zijn. Met tijd, geduld en oprechte aandacht ontstaat er verbinding. En ik moet nog steeds een beetje bijkomen van de kracht en het belang hiervan. Zucht!
tekst: Laura van Wijnen
Als de wolven huilen (2024) van Kristin Hannah is een uitgave van Boekerij. De oorspronkelijke titel is Wild.
Paul van der Ham, eigenaar van een mediabureau, heeft een podcast gemaakt op basis van zijn eigen ervaringen. Hij behoort tot de ouders van de (volgens het CBS 1 op de 5) kinderen die na een scheiding het contact verliezen met één van hun ouders. Om te begrijpen hoe het zo ver heeft kunnen komen, spreekt
hij met andere ouders en kinderen (inmiddels jongvolwassenen) over toen en nu. En met deskundigen zoals een familierechter, forensisch psychiater, pedagoog verbonden aan het Vader Kennis Centrum en een advocaat.
Van der Ham wil niet overkomen als slachtoffer die zijn gelijk wil halen. Natuurlijk hoor je tussen de regels door zijn eigen pijn. Maar hij toont oprechte interesse in de vaders – en steeds vaker moeders – die het contact met hun kind(eren) verliezen. Door alle ervaringsverhalen en interviews met experts, concludeert hij dat het systeem van rechtspraak en hulpverlening wringt.
Zo zegt forensisch psychiater en onderzoeker Corine de Ruiter dat er meer en vooral degelijker systemisch onderzoek moet plaatsvinden wanneer kinderen aangeven geen contact meer te willen met een van hun ouders.
Pedagogen en andere (jeugdzorg)professionals kunnen lessen trekken uit deze podcast. Echt luisteren, zonder je oordeel al klaar te hebben. Dat zou zowel kinderen als ‘verstoten’ ouders geholpen hebben. Ook wordt duidelijk dat echtscheidingsproblematiek nooit één waarheid kent. Behalve dat wanneer kinderen na een scheiding het contact verliezen met een van hun ouders, er vooral slachtoffers zijn.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Papa, ik wil je nooit meer zien is geproduceerd door iGlow en RTV Oost en te beluisteren via podcast-apps.
‘Omdat al jouw beslissingen en gevoelens rondom dit thema er mogen zijn. In de wetenschap dat het niet altijd een keuze is.’ Nieuw leven & psychische kwetsbaarheid van Annemiek Lely (schrijver, podcastmaker en ervaringsdeskundige) start empathisch en deze toon houdt het hele boek aan.
Lely beschrijft vanuit haar eigen ervaringen en die van haar partner hoe ze is omgegaan met haar ontluikende kinderwens en alle vragen en zorgen daaromheen. Beiden hebben ze te maken met een psychische kwetsbaarheid. Hoeveel groter is de kans dat hun kind ‘erfelijk belast’ zal zijn? En kun je psychofarmaca (blijven) slikken tijdens de zwangerschap als dat nodig is?
De auteur ging op onderzoek en neemt de lezer mee. Het resultaat is een eerlijk en kwetsbaar verslag, gelardeerd met verhalen van andere ervaringsdeskundigen, medische informatie en interviews met psychiaters. In de bijbehorende podcast spreekt ze enkele ervaringsdeskundigen uitgebreider, weer met veel openheid en respect. Veel verschillende beslissingen en gevoelens rondom het thema passeren de revue. Dit geeft je een brede kijk.
Enig minpuntje: een overzicht van de geraadpleegde wetenschappelijke studies was fijn geweest. Los hiervan zijn het boek en de podcast de moeite waard om te lezen en beluisteren, zowel als ervaringsdeskundige als professional in de zorg voor zwangeren en/of ouders met een psychische kwetsbaarheid. Het biedt stof tot nadenken en input voor gesprekken, belangrijk bij een taboe- onderwerp als dit.
tekst: Sanne Seinen-de Vet
Nieuw leven & psychische kwetsbaarheid. De invloed van psychische klachten op een kinderwens (2026) van Annemiek Lely is een uitgave van de Graaff.
Gonneke Stevens is hoogleraar Jongerenwelzijn bij Interdisciplinaire Sociale Wetenschap aan de Universiteit Utrecht. Al twintig jaar lang houdt zij zich bezig met trends en ongelijkheden in de mentale gezondheid onder jongeren. Tijdens haar oratie in juni 2025 pleitte zij voor het complexe verhaal.
Lees meer
Gonneke Stevens
De mentale gezondheid van de Nederlandse jongeren is de afgelopen jaren gedaald. Dat blijkt uit onderzoek naar het welzijn van schoolgaande jongeren (onder andere rapport HBSC, 2021). De coronacrisis en social media worden veelal als boosdoener aangewezen. Maar volgens de hoogleraar doen we daarmee geen recht aan onze jongeren: “We moeten ons niet richten op één factor, maar op verschillende factoren en kijken hoe die met elkaar samenhangen. Het eenvoudige verhaal helpt ons niet vooruit.”
“Social media is natuurlijk een usual suspect. We denken echt dat de opkomst van social media een rol speelt in de trends in mentale gezondheid, maar het ligt genuanceerder dan vaak wordt voorgesteld. Net als in veel ander onderzoek, maken we een onderscheid tussen intensief socialmediagebruik en problematisch socialmediagebruik.” Intensief gaat om de frequentie en duur van socialmediagebruik en dan met name om het in contact met anderen staan via social media. Problematisch gebruik richt zich op verslavingskenmerken, zoals je rot voelen wanneer je niet op social media kan, minder interesse hebben in hobby’s vanwege social media of ruzie krijgen over social media. “We zien vooral dat problematisch socialmediagebruik gerelateerd is aan meer mentale problemen. Gemiddeld zien we dat eigenlijk niet terug voor intensief gebruik. Omdat problematisch social mediagebruik weinig voorkomt, is het onwaarschijnlijk dat dit de enige verklaring is voor de trends in mentale gezondheid.”
Ook de covid-19-pandemie pandemie – van januari 2020 tot en met mei 2022 – kunnen we niet negeren. In de onderzoeksperiode tussen 2017 en 2021 is er een duidelijke trendbreuk gezien in de cijfers: De mentale gezondheid daalde in deze tijd veel sneller dan voorheen. Allerlei risicofactoren gerelateerd aan de coronamaatregelen zijn in die tijd bovendien toegenomen.
Het meest veranderd in de afgelopen twintig jaar is de druk die jongeren ervaren rondom schoolwerk. Dat percentage is verdrievoudigd. Uit onderzoek is bekend dat prestatiedruk sterk samenhangt met mentale problemen.
Een andere mogelijke factor is prevalence inflation: door meer aandacht voor mentale gezondheid, zien jongeren lichte symptomen sneller als een mentaal probleem en dit leidt vervolgens daadwerkelijk tot het ontwikkelen van mentale problemen.
Gonneke Stevens: “Het is nagenoeg onbekend in hoeverre dit een rol speelt in de trends in mentale gezondheid. We zijn bezig met een aantal onderzoeken om daar meer zicht op te krijgen. Los daarvan moeten we erachter komen welke elementen van interventies en campagnes mogelijk leiden tot inflation en voor welke elementen dat juist niet het geval is. Dat is cruciaal voor de ontwikkeling van dit soort programma’s.”
In vervolgonderzoek is ook aandacht voor factoren waarvan de invloed op mentale gezondheid nog onbekend is, zoals klimaatverandering, oorlogen en de huizenmarkt.
Op basis van onderzoek zijn er dus veel factoren die een rol kunnen spelen. En die factoren kunnen elkaar ook nog eens beïnvloeden. Vandaar Stevens’ pleidooi voor het complexe verhaal. “Kijk je bijvoorbeeld naar social media en prestatiedruk, dan geven veel jongeren aan minder tijd aan hun huiswerk te besteden vanwege smartphone gebruik. Tegelijkertijd zitten ze in een context waarin presteren heel belangrijk is. Dat kan tot extra schooldruk leiden en mentale problemen vergroten.”
Opvallend is het verschil tussen meisjes en jongens. “De toename in mentale problemen is sterker bij meisjes dan bij jongens. Het is vooral zichtbaar voor internaliserende problemen, maar ook wel voor gedragsproblemen en problemen rondom hyperactiviteit. Dat laatste hebben we ook wel gekenmerkt als ‘emancipatie van de meiden’, waarin ze in de loop der jaren in uitingsvorm meer op jongens zijn gaan lijken. Sekseverschillen verdwijnen in dat opzicht, maar de stijging van internaliserende problemen is een stuk groter onder meiden. We zien dat in bijna alle landen van het HBSC-onderzoek. Het lijkt erop dat meisjes kwetsbaarder zijn voor maatschappelijke veranderingen dan jongens.”
Deze veranderingen lijken bij meisjes onder andere te leiden tot relatief sterke stijgingen in schooldruk en problematisch social- mediagebruik. In de coronaperiode was er ook sprake van een grotere daling van sociale relaties bij meisjes dan bij jongens. “Op al die verschillende indicatoren zien we steeds dat meisjes minder gunstig scoren dan jongens en vaak ook dat de samenhang met mentale problemen in deze groep sterker is.”
De hoogleraar is van plan om aandacht voor en onderzoek naar mentale gezondheid onder jongeren voort te zetten. Vanuit het project Minding the Gap doet zij samen met jongeren, ouders en professionals onderzoek naar de impact van armoede op mentale gezondheid.
“Hierin bestuderen we hoe er in Utrecht en Amersfoort gewerkt wordt in integrale wijkteams om jongerenwelzijn te verbeteren en hoe je meer rekening kan houden met het perspectief van jongeren en ouders. Dat sluit aan bij de Hervormingsagenda Jeugd 2023-2028. Hierin worden gemeentes verantwoordelijk gehouden om via een integrale aanpak de meest kwetsbare jongeren en gezinnen te identificeren en ondersteunen. Als we weten dat de oorzaken op allerlei niveaus liggen, dan zijn er ook meerdere professionals nodig om daar samen in op te trekken. Daar moeten nog veel stappen in worden gezet. Hoe je dat precies doet en vormgeeft, daar ligt de uitdaging.”
Gonneke Stevens probeert hierin een brug te vormen tussen onderzoek en de praktijk. Als docent aan de universiteit besteedt zij daarom aandacht aan de vaardigheden die nodig zijn om deel uit te maken van dergelijke processen. “In ons masterprogramma Youth Development & Social Change zetten we in op het opleiden van bruggenbouwers tussen verschillende disciplines. Zo staat de ontwikkeling van allerlei vaardigheden centraal, zoals feedback geven, samenwerken, maar ook het bewustzijn van de verschillende doelen en perspectieven die verschillende mensen in verschillende organisaties hebben.”
Gonneke Stevens pleit naast bewustzijn van het complexe verhaal ook voor reflectie als professional. Waar loop je in samenwerkingen met andere professionals tegenaan en hoe komt dat nu eigenlijk? Wat zegt dat over jouw perspectief en dat van de ander? En wat is er nodig om bij elkaar te komen? Daarnaast vraagt ze aandacht voor het praten over mentale gezondheid.
“Denk vanuit jouw expertise mee over hoe ouders en onderwijs- professionals dat kunnen doen. Wat zijn elementen uit jouw ervaring die daarin misschien helpend of niet helpend zijn?” Alles om samen op te kunnen trekken om het welzijn van jongeren te vergroten.
tekst: June Bragg
foto: Ed van Rijswijk
bronnen
Het Health Behaviour in School-aged Children (HBSC)-onderzoek heeft als doel om de gezondheid, het gedrag en de sociale omgeving van jongeren van 11 tot 16 jaar te monitoren en begrijpen. Het onderzoek wordt gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) en wordt uitgevoerd door de Universiteit Utrecht (afdeling Interdisciplinaire Sociale Wetenschap) en het Trimbos- instituut. Sinds 2001 wordt iedere vier jaar informatie verzamelt bij een grote, representatieve groep jongeren in Nederland. In 2025 vond het HBSC-onderzoek voor de zevende keer plaats. De resultaten hiervan worden in het najaar van 2026 gepubliceerd.
Het HBSC-onderzoek in Nederland maakt deel uit van het internationale HBSC-onderzoek. In 2021 namen er 51 landen deel aan het onderzoek.
bron: hbscnederland.nl
Om kinderen van gescheiden ouders te ondersteunen, startten Mariska Klein Velderman en Fieke Pannebakker van TNO het programma Dappere Dino’s.
Later kwamen daar Stoere Schildpadden voor kleuters en ScheidingsATLAS voor ouders bij. Onlangs kreeg Dappere Dino’s nationale en Europese erkenning en ook worden de drie programma’s nu samen ingebed in één platform, Zo kan het ook!
Lees meer
Fieke Pannebakker (links) en Mariska Klein Velderman (rechts)
Er zijn veel kinderen met gescheiden ouders. Jaarlijks gaat het om zo’n 86.000 minderjarige kinderen. Dappere Dino’s,1 is een preventief groepsprogramma om kinderen te leren omgaan met problemen en emoties rond de scheiding.
Senior-onderzoekers Mariska Klein Velderman en Fieke Pannebakker haalden het programma naar Nederland. Zij zijn allebei pedagoog en twintig respectievelijk achttien jaar werkzaam bij TNO in Leiden. Naast het doen van onderzoek verzorgen zij, samen met Kenniscentrum Kind en Scheiding,2 de opleiding voor nieuwe trainers. Met Dappere Dino’s willen zij bijdragen aan ‘kansen voor emotioneel veilig opgroeien en een positieve ontwikkeling’ van kinderen met gescheiden ouders.
Scheiding is een ingrijpende levensgebeurtenis voor gezinnen. Bij ouders kan de opvoeding onder druk komen te staan. Kinderen van gescheiden ouders hebben volgens onderzoek een lager welbevinden en meer gedragsproblemen dan kinderen met niet-gescheiden ouders. Kinderen kunnen last hebben van verschillende dingen, vertelt Mariska. “Er kan onbegrip zijn over wat de scheiding betekent. Als papa en mama ophouden om van elkaar te houden, kunnen zij dan ook ophouden om van mij te houden? Ze kunnen zich zorgen maken over hun vader als ze bij hun moeder zijn, of andersom. Sommige kinderen zijn boos terwijl andere stil en teruggetrokken zijn. Of ze gaan weer in bed plassen. Kinderen kunnen worstelen met hun emoties.”
In Nederland waren er al programma’s voor oudere kinderen van gescheiden ouders, zoals KIES (Kinderen in een scheiding). “Maar er was geen aanbod voor jongere kinderen,” zegt Fieke. “Dat zagen wij als een gemiste kans, want ongeveer een derde van alle kinderen van gescheiden ouders is tussen de 5 en 9 jaar. Daarom zochten we programma’s voor die leeftijdsgroep. En, om het wiel niet opnieuw uit te vinden, het liefst een programma dat al onderzocht was. Dat bleek er te zijn: het Amerikaanse Children of Divorce Intervention Program, CODIP.” Ruim vijftien jaar geleden gingen ze er bij TNO mee aan de slag en in nauwe samenwerking met de ontwikkelaar – JoAnne Pedro-Carroll – is het programma vertaald en aangepast tot Dappere Dino’s. Het bestaat uit twaalf sessies voor maximaal zeven kinderen van 6 tot en met 8 jaar, begeleid door twee trainers. Eén trainer is opgeleid in het programma en de andere – bijvoorbeeld een IB’er op school – zorgt in de rol van co-trainer voor procesbewaking. De locatie kan variëren: op school, in een buurtcentrum of bibliotheek.
Dappere Dino’s is een preventieve training met cognitief- gedragstherapeutische elementen. Het gaat uit van balans-denken, zegt Mariska. “We leggen kinderen uit dat sommige dingen grotemensenproblemen zijn. Je kunt je ouders niet weer bij elkaar brengen, ook al denken kinderen dat soms en hopen ze dat vurig. Net zoals dat het niet hun schuld is als ouders uit elkaar gaan. Maar er zijn wel dingen die je kunt doen om je beter te voelen. In de training leren kinderen hun gevoelens te herkennen en erkennen. We weten uit wetenschappelijk onderzoek dat het verwoorden van emoties bijdraagt aan een kalmere activiteit van het brein. We oefenen veel met spelletjes, zoals: grabbel een kaartje uit de zak en beeld het gevoel uit dat op het kaartje staat.”
Fieke noemt een ander spelletje: “Bij het oefenen met probleem- oplossen is er een soort boter-kaas-en-eieren. De hele groep zoekt naar oplossingen voor een bepaald probleem en bij iedere oplossing krijgen ze een kaartje met een kruisje of een nulletje, tot ze er drie op een rij hebben.”
Vorig jaar kreeg Dappere Dino’s een her-erkenning van het Nederlands Jeugdinstituut: ‘effectief volgens goede aanwijzingen’.3 In de Verenigde Staten bleek uit longitudinaal onderzoek dat kinderen na de training positiever functioneerden en minder gezondheidsproblemen hadden. Mariska vertelt over hun eigen onderzoek dat in de erkenningsaanvraag een rol speelde.
“In quasi-experimenteel onderzoek vergeleken we de kinderen die deelnamen aan Dappere Dino’s met twee groepen: een divorce- control groep – kinderen met gescheiden ouders die niet deelnamen – en een non-divorce-control groep van kinderen met niet-gescheiden ouders die niet deelnamen.4 Bij de Dappere Dinodeelnemers verbeterde het functioneren en welzijn en nam problematiek af, vergeleken met die twee groepen.”
Op dit moment wordt onderzocht of de positieve effecten standhouden nu het programma al langer en op meer locaties beschikbaar is.
Dappere Dino’s is onderdeel van de Gezonde School, waarbij meer dan 3000 scholen zijn aangesloten.5 “Gezonde School richt zich op voeding en fysieke gezondheid én op mentale gezondheid,” legt Fieke uit. “Programma’s worden opgenomen als ze onderbouwd en zinvol bijdragen aan de visie van de Gezonde School. Als school kun je uit een palet van activiteiten kiezen, waaronder Dappere Dino’s. Dat heeft als voordeel dat de school een tegemoetkoming van de overheid krijgt in de kosten.”
Mariska noemt nog een nieuwe erkenning. “Sinds kort is Dappere Dino’s opgenomen in de European Best Practices Mental Health. Dat betekent dat het programma in Europees verband erkend is als onderbouwde training voor kinderen van gescheiden ouders.”
Na Dappere Dino’s ontwikkelden ze bij TNO het programma Stoere Schildpadden, vertelt Fieke. “Stoere Schildpadden is bedoeld voor kleuters met gescheiden ouders in de leeftijd van 4 tot en met 6 jaar. In een groep van maximaal zes kinderen en twee begeleiders gaat het om dezelfde thema’s als bij Dappere Dino’s, maar dan afgestemd op deze leeftijdsgroep. Dus veel herhalingen, beweegoefeningen en plaatjes in plaats van tekst.”
Ook aan de ouders is gedacht. Mariska: “ScheidingsATLAS is een training voor ouders, tijdens en na de scheiding. In twee bijeenkomsten staan ouders stil bij de invloed van de scheiding op het ouderschap. Thema’s als verlies en rouw komen aan bod en ook positieve communicatie en opvoedstijlen. Uniek is dat beide ex-partners individueel en niet samen in één groep deelnemen. Er is ook een gratis online versie van ScheidingsATLAS beschikbaar.”6
Met hulp van een ZonMw-implementatiesubsidie krijgen Dappere Dino’s, Stoere Schildpadden en ScheidingsATLAS momenteel een update en worden ze geïntegreerd en ingebed in één platform, Zo kan het ook!
Mariska: “We zagen dat professionals die Dappere Dino’s gaven ook vaak ScheidingsATLAS wilden organiseren, of andersom.
De drie programma’s gaan uit van dezelfde visie en bevatten vergelijkbare boodschappen. Daarom is het mooi dat trainers het nu op één plek kunnen vinden.”
Populair bij de kinderen zijn de handpoppen: dino Rex bij Dappere Dino’s en schildpad Sam bij Stoere Schildpadden. De trainer is opgeleid om de handpop te laten praten. Mariska: “Rex en Sam zijn even oud als de kinderen in de groep en hebben ook gescheiden ouders. Als een kind bijvoorbeeld moeilijk kan praten over dat er bij zijn ouders gedoe aan de deur is bij het wisselmoment, dan heeft Rex of Sam heel toevallig iets soortgelijks meegemaakt en vertelt hij daarover. Dat kan kinderen helpen om te praten.”
Fieke vult aan: “Kinderen vinden het soms fijner om iets met Rex of Sam te delen dan met de trainer. Dan fluisteren ze iets in het oor van de handpop. De trainer vraagt vervolgens of Rex of Sam het aan de groep mag vertellen en dat is meestal goed. Op die manier zorgt de handpop voor verbinding. En bij Sam is het mooi dat hij als schildpad in zijn schild kan kruipen als hij iets spannend vindt. Samen met de groep kijk je dan hoe hij er weer uit kan komen.”
Kinderen en ouders zijn tevreden over Dappere Dino’s en Stoere Schildpadden. Fieke: “De kinderen vertellen dat ze vriendjes hebben gemaakt. Dat andere kinderen ook een scheiding hebben meegemaakt, speelt daarbij zeker een rol. Het is een veilige plek voor kinderen om te vertellen waar ze mee zitten. Aan het eind krijgen ze een mooi diploma en vaak een foto van zichzelf met Rex of Sam.” Mariska: “Ouders merken dat hun kinderen meer praten over wat ze voelen. En ze leren wat de zorgen zijn van hun kinderen. Soms zie je dat ouders met meer kinderen het jongere broertje of zusje van het Dino-kind laten meedoen aan Stoere Schildpadden. Want zoiets wilden ze eigenlijk ook wel voor hun andere kind.”
![]()
Een tip van Mariska en Fieke voor pedagogen: “Onder volwassenen hoor je vaak ‘scheiding komt zo vaak voor, het is niet meer bijzonder’. Maar voor kinderen is het echt een ingrijpende ervaring. Ook al zitten er meer kinderen van gescheiden ouders in de klas, kinderen weten dat niet altijd van elkaar. Het maakt een groot verschil als je aan het kind vraagt hoe het gaat.”
tekst: Femmie Juffer
foto’s: Femke van den Heuvel
tekening: Sarah Bouwman (12 jaar)
Sharon is orthopedagoog bij een zorgaanbieder die cliënten met een licht verstandelijke beperking thuis ambulante begeleiding biedt. Sharon merkt al een tijdje dat een begeleider uit haar team nauwelijks rapporteert in het cliëntdossier van een jongedame. Ook ontbreekt in het dossier het verslag van de afgelopen evaluatie. Ze vraagt zich af of de halfjaarlijkse evaluatie van het ondersteuningsplan überhaupt heeft plaatsgevonden. Ze maakt zich zorgen of deze begeleider wel handelt volgens de professionele standaard en nodigt hem uit voor een gesprek.
Lees meer
Mirthe Maessen (links) en Monica de Visser (rechts)
Sharon uit in het gesprek1 met de begeleider haar zorgen over het ontbreken van rapportage over de voortgang van de afgesproken doelen in het dossier. Ook merkt ze op dat ze het verslag mist over het laatste evaluatiegesprek. Volgens de begeleider is er sprake van een verschil in visie op het begeleiden van een cliënt met een licht verstandelijke beperking. Rapportages en het maken van verslagen kost hem (te) veel tijd. Hij vindt dat hij die beter kan besteden aan persoonlijk contact, maar ziet wel het belang in en belooft het advies van Sharon op te volgen en vaker te rapporteren. Ook zal hij het evaluatieverslag in het dossier zetten.
Wat zegt de NVO-beroepscode over hoe te handelen in dit soort situaties? Waar leg je je zorgen over een in jouw ogen onprofessioneel handelende collega vast? In het cliëntdossier of elders? En moet de cliënt worden geïnformeerd over het in jouw ogen onprofessioneel handelen van de begeleider?
In artikel 34 van de NVO-beroepscode staat dat de pedagoog alle gegevens in het dossier vastlegt die noodzakelijk zijn voor de kwaliteit en de continuïteit van de professionele relatie en voor het afleggen van verantwoording hierover. De pedagoog houdt zich daarbij aan de eisen over het zorgvuldig omgaan met informatie over de cliënt. Deze zorgvuldigheidseisen staan in artikel 11 van de NVO-beroepscode. Ook zorgen over onprofessioneel handelen van een collega moeten worden vastgelegd, maar horen niet thuis in het cliëntdossier.
Deze zorgen – en eventueel contact met de leidinggevende hierover en vervolggesprekken – zul je elders in je eigen (veilige) werkomgeving moeten vastleggen. Gegevens die relevant zijn voor de kwaliteit en continuïteit van de begeleiding van de cliënt, horen wel in het cliëntdossier. In deze casus bijvoorbeeld het advies om te rapporteren op de voortgang van de doelen en het opnemen van het evaluatieverslag in het dossier.
Dus in deze casus zet je de afspraak in het cliëntdossier dat de begeleider de rapportages en het evaluatieverslag alsnog maakt. Eventuele vervolgafspraken over het functioneren van de begeleider leg je vast in je eigen werkomgeving. De manager rapporteert zo nodig in het personeelsdossier van de begeleider.
Sharon zal haar cliënte op de hoogte stellen dat haar dossier nu nog niet helemaal op orde is, maar dat de rapportages aangevuld worden en het evaluatieverslag spoedig in haar dossier wordt opgenomen. Voor Sharon is het belangrijk dat zij monitort of de begeleider daadwerkelijk weer rapporteert en het evaluatieverslag in het dossier opneemt. Vervolgens kan ze beoordelen of er vervolgstappen nodig zijn.
tekst: Monica de Visser
Mr. Monica de Visser is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht en ethiek. Zij verzorgt samen met mr. Mirthe Maessen het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO op dinsdag 13.30-15.30 uur en donderdag 10.30-12.30 uur.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Kim Horsselenberg, sinds november 2024 werkzaam als orthopedagoog in de ggz bij De OpgroeiPraktijk, onderdeel van Levéo in Amsterdam.
Lees meer
Wat is de doelgroep binnen dit werkveld?
“Bij De OpgroeiPraktijk bieden wij hulp vanuit de ggz, en behandelen wij kinderen, jongeren en gezinnen. We zijn gespecialiseerd in het verminderen van psychische klachten, ontwikkelingsproblemen en opvoedvragen. Hierdoor heb je diverse probleemgebieden in je caseload, wat het heel erg leuk en leerzaam maakt. Op dit moment werk ik onder andere met kinderen die last hebben van sociale angst, problemen in emotieregulatie, stemmingsklachten, een laag zelfbeeld, dwangklachten en genderdysforie.”
Wat zijn de belangrijkste taken en verantwoordelijkheden van een pedagoog binnen dit werkveld?
“Als orthopedagoog ben ik verantwoordelijk voor het uitvoeren van psychologisch onderzoek en van behandeltrajecten. Bij onderzoek komt een kind binnen met klachten en een hulpvraag, waarna we samen op zoek gaan naar een mogelijke verklaring. Die zoektocht kan bestaan uit intelligentieonderzoek, aanvullend neuropsychologisch onderzoek, contact met school en verdiepende gesprekken met ouders. Elk onderzoek voelt als een puzzel, elk kind is anders. En wanneer de puzzelstukjes op hun plek vallen en het kind beter begrepen wordt, geeft dit veel voldoening.
Daarnaast begeleid ik behandeltrajecten van kinderen en hun ouders. Samen met het kind en het systeem stellen we een behandelplan op. Bij De OpgroeiPraktijk is er een breed aanbod aan protocollen, middelen en oefeningen. Het is mijn taak om samen met de regiebehandelaar te kiezen voor interventies die passen bij het kind en gezin. Daarbij heb ik de vrijheid om in de gesprekken ook mijn eigen creativiteit toe te passen, zoals een actieve spelvorm of een tekenopdracht.
In Amsterdam werken alle jeugdhulporganisaties inmiddels steeds meer samen. Dit heet gebiedsgericht werken. Eens per twee weken is er in elk stadsdeel een overleg met vertegenwoordigers van bijna alle jeugdhulporganisaties, die met elkaar casussen bespreken en samenwerkingen opzoeken. Als orthopedagoog is het dus de bedoeling dat je van je laat horen, kan netwerken en klaar staat wanneer andere organisaties je vragen om mee te denken of samen te werken. Ik vind het een erg leuke toevoeging aan de werkzaamheden.”
Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmee pedagogen in dit werkveld worden geconfronteerd?
“Het is soms lastig om cliënten te activeren ook buiten de behandelkamer te oefenen en de aangereikte tools in de praktijk toe te passen. Sommige kinderen en ouders verwachten dat het aanwezig zijn op afspraken voldoende is om ‘het probleem op te lossen’. In zulke situaties gebruik ik regelmatig de metafoor: ‘In de behandeling planten we de zaadjes: ideeën, vaardigheden en denkstrategieën. Thuis krijgen deze zaadjes extra water, zon en aandacht. Door die verzorging wordt het uiteindelijk een grote sterke plant.’
Ook vind ik het soms uitdagend wanneer een jongere wel hulp wil, maar het tegelijk moeilijk vindt om zich open te stellen. In die gevallen is het eerst opbouwen van een vertrouwensband belangrijk. Zeker bij stemmings- of angstklachten zou ik het liefst direct aan de slag gaan met uitleg en tools, maar in de praktijk vraagt dit tijd en geduld. Pas wanneer een jongere zich voldoende veilig voelt om te delen wat er in hem of haar omgaat, ontstaat er ruimte om hier samen dieper op in te gaan.”
Welke kwaliteiten heb je als pedagoog nodig om geschikt te zijn voor dit werkveld en waarover zou je goed moeten nadenken voor je hier een loopbaan kiest?
“Bij De OpgroeiPraktijk werken wij met zelfsturende teams en beheer je je eigen agenda. Je plant je eigen afspraken en houdt zelf je declarabiliteit in de gaten. Dit is anders dan bij sommige grotere ggz-organisaties. Het is dus van belang dat je goed kan plannen, overzicht houden en communiceren met de cliënt. Daarnaast moet je grenzen kunnen stellen naar ouders en de cliënt durven los te laten als de doelen zijn behaald, ook als er mogelijk nog enkele uitdagingen liggen. Ouders en cliënten vinden het soms moeilijk dat we afsluiten, omdat ze nog andere vragen hebben. Maar niet elke vraag hoeft binnen de ggz opgelost te worden. Het gezin moet ook gewezen worden op de eigen kracht, hulp van familie of de sociale basis.”
Welke verdiepingsmogelijkheden zou je binnen dit werkveld aanraden?
“In dit werkveld volgen veel professionals opleidingen zoals CGT, EMDR en systeemtherapie. Wie regiebehandelaar wil worden, kan de GZ-opleiding of de OG-opleiding volgen. Ik heb recent een kortere cursus gedaan gericht op minder praten en meer beleven in de behandelkamer. We leerden allerlei leuke spelvormen, metaforen
en tekenoefeningen om in je behandeling toe te passen. Ik merk dat ik hierdoor beter kan aansluiten bij een kind, plezier heb samen en verassende informatie krijg over wat er in het kind omgaat.”
Welk moment tijdens je werk is je het meest bijgebleven?
“De momenten waarop kinderen aangeven zich echt begrepen te voelen, vooral wanneer er in het begin juist weerstand is geweest. Het geeft veel voldoening wanneer kinderen en jongeren bij de afsluiting merken dat zij het zelf aan kunnen en een positiever zelfbeeld hebben. Precies dat steuntje in de rug hoop ik te kunnen bieden.”
Waarom zou je dit werkveld aanraden aan andere pedagogen?
“Het werk geeft veel voldoening omdat je doelen vaak in relatief korte tijd behaalt. Je hebt veel afwisseling door een diverse caseload, je kennis wordt flink uitgebreid, en je kunt leuke interventies toepassen op een manier die bij jezelf én bij de cliënt past. Bovendien kun je onderzoek en behandeling combineren.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
Zojuist – maandag 23 februari – toch maar even gekeken naar de beëdiging van Kabinet-Jetten. We zijn allemaal heel benieuwd hoe zij Nederland gaan regeren. Gelukkig heb ik niet al te veel tijd om daarbij stil te staan, want woensdag is er weer een bestuursvergadering. De normaal al volle agenda staat dit keer nog voller, met nogal belangrijke thema’s. Hoe staat het met het herschrijven van de pedagogische visie? De komende verkiezing van de ledenraad moet besproken worden – we hopen dat veel leden zich hiervoor willen aanmelden! Ons NVO-kwaliteitsregister staat erop, een aantal handreikingen, maar ook de brief van voormalig minister Bruijn, met het verbijsterende bericht dat hij heeft besloten de orthopedagoog- generalist-opleiding niet centraal te bekostigen vanuit VWS. Dit bericht heeft behoorlijk effect voor de collega’s op kantoor, voor leden en voor samenwerkingspartners; logisch, de gevolgen zijn fors. We kunnen het er niet bij laten zitten en zullen alle wegen bewandelen om de Tweede Kamer ervan te overtuigen dit besluit te heroverwegen. Wordt vervolgd…
Judy Hoffer, directeur NVO





‘Goed leven is voor iedereen belangrijk.’ Dat is de kern van het LACCS-programma1 volgens NVO-leden Michelle Both (rechts op de foto) en Mirjam Zijlmans-van Berkel. Zij zijn orthopedagoog-generalist en kartrekkers geweest in het uitrollen van het programma bij gehandicaptenzorgorganisatie Amarant in Noord-Brabant.
Als Michelle zich in 2017 inschrijft voor de EVB-leergang2 met daarin LACCS als onderdeel, komt onverwacht het volledige LACCS programma in de cursus terug. Ze is meteen enthousiast en spoort haar collega Mirjam aan: “Jij moet die scholing ook écht gaan doen!” Volgens hen voegt het programma veel toe voor de EVB/EMB3 doelgroep, waar ze beiden overwegend mee werken. “Het is zeer laagdrempelig, met duidelijke taal. Heel toegankelijk.”
“Het goed leven gesprek is een belangrijk onderdeel van het programma, waarin alle LACCS-waarden besproken worden met de betrokkenen en waar kan ook met de cliënt zelf. Het programma stimuleert een gezamenlijke, brede blik op de verschillende domeinen van kwaliteit van leven en vermindert de focus op het probleemgedrag. Onze doelgroep kan het tenslotte zelf niet vertellen en verdient ook een goed leven, net als wij.”
tekst en foto: Laura van Wijnen