‘Waarom staat de Pedagoog altijd vol met vrouwen?’, mailde een NVO-lid een tijdje geleden aan de redactie. Als man vond hij te weinig herkenning. We zijn er sindsdien beter op gaan letten, al blijft het zo dat er véél meer vrouwen pedagoog zijn dan mannen. In dit nummer hopen we het helemaal goed te maken, met maar liefst zes mannen – tegenover elf vrouwen.
Lees meerSchrijver Abdelkader Benali vertelt over zijn bezoeken aan vijftien basisscholen, waar meer dan de helft van de kinderen in armoede leeft. Hij ontdekt er dat alle ouders hardwerkende armen zijn, dat onderwijzers veel meer doen dan onderwijzen en welk verschil het Jeugdeducatiefonds maakt voor de ontwikkeling van leerlingen.
Pedagoog en promovendus Martin van Rooijen bepleit meer mogelijkheden voor kinderen om risico’s aan te gaan tijdens het spelen. Vooral omdat kinderen er een innerlijke drive voor hebben. ‘Ze hebben het nodig om zichzelf uit te dagen.’ En daar hebben ze overbeschermende opvoeders, met al hun overbodige spelregeltjes, niet bij nodig.
NVO-orthopedagoog Bas Schuurmans geeft een inkijkje in de manier waarop hij werkt met tekeningen bij zijn cliënten. Hij begon met tekenen in zijn eerste baan, een school voor kinderen met taalstoornissen en slechthorendheid. En hij doet het nog steeds, maar nu als jeugdhulpverlener. Bijvoorbeeld een vulkaan van woede, een meer van verdriet en een brug van herstel. PAD-expert Kees van Overveld herinnert zich hoe het Programma Alternatieve Denkstrategieën halverwege de jaren tachtig naar Nederland is gehaald door de oudervereniging van dove kinderen, FODOK. Veertig jaar later is PAD, ondanks toenemende concurrentie, nog steeds een beproefd middel om de sociaal-emotionele vaardigheden van schoolkinderen te versterken.
Als toetje: twee columns van twee onderwijsmannen. Van René Peters die ineens een onbekende dame in zijn keuken ziet verschijnen, met zijn dochtertje aan de hand. En van Bart van Gent die voorleest uit een Pools prentenboek en in het Bulgaars hoort schelden.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
In ‘Dromenmakers’ beschrijft Abdelkader Benali zijn reis langs vijftien eigenwijze bassischolen. Samen met Hans Spekman, directeur van het Jeugdeducatiefonds, spreekt hij openhartig met leerkrachten, directeuren en kinderen. Over de impact van armoede, de school als veilige haven en het belang van persoonlijke aandacht.
Lees meer
“Hans Spekman is de vrachtwagenchauffeur van het onderwijs”, zegt schrijver, theatermaker en presentator Abdelkader Benali (1975, Ighazzazen, Marokko) via Zoom.
“Ik trof hem vorig jaar vaak bij rondetafelgesprekken over kansenongelijkheid in het onderwijs, een thema waar ik veel mee bezig was. Hans kwam altijd net van een school vandaan die aangesloten is bij zijn Jeugdeducatiefonds, soms wel van twee die dag, en hij zat steeds vol met verhalen. We raakten in gesprek over de interventies die scholen plegen om een kind niet alleen bij het onderwijs te betrekken, maar ook een veilige plek te bieden waar het zich kan ontwikkelen, kan ontdekken dat het een kind is.”
“Het waren schrijnende verhalen die Hans deelde”, zegt Benali.“Over kinderen die met honger naar school gaan, over eigenwijze leerkrachten die in actie komen om kinderen toch naar school te krijgen, over bestuurders die buiten de lijntjes durven kleuren. Ik wilde me graag meer in de thematiek verdiepen. Ik praatte er wel over, maar had die scholen eigenlijk nooit van nabij gezien. Toen zei Hans: ‘Je mag best met me mee.’”
Samen bezoeken ze in de loop van 2024 vijftien – van de ruim achthonderd – basisscholen die met steun van het Jeugdeducatiefonds extra mogelijkheden scheppen voor hun leerlingen. Ze reizen van Middelburg en Vlissingen tot Drachten, Leeuwarden en Roermond. Het zijn scholen waar minstens de helft van de leerlingen opgroeit in armoede. Zij organiseren ‘extra’s’ zoals een Verlengde Schooldag vol educatieve en sportieve activiteiten, een lunch op school, ondersteuning door professionals en uitstapjes naar theater of dierentuin. Er zijn ook individuele vergoedingen voor zaken als een bril, een bed of kindercoaching.
Eind vorig jaar verscheen Dromenmakers. Hierin schetst Abdelkader Benali mooie, gedetailleerde portretjes van de scholen, de buurten waar ze staan en waar de kinderen wonen. Ergens halverwege de reis belandt hij op de Valentijnschool in het Rotterdamse Delfshaven. De wijk waarnaar hij eind jaren zeventig, als vierjarige, vanuit Marokko verhuisde.
“Delfshaven is heel groot, maar mijn wereld was heel klein. Bij de singel hield het voor mij op. Ik ging van huis naar de kleuterschool en weer terug. Thuis moest ik binnenblijven. We waren nu in een ander deel van Delfshaven, in een pittige wijk met een hoge score in zwaarte van problematiek.
Net als de andere scholen, was de Valentijnschool letterlijk een oase in de wijk. Een plek vol rust en vrede, waar ouders hun kinderen vol vertrouwen naartoe brengen. Ik herinner me dat we aan het eind van ons bezoek bij groep 8 kwamen, die net aan de lunch zat. Heel rustig en bijna volwassen zaten ze daar, echt als een groep die klaar is voor de volgende stap. Het klinkt misschien stom, maar soms kan je gewoon voelen dat een school goed is.”
Wat meehelpt op de Valentijnschool – ‘met 40 procent Marokkaanse en 30 procent Turkse leerlingen, dan komen de Kaapverdianen en de Bulgaren’ – is het zeer divers samengestelde team, vertelt Benali. “Een van de weinige overigens. Met een leuke Marokkaanse dame, Sahila, die de wereld van de kinderen kent en begrijpt.”
In Dromenmakers vertelt Sahila, al jarenlang medewerker ouderbetrokkenheid, over het Onwijze Moeders-project. Hier kunnen moeders hun ervaringen en verhalen delen en elkaar zo steunen. Sahila geeft, samen met de wijkagent, voorlichting over alle gevaren waaraan kinderen in de wijk blootstaan, zoals ronselpraktijken. Verder helpt ze moeders in het lokettendoolhof van de gemeente en dankzij goede contacten met de Jumbo om de hoek – ‘De bedrijfsleider heet Dirk’ – aan werk dicht in de buurt van hun kinderen.
Een school die ouders een baan om de hoek bezorgt, dat was nieuw voor Abdelkader Benali.
“Ik kwam wel meer van zulke voorbeelden tegen. Ook een school die sollicitatietrainingen gaf aan ouders, hoewel dat officieel niet mocht. Dat is mooi, maar ik werd er ook een beetje droevig van.
Ik kwam er op die scholen achter dat álle ouders werken. En veel ouders, alleen of met een partner, moeten heel hárd werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Er zijn veel alleenstaande moeders. Ze zijn afhankelijk van een breed netwerk aan opvang, zodat ze geld kunnen verdienen. Naast grootouders, ooms en tantes en andere familie is school daar een belangrijk onderdeel van. Dat wist ik allemaal niet.
Er was een school die zei: ‘We weten dat ouders echt direct door moeten naar hun werk, daarom zijn we een kwartier eerder open gegaan.’ Dat kwartiertje bleek wonderen te verrichten. Het zorgt dat een kind rustig aan de nieuwe schooldag kan beginnen.”
Een andere eyeopener was dat leerkrachten veel meer doen dan onderwijs geven.
“Op de basisschool van mijn dochters, in Amsterdam Nieuw- West, praat ik twee keer per jaar met de leerkrachten in het tafeltjesgesprek. Nu kwam ik binnen met Hans Spekman en kon ik iedereen alles vragen. De rijkdom van het boek is vooral dat iedereen zo open is. Ik vond het confronterend dat ik er toen pas achter kwam hoe intensief leerkrachten zich te bemoeien hebben met de leefwereld van een kind. Ze vertelden over huisbezoeken, over de eigen portemonnee trekken voor een fiets, aankloppen bij de gemeente voor steun, praten met de leerplichtambtenaar. De leerkracht is, net als bestuurders, een soort Zwitsers zakmes; op elke uitdaging volgt weer een nieuwe toevoeging aan dat mes.”
Het zijn geen doorsnee scholen die hij op zijn reis bezoekt, en geen doorsnee medewerkers die hij er ontmoet. Benali ziet veel bevlogen leerkrachten en karaktervolle directeuren, met een groot hart voor hun leerlingen.
“Ik weet dat niet alle scholen zo zijn. Met het boek wil ik laten zien hoe het onderwijs zich wat mij betreft zou moeten ontwikkelen. Het moet inspireren: Kijk, dit doen mensen op scholen om het onderwijs beter te maken voor iedereen! De kern is persoonlijke aandacht, dat je gezien wordt. Niet de anonimisering, het technocratische model, dat leidt tot zaken als de toeslagenaffaire.”
Hij heeft zelf goede herinneringen aan zijn basisschooltijd, begin jaren tachtig. “Ik vond school meteen leuk en voelde me zeker gezien, daar hechtte ik ook erg aan. Als ik ergens gevormd ben, is het wel in het kringgesprek. Op een gegeven moment begon ik voor te lezen uit een boek dat veel indruk op me gemaakt had. Daar maakte ik mijn klasgenoten deelgenoot van. Als een soort missionaris. Ik vond het geweldig, dat luisterende oor van de hele klas en die goedkeurende blik van de meester. Later mocht ik vaak de weekafsluiting doen. Ik was theatraal ingesteld en kreeg daar alle ruimte voor.”
Op alle vijftien scholen gaat hij in gesprek met kinderen, vaak uit de leerlingenraad. Veel kinderen zijn nieuwkomers, veel hebben een andere culturele achtergrond. Benali doet steeds zijn best om hun namen goed te spellen.
“Ik herinner me een klas, dat was gewoon net de Verenigde Naties. Een hele leuke, warme groep. Ik herinner me een Irakees meisje dat met haar familie bij opa en oma in Irak op bezoek was gegaan, te lang was gebleven en met een verlopen paspoort bijna niet meer terug kon. Het is een leven vol onzekerheid. Ik herinner me ook een sprankelend meisje, gevlucht uit Eritrea. Ze had in twee jaar heel goed Nederlands geleerd, hield van voetballen en was zo sterk.”
De achtergrond van de leerlingen heeft ook te maken met het karakter van deze scholen, denkt Benali. “Omdat ze een stapje extra zetten, zijn ze aantrekkelijker voor kinderen met een vluchtelingenverhaal, uit sociaal zwakkere milieus. Iedereen kan van hun aanbod profiteren, maar dat gebeurt niet. Zo was er een school met een grote groep kinderen uit Oekraïne, in Zevenbergen. Een kleine gemeente, maar wel met vijf scholen voor ouders om uit te kiezen. En helaas kozen ze hun school als laatste.”
Hij heeft heel wat broodjes zien smeren op de scholen die hij bezocht, vertelt Benali. Allemaal zorgen ze voor een gezond ontbijt of een gezonde lunch voor hun leerlingen. Op het Kindcentrum in Sittard trakteerden de kinderen Benali en Spekman op zelfgebakken appelcrumble.
“Daar waren ze heel trots op. Het was een unieke school, met een moestuin op het schoolplein en een grote volwaardige, professionele keuken. Die keuken was het hart van de school. Alle kinderen leerden daar koken, ook met messen, onder toezicht van een groep moeders.”
In Sittard maakt een groep van tien kinderen drie keer per week de lunch voor zo’n 250 medeleerlingen.
“Voor mij vervult die school een pioniersfunctie. Waarom hebben niet alle scholen zo’n keuken? Met het thema eten, leer je kinderen nadenken over hun plek in de wereld, over zorgen voor elkaar, samen iets maken, over sociale orde, gezondheid, klimaat en milieu. Met eten op school kun je allerlei feestdagen met elkaar vieren. Op alle niveaus een dikke plus dus.”
Zijn debuutroman Bruiloft aan zee uit 1996 begint met een schoolreisje. Benali ziet het nog voor zich. “Met de kleuterklas wandelden we hand-in-hand van Delfshaven naar Blijdorp, onderweg zongen we een liedje en zo gingen we onder een viaduct door. Eigenlijk een heel korte wandeling, maar voor mij een indrukwekkende reis. Echt een hoogtepunt.
Dat hoorde ik terug op de scholen, daarom besteden ze er ook allemaal geld aan. Een schoolreisje is niet alleen een uitje, je komt er achter dat je klas een soort familie is, bent samen onderweg, creëert samen bijzondere herinneringen. Je komt in nieuwe situaties terecht, met nieuwe handelingen. Veel kinderen hadden nog nooit in een bus gezeten, nog nooit een dierentuin gezien of een theater. Ze durfden niet goed hun jas af te geven bij de garderobe. Kregen ze die dan wel terug?”
Op de scholen ontmoet Benali ook een paar orthopedagogen. Is hun rol belangrijk?
“Ik heb begrepen dat scholen moeten vissen in de vijver met onderwijsondersteuning, naar pedagogen, maatschappelijk werkers en andere professionals. De onderwijsdruk is heel hoog, dus alles wat ze naar hen door kunnen schakelen, zorgt voor verlichting.
Het liefst hebben ze iemand die langdurig verbonden is aan een school, dan kun je meters maken. De kinderen hebben een onderwijsachterstand, maar met de goede aandacht en de goede instrumenten, kunnen ze die heel snel wegwerken. Je ontlast dus de leerkracht en versterkt de leerling.”
tekst: Annemiek Haalboom
De opbrengst van Dromenmakers gaat naar het Jeugdeducatiefonds.
Het Jeugdeducatiefonds zet zich via basisscholen in voor kinderen die opgroeien in ‘relatieve armoede’, om zo hun ontwikkelingskansen op allerlei manieren te vergroten. Als armoedegrens geldt een inkomen van ouders onder de 150 procent van het ‘niet-veel-maar toereikend’-criterium van het Sociaal Cultureel Planbureau. Dit is het bedrag dat een huishouden minimaal nodig heeft voor basiszaken als voedsel, kleding, wonen, zorg en ontspanning. Hierdoor komen ook kinderen die anders buiten beeld vallen, zoals kinderen van werkende armen, in aanmerking voor steun.
Basisscholen waar minstens de helft van de leerlingen opgroeit in ‘relatieve armoede’ kunnen een beroep doen op het Jeugdeducatiefonds. Er zijn inmiddels ruim 800 scholen aangesloten. Het fonds reserveert elk jaar een budget dat scholen vrij kunnen besteden, zowel aan individuele als aan educatieve groepsaanvragen. Dus van brillen, fietsen, bedden, boeken voor thuis, een dyslexietest en ondersteuning door professionals tot museumbezoek, fotoworkshop, busvervoer voor een schoolreisje en extra leermateriaal voor de hele klas.
Het Jeugdeducatiefonds is een non-profit organisatie, opgericht in 2015, naar voorbeeld van het Jeugdsportfonds en het Jeugdcultuurfonds. Hans Spekman is sinds 2018 de directeur.
www.jeugdeducatiefonds.nl
Van uitgeverij Lemniscaat mogen we drie exemplaren van Dromenmakers weggeven. Interesse? Stuur voor 7 mei een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Bart van Gent & Peter Hoffenaar
Lees meer
De invasie van Oekraïne begint op 24 februari 2022. Begin maart stuurt de Israëlische traumacoalitie een delegatie naar Polen om daar Oekraïense vluchtelingengezinnen te helpen. Ook onderzoeker Natalia Khvorostianov reist naar Warschau. Zij leert daar twintig gezinnen kennen. Bij thuiskomst, bladerend in haar notitieboekje, herinnert zij zich hoe kinderen zich vastklampten aan hun smartphone.
Ze besluit vijftien vluchtelingenkinderen, tussen de tien en veertien jaar oud, uitgebreider te vragen naar hun smartphonegebruik. Het apparaat blijkt al snel een soort ‘troostbeertje’. Zo vertelt Alissa dat ze zoveel mensen bij elkaar in het opvangcentrum overweldigend vindt. Om de chaos even te kunnen vergeten, kijkt ze naar haar favoriete hamster op Instagram. Door in te zoomen op zijn pootjes kalmeert ze en lukt het haar zelfs om hoopvol naar de toekomst te kijken. ‘Als we hier weggaan, koop ik een hamster. Het zijn kleine diertjes. Ook als we weer moeten verhuizen, kan ik hem overal mee naartoe nemen.’
De smartphone bleek niet alleen een verstopplek, maar ook onmisbaar voor het contact met (achtergebleven) vrienden en klasgenoten. Met een simpel ‘+’-teken lieten kinderen elkaar weten nog in leven te zijn. Dit was al voldoende om verbondenheid met thuis te blijven ervaren. Ten slotte fungeerde de smartphone ook als een tijdscapsule. Foto’s, video’s en zelfs huiswerkopdrachten maakten de breuk met hun oude leven net iets draaglijker.
Is er iets veranderd in je mediagebruik sinds het uitbreken van
de oorlog? Met deze ene open vraag heeft Natalia Khvorostianov veel inzichten verkregen. Naar mijn mening vormt haar studie een positieve uitzondering op al het onderzoek naar schadelijke effecten van sociale media en de vraag of kinderen pas boven de veertien jaar een telefoon zouden moeten krijgen.
Khvorostianov, N. (2025). “Is everyone alive?”: Smartphone use by Ukrainian refugee children. New Media & Society, 27 (1), 246-262. doi.org/10.1177/14614448231173657
Onderzoekers van KU Leuven en Universiteit Antwerpen
ontwikkelen binnen het project EPANEMA (Empowering Parents of Autistic children through Neurodiversity-affirmative psycho- Education) een nieuw programma voor psycho-educatie rond autisme. Leidend is het neurodiversiteitsgedachtegoed, waarbij autistische mensen1 worden gezien als een maatschappelijke minderheidsgroep op zoek naar emancipatie.
Dat er een nieuw programma nodig is, zetten de onderzoekers uiteen in een artikel. Ze beschrijven dat psycho-educatie bij autisme veel wordt ingezet, hoewel de theoretische basis niet heel stevig is. Daarbij zetten ze vraagtekens bij drie veelgebruikte programma’s: Ik ben speciaal, Geef me de 5 en Brain Blocks. Vanuit de theorie over neurodiversiteit en psycho-educatie stellen ze drie vragen over deze programma’s: Hoe wordt autisme gedefinieerd? Welke noden (needs) worden beschreven en voor wie? Wat wordt er van wie verwacht?
Na analyse van de handleidingen blijkt dat deze programma’s, die allemaal zo’n twintig jaar geleden op de markt kwamen, autisme vooral vanuit de neurotypische lens bekijken en als stoornis zien. Daarnaast blijkt dat ze vooral focussen op kennisoverdracht, terwijl vaardigheden maar beperkt aan bod komen en de individuele autistische noden onderbelicht blijven.
De onderzoekers komen tot enkele aanbevelingen voor clinici die gebruik maken van de bestaande programma’s bij het geven van psycho-educatie, bijvoorbeeld:
Het is evident dat behandelaars zelf ook aanpassingen kunnen plegen en programma’s inclusiever kunnen maken. Maar wellicht is met dit onderzoek toch de bijl in de huidige programma’s gezet.
Het programma EPANEMA loopt van 2022 tot 2026. In 2025 worden nog twee interviewstudies verwacht. Eén waarin ouders met autisme van kinderen met autisme is gevraagd naar hun ideeën over hoe het nieuwe psycho-educatieprogramma eruit dient te zien en één waarin een groep van zeventien internationale neurodiversiteitsdenkers deze vraag krijgt voorgelegd.
Van den Plas, L. et al. (2024). Towards a neurodiversity-affirmative conceptualisation of psycho-education in the context of autism. Research in Autism Spectrum Disorders, 114. doi.org/10.1016/j.rasd.2024.102391
Met veel plezier las Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen – de afgelopen twee jaar over de ervaringen van June Bragg tijdens haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. In september 2024 is zij zelf enthousiast begonnen aan deze opleiding bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Op de eerste dag, woensdag 4 september 2024, komen wij opleidelingen rustig de ruimte in bij BCN Amsterdam Arena. De taart om de start van ons traject te vieren staat klaar en wordt ons aangeboden door de oprichters van King Nascholing en de hoofddocenten van de opleiding tot orthopedagoog-generalist. We maken die dag kennis met elkaar en met de opleiding. Iedereen heeft een voorwerp meegenomen om zichzelf te laten zien. Ik wijs op mijn bril, met een gouden randje, die zegt iets over mijn analytische blik. Gedurende de dag voel je de warmte van de groep steeds meer. Ik heb er zin in!
Een paar maanden verder is de sfeer nog steeds hartelijk onder elkaar. Om de week hebben we groepssupervisie. Dit jaar door een supervisor en drie supervisanten uit verschillende werkvelden. Dit eerste jaar hebben we acht blokken van ieder vijf weken. We zijn gestart met het vak Diagnostiek. Niet erg vernieuwend qua inhoud, maar wel goed om alles weer even op te frissen en vooral stil te staan bij: wat zijn we aan het doen en wat vind ik daarvan als orthopedagoog-generalist? We richten ons met name op veranderingsgerichte en niet zozeer op classificerende diagnostiek, wat aansluit bij de veranderende ggz-visie.
In het volgende vak, Behandeling, hebben we overstijgend bekeken hoe we omgaan met behandelen in de praktijk en vanuit de maatschappij bezien. We hebben geleerd over de geschiedenis van jeugdhulp tot nu. Er is regelmatig gerefereerd aan pedagoog Micha de Winter en het belang van de omgeving van kinderen. Zoals middels Beschermjassen, waarin je werkt met het genogram en de familiegeschiedenis, om thema’s te bespreken met de gezinnen waarmee je werkt. Heel inspirerend.
Daarna volgen de werkveldvakken Sociale kwetsbaarheid bij mensen met een cognitieve beperking en Onderwijs. Ieder blok sluiten we af met een toets. Deze is gericht op het schrijven van een aanbeveling of richtlijn binnen je eigen organisatie, die je wetenschappelijk onderbouwt en evalueert. Zo heb ik mijn toets voor Behandeling gericht op het belang van het maken van een genogram met het gezin bij de start. Zo dragen we steeds bij aan een eigen visie en verbetering van de hulp, gericht op: dialogisch, systeemgericht en veranderingsgericht werken. Dé pijlers van King Nascholing en de NVO.
Op dit moment zijn we hard bezig met reflecteren op onszelf en evalueren we ons Individueel Ondersteuningsplan, dat we aan de start van de opleiding gemaakt hebben. Verder reflecteren we ieder half jaar op onze groepssupervisie en ben ik ook hard aan het werk voor de jaarlijkse casusbeschrijving. Daarover volgende keer meer.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Naast de bekende bibliotheek waar je boeken kunt lenen, zijn er de laatste jaren alternatieve bibliotheken ontstaan vanuit een narratieve benadering, zoals de Mensenbieb met levende boeken. Pas is hier de Bibliotheek van Tussenverhalen aan toegevoegd. Het resultaat van een meerjarig onderzoeksproject waarin jongeren, onderzoekers, jeugdprofessionals en kunstenaars samenwerken.
Lees meer
Rivelino Rigters van Criminal Minded in gesprek met deelnemer Lion de Graven.
In de Bibliotheek van Tussenverhalen vind je verhalen van jongeren in zogenaamde tussenposities. Deze jongeren groeien op tussen culturele, religieuze, sociale of institutionele leefwerelden. Ze hebben bijvoorbeeld een dubbele nationaliteit, zijn de eerste in hun familie die gaat studeren, hebben in de gesloten jeugdzorg of in detentie gezeten, of bewegen zich tussen een lhbtqia+ gemeenschap en sociale omgevingen waar heteroseksueel zijn de norm is.
Tussenposities zijn dus niet allemaal hetzelfde, maar een gemene deler is dat veel jongeren het gevoel hebben er niet bij te horen of niet goed genoeg te zijn. In onze samenleving is er vooral aandacht voor de problemen of de moeilijkheden die deze jongeren ervaren, en wordt hun kracht en de vaardigheden die ze vanuit hun tussenpositie ontwikkeld hebben onvoldoende belicht. Deze jongeren hebben leren schakelen tussen verschillende contexten, leren navigeren.
De Bibliotheek van Tussenverhalen wil juist beide kanten laten zien. Aan de hand van verschillende thema’s – waaronder gevlucht, spijt, muziek als binding en familie – vertellen jongeren hun verhaal.Dit doen ze op eigen wijze, via video, spoken word, muziek, rap of podcasts. Naast de tussenverhalen zelf hebben jongeren, in samenwerking met onderzoekers en kunstenaars, een masterclass voor professionals ontwikkeld.
Op de website van de Bibliotheek van Tussenverhalen1 leggen projectmedewerkers Sebastian Abdallah, Elena Ponzoni en Jessica van der Luyt in een video uit wat de ideeën zijn die ten grondslag liggen aan het onderzoeksproject. In gesprek met Elena Ponzoni krijg ik daarnaast nog verdere uitleg.
De Bibliotheek van Tussenverhalen en de masterclass hebben zowel een pedagogische, culturele als politieke dimensie. De pedagogische dimensie betreft de tweeledige relatie tussen jongeren en volwassenen, waarbij volwassenen in de begeleiding van jongeren oog hebben voor de complexiteit van tussenposities en waarbij zij kunnen leren van jongeren en ook accepteren dat jongeren hen iets te leren hebben.
De culturele dimensie betreft de verschillende vormen van expressie die jongeren gebruiken om hun ervaringen weer te geven, zoals muziek, toneel, poëzie, zang, videobeelden. Bij de politieke dimensie gaat het om macht: wie heeft vertelmacht in onze samenleving en hoe kan je ruimte maken voor verschillende verhalen, ook de verhalen die vaak niet gehoord worden.
In onderwijs en jeugdzorg is er vaak een eenzijdige kijk op de ervaringen van jongeren in tussenposities. Er wordt gezocht naar duiding van problemen. Dit zijn vaak eendimensionale verhalen of single stories zoals de Nigeriaanse Chimamanda Ngozi Adichie ze noemde in haar bekende TED-talk.2 Terwijl individuele levens en verhalen hierover, nuances en gelaagdheden kennen. Er zijn dus meervoudige verhalen nodig, verhalen die niet in het dominante script passen. Dit vraagt ook een andere manier van luisteren: gelaagd luisteren, op zoek naar meervoudigheid. Als luisteraar moet je je bewust zijn van wat je beperkt in het luisteren, je eigen kaders durven loslaten, en tegelijkertijd ruimte scheppen voor het mogelijke ongemak dat je voelt bij het horen van de verhalen. Zo kom je in een zogenaamde daring space, een ruimte waarbij je kunt aangeven dat je het niet begrijpt en elkaar vragen durft te stellen hierover.
De onderzoekers hebben verschillende inzichten opgedaan gedurende het project. De gelaagdheid van de ervaring van de tussenpositie is al genoemd. Jongeren komen uitdagingen tegen in de tussenposities die ze innemen, en leren paden te bewandelen en strategieën te vinden om met deze uitdagingen om te gaan. Het gaat over liminaliteit, een begrip uit de culturele antropologie. Het beschrijft de fase van transitie, of overgang. Het ‘oude’ is verlaten, het ‘nieuwe’ nog niet gevormd. Het is ‘het ondertussen’ (in-betweenness). Het is een kans voor groei en doorleefde verandering, mits je begrijpt wat er eigenlijk gebeurt in ‘het ondertussen’.
Zo zie je dat jongeren die in detentie hebben gezeten in eerste instantie afstand willen nemen van deze periode in hun leven, maar op een later moment terugkijken en de waarde ervan kunnen inschatten, en deze periodes met elkaar in verbinding kunnen brengen. Bij biculturele jongeren zie je bijvoorbeeld verzet tegen het gevoel dat ze een keuze moeten maken tussen het een of het ander, ze voelen zich vaak thuis in verschillende werelden. Eerste generatie studenten (jongeren die als eerste in hun familie gaan studeren) hebben geleerd om met verschillende kaders om te gaan. Vanuit wetenschappelijk oogpunt heeft het onderzoeksproject inzichtelijk gemaakt dat co-creatie tussen onderzoekers, professionals en jongeren specifieke kennis oplevert die anders veelal impliciet blijft.
Hoe kunnen we vanuit deze individuele ervaringen naar maatschappelijke waarde bewegen? Hier komt de politieke dimensie naar voren. Om een democratie gezond te houden, hebben we mensen nodig die over vaardigheden beschikken om met verschil om te gaan. Jongeren in tussenposities doen niet anders. Ze kunnen reflecteren op verschil en zaken ter discussie stellen. Zo is de ervaring en kennis die ze hebben opgedaan niet alleen relevant voor deze jongeren zelf, maar ook voor anderen.
![]()
Elena Ponzoni heeft nog een paar tips voor pedagogische professionals. Leren luisteren naar de gelaagdheid is een continue uitdaging, maar als het lukt is het hoopgevend in het huidige politieke klimaat. Ben je bewust hoe jongeren in tussenposities meerdere identiteiten combineren. En zie hun navigeren als belangrijke vaardigheid, met alle moeilijkheden die daarbij horen. Heb oog voor de complexiteit ervan.
tekst: Marleen Baeten
foto: Coen van Heteren
1. www.bibliotheekvantussenverhalen.nl
2. www.ted.com/talks/chimamanda_ngozi_adichie_the_danger_of_a_single_story
Het onderzoeksproject Bibliotheek van Tussenverhalen is een samenwerking tussen Hogeschool InHolland, de Vrije Universiteit, de Universiteit voor Humanistiek, Stichting Sitara, Criminal Minded, Sociaal Cement, Fonds ZOZ en de Hogeschool van Amsterdam. Het project is inmiddels afgerond, publicaties volgen nog. Stichting Sitara neemt de projectleiding over.
De bibliotheek wordt de komende jaren aangevuld met nieuwe verhalen en de masterclass blijft in ontwikkeling. Deze is bedoeld voor (professionele) begeleiders en beleidsmakers die meer willen leren over de kracht van tussenposities en begrijpen hoe jongeren deze kracht zelf in kunnen zetten om te zorgen voor verandering, in hun eigen leven of in hun omgeving. Daarbij staat het leren luisteren naar tussenverhalen centraal. Wat is een tussenverhaal? Hoe herken je hierin kracht? En hoe kun je jongeren ondersteunen bij het inzetten van deze kracht?
www.bibliotheekvantussenverhalen.nl
De Richtlijn Zingevende daginvulling wil de kwaliteit van leven en het gevoel van eigen regie van cliënten in de langdurige zorg verbeteren. Het organiseren en bieden van zingevende daginvulling – van creatief tot sportief – is niet eenvoudig in deze sector. Daarom ontwikkelde SKILZ, onder regie van Tanja Mol, een multidisciplinair kwaliteitsinstrument. Vanuit het werkveld zijn knelpunten in kaart gebracht en dacht een werkgroep mee. Moniek Voermans en Heleen Karelse, twee orthopedagoog- generalisten en NVO-leden, lazen kritisch mee in de commentaarfase.
Lees meer
v.l.n.r. Moniek Voermans, Heleen Karelse en Tanja Mol
“Bij SKILZ stond het onderwerp al op de meerjarenagenda. De ervaringsraad van SKILZ had het aangedragen. De ervaringsraad bestaat uit belangenbehartigers die gebruikmaken van de langdurige zorg en hun mantelzorgers. In deze raad wordt het cliëntperspectief vertegenwoordigd,” licht procesbegeleider Tanja Mol toe.
“Er is gestart met een inventarisatie naar de knelpunten in de praktijk. Ongeveer twee jaar geleden zijn we begonnen met het samenstellen van een werkgroep. We hebben een multidisciplinaire groep kunnen vormen met geestelijk verzorgers, een verpleegkundig specialist, een psycholoog en nog een paar professionals uit andere disciplines.
We hebben uitgebreid literatuuronderzoek gedaan en een intensieve heidag gehad, waarop we met de volledige werkgroep in gesprek gingen over de inhoud van de richtlijn. Nadat de conceptversie klaar was, is de richtlijn voor commentaar gestuurd naar externe partijen. Daarbij kregen we onder andere feedback van twee NVO-leden, Heleen en Moniek.”
Van belang is dat de cliënt goed in beeld is bij de zorgprofessional. Wat is diens behoefte aan zingeving?
Tanja: “In de richtlijn vind je de elementen van zingevende daginvulling. Een aantal is voorwaardelijk, zoals dat het altijd maatwerk blijft. Daarnaast zijn er elementen die bijdragen aan zingeving, maar niet voorwaardelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan plezier. Er is een hoofdstuk over het toepassen, gericht op de zorgverlener. Hoe kan jij zingevende daginvulling toepassen voor een cliënt? Altijd samen met de cliënt, uiteraard. De richtlijn eindigt met een hoofdstuk over de organisatie van zorgverlening. Wat kun je als organisatie doen om bij te dragen aan zingevende daginvulling voor cliënten?”
De richtlijn geeft goede handvatten voor professionals. Zoals: welke gesprekken kun je voeren of hoe kun je erachter komen wat voor iemand zingevende daginvulling is? En daar dan ook met diegene aan gaan werken. Een richtlijn over dit onderwerp helpt bij bewustwording voor zorgprofessionals: ervaart mijn cliënt dit als zingevende daginvulling? Ook zorgt het voor een soort uniformiteit in het werk, dat iedereen met de neuzen dezelfde kant op staat.
“Ik denk dat deze richtlijn een goede gespreksstarter is met de cliënten, maar ook veel inzichten kan geven in handige tips en tricks,” aldus Tanja Mol.
In 2018 is de Stichting Kwaliteitsimpuls Langdurige Zorg (SKILZ) opgericht om samen met cliënten, naasten en zorgverleners de kwaliteit van de langdurige zorg te verbeteren. SKILZ doet dit door het ontwikkelen van multidisciplinaire richtlijnen en is ook verantwoordelijk voor het beheren en herzien van deze richtlijnen.
De Richtlijn Zingevende daginvulling vind je op www.richtlijnenlangdurigezorg.nl. Inclusief een samenvatting en hulpmiddelen voor het toepassen van de adviezen uit de richtlijn.
NVO orthopedagogen-generalist Moniek Voermans en Heleen Karelse hebben de richtlijn van commentaar voorzien. Samen met een tiental andere zorgprofessionals vanuit diverse disciplines lazen zij kritisch mee met deze richtlijn.
Moniek is programmamanager, orthopedagoog-generalist en onderzoeker binnen de ggz. Zij reageerde op de oproep in de NVO-nieuwsbrief. “Ik vond het sowieso leuk en waardevol om mee te mogen lezen. En vanuit mijn achtergrond heb ik goede suggesties kunnen doen,” zegt Moniek.
“Ik vond het ook fijn dat ik terugkoppeling kreeg over wat er wel en niet is opgenomen in de richtlijn. Het geeft een voldaan gevoel om daadwerkelijk een bijdrage te kunnen leveren. Erg goed dat de samenstelling van de werkgroep multidisciplinair was, dat is namelijk cruciaal voor het zingevingsaspect. En dat maakt ook dat zo’n richtlijn net iets praktischer wordt dan veel andere richtlijnen.”
Heleen, werkzaam bij Amarant, een organisatie voor cliënten met een verstandelijke beperking, vond het ook heel waardevol om mee te lezen.
“Je kijkt kritisch mee naar wetenschappelijke onderbouwing. Ik ging ook meteen dwarsverbanden leggen en dingen opzoeken. Ja, dit waren uren waarin ik niet alleen leerde van de richtlijn,” zegt zij. “Een mooie gedachte is dat je elkaar op deskundigheid aan het aanvullen bent. En dat we feedback kregen op het geleverde commentaar. Dat vind ik echt een compliment voor hoe het proces met deze richtlijn is gelopen.”
“Als het een onderwerp is dat je interesse heeft en je er wel het een en ander vanaf weet, dan kan het een hele mooie manier zijn om je expertise te delen. Door het beoordelen van een richtlijn blijf je zelf ook op de hoogte van de actuele ontwikkelingen op dat gebied. Het is een mooie manier om je kennis te delen,” laat Moniek weten. “Je voelt je echt serieus genomen als meelezer. Het proces is zorgvuldig gegaan. De samenwerking met SKILZ was goed.”
Tanja: “Voor SKILZ is het ook erg waardevol dat externen meekijken en dat we feedback ontvangen vanuit verschillende hoeken. Dat maakt de richtlijn alleen nog maar beter.”
Heleen: “Het meelezen in een commentaarfase van een richtlijn ervaar ik ook als gratis deskundigheidsbevordering, waar je tegelijkertijd je eigen expertise in kwijt kunt.”
tekst: Marijke Buisman
Martin van Rooijen is pedagoog en vorig jaar gepromoveerd aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Hij doet onderzoek naar de meerwaarde van risicovol spelen voor kinderen en de dilemma’s die professionals en andere opvoeders ervaren bij het faciliteren hiervan. Als kritisch pedagoog onderkent hij het belang van de kindertijd, die een periode moet zijn waarin kinderen zichzelf mogen zijn, verantwoordelijkheid ervaren en de ruimte en vrijheid krijgen om hun eigen gang te gaan.
Lees meer
Martin van Rooijen
Martin van Rooijen
2021 – heden
Sociaal ondernemer De Blauwe Ton: Training, onderzoek & advies
2015 – 2024
Promovendus, Universiteit voor Humanistiek Utrecht
2011 – 2013
Master Ecologische Pedagogiek, Hogeschool Utrecht (cum laude)
2004 – 2020
Diverse functies als sociaal cultureel werker
2000 – 2004
Teammanager Buitenschoolse Opvang
1995 – 1999
Bachelor Social Work, Hogeschool Utrecht
“Vooral omdat ik in de praktijk met kinderen heb gewerkt en op bso’s en in speeltuinen van nabij heb gezien hoe kinderen spelen, wat ze doen en wat ze nodig hebben. Ik was coördinator van twee nieuwe bouwspeeltuinen, waar kinderen met hamers, spijkers en pallets hutten konden bouwen. Het was pionieren, er was nog niks. Dat paste mij goed, het zorgen voor uitdagende speelmogelijkheden voor de kinderen.
De interesse komt ook door mijn eigen ervaringen met de kinder- vakantieweek. Dat zijn huttenbouwweken in de zomervakantie, waar ik veel goede herinneringen aan heb als kind, maar ook later als begeleider. Het is essentieel om als kind je eigen ding te kunnen doen en daar veel vrijheid in te krijgen.
Later, in mijn masteronderzoek, kwam als vanzelf het thema risky play naar voren, dat in Nederland toen nog redelijk onbekend was. Ik zag dat kinderen vaak risico’s aangaan tijdens het spelen, dat ze dit graag willen en er eigenlijk weinig mogelijkheden toe hebben.”
“Dat kinderen ons niet nodig hebben bij het vrij en risicovol spelen. Dat ze zeggen ‘laat ons nou, laat ons onze eigen gang gaan.’
Zij willen vooral ons vertrouwen en ze komen wel naar ons toe als ze ons nodig hebben. Risicovol spelen gaat vooral over het fysieke risico, dat je een bult valt of wat bloed hebt enzovoort, en dat vinden zij oké. Maar de kinderen zelf verbreedden dat naar sociaal en emotioneel risico.
Elkaar uitdagen, dat hoort er ook bij. Volwassenen hebben de neiging om dan snel in te grijpen. Die denken ‘dat gaat niet goed’, maar voor kinderen hoort dat juist ook bij risicovol spelen.”
“Het belang voor de ontwikkeling vind ik nooit zo’n goede vraag, want dat houdt mij niet bezig. Natuurlijk is het goed voor de versterking van de autonomie, veerkracht en weerbaarheid van kinderen. Maar het gaat mij niet om de ontwikkeling of wat risicovol spelen oplevert voor het kind of voor ons als opvoeders. Belangrijker vind ik dat kinderen een innerlijke drive hebben voor dit soort spel, ze hebben het nodig om dit te doen.
Ik houd me bezig met hun ervaringen en het uitzoeken hoe we als opvoeders de omstandigheden zo optimaal mogelijk kunnen maken dat deze intrinsieke behoefte van het kind om zichzelf uit te dagen de ruimte krijgt.”
“De overbescherming heeft nogal toegeslagen, daar maak ik mij wel zorgen over. Ik begrijp het wel: je wilt zorgen dat je kind niks overkomt. Maar we zijn daarin doorgeslagen in de zogenaamde ‘overbeschermingsparadox’: hoe meer wij onze kinderen proberen te beschermen, hoe groter de kans dat het echt misgaat als wij er niet bij zijn.
Daarnaast staan vaak de eventuele gevolgen voorop en gaat het al snel over wie aansprakelijk is als het fout gaat of de angst voor slechte publiciteit. Ook belangrijk, maar volgens mij moeten we veel meer met elkaar in gesprek over onze waarden en onze grenzen met betrekking tot risicovol spelen. Dat noem ik het ethische gesprek. ‘Waar voel jij je oké bij?’ en ‘Welk risico dat het kind opzoekt, ben jij bereid te aanvaarden, zodat kinderen meer ruimte krijgen?’
Op plekken zoals de kinderopvang is er nu vaak weinig tijd voor dit soort gesprekken. Meestal wordt er, zonder echt gesprek, consensus gezocht tussen medewerkers en vaak de ondergrens gekozen. Het
is dan zo veilig mogelijk, we houden rekening met allerlei factoren, maar door de hieruit voortvloeiende regeltjes worden de kinderen juist beperkt in hun mogelijkheden tot risicovol spelen.”
“Het is voor de maatschappij in brede zin van belang, omdat het gaat om welke kindertijd wij voor onze kinderen wensen en wat de rol van volwassenen en organisaties hierbij is. De kinderopvang staat open voor het thema risicovol spelen en wil ermee aan de slag.
Ik verzorg daar veel teamtrainingen en ouderavonden, maar ook scholen en speeltuinen hebben interesse. Ook het speciaal onderwijs staat steeds meer open. Vaak worden deze kinderen nog meer overbeschermd en hebben zij weinig mogelijkheden om risicovol te spelen. Terwijl juist zij die extra veerkracht en het zelfvertrouwen goed kunnen gebruiken.
Vaak zijn er veel regels op het speelplein voor de kinderen en komen er steeds meer bij. Soms weet niemand meer waarom bepaalde regels zijn ingesteld. Een goede manier is om leerkrachten te laten bespreken: ‘welke regels kunnen we afschaffen?’ Of ik stel voor om met de regels te beginnen op nul. Het aardige is dat leerkrachten hiervoor open staan en in de praktijk zien dat kinderen er baat bij hebben.
Het faciliteren van risicovol spelen werkt goed met zogenaamde loose parts, materiaal dat geen speelgoed is, zoals stammetjes, autobanden, kratjes, planken et cetera. Bij kinderen in het speciaal onderwijs is al snel de reactie: ‘Ja, maar daar gaan ze elkaar wat mee aandoen.’ Een vooronderstelling die je als begeleider invult, zonder dat je het zeker weet. De kunst is om dit soort oordelen uit te stellen. Eerst in de praktijk observeren, luisteren en reflecteren op de speelsituatie. Je kan altijd nog ingrijpen.
De mogelijkheden om risicovol spelen te stimuleren, bouw je stap voor stap op. Je gaat niet als eerste een vuurtje met de kinderen maken. Begin klein, in een hoekje, geef de kinderen meer tijd en ruimte om uitdagingen aan te gaan, doe een stapje terug en reageer niet meteen. Je zal verbaasd zijn wat het brengt aan speelplezier.”
“Ik wil de meerwaarde van risicovol spelen meer onder de aandacht brengen van andere sectoren en doelgroepen, zoals de jeugdzorg, het speciaal onderwijs en preventief jeugdbeleid. Er zijn ook plannen voor een speelproject met het voortgezet onderwijs in Utrecht.
Verder vind ik het van belang dat op landelijk niveau professionals en organisaties dit thema gaan uitdragen. Hoe kunnen we met andere geïnteresseerden een stapje verder komen? Bij het symposium voor mijn promotie hebben we het Collectief Risicovol Spelen1 gelanceerd. Omdat ik merk dat veel mensen die zich bezighouden met kinderen en spelen zich zorgen maken.
Ik wil dat er meer gebeurt, dus daar is verandering voor nodig die we met een gezamenlijk collectief, een ‘beweging’ kunnen veroorzaken. Hoe komen we tot doorbraken op het gebied van risicovol spelen? Voor dit doel werk ik ook samen met VeiligheidNL, de landelijke kennisorganisatie ter preventie van kinderongelukken, die weet dat risicovol spelen bijdraagt aan minder kinderen op de eerste hulp. Op 23 mei organiseren we een congres2 waar we ook een whitepaper risicovol spelen presenteren. Er komen sprekers uit Engeland, daar zijn ze veel meer bezig met risky play. Er zijn daar speeltuinen, adventure- of junk playgrounds, met playworkers die zijn getraind op bewuste afwegingen en onderlinge reflectie.
Zij bevragen elkaar in de dagelijkse praktijk constant over aanvaardbare risico’s en veiligheid. Dat ontbreekt vaak in de Nederlandse context.”
![]()
tekst: Rianne Manenschijn
In zijn proefschrift onderzocht Martin van Rooijen de soms tegenstrijdige belangen van verschillende stakeholders bij het faciliteren van risicovol spelen in de buitenschoolse opvang (bso). Het gaat hierbij om professionals, spelende kinderen, ouders en de organisatie. Hij ontwierp een model waarin zij elk een rol spelen als potentiële actor van verandering. Het model kan gebruikt worden om factoren te identificeren die van invloed zijn op Nederlandse professionals die toezicht houden op het risicovol spelen van kinderen.
Martin van Rooijen deed kwalitatief veldonderzoek in zeven Nederlandse bso’s, om de factoren van het model in de praktijk te verifiëren. Hij verzorgde een professionaliseringsprogramma voor de pedagogisch professionals, waarin de meerwaarde van risicovol spelen, de rol als begeleider en het belang van de speelomgeving aan de orde kwamen. Hierna werden zogenaamde loose parts geïntroduceerd waar de kinderen
mee konden buitenspelen. Voorbeelden hiervan zijn kratjes, laddertjes, rollators, kabelrollen en rolplanken, die het risicovol spelen stimuleren.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de professionals twee morele fricties ervaren. De eerste is het zoeken van een balans tussen de autonomie van kinderen om risicovol te mogen spelen en de verantwoordelijkheid voor hun veiligheid. De andere is de frictie tussen de eenheid van gezamenlijke afspraken en de diversiteit tussen collega’s, die elk hun eigen afweging willen maken.
Uit de gesprekken met en observaties van kinderen komt naar voren dat zij oké zijn zowel met fysieke risico’s van het spelen, de kans op een bult, als met de sociale en emotionele risico’s: elkaar uitdagen en groepsdruk horen erbij. Verder willen de kinderen meer vertrouwen en meer afstand van hun begeleiders. Zij willen graag zelf hun grenzen bepalen tijdens het risicovol spelen en komen zelf om hulp of advies vragen als zij dat nodig hebben.
Dit onderzoek geeft inzicht en meer begrip voor de manier waarop kinderen kansen tot risicovol spelen ervaren en leidt tot nieuwe en verbeterde benaderingen voor beleid en praktijk. De gerapporteerde resultaten suggereren dat de buitenomgeving meer aandacht nodig heeft, dat kinderen serieus genomen moeten worden in hun risicovol spelen en dat hun begeleiders ondersteuning nodig hebben in hun autonomie om verrijkte risico-inschattingen te maken.
‘Nou, gisteravond was een eyeopener hoor’, zegt mijn collega Els op dinsdagochtend bij de koffie. ‘We doen het helemaal fout hier op school.’ Ze praat me bij over het scholingsaanbod voor nieuwkomersonderwijs. Ik baal een beetje want ik had deze bijeenkomst – verzorgd door een orthopedagoog, gepromoveerd op de woordenschatontwikkeling van kleuters – ook graag willen bijwonen.
Lees meer
Sinds een jaar ben ik weer ‘meester Bart’. Elke woensdag ontvang ik in mijn lokaal zeventien groep-1-leerlingen uit de vier verschillende kleutergroepen van de school. Allemaal met Nederlands als tweede taal, of meertalig, over die benaming is geen consensus weet ik ondertussen. Ik ben geen expert op dit gebied, maar met m’n ervaring in het speciaal onderwijs en orthopedagogische blik mocht ik het toch gaan proberen.
“Van ons mogen ze hun eigen taal niet spreken, maar dat moet juist wel!”, zegt Els. Er waren filmpjes vertoond waarin heel duidelijk werd dat de kinderen hier veel baat bij hadden. En er was internationaal onderzoek dat dit idee ondersteunde. Ik schrik een beetje.
Natuurlijk had ik me voor ik begon ingelezen, een bijscholing gevolgd en bovendien voor de Pedagoog Sabrina Alhanachi geïnterviewd over cultureel responsief lesgeven. Intussen was ik ook met de taalcoördinator naar een bijeenkomst geweest waar het gebruik van ‘taaldenkgesprekken’ werd gepromoot. Kinderen mogen dan het Nederlands aanvullen met gebaren, plaatjes, Engels of hun eigen taal.
En natuurlijk wist ik ook wel wat de lijn van de school was, geen gebruik van de eigen taal, maar ik was er omwille van de kinderen al meteen van afgestapt. Ik had de deur van m’n lokaal dichtgedaan en gedacht: ik weet wel wat goed is voor deze kinderen. Maar ik had dat niet gedeeld.
Het idee dat het gebruik van de eigen taal goed is, werd onlangs in mijn eigen klas bevestigd door de vaak wat opstandige Pjotr, toen hij bij het horen van de Poolse tekst van een prentenboek verrast “Dat ben ik!” door de klas riep. Dat het soms lastig is werd me verteld door de introverte Nikolay, die me de naam van zijn vriend niet kon vertellen omdat dat Bulgaars was en hij alleen thuis Bulgaars kon praten. En het werd ronduit uitgedaagd door Fedor en Aleksander die elkaar hadden bijgespijkerd met scheldwoorden in hun eigen taal, wat hun ouders minder konden waarderen.
Moeten we de lijn van de school volgen, of is het tijd voor een nieuwe lijn? Ik vraag me af hoe Els hier instaat. Net als ik gooit ze voor de kleine Zoë uit haar klas al haar kennis van het Frans in de strijd en heeft ze een collega die vloeiend Frans spreekt ingeschakeld om het meisje te ondersteunen. Maar ons Afghaans, Arabisch, Bulgaars, Pools, Roemeens en Turks is minder goed. Misschien is het dan ook wel makkelijk om te zeggen ‘dat spreken we hier niet’.
Ik denk dat het een goede volgende stap is om onze opgedane kennis en inzichten breder te delen en samen te kijken naar wat we kunnen doen om de kinderen de ruimte te bieden om zowel het Nederlands als hun eigen taal te horen en gebruiken.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart heeft ruim tien jaar gewerkt als leraar, ib-er en orthopedagoog in het speciaal onderwijs en vijf jaar als docent pedagogische wetenschappen. Hij werkt nu met meertalige kleuters op een reguliere basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De gebruikte namen zijn gefingeerd.
Mirella van Minderhout begon haar carrière als leerkracht en is inmiddels een veelgevraagd orthopedagoog-generalist en onderwijskundige. Om het onderwijs inclusiever te maken, is het van belang dat de pedagogische, relationele en didactische basis wordt versterkt. Dat gebeurt vooral in de klas, dus is dat ook de plek waar orthopedagogen moeten zijn, vindt zij.
Lees meer
Mirella van Minderhout
Voordat Mirella van Minderhout haar eigen Bureau MIND begon, heeft ze veel diagnostiek en behandeling gedaan. “Ik hoopte de taal en kennis van de jeugdzorg naar het onderwijs te kunnen brengen, maar ik merkte ook dat ik als behandelaar of therapeut tegen het probleem aanliep dat ik de context1 onvoldoende in beweging kon krijgen.
Want ja, je kunt van alles doen om dat ene kind of die puber te helpen, maar je hebt dat systeem2 op school ook nodig. Zo ben ik steeds meer richting handelingsgericht werken en handelingsgerichte diagnostiek gegaan, waarbij de volgende vraag steeds meer centraal kwam te staan: hoe kunnen we de docent versterken in het belangrijke werk dat hij of zij te doen heeft?”
Inmiddels runt Mirella al zestien jaar Bureau MIND en haar visie is niet veranderd. Nog steeds ziet ze de leerkracht als een bepalende factor, die binnen het onderwijs het meeste effect heeft op de ontwikkeling van kinderen en tweemaal zoveel effect voor de kwetsbare kinderen. Daarom verdient de leerkracht de best mogelijke ondersteuning van onder andere de school, samenwerkingsverband én orthopedagogen.
“We zijn in het onderwijs lang gewend geweest om een kind met een ondersteuningsbehoefte uit de groep te plukken en individueel te gaan helpen. ‘Graag gerepareerd retour’, was de ongeschreven wens. Gelukkig komen we daar steeds meer van terug en is er vaker een brede blik. Tegelijkertijd zie ik nog te vaak dat orthopedagogen alleen met individuele kinderen bezig zijn en het systeem te weinig bij hun werk betrekken, of vinden dat dat niet kan omdat zij weerstand ervaren.”
“Natuurlijk blijven diagnostiek en behandeling belangrijk, maar
het mag niet ingezet worden als instandhoudende factor voor het ontbreken van goed onderwijs. Ook kunnen we als orthopedagogen veel meer differentiëren in de begeleiding van leraren.
Niet enkel adviseren en onderwijsbehoeften formuleren vanuit het individu, maar juist begeleiden in de realiteit van de hele klas, onder het motto: ‘Wat noodzakelijk is voor een, is nuttig voor velen’. Of juist expliciet uit de adviezen blijven en in plaats daarvan relatiegerichte reflectie inzetten als de professionele opvoedrelatie onder druk ligt.”
Het is een visie die past in de beweging naar het inclusiever maken van het onderwijs. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in 2023 de Werkagenda Route naar inclusief onderwijs 2035 gepubliceerd.3 Hierin staat onder andere een aantal acties en maatregelen beschreven die ervoor moeten zorgen dat het onderwijs in 2035 inclusief is.
In deze werkagenda staat onder andere: Alle kinderen en jongeren hebben recht op onderwijs, als essentiële stap naar volwaardige en gelijkwaardige deelname aan de samenleving. We willen dat realiseren door een inclusief onderwijssysteem, waarbij kinderen en jongeren met en zonder een extra onderwijsondersteuning samen naar school gaan.
Hoe kijkt Mirella naar de beweging naar inclusief onderwijs?
“Ik zie het huidige onderwijs vooral als een schip dat eigenlijk te smal is. Aan dat schip hangen allemaal kleine reddingsbootjes met individuele leerlingen, die we op die manier aangehaakt proberen te houden. En dan valt er ook nog een aantal tussen de wal en het schip, dat zijn de thuiszitters. Wat we in mijn optiek moeten doen, is het schip breder maken. Dat doe je door ervoor te zorgen dat leraren meer pedagogische skills krijgen, dat je ondersteunt bij het omgaan met problematisch gedrag en bij het opbouwen van goede relaties en lessen. In allerlei sectoren waar ik rondloop krijgen we intervisie, supervisie en andere vormen van ondersteuning.
Maar wat krijgen leraren? Die moeten het nog te vaak zelf uitzoeken, met uitval als gevolg. Als we dat verbeteren, heeft die leraar meer plezier in zijn vak, hebben we veel minder reddingsbootjes nodig en kunnen veel meer leerlingen zich ontwikkelen in het reguliere onderwijs. Dat is echt niet altijd hogere wiskunde, het gaat om de klassiekers uit de pedagogiek en relatie-ondersteunend gedrag, wat leraren niet veel tijd hoeft te kosten.”
Bijkomend voordeel: als leraren meer plezier hebben in hun werk, verlaten ze minder snel het onderwijs en verminder je het lerarentekort. “Ik zie bijvoorbeeld veel gepassioneerde mensen als zij-instromer het onderwijs in komen, maar we gooien ze voor de leeuwen met een paar dagen cursus en een maatje.”
Zelf begon Mirella ooit haar carrière als leerkracht. Juist daarom doet het haar pijn om te zien dat leraren vastlopen, met alle gevolgen van dien voor (kwetsbare) leerlingen. “Soms bespreek ik een paar tips, bijvoorbeeld over hoe je kan zorgen dat een klas het gewenste gedrag vertoont, en dan zegt een leraar: had ik dat maar eerder geweten!”
Wat kunnen orthopedagogen volgens Mirella doen om de ontwikkeling naar contextgericht werken – en dus meer inclusief onderwijs – te bevorderen?
“Het is goed dat steeds meer orthopedagogen de rol van critical friend pakken. Alleen ligt de nadruk naar mijn mening nog altijd te veel op friend en te weinig op critical. We zijn geneigd zacht op de relatie en zacht op de inhoud te willen zijn, ik vind dat we als beroepsgroep in het belang van het hogere doel best wat meer pit mogen hebben en transparanter op de inhoud mogen zijn. Dat je als gedragswetenschapper je vinger opsteekt en zegt: zullen we gaan doen wat écht werkt?”
“En zelf meer differentiëren in de aanpak als orthopedagoog, met name ten aanzien van het ondersteunen van uitdagende leerkracht- leerlingrelaties, vanuit de gedachte: goed zorgdragen voor leerlingen is goed zorgdragen voor leraren. Als we dat in ons achterhoofd houden, kunnen we als orthopedagogen een belangrijke bijdrage leveren op de weg naar inclusief onderwijs.”
tekst: Raymond Krul
Mirella van Minderhout startte haar loopbaan als leerkracht en werkte zowel in de gehandicaptenzorg als in de jeugdzorg. Zij studeerde af in onderwijskunde en orthopedagogiek en werkte geruime tijd bij de onderwijsbegeleidingsdienst CED-groep. Zij is
NVO orthopedagoog-generalist, cognitief gedragstherapeut en supervisor. Het door haar in 2008 opgerichte Bureau MIND adviseert, begeleidt en traint uitvoerders en begeleiders binnen het onderwijs.
Mirella is ook op landelijk niveau betrokken bij diverse projecten om vorm te geven aan inclusief onderwijs op scholen en in samenwerkingsverbanden. Zij geeft les binnen post-masters als de NVO-OG en Schoolpsychologen-opleiding en verzorgt de supervisorenopleiding. Samen met de Universiteit van Amsterdam heeft Mirella de interventie LLInC ontwikkeld (Leerkracht Leerling Interactie Coaching), die helpt om via relatiegerichte reflectie negatieve spiralen in de relaties tussen leraren en leerlingen te doorbreken.
Meer informatie: bureaumind.nl
Vader Jerry (61) en dochter Tyara (17) zijn samen onder behandeling bij de specialistische zorgorganisatie Molendrift. De verklarende analyse helpt Tyara om zichzelf en haar omgeving te begrijpen en vormt ook de leidraad om tijdens de behandeling op koers te blijven. Een gesprek met vader, dochter en hun behandelaars, orthopedagoog-generalist Kim Bartelink en psycholoog Cynthia Sandmann.
Lees meer
Kim Bartelink
Op het moment dat Tyara, ruim drie jaar geleden, voor het eerst bij Molendrift kwam en kennismaakte met Kim Bartelink en Cynthia Sandmann, viel de twee hulpverleners direct iets op, zegt Kim. “Je vertelde heel duidelijk dat je eerst een kennismakingsgesprek wilde en dat je op basis daarvan zou besluiten of je je wilde aanmelden. Dat vonden we meteen heel krachtig aan jou. En we zitten hier nog steeds, dus blijkbaar waren we goed genoeg…”
Tyara lacht. Ze vertelt waarom ze er destijds zo in stond. “Ik heb in de jaren voordat ik bij Molendrift kwam bij andere instanties gezeten en die ervaringen waren niet echt fijn. Meerdere keren heb ik meegemaakt dat de persoon wegging met wie ik net een band had opgebouwd. En als er dan nieuwe mensen kwamen, begrepen ze me vaak niet. Ik vind het moeilijk om met steeds wisselende mensen te maken te hebben.”
Haar vader Jerry knikt. Dat hij en Tyara (die vanwege privacy redenen alleen bij hun voornaam genoemd willen worden) dit interview geven mag je gerust als een kleine mijlpaal in het behandeltraject zien, zegt Kim. “Nog altijd gaat het met vallen en opstaan, maar ze hebben samen enorme stappen gezet. Ze begrijpen elkaar beter en luisteren beter naar elkaar. Dus dan is een gesprek als dit ook mogelijk.”
Hoewel ze de volwassen leeftijd nog niet eens heeft bereikt, heeft Tyara de afgelopen jaren al heel wat voor haar kiezen gekregen. Als gevolg daarvan liepen haar leven en schoolcarrière volledig vast. Nadat haar ouders gescheiden waren, kwam de zorg voor haar moeder – die aan ernstige epilepsie leed – voor een groot deel op haar jonge schouders terecht. Tyara woonde afwisselend bij haar moeder en vader, had met beiden een problematische relatie en werd op haar dertiende uit huis geplaatst. Vorig jaar gebeurde waar Tyara altijd al zo bang voor was geweest: haar moeder overleed. De laatste tijd woonde ze weer bij vader Jerry. Maar de twee maakten veel ruzie en de relatie belandde in een negatieve spiraal, waarbij het de vraag was of de twee überhaupt onder één dak zouden kunnen blijven wonen.
Kim Bartelink is orthopedagoog-generalist en psychotraumatherapeut. Ze werkt al ruim zeventien jaar bij Molendrift en maakt deel uit van het managementteam. Ze houdt zich op landelijk niveau ook bezig met het verklaren en analyseren van de toeslagenaffaire.
Bij Molendrift proberen Tyara en Jerry die spiraal te doorbreken. “Iedereen heeft hier de ruimte om zijn eigen verhaal te vertellen”, zegt Jerry. “Die pijn en trauma’s hebben te maken met je verleden, met hoe je bent opgevoed. Ik ben zelf heel rechtlijnig en ik hou van duidelijke afspraken en eerlijkheid. Dat botst met het karakter van Tyara.”
Cynthia: “Klopt, jij hecht erg aan eerlijkheid, terwijl Tyara juist flexibel van geest is. Jij verandert soms spontaan je plannen zonder dat aan je vader te vertellen. En dan ontstaan er zorgen en spanningen en gaat het mis.”
Cynthia voert veel en-op-een-gesprekken met Tyara, want die heeft het nodig om in de behandeling de validatie en erkenning te vinden om verder te komen in haar ontwikkeling. Daarnaast hebben Cynthia en Kim eens in de vier weken een systeemgesprek met Tyara en haar vader Jerry.
Kim: “Dan bespreken we de interactie tussen Jerry en Tyara, we proberen in kaart te brengen wat beiden nodig hebben van de ander om de situatie te verbeteren. We laten ze zien hoe ze elkaar negatief beïnvloeden, maar ook hoe ze elkaar op een positieve manier kunnen stimuleren. Jerry kan bijvoorbeeld iets leren van de relaxtheid van Tyara en Tyara iets van de rechtlijnigheid van Jerry.”
“Hiervoor gebruiken we de verklarende analyse, een schema dat we samen invullen. In het viergesprek pakken we het er vaak bij. Het helpt ons te bepalen of we nog op de goede weg zijn en waar nodig passen we het aan. Het is voor Jerry en Tyara prettig om in één oogopslag zicht te hebben op de werkende factoren.”
En als het dan even tegenzit, dan kan de verklarende analyse ook dienen als terugvalplan. Vorige week nog ging het mis tijdens het viergesprek. Tyara en Jerry kregen ruzie en gingen beiden apart weg bij Molendrift. Maar omdat ze tijdens het behandeltraject al veel geleerd hadden, maakten ze het snel weer goed.
Goede verklarende analyses zijn onmisbaar bij meervoudige en/of complexe casuïstiek. Ze laten zien hoe het bij een jeugdige, gezin of alleenstaande werkt, via een weergave van persoonskenmerken en omgevingskenmerken en de interacties daartussen.
Een verklarende analyse verheldert de verschillende mechanismen die op elkaar ingrijpen en toont de aanknopingspunten om tot verbetering te komen. Zo leidt de verklarende analyse tot een keuze van interventies die aansluiten bij de aanwezige positieve interactie-mechanismen en beweegt weg van de interactie-mechanismen die de problematiek in stand houden. En dan ligt er zomaar een plan waarin alle betrokkenen zich herkennen en dat nieuwe kansen biedt. Molendrift heeft een eigen systematiek ontwikkeld voor de verklarende analyse: Samen1Analyse. De methodiek wordt ook toegepast door de regionale Expertteams Jeugd in Groningen, Brabant en Zeeland, Jeugdbescherming Amsterdam, Trias Jeugdhulp, het Ondersteuningsteam voor de toeslagenouders en bij de afbouw van ZIKOS.
Kim Bartelink is een van de sprekers van het NVO congres op vrijdag 26 september en vertelt daar aan de hand van haar praktijkervaringen bij Molendrift hoe zij en haar collega’s de verklarende analyse toepassen.
Cynthia Sandmann is psycholoog en volgt een opleiding tot gezondheids- psycholoog. Ze werkt zeven jaar bij Molendrift. Haar werkzaamheden omvatten diagnostiek en behandeling bij zowel psychiatrische problematiek als leerproblematiek bij kinderen, jeugdigen en (jong)volwassenen.
“Ik ben als persoon veel opener geworden dan toen ik hier drie jaar geleden binnenkwam”, zegt Tyara. “Ik had een zachte stem en zei niet veel. Die openheid heb ik echt hier geleerd.” Cynthia: “Dat is niet alleen heel fijn voor Tyara maar ook voor de behandeling, want door haar open houding kunnen we samen goede gesprekken hebben. Tyara kan inmiddels heel goed op zichzelf reflecteren.”
Tyara: “Ja, dat is waar. En ik vertrouw Cynthia ook helemaal.” Jerry heeft op zijn beurt geleerd om rustiger te reageren. Bijvoorbeeld als hij boos is op zijn dochter omdat ze haar kunstwimpers overal laat slingeren, of als hij bezorgd is omdat hij vindt dat Tyara te veel blowt. “Dan neem ik een time-out en voer het gesprek pas als ik weer rustig ben. Dat gaat veel beter en we weten ook beter van elkaar waar onze gevoelens vandaan komen.”
Cynthia Sandmann
Kim is de regiebehandelaar, terwijl Cynthia vanuit haar psychologische achtergrond de gesprekken met Tyara voert. Hoe is de wisselwerking tussen hen?
Kim: “De filosofie van Molendrift is dat we heel goed kijken naar de ontwikkeling van het kind in het systeem en daarbij hanteren we de ecologische benadering. Dus we kijken bijvoorbeeld ook hoe Tyara is op school en bij haar vrienden. Alles is erop gericht om Tyara in haar systeem te ondersteunen. Dat betekent voor de rolverdeling tussen Cynthia en mij ook dat ik niet per se de orthopedagogische blik heb en zij de psychologische.”
Cynthia vult aan: “We werken juist heel nauw samen en kunnen ook makkelijk taken van elkaar overnemen. Als ik er bijvoorbeeld een keer niet ben, dan neemt Kim mijn gesprek met Tyara over. De kern is dat niet alleen Tyara zelf, maar ook de mensen om haar heen tools krijgen aangereikt, waardoor ze beter met haar om kunnen gaan. Ik ben een keer meegegaan naar school, om te kijken hoe het daar gaat en mensen te spreken die met haar werken.”
Onlangs heeft Tyara haar vmbo-diploma gehaald en daar is ze trots op. Nu gaat ze tijdelijk naar New Fit, een voorziening om te bepalen hoe ze haar schoolcarrière verder kan vervolgen. Tyara weet redelijk goed wat ze wil en dat heeft alles te maken met de eerder genoemde rondslingerende kunstwimpers thuis.
“Ik hou er gewoon heel erg van om bezig te zijn met mijn uiterlijk, mooie kleding te dragen, met lipglossjes bezig te zijn… Dus ja, het liefst zou ik later een eigen skincare-lijn ontwikkelen.”
Ook Cynthia praat met Tyara over de toekomst en probeert praktisch te helpen. Het zijn kleine, voorzichtige stappen want de situatie is nog broos. Tyara: “Ik bekijk het van dag tot dag. Mijn belangrijkste droom voor de toekomst is dat ik gewoon gelukkig kan zijn.”
tekst: Raymond Krul
In november 2024 zag ik de film ‘Mama, Mag Ik Naar Huis Toe? in het Klasse Theater in Tilburg. Een bijeenkomst georganiseerd door het Expertisecentrum Huiselijk Geweld en Kindermishandeling in de regio Hart van Brabant. De zaal zat vol hulpverleners, pleegouders en enkele ervaringsdeskundigen: moeders van wie het kind uit huis was geplaatst of dreigde te worden, en jongvolwassenen die als kind zelf uit huis zijn geplaatst.
Lees meer
Still uit de film.
De wethouder van een buurgemeente sprak in zijn voorwoord over verhalen van verlies, veerkracht en ook hoop, en riep de gasten op niet alleen te horen, maar echt te luisteren.
De film volgt zes moeders van wie een of meerdere kinderen uit huis zijn geplaatst bij een pleeggezin. Wat is de impact op henzelf, op hun leven? Hoe ervaren ze de samenwerking met de pleegouders van hun kind?
De verhalen van de moeders komen binnen. Hun verhalen zijn niet identiek, de emoties daaronder wel. Gevoelens van spijt en schuld overheersen. Ze hebben in hun eigen ogen, en misschien ook in die van de maatschappij, gefaald. Een moeder vertelt dat ze zich van binnen dood voelt. Er zit altijd angst. In de film zie je de emoties van deze moeders verschuiven van boosheid en verdriet, naar steeds meer acceptatie, maar met nog steeds het verdriet. Accepteren dat je kind bij een ander woont, dat je zelf niet in staat bent om je kind op te voeden, is moeilijk en heeft tijd nodig.
Pleegouders die echt luisteren naar deze moeders en laten merken dat ze ertoe doen, zijn noodzakelijk voor de acceptatie. Zien en gehoord worden, en een structurele rol als ouder blijven houden voor je kind. Als dat lukt, zie je de moeders ook weer genieten, ondanks de pijn door het verlies. Een moeder vertelt hoe dubbel het was toen haar zoontje tijdens een bezoekmoment bij haar thuis aan haar vroeg ‘mama mag ik naar huis?’, en daarmee de pleegouders bedoelde. De pijn die ze toen voelde, en tegelijkertijd het besef en de dankbaarheid dat hij zich veilig en thuis voelde bij zijn pleegouders.
In het nagesprek met de filmmakers – Jesse van Venrooij en Eline van der Kaa – en de moeder uit de filmtitel, zegt zij: “Ik ga hem (haar kind, red.) niet wegtrekken van de plek waar hij zich veilig voelt en ‘mama’ zegt.” Ze vertelt haar ingrijpende levensverhaal en geeft de zaal nog waardevolle adviezen mee: ‘Heb geduld met de ouders die je hulp geeft, laat deze ouders niet alleen, geef ruimte aan gevoelens van frustratie en verdriet.’
De film wil moeders van wie het kind uit huis is geplaatst een stem, een gezicht en een positie als ouder en als medemens geven. Wat mij betreft is dat ruimschoots gelukt.
tekst: Marleen Baeten
beeld: FilmMoment
Organisaties kunnen de film, met nabespreking, inkopen.
Meer informatie: www.filmmoment.nl/mamamagiknaarhuistoe
Het gebruik van tekeningen bij pedagogische behandeling en begeleiding, is een krachtige manier om abstracte concepten te concretiseren en jongeren actief te betrekken bij hun eigen proces. Dat weet ik uit ervaring. Of het nu gaat om het verduidelijken van complexe theorieën zoals de executieve functies, het visualiseren van testresultaten, het ondersteunen van behandeltechnieken of het stimuleren van emotionele expressie: tekenen opent deuren die woorden soms gesloten houden.
Lees meer
afbeelding 1 Het G-schema uit de cognitieve gedragstherapie
Op dit moment werk ik als NVO-orthopedagoog bij Asendo, een jeugdhulpverleningsorganisatie in de regio Tilburg-Breda. Hier voer ik behandelingen en diagnostiek uit. Voorheen heb ik gewerkt bij Auris Florant in Tilburg, een school voor kinderen met een taalontwikkelingsstoornis of een vermoeden van een taalontwikkelingsstoornis alsook slechthorendheid. Bij deze doelgroep waren enkel woorden vaak niet genoeg om een boodschap over te brengen. Tekenen bood dan de oplossing.
Dat tekenen zat er na twee jaar werken in het cluster 2-onderwijs zo ingebakken bij mij, dat ik in behandelingen en adviesgesprekken het tekenblok er ook vaak bij pakte, om zo moeilijke of abstracte begrippen binnen de psychologie en orthopedagogiek uit te leggen. Bij mijn huidige werk werd ik, na het zien van een aantal tekeningen die ik gebruik in de begeleiding en behandeling, gevraagd om ook voor de socials eens wat leuke tekeningen te maken om zaken te belichten. Na de positieve reacties online, wist ik dat ik hier meer mee moest gaan doen dan enkel zelf tekenen.
Bij het introduceren van theorieën of psychologische begrippen – zoals de executieve functies, hechtingstheorie of cognitieve gedragstherapie – kan het gebruik van tekeningen helpen om abstracte concepten te concretiseren. Zo kun je binnen psycho- educatie of behandeling tekeningen gebruiken om behandeltechnieken te ondersteunen of uitleg te geven over bepaalde stoornissen. Zie bijvoorbeeld het G-schema (afbeelding 1). Dit welbekende G-schema uit de cognitieve gedragstherapie kan iedereen makkelijk tekenen. Het inzetten van tekeningen maakt deze informatie tastbaarder en aantrekkelijker.
Daarnaast kun je denken aan het visualiseren van processen zoals emotieregulatie of de werking van het brein. Een stripverhaal bijvoorbeeld, dat de verschillende fasen van een woedeaanval visualiseert, helpt jongeren met ADHD om beter te begrijpen hoe hun emoties opbouwen en biedt hen de mogelijkheid om signalen vroegtijdig te herkennen (afbeelding 2).
Een jongen van tien jaar uit groep 6 is bij ons aangemeld vanwege concentratieproblemen en moeilijkheden met plannen en organiseren. Zijn ouders en leerkrachten merken dat hij vaak taken niet afmaakt en moeite heeft met het aanbrengen van structuur in zijn werk.
Al tekenend leg ik de uitslagen van de verschillende testmaterialen uit, zoals het intelligentieonderzoek en het neuropsychologisch onderzoek. Allereerst teken ik een berg, met aan beide zijden een fiets. De berg representeert de normaal verdeling. Zoals je ziet, moet de fietser aan de ene kant van de berg harder zijn best doen om boven te komen, terwijl hij aan de andere kant meer vanzelf naar beneden gaat. Op de berg plaats ik vervolgens met symbolen de behaalde scores.
Vervolgens teken ik eenvoudige ‘superheldenkaarten’, waarop zijn sterke en minder sterke punten staan. Sterke punten zijn afgebeeld als ‘krachten’ van een superheld, zoals goed kunnen samenwerken en een sterke verbeeldingskracht. Zwakke punten als ‘uitdagingen’, zoals het Afleidmonster (dat ervoor zorgt dat hij makkelijk afgeleid wordt) en de Chaosverspreider (die plannen en organiseren moeilijk maakt).
Rondom de superheld teken ik hulpmiddelen, zoals een ‘taken-lasergun’ (een planner) en een ‘focushelm’ (manieren om afleiding te verminderen). Hij mag zelf een naam verzinnen voor zijn eigen superheld en die tekenen. Hij kiest voor MegaFocus. Samen bespreken we hoe MegaFocus zijn krachten kan gebruiken en welke hulpmiddelen hij kan inzetten tegen de uitdagingen. Hij krijgt de tekening mee naar huis als geheugensteuntje.
Psychologische tests leveren vaak cijfers en scores op die voor jongeren moeilijk te interpreteren zijn. Tekenen kan een hulpmiddel zijn om testresultaten beter te visualiseren en te begrijpen. Denk hierbij aan het weergeven van de verschillende deelresultaten van een IQ-test of neuropsychologische functieonderzoeken. Door
de resultaten in een visueel formaat te presenteren – zoals een taartdiagram of een eenvoudige grafiek – krijgen jongeren inzicht in waar hun sterke en zwakkere punten liggen. Dit bevordert hun begrip van de resultaten en vergroot de kans dat zij zich gemotiveerd voelen om aan persoonlijke doelen te werken. Daarnaast zorgt het beter begrijpen van de resultaten uit diagnostisch onderzoek natuurlijk voor een beter begrip van hun eigen sterke en zwakke kanten, van waaruit ze beter hun eigen behoeften kunnen inschatten en communiceren met hun omgeving.
afbeelding 2: Werking van het brein bij ADHD.
Het gebruik van tekeningen binnen pedagogische en psychologische behandelingen biedt diverse voordelen, zowel voor de jongere als voor de professional:
1. Bevordering van begrip
Jongeren, en met name degenen met leerproblemen of een verminderde verbale vaardigheid, profiteren van visuele uitleg omdat het de cognitieve belasting vermindert. Tekenen maakt abstracte informatie tastbaar en makkelijk te interpreteren, waardoor jongeren zich minder snel overweldigd voelen door complexe informatie.
2. Actieve betrokkenheid
Door jongeren zelf te laten tekenen, betrek je hen actief bij het therapeutische proces. Ze worden uitgenodigd om zelf invulling te geven aan hoe zij bepaalde emoties, gedachten of situaties ervaren. Dit vergroot hun eigenaarschap en betrokkenheid bij de behandeling.
3. Emotionele expressie
Voor jongeren die moeite hebben met het uiten van hun emoties in woorden, biedt tekenen een non-verbale manier om hun gevoelens te verkennen en te uiten. Dit is met name waardevol bij trauma’s, rouwverwerking of andere situaties waarin verbale expressie belemmerd kan zijn.
4. Creativiteit en spel als brug naar het onbewuste
Tekenen is een speelse en creatieve activiteit, en juist dit spelelement kan bijdragen aan het doorbreken van afweermechanismen bij jongeren. De open aard van tekenen stelt hen in staat om vrij te associëren, wat de therapeutische relatie kan verdiepen en nieuwe inzichten kan opleveren.
5. Toegankelijk voor verschillende leeftijden en ontwikkelingsniveaus
Een van de grootste voordelen van tekenen is dat het geschikt is voor jongeren van verschillende leeftijden en ontwikkelingsniveaus. Terwijl jongere kinderen zich vaak aangetrokken voelen tot eenvoudige vormen en kleuren, kunnen oudere kinderen en adolescenten complexere concepten visueel verkennen. Het medium is flexibel en aanpasbaar aan de individuele behoeften van de jongeren.
tekst & tekeningen: Bas Schuurmans
leestips
Een vijftienjarige meid is aangemeld vanwege haar intense boosheid en frequente woedeaanvallen. Ze heeft moeite om haar emoties onder controle te houden, wat leidt tot conflicten thuis en op school. Tijdens de begeleiding proberen we samen inzicht te krijgen in haar gevoelens en de gebeurtenissen die aan haar woede ten grondslag liggen.
ia een tekening geeft ze vorm aan haar emotionele landschap. We beginnen met een donkere grot, symbool voor de nare gebeurtenissen uit haar verleden die veel boosheid oproepen. De boosheid wordt weergegeven als een vulkaan die op uitbarsten staat, en de lavastromen vertegenwoordigen de conflicten met haar ouders. Door de woede heen ligt een meer van verdriet, waarin haar onderliggende gevoelens zichtbaar worden.
Naarmate de begeleiding vordert, tekenen we samen steunfiguren zoals familie en vrienden, weergegeven als een brug die haar helpt om van de woede naar herstel te komen. Langzaam ontstaat er
een vlakte van rust, waar ze meer grip krijgt op haar emoties. De tekening helpt haar om haar eigen proces beter te begrijpen en geeft haar de woorden om erover te praten. Dit visuele hulpmiddel maakt een abstract en complex proces concreet, wat bijdraagt aan haar vooruitgang in de therapie.
Ooit heb ik iemand horen zeggen: ‘Opvoeden is het vinden
van het evenwicht tussen vrijheid en verantwoordelijkheid.’ Waarbij opvoeders steeds meer vrijheid geven, waar verantwoordelijkheid genomen wordt. Voor opvoeders is het vinden van evenwicht niet gemakkelijk. Teveel vrijheid waar verantwoordelijkheid (nog) niet genomen kan worden, heet verwaarlozing. Maar teveel bescherming en controle, houdt een kind klein en afhankelijk. De opvoeder als evenwichtskunstenaar. Een onzeker bestaan.
Lees meer
Stomverbaasd was ik, toen een aantal jaar geleden een mij onbekende dame met mijn dochter aan de hand de keuken in kwam stappen. “Ik ben me rot geschrokken,” zei ze. “Uw dochter zat zonder toezicht op de stoep te krijten. Ze kon zo de straat op lopen! Ik heb mijn auto geparkeerd en direct ingegrepen.”
“Bedankt,” zei ik. “Maar dat was niet nodig hoor. Ze speelt wel vaker op de stoep en ze loopt echt de straat niet op.” De dame zei niks. Maar ze vroeg zich duidelijk af waarom het zo’n idioot überhaupt was toegestaan om kinderen te krijgen. Het hele voorval maakte me toch wat onzeker. Geven we onze dochter teveel vrijheid? Is het risico inderdaad niet te groot dat ze de weg op loopt en aangereden wordt?
Toen onze dochter naar school ging, viel al snel op dat ze meer dan aardig mee kon komen. En ook dat ze in de klas soms ‘wat erg bewegelijk’ was. “Wat zit er in het rugzakje van jullie Mies?,” vroeg de moeder van een klasgenootje eens op het schoolplein. Ze bleek zich op professioneel gebied met opvoeden bezig te houden. Ik vond het een bijzondere vraag. En schonk er verder geen aandacht aan. Maar niet veel later vroeg de intern begeleider of het oké was als we onze dochter lieten testen op hoogbegaafdheid en wat aanverwante artikelen. “Want dan kan ze in de plusklas en dat is net iets voor haar.” Op mijn vraag wat de meerwaarde van al die testen kon zijn als de ib’er toch al wist dat de plusklas de oplossing was, kwam geen fatsoenlijk antwoord. Maar het maakte ons wel onzeker.
Natuurlijk zijn bovenstaande anekdotes niet zomaar gekozen. Ze schetsen voor mij hoe moeilijk het is om te gaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. En hoe onzeker we elkaar met alle goede bedoelingen maken.
Net als bij iedere diersoort wordt een mensenkind geboren in de hoop uit te groeien tot een zelfstandige volwassene. Ook al weten we dat dat risico’s met zich meebrengt. Zou het zo kunnen zijn dat we ons met die onvermijdelijke risico’s geen weg weten? En dat opvoeders onbewust steeds meer inzetten op bescherming en controle in plaats van vrijheid en verantwoordelijkheid? En dat, erger nog, mensen die zich professioneel bezig houden met het opvoeden van kinderen die ingezette trend nog verergeren, door vanaf zeer jonge leeftijd aan te dringen op testen en meten van alles dat afwijkt van het gemiddelde.
Hoe mooi zou het zijn als ouders hun kinderen vertrouwen geven. En als professionals ouders geruststellen, uitleggen dat de perfecte opvoeding net zomin bestaat als het gemiddelde kind. Een bemoedigend woord is vaak beter dan een verklaring voor gedrag dat afwijkt van het gemiddelde.
tekst: René Peters, wethouder in de Hoeksche Waard,
onderwijsman en NVO-bestuurslid.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Zelf ben ik al lang enthousiast over Verbndend Gezag. Dus toen er een boek uitkwam over deze methodiek in het basisonderwijs, stond ik vooraan om het te lezen. En het stelt niet teleur. De basiselementen van Verbindend Gezag zijn goed toegespitst op het basisonderwijs. Het boek biedt zowel een beschrijving van een pedagogische basishouding als tal van concrete handvatten en oefeningen. De auteurs geven de balans tussen grenzen stellen en in verbinding blijven mooi weer. Hun boek laat je beseffen dat je altijd íets kunt doen in lastige situaties, biedt ingangen tot positieve beïnvloeding en vermindert daarmee gevoelens van machteloosheid.
Het boek is zowel toepasbaar bij complexe groepsdynamiek als bij uitdagend gedrag van een individuele leerling. Het vraagt om zelfreflectie en de bereidheid om als leerkracht zelf de sleutel tot verandering te zijn. Daarin ligt de kracht: niet alleen inzicht bieden, maar ook concrete stappen om deze aanpak in de praktijk te brengen. De vele herkenbare voorbeelden helpen hierbij.
De beste recensie komt misschien wel van mijn schoonmoeder. Met ruim vijfendertig jaar ervaring in het basisonderwijs, kon ze het boek tijdens een familieweekend niet wegleggen. Het gaf woorden aan veel zaken die zij als leerkracht intuïtief al deed, maar ook verschillende nieuwe inzichten voor het omgaan met (eigen) emoties, conflicten en klasinrichting. Kortom een boeiend en verhelderend boek voor alle mensen die betrokken zijn bij het onderwijs.
tekst: Rianne Manenschijn
Werkboek Verbindend Gezag in het onderwijs: Van (on)macht naar kracht (2024 van Eefke Faasen, Eliane Wienega en Erik Faasen is een uitgave van Pica.
Een resourcegroep is een groep mensen, door de cliënt uitgekozen, die voor de cliënt belangrijk is en die hem helpt persoonlijke, zelfgekozen hersteldoelen te bereiken. Belangrijkste kenmerk van de resourcegroepen-methodiek is dat eigenaarschap en regie bij de cliënt liggen. In de ggz voor volwassenen wordt al langer gewerkt met resourcegroepen. Dit zorgt voor meer empowerment, verbeterde kwaliteit van leven, minder beperkingen in het dagelijks functioneren en meer persoonlijk herstel.
Nadat in 2021 het Praktijkboek resourcegroepen verscheen, is nu het boek Resourcegroepen voor jongeren uitgekomen. Het boek is zeer uitgebreid en volledig. Je vindt er informatie over het verschil tussen groepen voor volwassenen en jongeren, theoretische achtergronden van de herstelbenadering bij jongeren, achtergrondinformatie over de methodiek en uitkomsten van onderzoek. Verder worden de werkwijze en de verschillende fasen van de methodiek beschreven, en is er een hoofdstuk gewijd aan implementatie, scholing en intervisie.
Ik hoop van harte dat veel professionals aan de slag gaan met deze methodiek. Die sluit naadloos aan bij een van de doelen van de Jeugdwet, namelijk gebruik maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, waardoor zij de regie blijven houden over hun leven.
tekst: Marleen Baeten
Resourcegroepen voor jongeren. Methodiek voor netwerkversterkend werken (2024) van Eva Leeman, Nynke Frieswijk en Gerdie Kienhorst is een uitgave van Boom.
Na ADDaisy, ADDavid en Wonderlijke Wazigheid schreef Tirtsa Ehrlich, gz-psycholoog in de jeugd-ggz, een boek specifiek voor ouders. In Kinderen met AD(H)D, waar help je ze mee? informeert en adviseert zij ouders over AD(H)D – in de volksmond ADD – en de bijbehorende opvoedvraagstukken. Maar eigenlijk geeft het boek waardevolle inzichten aan alle ouders van kinderen die meer dan gemiddeld vergeetachtig, chaotisch en ongeconcentreerd zijn.
Ehrlich heeft een vlot leesbaar, informatief en praktisch boek geschreven dat ook waardevol is voor professionals. Zij wisselt recente wetenschappelijke inzichten af met praktijkvoorbeelden en onmiddellijk inzetbare opvoedinterventies. Zij haalt voor jongeren specifieke thema’s aan, zoals huiswerk, sociale media, alcohol, drugs en rijbewijs.
Ondanks haar psychologische achtergrond gaat Ehrlich vooral uit van de orthopedagogische en systemische aspecten bij opvoeden in het algemeen en bij het opvoeden van kinderen met ADD in het bijzonder. Zij stelt – terecht – dat ouders vooral naar het eigen opvoedgedrag moeten kijken en hun kind niet moeten willen veranderen. Met onder andere het Situatie-Gedrag-Gevolg model uit de gedragstherapie en het gedachtegoed van Haim Omer (nieuwe autoriteit/geweldloos verzet) ondersteunt zij ouders bij het zoeken naar goodness of fit tussen kind en omgeving en het streven naar good enough parenting. Het stappenplan bij fouten, de boosheidsthermometer en de relatie- en herstelgebaren wanneer het even mis gaat in de ouder-kindrelatie, vind ik als moeder van twee jonge kinderen zonder ADD, overigens ook heel bruikbaar.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Ouderpardon is een muziekvoorstelling die in november in première ging en het komende jaar in verschillende theaters te zien zal zijn. Ik zat in Waalwijk in de zaal en liet me verrassen door de zang van twee operazangers, een kinderkoor, een toetsenist, videobeelden, twee grote poppen en het spel van de bedenkster Minou Bosua.
Het laatste deel van deze MINOUX-theatertrilogie wil een stem geven aan de kinderen, waar eerder de moeder en de vader aan de beurt waren. MINOUX pretendeert ‘bewustzijnstheater’ te maken en dat is misschien precies wat mij een beetje tegenstond; het engagement lag er voor mij te dik bovenop. Na een hilarische start ontwikkelde zich een situatie waarin een kind (Minou) haar ouders in een rechtbank aanklaagde, versterkt door een kinderkoor. Volwassenen die op film waren vastgelegd, vertelden flarden van hun eigen, soms aangrijpende verhaal.
Het moge duidelijk zijn dat er kinderrechten geschonden zouden zijn, maar gaandeweg de voorstelling werd mij niet precies duidelijk welke. Een te afwezige (want dode) vader? Een te aanwezige (want claimende) moeder? Halverwege de voorstelling werd de publieke tribune (het publiek) aangemoedigd zich ook over de eigen opvoeders uit te spreken. Ik kreeg het gevoel in een therapiesessie terecht te zijn gekomen. Bij mensen om me heen ontwikkelden zich hele gesprekken, dwars door de voorstelling heen. Storend vond ik, maar wellicht juist de bedoeling van het ‘bewustzijnstheater’.
Overigens hield de zeventienjarige kinderrechtenactivist Lars Westra voorafgaand aan de voorstelling een speech in de foyer. Zijn activisme kon ik wel waarderen. Misschien omdat ik het daar ook verwachtte.
tekst: Andries Kamminga
Ouderpardon is een theatervoorstelling van Minou Bosua. www.minoux.nl
Anouk Goemans (36) ken ik nog van de master orthopedagogiek die we tegelijk deden. Lopend door Leiden, zie ik haar eerste project al op een poster staan: ‘Geef kinderen een stem bij uithuisplaatsing’. Ik loop niet naar het vertrouwde gebouw van sociale wetenschappen, maar naar de rechtenfaculteit. Anouk is namelijk bijzonder hoogleraar jeugdhulp en jeugdbescherming vanuit pedagogisch en juridisch perspectief.
Lees meer
Anouk Goemans
“De wisselwerking tussen onderzoek en praktijk, daar kun je echt impact maken en ik vind het een voorrecht dat ik deze rol mag vervullen”, aldus Anouk Goemans. Na ruim acht jaar als promovendus en universitair docent aan de universiteit, stapte ze over naar een gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming1 om als gedragswetenschapper en onderzoeker te gaan werken in de praktijk.
“Ik wilde meer feeling krijgen met het werkveld, zorgen dat nieuwe kennis op de werkvloer terecht komt, maar ook dat de vragen die daar spelen met nieuw onderzoek beantwoord worden.” Sinds november 2024 combineert zij haar werk bij Jeugdbescherming west in Den Haag met de bijzondere leerstoel. “Door in de praktijk te zien waar het goed gaat, maar juist ook waar het wringt, bruis ik nu van de ideeën.”
“De poster die je onderweg zag, gaat over een eerste project – Geef kinderen een stem! – dat in het najaar start, gefinancierd door het Kinderfonds van het Leids Universiteits Fonds”, legt ze uit. 2
“We willen het liefst dat alle kinderen thuis opgroeien. Dat lukt helaas niet altijd. Ondanks het goede en harde werk van professionals geven uithuisgeplaatste kinderen toch vaak aan dat ze zich machteloos, ongezien en ongehoord voelen. Er zijn verschillende vragen die ik met dit onderzoek wil beantwoorden: Hoe kan de stem van het kind beter gehoord worden? Welke rol speelt vertrouwen? Kun je je stem wel laten horen als je geen vertrouwen hebt in volwassenen? Kun je dat vertrouwen herstellen? Zou een steunfiguur hierbij een rol kunnen krijgen? Zo ja, kan het dan iemand uit het netwerk van het kind zijn, of moet het een professional zijn met zowel juridische als pedagogische kennis? Kinderen hebben er recht op dat we kennis verzamelen om ervoor te zorgen dat een uithuisplaatsing zo min mogelijk schadelijk is of zelfs voorkomen kan worden.”
“Het tweede project gaat over perspectiefbepaling, of ‘opvoedvisie’, zoals we het bij Jeugdbescherming west noemen. Naast het besluit om kinderen uit huis te plaatsen, is de perspectiefbepaling een van de moeilijkste besluiten om te nemen. Bij een uithuisplaatsing is de vraag wat het perspectief is voor de lange termijn. Weer naar huis of elders opgroeien? Het uitgangspunt is altijd thuis, maar hoe zorg je ervoor dat de terugplaatsing ook succesvol is? Wat willen we van ouders zien? Wanneer is iets goed genoeg? Het is belangrijk dat ouders weten waar ze aan moeten werken en het moet gedragswetenschappelijk goed onderbouwd zijn. Er zijn methodes en werkwijzen om deze perspectiefbepaling zo goed mogelijk te doen, maar ik denk dat het nog veel beter wetenschappelijk onderbouwd en veel beter samen met de gezinnen kan. Met behulp van ouders, kinderen, professionals en literatuur wil ik kijken wat de gecertificeerde instellingen en jeugdhulpaanbieders nu gebruiken aan werkwijzen en methoden. En wat daarvan wel werkt en wat niet. Uiteindelijk hoop ik, samen met ervaringsdeskundigen en professionals, een praktische tool te ontwikkelen die kan ondersteunen bij de perspectiefbepaling.”
In de praktijk ziet ze dat de gecertificeerde instellingen – voor jeugdbescherming en jeugdreclassering – qua perspectiefbepaling al grote stappen hebben gezet, al zijn er onderlinge verschillen.
“Een probleem is dat perspectiefbepaling op dit moment nog geen wettelijk besluit is. Een uithuisplaatsing wordt bij de kinderrechter getoetst, maar een perspectiefbesluit niet, terwijl het ook zeer ingrijpend is. Dat kan natuurlijk eigenlijk niet, het moet juridisch goed verankerd zijn. Ouders verdienen dat ze een rechtspositie en rechtsbescherming hebben. Je bent afhankelijk van overheidsinstanties die samen bepalen of je kind weer thuis mag wonen. Gelukkig ligt er nu een wetsvoorstel klaar waarin het opvoedperspectief een wettelijke basis en toets krijgt door de kinderrechter.”
Een derde project dat Anouk Goemans voor ogen heeft, is longitudinaal onderzoek naar terugplaatsingen na uithuisplaatsing. “De landelijke ambitie is: zo min mogelijk uithuisplaatsingen. Maar toen ik vier jaar geleden begon binnen de jeugdbescherming, was het aantal uithuisplaatsingen helemaal niet met één druk op de knop uit het systeem te krijgen. Gelukkig is daar veel in veranderd. Het onderzoeksteam bij Jeugdbescherming west heeft dashboards ontwikkeld die inzicht geven in de aantallen en ontwikkelingen. Landelijk publiceert het CBS sinds 2022 cijfers over gedwongen uithuisplaatsingen. Maar er is nog steeds geen goed beeld hoeveel kinderen weer teruggeplaatst worden. Dat moet beter.”
“Meer specifiek wil ik in longitudinaal onderzoek kijken naar de factoren die samenhangen met duurzame en stabiele terugplaatsing. Een recent uitgekomen onderzoek van Leidse collega’s naar terugplaatsing na uithuisplaatsing laat zien dat hulp aan het gezin, aan ouders, cruciale factoren zijn. 3 Maar ook dat ouderlijke problematiek, bijvoorbeeld trauma van ouders, een belangrijke rol kan spelen. Ouders zeggen dat ze begeleiding nodig hebben op het moment dat kinderen uit huis geplaatst worden.
Voor dit onderzoek ga ik ervaringen van ouders en kinderen meenemen en kijken hoe deze kinderen en gezinnen zich ontwikkelen. Wat hebben ze nodig en hoe kunnen we zorgen dat er meer kinderen duurzaam teruggeplaatst worden en veilig en gelukkig opgroeien?”
“Soms voel je je als onderzoeker best bezwaard om een beroep te doen op professionals en gezinnen”, vertelt ze. “Ouders zitten in een zeer heftige periode van hun leven. Ik vind het bewonderenswaardig dat ze wel hun verhaal willen delen, zodat het voor de mensen na hen hopelijk beter zal worden. Bij professionals gaat een gezin in crisis natuurlijk voor, maar ook de organisaties weten dat het onderzoek belangrijk is om te blijven leren en ontwikkelen. En het elke dag een stapje beter te kunnen doen. Ik wil mijn onderzoek graag vormgeven met de mensen waar het om gaat, de gezinnen en de professionals. Met als belangrijkste boodschap: kinderen horen thuis of zo thuis mogelijk op te groeien.”
Of, zoals ik op een andere poster zie staan als ik terugloop naar het station: ‘Alles op alles voor de generatie van de toekomst.
tekst: Bart van Gent
De leerstoel is mogelijk gemaakt door een fonds op naam bij het Leids Universiteits Fonds dankzij Stichting Steunfonds Pro Juventute. Anouk Goemans staat open voor reacties en ideeën van lezers van
de Pedagoog. Haar oratie is op 16 januari 2026.
Scholen hebben tegenwoordig een ruime keus uit interventies gericht op het versterken van sociaal-emotionele vaardigheden van kinderen. Denk aan de Kanjertraining of Kwink. Het Programma Alternatieve Denkstrategieën (PAD) was de allereerste. PAD ontstond in de jaren tachtig, bestaat nog steeds en is erkend als bewezen effectieve interventie. Kees van Overveld was er vanaf het begin bij betrokken.
Lees meer
Kees van Overveld
Het Programma Alternatieve Denkstrategieën (PAD)1 is een preventieprogramma waarmee scholen de sociaal-emotionele competenties van leerlingen kunnen vergroten om zo gedragsproblemen te voorkomen. Het programma is erkend als effectief volgens sterke aanwijzingen – de hoogste classificatie – in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Met een klassikale aanpak richt PAD zich op kinderen van vier tot twaalf jaar in het regulier basisonderwijs en speciaal (basis)onderwijs.
Als iemand iets over PAD kan vertellen, is het wel gedrags- deskundige Kees van Overveld (1963). Een echte pionier. In 1987 ging hij als een van de eerste leraren in Nederland met PAD werken in het cluster 2-onderwijs, scholen voor kinderen met communicatieve handicaps (gehoor-, taal- en/of spraakproblemen). Vervolgens werd hij PAD-trainer en landelijk PAD-coördinator bij het toenmalige Seminarium voor Orthopedagogiek in Utrecht. In 2000 startte hij naast zijn fulltimebaan een promotietraject naar PAD en in 2008 promoveerde hij bij de Universiteit Utrecht, samen met collega Jos Louwe. Een van de onderzoeksuitkomsten was een positief effect van PAD op agressievermindering van jongens in het basisonderwijs.
Het Seminarium ging op in de Hogeschool Utrecht, waar Kees van Overveld nu werkt als hogeschooldocent bij het Instituut voor Onderwijs & Orthopedagogiek. Naast andere activiteiten geeft hij nog elk jaar enkele PAD-cursussen. Ook is de uitgebreide beschrijving van het PAD-programma bij de NJi-databank van zijn hand. 2
We spreken elkaar in het gebouw van de Hogeschool Utrecht op het Utrechtse Science Park. Wat kan hij vertellen over de achtergrond van het programma?
PAD ontstond in de jaren tachtig in de Verenigde Staten, weet Kees van Overveld. “Gedrag werd toen vooral gezien vanuit een deficit-visie als een tekort dat verholpen moest worden. Mark Greenberg, de geestelijk vader van PAD, maakte deel uit van een tegenbeweging. Hij wilde kinderen niet afrekenen op een verondersteld tekort, maar pleitte voor preventie en sociaal- emotioneel leren. Greenberg was als psycholoog betrokken bij scholen voor doven, waar kinderen problemen hadden met het uiten van gedachten en gevoelens. Voor het dovenonderwijs – later uitgebreid naar het regulier basisonderwijs – ontwikkelde hij het programma Promoting Alternative Thinking Strategies (PATHS).3 Om kinderen te helpen op een andere manier te leren denken.” Nederland was het eerste land buiten de Verenigde Staten dat het programma ging gebruiken. De Nederlandse ouderorganisatie voor dove kinderen, FODOK,4 haalde het halverwege de jaren tachtig naar Nederland. Onder de naam PAD kreeg het eerst een plek in het dovenonderwijs.
Toen de vraag in Nederland steeds groter werd, heeft FODOK de licentie overgedragen aan het toenmalige Seminarium voor Orthopedagogiek. Daar hebben we PAD vertaald naar alle typen onderwijs. Dat was een gestaag proces. In die jaren had PAD veel invloed, want het was het eerste en enige programma voor sociaal- emotioneel leren.”
Volgens Kees van Overveld was het programma zijn tijd ver vooruit. “Kijk bijvoorbeeld naar zelfcontrole, de eerste van de vier pijlers in PAD: kinderen motiveren een stapje terug te doen, even rustig ademhalen en nadenken over wat ze kunnen doen. Als je tegenwoordig trainingen volgt over executieve functies en breinleren, dan zie je dat dat precies is wat Greenberg al in de jaren tachtig verwerkte in PAD. Dat geldt ook voor de andere drie pijlers, vaardigheden leren op het gebied van zelfbeeld, emoties en problemen oplossen. Dat vinden we nog steeds heel belangrijk voor leerlingen.”
Net als PAD hebben de Kanjertraining en KiVa de NJi-kwalificatie effectief volgens sterke aanwijzingen. Een interventie krijgt deze kwalificatie als er voldoende onderzoek van hoge kwaliteit beschikbaar is, in Nederland en daarbuiten, en de onderzoeksresultaten positief zijn. Naast buitenlands onderzoek5 is er in Nederland onderzoek gedaan naar PAD door het Trimbos Instituut en TNO.
Kees van Overveld: “De rode draad is dat door PAD het pedagogisch klimaat in de school ten positieve verandert. Er ontstaat een sfeer waarin mensen het belangrijk vinden om op een positieve manier met elkaar om te gaan. Vaak neemt bij leerlingen agressie af. Kinderen met internaliserende problemen, zoals piekeren, voelen zich prettiger en hebben meer zelfvertrouwen.”
Hoewel het programma ontstond in de jaren tachtig, is het niet verouderd, geeft Kees van Overveld aan. “De huidige versie is up-to-date. De tekst is wel verschillende keren aangepast, maar dat geldt niet voor de intentie achter de tekst. De fundamenten van het programma staan als een huis.
Bij de Nederlandse vertaling en bewerking is ook gelet op dingen die te Amerikaans overkomen. “Ik kan me een versie herinneren waarin kleuters snacks konden verdienen bij goed gedrag. Dat was destijds in Amerika vrij normaal, maar hier was het over the top. Dat pasten we aan naar een Nederlandse manier, zoals een kind prijzen bij goed gedrag.”
Kees van Overveld schat dat er tot 2008 zo’n 500 of 600 scholen met PAD werkten. “Er was in die tijd nog niet veel op de markt. Daarna is het aanbod van schoolinterventies enorm gegroeid. Denk aan grote spelers zoals de Kanjertraining of Kwink. Concurrentie ging een rol spelen, wat op zich een gezonde ontwikkeling is. Mijn schatting is dat er nu zo’n 200 tot 300 scholen PAD inzetten. Vanuit de Hogeschool Utrecht hebben we een cursus voor het werken met PAD die we onder de aandacht van scholen brengen.
Alles valt of staat met een goede implementatie en borging van een programma, vindt hij. “Als je nieuwe leraren of zij-instromers geen extra training meer aanbiedt, dan bloedt een programma dood. En helaas hoor ik soms van leraren dat ze geen tijd voor PAD hebben, omdat de rekenles niet af was. Andersom – ik heb vandaag niet gerekend omdat ik mijn PAD-les had – hoor ik nooit.”
Wat scholen aanspreekt in PAD is de zichtbaarheid van de materialen. Kees van Overveld. “Je kunt op dinsdagmiddag een uur PAD-les geven, maar gaan kinderen dat meenemen buiten die les? Greenberg vond dat er materiaal moest zijn om de lesinhoud extra te trainen, generalisatie noemde hij dat. Naast de lesbladen (zie kader) zijn er daarom emotiekaartjes en handpoppen. Kinderen en leraren vinden die materialen het mooiste aan PAD. Als voormalig PAD-leerkracht onderschrijf ik dat helemaal.
”Op de emotiekaartjes6 staan afbeeldingen van een kind met
een bepaalde gezichtsuitdrukking en het passende woord erbij, bijvoorbeeld eenzaam, tevreden, trots, hoop. Iedere leerling heeft een doosje met kaartjes. “Het werkt zo dat kinderen ’s ochtends een of twee kaartjes pakken en zichtbaar neerzetten. Kaartjes met hun gevoelens van dat moment. Dat geeft leraren de mogelijkheid om direct bij binnenkomst al even rond te kijken en sommige kinderen aandacht te geven. Je kunt dat ook na de pauze doen, als er misschien het nodige is voorgevallen aan ruzies. In plaats van dat je dan aandacht geeft aan wat kinderen gedaan hebben, ga je in op wat ze dachten en voelden. En hoe ze dat kunnen veranderen.”
Houda staat alleen op het schoolplein, Peter zit alleen thuis. Met deze tekeningen uit de PAD-lesbladen legt de leraar het verschil uit tussen alleen en eenzaam. Peter is alleen maar voelt zich niet eenzaam, hij zit op zijn gemak een boek te lezen. Houda kan zich wel eenzaam voelen, omdat ze buitengesloten is en niet mag meedoen met de andere kinderen op het schoolplein.
Bij de thuisopdracht stellen de kinderen vragen aan hun ouder(s) of opa en oma, zoals: Toen u zo oud was als ik, bent u toen weleens eenzaam geweest? Kunt u daar iets over vertellen? Wat voelde u toen?
Bij de handpoppen is de schildpad populair bij kinderen, weet Kees van Overveld. “Het begint met een verhaal over een schildpadje dat voortdurend problemen heeft met zijn leeftijdgenoten. Hij ontmoet een opa-schildpad met een goede tip: ‘Trek je koppie in en ga in je schild zitten als je voelt dat je boos of verdrietig wordt. Adem eens diep en tel tot tien. Je zult merken dat je rustiger wordt in je hoofd en een betere oplossing kunt verzinnen voor een probleem.’ Eigenlijk gaat dit over impulsiviteitscontrole. Kinderen herkennen iets in de schildpad en we leren ze om die tip zelf toe te passen.”
tekst: Femmie Juffer
Het beroep van een orthopedagoog-generalist tegen de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege heeft succes gehad. De uitspraak is door het Centraal Tuchtcollege aangepast, van een berisping naar een waarschuwing.
Lees meer
De casus: Ouders dienen een klacht in namens hun minderjarige dochter. Het meisje (14) is wegens ernstige problematiek, middels diverse machtigingen, opgenomen in de gesloten jeugdhulp. Hier is een orthopedagoog-generalist tijdens twee perioden regiebehandelaar en in de tweede periode tevens (deel)behandelaar. De ouders verwijten haar dat zij als (regie)- behandelaar ernstig heeft gefaald, waardoor hun dochter niet de juiste hulp heeft gekregen.
Het Regionaal Tuchtcollege Zwolle verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, namelijk: het nalaten van diagnostiek, het niet inzetten van juiste hulp en behandeling, ondeskundig handelen en het onvoldoende uitoefenen van de functie van regiebehandelaar, de afsluiting van de behandeling en nazorg, de vrijheidsbeperkende maatregelen en het vernietigen van het onderzoeksrapport – en legt de orthopedagoog de maatregel van berisping op.
Het Centraal Tuchtcollege verschilt deels van mening met het Regionaal Tuchtcollege. Van belang bij deze afwegingen is de definitie en de taak van regiebehandelaar die de beide tuchtcolleges geven, in lijn met andere tuchtrechtuitspraken.
‘Als uitgangspunt moet worden genomen dat elke bij de behandeling betrokken zorgverlener een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft en houdt jegens de patiënt. In gevallen waarin de aard en/of complexiteit van de behandeling dat nodig maakt, dragen deze (individuele) zorgverleners er steeds zorg voor dat één van hen als regiebehandelaar wordt aangewezen…
De regiebehandelaar ziet er in ieder geval op toe dat:
Bij de afweging van het Centraal Tuchtcollege speelt ook een rol dat goed gekeken is wie welke beslissingen als regiebehandelaar heeft genomen. Je bent namelijk enkel verantwoordelijk en aan te spreken op de beslissingen die je daadwerkelijk genomen hebt, passend bij je taak. In dit geval was de orthopedagoog niet verantwoordelijk voor beslissingen die een andere professional nam in de rol van regiebehandelaar, namelijk over gebruik en vernietiging van een onderzoeksrapport en de beslissing om de zorg eenzijdig te beëindigen.
Het Centraal Tuchtcollege vindt dat de “…orthopedagoog-generalist diagnostiek heeft ingezet en passende hulp en behandeling heeft geboden. Hiermee heeft zij gezorgd voor continuïteit en samenhang van de zorgverlening aan de dochter. Ook heeft zij regelmatig, in diverse overleggen met collega’s, overleg gevoerd over het ingezette behandelbeleid en dit zo nodig aangepast. Ook had zij op regelmatige basis contact met klagers en hield zij hen op de hoogte van de situatie rondom de dochter. Hiermee heeft zij op een juiste wijze invulling gegeven aan haar rol als regiebehandelaar. Er is echter geen sprake van adequate verslaglegging van wat er in de diverse overleggen onder verantwoordelijkheid van de orthopedagoog-generalist is besproken. Dit had van haar als regiebehandelaar wel verwacht mogen worden.” “… daarom acht het Centraal Tuchtcollege dit tuchtrechtelijk verwijtbaar en daarom wordt dit klachtonderdeel gegrond verklaard.”
Het Centraal Tuchtcollege legt de maatregel van waarschuwing op en vermeldt daarbij nadrukkelijk: ‘Een waarschuwing is een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder het afkeurende stempel van handelen dat tot een berisping leidt.’
tekst: Mirthe Maessen
Zie voor de volledige uitspraak:
ECLI:NL:TGZCTG:2024:203 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/2302
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Rosan Klieverik (28), sinds 2020 werkzaam als orthopedagoog bij Stichting De Ster.
Lees meer
Rosan Klieverik viert haar tiende kamp (2024)
“Bij Stichting De Ster organiseren we kampen voor kinderen tussen de zeven en zeventien jaar, waarbij we samen werken aan zelfvertrouwen, sociale vaardigheden en emotieregulatie. De kinderen die meedoen, hebben allemaal hun eigen uitdagingen: de een heeft last van onzekerheid of perfectionisme, de ander heeft moeite met het maken van vrienden of is gepest.
Voor sommige kinderen is het kamp de eerste vorm van hulpverlening, voor anderen een waardevolle aanvulling op een lopend traject. Ons doel is om alle kinderen een veilige en positieve omgeving te bieden waarin ze kunnen groeien en succeservaringen opdoen.”
“Als orthopedagoog bij De Ster ben je betrokken bij alle fasen van het kamptraject. Voorafgaand aan het kamp voer je intakes met kinderen en hun ouders. In één gesprek moet je een kind op zijn gemak stellen, vertrouwen geven en samen doelen bepalen. Denk aan: ‘Hoe kan ik makkelijker vrienden maken?’, of ‘Hoe durf ik beter voor mezelf op te komen?’ Ook bekijk je of kamp de juiste plek is voor dit kind.”
“Tijdens kamp ben je overal en nergens: je observeert groepsprocessen, begeleidt kinderen die nét dat extra zetje nodig hebben en zorgt dat iedereen zich op zijn eigen tempo ontwikkelt. Dat kan tijdens een gesprekje tussendoor, maar ook gewoon tijdens het meedoen aan een vossenjacht of aan de knutseltafel. Na kamp heb je follow-up gesprekken met ouders om te bespreken welke stappen hun kind heeft gezet en hoe ze thuis kunnen doorgroeien.”
“Een van de eerste uitdagingen is het opbouwen van vertrouwen tijdens de intake. In één gesprek is het belangrijk dat een kind zich veilig genoeg voelt om de stap te durven zetten om op kamp te gaan!
Dat kan best spannend zijn voor kinderen die onzeker zijn of slechte ervaringen hebben met sociale situaties.”“Tijdens kamp is de grootste uitdaging om de ontwikkeling van álle kinderen in de groep in balans te houden. Wat voor de een enorm uit de comfortzone is, is voor de ander gewoon een leuke activiteit. En wat gaat dat ene kind helpen om toch mee te kunnen doen? De puzzel hoe we ervoor gaan zorgen dat elk kind tijdens de kampweek stappen zet zonder teveel van ze te vragen, is een leuke uitdaging. Ook is het belangrijk dat elk kind op kamp aansluiting vindt. Sommige kinderen maken snel vrienden, anderen hebben daar wat meer begeleiding bij nodig. Door goed te observeren en de groep subtiel te sturen, zorgen we ervoor dat iedereen zich op kamp fijn voelt.”
“Je moet allereerst positief en enthousiast zijn. Daarnaast is het essentieel om een veilige, fijne sfeer te creëren, en daar speel jij als pedagoog een grote rol in. Ook moet je goed kunnen observeren. Omdat je kinderen de hele dag in interactie ziet, kun je snel signaleren wat er speelt en hoe je hen kunt helpen. Dit vraagt om een scherp analytisch vermogen én een hands-on mentaliteit.
Tot slot is flexibiliteit belangrijk, inhoud en plezier wisselen elkaar constant af. Zo kan je het ene moment bezig zijn om samen met een kind te kijken hoe je een onderdeel van de dag minder spannend kunt maken, en een kwartiertje later, verkleed als typetje, de lunch komen presenteren. Kamp draait om leren door ervaring; humor en speelsheid helpen daar enorm bij.”
“Binnen ons werk gebruiken we elementen uit verschillende behandelmethodes, zoals cognitieve gedragstherapie, emotion- focused therapy, acceptance & commitment therapy en positieve psychologie. Het is geen vereiste om hier al extra opleidingen in te hebben gevolgd, maar een cursus of workshop op deze gebieden kan zeker helpen. Ook kennis over groepsdynamiek en systemisch werken is een pre, omdat je continu schakelt tussen individuele kinderen en de groep als geheel.”
“Een van de meest bijzondere momenten was de transformatie van een meisje dat met veel angst en onzekerheid op kamp kwam. Ze had heftige pestervaringen en vond het doodeng om te blijven. Met wat geruststelling en een zachte duw in de goede richting, bleef ze toch.
In de loop van de week zagen we haar opbloeien – van verlegen en terughoudend naar zelfverzekerd en open. Op de laatste avond stond ze dansend op tafel met haar nieuwe vriendinnen. Weken later hoorde ik van haar moeder dat ze fanatiek aan de slag was gegaan met wat ze op kamp allemaal had geleerd en daardoor voor het eerst een vriendin had gemaakt op school. Ze zat niet langer alleen in de pauzes. Dat gaf me kippenvel. Dit is waarom we doen wat we doen.”
“Dit werk combineert inhoudelijke begeleiding met een speelse en positieve omgeving. Je ziet kinderen groeien, en dat binnen een paar dagen. Wat je overdag met kinderen bespreekt, zie je ze in de chilltijd erna toepassen. Dat directe effect maakt het werk onwijs waardevol. Bovendien werk je samen met een enthousiast team en zorg je er met elkaar voor dat alle kinderen zich veilig en gezien voelen. Geen dag is hetzelfde, en dat maakt het werk niet alleen betekenisvol, maar ook gewoon heel erg leuk. Mocht je nieuwsgierig zijn naar dit werkveld, dan is er goed nieuws: we zoeken altijd vrijwilligers die met ons mee op kamp gaan! Een mooie kans om van dichtbij mee te maken hoe waardevol en leuk dit werk is.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
In februari startte mijn cursus Strategisch Leiderschap. Ik ben met deze cursus begonnen omdat de NVO voor diverse strategische keuzes staat. Overigens is dat niet nieuw, de NVO heeft altijd voor strategische keuzes gestaan en deze ook gemaakt. In het cursusprogramma zijn we meteen gestart met matrixen en modellen. Het interessante aan matrixen en modellen – waar ik eerlijk gezegd altijd wars van was – is dat je daarmee thema’s behapbaar kunt maken en dat ze veel inzichten kunnen geven in de te volgen koers. Dit heb ik inmiddels dus al geleerd.
Bijna alle thema’s die bij de NVO op tafel komen, kunnen in matrixen en modellen worden meegenomen. Zodat we erover kunnen nadenken, de opties kunnen overwegen en bepalen wat we wel of (nu) niet doen. Denk bijvoorbeeld aan het wel of niet ontwikkelen van een specialisatie na de opleiding orthopedagoog-generalist. Of de risico’s op valse diploma’s in onze registers. Een ander interessant thema is het NVO congres van vrijdag 26 september aanstaande. Hoe zorgen we ervoor dat er goede sprekers komen en dat leden zich volop aanmelden? Weer een ander thema is het herijken van de pedagogische visie. Grote onderwerpen die veel van de NVO en haar leden vragen en die kunnen helpen om de positie van onze leden te versterken.
Dus bij deze is men gewaarschuwd, vanaf nu werk ik vanuit modellen en matrixen!
Judy Hoffer
directeur NVO

foto: Nicole Sanders
NVO-lid Liem Che Yuen werkt in het kinder-, jeugd- en jongvolwassenenteam van De Praktische GGZ – onderdeel van de Yoepgroep – in Woerden. Ze is orthopedagoog-generalist en gz-psycholoog.
“Mijn werk is heel divers. Ik behandel bijvoorbeeld kinderen die bang zijn in het donker, jongeren met een negatief zelfbeeld, jongvolwassenen met trauma en ik doe ouderbegeleiding en diagnostiek.”
“Anders dan bij sommige andere kinder- en jeugdteams in de ggz, ligt de leeftijdsgrens bij ons niet bij achttien jaar. De doelgroep is van 6 tot en met 25 en we betrekken de ouders sterk bij de trajecten, zeker tot 18 jaar. Ik ben regiebehandelaar, maar doe gelukkig zelf ook veel diagnostiek en behandeling. Het is mooi dat ik mijn kennis uit vorige werkplekken – als onderwijspsycholoog – goed kan inzetten. Bij de vraag ‘wie heeft er tijd voor een klassenobservatie?’, word ik altijd heel blij. Scholen vinden het ook prettig als we hen betrekken in het hulpverleningstraject, merk ik.”
Ze zit sinds drie jaar in de ledenraad van de NVO. “Omdat de vorige directeur me ervoor vroeg en ik niet goed ‘nee’ kan zeggen. De ledenraad vertegenwoordigt de NVO-leden en is een klankbord voor het bestuur. Ik heb mooie herinneringen aan de sollicitatiegesprekken waar ik vaker zitting in had. We hebben drie bestuursleden gevonden die een aanwinst zijn voor de NVO. Ook heel leuk vond ik het interview door een externe partij, om een profiel voor de nieuwe directeur samen te stellen.”
‘Waarom staat de Pedagoog altijd vol met vrouwen?’, mailde een NVO-lid een tijdje geleden aan de redactie. Als man vond hij te weinig herkenning. We zijn er sindsdien beter op gaan letten, al blijft het zo dat er véél meer vrouwen pedagoog zijn dan mannen. In dit nummer hopen we het helemaal goed te maken, met maar liefst zes mannen – tegenover elf vrouwen.
Lees meerSchrijver Abdelkader Benali vertelt over zijn bezoeken aan vijftien basisscholen, waar meer dan de helft van de kinderen in armoede leeft. Hij ontdekt er dat alle ouders hardwerkende armen zijn, dat onderwijzers veel meer doen dan onderwijzen en welk verschil het Jeugdeducatiefonds maakt voor de ontwikkeling van leerlingen.
Pedagoog en promovendus Martin van Rooijen bepleit meer mogelijkheden voor kinderen om risico’s aan te gaan tijdens het spelen. Vooral omdat kinderen er een innerlijke drive voor hebben. ‘Ze hebben het nodig om zichzelf uit te dagen.’ En daar hebben ze overbeschermende opvoeders, met al hun overbodige spelregeltjes, niet bij nodig.
NVO-orthopedagoog Bas Schuurmans geeft een inkijkje in de manier waarop hij werkt met tekeningen bij zijn cliënten. Hij begon met tekenen in zijn eerste baan, een school voor kinderen met taalstoornissen en slechthorendheid. En hij doet het nog steeds, maar nu als jeugdhulpverlener. Bijvoorbeeld een vulkaan van woede, een meer van verdriet en een brug van herstel. PAD-expert Kees van Overveld herinnert zich hoe het Programma Alternatieve Denkstrategieën halverwege de jaren tachtig naar Nederland is gehaald door de oudervereniging van dove kinderen, FODOK. Veertig jaar later is PAD, ondanks toenemende concurrentie, nog steeds een beproefd middel om de sociaal-emotionele vaardigheden van schoolkinderen te versterken.
Als toetje: twee columns van twee onderwijsmannen. Van René Peters die ineens een onbekende dame in zijn keuken ziet verschijnen, met zijn dochtertje aan de hand. En van Bart van Gent die voorleest uit een Pools prentenboek en in het Bulgaars hoort schelden.
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
In ‘Dromenmakers’ beschrijft Abdelkader Benali zijn reis langs vijftien eigenwijze bassischolen. Samen met Hans Spekman, directeur van het Jeugdeducatiefonds, spreekt hij openhartig met leerkrachten, directeuren en kinderen. Over de impact van armoede, de school als veilige haven en het belang van persoonlijke aandacht.
Lees meer
“Hans Spekman is de vrachtwagenchauffeur van het onderwijs”, zegt schrijver, theatermaker en presentator Abdelkader Benali (1975, Ighazzazen, Marokko) via Zoom.
“Ik trof hem vorig jaar vaak bij rondetafelgesprekken over kansenongelijkheid in het onderwijs, een thema waar ik veel mee bezig was. Hans kwam altijd net van een school vandaan die aangesloten is bij zijn Jeugdeducatiefonds, soms wel van twee die dag, en hij zat steeds vol met verhalen. We raakten in gesprek over de interventies die scholen plegen om een kind niet alleen bij het onderwijs te betrekken, maar ook een veilige plek te bieden waar het zich kan ontwikkelen, kan ontdekken dat het een kind is.”
“Het waren schrijnende verhalen die Hans deelde”, zegt Benali.“Over kinderen die met honger naar school gaan, over eigenwijze leerkrachten die in actie komen om kinderen toch naar school te krijgen, over bestuurders die buiten de lijntjes durven kleuren. Ik wilde me graag meer in de thematiek verdiepen. Ik praatte er wel over, maar had die scholen eigenlijk nooit van nabij gezien. Toen zei Hans: ‘Je mag best met me mee.’”
Samen bezoeken ze in de loop van 2024 vijftien – van de ruim achthonderd – basisscholen die met steun van het Jeugdeducatiefonds extra mogelijkheden scheppen voor hun leerlingen. Ze reizen van Middelburg en Vlissingen tot Drachten, Leeuwarden en Roermond. Het zijn scholen waar minstens de helft van de leerlingen opgroeit in armoede. Zij organiseren ‘extra’s’ zoals een Verlengde Schooldag vol educatieve en sportieve activiteiten, een lunch op school, ondersteuning door professionals en uitstapjes naar theater of dierentuin. Er zijn ook individuele vergoedingen voor zaken als een bril, een bed of kindercoaching.
Eind vorig jaar verscheen Dromenmakers. Hierin schetst Abdelkader Benali mooie, gedetailleerde portretjes van de scholen, de buurten waar ze staan en waar de kinderen wonen. Ergens halverwege de reis belandt hij op de Valentijnschool in het Rotterdamse Delfshaven. De wijk waarnaar hij eind jaren zeventig, als vierjarige, vanuit Marokko verhuisde.
“Delfshaven is heel groot, maar mijn wereld was heel klein. Bij de singel hield het voor mij op. Ik ging van huis naar de kleuterschool en weer terug. Thuis moest ik binnenblijven. We waren nu in een ander deel van Delfshaven, in een pittige wijk met een hoge score in zwaarte van problematiek.
Net als de andere scholen, was de Valentijnschool letterlijk een oase in de wijk. Een plek vol rust en vrede, waar ouders hun kinderen vol vertrouwen naartoe brengen. Ik herinner me dat we aan het eind van ons bezoek bij groep 8 kwamen, die net aan de lunch zat. Heel rustig en bijna volwassen zaten ze daar, echt als een groep die klaar is voor de volgende stap. Het klinkt misschien stom, maar soms kan je gewoon voelen dat een school goed is.”
Wat meehelpt op de Valentijnschool – ‘met 40 procent Marokkaanse en 30 procent Turkse leerlingen, dan komen de Kaapverdianen en de Bulgaren’ – is het zeer divers samengestelde team, vertelt Benali. “Een van de weinige overigens. Met een leuke Marokkaanse dame, Sahila, die de wereld van de kinderen kent en begrijpt.”
In Dromenmakers vertelt Sahila, al jarenlang medewerker ouderbetrokkenheid, over het Onwijze Moeders-project. Hier kunnen moeders hun ervaringen en verhalen delen en elkaar zo steunen. Sahila geeft, samen met de wijkagent, voorlichting over alle gevaren waaraan kinderen in de wijk blootstaan, zoals ronselpraktijken. Verder helpt ze moeders in het lokettendoolhof van de gemeente en dankzij goede contacten met de Jumbo om de hoek – ‘De bedrijfsleider heet Dirk’ – aan werk dicht in de buurt van hun kinderen.
Een school die ouders een baan om de hoek bezorgt, dat was nieuw voor Abdelkader Benali.
“Ik kwam wel meer van zulke voorbeelden tegen. Ook een school die sollicitatietrainingen gaf aan ouders, hoewel dat officieel niet mocht. Dat is mooi, maar ik werd er ook een beetje droevig van.
Ik kwam er op die scholen achter dat álle ouders werken. En veel ouders, alleen of met een partner, moeten heel hárd werken om de eindjes aan elkaar te knopen. Er zijn veel alleenstaande moeders. Ze zijn afhankelijk van een breed netwerk aan opvang, zodat ze geld kunnen verdienen. Naast grootouders, ooms en tantes en andere familie is school daar een belangrijk onderdeel van. Dat wist ik allemaal niet.
Er was een school die zei: ‘We weten dat ouders echt direct door moeten naar hun werk, daarom zijn we een kwartier eerder open gegaan.’ Dat kwartiertje bleek wonderen te verrichten. Het zorgt dat een kind rustig aan de nieuwe schooldag kan beginnen.”
Een andere eyeopener was dat leerkrachten veel meer doen dan onderwijs geven.
“Op de basisschool van mijn dochters, in Amsterdam Nieuw- West, praat ik twee keer per jaar met de leerkrachten in het tafeltjesgesprek. Nu kwam ik binnen met Hans Spekman en kon ik iedereen alles vragen. De rijkdom van het boek is vooral dat iedereen zo open is. Ik vond het confronterend dat ik er toen pas achter kwam hoe intensief leerkrachten zich te bemoeien hebben met de leefwereld van een kind. Ze vertelden over huisbezoeken, over de eigen portemonnee trekken voor een fiets, aankloppen bij de gemeente voor steun, praten met de leerplichtambtenaar. De leerkracht is, net als bestuurders, een soort Zwitsers zakmes; op elke uitdaging volgt weer een nieuwe toevoeging aan dat mes.”
Het zijn geen doorsnee scholen die hij op zijn reis bezoekt, en geen doorsnee medewerkers die hij er ontmoet. Benali ziet veel bevlogen leerkrachten en karaktervolle directeuren, met een groot hart voor hun leerlingen.
“Ik weet dat niet alle scholen zo zijn. Met het boek wil ik laten zien hoe het onderwijs zich wat mij betreft zou moeten ontwikkelen. Het moet inspireren: Kijk, dit doen mensen op scholen om het onderwijs beter te maken voor iedereen! De kern is persoonlijke aandacht, dat je gezien wordt. Niet de anonimisering, het technocratische model, dat leidt tot zaken als de toeslagenaffaire.”
Hij heeft zelf goede herinneringen aan zijn basisschooltijd, begin jaren tachtig. “Ik vond school meteen leuk en voelde me zeker gezien, daar hechtte ik ook erg aan. Als ik ergens gevormd ben, is het wel in het kringgesprek. Op een gegeven moment begon ik voor te lezen uit een boek dat veel indruk op me gemaakt had. Daar maakte ik mijn klasgenoten deelgenoot van. Als een soort missionaris. Ik vond het geweldig, dat luisterende oor van de hele klas en die goedkeurende blik van de meester. Later mocht ik vaak de weekafsluiting doen. Ik was theatraal ingesteld en kreeg daar alle ruimte voor.”
Op alle vijftien scholen gaat hij in gesprek met kinderen, vaak uit de leerlingenraad. Veel kinderen zijn nieuwkomers, veel hebben een andere culturele achtergrond. Benali doet steeds zijn best om hun namen goed te spellen.
“Ik herinner me een klas, dat was gewoon net de Verenigde Naties. Een hele leuke, warme groep. Ik herinner me een Irakees meisje dat met haar familie bij opa en oma in Irak op bezoek was gegaan, te lang was gebleven en met een verlopen paspoort bijna niet meer terug kon. Het is een leven vol onzekerheid. Ik herinner me ook een sprankelend meisje, gevlucht uit Eritrea. Ze had in twee jaar heel goed Nederlands geleerd, hield van voetballen en was zo sterk.”
De achtergrond van de leerlingen heeft ook te maken met het karakter van deze scholen, denkt Benali. “Omdat ze een stapje extra zetten, zijn ze aantrekkelijker voor kinderen met een vluchtelingenverhaal, uit sociaal zwakkere milieus. Iedereen kan van hun aanbod profiteren, maar dat gebeurt niet. Zo was er een school met een grote groep kinderen uit Oekraïne, in Zevenbergen. Een kleine gemeente, maar wel met vijf scholen voor ouders om uit te kiezen. En helaas kozen ze hun school als laatste.”
Hij heeft heel wat broodjes zien smeren op de scholen die hij bezocht, vertelt Benali. Allemaal zorgen ze voor een gezond ontbijt of een gezonde lunch voor hun leerlingen. Op het Kindcentrum in Sittard trakteerden de kinderen Benali en Spekman op zelfgebakken appelcrumble.
“Daar waren ze heel trots op. Het was een unieke school, met een moestuin op het schoolplein en een grote volwaardige, professionele keuken. Die keuken was het hart van de school. Alle kinderen leerden daar koken, ook met messen, onder toezicht van een groep moeders.”
In Sittard maakt een groep van tien kinderen drie keer per week de lunch voor zo’n 250 medeleerlingen.
“Voor mij vervult die school een pioniersfunctie. Waarom hebben niet alle scholen zo’n keuken? Met het thema eten, leer je kinderen nadenken over hun plek in de wereld, over zorgen voor elkaar, samen iets maken, over sociale orde, gezondheid, klimaat en milieu. Met eten op school kun je allerlei feestdagen met elkaar vieren. Op alle niveaus een dikke plus dus.”
Zijn debuutroman Bruiloft aan zee uit 1996 begint met een schoolreisje. Benali ziet het nog voor zich. “Met de kleuterklas wandelden we hand-in-hand van Delfshaven naar Blijdorp, onderweg zongen we een liedje en zo gingen we onder een viaduct door. Eigenlijk een heel korte wandeling, maar voor mij een indrukwekkende reis. Echt een hoogtepunt.
Dat hoorde ik terug op de scholen, daarom besteden ze er ook allemaal geld aan. Een schoolreisje is niet alleen een uitje, je komt er achter dat je klas een soort familie is, bent samen onderweg, creëert samen bijzondere herinneringen. Je komt in nieuwe situaties terecht, met nieuwe handelingen. Veel kinderen hadden nog nooit in een bus gezeten, nog nooit een dierentuin gezien of een theater. Ze durfden niet goed hun jas af te geven bij de garderobe. Kregen ze die dan wel terug?”
Op de scholen ontmoet Benali ook een paar orthopedagogen. Is hun rol belangrijk?
“Ik heb begrepen dat scholen moeten vissen in de vijver met onderwijsondersteuning, naar pedagogen, maatschappelijk werkers en andere professionals. De onderwijsdruk is heel hoog, dus alles wat ze naar hen door kunnen schakelen, zorgt voor verlichting.
Het liefst hebben ze iemand die langdurig verbonden is aan een school, dan kun je meters maken. De kinderen hebben een onderwijsachterstand, maar met de goede aandacht en de goede instrumenten, kunnen ze die heel snel wegwerken. Je ontlast dus de leerkracht en versterkt de leerling.”
tekst: Annemiek Haalboom
De opbrengst van Dromenmakers gaat naar het Jeugdeducatiefonds.
Het Jeugdeducatiefonds zet zich via basisscholen in voor kinderen die opgroeien in ‘relatieve armoede’, om zo hun ontwikkelingskansen op allerlei manieren te vergroten. Als armoedegrens geldt een inkomen van ouders onder de 150 procent van het ‘niet-veel-maar toereikend’-criterium van het Sociaal Cultureel Planbureau. Dit is het bedrag dat een huishouden minimaal nodig heeft voor basiszaken als voedsel, kleding, wonen, zorg en ontspanning. Hierdoor komen ook kinderen die anders buiten beeld vallen, zoals kinderen van werkende armen, in aanmerking voor steun.
Basisscholen waar minstens de helft van de leerlingen opgroeit in ‘relatieve armoede’ kunnen een beroep doen op het Jeugdeducatiefonds. Er zijn inmiddels ruim 800 scholen aangesloten. Het fonds reserveert elk jaar een budget dat scholen vrij kunnen besteden, zowel aan individuele als aan educatieve groepsaanvragen. Dus van brillen, fietsen, bedden, boeken voor thuis, een dyslexietest en ondersteuning door professionals tot museumbezoek, fotoworkshop, busvervoer voor een schoolreisje en extra leermateriaal voor de hele klas.
Het Jeugdeducatiefonds is een non-profit organisatie, opgericht in 2015, naar voorbeeld van het Jeugdsportfonds en het Jeugdcultuurfonds. Hans Spekman is sinds 2018 de directeur.
www.jeugdeducatiefonds.nl
Van uitgeverij Lemniscaat mogen we drie exemplaren van Dromenmakers weggeven. Interesse? Stuur voor 7 mei een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Auteurs: Bart van Gent & Peter Hoffenaar
Lees meer
De invasie van Oekraïne begint op 24 februari 2022. Begin maart stuurt de Israëlische traumacoalitie een delegatie naar Polen om daar Oekraïense vluchtelingengezinnen te helpen. Ook onderzoeker Natalia Khvorostianov reist naar Warschau. Zij leert daar twintig gezinnen kennen. Bij thuiskomst, bladerend in haar notitieboekje, herinnert zij zich hoe kinderen zich vastklampten aan hun smartphone.
Ze besluit vijftien vluchtelingenkinderen, tussen de tien en veertien jaar oud, uitgebreider te vragen naar hun smartphonegebruik. Het apparaat blijkt al snel een soort ‘troostbeertje’. Zo vertelt Alissa dat ze zoveel mensen bij elkaar in het opvangcentrum overweldigend vindt. Om de chaos even te kunnen vergeten, kijkt ze naar haar favoriete hamster op Instagram. Door in te zoomen op zijn pootjes kalmeert ze en lukt het haar zelfs om hoopvol naar de toekomst te kijken. ‘Als we hier weggaan, koop ik een hamster. Het zijn kleine diertjes. Ook als we weer moeten verhuizen, kan ik hem overal mee naartoe nemen.’
De smartphone bleek niet alleen een verstopplek, maar ook onmisbaar voor het contact met (achtergebleven) vrienden en klasgenoten. Met een simpel ‘+’-teken lieten kinderen elkaar weten nog in leven te zijn. Dit was al voldoende om verbondenheid met thuis te blijven ervaren. Ten slotte fungeerde de smartphone ook als een tijdscapsule. Foto’s, video’s en zelfs huiswerkopdrachten maakten de breuk met hun oude leven net iets draaglijker.
Is er iets veranderd in je mediagebruik sinds het uitbreken van
de oorlog? Met deze ene open vraag heeft Natalia Khvorostianov veel inzichten verkregen. Naar mijn mening vormt haar studie een positieve uitzondering op al het onderzoek naar schadelijke effecten van sociale media en de vraag of kinderen pas boven de veertien jaar een telefoon zouden moeten krijgen.
Khvorostianov, N. (2025). “Is everyone alive?”: Smartphone use by Ukrainian refugee children. New Media & Society, 27 (1), 246-262. doi.org/10.1177/14614448231173657
Onderzoekers van KU Leuven en Universiteit Antwerpen
ontwikkelen binnen het project EPANEMA (Empowering Parents of Autistic children through Neurodiversity-affirmative psycho- Education) een nieuw programma voor psycho-educatie rond autisme. Leidend is het neurodiversiteitsgedachtegoed, waarbij autistische mensen1 worden gezien als een maatschappelijke minderheidsgroep op zoek naar emancipatie.
Dat er een nieuw programma nodig is, zetten de onderzoekers uiteen in een artikel. Ze beschrijven dat psycho-educatie bij autisme veel wordt ingezet, hoewel de theoretische basis niet heel stevig is. Daarbij zetten ze vraagtekens bij drie veelgebruikte programma’s: Ik ben speciaal, Geef me de 5 en Brain Blocks. Vanuit de theorie over neurodiversiteit en psycho-educatie stellen ze drie vragen over deze programma’s: Hoe wordt autisme gedefinieerd? Welke noden (needs) worden beschreven en voor wie? Wat wordt er van wie verwacht?
Na analyse van de handleidingen blijkt dat deze programma’s, die allemaal zo’n twintig jaar geleden op de markt kwamen, autisme vooral vanuit de neurotypische lens bekijken en als stoornis zien. Daarnaast blijkt dat ze vooral focussen op kennisoverdracht, terwijl vaardigheden maar beperkt aan bod komen en de individuele autistische noden onderbelicht blijven.
De onderzoekers komen tot enkele aanbevelingen voor clinici die gebruik maken van de bestaande programma’s bij het geven van psycho-educatie, bijvoorbeeld:
Het is evident dat behandelaars zelf ook aanpassingen kunnen plegen en programma’s inclusiever kunnen maken. Maar wellicht is met dit onderzoek toch de bijl in de huidige programma’s gezet.
Het programma EPANEMA loopt van 2022 tot 2026. In 2025 worden nog twee interviewstudies verwacht. Eén waarin ouders met autisme van kinderen met autisme is gevraagd naar hun ideeën over hoe het nieuwe psycho-educatieprogramma eruit dient te zien en één waarin een groep van zeventien internationale neurodiversiteitsdenkers deze vraag krijgt voorgelegd.
Van den Plas, L. et al. (2024). Towards a neurodiversity-affirmative conceptualisation of psycho-education in the context of autism. Research in Autism Spectrum Disorders, 114. doi.org/10.1016/j.rasd.2024.102391
Met veel plezier las Véronique Wils – orthopedagoog bij FamilySupporters in Rosmalen – de afgelopen twee jaar over de ervaringen van June Bragg tijdens haar opleiding tot orthopedagoog-generalist. In september 2024 is zij zelf enthousiast begonnen aan deze opleiding bij King Nascholing in Amsterdam. In de Pedagoog deelt zij elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Op de eerste dag, woensdag 4 september 2024, komen wij opleidelingen rustig de ruimte in bij BCN Amsterdam Arena. De taart om de start van ons traject te vieren staat klaar en wordt ons aangeboden door de oprichters van King Nascholing en de hoofddocenten van de opleiding tot orthopedagoog-generalist. We maken die dag kennis met elkaar en met de opleiding. Iedereen heeft een voorwerp meegenomen om zichzelf te laten zien. Ik wijs op mijn bril, met een gouden randje, die zegt iets over mijn analytische blik. Gedurende de dag voel je de warmte van de groep steeds meer. Ik heb er zin in!
Een paar maanden verder is de sfeer nog steeds hartelijk onder elkaar. Om de week hebben we groepssupervisie. Dit jaar door een supervisor en drie supervisanten uit verschillende werkvelden. Dit eerste jaar hebben we acht blokken van ieder vijf weken. We zijn gestart met het vak Diagnostiek. Niet erg vernieuwend qua inhoud, maar wel goed om alles weer even op te frissen en vooral stil te staan bij: wat zijn we aan het doen en wat vind ik daarvan als orthopedagoog-generalist? We richten ons met name op veranderingsgerichte en niet zozeer op classificerende diagnostiek, wat aansluit bij de veranderende ggz-visie.
In het volgende vak, Behandeling, hebben we overstijgend bekeken hoe we omgaan met behandelen in de praktijk en vanuit de maatschappij bezien. We hebben geleerd over de geschiedenis van jeugdhulp tot nu. Er is regelmatig gerefereerd aan pedagoog Micha de Winter en het belang van de omgeving van kinderen. Zoals middels Beschermjassen, waarin je werkt met het genogram en de familiegeschiedenis, om thema’s te bespreken met de gezinnen waarmee je werkt. Heel inspirerend.
Daarna volgen de werkveldvakken Sociale kwetsbaarheid bij mensen met een cognitieve beperking en Onderwijs. Ieder blok sluiten we af met een toets. Deze is gericht op het schrijven van een aanbeveling of richtlijn binnen je eigen organisatie, die je wetenschappelijk onderbouwt en evalueert. Zo heb ik mijn toets voor Behandeling gericht op het belang van het maken van een genogram met het gezin bij de start. Zo dragen we steeds bij aan een eigen visie en verbetering van de hulp, gericht op: dialogisch, systeemgericht en veranderingsgericht werken. Dé pijlers van King Nascholing en de NVO.
Op dit moment zijn we hard bezig met reflecteren op onszelf en evalueren we ons Individueel Ondersteuningsplan, dat we aan de start van de opleiding gemaakt hebben. Verder reflecteren we ieder half jaar op onze groepssupervisie en ben ik ook hard aan het werk voor de jaarlijkse casusbeschrijving. Daarover volgende keer meer.
tekst: Véronique Wils
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je terecht bij:
Naast de bekende bibliotheek waar je boeken kunt lenen, zijn er de laatste jaren alternatieve bibliotheken ontstaan vanuit een narratieve benadering, zoals de Mensenbieb met levende boeken. Pas is hier de Bibliotheek van Tussenverhalen aan toegevoegd. Het resultaat van een meerjarig onderzoeksproject waarin jongeren, onderzoekers, jeugdprofessionals en kunstenaars samenwerken.
Lees meer
Rivelino Rigters van Criminal Minded in gesprek met deelnemer Lion de Graven.
In de Bibliotheek van Tussenverhalen vind je verhalen van jongeren in zogenaamde tussenposities. Deze jongeren groeien op tussen culturele, religieuze, sociale of institutionele leefwerelden. Ze hebben bijvoorbeeld een dubbele nationaliteit, zijn de eerste in hun familie die gaat studeren, hebben in de gesloten jeugdzorg of in detentie gezeten, of bewegen zich tussen een lhbtqia+ gemeenschap en sociale omgevingen waar heteroseksueel zijn de norm is.
Tussenposities zijn dus niet allemaal hetzelfde, maar een gemene deler is dat veel jongeren het gevoel hebben er niet bij te horen of niet goed genoeg te zijn. In onze samenleving is er vooral aandacht voor de problemen of de moeilijkheden die deze jongeren ervaren, en wordt hun kracht en de vaardigheden die ze vanuit hun tussenpositie ontwikkeld hebben onvoldoende belicht. Deze jongeren hebben leren schakelen tussen verschillende contexten, leren navigeren.
De Bibliotheek van Tussenverhalen wil juist beide kanten laten zien. Aan de hand van verschillende thema’s – waaronder gevlucht, spijt, muziek als binding en familie – vertellen jongeren hun verhaal.Dit doen ze op eigen wijze, via video, spoken word, muziek, rap of podcasts. Naast de tussenverhalen zelf hebben jongeren, in samenwerking met onderzoekers en kunstenaars, een masterclass voor professionals ontwikkeld.
Op de website van de Bibliotheek van Tussenverhalen1 leggen projectmedewerkers Sebastian Abdallah, Elena Ponzoni en Jessica van der Luyt in een video uit wat de ideeën zijn die ten grondslag liggen aan het onderzoeksproject. In gesprek met Elena Ponzoni krijg ik daarnaast nog verdere uitleg.
De Bibliotheek van Tussenverhalen en de masterclass hebben zowel een pedagogische, culturele als politieke dimensie. De pedagogische dimensie betreft de tweeledige relatie tussen jongeren en volwassenen, waarbij volwassenen in de begeleiding van jongeren oog hebben voor de complexiteit van tussenposities en waarbij zij kunnen leren van jongeren en ook accepteren dat jongeren hen iets te leren hebben.
De culturele dimensie betreft de verschillende vormen van expressie die jongeren gebruiken om hun ervaringen weer te geven, zoals muziek, toneel, poëzie, zang, videobeelden. Bij de politieke dimensie gaat het om macht: wie heeft vertelmacht in onze samenleving en hoe kan je ruimte maken voor verschillende verhalen, ook de verhalen die vaak niet gehoord worden.
In onderwijs en jeugdzorg is er vaak een eenzijdige kijk op de ervaringen van jongeren in tussenposities. Er wordt gezocht naar duiding van problemen. Dit zijn vaak eendimensionale verhalen of single stories zoals de Nigeriaanse Chimamanda Ngozi Adichie ze noemde in haar bekende TED-talk.2 Terwijl individuele levens en verhalen hierover, nuances en gelaagdheden kennen. Er zijn dus meervoudige verhalen nodig, verhalen die niet in het dominante script passen. Dit vraagt ook een andere manier van luisteren: gelaagd luisteren, op zoek naar meervoudigheid. Als luisteraar moet je je bewust zijn van wat je beperkt in het luisteren, je eigen kaders durven loslaten, en tegelijkertijd ruimte scheppen voor het mogelijke ongemak dat je voelt bij het horen van de verhalen. Zo kom je in een zogenaamde daring space, een ruimte waarbij je kunt aangeven dat je het niet begrijpt en elkaar vragen durft te stellen hierover.
De onderzoekers hebben verschillende inzichten opgedaan gedurende het project. De gelaagdheid van de ervaring van de tussenpositie is al genoemd. Jongeren komen uitdagingen tegen in de tussenposities die ze innemen, en leren paden te bewandelen en strategieën te vinden om met deze uitdagingen om te gaan. Het gaat over liminaliteit, een begrip uit de culturele antropologie. Het beschrijft de fase van transitie, of overgang. Het ‘oude’ is verlaten, het ‘nieuwe’ nog niet gevormd. Het is ‘het ondertussen’ (in-betweenness). Het is een kans voor groei en doorleefde verandering, mits je begrijpt wat er eigenlijk gebeurt in ‘het ondertussen’.
Zo zie je dat jongeren die in detentie hebben gezeten in eerste instantie afstand willen nemen van deze periode in hun leven, maar op een later moment terugkijken en de waarde ervan kunnen inschatten, en deze periodes met elkaar in verbinding kunnen brengen. Bij biculturele jongeren zie je bijvoorbeeld verzet tegen het gevoel dat ze een keuze moeten maken tussen het een of het ander, ze voelen zich vaak thuis in verschillende werelden. Eerste generatie studenten (jongeren die als eerste in hun familie gaan studeren) hebben geleerd om met verschillende kaders om te gaan. Vanuit wetenschappelijk oogpunt heeft het onderzoeksproject inzichtelijk gemaakt dat co-creatie tussen onderzoekers, professionals en jongeren specifieke kennis oplevert die anders veelal impliciet blijft.
Hoe kunnen we vanuit deze individuele ervaringen naar maatschappelijke waarde bewegen? Hier komt de politieke dimensie naar voren. Om een democratie gezond te houden, hebben we mensen nodig die over vaardigheden beschikken om met verschil om te gaan. Jongeren in tussenposities doen niet anders. Ze kunnen reflecteren op verschil en zaken ter discussie stellen. Zo is de ervaring en kennis die ze hebben opgedaan niet alleen relevant voor deze jongeren zelf, maar ook voor anderen.
![]()
Elena Ponzoni heeft nog een paar tips voor pedagogische professionals. Leren luisteren naar de gelaagdheid is een continue uitdaging, maar als het lukt is het hoopgevend in het huidige politieke klimaat. Ben je bewust hoe jongeren in tussenposities meerdere identiteiten combineren. En zie hun navigeren als belangrijke vaardigheid, met alle moeilijkheden die daarbij horen. Heb oog voor de complexiteit ervan.
tekst: Marleen Baeten
foto: Coen van Heteren
1. www.bibliotheekvantussenverhalen.nl
2. www.ted.com/talks/chimamanda_ngozi_adichie_the_danger_of_a_single_story
Het onderzoeksproject Bibliotheek van Tussenverhalen is een samenwerking tussen Hogeschool InHolland, de Vrije Universiteit, de Universiteit voor Humanistiek, Stichting Sitara, Criminal Minded, Sociaal Cement, Fonds ZOZ en de Hogeschool van Amsterdam. Het project is inmiddels afgerond, publicaties volgen nog. Stichting Sitara neemt de projectleiding over.
De bibliotheek wordt de komende jaren aangevuld met nieuwe verhalen en de masterclass blijft in ontwikkeling. Deze is bedoeld voor (professionele) begeleiders en beleidsmakers die meer willen leren over de kracht van tussenposities en begrijpen hoe jongeren deze kracht zelf in kunnen zetten om te zorgen voor verandering, in hun eigen leven of in hun omgeving. Daarbij staat het leren luisteren naar tussenverhalen centraal. Wat is een tussenverhaal? Hoe herken je hierin kracht? En hoe kun je jongeren ondersteunen bij het inzetten van deze kracht?
www.bibliotheekvantussenverhalen.nl
De Richtlijn Zingevende daginvulling wil de kwaliteit van leven en het gevoel van eigen regie van cliënten in de langdurige zorg verbeteren. Het organiseren en bieden van zingevende daginvulling – van creatief tot sportief – is niet eenvoudig in deze sector. Daarom ontwikkelde SKILZ, onder regie van Tanja Mol, een multidisciplinair kwaliteitsinstrument. Vanuit het werkveld zijn knelpunten in kaart gebracht en dacht een werkgroep mee. Moniek Voermans en Heleen Karelse, twee orthopedagoog- generalisten en NVO-leden, lazen kritisch mee in de commentaarfase.
Lees meer
v.l.n.r. Moniek Voermans, Heleen Karelse en Tanja Mol
“Bij SKILZ stond het onderwerp al op de meerjarenagenda. De ervaringsraad van SKILZ had het aangedragen. De ervaringsraad bestaat uit belangenbehartigers die gebruikmaken van de langdurige zorg en hun mantelzorgers. In deze raad wordt het cliëntperspectief vertegenwoordigd,” licht procesbegeleider Tanja Mol toe.
“Er is gestart met een inventarisatie naar de knelpunten in de praktijk. Ongeveer twee jaar geleden zijn we begonnen met het samenstellen van een werkgroep. We hebben een multidisciplinaire groep kunnen vormen met geestelijk verzorgers, een verpleegkundig specialist, een psycholoog en nog een paar professionals uit andere disciplines.
We hebben uitgebreid literatuuronderzoek gedaan en een intensieve heidag gehad, waarop we met de volledige werkgroep in gesprek gingen over de inhoud van de richtlijn. Nadat de conceptversie klaar was, is de richtlijn voor commentaar gestuurd naar externe partijen. Daarbij kregen we onder andere feedback van twee NVO-leden, Heleen en Moniek.”
Van belang is dat de cliënt goed in beeld is bij de zorgprofessional. Wat is diens behoefte aan zingeving?
Tanja: “In de richtlijn vind je de elementen van zingevende daginvulling. Een aantal is voorwaardelijk, zoals dat het altijd maatwerk blijft. Daarnaast zijn er elementen die bijdragen aan zingeving, maar niet voorwaardelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan plezier. Er is een hoofdstuk over het toepassen, gericht op de zorgverlener. Hoe kan jij zingevende daginvulling toepassen voor een cliënt? Altijd samen met de cliënt, uiteraard. De richtlijn eindigt met een hoofdstuk over de organisatie van zorgverlening. Wat kun je als organisatie doen om bij te dragen aan zingevende daginvulling voor cliënten?”
De richtlijn geeft goede handvatten voor professionals. Zoals: welke gesprekken kun je voeren of hoe kun je erachter komen wat voor iemand zingevende daginvulling is? En daar dan ook met diegene aan gaan werken. Een richtlijn over dit onderwerp helpt bij bewustwording voor zorgprofessionals: ervaart mijn cliënt dit als zingevende daginvulling? Ook zorgt het voor een soort uniformiteit in het werk, dat iedereen met de neuzen dezelfde kant op staat.
“Ik denk dat deze richtlijn een goede gespreksstarter is met de cliënten, maar ook veel inzichten kan geven in handige tips en tricks,” aldus Tanja Mol.
In 2018 is de Stichting Kwaliteitsimpuls Langdurige Zorg (SKILZ) opgericht om samen met cliënten, naasten en zorgverleners de kwaliteit van de langdurige zorg te verbeteren. SKILZ doet dit door het ontwikkelen van multidisciplinaire richtlijnen en is ook verantwoordelijk voor het beheren en herzien van deze richtlijnen.
De Richtlijn Zingevende daginvulling vind je op www.richtlijnenlangdurigezorg.nl. Inclusief een samenvatting en hulpmiddelen voor het toepassen van de adviezen uit de richtlijn.
NVO orthopedagogen-generalist Moniek Voermans en Heleen Karelse hebben de richtlijn van commentaar voorzien. Samen met een tiental andere zorgprofessionals vanuit diverse disciplines lazen zij kritisch mee met deze richtlijn.
Moniek is programmamanager, orthopedagoog-generalist en onderzoeker binnen de ggz. Zij reageerde op de oproep in de NVO-nieuwsbrief. “Ik vond het sowieso leuk en waardevol om mee te mogen lezen. En vanuit mijn achtergrond heb ik goede suggesties kunnen doen,” zegt Moniek.
“Ik vond het ook fijn dat ik terugkoppeling kreeg over wat er wel en niet is opgenomen in de richtlijn. Het geeft een voldaan gevoel om daadwerkelijk een bijdrage te kunnen leveren. Erg goed dat de samenstelling van de werkgroep multidisciplinair was, dat is namelijk cruciaal voor het zingevingsaspect. En dat maakt ook dat zo’n richtlijn net iets praktischer wordt dan veel andere richtlijnen.”
Heleen, werkzaam bij Amarant, een organisatie voor cliënten met een verstandelijke beperking, vond het ook heel waardevol om mee te lezen.
“Je kijkt kritisch mee naar wetenschappelijke onderbouwing. Ik ging ook meteen dwarsverbanden leggen en dingen opzoeken. Ja, dit waren uren waarin ik niet alleen leerde van de richtlijn,” zegt zij. “Een mooie gedachte is dat je elkaar op deskundigheid aan het aanvullen bent. En dat we feedback kregen op het geleverde commentaar. Dat vind ik echt een compliment voor hoe het proces met deze richtlijn is gelopen.”
“Als het een onderwerp is dat je interesse heeft en je er wel het een en ander vanaf weet, dan kan het een hele mooie manier zijn om je expertise te delen. Door het beoordelen van een richtlijn blijf je zelf ook op de hoogte van de actuele ontwikkelingen op dat gebied. Het is een mooie manier om je kennis te delen,” laat Moniek weten. “Je voelt je echt serieus genomen als meelezer. Het proces is zorgvuldig gegaan. De samenwerking met SKILZ was goed.”
Tanja: “Voor SKILZ is het ook erg waardevol dat externen meekijken en dat we feedback ontvangen vanuit verschillende hoeken. Dat maakt de richtlijn alleen nog maar beter.”
Heleen: “Het meelezen in een commentaarfase van een richtlijn ervaar ik ook als gratis deskundigheidsbevordering, waar je tegelijkertijd je eigen expertise in kwijt kunt.”
tekst: Marijke Buisman
Martin van Rooijen is pedagoog en vorig jaar gepromoveerd aan de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Hij doet onderzoek naar de meerwaarde van risicovol spelen voor kinderen en de dilemma’s die professionals en andere opvoeders ervaren bij het faciliteren hiervan. Als kritisch pedagoog onderkent hij het belang van de kindertijd, die een periode moet zijn waarin kinderen zichzelf mogen zijn, verantwoordelijkheid ervaren en de ruimte en vrijheid krijgen om hun eigen gang te gaan.
Lees meer
Martin van Rooijen
Martin van Rooijen
2021 – heden
Sociaal ondernemer De Blauwe Ton: Training, onderzoek & advies
2015 – 2024
Promovendus, Universiteit voor Humanistiek Utrecht
2011 – 2013
Master Ecologische Pedagogiek, Hogeschool Utrecht (cum laude)
2004 – 2020
Diverse functies als sociaal cultureel werker
2000 – 2004
Teammanager Buitenschoolse Opvang
1995 – 1999
Bachelor Social Work, Hogeschool Utrecht
“Vooral omdat ik in de praktijk met kinderen heb gewerkt en op bso’s en in speeltuinen van nabij heb gezien hoe kinderen spelen, wat ze doen en wat ze nodig hebben. Ik was coördinator van twee nieuwe bouwspeeltuinen, waar kinderen met hamers, spijkers en pallets hutten konden bouwen. Het was pionieren, er was nog niks. Dat paste mij goed, het zorgen voor uitdagende speelmogelijkheden voor de kinderen.
De interesse komt ook door mijn eigen ervaringen met de kinder- vakantieweek. Dat zijn huttenbouwweken in de zomervakantie, waar ik veel goede herinneringen aan heb als kind, maar ook later als begeleider. Het is essentieel om als kind je eigen ding te kunnen doen en daar veel vrijheid in te krijgen.
Later, in mijn masteronderzoek, kwam als vanzelf het thema risky play naar voren, dat in Nederland toen nog redelijk onbekend was. Ik zag dat kinderen vaak risico’s aangaan tijdens het spelen, dat ze dit graag willen en er eigenlijk weinig mogelijkheden toe hebben.”
“Dat kinderen ons niet nodig hebben bij het vrij en risicovol spelen. Dat ze zeggen ‘laat ons nou, laat ons onze eigen gang gaan.’
Zij willen vooral ons vertrouwen en ze komen wel naar ons toe als ze ons nodig hebben. Risicovol spelen gaat vooral over het fysieke risico, dat je een bult valt of wat bloed hebt enzovoort, en dat vinden zij oké. Maar de kinderen zelf verbreedden dat naar sociaal en emotioneel risico.
Elkaar uitdagen, dat hoort er ook bij. Volwassenen hebben de neiging om dan snel in te grijpen. Die denken ‘dat gaat niet goed’, maar voor kinderen hoort dat juist ook bij risicovol spelen.”
“Het belang voor de ontwikkeling vind ik nooit zo’n goede vraag, want dat houdt mij niet bezig. Natuurlijk is het goed voor de versterking van de autonomie, veerkracht en weerbaarheid van kinderen. Maar het gaat mij niet om de ontwikkeling of wat risicovol spelen oplevert voor het kind of voor ons als opvoeders. Belangrijker vind ik dat kinderen een innerlijke drive hebben voor dit soort spel, ze hebben het nodig om dit te doen.
Ik houd me bezig met hun ervaringen en het uitzoeken hoe we als opvoeders de omstandigheden zo optimaal mogelijk kunnen maken dat deze intrinsieke behoefte van het kind om zichzelf uit te dagen de ruimte krijgt.”
“De overbescherming heeft nogal toegeslagen, daar maak ik mij wel zorgen over. Ik begrijp het wel: je wilt zorgen dat je kind niks overkomt. Maar we zijn daarin doorgeslagen in de zogenaamde ‘overbeschermingsparadox’: hoe meer wij onze kinderen proberen te beschermen, hoe groter de kans dat het echt misgaat als wij er niet bij zijn.
Daarnaast staan vaak de eventuele gevolgen voorop en gaat het al snel over wie aansprakelijk is als het fout gaat of de angst voor slechte publiciteit. Ook belangrijk, maar volgens mij moeten we veel meer met elkaar in gesprek over onze waarden en onze grenzen met betrekking tot risicovol spelen. Dat noem ik het ethische gesprek. ‘Waar voel jij je oké bij?’ en ‘Welk risico dat het kind opzoekt, ben jij bereid te aanvaarden, zodat kinderen meer ruimte krijgen?’
Op plekken zoals de kinderopvang is er nu vaak weinig tijd voor dit soort gesprekken. Meestal wordt er, zonder echt gesprek, consensus gezocht tussen medewerkers en vaak de ondergrens gekozen. Het
is dan zo veilig mogelijk, we houden rekening met allerlei factoren, maar door de hieruit voortvloeiende regeltjes worden de kinderen juist beperkt in hun mogelijkheden tot risicovol spelen.”
“Het is voor de maatschappij in brede zin van belang, omdat het gaat om welke kindertijd wij voor onze kinderen wensen en wat de rol van volwassenen en organisaties hierbij is. De kinderopvang staat open voor het thema risicovol spelen en wil ermee aan de slag.
Ik verzorg daar veel teamtrainingen en ouderavonden, maar ook scholen en speeltuinen hebben interesse. Ook het speciaal onderwijs staat steeds meer open. Vaak worden deze kinderen nog meer overbeschermd en hebben zij weinig mogelijkheden om risicovol te spelen. Terwijl juist zij die extra veerkracht en het zelfvertrouwen goed kunnen gebruiken.
Vaak zijn er veel regels op het speelplein voor de kinderen en komen er steeds meer bij. Soms weet niemand meer waarom bepaalde regels zijn ingesteld. Een goede manier is om leerkrachten te laten bespreken: ‘welke regels kunnen we afschaffen?’ Of ik stel voor om met de regels te beginnen op nul. Het aardige is dat leerkrachten hiervoor open staan en in de praktijk zien dat kinderen er baat bij hebben.
Het faciliteren van risicovol spelen werkt goed met zogenaamde loose parts, materiaal dat geen speelgoed is, zoals stammetjes, autobanden, kratjes, planken et cetera. Bij kinderen in het speciaal onderwijs is al snel de reactie: ‘Ja, maar daar gaan ze elkaar wat mee aandoen.’ Een vooronderstelling die je als begeleider invult, zonder dat je het zeker weet. De kunst is om dit soort oordelen uit te stellen. Eerst in de praktijk observeren, luisteren en reflecteren op de speelsituatie. Je kan altijd nog ingrijpen.
De mogelijkheden om risicovol spelen te stimuleren, bouw je stap voor stap op. Je gaat niet als eerste een vuurtje met de kinderen maken. Begin klein, in een hoekje, geef de kinderen meer tijd en ruimte om uitdagingen aan te gaan, doe een stapje terug en reageer niet meteen. Je zal verbaasd zijn wat het brengt aan speelplezier.”
“Ik wil de meerwaarde van risicovol spelen meer onder de aandacht brengen van andere sectoren en doelgroepen, zoals de jeugdzorg, het speciaal onderwijs en preventief jeugdbeleid. Er zijn ook plannen voor een speelproject met het voortgezet onderwijs in Utrecht.
Verder vind ik het van belang dat op landelijk niveau professionals en organisaties dit thema gaan uitdragen. Hoe kunnen we met andere geïnteresseerden een stapje verder komen? Bij het symposium voor mijn promotie hebben we het Collectief Risicovol Spelen1 gelanceerd. Omdat ik merk dat veel mensen die zich bezighouden met kinderen en spelen zich zorgen maken.
Ik wil dat er meer gebeurt, dus daar is verandering voor nodig die we met een gezamenlijk collectief, een ‘beweging’ kunnen veroorzaken. Hoe komen we tot doorbraken op het gebied van risicovol spelen? Voor dit doel werk ik ook samen met VeiligheidNL, de landelijke kennisorganisatie ter preventie van kinderongelukken, die weet dat risicovol spelen bijdraagt aan minder kinderen op de eerste hulp. Op 23 mei organiseren we een congres2 waar we ook een whitepaper risicovol spelen presenteren. Er komen sprekers uit Engeland, daar zijn ze veel meer bezig met risky play. Er zijn daar speeltuinen, adventure- of junk playgrounds, met playworkers die zijn getraind op bewuste afwegingen en onderlinge reflectie.
Zij bevragen elkaar in de dagelijkse praktijk constant over aanvaardbare risico’s en veiligheid. Dat ontbreekt vaak in de Nederlandse context.”
![]()
tekst: Rianne Manenschijn
In zijn proefschrift onderzocht Martin van Rooijen de soms tegenstrijdige belangen van verschillende stakeholders bij het faciliteren van risicovol spelen in de buitenschoolse opvang (bso). Het gaat hierbij om professionals, spelende kinderen, ouders en de organisatie. Hij ontwierp een model waarin zij elk een rol spelen als potentiële actor van verandering. Het model kan gebruikt worden om factoren te identificeren die van invloed zijn op Nederlandse professionals die toezicht houden op het risicovol spelen van kinderen.
Martin van Rooijen deed kwalitatief veldonderzoek in zeven Nederlandse bso’s, om de factoren van het model in de praktijk te verifiëren. Hij verzorgde een professionaliseringsprogramma voor de pedagogisch professionals, waarin de meerwaarde van risicovol spelen, de rol als begeleider en het belang van de speelomgeving aan de orde kwamen. Hierna werden zogenaamde loose parts geïntroduceerd waar de kinderen
mee konden buitenspelen. Voorbeelden hiervan zijn kratjes, laddertjes, rollators, kabelrollen en rolplanken, die het risicovol spelen stimuleren.
Uit het veldonderzoek blijkt dat de professionals twee morele fricties ervaren. De eerste is het zoeken van een balans tussen de autonomie van kinderen om risicovol te mogen spelen en de verantwoordelijkheid voor hun veiligheid. De andere is de frictie tussen de eenheid van gezamenlijke afspraken en de diversiteit tussen collega’s, die elk hun eigen afweging willen maken.
Uit de gesprekken met en observaties van kinderen komt naar voren dat zij oké zijn zowel met fysieke risico’s van het spelen, de kans op een bult, als met de sociale en emotionele risico’s: elkaar uitdagen en groepsdruk horen erbij. Verder willen de kinderen meer vertrouwen en meer afstand van hun begeleiders. Zij willen graag zelf hun grenzen bepalen tijdens het risicovol spelen en komen zelf om hulp of advies vragen als zij dat nodig hebben.
Dit onderzoek geeft inzicht en meer begrip voor de manier waarop kinderen kansen tot risicovol spelen ervaren en leidt tot nieuwe en verbeterde benaderingen voor beleid en praktijk. De gerapporteerde resultaten suggereren dat de buitenomgeving meer aandacht nodig heeft, dat kinderen serieus genomen moeten worden in hun risicovol spelen en dat hun begeleiders ondersteuning nodig hebben in hun autonomie om verrijkte risico-inschattingen te maken.
‘Nou, gisteravond was een eyeopener hoor’, zegt mijn collega Els op dinsdagochtend bij de koffie. ‘We doen het helemaal fout hier op school.’ Ze praat me bij over het scholingsaanbod voor nieuwkomersonderwijs. Ik baal een beetje want ik had deze bijeenkomst – verzorgd door een orthopedagoog, gepromoveerd op de woordenschatontwikkeling van kleuters – ook graag willen bijwonen.
Lees meer
Sinds een jaar ben ik weer ‘meester Bart’. Elke woensdag ontvang ik in mijn lokaal zeventien groep-1-leerlingen uit de vier verschillende kleutergroepen van de school. Allemaal met Nederlands als tweede taal, of meertalig, over die benaming is geen consensus weet ik ondertussen. Ik ben geen expert op dit gebied, maar met m’n ervaring in het speciaal onderwijs en orthopedagogische blik mocht ik het toch gaan proberen.
“Van ons mogen ze hun eigen taal niet spreken, maar dat moet juist wel!”, zegt Els. Er waren filmpjes vertoond waarin heel duidelijk werd dat de kinderen hier veel baat bij hadden. En er was internationaal onderzoek dat dit idee ondersteunde. Ik schrik een beetje.
Natuurlijk had ik me voor ik begon ingelezen, een bijscholing gevolgd en bovendien voor de Pedagoog Sabrina Alhanachi geïnterviewd over cultureel responsief lesgeven. Intussen was ik ook met de taalcoördinator naar een bijeenkomst geweest waar het gebruik van ‘taaldenkgesprekken’ werd gepromoot. Kinderen mogen dan het Nederlands aanvullen met gebaren, plaatjes, Engels of hun eigen taal.
En natuurlijk wist ik ook wel wat de lijn van de school was, geen gebruik van de eigen taal, maar ik was er omwille van de kinderen al meteen van afgestapt. Ik had de deur van m’n lokaal dichtgedaan en gedacht: ik weet wel wat goed is voor deze kinderen. Maar ik had dat niet gedeeld.
Het idee dat het gebruik van de eigen taal goed is, werd onlangs in mijn eigen klas bevestigd door de vaak wat opstandige Pjotr, toen hij bij het horen van de Poolse tekst van een prentenboek verrast “Dat ben ik!” door de klas riep. Dat het soms lastig is werd me verteld door de introverte Nikolay, die me de naam van zijn vriend niet kon vertellen omdat dat Bulgaars was en hij alleen thuis Bulgaars kon praten. En het werd ronduit uitgedaagd door Fedor en Aleksander die elkaar hadden bijgespijkerd met scheldwoorden in hun eigen taal, wat hun ouders minder konden waarderen.
Moeten we de lijn van de school volgen, of is het tijd voor een nieuwe lijn? Ik vraag me af hoe Els hier instaat. Net als ik gooit ze voor de kleine Zoë uit haar klas al haar kennis van het Frans in de strijd en heeft ze een collega die vloeiend Frans spreekt ingeschakeld om het meisje te ondersteunen. Maar ons Afghaans, Arabisch, Bulgaars, Pools, Roemeens en Turks is minder goed. Misschien is het dan ook wel makkelijk om te zeggen ‘dat spreken we hier niet’.
Ik denk dat het een goede volgende stap is om onze opgedane kennis en inzichten breder te delen en samen te kijken naar wat we kunnen doen om de kinderen de ruimte te bieden om zowel het Nederlands als hun eigen taal te horen en gebruiken.
tekst: Bart van Gent
tekening: Krijntje Oskam
Bart heeft ruim tien jaar gewerkt als leraar, ib-er en orthopedagoog in het speciaal onderwijs en vijf jaar als docent pedagogische wetenschappen. Hij werkt nu met meertalige kleuters op een reguliere basisschool in Den Haag en schrijft in deze column over wat hij daar meemaakt.
De gebruikte namen zijn gefingeerd.
Mirella van Minderhout begon haar carrière als leerkracht en is inmiddels een veelgevraagd orthopedagoog-generalist en onderwijskundige. Om het onderwijs inclusiever te maken, is het van belang dat de pedagogische, relationele en didactische basis wordt versterkt. Dat gebeurt vooral in de klas, dus is dat ook de plek waar orthopedagogen moeten zijn, vindt zij.
Lees meer
Mirella van Minderhout
Voordat Mirella van Minderhout haar eigen Bureau MIND begon, heeft ze veel diagnostiek en behandeling gedaan. “Ik hoopte de taal en kennis van de jeugdzorg naar het onderwijs te kunnen brengen, maar ik merkte ook dat ik als behandelaar of therapeut tegen het probleem aanliep dat ik de context1 onvoldoende in beweging kon krijgen.
Want ja, je kunt van alles doen om dat ene kind of die puber te helpen, maar je hebt dat systeem2 op school ook nodig. Zo ben ik steeds meer richting handelingsgericht werken en handelingsgerichte diagnostiek gegaan, waarbij de volgende vraag steeds meer centraal kwam te staan: hoe kunnen we de docent versterken in het belangrijke werk dat hij of zij te doen heeft?”
Inmiddels runt Mirella al zestien jaar Bureau MIND en haar visie is niet veranderd. Nog steeds ziet ze de leerkracht als een bepalende factor, die binnen het onderwijs het meeste effect heeft op de ontwikkeling van kinderen en tweemaal zoveel effect voor de kwetsbare kinderen. Daarom verdient de leerkracht de best mogelijke ondersteuning van onder andere de school, samenwerkingsverband én orthopedagogen.
“We zijn in het onderwijs lang gewend geweest om een kind met een ondersteuningsbehoefte uit de groep te plukken en individueel te gaan helpen. ‘Graag gerepareerd retour’, was de ongeschreven wens. Gelukkig komen we daar steeds meer van terug en is er vaker een brede blik. Tegelijkertijd zie ik nog te vaak dat orthopedagogen alleen met individuele kinderen bezig zijn en het systeem te weinig bij hun werk betrekken, of vinden dat dat niet kan omdat zij weerstand ervaren.”
“Natuurlijk blijven diagnostiek en behandeling belangrijk, maar
het mag niet ingezet worden als instandhoudende factor voor het ontbreken van goed onderwijs. Ook kunnen we als orthopedagogen veel meer differentiëren in de begeleiding van leraren.
Niet enkel adviseren en onderwijsbehoeften formuleren vanuit het individu, maar juist begeleiden in de realiteit van de hele klas, onder het motto: ‘Wat noodzakelijk is voor een, is nuttig voor velen’. Of juist expliciet uit de adviezen blijven en in plaats daarvan relatiegerichte reflectie inzetten als de professionele opvoedrelatie onder druk ligt.”
Het is een visie die past in de beweging naar het inclusiever maken van het onderwijs. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft in 2023 de Werkagenda Route naar inclusief onderwijs 2035 gepubliceerd.3 Hierin staat onder andere een aantal acties en maatregelen beschreven die ervoor moeten zorgen dat het onderwijs in 2035 inclusief is.
In deze werkagenda staat onder andere: Alle kinderen en jongeren hebben recht op onderwijs, als essentiële stap naar volwaardige en gelijkwaardige deelname aan de samenleving. We willen dat realiseren door een inclusief onderwijssysteem, waarbij kinderen en jongeren met en zonder een extra onderwijsondersteuning samen naar school gaan.
Hoe kijkt Mirella naar de beweging naar inclusief onderwijs?
“Ik zie het huidige onderwijs vooral als een schip dat eigenlijk te smal is. Aan dat schip hangen allemaal kleine reddingsbootjes met individuele leerlingen, die we op die manier aangehaakt proberen te houden. En dan valt er ook nog een aantal tussen de wal en het schip, dat zijn de thuiszitters. Wat we in mijn optiek moeten doen, is het schip breder maken. Dat doe je door ervoor te zorgen dat leraren meer pedagogische skills krijgen, dat je ondersteunt bij het omgaan met problematisch gedrag en bij het opbouwen van goede relaties en lessen. In allerlei sectoren waar ik rondloop krijgen we intervisie, supervisie en andere vormen van ondersteuning.
Maar wat krijgen leraren? Die moeten het nog te vaak zelf uitzoeken, met uitval als gevolg. Als we dat verbeteren, heeft die leraar meer plezier in zijn vak, hebben we veel minder reddingsbootjes nodig en kunnen veel meer leerlingen zich ontwikkelen in het reguliere onderwijs. Dat is echt niet altijd hogere wiskunde, het gaat om de klassiekers uit de pedagogiek en relatie-ondersteunend gedrag, wat leraren niet veel tijd hoeft te kosten.”
Bijkomend voordeel: als leraren meer plezier hebben in hun werk, verlaten ze minder snel het onderwijs en verminder je het lerarentekort. “Ik zie bijvoorbeeld veel gepassioneerde mensen als zij-instromer het onderwijs in komen, maar we gooien ze voor de leeuwen met een paar dagen cursus en een maatje.”
Zelf begon Mirella ooit haar carrière als leerkracht. Juist daarom doet het haar pijn om te zien dat leraren vastlopen, met alle gevolgen van dien voor (kwetsbare) leerlingen. “Soms bespreek ik een paar tips, bijvoorbeeld over hoe je kan zorgen dat een klas het gewenste gedrag vertoont, en dan zegt een leraar: had ik dat maar eerder geweten!”
Wat kunnen orthopedagogen volgens Mirella doen om de ontwikkeling naar contextgericht werken – en dus meer inclusief onderwijs – te bevorderen?
“Het is goed dat steeds meer orthopedagogen de rol van critical friend pakken. Alleen ligt de nadruk naar mijn mening nog altijd te veel op friend en te weinig op critical. We zijn geneigd zacht op de relatie en zacht op de inhoud te willen zijn, ik vind dat we als beroepsgroep in het belang van het hogere doel best wat meer pit mogen hebben en transparanter op de inhoud mogen zijn. Dat je als gedragswetenschapper je vinger opsteekt en zegt: zullen we gaan doen wat écht werkt?”
“En zelf meer differentiëren in de aanpak als orthopedagoog, met name ten aanzien van het ondersteunen van uitdagende leerkracht- leerlingrelaties, vanuit de gedachte: goed zorgdragen voor leerlingen is goed zorgdragen voor leraren. Als we dat in ons achterhoofd houden, kunnen we als orthopedagogen een belangrijke bijdrage leveren op de weg naar inclusief onderwijs.”
tekst: Raymond Krul
Mirella van Minderhout startte haar loopbaan als leerkracht en werkte zowel in de gehandicaptenzorg als in de jeugdzorg. Zij studeerde af in onderwijskunde en orthopedagogiek en werkte geruime tijd bij de onderwijsbegeleidingsdienst CED-groep. Zij is
NVO orthopedagoog-generalist, cognitief gedragstherapeut en supervisor. Het door haar in 2008 opgerichte Bureau MIND adviseert, begeleidt en traint uitvoerders en begeleiders binnen het onderwijs.
Mirella is ook op landelijk niveau betrokken bij diverse projecten om vorm te geven aan inclusief onderwijs op scholen en in samenwerkingsverbanden. Zij geeft les binnen post-masters als de NVO-OG en Schoolpsychologen-opleiding en verzorgt de supervisorenopleiding. Samen met de Universiteit van Amsterdam heeft Mirella de interventie LLInC ontwikkeld (Leerkracht Leerling Interactie Coaching), die helpt om via relatiegerichte reflectie negatieve spiralen in de relaties tussen leraren en leerlingen te doorbreken.
Meer informatie: bureaumind.nl
Vader Jerry (61) en dochter Tyara (17) zijn samen onder behandeling bij de specialistische zorgorganisatie Molendrift. De verklarende analyse helpt Tyara om zichzelf en haar omgeving te begrijpen en vormt ook de leidraad om tijdens de behandeling op koers te blijven. Een gesprek met vader, dochter en hun behandelaars, orthopedagoog-generalist Kim Bartelink en psycholoog Cynthia Sandmann.
Lees meer
Kim Bartelink
Op het moment dat Tyara, ruim drie jaar geleden, voor het eerst bij Molendrift kwam en kennismaakte met Kim Bartelink en Cynthia Sandmann, viel de twee hulpverleners direct iets op, zegt Kim. “Je vertelde heel duidelijk dat je eerst een kennismakingsgesprek wilde en dat je op basis daarvan zou besluiten of je je wilde aanmelden. Dat vonden we meteen heel krachtig aan jou. En we zitten hier nog steeds, dus blijkbaar waren we goed genoeg…”
Tyara lacht. Ze vertelt waarom ze er destijds zo in stond. “Ik heb in de jaren voordat ik bij Molendrift kwam bij andere instanties gezeten en die ervaringen waren niet echt fijn. Meerdere keren heb ik meegemaakt dat de persoon wegging met wie ik net een band had opgebouwd. En als er dan nieuwe mensen kwamen, begrepen ze me vaak niet. Ik vind het moeilijk om met steeds wisselende mensen te maken te hebben.”
Haar vader Jerry knikt. Dat hij en Tyara (die vanwege privacy redenen alleen bij hun voornaam genoemd willen worden) dit interview geven mag je gerust als een kleine mijlpaal in het behandeltraject zien, zegt Kim. “Nog altijd gaat het met vallen en opstaan, maar ze hebben samen enorme stappen gezet. Ze begrijpen elkaar beter en luisteren beter naar elkaar. Dus dan is een gesprek als dit ook mogelijk.”
Hoewel ze de volwassen leeftijd nog niet eens heeft bereikt, heeft Tyara de afgelopen jaren al heel wat voor haar kiezen gekregen. Als gevolg daarvan liepen haar leven en schoolcarrière volledig vast. Nadat haar ouders gescheiden waren, kwam de zorg voor haar moeder – die aan ernstige epilepsie leed – voor een groot deel op haar jonge schouders terecht. Tyara woonde afwisselend bij haar moeder en vader, had met beiden een problematische relatie en werd op haar dertiende uit huis geplaatst. Vorig jaar gebeurde waar Tyara altijd al zo bang voor was geweest: haar moeder overleed. De laatste tijd woonde ze weer bij vader Jerry. Maar de twee maakten veel ruzie en de relatie belandde in een negatieve spiraal, waarbij het de vraag was of de twee überhaupt onder één dak zouden kunnen blijven wonen.
Kim Bartelink is orthopedagoog-generalist en psychotraumatherapeut. Ze werkt al ruim zeventien jaar bij Molendrift en maakt deel uit van het managementteam. Ze houdt zich op landelijk niveau ook bezig met het verklaren en analyseren van de toeslagenaffaire.
Bij Molendrift proberen Tyara en Jerry die spiraal te doorbreken. “Iedereen heeft hier de ruimte om zijn eigen verhaal te vertellen”, zegt Jerry. “Die pijn en trauma’s hebben te maken met je verleden, met hoe je bent opgevoed. Ik ben zelf heel rechtlijnig en ik hou van duidelijke afspraken en eerlijkheid. Dat botst met het karakter van Tyara.”
Cynthia: “Klopt, jij hecht erg aan eerlijkheid, terwijl Tyara juist flexibel van geest is. Jij verandert soms spontaan je plannen zonder dat aan je vader te vertellen. En dan ontstaan er zorgen en spanningen en gaat het mis.”
Cynthia voert veel en-op-een-gesprekken met Tyara, want die heeft het nodig om in de behandeling de validatie en erkenning te vinden om verder te komen in haar ontwikkeling. Daarnaast hebben Cynthia en Kim eens in de vier weken een systeemgesprek met Tyara en haar vader Jerry.
Kim: “Dan bespreken we de interactie tussen Jerry en Tyara, we proberen in kaart te brengen wat beiden nodig hebben van de ander om de situatie te verbeteren. We laten ze zien hoe ze elkaar negatief beïnvloeden, maar ook hoe ze elkaar op een positieve manier kunnen stimuleren. Jerry kan bijvoorbeeld iets leren van de relaxtheid van Tyara en Tyara iets van de rechtlijnigheid van Jerry.”
“Hiervoor gebruiken we de verklarende analyse, een schema dat we samen invullen. In het viergesprek pakken we het er vaak bij. Het helpt ons te bepalen of we nog op de goede weg zijn en waar nodig passen we het aan. Het is voor Jerry en Tyara prettig om in één oogopslag zicht te hebben op de werkende factoren.”
En als het dan even tegenzit, dan kan de verklarende analyse ook dienen als terugvalplan. Vorige week nog ging het mis tijdens het viergesprek. Tyara en Jerry kregen ruzie en gingen beiden apart weg bij Molendrift. Maar omdat ze tijdens het behandeltraject al veel geleerd hadden, maakten ze het snel weer goed.
Goede verklarende analyses zijn onmisbaar bij meervoudige en/of complexe casuïstiek. Ze laten zien hoe het bij een jeugdige, gezin of alleenstaande werkt, via een weergave van persoonskenmerken en omgevingskenmerken en de interacties daartussen.
Een verklarende analyse verheldert de verschillende mechanismen die op elkaar ingrijpen en toont de aanknopingspunten om tot verbetering te komen. Zo leidt de verklarende analyse tot een keuze van interventies die aansluiten bij de aanwezige positieve interactie-mechanismen en beweegt weg van de interactie-mechanismen die de problematiek in stand houden. En dan ligt er zomaar een plan waarin alle betrokkenen zich herkennen en dat nieuwe kansen biedt. Molendrift heeft een eigen systematiek ontwikkeld voor de verklarende analyse: Samen1Analyse. De methodiek wordt ook toegepast door de regionale Expertteams Jeugd in Groningen, Brabant en Zeeland, Jeugdbescherming Amsterdam, Trias Jeugdhulp, het Ondersteuningsteam voor de toeslagenouders en bij de afbouw van ZIKOS.
Kim Bartelink is een van de sprekers van het NVO congres op vrijdag 26 september en vertelt daar aan de hand van haar praktijkervaringen bij Molendrift hoe zij en haar collega’s de verklarende analyse toepassen.
Cynthia Sandmann is psycholoog en volgt een opleiding tot gezondheids- psycholoog. Ze werkt zeven jaar bij Molendrift. Haar werkzaamheden omvatten diagnostiek en behandeling bij zowel psychiatrische problematiek als leerproblematiek bij kinderen, jeugdigen en (jong)volwassenen.
“Ik ben als persoon veel opener geworden dan toen ik hier drie jaar geleden binnenkwam”, zegt Tyara. “Ik had een zachte stem en zei niet veel. Die openheid heb ik echt hier geleerd.” Cynthia: “Dat is niet alleen heel fijn voor Tyara maar ook voor de behandeling, want door haar open houding kunnen we samen goede gesprekken hebben. Tyara kan inmiddels heel goed op zichzelf reflecteren.”
Tyara: “Ja, dat is waar. En ik vertrouw Cynthia ook helemaal.” Jerry heeft op zijn beurt geleerd om rustiger te reageren. Bijvoorbeeld als hij boos is op zijn dochter omdat ze haar kunstwimpers overal laat slingeren, of als hij bezorgd is omdat hij vindt dat Tyara te veel blowt. “Dan neem ik een time-out en voer het gesprek pas als ik weer rustig ben. Dat gaat veel beter en we weten ook beter van elkaar waar onze gevoelens vandaan komen.”
Cynthia Sandmann
Kim is de regiebehandelaar, terwijl Cynthia vanuit haar psychologische achtergrond de gesprekken met Tyara voert. Hoe is de wisselwerking tussen hen?
Kim: “De filosofie van Molendrift is dat we heel goed kijken naar de ontwikkeling van het kind in het systeem en daarbij hanteren we de ecologische benadering. Dus we kijken bijvoorbeeld ook hoe Tyara is op school en bij haar vrienden. Alles is erop gericht om Tyara in haar systeem te ondersteunen. Dat betekent voor de rolverdeling tussen Cynthia en mij ook dat ik niet per se de orthopedagogische blik heb en zij de psychologische.”
Cynthia vult aan: “We werken juist heel nauw samen en kunnen ook makkelijk taken van elkaar overnemen. Als ik er bijvoorbeeld een keer niet ben, dan neemt Kim mijn gesprek met Tyara over. De kern is dat niet alleen Tyara zelf, maar ook de mensen om haar heen tools krijgen aangereikt, waardoor ze beter met haar om kunnen gaan. Ik ben een keer meegegaan naar school, om te kijken hoe het daar gaat en mensen te spreken die met haar werken.”
Onlangs heeft Tyara haar vmbo-diploma gehaald en daar is ze trots op. Nu gaat ze tijdelijk naar New Fit, een voorziening om te bepalen hoe ze haar schoolcarrière verder kan vervolgen. Tyara weet redelijk goed wat ze wil en dat heeft alles te maken met de eerder genoemde rondslingerende kunstwimpers thuis.
“Ik hou er gewoon heel erg van om bezig te zijn met mijn uiterlijk, mooie kleding te dragen, met lipglossjes bezig te zijn… Dus ja, het liefst zou ik later een eigen skincare-lijn ontwikkelen.”
Ook Cynthia praat met Tyara over de toekomst en probeert praktisch te helpen. Het zijn kleine, voorzichtige stappen want de situatie is nog broos. Tyara: “Ik bekijk het van dag tot dag. Mijn belangrijkste droom voor de toekomst is dat ik gewoon gelukkig kan zijn.”
tekst: Raymond Krul
In november 2024 zag ik de film ‘Mama, Mag Ik Naar Huis Toe? in het Klasse Theater in Tilburg. Een bijeenkomst georganiseerd door het Expertisecentrum Huiselijk Geweld en Kindermishandeling in de regio Hart van Brabant. De zaal zat vol hulpverleners, pleegouders en enkele ervaringsdeskundigen: moeders van wie het kind uit huis was geplaatst of dreigde te worden, en jongvolwassenen die als kind zelf uit huis zijn geplaatst.
Lees meer
Still uit de film.
De wethouder van een buurgemeente sprak in zijn voorwoord over verhalen van verlies, veerkracht en ook hoop, en riep de gasten op niet alleen te horen, maar echt te luisteren.
De film volgt zes moeders van wie een of meerdere kinderen uit huis zijn geplaatst bij een pleeggezin. Wat is de impact op henzelf, op hun leven? Hoe ervaren ze de samenwerking met de pleegouders van hun kind?
De verhalen van de moeders komen binnen. Hun verhalen zijn niet identiek, de emoties daaronder wel. Gevoelens van spijt en schuld overheersen. Ze hebben in hun eigen ogen, en misschien ook in die van de maatschappij, gefaald. Een moeder vertelt dat ze zich van binnen dood voelt. Er zit altijd angst. In de film zie je de emoties van deze moeders verschuiven van boosheid en verdriet, naar steeds meer acceptatie, maar met nog steeds het verdriet. Accepteren dat je kind bij een ander woont, dat je zelf niet in staat bent om je kind op te voeden, is moeilijk en heeft tijd nodig.
Pleegouders die echt luisteren naar deze moeders en laten merken dat ze ertoe doen, zijn noodzakelijk voor de acceptatie. Zien en gehoord worden, en een structurele rol als ouder blijven houden voor je kind. Als dat lukt, zie je de moeders ook weer genieten, ondanks de pijn door het verlies. Een moeder vertelt hoe dubbel het was toen haar zoontje tijdens een bezoekmoment bij haar thuis aan haar vroeg ‘mama mag ik naar huis?’, en daarmee de pleegouders bedoelde. De pijn die ze toen voelde, en tegelijkertijd het besef en de dankbaarheid dat hij zich veilig en thuis voelde bij zijn pleegouders.
In het nagesprek met de filmmakers – Jesse van Venrooij en Eline van der Kaa – en de moeder uit de filmtitel, zegt zij: “Ik ga hem (haar kind, red.) niet wegtrekken van de plek waar hij zich veilig voelt en ‘mama’ zegt.” Ze vertelt haar ingrijpende levensverhaal en geeft de zaal nog waardevolle adviezen mee: ‘Heb geduld met de ouders die je hulp geeft, laat deze ouders niet alleen, geef ruimte aan gevoelens van frustratie en verdriet.’
De film wil moeders van wie het kind uit huis is geplaatst een stem, een gezicht en een positie als ouder en als medemens geven. Wat mij betreft is dat ruimschoots gelukt.
tekst: Marleen Baeten
beeld: FilmMoment
Organisaties kunnen de film, met nabespreking, inkopen.
Meer informatie: www.filmmoment.nl/mamamagiknaarhuistoe
Het gebruik van tekeningen bij pedagogische behandeling en begeleiding, is een krachtige manier om abstracte concepten te concretiseren en jongeren actief te betrekken bij hun eigen proces. Dat weet ik uit ervaring. Of het nu gaat om het verduidelijken van complexe theorieën zoals de executieve functies, het visualiseren van testresultaten, het ondersteunen van behandeltechnieken of het stimuleren van emotionele expressie: tekenen opent deuren die woorden soms gesloten houden.
Lees meer
afbeelding 1 Het G-schema uit de cognitieve gedragstherapie
Op dit moment werk ik als NVO-orthopedagoog bij Asendo, een jeugdhulpverleningsorganisatie in de regio Tilburg-Breda. Hier voer ik behandelingen en diagnostiek uit. Voorheen heb ik gewerkt bij Auris Florant in Tilburg, een school voor kinderen met een taalontwikkelingsstoornis of een vermoeden van een taalontwikkelingsstoornis alsook slechthorendheid. Bij deze doelgroep waren enkel woorden vaak niet genoeg om een boodschap over te brengen. Tekenen bood dan de oplossing.
Dat tekenen zat er na twee jaar werken in het cluster 2-onderwijs zo ingebakken bij mij, dat ik in behandelingen en adviesgesprekken het tekenblok er ook vaak bij pakte, om zo moeilijke of abstracte begrippen binnen de psychologie en orthopedagogiek uit te leggen. Bij mijn huidige werk werd ik, na het zien van een aantal tekeningen die ik gebruik in de begeleiding en behandeling, gevraagd om ook voor de socials eens wat leuke tekeningen te maken om zaken te belichten. Na de positieve reacties online, wist ik dat ik hier meer mee moest gaan doen dan enkel zelf tekenen.
Bij het introduceren van theorieën of psychologische begrippen – zoals de executieve functies, hechtingstheorie of cognitieve gedragstherapie – kan het gebruik van tekeningen helpen om abstracte concepten te concretiseren. Zo kun je binnen psycho- educatie of behandeling tekeningen gebruiken om behandeltechnieken te ondersteunen of uitleg te geven over bepaalde stoornissen. Zie bijvoorbeeld het G-schema (afbeelding 1). Dit welbekende G-schema uit de cognitieve gedragstherapie kan iedereen makkelijk tekenen. Het inzetten van tekeningen maakt deze informatie tastbaarder en aantrekkelijker.
Daarnaast kun je denken aan het visualiseren van processen zoals emotieregulatie of de werking van het brein. Een stripverhaal bijvoorbeeld, dat de verschillende fasen van een woedeaanval visualiseert, helpt jongeren met ADHD om beter te begrijpen hoe hun emoties opbouwen en biedt hen de mogelijkheid om signalen vroegtijdig te herkennen (afbeelding 2).
Een jongen van tien jaar uit groep 6 is bij ons aangemeld vanwege concentratieproblemen en moeilijkheden met plannen en organiseren. Zijn ouders en leerkrachten merken dat hij vaak taken niet afmaakt en moeite heeft met het aanbrengen van structuur in zijn werk.
Al tekenend leg ik de uitslagen van de verschillende testmaterialen uit, zoals het intelligentieonderzoek en het neuropsychologisch onderzoek. Allereerst teken ik een berg, met aan beide zijden een fiets. De berg representeert de normaal verdeling. Zoals je ziet, moet de fietser aan de ene kant van de berg harder zijn best doen om boven te komen, terwijl hij aan de andere kant meer vanzelf naar beneden gaat. Op de berg plaats ik vervolgens met symbolen de behaalde scores.
Vervolgens teken ik eenvoudige ‘superheldenkaarten’, waarop zijn sterke en minder sterke punten staan. Sterke punten zijn afgebeeld als ‘krachten’ van een superheld, zoals goed kunnen samenwerken en een sterke verbeeldingskracht. Zwakke punten als ‘uitdagingen’, zoals het Afleidmonster (dat ervoor zorgt dat hij makkelijk afgeleid wordt) en de Chaosverspreider (die plannen en organiseren moeilijk maakt).
Rondom de superheld teken ik hulpmiddelen, zoals een ‘taken-lasergun’ (een planner) en een ‘focushelm’ (manieren om afleiding te verminderen). Hij mag zelf een naam verzinnen voor zijn eigen superheld en die tekenen. Hij kiest voor MegaFocus. Samen bespreken we hoe MegaFocus zijn krachten kan gebruiken en welke hulpmiddelen hij kan inzetten tegen de uitdagingen. Hij krijgt de tekening mee naar huis als geheugensteuntje.
Psychologische tests leveren vaak cijfers en scores op die voor jongeren moeilijk te interpreteren zijn. Tekenen kan een hulpmiddel zijn om testresultaten beter te visualiseren en te begrijpen. Denk hierbij aan het weergeven van de verschillende deelresultaten van een IQ-test of neuropsychologische functieonderzoeken. Door
de resultaten in een visueel formaat te presenteren – zoals een taartdiagram of een eenvoudige grafiek – krijgen jongeren inzicht in waar hun sterke en zwakkere punten liggen. Dit bevordert hun begrip van de resultaten en vergroot de kans dat zij zich gemotiveerd voelen om aan persoonlijke doelen te werken. Daarnaast zorgt het beter begrijpen van de resultaten uit diagnostisch onderzoek natuurlijk voor een beter begrip van hun eigen sterke en zwakke kanten, van waaruit ze beter hun eigen behoeften kunnen inschatten en communiceren met hun omgeving.
afbeelding 2: Werking van het brein bij ADHD.
Het gebruik van tekeningen binnen pedagogische en psychologische behandelingen biedt diverse voordelen, zowel voor de jongere als voor de professional:
1. Bevordering van begrip
Jongeren, en met name degenen met leerproblemen of een verminderde verbale vaardigheid, profiteren van visuele uitleg omdat het de cognitieve belasting vermindert. Tekenen maakt abstracte informatie tastbaar en makkelijk te interpreteren, waardoor jongeren zich minder snel overweldigd voelen door complexe informatie.
2. Actieve betrokkenheid
Door jongeren zelf te laten tekenen, betrek je hen actief bij het therapeutische proces. Ze worden uitgenodigd om zelf invulling te geven aan hoe zij bepaalde emoties, gedachten of situaties ervaren. Dit vergroot hun eigenaarschap en betrokkenheid bij de behandeling.
3. Emotionele expressie
Voor jongeren die moeite hebben met het uiten van hun emoties in woorden, biedt tekenen een non-verbale manier om hun gevoelens te verkennen en te uiten. Dit is met name waardevol bij trauma’s, rouwverwerking of andere situaties waarin verbale expressie belemmerd kan zijn.
4. Creativiteit en spel als brug naar het onbewuste
Tekenen is een speelse en creatieve activiteit, en juist dit spelelement kan bijdragen aan het doorbreken van afweermechanismen bij jongeren. De open aard van tekenen stelt hen in staat om vrij te associëren, wat de therapeutische relatie kan verdiepen en nieuwe inzichten kan opleveren.
5. Toegankelijk voor verschillende leeftijden en ontwikkelingsniveaus
Een van de grootste voordelen van tekenen is dat het geschikt is voor jongeren van verschillende leeftijden en ontwikkelingsniveaus. Terwijl jongere kinderen zich vaak aangetrokken voelen tot eenvoudige vormen en kleuren, kunnen oudere kinderen en adolescenten complexere concepten visueel verkennen. Het medium is flexibel en aanpasbaar aan de individuele behoeften van de jongeren.
tekst & tekeningen: Bas Schuurmans
leestips
Een vijftienjarige meid is aangemeld vanwege haar intense boosheid en frequente woedeaanvallen. Ze heeft moeite om haar emoties onder controle te houden, wat leidt tot conflicten thuis en op school. Tijdens de begeleiding proberen we samen inzicht te krijgen in haar gevoelens en de gebeurtenissen die aan haar woede ten grondslag liggen.
ia een tekening geeft ze vorm aan haar emotionele landschap. We beginnen met een donkere grot, symbool voor de nare gebeurtenissen uit haar verleden die veel boosheid oproepen. De boosheid wordt weergegeven als een vulkaan die op uitbarsten staat, en de lavastromen vertegenwoordigen de conflicten met haar ouders. Door de woede heen ligt een meer van verdriet, waarin haar onderliggende gevoelens zichtbaar worden.
Naarmate de begeleiding vordert, tekenen we samen steunfiguren zoals familie en vrienden, weergegeven als een brug die haar helpt om van de woede naar herstel te komen. Langzaam ontstaat er
een vlakte van rust, waar ze meer grip krijgt op haar emoties. De tekening helpt haar om haar eigen proces beter te begrijpen en geeft haar de woorden om erover te praten. Dit visuele hulpmiddel maakt een abstract en complex proces concreet, wat bijdraagt aan haar vooruitgang in de therapie.
Ooit heb ik iemand horen zeggen: ‘Opvoeden is het vinden
van het evenwicht tussen vrijheid en verantwoordelijkheid.’ Waarbij opvoeders steeds meer vrijheid geven, waar verantwoordelijkheid genomen wordt. Voor opvoeders is het vinden van evenwicht niet gemakkelijk. Teveel vrijheid waar verantwoordelijkheid (nog) niet genomen kan worden, heet verwaarlozing. Maar teveel bescherming en controle, houdt een kind klein en afhankelijk. De opvoeder als evenwichtskunstenaar. Een onzeker bestaan.
Lees meer
Stomverbaasd was ik, toen een aantal jaar geleden een mij onbekende dame met mijn dochter aan de hand de keuken in kwam stappen. “Ik ben me rot geschrokken,” zei ze. “Uw dochter zat zonder toezicht op de stoep te krijten. Ze kon zo de straat op lopen! Ik heb mijn auto geparkeerd en direct ingegrepen.”
“Bedankt,” zei ik. “Maar dat was niet nodig hoor. Ze speelt wel vaker op de stoep en ze loopt echt de straat niet op.” De dame zei niks. Maar ze vroeg zich duidelijk af waarom het zo’n idioot überhaupt was toegestaan om kinderen te krijgen. Het hele voorval maakte me toch wat onzeker. Geven we onze dochter teveel vrijheid? Is het risico inderdaad niet te groot dat ze de weg op loopt en aangereden wordt?
Toen onze dochter naar school ging, viel al snel op dat ze meer dan aardig mee kon komen. En ook dat ze in de klas soms ‘wat erg bewegelijk’ was. “Wat zit er in het rugzakje van jullie Mies?,” vroeg de moeder van een klasgenootje eens op het schoolplein. Ze bleek zich op professioneel gebied met opvoeden bezig te houden. Ik vond het een bijzondere vraag. En schonk er verder geen aandacht aan. Maar niet veel later vroeg de intern begeleider of het oké was als we onze dochter lieten testen op hoogbegaafdheid en wat aanverwante artikelen. “Want dan kan ze in de plusklas en dat is net iets voor haar.” Op mijn vraag wat de meerwaarde van al die testen kon zijn als de ib’er toch al wist dat de plusklas de oplossing was, kwam geen fatsoenlijk antwoord. Maar het maakte ons wel onzeker.
Natuurlijk zijn bovenstaande anekdotes niet zomaar gekozen. Ze schetsen voor mij hoe moeilijk het is om te gaan met vrijheid en verantwoordelijkheid. En hoe onzeker we elkaar met alle goede bedoelingen maken.
Net als bij iedere diersoort wordt een mensenkind geboren in de hoop uit te groeien tot een zelfstandige volwassene. Ook al weten we dat dat risico’s met zich meebrengt. Zou het zo kunnen zijn dat we ons met die onvermijdelijke risico’s geen weg weten? En dat opvoeders onbewust steeds meer inzetten op bescherming en controle in plaats van vrijheid en verantwoordelijkheid? En dat, erger nog, mensen die zich professioneel bezig houden met het opvoeden van kinderen die ingezette trend nog verergeren, door vanaf zeer jonge leeftijd aan te dringen op testen en meten van alles dat afwijkt van het gemiddelde.
Hoe mooi zou het zijn als ouders hun kinderen vertrouwen geven. En als professionals ouders geruststellen, uitleggen dat de perfecte opvoeding net zomin bestaat als het gemiddelde kind. Een bemoedigend woord is vaak beter dan een verklaring voor gedrag dat afwijkt van het gemiddelde.
tekst: René Peters, wethouder in de Hoeksche Waard,
onderwijsman en NVO-bestuurslid.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
Zelf ben ik al lang enthousiast over Verbndend Gezag. Dus toen er een boek uitkwam over deze methodiek in het basisonderwijs, stond ik vooraan om het te lezen. En het stelt niet teleur. De basiselementen van Verbindend Gezag zijn goed toegespitst op het basisonderwijs. Het boek biedt zowel een beschrijving van een pedagogische basishouding als tal van concrete handvatten en oefeningen. De auteurs geven de balans tussen grenzen stellen en in verbinding blijven mooi weer. Hun boek laat je beseffen dat je altijd íets kunt doen in lastige situaties, biedt ingangen tot positieve beïnvloeding en vermindert daarmee gevoelens van machteloosheid.
Het boek is zowel toepasbaar bij complexe groepsdynamiek als bij uitdagend gedrag van een individuele leerling. Het vraagt om zelfreflectie en de bereidheid om als leerkracht zelf de sleutel tot verandering te zijn. Daarin ligt de kracht: niet alleen inzicht bieden, maar ook concrete stappen om deze aanpak in de praktijk te brengen. De vele herkenbare voorbeelden helpen hierbij.
De beste recensie komt misschien wel van mijn schoonmoeder. Met ruim vijfendertig jaar ervaring in het basisonderwijs, kon ze het boek tijdens een familieweekend niet wegleggen. Het gaf woorden aan veel zaken die zij als leerkracht intuïtief al deed, maar ook verschillende nieuwe inzichten voor het omgaan met (eigen) emoties, conflicten en klasinrichting. Kortom een boeiend en verhelderend boek voor alle mensen die betrokken zijn bij het onderwijs.
tekst: Rianne Manenschijn
Werkboek Verbindend Gezag in het onderwijs: Van (on)macht naar kracht (2024 van Eefke Faasen, Eliane Wienega en Erik Faasen is een uitgave van Pica.
Een resourcegroep is een groep mensen, door de cliënt uitgekozen, die voor de cliënt belangrijk is en die hem helpt persoonlijke, zelfgekozen hersteldoelen te bereiken. Belangrijkste kenmerk van de resourcegroepen-methodiek is dat eigenaarschap en regie bij de cliënt liggen. In de ggz voor volwassenen wordt al langer gewerkt met resourcegroepen. Dit zorgt voor meer empowerment, verbeterde kwaliteit van leven, minder beperkingen in het dagelijks functioneren en meer persoonlijk herstel.
Nadat in 2021 het Praktijkboek resourcegroepen verscheen, is nu het boek Resourcegroepen voor jongeren uitgekomen. Het boek is zeer uitgebreid en volledig. Je vindt er informatie over het verschil tussen groepen voor volwassenen en jongeren, theoretische achtergronden van de herstelbenadering bij jongeren, achtergrondinformatie over de methodiek en uitkomsten van onderzoek. Verder worden de werkwijze en de verschillende fasen van de methodiek beschreven, en is er een hoofdstuk gewijd aan implementatie, scholing en intervisie.
Ik hoop van harte dat veel professionals aan de slag gaan met deze methodiek. Die sluit naadloos aan bij een van de doelen van de Jeugdwet, namelijk gebruik maken van de eigen kracht van jongeren, ouders en hun sociale netwerk, waardoor zij de regie blijven houden over hun leven.
tekst: Marleen Baeten
Resourcegroepen voor jongeren. Methodiek voor netwerkversterkend werken (2024) van Eva Leeman, Nynke Frieswijk en Gerdie Kienhorst is een uitgave van Boom.
Na ADDaisy, ADDavid en Wonderlijke Wazigheid schreef Tirtsa Ehrlich, gz-psycholoog in de jeugd-ggz, een boek specifiek voor ouders. In Kinderen met AD(H)D, waar help je ze mee? informeert en adviseert zij ouders over AD(H)D – in de volksmond ADD – en de bijbehorende opvoedvraagstukken. Maar eigenlijk geeft het boek waardevolle inzichten aan alle ouders van kinderen die meer dan gemiddeld vergeetachtig, chaotisch en ongeconcentreerd zijn.
Ehrlich heeft een vlot leesbaar, informatief en praktisch boek geschreven dat ook waardevol is voor professionals. Zij wisselt recente wetenschappelijke inzichten af met praktijkvoorbeelden en onmiddellijk inzetbare opvoedinterventies. Zij haalt voor jongeren specifieke thema’s aan, zoals huiswerk, sociale media, alcohol, drugs en rijbewijs.
Ondanks haar psychologische achtergrond gaat Ehrlich vooral uit van de orthopedagogische en systemische aspecten bij opvoeden in het algemeen en bij het opvoeden van kinderen met ADD in het bijzonder. Zij stelt – terecht – dat ouders vooral naar het eigen opvoedgedrag moeten kijken en hun kind niet moeten willen veranderen. Met onder andere het Situatie-Gedrag-Gevolg model uit de gedragstherapie en het gedachtegoed van Haim Omer (nieuwe autoriteit/geweldloos verzet) ondersteunt zij ouders bij het zoeken naar goodness of fit tussen kind en omgeving en het streven naar good enough parenting. Het stappenplan bij fouten, de boosheidsthermometer en de relatie- en herstelgebaren wanneer het even mis gaat in de ouder-kindrelatie, vind ik als moeder van twee jonge kinderen zonder ADD, overigens ook heel bruikbaar.
tekst: Aafke Peeten-de Klein
Ouderpardon is een muziekvoorstelling die in november in première ging en het komende jaar in verschillende theaters te zien zal zijn. Ik zat in Waalwijk in de zaal en liet me verrassen door de zang van twee operazangers, een kinderkoor, een toetsenist, videobeelden, twee grote poppen en het spel van de bedenkster Minou Bosua.
Het laatste deel van deze MINOUX-theatertrilogie wil een stem geven aan de kinderen, waar eerder de moeder en de vader aan de beurt waren. MINOUX pretendeert ‘bewustzijnstheater’ te maken en dat is misschien precies wat mij een beetje tegenstond; het engagement lag er voor mij te dik bovenop. Na een hilarische start ontwikkelde zich een situatie waarin een kind (Minou) haar ouders in een rechtbank aanklaagde, versterkt door een kinderkoor. Volwassenen die op film waren vastgelegd, vertelden flarden van hun eigen, soms aangrijpende verhaal.
Het moge duidelijk zijn dat er kinderrechten geschonden zouden zijn, maar gaandeweg de voorstelling werd mij niet precies duidelijk welke. Een te afwezige (want dode) vader? Een te aanwezige (want claimende) moeder? Halverwege de voorstelling werd de publieke tribune (het publiek) aangemoedigd zich ook over de eigen opvoeders uit te spreken. Ik kreeg het gevoel in een therapiesessie terecht te zijn gekomen. Bij mensen om me heen ontwikkelden zich hele gesprekken, dwars door de voorstelling heen. Storend vond ik, maar wellicht juist de bedoeling van het ‘bewustzijnstheater’.
Overigens hield de zeventienjarige kinderrechtenactivist Lars Westra voorafgaand aan de voorstelling een speech in de foyer. Zijn activisme kon ik wel waarderen. Misschien omdat ik het daar ook verwachtte.
tekst: Andries Kamminga
Ouderpardon is een theatervoorstelling van Minou Bosua. www.minoux.nl
Anouk Goemans (36) ken ik nog van de master orthopedagogiek die we tegelijk deden. Lopend door Leiden, zie ik haar eerste project al op een poster staan: ‘Geef kinderen een stem bij uithuisplaatsing’. Ik loop niet naar het vertrouwde gebouw van sociale wetenschappen, maar naar de rechtenfaculteit. Anouk is namelijk bijzonder hoogleraar jeugdhulp en jeugdbescherming vanuit pedagogisch en juridisch perspectief.
Lees meer
Anouk Goemans
“De wisselwerking tussen onderzoek en praktijk, daar kun je echt impact maken en ik vind het een voorrecht dat ik deze rol mag vervullen”, aldus Anouk Goemans. Na ruim acht jaar als promovendus en universitair docent aan de universiteit, stapte ze over naar een gecertificeerde instelling voor jeugdbescherming1 om als gedragswetenschapper en onderzoeker te gaan werken in de praktijk.
“Ik wilde meer feeling krijgen met het werkveld, zorgen dat nieuwe kennis op de werkvloer terecht komt, maar ook dat de vragen die daar spelen met nieuw onderzoek beantwoord worden.” Sinds november 2024 combineert zij haar werk bij Jeugdbescherming west in Den Haag met de bijzondere leerstoel. “Door in de praktijk te zien waar het goed gaat, maar juist ook waar het wringt, bruis ik nu van de ideeën.”
“De poster die je onderweg zag, gaat over een eerste project – Geef kinderen een stem! – dat in het najaar start, gefinancierd door het Kinderfonds van het Leids Universiteits Fonds”, legt ze uit. 2
“We willen het liefst dat alle kinderen thuis opgroeien. Dat lukt helaas niet altijd. Ondanks het goede en harde werk van professionals geven uithuisgeplaatste kinderen toch vaak aan dat ze zich machteloos, ongezien en ongehoord voelen. Er zijn verschillende vragen die ik met dit onderzoek wil beantwoorden: Hoe kan de stem van het kind beter gehoord worden? Welke rol speelt vertrouwen? Kun je je stem wel laten horen als je geen vertrouwen hebt in volwassenen? Kun je dat vertrouwen herstellen? Zou een steunfiguur hierbij een rol kunnen krijgen? Zo ja, kan het dan iemand uit het netwerk van het kind zijn, of moet het een professional zijn met zowel juridische als pedagogische kennis? Kinderen hebben er recht op dat we kennis verzamelen om ervoor te zorgen dat een uithuisplaatsing zo min mogelijk schadelijk is of zelfs voorkomen kan worden.”
“Het tweede project gaat over perspectiefbepaling, of ‘opvoedvisie’, zoals we het bij Jeugdbescherming west noemen. Naast het besluit om kinderen uit huis te plaatsen, is de perspectiefbepaling een van de moeilijkste besluiten om te nemen. Bij een uithuisplaatsing is de vraag wat het perspectief is voor de lange termijn. Weer naar huis of elders opgroeien? Het uitgangspunt is altijd thuis, maar hoe zorg je ervoor dat de terugplaatsing ook succesvol is? Wat willen we van ouders zien? Wanneer is iets goed genoeg? Het is belangrijk dat ouders weten waar ze aan moeten werken en het moet gedragswetenschappelijk goed onderbouwd zijn. Er zijn methodes en werkwijzen om deze perspectiefbepaling zo goed mogelijk te doen, maar ik denk dat het nog veel beter wetenschappelijk onderbouwd en veel beter samen met de gezinnen kan. Met behulp van ouders, kinderen, professionals en literatuur wil ik kijken wat de gecertificeerde instellingen en jeugdhulpaanbieders nu gebruiken aan werkwijzen en methoden. En wat daarvan wel werkt en wat niet. Uiteindelijk hoop ik, samen met ervaringsdeskundigen en professionals, een praktische tool te ontwikkelen die kan ondersteunen bij de perspectiefbepaling.”
In de praktijk ziet ze dat de gecertificeerde instellingen – voor jeugdbescherming en jeugdreclassering – qua perspectiefbepaling al grote stappen hebben gezet, al zijn er onderlinge verschillen.
“Een probleem is dat perspectiefbepaling op dit moment nog geen wettelijk besluit is. Een uithuisplaatsing wordt bij de kinderrechter getoetst, maar een perspectiefbesluit niet, terwijl het ook zeer ingrijpend is. Dat kan natuurlijk eigenlijk niet, het moet juridisch goed verankerd zijn. Ouders verdienen dat ze een rechtspositie en rechtsbescherming hebben. Je bent afhankelijk van overheidsinstanties die samen bepalen of je kind weer thuis mag wonen. Gelukkig ligt er nu een wetsvoorstel klaar waarin het opvoedperspectief een wettelijke basis en toets krijgt door de kinderrechter.”
Een derde project dat Anouk Goemans voor ogen heeft, is longitudinaal onderzoek naar terugplaatsingen na uithuisplaatsing. “De landelijke ambitie is: zo min mogelijk uithuisplaatsingen. Maar toen ik vier jaar geleden begon binnen de jeugdbescherming, was het aantal uithuisplaatsingen helemaal niet met één druk op de knop uit het systeem te krijgen. Gelukkig is daar veel in veranderd. Het onderzoeksteam bij Jeugdbescherming west heeft dashboards ontwikkeld die inzicht geven in de aantallen en ontwikkelingen. Landelijk publiceert het CBS sinds 2022 cijfers over gedwongen uithuisplaatsingen. Maar er is nog steeds geen goed beeld hoeveel kinderen weer teruggeplaatst worden. Dat moet beter.”
“Meer specifiek wil ik in longitudinaal onderzoek kijken naar de factoren die samenhangen met duurzame en stabiele terugplaatsing. Een recent uitgekomen onderzoek van Leidse collega’s naar terugplaatsing na uithuisplaatsing laat zien dat hulp aan het gezin, aan ouders, cruciale factoren zijn. 3 Maar ook dat ouderlijke problematiek, bijvoorbeeld trauma van ouders, een belangrijke rol kan spelen. Ouders zeggen dat ze begeleiding nodig hebben op het moment dat kinderen uit huis geplaatst worden.
Voor dit onderzoek ga ik ervaringen van ouders en kinderen meenemen en kijken hoe deze kinderen en gezinnen zich ontwikkelen. Wat hebben ze nodig en hoe kunnen we zorgen dat er meer kinderen duurzaam teruggeplaatst worden en veilig en gelukkig opgroeien?”
“Soms voel je je als onderzoeker best bezwaard om een beroep te doen op professionals en gezinnen”, vertelt ze. “Ouders zitten in een zeer heftige periode van hun leven. Ik vind het bewonderenswaardig dat ze wel hun verhaal willen delen, zodat het voor de mensen na hen hopelijk beter zal worden. Bij professionals gaat een gezin in crisis natuurlijk voor, maar ook de organisaties weten dat het onderzoek belangrijk is om te blijven leren en ontwikkelen. En het elke dag een stapje beter te kunnen doen. Ik wil mijn onderzoek graag vormgeven met de mensen waar het om gaat, de gezinnen en de professionals. Met als belangrijkste boodschap: kinderen horen thuis of zo thuis mogelijk op te groeien.”
Of, zoals ik op een andere poster zie staan als ik terugloop naar het station: ‘Alles op alles voor de generatie van de toekomst.
tekst: Bart van Gent
De leerstoel is mogelijk gemaakt door een fonds op naam bij het Leids Universiteits Fonds dankzij Stichting Steunfonds Pro Juventute. Anouk Goemans staat open voor reacties en ideeën van lezers van
de Pedagoog. Haar oratie is op 16 januari 2026.
Scholen hebben tegenwoordig een ruime keus uit interventies gericht op het versterken van sociaal-emotionele vaardigheden van kinderen. Denk aan de Kanjertraining of Kwink. Het Programma Alternatieve Denkstrategieën (PAD) was de allereerste. PAD ontstond in de jaren tachtig, bestaat nog steeds en is erkend als bewezen effectieve interventie. Kees van Overveld was er vanaf het begin bij betrokken.
Lees meer
Kees van Overveld
Het Programma Alternatieve Denkstrategieën (PAD)1 is een preventieprogramma waarmee scholen de sociaal-emotionele competenties van leerlingen kunnen vergroten om zo gedragsproblemen te voorkomen. Het programma is erkend als effectief volgens sterke aanwijzingen – de hoogste classificatie – in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJi). Met een klassikale aanpak richt PAD zich op kinderen van vier tot twaalf jaar in het regulier basisonderwijs en speciaal (basis)onderwijs.
Als iemand iets over PAD kan vertellen, is het wel gedrags- deskundige Kees van Overveld (1963). Een echte pionier. In 1987 ging hij als een van de eerste leraren in Nederland met PAD werken in het cluster 2-onderwijs, scholen voor kinderen met communicatieve handicaps (gehoor-, taal- en/of spraakproblemen). Vervolgens werd hij PAD-trainer en landelijk PAD-coördinator bij het toenmalige Seminarium voor Orthopedagogiek in Utrecht. In 2000 startte hij naast zijn fulltimebaan een promotietraject naar PAD en in 2008 promoveerde hij bij de Universiteit Utrecht, samen met collega Jos Louwe. Een van de onderzoeksuitkomsten was een positief effect van PAD op agressievermindering van jongens in het basisonderwijs.
Het Seminarium ging op in de Hogeschool Utrecht, waar Kees van Overveld nu werkt als hogeschooldocent bij het Instituut voor Onderwijs & Orthopedagogiek. Naast andere activiteiten geeft hij nog elk jaar enkele PAD-cursussen. Ook is de uitgebreide beschrijving van het PAD-programma bij de NJi-databank van zijn hand. 2
We spreken elkaar in het gebouw van de Hogeschool Utrecht op het Utrechtse Science Park. Wat kan hij vertellen over de achtergrond van het programma?
PAD ontstond in de jaren tachtig in de Verenigde Staten, weet Kees van Overveld. “Gedrag werd toen vooral gezien vanuit een deficit-visie als een tekort dat verholpen moest worden. Mark Greenberg, de geestelijk vader van PAD, maakte deel uit van een tegenbeweging. Hij wilde kinderen niet afrekenen op een verondersteld tekort, maar pleitte voor preventie en sociaal- emotioneel leren. Greenberg was als psycholoog betrokken bij scholen voor doven, waar kinderen problemen hadden met het uiten van gedachten en gevoelens. Voor het dovenonderwijs – later uitgebreid naar het regulier basisonderwijs – ontwikkelde hij het programma Promoting Alternative Thinking Strategies (PATHS).3 Om kinderen te helpen op een andere manier te leren denken.” Nederland was het eerste land buiten de Verenigde Staten dat het programma ging gebruiken. De Nederlandse ouderorganisatie voor dove kinderen, FODOK,4 haalde het halverwege de jaren tachtig naar Nederland. Onder de naam PAD kreeg het eerst een plek in het dovenonderwijs.
Toen de vraag in Nederland steeds groter werd, heeft FODOK de licentie overgedragen aan het toenmalige Seminarium voor Orthopedagogiek. Daar hebben we PAD vertaald naar alle typen onderwijs. Dat was een gestaag proces. In die jaren had PAD veel invloed, want het was het eerste en enige programma voor sociaal- emotioneel leren.”
Volgens Kees van Overveld was het programma zijn tijd ver vooruit. “Kijk bijvoorbeeld naar zelfcontrole, de eerste van de vier pijlers in PAD: kinderen motiveren een stapje terug te doen, even rustig ademhalen en nadenken over wat ze kunnen doen. Als je tegenwoordig trainingen volgt over executieve functies en breinleren, dan zie je dat dat precies is wat Greenberg al in de jaren tachtig verwerkte in PAD. Dat geldt ook voor de andere drie pijlers, vaardigheden leren op het gebied van zelfbeeld, emoties en problemen oplossen. Dat vinden we nog steeds heel belangrijk voor leerlingen.”
Net als PAD hebben de Kanjertraining en KiVa de NJi-kwalificatie effectief volgens sterke aanwijzingen. Een interventie krijgt deze kwalificatie als er voldoende onderzoek van hoge kwaliteit beschikbaar is, in Nederland en daarbuiten, en de onderzoeksresultaten positief zijn. Naast buitenlands onderzoek5 is er in Nederland onderzoek gedaan naar PAD door het Trimbos Instituut en TNO.
Kees van Overveld: “De rode draad is dat door PAD het pedagogisch klimaat in de school ten positieve verandert. Er ontstaat een sfeer waarin mensen het belangrijk vinden om op een positieve manier met elkaar om te gaan. Vaak neemt bij leerlingen agressie af. Kinderen met internaliserende problemen, zoals piekeren, voelen zich prettiger en hebben meer zelfvertrouwen.”
Hoewel het programma ontstond in de jaren tachtig, is het niet verouderd, geeft Kees van Overveld aan. “De huidige versie is up-to-date. De tekst is wel verschillende keren aangepast, maar dat geldt niet voor de intentie achter de tekst. De fundamenten van het programma staan als een huis.
Bij de Nederlandse vertaling en bewerking is ook gelet op dingen die te Amerikaans overkomen. “Ik kan me een versie herinneren waarin kleuters snacks konden verdienen bij goed gedrag. Dat was destijds in Amerika vrij normaal, maar hier was het over the top. Dat pasten we aan naar een Nederlandse manier, zoals een kind prijzen bij goed gedrag.”
Kees van Overveld schat dat er tot 2008 zo’n 500 of 600 scholen met PAD werkten. “Er was in die tijd nog niet veel op de markt. Daarna is het aanbod van schoolinterventies enorm gegroeid. Denk aan grote spelers zoals de Kanjertraining of Kwink. Concurrentie ging een rol spelen, wat op zich een gezonde ontwikkeling is. Mijn schatting is dat er nu zo’n 200 tot 300 scholen PAD inzetten. Vanuit de Hogeschool Utrecht hebben we een cursus voor het werken met PAD die we onder de aandacht van scholen brengen.
Alles valt of staat met een goede implementatie en borging van een programma, vindt hij. “Als je nieuwe leraren of zij-instromers geen extra training meer aanbiedt, dan bloedt een programma dood. En helaas hoor ik soms van leraren dat ze geen tijd voor PAD hebben, omdat de rekenles niet af was. Andersom – ik heb vandaag niet gerekend omdat ik mijn PAD-les had – hoor ik nooit.”
Wat scholen aanspreekt in PAD is de zichtbaarheid van de materialen. Kees van Overveld. “Je kunt op dinsdagmiddag een uur PAD-les geven, maar gaan kinderen dat meenemen buiten die les? Greenberg vond dat er materiaal moest zijn om de lesinhoud extra te trainen, generalisatie noemde hij dat. Naast de lesbladen (zie kader) zijn er daarom emotiekaartjes en handpoppen. Kinderen en leraren vinden die materialen het mooiste aan PAD. Als voormalig PAD-leerkracht onderschrijf ik dat helemaal.
”Op de emotiekaartjes6 staan afbeeldingen van een kind met
een bepaalde gezichtsuitdrukking en het passende woord erbij, bijvoorbeeld eenzaam, tevreden, trots, hoop. Iedere leerling heeft een doosje met kaartjes. “Het werkt zo dat kinderen ’s ochtends een of twee kaartjes pakken en zichtbaar neerzetten. Kaartjes met hun gevoelens van dat moment. Dat geeft leraren de mogelijkheid om direct bij binnenkomst al even rond te kijken en sommige kinderen aandacht te geven. Je kunt dat ook na de pauze doen, als er misschien het nodige is voorgevallen aan ruzies. In plaats van dat je dan aandacht geeft aan wat kinderen gedaan hebben, ga je in op wat ze dachten en voelden. En hoe ze dat kunnen veranderen.”
Houda staat alleen op het schoolplein, Peter zit alleen thuis. Met deze tekeningen uit de PAD-lesbladen legt de leraar het verschil uit tussen alleen en eenzaam. Peter is alleen maar voelt zich niet eenzaam, hij zit op zijn gemak een boek te lezen. Houda kan zich wel eenzaam voelen, omdat ze buitengesloten is en niet mag meedoen met de andere kinderen op het schoolplein.
Bij de thuisopdracht stellen de kinderen vragen aan hun ouder(s) of opa en oma, zoals: Toen u zo oud was als ik, bent u toen weleens eenzaam geweest? Kunt u daar iets over vertellen? Wat voelde u toen?
Bij de handpoppen is de schildpad populair bij kinderen, weet Kees van Overveld. “Het begint met een verhaal over een schildpadje dat voortdurend problemen heeft met zijn leeftijdgenoten. Hij ontmoet een opa-schildpad met een goede tip: ‘Trek je koppie in en ga in je schild zitten als je voelt dat je boos of verdrietig wordt. Adem eens diep en tel tot tien. Je zult merken dat je rustiger wordt in je hoofd en een betere oplossing kunt verzinnen voor een probleem.’ Eigenlijk gaat dit over impulsiviteitscontrole. Kinderen herkennen iets in de schildpad en we leren ze om die tip zelf toe te passen.”
tekst: Femmie Juffer
Het beroep van een orthopedagoog-generalist tegen de uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege heeft succes gehad. De uitspraak is door het Centraal Tuchtcollege aangepast, van een berisping naar een waarschuwing.
Lees meer
De casus: Ouders dienen een klacht in namens hun minderjarige dochter. Het meisje (14) is wegens ernstige problematiek, middels diverse machtigingen, opgenomen in de gesloten jeugdhulp. Hier is een orthopedagoog-generalist tijdens twee perioden regiebehandelaar en in de tweede periode tevens (deel)behandelaar. De ouders verwijten haar dat zij als (regie)- behandelaar ernstig heeft gefaald, waardoor hun dochter niet de juiste hulp heeft gekregen.
Het Regionaal Tuchtcollege Zwolle verklaart de klacht gedeeltelijk gegrond, namelijk: het nalaten van diagnostiek, het niet inzetten van juiste hulp en behandeling, ondeskundig handelen en het onvoldoende uitoefenen van de functie van regiebehandelaar, de afsluiting van de behandeling en nazorg, de vrijheidsbeperkende maatregelen en het vernietigen van het onderzoeksrapport – en legt de orthopedagoog de maatregel van berisping op.
Het Centraal Tuchtcollege verschilt deels van mening met het Regionaal Tuchtcollege. Van belang bij deze afwegingen is de definitie en de taak van regiebehandelaar die de beide tuchtcolleges geven, in lijn met andere tuchtrechtuitspraken.
‘Als uitgangspunt moet worden genomen dat elke bij de behandeling betrokken zorgverlener een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft en houdt jegens de patiënt. In gevallen waarin de aard en/of complexiteit van de behandeling dat nodig maakt, dragen deze (individuele) zorgverleners er steeds zorg voor dat één van hen als regiebehandelaar wordt aangewezen…
De regiebehandelaar ziet er in ieder geval op toe dat:
Bij de afweging van het Centraal Tuchtcollege speelt ook een rol dat goed gekeken is wie welke beslissingen als regiebehandelaar heeft genomen. Je bent namelijk enkel verantwoordelijk en aan te spreken op de beslissingen die je daadwerkelijk genomen hebt, passend bij je taak. In dit geval was de orthopedagoog niet verantwoordelijk voor beslissingen die een andere professional nam in de rol van regiebehandelaar, namelijk over gebruik en vernietiging van een onderzoeksrapport en de beslissing om de zorg eenzijdig te beëindigen.
Het Centraal Tuchtcollege vindt dat de “…orthopedagoog-generalist diagnostiek heeft ingezet en passende hulp en behandeling heeft geboden. Hiermee heeft zij gezorgd voor continuïteit en samenhang van de zorgverlening aan de dochter. Ook heeft zij regelmatig, in diverse overleggen met collega’s, overleg gevoerd over het ingezette behandelbeleid en dit zo nodig aangepast. Ook had zij op regelmatige basis contact met klagers en hield zij hen op de hoogte van de situatie rondom de dochter. Hiermee heeft zij op een juiste wijze invulling gegeven aan haar rol als regiebehandelaar. Er is echter geen sprake van adequate verslaglegging van wat er in de diverse overleggen onder verantwoordelijkheid van de orthopedagoog-generalist is besproken. Dit had van haar als regiebehandelaar wel verwacht mogen worden.” “… daarom acht het Centraal Tuchtcollege dit tuchtrechtelijk verwijtbaar en daarom wordt dit klachtonderdeel gegrond verklaard.”
Het Centraal Tuchtcollege legt de maatregel van waarschuwing op en vermeldt daarbij nadrukkelijk: ‘Een waarschuwing is een zakelijke terechtwijzing die de onjuistheid van een handelwijze naar voren brengt zonder het afkeurende stempel van handelen dat tot een berisping leidt.’
tekst: Mirthe Maessen
Zie voor de volledige uitspraak:
ECLI:NL:TGZCTG:2024:203 Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Den Haag C2023/2302
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Studenten Pedagogische Wetenschappen leren door hun stage meestal maar één werkveld kennen, terwijl ze verschillende kanten op kunnen. Denk aan onderwijs, jeugdhulp, gehandicaptenzorg, ggz 18+ en ouderenzorg. Jammer eigenlijk, vindt het NVO-netwerk Studenten & Starters. Om een completer beeld te krijgen nemen zij in de serie ‘Waar werk jij?’ een kijkje in verschillende keukens. Dit keer bij Rosan Klieverik (28), sinds 2020 werkzaam als orthopedagoog bij Stichting De Ster.
Lees meer
Rosan Klieverik viert haar tiende kamp (2024)
“Bij Stichting De Ster organiseren we kampen voor kinderen tussen de zeven en zeventien jaar, waarbij we samen werken aan zelfvertrouwen, sociale vaardigheden en emotieregulatie. De kinderen die meedoen, hebben allemaal hun eigen uitdagingen: de een heeft last van onzekerheid of perfectionisme, de ander heeft moeite met het maken van vrienden of is gepest.
Voor sommige kinderen is het kamp de eerste vorm van hulpverlening, voor anderen een waardevolle aanvulling op een lopend traject. Ons doel is om alle kinderen een veilige en positieve omgeving te bieden waarin ze kunnen groeien en succeservaringen opdoen.”
“Als orthopedagoog bij De Ster ben je betrokken bij alle fasen van het kamptraject. Voorafgaand aan het kamp voer je intakes met kinderen en hun ouders. In één gesprek moet je een kind op zijn gemak stellen, vertrouwen geven en samen doelen bepalen. Denk aan: ‘Hoe kan ik makkelijker vrienden maken?’, of ‘Hoe durf ik beter voor mezelf op te komen?’ Ook bekijk je of kamp de juiste plek is voor dit kind.”
“Tijdens kamp ben je overal en nergens: je observeert groepsprocessen, begeleidt kinderen die nét dat extra zetje nodig hebben en zorgt dat iedereen zich op zijn eigen tempo ontwikkelt. Dat kan tijdens een gesprekje tussendoor, maar ook gewoon tijdens het meedoen aan een vossenjacht of aan de knutseltafel. Na kamp heb je follow-up gesprekken met ouders om te bespreken welke stappen hun kind heeft gezet en hoe ze thuis kunnen doorgroeien.”
“Een van de eerste uitdagingen is het opbouwen van vertrouwen tijdens de intake. In één gesprek is het belangrijk dat een kind zich veilig genoeg voelt om de stap te durven zetten om op kamp te gaan!
Dat kan best spannend zijn voor kinderen die onzeker zijn of slechte ervaringen hebben met sociale situaties.”“Tijdens kamp is de grootste uitdaging om de ontwikkeling van álle kinderen in de groep in balans te houden. Wat voor de een enorm uit de comfortzone is, is voor de ander gewoon een leuke activiteit. En wat gaat dat ene kind helpen om toch mee te kunnen doen? De puzzel hoe we ervoor gaan zorgen dat elk kind tijdens de kampweek stappen zet zonder teveel van ze te vragen, is een leuke uitdaging. Ook is het belangrijk dat elk kind op kamp aansluiting vindt. Sommige kinderen maken snel vrienden, anderen hebben daar wat meer begeleiding bij nodig. Door goed te observeren en de groep subtiel te sturen, zorgen we ervoor dat iedereen zich op kamp fijn voelt.”
“Je moet allereerst positief en enthousiast zijn. Daarnaast is het essentieel om een veilige, fijne sfeer te creëren, en daar speel jij als pedagoog een grote rol in. Ook moet je goed kunnen observeren. Omdat je kinderen de hele dag in interactie ziet, kun je snel signaleren wat er speelt en hoe je hen kunt helpen. Dit vraagt om een scherp analytisch vermogen én een hands-on mentaliteit.
Tot slot is flexibiliteit belangrijk, inhoud en plezier wisselen elkaar constant af. Zo kan je het ene moment bezig zijn om samen met een kind te kijken hoe je een onderdeel van de dag minder spannend kunt maken, en een kwartiertje later, verkleed als typetje, de lunch komen presenteren. Kamp draait om leren door ervaring; humor en speelsheid helpen daar enorm bij.”
“Binnen ons werk gebruiken we elementen uit verschillende behandelmethodes, zoals cognitieve gedragstherapie, emotion- focused therapy, acceptance & commitment therapy en positieve psychologie. Het is geen vereiste om hier al extra opleidingen in te hebben gevolgd, maar een cursus of workshop op deze gebieden kan zeker helpen. Ook kennis over groepsdynamiek en systemisch werken is een pre, omdat je continu schakelt tussen individuele kinderen en de groep als geheel.”
“Een van de meest bijzondere momenten was de transformatie van een meisje dat met veel angst en onzekerheid op kamp kwam. Ze had heftige pestervaringen en vond het doodeng om te blijven. Met wat geruststelling en een zachte duw in de goede richting, bleef ze toch.
In de loop van de week zagen we haar opbloeien – van verlegen en terughoudend naar zelfverzekerd en open. Op de laatste avond stond ze dansend op tafel met haar nieuwe vriendinnen. Weken later hoorde ik van haar moeder dat ze fanatiek aan de slag was gegaan met wat ze op kamp allemaal had geleerd en daardoor voor het eerst een vriendin had gemaakt op school. Ze zat niet langer alleen in de pauzes. Dat gaf me kippenvel. Dit is waarom we doen wat we doen.”
“Dit werk combineert inhoudelijke begeleiding met een speelse en positieve omgeving. Je ziet kinderen groeien, en dat binnen een paar dagen. Wat je overdag met kinderen bespreekt, zie je ze in de chilltijd erna toepassen. Dat directe effect maakt het werk onwijs waardevol. Bovendien werk je samen met een enthousiast team en zorg je er met elkaar voor dat alle kinderen zich veilig en gezien voelen. Geen dag is hetzelfde, en dat maakt het werk niet alleen betekenisvol, maar ook gewoon heel erg leuk. Mocht je nieuwsgierig zijn naar dit werkveld, dan is er goed nieuws: we zoeken altijd vrijwilligers die met ons mee op kamp gaan! Een mooie kans om van dichtbij mee te maken hoe waardevol en leuk dit werk is.”
tekst: NVO-netwerk Studenten & Starters
Interesse in het netwerk? Mail naar nvo.studentenenstarters@gmail.com
In februari startte mijn cursus Strategisch Leiderschap. Ik ben met deze cursus begonnen omdat de NVO voor diverse strategische keuzes staat. Overigens is dat niet nieuw, de NVO heeft altijd voor strategische keuzes gestaan en deze ook gemaakt. In het cursusprogramma zijn we meteen gestart met matrixen en modellen. Het interessante aan matrixen en modellen – waar ik eerlijk gezegd altijd wars van was – is dat je daarmee thema’s behapbaar kunt maken en dat ze veel inzichten kunnen geven in de te volgen koers. Dit heb ik inmiddels dus al geleerd.
Bijna alle thema’s die bij de NVO op tafel komen, kunnen in matrixen en modellen worden meegenomen. Zodat we erover kunnen nadenken, de opties kunnen overwegen en bepalen wat we wel of (nu) niet doen. Denk bijvoorbeeld aan het wel of niet ontwikkelen van een specialisatie na de opleiding orthopedagoog-generalist. Of de risico’s op valse diploma’s in onze registers. Een ander interessant thema is het NVO congres van vrijdag 26 september aanstaande. Hoe zorgen we ervoor dat er goede sprekers komen en dat leden zich volop aanmelden? Weer een ander thema is het herijken van de pedagogische visie. Grote onderwerpen die veel van de NVO en haar leden vragen en die kunnen helpen om de positie van onze leden te versterken.
Dus bij deze is men gewaarschuwd, vanaf nu werk ik vanuit modellen en matrixen!
Judy Hoffer
directeur NVO

foto: Nicole Sanders
NVO-lid Liem Che Yuen werkt in het kinder-, jeugd- en jongvolwassenenteam van De Praktische GGZ – onderdeel van de Yoepgroep – in Woerden. Ze is orthopedagoog-generalist en gz-psycholoog.
“Mijn werk is heel divers. Ik behandel bijvoorbeeld kinderen die bang zijn in het donker, jongeren met een negatief zelfbeeld, jongvolwassenen met trauma en ik doe ouderbegeleiding en diagnostiek.”
“Anders dan bij sommige andere kinder- en jeugdteams in de ggz, ligt de leeftijdsgrens bij ons niet bij achttien jaar. De doelgroep is van 6 tot en met 25 en we betrekken de ouders sterk bij de trajecten, zeker tot 18 jaar. Ik ben regiebehandelaar, maar doe gelukkig zelf ook veel diagnostiek en behandeling. Het is mooi dat ik mijn kennis uit vorige werkplekken – als onderwijspsycholoog – goed kan inzetten. Bij de vraag ‘wie heeft er tijd voor een klassenobservatie?’, word ik altijd heel blij. Scholen vinden het ook prettig als we hen betrekken in het hulpverleningstraject, merk ik.”
Ze zit sinds drie jaar in de ledenraad van de NVO. “Omdat de vorige directeur me ervoor vroeg en ik niet goed ‘nee’ kan zeggen. De ledenraad vertegenwoordigt de NVO-leden en is een klankbord voor het bestuur. Ik heb mooie herinneringen aan de sollicitatiegesprekken waar ik vaker zitting in had. We hebben drie bestuursleden gevonden die een aanwinst zijn voor de NVO. Ook heel leuk vond ik het interview door een externe partij, om een profiel voor de nieuwe directeur samen te stellen.”