Welkom bij de nieuwste editie van de Pedagoog, het magazine voor pedagogen en onderwijskundigen. In deze uitgave bieden we weer een breed scala aan artikelen en verhalen die je informeren, inspireren en ondersteunen in jouw dagelijkse werk. Of je nu geïnteresseerd bent in de nieuwste ontwikkelingen of de praktische toepassingen van wetenschappelijk onderzoek – er is voor ieder wat wils. Blijf op de hoogte van de nieuwste inzichten, deel ervaringen met collega’s en ontdek hoe wij samen een verschil kunnen maken. Veel leesplezier!
Lees meer
Lees verder bij pedagogiek & politiek
Toeval of niet? In dit nummer van de Pedagoog staan twee verhalen uit het Brabantse Dongen. Daar runt orthopedagoog Nel Koekkoek haar eigen praktijk en zet ze paarden in als co-therapeut. In de casus vertelt ze er alles over. Redactielid Marleen Baeten ging in haar woonplaats Dongen op bezoek bij de pedagogische jeugdwerkplaats Stronk. Een initiatief van twee jeugdvrienden, een pedagoog en een ingenieur, waar steeds meer ‘thuiszitters’ hun plek vinden en tot bloei komen.
Redactielid Sanne de Vet ging ook op pad. Voor haar verhaal in over de grens – over pedagogiek in het ziekenhuis – mocht ze een ochtend meelopen op een kinderafdeling en operatiekamer in Zuid-Holland. Hoe worden kinderen en ouders daar begeleid rondom een operatie? Ze ontmoette aandachtige en geduldige verpleegkundigen, maar op de operatiekamer ook een strak tijdschema. Een medisch-pedagogisch medewerker tipte dat het enorm helpt als ouders hun kind goed voorbereiden op een bezoek aan het ziekenhuis.
Ook Ina Koning, expert in problematisch mediagedrag, benadrukt de belangrijke rol van ouders. In dit geval bij het voorkomen van een sociale mediaverslaving. Zeker zolang maatregelen vanuit de overheid uitblijven. ‘Vooral kwetsbare jongeren zijn gevoelig voor verslaving. Als zij op zoek gaan naar erkenning en waardering, vinden ze die op sociale media. Het algoritme zorgt ervoor dat ze steeds weer bevredigd worden in die behoefte en dat ze
niet zo makkelijk kunnen stoppen.’
‘Algoritmes op internet dwingen je in je eigen beperkte wereldje en laten nooit zien wat anderen beweegt’, zegt emeritus hoogleraar Pedagogiek Micha de Winter in het omslaginterview. ‘Er zijn steeds meer bubbels gelijkgestemden die juist bestaan bij de gratie van het zich afzetten tegen anderen, van anderen kleineren en vernederen.’
In een tijd waarin verkettering van tegenstanders steeds normaler lijkt, pleit hij ervoor om kinderen te leren op reis te gaan in de gedachtewereld van een ander. ‘Want als je geïnteresseerd bent in wat anderen beweegt, tolereer je
ook minder sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid.’
Goeie reis!
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
De eenzijdige focus van de pedagogiek op gedrag en stoornissen van individuele
kinderen en jongeren is Micha de Winter een doorn in het oog. De sociale omstandigheden waarin zij leven, blijven buiten beeld. Terwijl de meeste problemen van kinderen en ouders die bij de jeugdzorg aankloppen juist daarmee te maken hebben. Zijn nieuwste boek ‘Medemenselijk opvoeden’ is een pleidooi voor meer oog voor de ander en minder voor individuele autonomie.
Lees meer
Micha de Winter
Micha de Winter (1951) is al een tijdje met emeritaat als hoogleraar Pedagogiek aan de Universiteit Utrecht, maar werkt rustig door. Zo leidt hij momenteel de commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie. Hij ontvangt me in zijn studio vlak achter de Dom, hartje Utrecht.
Aan de muur hangt de originele tekening die zijn oudste kleindochter Luïsa (15) maakte voor de omslag van zijn boek Medemenselijk opvoeden, dat begin dit jaar verscheen. “Ze kan ontzettend goed tekenen, terwijl dat helemaal niet in de familie zit.”
Hij draagt zijn boek op aan zijn vijf kleinkinderen. Op de vraag waarom, verwijst hij naar de ondertitel: Samenlevingspedagogiek voor een hoopvolle en daadkrachtige generatie. “Kinderen groeien nu op in een complexe wereld, populisme en polarisatie all over the place. Alles komt op z’n kop te staan. Hoe vanzelfsprekend is democratie nog? Die moeten we bevechten. Daarom draag ik het boek aan hen op.”
Micha de Winter – lid van verdienste van de NVO – betreurt het dat de hedendaagse pedagogiek steeds meer een ‘technische’ wetenschap is geworden, in navolging van de medische wetenschappen. Met diagnoses, labels en behandelingen. Hij gruwt van het woord ‘gedragsproblemen’.
“Daarmee leg je de verantwoordelijk bij het kind en zijn ouders, die dat gedrag zouden moeten veranderen, met een Triple P of god weet wat. Je vergeet dat de context waarin kinderen leven een enorme impact heeft op hun gedrag. De meeste problemen van kinderen en ouders die bij de jeugdzorg aankloppen hebben juist met die context te maken, met de soort cultuur en sociale omstandigheden. Denk aan toenemende armoede en schulden, sociale ongelijkheid. Er is vaak sprake van huiselijk geweld, onveilige buurten en slechter onderwijs. Deze maatschappelijke missstanden leiden tot woede en frustratie en komen als gedragsprobleem of stoornis bij de jeugdzorg terecht.
Misschien is het problematische gedrag van kinderen en jongeren soms wel een begrijpelijke of zelfs gezonde reactie op een samenleving die disfunctioneert.”
Zijn boek is een pleidooi voor een opvoedingsstrategie met meer oog voor de ander en minder voor alleen individuele autonomie.
“De afgelopen decennia is er steeds meer aandacht gekomen voor het individu, en in het begin zeker terecht. Maar ik heb al een tijd het gevoel dat we daarin doorgeslagen zijn, ook in ons vak. Met al die focus op individuele autonomie zijn we vergeten dat er nog een andere voorwaarde is voor mensen om zich te kunnen ontplooien en gelukkig te voelen: de verbinding met anderen. Zowel autonomie als verbondenheid zijn fundamentele menselijke behoeften.”
Als keerzijde van de doorgeslagen individualisering noemt hij ook de meritocratie, het idee dat alles je eigen verdienste is.
“Kinderen leren denken dat succes of falen helemaal van jezelf afhangt. Dat is natuurlijk grote onzin, die we als volwassenen vooral moeten tegenspreken en corrigeren. Het klopt gewoon feitelijk niet, omdat de omstandigheden – bijvoorbeeld de sociale hulpbronnen die je hebt – een doorslaggevende rol spelen. Ook de rol die sociale media spelen moeten we grondig met kinderen en jongeren bespreken. De algoritmes voeden de suggestie dat alle anderen beter, mooier en slimmer zijn dan jij. Vind je het gek dat dit een negatieve invloed heeft op het welbevinden van kinderen en jongeren?”
“Laten we het als pedagogen ook hebben over de nieuwe loot aan de stam: het groepsegoïsme. Met name op sociale media zie je steeds meer bubbels gelijkgestemden die bestaan bij de gratie van het zich afzetten tegen anderen, van anderen kleineren en vernederen. Wat doen we daar als opvoeders mee?”
De opdracht aan zijn kleinkinderen, voorin het boek, heeft ook te maken met zijn eigen familiegeschiedenis. Die beschrijft Micha de Winter in de epiloog. Zijn ouders, allebei Joods, hebben elkaar een paar jaar na de Tweede Wereldoorlog leren kennen.
“Mijn vader Max was aan het begin van de oorlog getrouwd met zijn eerste liefde, Chelly. Zij was zwanger van hun eerste kindje, mijn zus. Dat kwam in Auschwitz ter wereld en is meteen vermoord. Chelly is gestorven bij een van de dodenmarsen. Mijn vader is van concentratiekamp Sachsenhausen terug naar Nederland gelopen. Mijn moeder Bertine was verloofd met een Haagse fotograaf, een Joodse man van tweeëntwintig. Hij wilde naar Engeland, naar het verzet. Maar hij is opgepakt in Frankrijk en in Treblinka aan zijn einde gebracht.”
Zijn ouders hebben allebei een verschrikkelijke geschiedenis achter de rug en zijn daar altijd open over geweest.
“Maar – en daar heb ik mijn bestaan aan te danken – ze hebben de draad weer opgepakt en geprobeerd mogelijkheden en het positieve te zien. Ik vind het heel sterk dat zij, met al die ballast, zichzelf bij de haren hebben gepakt en uit het moeras getrokken. Dat hebben ze aan mijn broer Harry en mij doorgegeven: ons krijgen ze niet klein! We hebben ons nooit slachtoffer gevoeld. In onze opvoeding zijn we ook allergisch gemaakt voor macht, onrecht en onredelijke
bejegening.”
Het is voor het eerst dat Micha de Winter schrijft over zijn eigen familiegeschiedenis.
“Ik vond het vrij spannend om dat zo expliciet te doen, maar het was nodig. In de academische wereld waar ik werkte, is het not done om je eigen geschiedenis, gevoelens, normativiteit onderdeel te laten zijn van je onderzoek, je pedagogiek. Pedagogiek moet objectief zijn. Maar dat is onzin. Het wezen van pedagogiek is juist dat mensen hun eigen wereldbeelden, dromen en gevoelens proberen over te dragen aan nieuwe generaties. Dat is per definitie normatief.”
“Ik heb me lang niet gerealiseerd dat de drive voor ‘mijn soort’ pedagogiek ook is ingegeven door mijn eigen geschiedenis en kijk op de wereld. Eerst dacht ik: ik doe gewoon onderzoek naar wat ik interessant vind. Naar jeugdgevangenissen, De Vreedzame School, geweld in de jeugdzorg. Hoe voed je kinderen op tot democratisch burgerschap? Hoe kijk je op een pedagogische manier naar radicaliserende jongeren en niet alleen vanuit een veiligheidsperspectief?
Terugkijkend zijn dat geen toevallige keuzes, maar hebben ze te maken met het nest waar ik uit kom. Ik denk – achteraf – dat ik probeer te begrijpen hoe mensen tot de meest ongelooflijke wreedheden konden komen. Wat zijn hun beweegredenen? Ik lees veel biografieën van nazidaders. Verschrikkelijke literatuur. Maar ik verslind ze, om maar iets te snappen van hoe mensen baby’s tegen een muur kunnen doodslaan. Daar probeer ik als pedagoog lessen uit
te trekken.”
In deze tijd van individualisering en polarisatie liggen verkettering en ontmenselijking van tegenstanders opnieuw op de loer, schrijft Micha de Winter in zijn boek. Als belangrijke remedie noemt hij: sociale nieuwsgierigheid aanwakkeren bij kinderen en jongeren. Dat leidt tot
medemenselijkheid en empathie.
“Filosoof Hannah Arendt had het zestig, zeventig jaar geleden al over ‘traveling in the mind of others’. In een diverse wereld moet je kinderen leren op reis te gaan in de gedachtewereld van een ander. Daar doen we in deze tijd weinig mee, helaas. Algoritmes op internet dwingen je juist in je eigen beperkte wereldje en laten nooit zien wat anderen beweegt.”
“We moeten kinderen stimuleren om nieuwsgierig te zijn – want dat is de basis van leren – naar andere kinderen, die niet hetzelfde zijn als zijzelf. Hoe denken en voelen andere kinderen? Hoe staan ze in de wereld? Zo leren kinderen zich inleven in een ander, als een soort basisvaardigheid die nodig is in de samenleving. Om jezelf op de rails te houden, maar ook voor de samenleving zelf. Want als je geïnteresseerd bent in wat anderen beweegt, tolereer je ook minder sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Dat is de basis van democratie: mensen zijn wel allemaal verschillend, maar als burgers ook allemaal gelijkwaardig.”
Kinderen en jongeren medemenselijk opvoeden, gaat niet vanzelf. Pedagogiek en onderwijs hebben daar gaten laten vallen en moeten zich er actief en bewust mee gaan bemoeien, vindt Micha de Winter.
“Pedagoog Lea Dasberg zei in 1980 al dat je niet alles wat er in de wereld gebeurt van kinderen weg kunt houden, maar dat je het pedagogisch moet begeleiden. Als je met kinderen praat over leed en onrecht, moet je het ook hebben over een handelingsperspectief over mogelijkheden tot verbetering. Je kunt kinderen leren om ruzies samen op te lossen, zoals op De Vreedzame School gebeurt. Je kunt hen laten onderzoeken wat pesten nu eigenlijk is, hoe het werkt en welke oplossingen je met elkaar in de klas kunt verzinnen. Voorbeelden zijn ook belangrijk. Veel kinderen maken zich zorgen over het klimaat en zijn geïnspireerd door Greta Thunberg, die veel in gang heeft weten te zetten. Dat geeft hoop.”
Naast het bieden van hoop is het ‘pedagogisch onderbreken’ van kinderen en jongeren een must. Kinderparticipatie, luisteren naar kinderen is belangrijk, maar kinderen verdienen ook een weerwoord.
“Pedagogisch onderbreken is niet bedoeld om een mening te verbieden of er boos over te worden, maar om te prikkelen tot reflectie en nadenken. Iedereen mag op school z’n mening zeggen, dat is democratie. Maar daar hoort bij dat je over en weer vragen mag stellen. Dat is echte betrokkenheid en vorming. Als iemand roept ‘Alle vluchtelingen zijn gelukszoekers en komen hier om rijk te worden’, mag je vragen waar iemand dat idee vandaan haalt. Heeft je broer dat gezegd? Stond het op Facebook? Kun je er ook andere meningen over vinden? Dat gebeurt veel te weinig. Bij ons onderzoek naar geradicaliseerde jongeren bleek bijvoorbeeld dat niemand hen dat ooit had gevraagd.”
Twee hoofdstukken in Medemenselijk opvoeden gaan over het belang van agency, het handelingsvermogen van kinderen en jongeren, hun eigen regie.
“De aanleiding om het belang van agency in dit boek verder uit te werken, zijn mijn ervaringen met de coronacrisis. Toen die uitbrak ben ik gevraagd voor een soort werkgroep, met een paar ministers, burgemeesters en twee wetenschappers. De vraag aan mij was: wat gebeurt er met jongeren, met gezinnen? Jongeren vertelden dat ze de strenge maatregelen vreselijk vonden, maar wel begrepen. Zelf liepen ze weinig risico, maar ze deden het voor oma. Wat hen vooral stoorde was het gebrek aan uitleg en overleg.”
De Winter heeft toen gewaarschuwd: ‘Als we niet met die jongeren gaan praten, kan het behoorlijk uit de hand gaan lopen.’
“Er was veel woede en frustratie. Als je jongeren hun handelingsvermogen afneemt, geen ruimte geeft om vorm te geven aan hun leven, leidt dat tot somberheid en agressie. In veel gemeenten zijn ze toen wel in gesprek gegaan met jongeren. Hoewel toenmalig premier Rutte na de avondklokrellen zei: ‘We zijn niet geïnteresseerd in sociologisch onderzoek naar hoe het komt. Het is gewoon tuig’.”
Het ergert hem dat de pedagogiek zich nauwelijks meer bekommert om grote thema’s als ‘waartoe voeden wij kinderen op?’ ‘Wat kunnen we doen om mensen tot humaan, vreedzaam en respectvol gedrag te brengen?’ Heeft hij hoop op verandering?
“Ik zie wel een aantal positieve ontwikkelingen die me hoopvol stemmen. Bijvoorbeeld dat die hele etikettering, de neiging alles aan het individu toe te schrijven, steeds meer kritiek krijgt. Ook vanuit de wetenschap waar dat oorspronkelijk vandaan is gekomen, de psychiatrie, met z’n hele DSM-denken.”
“In Utrecht, de bakermat van dat denken, is nu een omslag gaande. Er zijn nieuwe hoogleraren, zoals Floortje Scheepers en Jim van Os, die niet meer zeggen ‘wat heeft iemand?’, maar ‘wat heeft iemand nodig?’ Dat klinkt misschien simpel, maar het is echt een omslag. Want als we dat ziektemodel achter ons laten, komt de rol van de samenleving meer in beeld. Hoe richten wij ons onderwijs in en wat doet dat met het welbevinden van leerlingen? Waarom uitsluitend sleutelen aan het gedrag van jongeren in de jeugdzorg, terwijl in verreweg de meeste gevallen de omstandigheden waarin ze opgroeien hen in de
problemen brengen?”
“Wat mij ook hoopvol stemt zijn mooie voorbeelden van hoe het anders kan. Zoals het project Druk & Dwars1 in Groningen, met een heel andere kijk op kinderen die we vroeger ADHD’ers noemden. Ze kijken daar met kinderen, ouders en docenten wat de oorzaken zijn van druk en dwars gedrag en hoe je contexten kunt creëren waarin dat ten goede kan worden gekeerd. Dan is niet zozeer het kind het object van verandering, maar ook de opvoed- en onderwijssituatie zelf.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Rik Rutten
1 https://drukendwars.nl
Broertje, documentaire uit 2022 waarin de broers Harry en Micha de Winter tijdens een wandeling door Duitsland – in de voetsporen van hun vader – hun gedeelde verleden bespreken. Bekijk de documentaire hier.
Van uitgeverij SWP mogen we drie exemplaren van Medemenselijk opvoeden weggeven. Belangstelling? Stuur voor 3 mei een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Lees meer
Arjen Lubach dook eerder dit jaar in de wereld van de schoolboeken. Het werd een uitzending vol voorbeelden hoe het niet moet, zoals rekenmethoden met afleidende plaatjes in plaats van kale sommen. Maar hoe dan wel? Op X liepen de voorstellen uiteen. Van het ontsteken van het vuurtje dat leren aanwakkert – ‘Rekenen moet weer aantrekkelijk worden’ – tot kennis proppen – ‘Gewoon weer gaan rekenen. School is niet voor leuk’.
Moeten leerlingen vooruitgang boeken om gemotiveerd te raken of is motivatie een voorwaarde om moeite te willen doen? Onderzoekers uit Helsinki zochten dit uit bij beginnende rekenaars. Ze vroegen 285 leerlingen tijdens hun eerste drie schooljaren naar hoe leuk ze de rekenlessen vonden en een inschatting van hun rekenvaardigheden. Opvallend was dat hun emotionele beleving negatiever werd. Zowel het enthousiasme bij het maken van sommetjes als de overtuiging succesvol te kunnen zijn daalden.
De ontwikkelingsvolgorde tussen rekenplezier en rekenzelfbeeld bleek lastig te ontrafelen. Leerlingen die zeiden de sommen snel en goed te kunnen uitrekenen, waren enthousiaster of verloren minder snel hun positieve gevoel. En omgekeerd: leerlingen die lol beleefden aan het goochelen met getallen, zagen zichzelf eerder als rekenwonders en hielden vertrouwen in hun rekenvaardigheden.
Dat maakt dit onderzoek wat onbevredigend: komt motivatie nu vóór het leren of erna? Maar misschien is het nog belangrijker te gaan begrijpen waarom leerlingen al zo vroeg in hun schoolloopbaan steeds negatiever denken over cijfers en sommetjes.
Niemivirta, M., Tapola, A., Tuominen, H., & Viljaranta, J. (2023). Developmental trajectories of school-beginners’ ability self-concept, intrinsic value and performance in mathematics. The British journal of educational psychology, 10.1111/bjep.12655. Advance online publication, doi.org/10.1111/bjep.12655
Een geadopteerde kat kan een betrouwbare, onzelfzuchtige en tedere vriend zijn, maar ook een positieve verandering betekenen in het leven van kinderen met autisme. Tien gezinnen in de buurt van het Research Center for Human-Animal Interaction in Missouri kregen een zorgvuldig geselecteerde nieuwe huisvriend; een kat met een kalme uitstraling zoals vastgesteld via een temperament-vragenlijst voor katachtigen. Voor hun deelname ontvingen zij bovendien een draagmand, een klimboom, speeltjes, brokjes en gratis kattenbakvulling gedurende de onderzoeksperiode.
Iedere twee weken beantwoordde een ouder vragen over de negatieve en positieve kanten. Ondanks wat geklaag over extra werk, stelde de nieuwe levensgezel niet teleur. Velen noemden de gestaag groeiende vertrouwensband tussen kat en kind als pluspunt.
Ook zagen ouders meer sociale interactie – ‘Mijn zoon praat graag over zijn kat met andere kinderen’ – en empathie – ‘Door de kat heeft hij geleerd zachtaardig en lief te zijn’. Misschien niet genoeg om van een effectieve dierentherapie te spreken, maar mogelijk wel voldoende om een asielkat een tweede kans te geven.
Carlisle, G. K., Lamontagne, A., Bibbo, J., Johnson, R. A., & Lyons, L. A. (2024). Experiences of parents of autistic children who adopted a cat. Qualitative Social Work, 23(1), 26-40, doi.org/10.1177/14733250231151946
Niet iedereen gaat op ontdekkingsreis. Onderzoekers aan het Boston University Wheelock College zagen op video-opnamen van de bouwhoek dat ongeveer een derde van de kleuters nieuwsgierig genoeg is om te gaan bouwen met blokken of proefjes te gaan doen met onbekende materialen. Jongens namen net wat vaker deze stap dan meisjes. Maar hoe gaat het als kinderen in de bouw of wetenschapshoek zijn? Worden jongens en meisjes daar anders behandeld?
In de bouwhoek bleek de leerkracht twee soorten vragen te stellen aan kinderen: vragen naar weetjes en feiten en vragen naar verklaringen en oorzaak-gevolg relaties. Ofwel vragen beginnend met wie, wat, waar en wanneer en uitnodigingen tot complexere redeneringen via hoe en waarom. Leerkrachten stelden beide vragen vaker aan jongens en vuurden vooral het simpelere type W-vragen op de kinderen af.
Vervolgens ging het onderzoeksteam na hoeveel vragen ieder kind had gekregen in de speciaal ingerichte hoek. Dit bleek verhelderend. Het gemiddelde aantal vragen per minuut lag met .17 voor de jongens en .16 voor de meisjes heel dicht bij elkaar. Met deze cijfers in de hand kun je niet zeggen dat meisjes evenveel kans maken om uitgedaagd te worden, maar misschien hebben veel juffen en meesters inmiddels het idee losgelaten dat jongens beter zijn in wetenschap en techniek en dus meer aandacht verdienen?
Kumar, S. C., Haber, A. S., & Corriveau, K. H. (Online first publication). Exploring How Teachers’ Scientific Questions Differ by Child Gender in a Preschool Classroom. Mind, Brain, and Education, doi.org/10.1111/mbe.12400
June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Véronique Wils
In januari ben ik met frisse moed gestart met de keuzemodules van het tweede jaar. We begonnen met een introductie in de toegepaste gedragsanalyse, plotseling een heel gespecialiseerd en inhoudelijk vak vergeleken met de vorige modules gericht op interactie en samenwerking. Leuk hoe de opleiding telkens weer prikkelt en uitdaagt om na te denken over nieuwe onderwerpen.
Naast het volgen van de modules en de uitvoering van de Kenmerkende Beroepssituaties, is het een vereiste om een N=1 verslag, ook bekend als de gevalsbeschrijving of jaarcasus, in te dienen. Dit is een uitgebreid diagnostiektraject waarbij er sprake is van complexe problematiek, oftewel diverse factoren die een rol (kunnen) spelen bij het in stand houden van probleemgedrag. Ik ben in april 2023 gestart met mijn N=1 en de afronding komt in zicht. Het specifiek en met aandacht doorlopen van alle stappen van het diagnostisch proces was heel leerzaam. Al kostte het veel tijd (en frustratie) om de probleemanalyse goed op papier te krijgen. Het was een uitdaging om de samenhang tussen alle verschillende factoren bij elkaar te puzzelen en te komen tot een integratief beeld dat recht doet aan de cliënt. Ik ben trots op het eindproduct en blij voor de cliënt en zijn omgeving. Zij begrijpen nu beter waar zijn gedrag en problemen vandaan komen, waardoor ze er – met de nodige handvatten – ook beter mee om kunnen gaan.
Nu kijk ik vooral uit naar de taart en champagne, die mijn collega en medestudent Anna en ik elkaar hebben beloofd, als beloning wanneer het verslag is afgetekend. Soms heb je iets nodig om naar uit te kijken, ook dat heb ik het afgelopen jaar geleerd.
De laatste module van afgelopen jaar stond in het teken van samenwerken en coachen. Met behulp van onder andere de transactionele analyse zijn we meegenomen in technieken om de samenwerking met teams te verbeteren. Voor de eindopdracht heb ik een analyse gemaakt van de interactie tussen mij en een team, waarmee de samenwerking stroef verliep. Ik concludeerde dat er vooral iets gebeurde in de interactie tussen mij en één specifieke begeleider. Wij botsten nog weleens door haar directe benadering en impulsiviteit. Na deze ontdekking werd ik nieuwsgierig naar haar verhaal en achtergrond. En wat bleek? Haar gedrag was goed te verklaren vanuit haar geschiedenis. Na een gesprek van tien minuten kreeg ik meteen veel meer begrip voor haar. Het volgende inhoudelijke overleg verliep soepel en in goede afstemming. De wijze les: momentjes van oprechte interesse in de persoon voor je, maken soms het
grootste verschil. Tien minuten en een extra kopje koffie zijn dan een kleine investering.
tekst: June Bragg
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:
Ouders mogen zo nodig dag-en-nacht bij hun kind in het ziekenhuis blijven. Er zijn Ronald McDonald Huizen voor gezinnen vlak naast het ziekenhuis. Het past bij de groeiende trend van ‘family-integrated care’ om ouders te betrekken bij medische behandelingen van kinderen. Hoe heeft de pedagogiek een plaats in het ziekenhuis verworven en hoe kind- en gezinsgericht gaat het er werkelijk aan toe?
Lees meer
Een korte film van psychoanalist James Robertson uit 1952, A twoyear-old goes to hospital, volgt Laura tijdens haar opname in het ziekenhuis en toont haar emotionele reacties. De film maakte grote indruk en opende het debat over het belang van de aanwezigheid van ouders bij hun kind in het ziekenhuis, iets wat in die tijd vaak onnodig en storend werd geacht.
Dankzij een breed gedragen discours dat toen ontstond onder psychoanalytici en wetenschappers (waaronder John Bowlby)1 – en mede door de ervaringen van en met verweesde kinderen door de Tweede Wereldoorlog – is er intussen heel wat veranderd. Er wordt veel empirisch onderzoek gedaan naar manieren om medische (be-)handelingen voor kinderen prettiger te laten verlopen. Een innovatief voorbeeld is onderzoek naar de inzet van virtual reality. In een recente studie bleek dat voor het verminderen van pijn en angst bij kinderen rondom een medische procedure met een naald, hypnose via virtual reality net zo effectief is als hypnose uitgevoerd door een zorgprofessional2.
Hoe reduceer je angst, pijn en stress bij kinderen rondom medische (be-)handelingen? Hiermee houden het PROSA-kenniscentrum (procedurele sedatie en analgesie) en de gelijknamige leerstoel bekleed door kinderarts-intensivist Piet Leroy van het Maastricht Universitair Medisch Centrum zich bezig. Hun antwoord: het bieden van procedurele comfortzorg. Oftewel ‘een geïntegreerd en interdisciplinair zorgmodel, dat op de korte termijn comfort tijdens en succes van een medische verrichting beoogt en op de lange termijn het behoud van vertrouwen van kind en ouders in de zorg(-verlener)’3. Bij procedurele comfortzorg hoort in principe geen dwang, maar worden er – voorafgaand aan farmacologische interventies – afleidings- en hypnosetechnieken ingezet. Een veelgebruikte methode bij het behandelen van kinderen is de RAPP-procedure, met aandacht voor Relaxen, Afleiding, Positie (bijvoorbeeld bij de ouder op schoot) en Pijnstilling. Ook zijn er sinds november 2022 internationale richtlijnen, de rights-based standards, voor medische procedures bij kinderen, opgesteld door een groep wetenschappers en zorgprofessionals4.
Algemeen kinderarts Moniek Corcoran heeft de basiscursus procedurele comfortzorg bij kinderen gevolgd bij PROSA en houdt zich actief bezig met het verbeteren van beleid en praktijk op het gebied van angst- en pijnvrij behandelen in het Albert Schweitzer ziekenhuis in Dordrecht. Ze benadrukt het belang van taalgebruik.
“Vermijd woorden als pijn en prik. Laat liever in het midden wat kinderen kunnen ervaren. Zeg bijvoorbeeld: ik ga je nu een medicijn geven. Sommige kinderen voelen daar niets van en andere vinden het een beetje ongemakkelijk of warm aanvoelen. Vertel jij mij straks hoe het voor jou is?”
Ook onderstreept ze het belang van een duidelijke rol voor ouders: “Zij kunnen er zijn om het kind te ondersteunen, vertel ze daarom wat ze kunnen doen en hoe ze kunnen helpen.” Ook wordt steeds meer gewerkt volgens het one-voice principe, waarbij één medewerker het kind en de ouder(s) gaandeweg uitleg geeft bij alle stappen en zorgt voor de afleiding en de andere professionals hun
werk zoveel mogelijk op de achtergrond uitvoeren.
Monieks belangrijkste boodschap: “Je bent zelf als zorgprofessional het belangrijkste instrument, dus doe daar wat mee. En dat hoeft echt niet veel extra tijd te kosten.”
Op een donderdagochtend in februari mag ik meelopen op de kinderdagbehandeling en operatiekamer van een ziekenhuis in Zuid-Holland.
Om met eigen ogen te zien hoe kinderen en ouders begeleid worden voor, tijdens en na een operatieve ingreep.
Op de kinderafdeling heerst rust en zowel de verpleegkundigen als de gangen en behandelkamers maken een (kind-)vriendelijke indruk. Vlak voor de ingreep krijgen ouders en kind – soms met behulp van een knuffelbeest – uitleg over wat er staat te gebeuren en besluiten ze samen welke premedicatie ingezet wordt. Ook op de operatiekamer is er aandacht voor ouder en kind, maar daar heerst tevens een strak tijdschema. Meestal is er geen tijd om uitgebreid stil te staan bij de angsten van een kind.
Het strakke tijdschema en het idee onder zorgprofessionals dat het soms onvermijdelijk is om tegen de wil van kinderen in te gaan, aangezien zij vaak niet het belang van bepaalde medische handelingen kunnen inzien, lijken tegengesteld aan eerdergenoemde procedurele comfortzorg. Rianne van Geldere, medisch-pedagogisch medewerker in het Albert Schweitzer ziekenhuis, vertelt dat het enorm helpt als ouders hun kind goed kunnen voorbereiden op een bezoek aan het ziekenhuis. Bijvoorbeeld met behulp van de app Hospital Hero, recent genomineerd voor de Klokhuis Wetenschapsprijs.
Het lijkt erop dat de pedagogiek vandaag de dag een steeds belangrijkere, maar nog enigszins ondergeschikte rol heeft binnen het ziekenhuis. Sensitief werken met kinderen in de medische gezondheidszorg bestaat echter uit het constant zoeken naar een balans tussen beschermen en genezen, wat uiteraard uitdagingen met zich meebrengt. Leuker kunnen we een bezoek aan het ziekenhuis niet echt maken voor kinderen, maar wel makkelijker, en gelukkig is er steeds meer aandacht voor wat een procedure voor kinderen kan betekenen en hoe we deze zo angst- en pijnvrij mogelijk kunnen inrichten.
tekst: Sanne de Vet
beeld: iStock
1 Van der Horst, F. C. P., & Van der Veer, R. (2009). Changing attitudes towards the care of children in hospital: A new assessment of the influence of the work of Bowlby and Robertson in the UK, 1940 – 1970. Attachment & Human Development, 11 (2), 119-142. doi:10.1080/14616730802503655
2 Van den Berg, S., Hoogeveen, M. O, Van Winden, T. M. S., Chegary, M., Genco, M. S., & Jonkman, N. H. (2023). Virtual reality hypnosis for needle-related procedural pain and fear management in children: A non-inferiority randomized trial. European Journal of Pediatrics, 182, 4421 – 4430. doi:10.1007/s00431-023-05116-8
3 Leroy, P. L., Costa, L. R., Emmanouil, D., Van Beukering, A., & Franck, L. S. (2016). Beyond the drugs: Nonpharmacologic strategies to optimize procedural care in children. Current Opinion in Anesthesiology, 29, 1-13. doi:10.1097/ACO.0000000000000312
4 Bray, L. et al. (2023). Developing rights-based standards for children having tests, treatments, examinations and interventions: Using a collaborative, multi-phased, multi-method and multi-stakeholder approach to build consensus. European Journal of Pediatrics, 182, 4707 – 4721. doi:10.1007/ s00431-023-05131-9
Meer lezen & kijken
Er zijn verschillende initiatieven om zogenaamde thuiszitters te bereiken en weer naar school te krijgen. Een daarvan is Stronk, pedagogische jeugdwerkplaats in Dongen. Hoewel ze niet gestart zijn met het oog op thuiszitters, krijgt Stronk die wel steeds meer binnen. Jongeren, ouders en gemeente zijn enthousiast over de manier van werken.
Lees meer
Wat doet Stronk om aansluiting te krijgen bij deze middelbare scholieren en hun ouders? Ik ga op bezoek bij de initiatiefnemers, dertigers Jorus Rompa en Mark Jonkers. Lisette Bastiaansen – vrijwilliger bij Stronk en gepromoveerd op het onderwerp aandachtige betrokkenheid in het onderwijs1 – is toevallig ook aanwezig, en praat met ons mee.
Jorus is pedagoog, Mark ingenieur. Ze kennen elkaar al hun hele leven en zijn vanuit hun diepgaande vriendschap en gemeenschappelijk mensbeeld Stronk gestart. Menszijn staat centraal, in alles wat ze doen. Echt contact, geraakt worden en aangeraakt worden. En deze waarden vasthouden en voorleven in elke rol die ze hebben en in elke keuze die gemaakt moet worden.
Stronk is een echte werkplaats. Jorus en Mark maken er samen met de jongeren onder andere meubels en decorstukken en ze repareren spullen. Dat doen ze op eigen initiatief of in opdracht van bedrijven en particulieren. Ze werken met hout, metaal, elektronica, mechanica; maar vooral met elkaar.
Een duidelijke visie op pedagogiek en op de existentiële dimensie van voorwerpen maken, komen hier bij elkaar. “Door samen van begin tot eind aan de slag te gaan, ontdekken jongeren wat ze kunnen en zijn ze bezig met hun ontwikkeling”, leggen Jorus en Mark uit. “Pedagogiek gaat over perspectief en groei, over het handelen van volwassenen om die groei bij jongeren te stimuleren, en om bij te dragen aan de veerkrachtige identiteitsvorming van jongeren.”
Door voorwerpen te maken, leren jongeren om te gaan met de eigenschappen van materiaal, en leren ze het idee in hun hoofd omzetten naar een concreet voorwerp. Volgens de initiatiefnemers kunnen jongeren zich verschuilen in het praktisch bezig zijn, maar als de tijd rijp is kunnen ze ook tevoorschijn komen. Het materiaal en het bezig zijn, geeft hen de mogelijkheid om te laten zien wat zich in hun binnenwereld afspeelt, wat ze kunnen en willen ontwikkelen. Ze leren door te doen en Stronk legt daarmee de focus op talentontwikkeling.
Denken en doen zijn bij Stronk aanvullend, en worden daardoor ‘pedagogisch doen’. Jongeren krijgen de ruimte om invloed uit te oefenen op en vorm te geven aan de wereld om hen heen (‘agency’) en dit draagt bij aan hun psychisch welbevinden. Jongeren worden serieus genomen en kunnen actief participeren binnen Stronk, waarbij verwachtingen uitgesproken worden en ze verantwoordelijkheden krijgen. Alles op maat en passend bij wat ze op dat moment aankunnen.
De naam Stronk is een metafoor voor wat hier gebeurt: de jongeren een voedingsbodem geven om te groeien, te zorgen voor stevige wortels (een vertrouwensbasis). Vanuit die wortels kunnen ze groeien door gefaseerd steeds meer verantwoordelijkheid te dragen om uiteindelijk buiten Stronk door te groeien.
Jorus en Mark praten bezield over hun levenswerk. Ze blijven trouw aan de oorspronkelijke waarden, en maken keuzes die hierbij passen. Zo kiezen ze er bewust voor om niet in capaciteit te groeien en vier tot maximaal zes jongeren per dag te ontvangen.
Ook is Stronk twee dagen per week ‘dicht’, zodat ze tijd hebben om contacten te onderhouden met ouders en anderen uit het systeem om de jongeren heen, hierin te coördineren en regie te pakken als
dat nodig is.
Omdat er niet veel jongeren tegelijk komen, ‘moeten’ Jorus en Mark ook echt iets met hen. Ze kunnen niet om elkaar heen. Het echte menselijke contact, oprecht en authentiek, is de basis, waarbij ze jongeren meenemen in de alledaagsheid van het leven. Zo lunchen ze samen en lopen de ouders van Jorus en Mark regelmatig binnen voor een praatje.
Jorus en Mark zijn zichzelf, zijn echt mens. Daarnaast hebben ze natuurlijk hun professionele rol, die ze waar nodig expliciteren. Ze zien de jongeren die thuis zijn komen te zitten niet als thuiszitters of als probleemgeval, maar als mensen die een nieuwe route willen zoeken. De jongere is al een mens, een persoon. Dit mensbeeld en deze manier van leven raakt jongeren en hun ouders, en Jorus en Mark worden op hun beurt ook geraakt en aangeraakt in het contact met de jongeren. Ieder is mens met zijn eigen tekortkomingen of beperkingen, en elk mens is heel in het niet-heel zijn. Door dit voor te leven, creëren ze een gemeenschap op zich, waar iedereen anders is en mag zijn.
Lisette noemt Stronk een plek om op adem te komen, om opnieuw te beginnen; een tussenruimte die geen onderwijs is en ook geen vrije tijd maar iets daartussenin. Mark vergelijkt het met een pedagogische vrijplaats, waar ruimte kan ontstaan voor meer wezenlijke inzichten en ervaringen, juist omdat er buiten de kaders van onderwijs en jeugdhulp gewerkt wordt. Ze zoeken zelf de schuring op, door de grenzen van het onderwijssysteem en systeem van jeugdhulp op te zoeken en maken dus gebruik van hun discretionaire ruimte. Tegelijkertijd dagen ze jongeren uit dat ook te doen. Wat als ik het anders doe? Wat gebeurt er dan? En durf ik dat dan?
Ik ben onder de indruk van Stronk en hoe Mark en Jorus praten over hun jeugdwerkplaats. Het is een plek waar pedagogische begrippen als verbinding, present zijn, werken vanuit de relatie, sensitief zijn,
de mens achter het gedrag zien, echt vorm krijgen. Een plek waar professionele nabijheid en elkaar als mens oprecht ontmoeten samenvallen. Iets wat makkelijker gezegd dan gedaan is, en wat door wet- en regelgeving en bestaande narratieven in de systeemwereld van onderwijs en jeugdhulp steeds lastiger lijkt te worden.
tekst: Marleen Baeten
beeld: Stichting Stronk
1 Proefschrift Aandachtige betrokkenheid als pedagogische grondhouding (2022) van Lisette Bastiaansen: research.uvh.nl/ws/portalfiles/portal/19903820/
PROEFSCHRIFT_LISETTE_BASTIAANSEN_DEFINITIEF.pdf Stronk: www.stronkmaakt.nl
Afgelopen februari promoveerde orthopedagoog Marloes Thalen op onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van ouderen met een verstandelijke beperking en hoe Belevingsgerichte Zorg in die behoeften kan voorzien. Mensen met een verstandelijke beperking worden steeds ouder door verbeterde levensomstandigheden en betere medische zorg. Dat heeft gevolgen voor de dagelijkse zorgpraktijk.
Lees meer
Marloes Thalen
2022-heden
Ontwikkel- en implementatiemanager ouder wordende cliënt, Stichting Philadelphia Zorg
2015-2023
Science-practitioner, Academische Werkplaats Leven met een verstandelijke beperking, Tranzo, Tilburg University
2015-2023
Promovendus-onderzoeker, Stichting Philadelphia Zorg
2010-2015
Coördinerend begeleider MVG, Stichting Philadelphia Zorg
2010-2011
Master Forensische orthopedagogie, Universiteit van Amsterdam
2009-2010
Master Pedagogische wetenschappen, Universiteit van Amsterdam
2004-2008
Bachelor Pedagogische wetenschappen, Universiteit van Amsterdam
Het idee voor het promotieonderzoek kwam van de werkgever van Marloes Thalen, Philadelphia in Amersfoort, de zorginstelling die mensen met een beperking op verschillende manieren ondersteunt. Marloes: “Er kwamen steeds meer signalen uit de praktijk van begeleiders die aangaven dat ze – nu cliënten steeds ouder worden – worstelen met de begeleiding. Toen heeft Philadelphia mij gevraagd onderzoek te doen naar de ondersteuningsbehoeften van cliënten en naar Belevingsgerichte Zorg als methodiek om in die behoefte te voorzien. Ik ben vanuit Philadelphia gedetacheerd bij de Academische Werkplaats Leven met een verstandelijke beperking van de Tilburg University om mijn promotieonderzoek te doen. Petri Embregts en Karin Volkers hebben mij hierin begeleid.”
Kun je schetsen hoe het leven van de steeds ouder wordende cliënt met een verstandelijke beperking eruitziet?
“Laat ik voorop stellen dat ouder worden natuurlijk een individueel proces is. Maar als je voor de hele groep spreekt, dan zie je dat deze mensen steeds ouder worden – soms net zo oud als mensen zonder beperking. Je ziet ook dat mensen met een verstandelijke beperking éérder oud worden en dat ze vaker te maken hebben met meerdere gezondheidsproblemen. Dat kan complexe situaties opleveren, waarbij de fysieke problemen snel in het oog lopen. Als iemand niet goed ter been is, dan zie je dat meteen. Maar het psychosociale deel van het verhaal is minder zichtbaar. Ik hoop dat mijn onderzoek bijdraagt aan het vergroten van de aandacht daarvoor.”
Hoe heb je het onderzoek aangepakt?
“In de eerste fase hebben we gekeken naar wat de ondersteuningsbehoeften op de verschillende domeinen van kwaliteit van leven zijn. We zijn in gesprek gegaan met experts die ruime ervaring hebben met ouderen met een verstandelijke beperking, zoals psychologen en orthopedagogen. Daarnaast hebben we ouderen met een verstandelijke beperking geïnterviewd en gevraagd wat zij belangrijk vinden in het dagelijks leven, welke hulp ze hebben en hoe ze die hulp ervaren. Daar kwam duidelijk uit naar voren dat er naast behoefte op het gebied van fysiek welbevinden ook behoeften zijn op het psychosociale vlak. Denk aan emotioneel welbevinden, persoonlijke relaties en existentieel welbevinden. Vervolgens ben ik gaan onderzoeken welke interventies er op dat gebied zijn. Dat bleken er nog maar weinig, waarbij de rol van de begeleider ook nog eens vrij klein was. Tot slot heb ik gekeken of Belevingsgerichte Zorg in die behoefte kan voorzien en hoe je die zorg als professional kunt toepassen.”
De titel van je proefschrift luidt Welcome to my world. Hoe ben je op die titel gekomen?
“Dat raakt de kern van het verhaal, namelijk dat je als begeleider in staat moet zijn om je te verplaatsen in de belevingswereld van de ouder wordende cliënt. Tegelijkertijd is het belangrijk dat je je ook bewust bent van je eigen belevingswereld, want die kan best verschillen van die van de cliënt. Je kunt de titel dus zien als een wederzijdse uitnodiging om elkaars wereld beter te leren kennen. Je gaat het gesprek aan met elkaar, met de familie en andere naasten van de cliënt en je probeert het levensverhaal echt scherp te krijgen. Dan leg je in feite de basis voor het traceren van de juiste ondersteuningsbehoeften.”
Voor het concept van Belevingsgerichte Zorg is Philadelphia terechtgekomen bij verpleegkundig onderzoeker Cora van der Kooij, die de grondslag heeft gelegd voor zogeheten belevingsgerichte professionaliteit in de ouderenzorg. Jij hebt onderzocht of je dit principe ook zou kunnen toepassen in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Hoe zou je Belevingsgerichte Zorg omschrijven?
“Als een vorm van persoonsgerichte zorg, een methodiek die begeleiders kan helpen om écht de verbinding te maken met de ouder wordende cliënt, en ook aan te sluiten bij de belevingswereld van die
cliënt, waardoor je in staat bent om iemands wensen en behoeften te achterhalen en daarbij aan te sluiten. Belangrijk aspect is dat je het als begeleider iedere dag opnieuw toepast en iedere dag weer opnieuw kijkt naar hoe het gaat. Want juist bij deze groep mensen kan het verouderingsproces opeens snel gaan – wat je deze week nog kunt, kun je volgende week misschien niet meer. Er kan heel veel aan de hand zijn. Hun gehoor en zicht worden bijvoorbeeld steeds minder, maar ook hun smaak verandert. Daarom is het zo belangrijk om iedere dag weer met een frisse blik naar hen te kijken.
Dan weet je wat iemand nog wel of niet wil. Is dagbesteding of een werkomgeving nog zinvol of is het beter om ermee te stoppen? Wil iemand nog nieuwe dingen leren, zoals werken op een tablet? Dan kun je daarop inzetten. Het is maar een kleine greep uit de onderwerpen die voorbij komen.”
Je vertelde eerder dat het belangrijk is dat begeleiders zich ook bewust zijn van hun eigen belevingswereld. Waarom is dat zo belangrijk?
“Een heel eenvoudig voorbeeld. Stel dat je het als begeleider fijn vindt om op zondag met je gezin te ontbijten met een gekookt eitje. Puur vanuit een goede intentie ga je dat ook voor cliënten doen, maar in feite projecteer je je eigen belevingswereld dan op die van de cliënt, terwijl je helemaal niet weet of die er wel op zit te wachten.”
Kun je een voorbeeld geven van hoe Belevingsgerichte Zorg op een positieve manier kan uitpakken in de praktijk?
“Dan denk ik meteen aan een cliënt die al zijn hele leven erg netjes gekleed gaat. Op een gegeven moment werd het voor hem lastig om op tijd de knoop en rits van zijn broek los te maken als hij naar
het toilet moest, waardoor hij soms te laat was. Heel vervelend dus. In eerste instantie was het idee dat hij voortaan een joggingbroek zou kunnen dragen, maar de cliënt voelde zich er niet prettig in en ook de familie had er moeite mee – dit was niet hoe zij hem kenden. Dus toen is besloten om een nette broek met een elastieken boord te laten maken, waardoor hij er net zo netjes uitziet als altijd én nog steeds zelfstandig naar het toilet kan. Het is een voorbeeld waaruit blijkt hoe ontzettend belangrijk het netwerk van een cliënt is.”
Hoe reageren de medewerkers van Philadelphia op deze nieuwe manier van werken?
“Eigenlijk heel enthousiast. We hebben een training ontwikkeld waarbij ze leren hoe ze met de methodiek moeten werken, denk aan het optekenen van het ‘levensverhaal’. Wat ik terugkrijg is dat ze nu handvatten hebben om beter te begrijpen wie de cliënt in essentie is.”
Hoe kunnen orthopedagogen bijdragen aan een goede implementatie van Belevingsgerichte Zorg?
“Het is allereerst belangrijk dat ook orthopedagogen getraind worden om te begrijpen hoe Belevingsgerichte Zorg werkt. Dan begrijpen ze ook welke afwegingen soms worden gemaakt, dat er bijvoorbeeld iets blijft liggen omdat iets anders belangrijker was in het belang van de cliënt. Of dat het tempo wat lager ligt omdat je je aanpast aan de belevingswereld van de cliënt. De training Belevingsgerichte Zorg, onder andere gebaseerd op de uitkomsten van mijn proefschrift, wordt op dit moment alleen aangeboden aan alle locaties binnen Philadelphia die met ouderen met een verstandelijke beperking werken, nog niet extern.”
“Verder zie ik de orthopedagoog vooral als degene die de focus breed houdt. Soms kun je als begeleider behoorlijk in beslag worden genomen door fysieke zaken en dan bestaat het gevaar dat de focus toch weer te veel op het medische aspect komt te liggen. De orthopedagoog bewaakt dan de andere domeinen, die kan bijvoorbeeld vragen of er wel genoeg contactmomenten met de familie zijn.”
tekst: Raymond Krul
Proefschrift Welcome to my world
Quint komt alleen naar de intake. Zenuwachtig frommelt hij aan zijn hoodie, zijn gezicht verstopt in zijn capuchon. Zijn gezicht is bleek en gevlekt door de jeugdpuistjes. ‘Mijn moeder komt er zo vast aan hoor’, zegt hij. ‘Ze is met de bus, maar ze weet de weg vaak niet zo goed.’
Lees meer
Zijn jullie niet samen gekomen?”, vraag ik hem.
“Nee, zij komt uit Capelle, maar ik woon in Hoogvliet, op de groep.”
“Wat knap dat je alleen hier heen komt en dat je zelf met ons in gesprek durft. Weet je waar dit gesprek voor is?”
“Ja, dat ik weer naar school kan.”
“Zou je dat graag willen?”
“Ja, ik wil graag naar school en weer bij mama wonen.”
“Lukt dat nu niet?”
“Nee, ik ben vaak boos.”
“Zo, nou, ik merk dat je eigenlijk al meteen goed over jezelf kan praten. Dat is hartstikke fijn en knap. Dat gaat je hier zeker helpen. Ik ga nu een heleboel vragen aan je stellen. Vind je dat goed? En ondertussen wachten we op je moeder. Hoe oud ben je eigenlijk?”
“Dertien”, antwoordt hij. “Ik ben vandaag jarig.”
Quint is aangemeld bij een jeugdinstelling voor behandeling en onderwijs, waar ik samen met een begeleider de intake doe. De jeugdreclasseerder zit erbij omdat Quint mee heeft gedaan met een groepsdelict op straat.
“Kun je me iets meer vertellen over hoe het op school ging?”, vraag ik na een tijdje.
Quints moeder is nog niet aangekomen en hij kijkt regelmatig in zijn WhatsApp.
“Wel goed, maar ik had altijd ruzie met de kinderen uit de klas. De leraren waren wel aardig hoor. Maar ik mocht op school geen telefoon en die heb ik echt nodig. Dus eh… ik wil effe weten of ik hem hier mag houden in de klas. Wat gaan we hier eigenlijk allemaal doen?”
“Goede vragen zeg! Mag ik vragen waar je je telefoon echt voor nodig hebt?”
“Nou gewoon, voor m’n moeder, enne… om te zeggen tegen iemand als ie zijn bek moet houden.”
“Hoe bedoel je, Quint?”
“Nou gewoon, in de klas praat iedereen tegen me en als ik wil dat het stopt, moet ik effe appen. Dan zeg ik: Hou effe je bek en dan luisteren ze wel. Anders luisteren ze niet.”
“Dus, begrijp ik het goed dat je ‘in het echt’ niet kan zeggen dat je het niet leuk vindt als iemand iets doet, maar dat je dat wel via de app kan?”
“Ja, man. Of eh, sorry, u bent een vrouw.”
“Zou dat dan iets zijn, om hier te leren?”
“Ik weet het niet.”
“En ik hoorde je ook vertellen dat je graag weer thuis wil wonen. Klopt dat?”
“Ja, maar wel als ik dan langer mag douchen, want bij mama mag het maar een minuut. Anders lekt het naar beneden en wordt de bank weer nat. Dus op de groep is de douche wel chill. Maar, eh… kan ik nog effe mijn moeder bellen?”
tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.
Quint heet in werkelijkheid anders.
Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord V(S)O biedt vier groepsarrangementen aan voor leerlingen in het voortgezet onderwijs met een extra ondersteuningsbehoefte. Deze arrangementen bieden leerlingen een goede kans om hun schoolloopbaan succesvol te doorlopen op het regulier onderwijs, concludeert het Kohnstamm Instituut. We spreken erover met Yolanda Klomp en Barbara Vonck van het samenwerkingsverband.
Lees meer
Yolanda Klomp (rechts) en Barbara Vonck begeleiden vanuit het samenwerkingsverband scholen op gebieden waar extra hulp nodig is. Yolanda (orthopedagoog) is daarnaast teamcoördinator, met verantwoordelijkheid voor verschillende projecten en doelen in het jaar- en ondersteuningsplan.
“Wat goed is voor één leerling, is vaak ook goed voor de rest”, zegt Barbara Vonck halverwege het gesprek. Het is illustratief voor de beweging die samenwerkingsverbanden in het hele land maken: waar de dienstverlening zich voorheen met name richtte op het helpen van individuele leerlingen, zoomen ze nu vaker uit.
Bij het Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord V(S)O (Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Maasland), is deze ontwikkeling volgens Yolanda Klomp al wat langer gaande.
“We combineren praktijk en beleid en dat maakt het werk ontzettend boeiend. Als scholen ergens tegenaan lopen, worden we vaak gevraagd om mee te denken. We praten met ondersteuningscoördinatoren, met teamleiders, we observeren groepen waar het lastig gaat en geven workshops en trainingen. Op die manier kunnen we samen met scholen hun basis versterken, waardoor je problemen in een later stadium kunt voorkomen. En met de groepsarrangementen zijn we eigenlijk al jaren bezig, daarmee lopen we als samenwerkingsverband best voorop.”
De kern van het groepsarrangement is dat de hulp voor een bepaalde groep leerlingen geclusterd is. Dat hoeft overigens niet per definitie te betekenen dat de leerlingen ook fysiek bij elkaar in de klas zitten.
Barbara: “Het arrangement VSO in VO is bijvoorbeeld bedoeld om leerlingen die in aanmerking komen voor het speciaal onderwijs, tóch op het reguliere onderwijs te houden. De eerste scholen zijn begonnen met een aparte klas, maar omdat er niet altijd meteen een klas te vormen was, zijn scholen deze leerlingen ook in reguliere klassen gaan plaatsen. Dat werkte eigenlijk zo goed dat we inmiddels geen losse groepen meer hebben.”
Het samenwerkingsverband liet de vier groepsarrangementen (zie kader) onderzoeken door het Kohnstamm Instituut. Belangrijkste conclusie: de arrangementen bieden leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften een goede kans om hun schoolloopbaan succesvol te doorlopen in het reguliere onderwijs. Uit interviews blijkt dat leerlingen zich gezien voelen, meer motivatie en meer vertrouwen in hun diplomakansen hebben en dat zij op persoonlijk vlak groeien. Dit komt volgens de ouders en leerlingen door de groepsarrangementen.
Barbara: “Het zijn echt resultaten om trots op te zijn. Door deze arrangementen kunnen we voorkomen dat leerlingen uitstromen naar het speciaal onderwijs en ervoor zorgen dat ze de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben, zodat ze in hun eigen buurt onderwijs kunnen blijven volgen. Daarnaast is het mooi om van ouders en leerlingen te horen dat ze het fijn hebben op school en goed in hun vel zitten.”
Het Kohnstamm Instituut kwam ook met enkele verbeterpunten. Bijvoorbeeld met betrekking tot de overgang van onder- naar bovenbouw, de informatievoorziening vooraf aan ouders en het gebruik van inclusief taalgebruik. Yolanda: “We kregen van de scholen terug dat een naam als ‘VSO in VO’ niet helpend is en kan bijdragen aan het in stand houden van bepaalde vooroordelen. Wij gaan over het bieden van de juiste ondersteuning en niet over diagnoses, dus je wilt zoveel mogelijk wegblijven van labels. Tegelijkertijd wil je wel duidelijk maken dat het om vrij zware ondersteuning gaat. Dus dat is iets waar we goed en zorgvuldig over willen nadenken.”
Voor het slagen van de arrangementen is goede en intensieve begeleiding volgens Yolanda onontbeerlijk. “Hoe je die begeleiding als school invult, is vaak een kwestie van maatwerk en hangt af van de inrichting en kwaliteiten van de school. Soms is het een uitgebreid mentoraat, soms wordt een coach van buiten ingehuurd.”
De orthopedagoog/onderwijs-ondersteuningsspecialist denkt mee op casusniveau; hoe kan de ondersteuning in deze school voor deze leerling eruit zien? Vaak sluiten ze aan bij ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) gesprekken. Yolanda: “We coachen en denken mee met docenten, mentoren en coaches die uitvoerend met de leerlingen werken. We denken mee over het proces binnen de school, vaak met de ondersteuningscoördinator, maar ook met andere partijen zoals teamleiders en leerling-coördinatoren. Dit loopt van aanmelding tot en met examens; ‘Waar moeten we rekening mee houden?’, ‘Hoe heeft het arrangement een plek in de school?’ en ‘Hoe neem je het team daarin mee?’. We kunnen daarin ook uitvoerend iets betekenen, denk aan het organiseren van een workshop of meedenk-sessie, of intervisiegroepen en leergemeenschappen waarin mensen van verschillende scholen samenkomen.”
Orthopedagogen op andere scholen/samenwerkingsverbanden die met deze arrangementen zouden willen werken raadt Yolanda aan uit te gaan van het Three-tiered model1, dat kan helpen om de ondersteuning in de school vorm te geven.
“Daaraan refereren op verschillende niveaus en zo een kader schetsen, is iets wat orthopedagogen kunnen initiëren. Ook is het belangrijk om de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om zo’n arrangement te starten helder te hebben. Uiteindelijk moet een school het zelf echt willen en doen, er klaar voor zijn en weten waar krachten – en grenzen – liggen. Kortom de basis moet op orde zijn en daarin hebben wij als orthopedagoog vanzelfsprekend een rol binnen het onderwijs.”
tekst: Raymond Krul
1 Het Three-tiered ondersteuningsmodel is een soort piramide. In de onderste, brede laag wordt goed onderwijs gegeven aan álle leerlingen. Ingebed in het klassenmanagement en met gebruik van effectief gebleken instructievormen. Hiervan profiteert 80% van de leerlingen. De middelste laag van de piramide bestaat uit leerlingen met risicogedrag: 15%. Op dit niveau voert de leraar programmatische interventies uit in de klas. De toplaag geeft de 5% van alle kinderen aan met ernstig probleemgedrag. Voor deze leerlingen zijn er individuele interventies op maat.
Bekijk hier de resultaten van het onderzoek door het Kohnstam Instituut
Ga constructief met je kinderen in gesprek over social media en maak in een vroeg stadium afspraken over schermtijd. Dat zijn effectieve maatregelen om mediaverslaving te voorkomen, zegt Ina Koning, hoofddocent Orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ze vindt dat er nog weinig wetenschappelijk kennis is over effectieve interventies voor ouders en professionals. ‘We moeten nog een miljoen vragen beantwoorden.’
Lees meer
Ina Koning is universitair hoofddocent Orthopedagogiek aan de Vrij Universiteit Amsterdam. Ze heeft veel onderzoek gedaan naar risicogedrag bij jongeren. ‘Een mediaverslaving is een gedragsverslaving en in die zin het beste te vergelijken met een gokverslaving.
Er komen geen middelen aan te pas, zoals bij alcohol of drugs.’
Als we Ina Koning online spreken, is ze niet op haar werkplek bij de Vrije Universiteit. Ze werkt thuis omdat haar jongste dochter ziek is. Geluk bij een ongeluk: we zien achter haar een A4’tje aan de muur hangen met de telefoonregels van het gezin. Er staat bijvoorbeeld op dat de mobiele telefoon niet mee naar boven gaat, dat de telefoon tijdens het eten niet wordt gebruikt en dat persoonlijk contact belangrijker is dan de telefoon.
“We hebben die regels samen opgesteld en dat is ontzettend belangrijk: je kinderen betrekken bij het opstellen van regels over telefoongebruik.”
Ina Koning heeft drie dochters, van acht, twaalf en dertien jaar. Ze maakt dankbaar gebruik van de mogelijkheid om haar wetenschappelijke bevindingen te toetsen in huiselijke kring. “Als ik iets vraag, zeggen ze soms: wil je dit weten als moeder of voor je onderzoek? Eigenlijk allebei, zeg ik dan. Gelukkig zijn ze bereid om veel met me te delen.”
Ina Koning houdt zich sinds een jaar of acht bezig met problematisch gebruik van social media. Daarvoor deed ze onder meer onderzoek naar alcoholgebruik onder jongeren. “Mijn interesse richt zich op het risicogedrag: welke jongeren zijn gevoelig voor verslaving en welke niet? En op welke manier kunnen ouders hun kinderen daarbij ondersteunen?”
Veel wetenschappelijke kennis is er nog niet als het gaat om mediaverslaving, wat gezien de relatief jonge historie van de smartphone
niet verwonderlijk is. Wat we volgens haar wél weten, is dat het van wezenlijk belang is om met je kinderen in gesprek te zijn en te blijven. “Mijn jongste dochter heeft nog geen mobiele telefoon, maar ze kijkt af en toe mee met vriendinnen. Soms komt ze thuis en vertelt ze dat ze nare dingen heeft gezien. Het is goed dat ze daarover praat, want zoiets kan echt onder je huid gaan zitten als je dat niet doet. Het is belangrijk dat je interesse toont, niet meteen oordeelt als je een schreeuwerig YouTube-filmpje ziet, maar dat je over hun voorkeuren en online gedrag in gesprek gaat.”
Van alcoholverslaving weten we dat het stellen van duidelijke regels ervoor zorgt dat jongeren gemiddeld genomen later beginnen met drinken. Geldt dit ook voor social media?
“In principe wel, alleen zien we bij social media lang niet zo’n sterk effect als bij alcohol. De verklaring daarvoor ligt deels in het feit dat kinderen soms al social media gebruiken op het moment dat deze afspraken worden gemaakt. En dan wordt het heel lastig om hun gedrag nog te veranderen. Daarom is het belangrijk om afspraken te maken vóór ze actief worden op social media, dus echt op behoorlijk jonge leeftijd.”
Voor ouders is het soms ook wel prettig als de kinderen even zoet zijn met een tablet of telefoon.
“Zeker en dat maakt het ook zo’n complex onderwerp. Ouders hebben er soms belang bij dat hun kind even online is, dan is het scherm je oppas. Er is een groep ouders die dat soms ook echt even nodig heeft, bijvoorbeeld omdat ze alleenstaand zijn en net een lange werkdag achter de rug hebben. Ik veroordeel dat niet, maar het is wel belangrijk dat ook deze ouders zich bewust zijn van het gemak waarmee ze het scherm kunnen inzetten en de mogelijke effecten hiervan. Zodat ze goed nadenken over de keuzes die ze maken over wanneer ze hun kind achter een scherm laten.”
Ook veel volwassenen kunnen niet van hun smartphone afblijven. Is het belangrijk dat zij het goede voorbeeld geven?
“Ja, dat is belangrijk. Kijk, iedereen is onderdeel van de digitale wereld. Mijn dochter is vandaag ziek, dus ik moet haar afmelden in een online systeem en daarvoor heb ik mijn telefoon nodig.
Als ik spreek op ouderavonden, dan poneer ik altijd een stelling over dit onderwerp, in de trant van: ‘Ik mag wel op mijn telefoon want ik moet belangrijke zaken regelen’. Een flink deel van de ouders is het eens met die stelling. Dan zeg ik: voor jou is het regelen van je bankzaken misschien belangrijk, maar voor je kind is het nét zo belangrijk om nog even dat ene berichtje te sturen, of om te zien wat er in de groepsapp gebeurt. Daarom is het belangrijk dat jij als ouder ook je telefoon weglegt en dat je je bankzaken op een ander moment regelt.
Daar komt nog bij dat we als wetenschap steeds scherper krijgen dat het schadelijk is wanneer je als ouder op je telefoon kijkt terwijl je in interactie bent met je kind. Een kind kan zich daardoor afgewezen voelen en denken: die telefoon is belangrijker dan ik.”
Welke kinderen en jongeren zijn met name gevoelig voor mediaverslaving?
“Kort gezegd gaat het vooral over kwetsbare jongeren en dan iets meer meisjes dan jongens. Denk aan jongeren met een lagere sociale competentie, jongeren die niet tevreden zijn over hun leven of jongeren die opgroeien in gezinnen waar al de nodige problemen spelen. Je kunt je voorstellen dat ze dan op zoek gaan naar erkenning en waardering en die vinden ze op social media, waar het algoritme er ook nog eens voor zorgt dat je steeds weer wordt bevredigd in die behoefte en dat je niet zo makkelijk kunt stoppen.”
beeld: Shutterstock
Je hebt weinig vertrouwen in de grote techbedrijven. In een opiniestuk in de Volkskrant1 schreef je, samen met collega-orthopedagoog Helen Vossen, dat de maatregelen die zij nemen om verslaving tegen te gaan niet serieus te nemen zijn.
“In dat stuk omschreven wij de maatregelen die deze bedrijven nemen als screenwashing. Ze zouden wel iets kunnen doen, zoals het instellen van een timer, maar dat zet nauwelijks zoden aan de dijk. Logisch, want het verdienmodel van die bedrijven is erop gericht om jou zo lang mogelijk online te houden. De essentie van de technologie is dat het beloningssysteem van je hersenen steeds opnieuw wordt gestimuleerd, wat voor het verslavende karakter zorgt. Om die reden, en omdat er nogal wat tijd overheen gaat voordat er goede regelgeving vanuit de overheid is, is de rol van ouders zo belangrijk. Het is belangrijk om ouders nu al bewust te maken van wat zij kunnen doen.”
Hoe kunnen orthopedagogen en andere hulpverleners ouders daarbij ondersteunen?
“Ze kunnen in ieder geval ouders stimuleren om hierover in gesprek te gaan met hun kinderen, maar verder weten we nog ontzettend weinig. Ik geef op dit moment veel presentaties bij scholen, zorgprofessionals en preventiemedewerkers en dan vertel ik dat we eigenlijk nog nauwelijks kennis hebben over effectieve interventies. Daarom vind ik dat we veel meer onderzoek moeten doen naar evidencebased interventies. Neem het ‘smartphoneverbod’ dat sinds kort op veel scholen is ingesteld. Op zichzelf is het een goede maatregel, maar het is vrij bot ingezet. Iedere school hanteert het ook nog eens op zijn eigen manier, dus eigenlijk doen we maar wat. Liever had ik een pilot gezien waarbij we echt goed hadden onderzocht wat wel en niet werkt.”
Er is dus veel behoefte aan kennis.
“Zeker, er zijn een miljoen vragen die nog beantwoord moeten worden. Er is bijvoorbeeld vooral onderzoek gedaan in de normatieve groep jongeren, terwijl we er steeds meer achter komen dat voor neurodivergente jongeren, denk aan jongeren met autisme, ADHD of een licht-verstandelijke beperking, social media een andere rol kunnen spelen. Aan de ene kant zijn de risico’s groter, maar aan de andere kant kunnen deze jongeren ook voordelen hebben van social media. We gaan daarom beginnen met een onderzoek naar hoe we media-interventies beter kunnen afstemmen op de behoeften van gezinnen met een kind met neurodivergentie.
Laatst kwam een ouder van een kind met autisme naar mij toe. Ze vertelde hoe lastig ze het vond dat hij zoveel op zijn scherm zat te turen, maar dat hij daar wel enorm gelukkig van wordt. Ik heb gezegd dat we nog niet veel weten uit onderzoek, maar dat deze ouder goed moest kijken of het schermgebruik ten koste gaat van andere domeinen, zoals school of persoonlijke verzorging. Als dat het geval is, dan moet je je zorgen gaan maken.”
We moeten dus toe naar een genuanceerder beeld over social media-gebruik. Dat kan door meer onderzoek te doen. Kan de overheid daar nog een rol bij spelen?
“Het is cruciaal dat we de kennis van ouders en professionals vergroten. Meerdere wetenschappelijke disciplines zijn betrokken bij dit onderwerp en het is goed dat we veel meer gaan samenwerken en kennis delen. De overheid zou een rol kunnen spelen om die disciplines bij elkaar te brengen – ook in financiële zin. Er lopen nu veel losse studies. Als we die bundelen, kunnen we veel meer impact hebben.”
tekst: Raymond Krul
1 www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-de-overheid-moet-nu-ingrijpen-om-socialemediaverslaving-tegen-te-gaan~bf8599b3/?referrer=https://www.google.com/
Als ik naar het theater ga en daar gegrepen word, wil ik dat graag delen. Deze rubriek leent zich daar natuurlijk voor, maar ook weer niet… Tegen de tijd dat de Pedagoog uitkomt, worden de voorstellingen meestal niet meer gespeeld. Afgelopen jaar zag ik echter een voorstelling die me zo gegrepen heeft dat ik jullie zelfs de anderhalve minuut toewens die op YouTube te zien is.
Lees meer
Als het anders loopt van Het Houten Huis, in samenwerking met dansgezelschappen Plan d- en Club Guy & Roni, kreeg lovende recensies in onder andere Het Parool en de Volkskrant, won een Zilveren Krekel voor meest indrukwekkende jeugdtheaterproductie, de Jonge Zwaan voor de meest indrukwekkende jeugddansproductie en de Podiumkids publieksprijs.
In een decor met hoge bewegende wanden duiken verschillende personages op. Jonas met het syndroom van Down, die verwonderd heen en weer loopt terwijl zijn vader met een stapel dossiers rondloopt die zo hoog is dat hij er niet overheen kan kijken en Jonas telkens uit het oog verliest. Een vrouw in een rolstoel, een man zonder onderarmen en -benen, een vrouw met een reusachtig ingezwachteld hoofd en een meisje.
We zien de muren, we horen piepjes en bliepjes, de muren bewegen en twee handen in blauwe latex handschoenen verschijnen uit een loket. Twee anonieme handen uit een loket dat zo hoog zit dat het onbereikbaar is. De vrouw in de rolstoel probeert door te dringen tot degene die haar te woord staat; Ja ze heeft overgewicht, ja ze heeft psychische problemen en ja ze zit in een rolstoel, tóch kan ze gewoon praten en zeggen waar ze behoefte aan heeft. En – surprise! – ze kan ook opstaan uit de rolstoel, maar ze heeft ‘m wel nodig!
De man zonder rolstoel en zonder handen en voeten, kan ook zonder die handen en voeten uitleggen dat hij geen rolstoel nodig heeft. Hij kan ook heel goed vertellen en laten zien waarom een Segway handiger is voor hem. Maar helaas, alleen de rolstoel wordt vergoed. De kosten van een rolstoel inzetten voor de goedkopere Segway? Je raadt het al: computer says no.
Terwijl iedereen op het podium maar doordraaft en -danst, de frustratie stijgt en de verwondering doorgaat, ligt het meisje in bed. Er wordt over haar gepraat, diagnoses worden opgeschreven en het meisje zakt weg. Letterlijk. Uit het bed, op de vloer en ze danst een ongrijpbare dans tot ze uiteindelijk (heb ik het er later bij verzonnen of is het echt gebeurd?) toch gegrepen wordt, door de blauwe handen en in het loket verdwijnt.
Het duurt nog even, maar de voorstelling wordt begin 2025 hernomen! Het is de tweede uit een drieluik over de zorg. De derde voorstelling, Zorgmonster, is gepland voor 2026/2027. Dus hou het in de gaten; jeugdtheatergezelschappen zoals Het Houten Huis bewijzen ons vakgebied een grote dienst.
tekst: Bart van Gent
beeld: Het Houten Huis
Het Houten Huis: www.hethoutenhuis.org
De anderhalve minuut op YouTube: www.youtube.com/watch?v=VYENeRqXQYE
Paarden en Nel Koekkoek – NVO-lid en orthopedagoog-generalist – gaan al een leven lang samen. Toen ze op haar vijfenveertigste het boek ‘Ruiter tussen twee werelden’ van Linda Kohanov las, besefte ze dat ze het paard ook in kon zetten binnen haar werk als orthopedagoog. Nu, vijftien jaar later, is het paard niet meer weg te denken als co-therapeut binnen haar praktijk Koekkoek & Co. Voor de Pedagoog beschrijft ze haar ervaringen.
Lees meer
Mijn reden om te gaan werken met paarden binnen de jeugd-ggz is dat ik een laagdrempelige context wilde ontwikkelen, waarbinnen je vanuit ontspanning, speelsheid en veiligheid kunt werken met kinderen, jongeren én hun gezinnen. Het mag leuk zijn, niet alleen maar spannend en moeilijk, om samen met je gezin te werken aan de symptomen die er spelen. Jongeren denken vaak: ‘Zie je wel, er is iets mis met mij, daarom zit ik hier’. Dat is een blokkerende gedachte, die de hulpverlening belemmert en soms helemaal laat stagneren.
De werkzame factor binnen onze trajecten is het ontwapenende karakter van het werken met de paarden, gecombineerd met leeftijdgenoten én met het gezinssysteem. Het paard laat je keer op keer ervaren dat je oké bent, je er altijd weer bij mag en steeds een nieuwe kans krijgt. De jeugdigen en ook de gezinsleden, worden zich bewuster van hun emoties in contact met zichzelf en elkaar.
Het reflectievermogen wordt groter en er worden nieuwe betekenissen gegeven aan gedrag. Hierdoor ontstaat er een andere ruimte voor interactieprocessen onderling en is verandering mogelijk. Uiteindelijk ga je echt geloven dat je goed bent zoals je bent. Deze combinatie bevordert openstaan voor het verwerken van pijn en trauma en het aangaan van nieuwe verbindingen. Het samen plezier beleven, helpt mee in het ontstaan van trots en bewondering.
Binnen de wereld van Animal Assisted Interventions (AAI, zie kader) bevindt onze praktijk zich op het gebied van Animal Assisted Therapie (AAT, zie kader), en nog specifieker equitherapie, omdat wij werken met paarden. In onze praktijk geven we binnen onze jeugd-ggz een vorm van equitherapie die je beter kunt omschrijven als contextuele paardentherapie, CPT (Selbeck, 2020). CPT is een behandelvorm die twee psychotherapeutische methodieken in zich verenigt: paardentherapie en systeemtherapie. De paardentherapie richt zich op de emotionele beleving van de cliënt en/of het cliëntsysteem. Samen met de therapeut wordt er gekeken naar de wisselwerking tussen paard en cliënt en betekenis gegeven aan wat gezien en waargenomen wordt in het lichaam.
We werken met name in de context van een groep. Dit kan een gezin zijn maar ook een groep kinderen of jongeren van dezelfde leeftijd. Deze groepsbijeenkomsten zijn onderdeel van een contextueel behandeltraject. Een groep bestaat uit vijf tot acht kinderen of jongeren, die vijf weken achter elkaar wekelijks één tot anderhalf uur werken met de paarden.
De begeleiding is in handen van twee therapeuten, een gz-psycholoog, orthopedagoog of (toegepast) psycholoog. De behandeling vindt plaats in een alleen voor deze gelegenheid afgehuurde ruimte, zodat de privacy gegarandeerd is. De groepsbehandeling is een onderdeel van het gehele traject, naast het werk met het gezin en/of de ouders.
Sinds 2020 bestaat in Nederland het AAI-kwaliteitsregister (AKR) waarin mensen die dieren inzetten in hun werk zich kunnen registreren. Het register biedt kwaliteitseisen voor interventies, bewaking van het welzijn van mens en dier, (her)certificering van gekwalificeerde AAI-professionals, accreditering van kwalitatieve AAI-opleidingen en zichtbaarheid voor cliënten, zorginstellingen en gemeenten.
bron: https://aairegister.nl
Academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie Karakter doet onderzoek naar Animal Assisted Therapy (AAT). AAT is een doelgerichte interventie die wordt gegeven door een gediplomeerde en geregistreerde professional. Hierbij wordt een dier als integraal onderdeel van het zorgtraject in de behandeling opgenomen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de inzet van een dier een kalmerende werking heeft op het fysiologisch stresssysteem, emotionele verbinding bevordert en contact tussen patiënt en therapeut faciliteert.
bron: www.karakter.com/nieuws/therapie-met-dieren
Het werken met de kinderen laat mooie resultaten zien. Onze ‘oude’ training, zonder de inzet van paarden, bestond uit twaalf tot veertien bijeenkomsten, met maximaal twaalf kinderen, onder begeleiding van twee therapeuten. Er namen kinderen deel met symptomen die volgens de DSM als stoornis geclassificeerd konden worden. Ze kwamen om de week anderhalf uur. In de training die wij vervolgens met de paarden ontwikkelden, zaten kinderen met dezelfde zorgzwaarte. Deze training was teruggebracht naar vijf bijeenkomsten van anderhalf uur, met maximaal acht kinderen en twee therapeuten.
De resultaten van deze veel kortere training met paarden zijn net zo goed als bij de langere trajecten zonder paarden. Dat laten zelfevaluaties zien van 117 kinderen en jongeren die deze training bij ons gevolgd hebben in de afgelopen jaren. Er is gescoord op stemming, op school, thuis en bij vrienden, voor en na de interventie met de paarden in de groep. Inmiddels durven wij voorzichtig te concluderen dat het gebruik van paarden nieuwe kansen biedt voor kortere trajecten binnen de GGZ, ondanks de toegenomen complexiteit van de hulpvraag. Verder onderzoek naar deze effecten blijft van belang en wij blijven de data hiervoor verzamelen.
tekst & beeld: Nel Koekkoek
www.koekkoekenco.nl
literatuur
Gezinnen waar het hechtingsproces en de verbinding onder druk is komen te staan, worden regelmatig aangemeld in onze praktijk. Deze cliënten hebben als aanmeldklacht geclassificeerde DSM-symptomen. Zoals Sam (10), die met angst en depressieve klachten bij ons komt.
Sam trekt zich al een half jaar veel terug en laat somberheid zien en horen (klinische scores op de schalen Depressie en Terugtrekken bij CBCL en TRF1). Tegenover zijn moeder doet hij suïcidale uitspraken en er is sprake van hardnekkige schoolweigering.
Zijn ouders weten niet meer hoe hem naar school te krijgen. Sam klaagt over buikpijn en misselijkheid en moeder wil, in tegenstelling tot vader, niet dat hij daarmee naar school gaat. Gesprekken over deze verschillen in inzicht verlopen steeds emotioneel, vader loopt meestal boos weg en moeder trekt zich terug. De spanning blijft nog enkele dagen voelbaar in het gezin. Sam houdt buikpijn en misselijkheid en deze situatie herhaalt zich steeds vaker.
Zijn school trekt aan de bel en Sam komt bij ons terecht. Hij kan goed leren en er is geen sprake van een ontwikkelingsstoornis of een leerstoornis. Medisch zijn er geen afwijkingen en de huisarts noemt de aanhoudende buikpijn en misselijkheid een stressreactie.
Tijdens de eerste intake met beide ouders zegt Sams moeder te hopen op verandering en meer zelfvertrouwen en weerbaarheid bij haar zoon. Vader is eerst terughoudend. Maar aan het eind van de tweede intake vraagt hij: “Wat kunnen wij doen om Sam te helpen weer naar school te gaan?” Sam zelf heeft last van zijn somberheid, zegt hij. Hij wil zich prettiger voelen en meer gezelligheid thuis. Hij wil wel aan de slag met de paarden, is nieuwgierig en houdt van dieren.
In de periode dat Sam de training met de paarden volgt, is er ook een aparte sessie met het hele gezin; met vader, moeder, Sam en zijn zusje Noa (8 jaar). Het gedrag van het paard kan mogelijk duidelijk maken welke verbinding onder spanning staat in het gezin en wat de balans kan herstellen.
Voorafgaand is er een derde gesprek geweest met de ouders. Hun wens is nu duidelijk: ze willen graag dat iedereen in het gezin zich meer leert uitspreken over hun gevoelens en gedachten. Vader heeft weinig emotionele steun ervaren in zijn gezin van herkomst. Hij vindt het spannend om zich kwetsbaar op te stellen. Bij onzekerheid, angst of verdriet wordt hij boos en Sam wordt dan bang. Moeder gaat de kinderen vervolgens beschermen.
Tijdens de sessie met het paard, kiezen alle gezinsleden een eigen plekje in de paardenbak waarbinnen we werken. Vader, zoon en dochter staan in een soort driehoek en moeder kiest instinctief een plekje in het midden, tussen dochter en vader in. Dan vraagt de therapeut: “Wat verdient aandacht in jullie gezin?” Alle gezinsleden geven antwoord, het paard loopt ondertussen onrustig op en neer tussen vader en dochter.
De therapeut vraagt: “Wat valt je op aan het paard?” Noa zegt: “Ik zie dat mama en Sam geen aandacht krijgen.” “En wat maakt het paard zo onrustig?” “Misschien is het paard bang voor de boosheid van papa”, zegt Noa. De onrust die ze zelf voelt in die situaties, ziet ze ook bij het paard.
Vader vraagt vervolgens of hij iets mag uitproberen en gaat naast zijn dochter staan. Zo zorgt hij ervoor dat moeder niet meer tussen hem en de kinderen in staat, maar alle gezinsleden in een driehoek staan, in balans en in verbinding. Het paard stopt met op en neer lopen en blijft stilstaan naast het gezin. De beweging van de vader naar zijn dochter heeft een moeilijk thema bespreekbaar gemaakt. Er is rust en verbinding in de ‘kudde’ gekomen en kippenvel bij de gezinsleden en ons als therapeuten. Daarna was het tijd voor ontspanning en erkenning voor elkaars dapperheid.
Tijdens de evaluatie blijkt dat er veel is veranderd. Vader en moeder hebben meer momenten van ‘samen’ gecreëerd in het gezin. Sams moeder is zich bewuster van haar plek en probeert wat bij vader hoort daar te laten.
Sams vader heeft na de gezinssessie een gesprek gehad met de therapeut, samen met zijn vrouw. Hij heeft verteld over zijn achtergrond en begrijpt nu beter wat hem zo machteloos maakte in het contact met zijn vrouw. Zijn vader overleed onverwacht toen hij tien was en hij moest gaan zorgen voor zijn moeder. Zijn boosheid hielp hem om zijn verdriet niet te hoeven voelen. Hij gaat daarover nu in therapie bij ons. Die drempel was niet zo groot.
De stemming van Sam is verbeterd en hij is niet meer van school thuisgebleven. Dit geeft vader ook vertrouwen in zijn eigen proces.
1 Child Behavior Checklist en Teacher’s Report Form.
* De namen in deze casus zijn gefingeerd.
Leren is leuk! En het kan soms ook een uitdaging zijn. Bijvoorbeeld voor professionals zoals logopedisten die kinderen helpen met vloeiend lezen of hen motiveren voor zinsbouw.
Lees meer
Bij Game Tailors lossen we deze uitdagingen op door met ons team educatieve games te ontwikkelen, in samenwerking met vakspecialisten. Graag introduceer ik twee van onze spellen, KlankKr8 en Bouke Bouwt, die hun effectiviteit danken aan uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Ook benutten ze de kracht van spelenderwijs leren. Ik hoop dat ze inspireren tot meer gebruik van serious games in het leerproces.
KlankKr8 hebben we ontwikkeld in opdracht van het RID, een organisatie die zich inzet voor het verbeteren van taal- en rekenvaardigheid. Het spel helpt kinderen bij het leren van klank-tekenkoppelingen. Je ziet de letter, je hoort de klank en je ziet de mondbeweging. De speler moet die zaken letterlijk met elkaar verbinden. Het is ontstaan uit onderzoek naar dyslexie en de ontdekking dat het automatiseren van letterkennis lang kan duren en soms flink wordt onderschat. KlankKr8 is zó leuk, dat kinderen vaak willen oefenen.
Het gaat om het leren van de klanktekenkoppeling, de vloeiendheid van de klanken en dus niet alleen het herkennen. Ook passen we overlearning toe. Dat is het langdurig oefenen van bekende stof om het dieper in het geheugen te verankeren, waardoor het impliciete brein het overneemt.
Deze game is ontworpen voor kleuters, maar is nu ook populair bij NT2-leerlingen. Met instructies in achttien talen en aanpassingen om de instructies minder talig te maken, is KlankKr8 nu toegankelijk voor een breed publiek. We combineren visuele en auditieve informatie om een meeslepende leerervaring te bieden.
KlankKr8 legt de nadruk op het leren zelf, in plaats van op extrinsieke motivatoren zoals punten of ranglijsten. Ik heb de effectiviteit van het spel direct ervaren toen mijn nichtje van zes jaar na twee maanden spelen haar leesachterstand had ingelopen. KlankKr8 is in 2023 onderscheiden met een Dutch Game Award.
Bouke Bouwt is een spel gemaakt vóór en dóór logopedisten, voor kinderen tussen de zeven en tien jaar met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Je kunt het gebruiken als voorbereiding op de MetaTaal-methode. In deze game ruimen aliens de aarde op in ruil voor taallessen. Kinderen bouwen zinnen zodat de aliens plastic verwijderen, bomen planten en windmolens repareren.
Het spel helpt kinderen met een TOS bij het herkennen en bouwen van zinsstructuren. De spelers zien gekleurde machines die verschillende woordsoorten vertegenwoordigen. Een rode machine, met draaiende tandwielen, verbeeldt bijvoorbeeld een werkwoord. Kinderen met TOS pikken de taalregels niet impliciet op. Ze hebben daarom veel baat bij een metalinguïstische ontwikkeling, waarbij taalregels expliciet worden aangeleerd.
Er is een gratis en een abonnementsversie. Aanvullend is er fysiek materiaal beschikbaar. Het spel is een samenwerking tussen Hogeschool Utrecht Lectoraat Logopedie, project ZINnig, subsidieorgaan RAAK en Game Tailors.
tekst: Bowie Derwort, mede-eigenaar Game Tailors
Wil je een game op maat of verder praten over spelenderwijs leren? Neem contact op met: www.gametailors.com.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
JASPER is een op spel gebaseerde interventie om jonge kinderen sociaal-communicatieve vaardigheden aan te leren. Het is een praktische methode voor het bevorderen van gedeelde aandacht, symbolisch spel, betrokkenheid en regulatie. De methodiek is ontwikkeld voor kinderen van een tot acht jaar met autisme, maar kun je ook inzetten bij andere vormen van ontwikkelings- of regulatieproblematiek.
Connie Kasari, een Amerikaanse expert in autisme en ontwikkeling van het jonge kind, heeft de JASPER-methodiek opgezet op basis van ervaring in de praktijk en uitgebreid onderzoek. Het boek is helder geschreven, goed vertaald en overzichtelijk. JASPER lijkt een flexibele methodiek, waarbij maatwerk mogelijk is. Het vaardighedenprofiel van een kind kun je in kaart brengen via de Short Play and Communication Evalation (SPACE). Ook is er aandacht voor het selecteren van geschikt spelmateriaal en ondersteuningsstrategieën kun je afstemmen op elke behoefte.
Om de methodiek en zijn mogelijkheden optimaal te benutten, lijkt het lezen van het boek mij niet voldoende. De auteurs raden het volgen van een training dan ook aan. Het is jammer dat deze training op dit moment niet aangeboden lijkt te worden in Nederland. Ik hoop dat ambassadeurs van JASPER een manier vinden om trainingen te organiseren en de methode meer te laten integreren in het huidige Nederlandse behandelaanbod. JASPER is een prettig en duidelijk geschreven, wetenschappelijk onderbouwde methodiek die via spel
aansluit bij de natuurlijke motivatie en leefwereld van jonge kinderen.
tekst: Rianne van Kesteren
JASPER. Een praktische methode voor het bevorderen van gedeelde aandacht, symbolisch spel, betrokkenheid en regulatie bij kinderen met autisme (2023) van Connie Kasari is een uitgave van Hogrefe.
Boek cadeau
Van uitgeverij Hogrefe mogen we drie exemplaren van JASPER weggeven. Belangstelling? Stuur voor 3 mei een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Journalist Nicole Terborg werd op haar dertiende een ‘kweekje’, een vorm van informele pleegzorg die gebruikelijk is in de Afro-Surinaamse gemeenschap. Van de ene op de andere dag moest ze verhuizen van haar ouderlijk huis in
het Brabantse Cuijk naar haar tante Sonja in Amsterdam. Haar moeder, Jetty Mathurin, net gescheiden, begon in diezelfde tijd in Amsterdam aan haar carrière als actrice. Nicole zag haar moeder wel, maar mocht geen sleutel van
haar huis. Ze voelde zich eenzaam en afgewezen.
In de zesdelige podcastserie Kweekje onderzoekt Nicole Terborg haar eigen ‘kweekverhaal’ en duikt ze in de geschiedenis van Nederland en Suriname. Ze gaat de confrontatie aan met haar moeder. Waarom moest juist zij weg en bleven haar tweelingbroer Luc en oudere zus Glynis bij hun vader? Gaandeweg de podcast blijkt dat haar moeder daar een goede reden voor had. En tante Sonja was toch “gewoon je vierde moeder”?
Nicole Terborg praat met haar eigen familie, met andere ‘kweekjes’ en met wetenschappers zoals antropoloog Gloria Wekker. Waar komt de traditie van het tijdelijk onderbrengen/opvangen van kinderen bij/door familieleden
vandaan? Wekker zoekt de oorsprong in het slavernijverleden. “Het gesloten kerngezin was een luxe die wij ons niet konden permitteren.” De zorg voor kinderen delen, was een overlevingsstrategie. Vaders werden niet erkend, moeders konden verkocht worden of vermoord, vaders ook. Dan is zo’n uitgebreide familie een vangnet.
tekst: Annemiek Haalboom
Kweekje, mi kwekipikin (2023) van Nicole Terborg is een podcast van de VPRO, vpro.nl/kweekje.
Samen Sterk, met als medeauteur NVO-lid Romke van den Nouweland-van Baars, kun je gebruiken als werkboek bij de gelijknamige oudercursus, maar is ook los daarvan goed te lezen. De intentie is dat je je kind kunt ondersteunen bij somberheid en depressie. Die nuance, somberheid of depressie, is meteen
al prettig. Ook zonder diagnose kun je het boek ter hand nemen als je kind somber is en je je zorgen maakt, of handvatten nodig hebt. Tegelijkertijd schuwt het boek geen moeilijke onderwerpen, zo is er een hoofdstuk over suïcidaliteit en zelfbeschadiging.
Kenmerkend is de ondersteunende toonzetting, je voelt je als lezer gekend in de enorme opgave van het opvoeden van een somber of depressief kind. Het boek zet aan tot kleine, haalbare, veranderingen en blijft uitzicht geven op licht aan het eind van de tunnel. Hoe lang en zwaar de weg ook is, de boodschap luidt: heb vertrouwen, veruit de meeste kinderen komen er weer uit. Met een duidelijk wetenschappelijke grondslag, prettig geschreven en met heldere opdrachten is dit boek geschikt voor ouders, maar ook een zeer welkome bron voor orthopedagogen om ouders te ondersteunen en wellicht zover te krijgen de cursus te volgen.
De verkoop van het boek komt ten goede aan ouders die de cursus willen volgen maar niet kunnen betalen. Voor wie de cursus Samen Sterk zélf wil geven, is er een tweedaagse training, zie www.sterksamen.nl
tekst: Bart van Gent
Samen Sterk. Krachtig je kind ondersteunen bij somberheid en depressie (2023) van Carine Kielstra-van der Schalk, Romke van den Nouweland-van Baars e.a. is een uitgave van Samen Sterk.
De ongewone reisgids voor het gewone leven is een inspirerend boek dat uitdaagt tot anders denken en anders doen. Het maakt duidelijk wat de waarde is van het normale leven en hoeveel winst er nog te behalen valt in het versterken hiervan voor kinderen, gezinnen, scholen en de samenleving. Het boek bevat creatieve en simpele ideeën over hoe je hier aan bij kunt dragen.
De metafoor van een reis richting het gewone leven is in het hele boek doorgetrokken, onder andere met een originele wereldkaart, aandacht voor reisgenoten en het schrijven van reisverslagen. De reisfoto’s, beeldspraak en het relatief eenvoudige taalgebruik, maken dat het boek plezierig leest. Er zijn tips voor interessante podcasts, boeken en documentaires. Ook is er aandacht voor initiatieven die focussen op het normale leven en de context, zoals De Nieuwe ggz, Buurtwijs en de Doorbraakmethode.
Door de vele informatie, kan het een uitdaging zijn om deze te filteren en te gebruiken in de praktijk. Tegelijkertijd is het bijna onmogelijk om niet met extra waardering naar het normale leven en inclusie te gaan kijken. Classificaties, individuele interventies of specialistische behandelingen zijn soms nodig, maar heel vaak ook niet. Dit boek helpt om anders te praten over en te kijken naar uitdagingen en lastig gedrag. Het is een prachtig pleidooi voor onze gezamenlijke verantwoordelijkheid daarin. Wat mij betreft een must-read voor iedereen die met jonge mensen en hun omgeving werkt óf daartoe in opleiding is.
tekst: Rianne van Kesteren
De ongewone reisgids voor het gewone leven (2023) van Astrid Greven is een uitgave van Gompel&Svacina.
Hoewel Helma Koomen onlangs als hoogleraar met emeritaat ging, ontmoet ik haar gewoon op de Universiteit van Amsterdam. Daar bekleedt zij sinds 1 juli 2021 de Kohnstammleerstoel. Ik leg mijn boeken van haar op tafel. Zij voegt daar haar oratie van anderhalf jaar geleden aan toe. Een mooi beginpunt voor een gesprek, daar op de achtste verdieping. Niet over mooie vergezichten, maar heel concreet over het hier en nu.
Lees meer
Helma Koomen
Gisteren was ik op een SBO-school, vertel ik haar. Daar hield de directeur een gloedvol betoog over ‘een warm hart voor thuiszitters’. Dat warme hart kom ik ook tegen in de titel van haar oratie ‘Professionele pedagogische relaties vragen meer dan een warm hart’.
Is een warm hart niet voldoende dan?
“Dat warme hart, die betrokkenheid bij leerlingen, is natuurlijk belangrijk. En je mag verwachten dat dat warme hart niet alleen bij de directeur klopt, maar ook bij de leerkracht, de intern begeleider en de orthopedagoog. Het opbouwen van affectieve relaties tussen leerkrachten en leerlingen gaat echter niet vanzelf. Het is een vak, het vraagt expertise. Leerkrachten leren van alles over instructie geven, over didactiek en over klassenmanagement. Terwijl de relatie vaak als een algemeen menselijke vaardigheid wordt gezien. Maar ook dit vraagt professionele ontwikkeling. Voor de leerkracht zelf is het vormen van goede relaties overigens ook een essentiële behoefte. Het is een belangrijke motivatie om voor dit beroep te kiezen, al is dat beroep hartstikke zwaar. Het vormen van goede relaties, daar kunnen leerkrachten ondersteuning bij gebruiken.”
“Wat ik heb gemerkt is dat veel orthopedagogen het moeilijk vinden om een genormeerd instrument zoals de LLRV1 of de SPARTS2 te gebruiken. Ze zijn gewend om bij een kind dat wordt aangemeld de gedragsproblemen in kaart te brengen. De boodschap hoe moeilijk een leerling is, is gemakkelijker met een leerkracht te bespreken dan haar (of zijn) relatie met die leerling. Dat vraagt op zijn beurt om een veilige relatie tussen orthopedagoog en leerkracht. Het ter sprake brengen van de relatie tussen leerkracht en leerling biedt de leerkracht een kans om te groeien. In de zorg om de leerkracht heen moet het normaal zijn om het over die relaties te hebben, daarin is de leerkracht tenslotte de professional.”
Ik herinner me mijn eigen lieve juf in de tweede klas, groep 4 zouden we tegenwoordig zeggen. Zij stond in groot contrast met de juf van een jaar eerder. Daar was ik een beetje bang voor. Soms heb je als kind geluk met een leerkracht, soms heb je pech. Maar een affectieve relatie, is dat niet een beetje al te soft? Het kan toch niet altijd leuk zijn op school? Of wel?
“Met het begrip affectieve relatie focussen we op het emotioneel geladen deel van de relatie. Aan de ene kant heb je het dan over veiligheid: dat je een veilige haven kunt zijn voor een leerling die stress ervaart op school of thuis. Of dat je een veilige basis kunt bieden van waaruit een kind kan exploreren, geheel vanuit de gehechtheidstheorie gedacht. En aan de andere kant dat een kind zich gezien voelt, als individuele persoon.”
“Ik las over een leerkracht in het voortgezet onderwijs, die er vooral op gericht was om goed orde te houden. Hij had de strategie dat hij net genoeg namen kende, vooral van jongens, om alles in goede banen te leiden. Door ook andere leerlingen individuele aandacht te schenken, gesprekjes met hen te voeren en hun namen te kennen, merkte hij dat zijn klassenmanagement alleen maar beter werd. Werken aan relaties levert je ook iets op. Een goede relatie ligt aan de basis van hulp durven vragen en tot leren kunnen komen.”
Toch gaat het ook wel eens mis met die relatie. Soms kom ik nog wel eens een leerkracht tegen die ik zie denken: ‘Hij eruit of ik eruit’. Wat zou u tegen die leerkracht zeggen?
“Ik zou met die leerkracht in gesprek gaan om erachter te komen wat precies het probleem is. Wij hebben een geaccrediteerde interventie ontwikkeld, LLInC3 die is ondergebracht bij Bureau Mind van Mirella van Minderhout, die de licentie heeft om orthopedagogen en schoolpsychologen in dit programma te trainen. Het is een methode voor als een leerkracht is vastgelopen met een individuele leerling.
De interventie begint met een interview met de leerkracht. Je probeert te vangen wat er daadwerkelijk en recent gebeurde, niet wat de leerkracht in algemene zin denkt over die leerling. Het interview wordt gescoord en levert een profiel op over de gevoelens van de leerkracht over diens relatie met de leerling en over diens sensitieve handelen. Dat is de basis is voor het vervolggesprek.
Je wilt met deze interventie iets veranderen in de mindset van de leerkracht. Dit kan in vier sessies, en soms zelfs in twee. Overigens zijn de genoemde meetinstrumenten, evenals interventies en lopende onderzoeksprojecten, voor alle onderwijsprofessionals en andere geïnteresseerden terug te vinden op onze website.” 4
Wat kenmerkt eigenlijk een goede leerkracht-leerlingrelatie?
“Dat er voldoende nabijheid is, een open communicatie, vertrouwen van beide kanten en aandacht voor de leerling. En ook het gevoel dat je effectief bent in het omgaan met de leerling. Dat je in die interactie ook dingen kunt aangeven die misschien niet helemaal goed gaan. Daarnaast ook weinig conflict, weinig wantrouwen, weinig negativiteit en weinig het gevoel van uitgeput raken na een dag met die leerling. In principe ook relatief weinig leeftijdsinadequate afhankelijkheid.”
In hoeverre zijn die relationele vaardigheden bij te leren?
“In beroepen in het onderwijs en in de zorg zul je voortdurend bij moeten leren in je persoonlijke ontwikkeling. Je brengt jezelf mee in dergelijke beroepen, maar als professional heb je een verantwoordelijkheid om daaraan te werken. Ook op dit gebied zul je soms aan de bak moeten, je kunt niet denken: ‘Ik ben gewoon zo’. Leerkrachten kunnen nog wel eens denken ‘een kind komt op school om te leren’ en het belang van een goede affectieve relatie onderschatten.”
Is de relatie met de leerkracht voor elk kind even belangrijk?
“Ieder kind heeft de basisbehoefte om gezien te worden, maar voor zorgleerlingen komt het er veel meer op aan. Voor zorgleerlingen, met gedragsproblemen, een onveilige thuissituatie of uit achterstandsmilieus, is de invloed van de affectieve relatie groter, zowel in negatieve zin als in positieve zin. Daarbij maakt het niet uit of het om jongens of meisjes gaat, of dat het jongere of oudere kinderen betreft. Voor die kinderen maakt de relatie met de leerkracht echt het verschil.”
tekst: Andries Kamminga
beeld: Kirsten van Santen
Pedagoog Anneke Vinke vindt dat het begrip ‘pedagogische permanentie’ aandacht verdient in de discussie over het wel of niet uit huis plaatsen van kinderen. Volgens haar zijn kinderen vooral gebaat bij een veilige, vaste plek. Die vinden ze niet altijd bij hun eigen ouders.
Lees meer
Anneke Vinke
De Richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing pleit voor zo min mogelijk uithuisplaatsingen1. De Beweging van 0 gaat een stap verder en streeft naar helemaal geen uithuisplaatsingen meer2. Is dat wel realistisch en verantwoord? Ik vraag het aan Anneke Vinke, NVO-lid, orthopedagoog-generalist en gz-psycholoog, gespecialiseerd in adoptie, pleegzorg, hechting en trauma.
“Er zijn ouders die hun kinderen niet kunnen, niet willen en soms niet mogen opvoeden”, zegt Anneke Vinke in haar praktijk in Bilthoven.
“Daar kijken we als maatschappij liever van weg. Het is een heilig huisje. We vinden – ik in principe ook – dat ouders en kinderen bij elkaar horen. Maar soms gaat dat niet. Bijvoorbeeld als er sprake is van mishandeling, misbruik of verwaarlozing. Of ernstige problematiek bij ouders of kind. Het is de vraag of het dan wijs is om ouders en kind bij elkaar te laten. Dat moeten we wel altijd proberen. Maar op een gegeven moment moeten we zeggen: ‘voor jullie is een andere weg nodig’. Waarbij ouders wel een rol hebben en houden in het leven van hun kind.”
Is het niet ook een heilig huisje dat alle problemen op te lossen zijn met hulp aan het gezin?
Anneke Vinke vindt van wel. “Een kind zit 24/7 in het gezin, één uur per week therapie voor dat kind zet niet altijd genoeg zoden aan de dijk. Hetzelfde geldt voor opvoedingsondersteuning. Als de gemeente een traject van een jaar heeft ingekocht, moeten ouders het opvoeden in een jaar leren. Bij een zorgintensief kind of een ouder met de nodige bagage, ben je niet in een jaar klaar.”
Het is belangrijk om de problematiek van het gezin goed te analyseren en ze hulp te bieden. “Maar het heeft ook prioriteit om te zeggen ‘we werken er twee jaar aan en daarna kijken we hoe het gaat’. En als het niet gaat, slaan we een andere weg in. Dan zoeken we een plek in het netwerk van het gezin of in een pleeggezin. Niet elk kind is beter af in een opvoedingssituatie met zijn eigen ouders.”
Dat is wel het idee van de Beweging van 0: elk kind groeit op bij zijn eigen ouders. Hoe ziet zij dat?
“Ons uiteindelijke doel is hetzelfde: zoveel mogelijk kinderen laten opgroeien in een veilige situatie. Interessant is de podcast over ‘nul uithuisplaatsingen’, waarin voortrekker van de Beweging Peter Dijkshoorn in gesprek gaat met jeugdhulpexperts Adri van Montfoort, René Peters en Mariska van der Steege3. Op het eind van de podcast vinden ze elkaar in het streven om kind en ouders bij elkaar te houden. Maar, stellen ze, daar is grondige analyse voor nodig, een realistische inschatting en goede hulpverlening.”
Ze juicht het toe als de Beweging van 0 dat kan bevorderen. “Hopelijk kunnen we dan voorkomen dat kinderen onterecht uit huis worden geplaatst, zoals soms bij de toeslagenaffaire gebeurde. Maar er is meer. Er zijn ook ouders die het écht niet kunnen. Ik denk aan een gezin dat ik ooit tegenkwam, waarvan de vader zei: ‘Voor ons soort mensen is opvoeden gewoon te moeilijk’. Dat was voor mij een eyeopener.”
Wat vindt ze van het streven naar nul uithuisplaatsingen?
“Nul uithuisplaatsingen is voor de Beweging van 0 de stip aan de horizon. Als je veranderingen wilt, is het goed om die te zetten. Ook al kunnen we het einddoel misschien niet in tien of twintig jaar bereiken. Aan de andere kant, het is een stip die gezet is door ons soort professionals die deze nuancering begrijpen. Als die stip aan de horizon in handen komt van beleidsmakers of de politiek, krijg je wellicht een andere dynamiek. Daar maak ik me zorgen over. Iederéén wil nul uithuisplaatsingen. Maar als het niet gaat, moeten we dan blijven aanmodderen omdat we naar dat plaatje streven? Dat is kwalijk en schaadt kinderen.”
Anneke Vinke wil er iets tegenoverstellen. “Ik ben ook voor nul, namelijk voor nul kinderen zonder pedagogische permanentie. Daarmee ben ik niet voor nul uithuisplaatsingen. Sommige kinderen kunnen alleen een permanente pedagogische plek krijgen op een andere plek dan waar ze geboren zijn. Dat kan in een pleeggezin zijn, bij grootouders, in een adoptiegezin of gezinshuis. Als het maar een plek is waar niet aan getornd wordt. Zo’n permanente plek is een basisbehoefte van de mens.”
“Ergens bij mogen horen, daar gaat het om. Niet elk jaar hoeven vragen ‘vier ik Kerst nog bij jullie?’ of ‘mag ik wel blijven?’. De cijfers van het aantal overplaatsingen zijn dramatisch, soms zo’n acht tot tien keer na een uithuisplaatsing. Als een kind op een goede plek zit, moeten we samen kunnen besluiten dat het daar voorgoed mag opgroeien. In verbinding met zijn oorspronkelijke gezin. Dat is pedagogische permanentie4.”
Anneke Vinke pleit voor 'normaal' contact, waarbij de moeder bijvoorbeeld een kop thee gaat drinken bij het pleeggezin en een spelletje meespeelt.
Daar kun je al vroeg op inspelen, vindt Anneke Vinke. “Als het bij de start van de hulpverlening niet duidelijk is of de ouders het gaan redden, zou je eigenlijk al een plan B moeten hebben. Wat ze in Engeland concurrent planning noemen, een parallel plan. Als het thuis toch niet meer gaat, kun je daarop terugvallen.”
Volgens Anneke Vinke is de rouw van ouders een ondergeschoven kindje in de hulpverlening.
“Als ouders hun kind niet kunnen of mogen opvoeden, is dat een vorm van levend verlies. Voor de verwerking daarvan is betere hulpverlening nodig. Zodat er ruimte bij de ouders komt om een rol te blijven spelen in het leven van hun kind. Dat ze het aankunnen om contact te houden met hun kind. En dan bedoel ik zo normaal mogelijk contact. Niet zulke begeleide bezoeken, in een kantoorruimte met te weinig speelgoed. Een moeder zei daar ooit over: ‘Er zit iemand mee te kijken, alsof ik m’n kind wat ga aandoen’. Ik bedoel normaal contact, waarbij de ouder bijvoorbeeld een kop thee gaat drinken bij het pleeggezin of betrokken is bij activiteiten van het kind.”
Voor een kind is een netwerk van gehechtheidsrelaties belangrijk als vangnet, weten we uit onderzoek5. Kinderen zijn meestal gehecht aan een handvol vaste opvoeders en verzorgers. Ze moeten erop kunnen rekenen dat ze het contact met die vertrouwde gehechtheidsfiguren behouden. ‘Met ouders in contact blijven’, past in het bouwen van een gehechtheidsnetwerk rond een kind, stelt Anneke Vinke.
“Een kind hecht zich aan de ouders bij wie hij opgroeit en is ook gehecht aan de ouders bij wie hij geboren is. Geef ouders een rol en zorg dat ouders en pleegouders naast elkaar staan en niet tegenover elkaar. Als er gevoelens van rivaliteit ontstaan, wordt het ingewikkeld. Daar zou de begeleiding zich dan op moeten richten. Kun jij het als ouder verdragen dat iemand anders je kind opvoedt, terwijl jij ook een rol speelt in zijn leven?”
Ze geeft een voorbeeld uit haar praktijk. “Het begon met een heel stroeve relatie tussen de ouders en het gezinshuis waar hun kind woonde. Na veel tijd en begeleiding zijn die ouders uiteindelijk in de buurt van het gezinshuis gaan wonen. Nu spelen ze een grote rol in het dagelijks leven van hun kind. Niet wat betreft de opvoeding, de grenzen en regels, zoals wanneer het mobieltje aan mag. Maar ze zijn wel betrokken bij spelletjes op woensdagmiddag of bij de zwemles.”
Voor Anneke Vinke betekent pedagogische permanentie ook dat pleegouders en kinderen leren omgaan met wisselingen en verschillen. “Het is een fact of life: een pleegkind heeft déze ouders en groeit op in dít pleeggezin. Wie weet gaat het kind in het weekend de stad in met haar moeder en komt ze terug met een naveltruitje en make-up. Iets wat ze in het pleeggezin niet zo op prijs stellen. Twee werelden, twee culturen. Het is onze taak als hulpverlener om een kind te helpen met die twee werelden om te gaan, zodat het zich thuis durft te voelen in allebei.”
Ze herinnert zich een pleegmoeder die dat goed oppakte. “Toen haar pleegdochter zei: ‘Dat mag ik wel van m’n moeder’, reageerde zij met: ‘Good for you, wanneer ga je weer?’. We hoeven niet alles glad te strijken. Je mag als pleegkind loyaal zijn naar twee werelden. Wellicht voorkomt dat ook latere identiteitsproblemen.”
tekst: Femmie Juffer
beeld: Féline Woolderink (10 jaar)
Carina is pedagoog en heeft afgesproken met de ouders van Max (9 jaar) dat bij het diagnostisch onderzoek beeldopnamen worden gemaakt. Ze wil deze alleen gebruiken voor het opstellen van de rapportage en zal ze meteen vernietigen als deze gereed is. Nadat de vader van Max de concept rapportage heeft ontvangen, vraagt hij inzage en een kopie van de beeldopnamen.
Lees meer
Conform artikel 28 van de NVO-beroepscode heeft Carina toestemming gevraagd en gekregen voor het maken van beeldopnamen tijdens het onderzoek. Opnames die enkel gemaakt worden als tijdelijke geheugensteun, voor bijvoorbeeld het maken van een rapportage, worden vernietigd zodra deze gereed is. De beeldopnamen zijn in deze zin vergelijkbaar met werkaantekeningen, deze vormen geen onderdeel van het dossier en worden conform artikel 31 van de NVO-beroepscode vernietigd zodra een rapportage gereed is. Dat de opnamen in dit geval nog niet zijn vernietigd, is logisch aangezien de rapportage nog niet definitief is.
Het recht van inzage en afschrift van een cliënt of wettelijke vertegenwoordigers geldt in beginsel niet voor werkaantekeningen. Carina kan dit uitleggen en inzage weigeren. Soms kan dit echter zeer nadelig uitpakken voor de vertrouwensrelatie, in dit geval met vader. Carina kan daarom overwegen om toch inzage te geven. Hierbij moet zij ook rekening houden met de belangen van Max. Het inzagerecht van ouders in het dossier kan in bijzondere omstandigheden worden beperkt, dit geldt ook voor beeldopnamen.1
Als Carina besluit tot inzage door vader over te gaan, is het van belang om hem duidelijk de consequenties uit te leggen. Als werkaantekeningen – in dit geval beeldopnamen – worden gedeeld met anderen, worden ze onderdeel van het dossier. De bewaartermijn van het dossier geldt dan ook voor de beeldopnamen. Houdt de vader vervolgens toch vast aan de wens van inzage, dan kan Carina overwegen om die te verlenen.
Na inzage vraagt de vader om een kopie van de beeldopnamen. Op de beeldopnamen is niet alleen Max te zien en te horen, ook Carina zelf komt enkele keren in beeld en is te horen terwijl ze een test afneemt. Kan ze weigeren een kopie te verstrekken?
Een beeldopname is echt iets anders dan bijvoorbeeld een geluidsopname.2 Een beeldopname is veel privacygevoeliger en daarom gelden extra eisen. In dit geval kan Carina het afgeven van een kopie van de beeldopnamen weigeren om twee redenen:
Carina kan dus weigeren een kopie van de beeldopnamen te verstrekken aan vader.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Twee orthopedagogen over hun eerste ervaringen in het werkveld. Kayla Goedbloed (28) werkt drie dagen per week bij Haviq – Stichting Hart voor IQ – en heeft daarnaast haar eigen praktijk Nona Senang. Eva Goossens (24) werkt vier dagen per week bij miSenso – basis en specialistische (jeugd-)ggz – en start binnenkort met de gz-opleiding.
Lees meer
Kayla Goedbloed (links) en Eva Goosens.
We spreken elkaar op de Erasmus Universiteit waar Kayla en Eva allebei gestudeerd hebben. De afspraak is dat zij met elkaar in gesprek gaan en ik vooral luister. Het zal niet verbazen dat ze hun gesprektechnieken goed beheersen; parafraseren, doorvragen, openingen bieden, het lijkt een tweede natuur. Maar wat vooral opvalt: de oprechte interesse en de ontwapenende openheid naar elkaar.
Eva heeft zich nauwelijks voorgesteld of Kayla zit al vol met vragen. Ze houdt zich in en vertelt eerst wat over zichzelf. Dat ze net als Eva bij haar stage-instelling kon gaan werken, afwisselend in loondienst en als zzp-er heeft gewerkt en dat nu combineert. Maar ook dat ze tijdens haar master dusdanige mentale klachten kreeg dat ze een periode in therapie is geweest, waardoor er op het gebied van hulpverlening een nieuwe wereld voor haar openging. Kayla ging zich meer afvragen: ‘Wat heb ik te bieden, wat vind ik interessant, waarvan ga ík aan?’ Haar eigen bedrijf geeft haar de vrijheid om dat zelfonderzoek voort te zetten.
“Hoe het was om cliënt te zijn?”, vraagt Eva. Er volgt een gesprek over de verrijking die dat geboden heeft; hoe werkt de therapeutische relatie, wat werkt voor de een en wat werkt voor de ander? Kayla had erg weinig aan cognitieve gedragstherapie omdat ze al te veel in haar hoofd zat en ontdekte dat lichaamsgerichte therapie haar dichter bij haarzelf bracht. Eva heeft die ervaring als cliënt niet, maar kijkt er wel naar uit om zichzelf tegen te komen tijdens de gz-opleiding en de supervisie die ze daar gaat krijgen.
Kayla vraagt zich af hoe Eva het vindt om na de gz-opleiding zo jong al als regiebehandelaar en werkbegeleider aan het werk te gaan. Eva ziet het vooral als een groot leerdoel en een manier om indirect cliënten te begeleiden. Ze krijgt wel echt de mogelijkheid om te groeien in haar rol binnen de praktijk waar ze werkt.
Kayla kijkt met bewondering naar de snelle schreden die Eva in het werkveld zet, maar Eva had na het bekijken van Kayla’s website toch even het gevoel nog niet zoveel te hebben bereikt.
Ze spreken over het opzetten van Kayla’s praktijk Nona Senang. Voor Kayla heeft het een belangrijke rol gespeeld in haar eigen ontwikkeling. Het geeft een vorm van vrijheid en de mogelijkheid je eigen verhaal te vertellen en te ontdekken hoe zich dat verhoudt tot de opleiding en de meer wetenschappelijke insteek.
Kayla merkte ook dat het haar hielp om te onderkennen dat niet zozeer de problematiek waar mensen mee kampen, maar meer de persoon die je voor je hebt, leidend is in hoe goed je iemand kan helpen. Eva blijft het knap vinden dat Kayla naast haar werk een eigen praktijk oprichtte, voor Kayla was het meer een manier om een buffer om zichzelf heen te plaatsen en het helpt haar nu om haar grenzen te bewaken.
Dat grenzen bewaken lastig is, ervaren ze allebei. En niet alleen bij zichzelf, ze zien het ook bij collega’s, jong en oud.
Eva ziet zes cliënten per dag, vier dagen per week. Die staan er gewoon elke keer en het kan moeilijk zijn om daar ruimte te creëren, ook pauze nemen lukt niet altijd. Grenzen aangeven kán wel, maar je voelt je toch snel schuldig als je een keer een afspraak moet afzeggen of een week moet overslaan. Ze merkt ook dat ze de verhalen van cliënten mee naar huis neemt, eraan denkt als ze iets leest, kijkt, of een verhaal van een vriendin hoort dat raakt aan wat een cliënt meemaakt.
Kayla heeft veel aan de technieken die ze geleerd heeft om meer uit haar hoofd en in haar lijf te komen, ze kan nu ook echt haar eigen tijd afbakenen en loskoppelen van werk.
Een grappig moment ontstaat als ze erachter komen dat ze allebei gebruik maken van verschillende tools bij overprikkeling. Niet voor hun cliënten, maar voor zichzelf.
Kayla heeft baat bij zwaarte om zich heen, voelen wat de grens is tussen je eigen lijf en de buitenwereld. Ze vertelt over de Shantimat, een prikkelmatje.
Eva vond zo’n matje jaren geleden bij de ouders van haar vriend. Ze gebruikt ‘m vaak om even bij te komen. En het diepst slaapt ze onder een verzwaringsdeken op de bank, maar afgelopen nacht had ze haar vriend zover dat hij er ook onder kroop. Kayla heeft háár vriend een verzwaringsdeken voor Kerst gevraagd. Ze herkennen bij elkaar de zoektocht naar het combineren van het cognitieve en lichaamsgerichte, zowel voor zichzelf als voor hun cliënten.
Je ontwikkelen als mens is voor allebei belangrijk, een goede basis voor het werk. ‘De nieuwe generatie’, kun je denken, maar een volgende generatie staat ook achter Eva en Kayla al klaar. Ze zien hoe jongeren van nu alweer meer dan zij uitgenodigd worden om naar zichzelf te kijken, hulpverlener of niet. Hoe voel ik me vandaag? Heb ik een trauma of ADHD?
Starters willen ze meegeven dat het goed is om te onderzoeken wat je tegenkomt in jezelf als mens achter de professional. En als het een keer fout loopt, verwijt dat dan niet jezelf, maar zie het als leermoment dat je mee mag nemen in een gesprek met je regiebehandelaar, collega’s of leidinggevende. En natuurlijk ook om in gesprek te gaan met elkaar, bijvoorbeeld met Eva in het NVO-netwerk Studenten en Starters of met Kayla, die ook collega-hulpverleners begeleidt binnen haar praktijk Nona Senang.
Ons gesprek gaat verder dan deze twee pagina’s in de Pedagoog. Over de werkwijze van de praktijk waar ze werken, wat ze geleerd hebben op de universiteit en hoe mooi het is om de bevlogen docenten ook in verschillende gremia van de NVO tegen te komen. We sluiten af met een foto bij het beeld van Erasmus. En dan vertrekken ze weer. Kayla heeft een afspraak met een cliënt en Eva fietst vrolijk haar vrije vrijdagmiddag tegemoet. Dat het voorlopig één van de laatsten zal zijn, daar lijkt ze zich niet druk om te maken.
tekst & foto: Bart van Gent
Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.
Lees meer
Mijn eerste column voor de Pedagoog brengt wat bij me teweeg. Ik ben
geen (ortho)pedagoog, maar mijn dagelijks werk bestaat wel uit het
behartigen van de belangen van onze beroepsgroep. Ik zou iets kunnen
schrijven over wat er zich allemaal afspeelt op de werkvloer, wat we nu
weer op ons bord geschoven krijgen van een samenwerkingspartner, welke bijzondere (lees: absurde) uitspraken de politiek doet en waar wij in allerijl op moeten reageren. Of over mijn master bestuurskunde, waar ik in het staartje zit. Hoe kun je vanuit de bestuurskundige kant kijken naar de NVO?
Pedagogiek en bestuurskunde hebben interessante overeenkomsten.
Bestuurskundigen kijken namelijk ook naar de context, niet naar het individu.
Naast het ontwikkelen van beleid, bestudeer je de cultuur van de organisatie,
welke elementen daarin van belang zijn. Zoals ‘verhalen van leden’, en ja, ik
heb zeker al boeiende en inspirerende verhalen gehoord. Of het hebben van
artefacten, objecten met een symbolische waarde. Hoewel ik nog druk bezig
ben met kennismaken, ook met de ledenraad, alle commissies en netwerken,
wil ik graag in de volgende column terugkomen op het verhaal van de NVO.
Wat is de cultuur van de NVO? Welke boeiende en inspirerende verhalen zijn
erover te vertellen. Wapenfeiten helpen daar erg bij. En hebben we ook artefacten? Als deze er niet zijn, moeten we die dan niet ontwikkelen?
Judy Hoffer
directeur NVO
links: Tineke Kegel, rechts: Tara Sarhaddi. foto: Sander van der Wel
NVO-lid Tineke Kegel (36) werkt ruim vijf jaar bij Klinisch Centrum Nootdorp. “Een unieke kliniek, dankzij de samenwerking tussen gehandicaptenzorg (Ipse de Bruggen) en ggz (Parnassia). Iedere cliënt met een lvb en psychiatrische problematiek kan bij ons terecht. Met een Wlz-indicatie of op basis van de zorgverzekeringswet. Wij kijken niet naar de indicatie of financieringsstroom, maar naar wat een cliënt nodig heeft.”
Een multidisciplinair team biedt stabilisatie, diagnostiek, behandeling en nazorg aan deze doelgroep. “Dat doen we via sociotherapie – generalisatie naar het dagelijks leven is essentieel! -, groepsbehandeling, individuele psychologische behandeling, farmacotherapie, klinische- en psychodiagnostiek.”
Na haar diplomering als orthopedagoog, ging Tineke aan de slag als behandelcoördinator. Inmiddels is ze gz-psycholoog en naast behandelaar ook manager zorg.
“De diversiteit in mijn takenpakket geeft me veel energie. Ook mijn rol als werkbegeleider van ‘ons’ aanstormend talent Tara Sarhaddi (28). Zij loopt sinds september vorig jaar stage vanuit de opleiding orthopedagogiek bij de Universiteit Utrecht. Het eigen maken van professionele vaardigheden, ontwikkelen van een eigen stijl en groeien in de rol als orthopedagoog – zeker in een multidisciplinaire setting – is een boeiend proces om te mogen begeleiden.”
Welkom bij de nieuwste editie van de Pedagoog, het magazine voor pedagogen en onderwijskundigen. In deze uitgave bieden we weer een breed scala aan artikelen en verhalen die je informeren, inspireren en ondersteunen in jouw dagelijkse werk. Of je nu geïnteresseerd bent in de nieuwste ontwikkelingen of de praktische toepassingen van wetenschappelijk onderzoek – er is voor ieder wat wils. Blijf op de hoogte van de nieuwste inzichten, deel ervaringen met collega’s en ontdek hoe wij samen een verschil kunnen maken. Veel leesplezier!
Lees meer
Lees verder bij pedagogiek & politiek
Toeval of niet? In dit nummer van de Pedagoog staan twee verhalen uit het Brabantse Dongen. Daar runt orthopedagoog Nel Koekkoek haar eigen praktijk en zet ze paarden in als co-therapeut. In de casus vertelt ze er alles over. Redactielid Marleen Baeten ging in haar woonplaats Dongen op bezoek bij de pedagogische jeugdwerkplaats Stronk. Een initiatief van twee jeugdvrienden, een pedagoog en een ingenieur, waar steeds meer ‘thuiszitters’ hun plek vinden en tot bloei komen.
Redactielid Sanne de Vet ging ook op pad. Voor haar verhaal in over de grens – over pedagogiek in het ziekenhuis – mocht ze een ochtend meelopen op een kinderafdeling en operatiekamer in Zuid-Holland. Hoe worden kinderen en ouders daar begeleid rondom een operatie? Ze ontmoette aandachtige en geduldige verpleegkundigen, maar op de operatiekamer ook een strak tijdschema. Een medisch-pedagogisch medewerker tipte dat het enorm helpt als ouders hun kind goed voorbereiden op een bezoek aan het ziekenhuis.
Ook Ina Koning, expert in problematisch mediagedrag, benadrukt de belangrijke rol van ouders. In dit geval bij het voorkomen van een sociale mediaverslaving. Zeker zolang maatregelen vanuit de overheid uitblijven. ‘Vooral kwetsbare jongeren zijn gevoelig voor verslaving. Als zij op zoek gaan naar erkenning en waardering, vinden ze die op sociale media. Het algoritme zorgt ervoor dat ze steeds weer bevredigd worden in die behoefte en dat ze
niet zo makkelijk kunnen stoppen.’
‘Algoritmes op internet dwingen je in je eigen beperkte wereldje en laten nooit zien wat anderen beweegt’, zegt emeritus hoogleraar Pedagogiek Micha de Winter in het omslaginterview. ‘Er zijn steeds meer bubbels gelijkgestemden die juist bestaan bij de gratie van het zich afzetten tegen anderen, van anderen kleineren en vernederen.’
In een tijd waarin verkettering van tegenstanders steeds normaler lijkt, pleit hij ervoor om kinderen te leren op reis te gaan in de gedachtewereld van een ander. ‘Want als je geïnteresseerd bent in wat anderen beweegt, tolereer je
ook minder sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid.’
Goeie reis!
Annemiek Haalboom
hoofdredacteur de Pedagoog
De eenzijdige focus van de pedagogiek op gedrag en stoornissen van individuele
kinderen en jongeren is Micha de Winter een doorn in het oog. De sociale omstandigheden waarin zij leven, blijven buiten beeld. Terwijl de meeste problemen van kinderen en ouders die bij de jeugdzorg aankloppen juist daarmee te maken hebben. Zijn nieuwste boek ‘Medemenselijk opvoeden’ is een pleidooi voor meer oog voor de ander en minder voor individuele autonomie.
Lees meer
Micha de Winter
Micha de Winter (1951) is al een tijdje met emeritaat als hoogleraar Pedagogiek aan de Universiteit Utrecht, maar werkt rustig door. Zo leidt hij momenteel de commissie Onderzoek naar binnenlandse afstand en adoptie. Hij ontvangt me in zijn studio vlak achter de Dom, hartje Utrecht.
Aan de muur hangt de originele tekening die zijn oudste kleindochter Luïsa (15) maakte voor de omslag van zijn boek Medemenselijk opvoeden, dat begin dit jaar verscheen. “Ze kan ontzettend goed tekenen, terwijl dat helemaal niet in de familie zit.”
Hij draagt zijn boek op aan zijn vijf kleinkinderen. Op de vraag waarom, verwijst hij naar de ondertitel: Samenlevingspedagogiek voor een hoopvolle en daadkrachtige generatie. “Kinderen groeien nu op in een complexe wereld, populisme en polarisatie all over the place. Alles komt op z’n kop te staan. Hoe vanzelfsprekend is democratie nog? Die moeten we bevechten. Daarom draag ik het boek aan hen op.”
Micha de Winter – lid van verdienste van de NVO – betreurt het dat de hedendaagse pedagogiek steeds meer een ‘technische’ wetenschap is geworden, in navolging van de medische wetenschappen. Met diagnoses, labels en behandelingen. Hij gruwt van het woord ‘gedragsproblemen’.
“Daarmee leg je de verantwoordelijk bij het kind en zijn ouders, die dat gedrag zouden moeten veranderen, met een Triple P of god weet wat. Je vergeet dat de context waarin kinderen leven een enorme impact heeft op hun gedrag. De meeste problemen van kinderen en ouders die bij de jeugdzorg aankloppen hebben juist met die context te maken, met de soort cultuur en sociale omstandigheden. Denk aan toenemende armoede en schulden, sociale ongelijkheid. Er is vaak sprake van huiselijk geweld, onveilige buurten en slechter onderwijs. Deze maatschappelijke missstanden leiden tot woede en frustratie en komen als gedragsprobleem of stoornis bij de jeugdzorg terecht.
Misschien is het problematische gedrag van kinderen en jongeren soms wel een begrijpelijke of zelfs gezonde reactie op een samenleving die disfunctioneert.”
Zijn boek is een pleidooi voor een opvoedingsstrategie met meer oog voor de ander en minder voor alleen individuele autonomie.
“De afgelopen decennia is er steeds meer aandacht gekomen voor het individu, en in het begin zeker terecht. Maar ik heb al een tijd het gevoel dat we daarin doorgeslagen zijn, ook in ons vak. Met al die focus op individuele autonomie zijn we vergeten dat er nog een andere voorwaarde is voor mensen om zich te kunnen ontplooien en gelukkig te voelen: de verbinding met anderen. Zowel autonomie als verbondenheid zijn fundamentele menselijke behoeften.”
Als keerzijde van de doorgeslagen individualisering noemt hij ook de meritocratie, het idee dat alles je eigen verdienste is.
“Kinderen leren denken dat succes of falen helemaal van jezelf afhangt. Dat is natuurlijk grote onzin, die we als volwassenen vooral moeten tegenspreken en corrigeren. Het klopt gewoon feitelijk niet, omdat de omstandigheden – bijvoorbeeld de sociale hulpbronnen die je hebt – een doorslaggevende rol spelen. Ook de rol die sociale media spelen moeten we grondig met kinderen en jongeren bespreken. De algoritmes voeden de suggestie dat alle anderen beter, mooier en slimmer zijn dan jij. Vind je het gek dat dit een negatieve invloed heeft op het welbevinden van kinderen en jongeren?”
“Laten we het als pedagogen ook hebben over de nieuwe loot aan de stam: het groepsegoïsme. Met name op sociale media zie je steeds meer bubbels gelijkgestemden die bestaan bij de gratie van het zich afzetten tegen anderen, van anderen kleineren en vernederen. Wat doen we daar als opvoeders mee?”
De opdracht aan zijn kleinkinderen, voorin het boek, heeft ook te maken met zijn eigen familiegeschiedenis. Die beschrijft Micha de Winter in de epiloog. Zijn ouders, allebei Joods, hebben elkaar een paar jaar na de Tweede Wereldoorlog leren kennen.
“Mijn vader Max was aan het begin van de oorlog getrouwd met zijn eerste liefde, Chelly. Zij was zwanger van hun eerste kindje, mijn zus. Dat kwam in Auschwitz ter wereld en is meteen vermoord. Chelly is gestorven bij een van de dodenmarsen. Mijn vader is van concentratiekamp Sachsenhausen terug naar Nederland gelopen. Mijn moeder Bertine was verloofd met een Haagse fotograaf, een Joodse man van tweeëntwintig. Hij wilde naar Engeland, naar het verzet. Maar hij is opgepakt in Frankrijk en in Treblinka aan zijn einde gebracht.”
Zijn ouders hebben allebei een verschrikkelijke geschiedenis achter de rug en zijn daar altijd open over geweest.
“Maar – en daar heb ik mijn bestaan aan te danken – ze hebben de draad weer opgepakt en geprobeerd mogelijkheden en het positieve te zien. Ik vind het heel sterk dat zij, met al die ballast, zichzelf bij de haren hebben gepakt en uit het moeras getrokken. Dat hebben ze aan mijn broer Harry en mij doorgegeven: ons krijgen ze niet klein! We hebben ons nooit slachtoffer gevoeld. In onze opvoeding zijn we ook allergisch gemaakt voor macht, onrecht en onredelijke
bejegening.”
Het is voor het eerst dat Micha de Winter schrijft over zijn eigen familiegeschiedenis.
“Ik vond het vrij spannend om dat zo expliciet te doen, maar het was nodig. In de academische wereld waar ik werkte, is het not done om je eigen geschiedenis, gevoelens, normativiteit onderdeel te laten zijn van je onderzoek, je pedagogiek. Pedagogiek moet objectief zijn. Maar dat is onzin. Het wezen van pedagogiek is juist dat mensen hun eigen wereldbeelden, dromen en gevoelens proberen over te dragen aan nieuwe generaties. Dat is per definitie normatief.”
“Ik heb me lang niet gerealiseerd dat de drive voor ‘mijn soort’ pedagogiek ook is ingegeven door mijn eigen geschiedenis en kijk op de wereld. Eerst dacht ik: ik doe gewoon onderzoek naar wat ik interessant vind. Naar jeugdgevangenissen, De Vreedzame School, geweld in de jeugdzorg. Hoe voed je kinderen op tot democratisch burgerschap? Hoe kijk je op een pedagogische manier naar radicaliserende jongeren en niet alleen vanuit een veiligheidsperspectief?
Terugkijkend zijn dat geen toevallige keuzes, maar hebben ze te maken met het nest waar ik uit kom. Ik denk – achteraf – dat ik probeer te begrijpen hoe mensen tot de meest ongelooflijke wreedheden konden komen. Wat zijn hun beweegredenen? Ik lees veel biografieën van nazidaders. Verschrikkelijke literatuur. Maar ik verslind ze, om maar iets te snappen van hoe mensen baby’s tegen een muur kunnen doodslaan. Daar probeer ik als pedagoog lessen uit
te trekken.”
In deze tijd van individualisering en polarisatie liggen verkettering en ontmenselijking van tegenstanders opnieuw op de loer, schrijft Micha de Winter in zijn boek. Als belangrijke remedie noemt hij: sociale nieuwsgierigheid aanwakkeren bij kinderen en jongeren. Dat leidt tot
medemenselijkheid en empathie.
“Filosoof Hannah Arendt had het zestig, zeventig jaar geleden al over ‘traveling in the mind of others’. In een diverse wereld moet je kinderen leren op reis te gaan in de gedachtewereld van een ander. Daar doen we in deze tijd weinig mee, helaas. Algoritmes op internet dwingen je juist in je eigen beperkte wereldje en laten nooit zien wat anderen beweegt.”
“We moeten kinderen stimuleren om nieuwsgierig te zijn – want dat is de basis van leren – naar andere kinderen, die niet hetzelfde zijn als zijzelf. Hoe denken en voelen andere kinderen? Hoe staan ze in de wereld? Zo leren kinderen zich inleven in een ander, als een soort basisvaardigheid die nodig is in de samenleving. Om jezelf op de rails te houden, maar ook voor de samenleving zelf. Want als je geïnteresseerd bent in wat anderen beweegt, tolereer je ook minder sociale ongelijkheid en onrechtvaardigheid. Dat is de basis van democratie: mensen zijn wel allemaal verschillend, maar als burgers ook allemaal gelijkwaardig.”
Kinderen en jongeren medemenselijk opvoeden, gaat niet vanzelf. Pedagogiek en onderwijs hebben daar gaten laten vallen en moeten zich er actief en bewust mee gaan bemoeien, vindt Micha de Winter.
“Pedagoog Lea Dasberg zei in 1980 al dat je niet alles wat er in de wereld gebeurt van kinderen weg kunt houden, maar dat je het pedagogisch moet begeleiden. Als je met kinderen praat over leed en onrecht, moet je het ook hebben over een handelingsperspectief over mogelijkheden tot verbetering. Je kunt kinderen leren om ruzies samen op te lossen, zoals op De Vreedzame School gebeurt. Je kunt hen laten onderzoeken wat pesten nu eigenlijk is, hoe het werkt en welke oplossingen je met elkaar in de klas kunt verzinnen. Voorbeelden zijn ook belangrijk. Veel kinderen maken zich zorgen over het klimaat en zijn geïnspireerd door Greta Thunberg, die veel in gang heeft weten te zetten. Dat geeft hoop.”
Naast het bieden van hoop is het ‘pedagogisch onderbreken’ van kinderen en jongeren een must. Kinderparticipatie, luisteren naar kinderen is belangrijk, maar kinderen verdienen ook een weerwoord.
“Pedagogisch onderbreken is niet bedoeld om een mening te verbieden of er boos over te worden, maar om te prikkelen tot reflectie en nadenken. Iedereen mag op school z’n mening zeggen, dat is democratie. Maar daar hoort bij dat je over en weer vragen mag stellen. Dat is echte betrokkenheid en vorming. Als iemand roept ‘Alle vluchtelingen zijn gelukszoekers en komen hier om rijk te worden’, mag je vragen waar iemand dat idee vandaan haalt. Heeft je broer dat gezegd? Stond het op Facebook? Kun je er ook andere meningen over vinden? Dat gebeurt veel te weinig. Bij ons onderzoek naar geradicaliseerde jongeren bleek bijvoorbeeld dat niemand hen dat ooit had gevraagd.”
Twee hoofdstukken in Medemenselijk opvoeden gaan over het belang van agency, het handelingsvermogen van kinderen en jongeren, hun eigen regie.
“De aanleiding om het belang van agency in dit boek verder uit te werken, zijn mijn ervaringen met de coronacrisis. Toen die uitbrak ben ik gevraagd voor een soort werkgroep, met een paar ministers, burgemeesters en twee wetenschappers. De vraag aan mij was: wat gebeurt er met jongeren, met gezinnen? Jongeren vertelden dat ze de strenge maatregelen vreselijk vonden, maar wel begrepen. Zelf liepen ze weinig risico, maar ze deden het voor oma. Wat hen vooral stoorde was het gebrek aan uitleg en overleg.”
De Winter heeft toen gewaarschuwd: ‘Als we niet met die jongeren gaan praten, kan het behoorlijk uit de hand gaan lopen.’
“Er was veel woede en frustratie. Als je jongeren hun handelingsvermogen afneemt, geen ruimte geeft om vorm te geven aan hun leven, leidt dat tot somberheid en agressie. In veel gemeenten zijn ze toen wel in gesprek gegaan met jongeren. Hoewel toenmalig premier Rutte na de avondklokrellen zei: ‘We zijn niet geïnteresseerd in sociologisch onderzoek naar hoe het komt. Het is gewoon tuig’.”
Het ergert hem dat de pedagogiek zich nauwelijks meer bekommert om grote thema’s als ‘waartoe voeden wij kinderen op?’ ‘Wat kunnen we doen om mensen tot humaan, vreedzaam en respectvol gedrag te brengen?’ Heeft hij hoop op verandering?
“Ik zie wel een aantal positieve ontwikkelingen die me hoopvol stemmen. Bijvoorbeeld dat die hele etikettering, de neiging alles aan het individu toe te schrijven, steeds meer kritiek krijgt. Ook vanuit de wetenschap waar dat oorspronkelijk vandaan is gekomen, de psychiatrie, met z’n hele DSM-denken.”
“In Utrecht, de bakermat van dat denken, is nu een omslag gaande. Er zijn nieuwe hoogleraren, zoals Floortje Scheepers en Jim van Os, die niet meer zeggen ‘wat heeft iemand?’, maar ‘wat heeft iemand nodig?’ Dat klinkt misschien simpel, maar het is echt een omslag. Want als we dat ziektemodel achter ons laten, komt de rol van de samenleving meer in beeld. Hoe richten wij ons onderwijs in en wat doet dat met het welbevinden van leerlingen? Waarom uitsluitend sleutelen aan het gedrag van jongeren in de jeugdzorg, terwijl in verreweg de meeste gevallen de omstandigheden waarin ze opgroeien hen in de
problemen brengen?”
“Wat mij ook hoopvol stemt zijn mooie voorbeelden van hoe het anders kan. Zoals het project Druk & Dwars1 in Groningen, met een heel andere kijk op kinderen die we vroeger ADHD’ers noemden. Ze kijken daar met kinderen, ouders en docenten wat de oorzaken zijn van druk en dwars gedrag en hoe je contexten kunt creëren waarin dat ten goede kan worden gekeerd. Dan is niet zozeer het kind het object van verandering, maar ook de opvoed- en onderwijssituatie zelf.”
tekst: Annemiek Haalboom
foto: Rik Rutten
1 https://drukendwars.nl
Broertje, documentaire uit 2022 waarin de broers Harry en Micha de Winter tijdens een wandeling door Duitsland – in de voetsporen van hun vader – hun gedeelde verleden bespreken. Bekijk de documentaire hier.
Van uitgeverij SWP mogen we drie exemplaren van Medemenselijk opvoeden weggeven. Belangstelling? Stuur voor 3 mei een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Welkom bij de rubriek Onderzoeksnieuws, waarin we je op de hoogte brengen van de meest recente ontwikkelingen en bevindingen in de wereld van de pedagogiek en onderwijskunde. hier lees je het laatste nieuws en de meest relevante onderzoeksresultaten.
Lees meer
Arjen Lubach dook eerder dit jaar in de wereld van de schoolboeken. Het werd een uitzending vol voorbeelden hoe het niet moet, zoals rekenmethoden met afleidende plaatjes in plaats van kale sommen. Maar hoe dan wel? Op X liepen de voorstellen uiteen. Van het ontsteken van het vuurtje dat leren aanwakkert – ‘Rekenen moet weer aantrekkelijk worden’ – tot kennis proppen – ‘Gewoon weer gaan rekenen. School is niet voor leuk’.
Moeten leerlingen vooruitgang boeken om gemotiveerd te raken of is motivatie een voorwaarde om moeite te willen doen? Onderzoekers uit Helsinki zochten dit uit bij beginnende rekenaars. Ze vroegen 285 leerlingen tijdens hun eerste drie schooljaren naar hoe leuk ze de rekenlessen vonden en een inschatting van hun rekenvaardigheden. Opvallend was dat hun emotionele beleving negatiever werd. Zowel het enthousiasme bij het maken van sommetjes als de overtuiging succesvol te kunnen zijn daalden.
De ontwikkelingsvolgorde tussen rekenplezier en rekenzelfbeeld bleek lastig te ontrafelen. Leerlingen die zeiden de sommen snel en goed te kunnen uitrekenen, waren enthousiaster of verloren minder snel hun positieve gevoel. En omgekeerd: leerlingen die lol beleefden aan het goochelen met getallen, zagen zichzelf eerder als rekenwonders en hielden vertrouwen in hun rekenvaardigheden.
Dat maakt dit onderzoek wat onbevredigend: komt motivatie nu vóór het leren of erna? Maar misschien is het nog belangrijker te gaan begrijpen waarom leerlingen al zo vroeg in hun schoolloopbaan steeds negatiever denken over cijfers en sommetjes.
Niemivirta, M., Tapola, A., Tuominen, H., & Viljaranta, J. (2023). Developmental trajectories of school-beginners’ ability self-concept, intrinsic value and performance in mathematics. The British journal of educational psychology, 10.1111/bjep.12655. Advance online publication, doi.org/10.1111/bjep.12655
Een geadopteerde kat kan een betrouwbare, onzelfzuchtige en tedere vriend zijn, maar ook een positieve verandering betekenen in het leven van kinderen met autisme. Tien gezinnen in de buurt van het Research Center for Human-Animal Interaction in Missouri kregen een zorgvuldig geselecteerde nieuwe huisvriend; een kat met een kalme uitstraling zoals vastgesteld via een temperament-vragenlijst voor katachtigen. Voor hun deelname ontvingen zij bovendien een draagmand, een klimboom, speeltjes, brokjes en gratis kattenbakvulling gedurende de onderzoeksperiode.
Iedere twee weken beantwoordde een ouder vragen over de negatieve en positieve kanten. Ondanks wat geklaag over extra werk, stelde de nieuwe levensgezel niet teleur. Velen noemden de gestaag groeiende vertrouwensband tussen kat en kind als pluspunt.
Ook zagen ouders meer sociale interactie – ‘Mijn zoon praat graag over zijn kat met andere kinderen’ – en empathie – ‘Door de kat heeft hij geleerd zachtaardig en lief te zijn’. Misschien niet genoeg om van een effectieve dierentherapie te spreken, maar mogelijk wel voldoende om een asielkat een tweede kans te geven.
Carlisle, G. K., Lamontagne, A., Bibbo, J., Johnson, R. A., & Lyons, L. A. (2024). Experiences of parents of autistic children who adopted a cat. Qualitative Social Work, 23(1), 26-40, doi.org/10.1177/14733250231151946
Niet iedereen gaat op ontdekkingsreis. Onderzoekers aan het Boston University Wheelock College zagen op video-opnamen van de bouwhoek dat ongeveer een derde van de kleuters nieuwsgierig genoeg is om te gaan bouwen met blokken of proefjes te gaan doen met onbekende materialen. Jongens namen net wat vaker deze stap dan meisjes. Maar hoe gaat het als kinderen in de bouw of wetenschapshoek zijn? Worden jongens en meisjes daar anders behandeld?
In de bouwhoek bleek de leerkracht twee soorten vragen te stellen aan kinderen: vragen naar weetjes en feiten en vragen naar verklaringen en oorzaak-gevolg relaties. Ofwel vragen beginnend met wie, wat, waar en wanneer en uitnodigingen tot complexere redeneringen via hoe en waarom. Leerkrachten stelden beide vragen vaker aan jongens en vuurden vooral het simpelere type W-vragen op de kinderen af.
Vervolgens ging het onderzoeksteam na hoeveel vragen ieder kind had gekregen in de speciaal ingerichte hoek. Dit bleek verhelderend. Het gemiddelde aantal vragen per minuut lag met .17 voor de jongens en .16 voor de meisjes heel dicht bij elkaar. Met deze cijfers in de hand kun je niet zeggen dat meisjes evenveel kans maken om uitgedaagd te worden, maar misschien hebben veel juffen en meesters inmiddels het idee losgelaten dat jongens beter zijn in wetenschap en techniek en dus meer aandacht verdienen?
Kumar, S. C., Haber, A. S., & Corriveau, K. H. (Online first publication). Exploring How Teachers’ Scientific Questions Differ by Child Gender in a Preschool Classroom. Mind, Brain, and Education, doi.org/10.1111/mbe.12400
June Bragg werkt als orthopedagoog bij Stichting Philadelphia Zorg. Ze is vooral betrokken bij cliënten met een licht verstandelijke beperking die begeleid wonen. Begin vorig jaar begon ze met haar opleiding tot orthopedagoog-generalist bij RINO Zuid. Voor de Pedagoog houdt ze een dagboek bij en deelt ze elk kwartaal haar ervaringen.
Lees meer
Véronique Wils
In januari ben ik met frisse moed gestart met de keuzemodules van het tweede jaar. We begonnen met een introductie in de toegepaste gedragsanalyse, plotseling een heel gespecialiseerd en inhoudelijk vak vergeleken met de vorige modules gericht op interactie en samenwerking. Leuk hoe de opleiding telkens weer prikkelt en uitdaagt om na te denken over nieuwe onderwerpen.
Naast het volgen van de modules en de uitvoering van de Kenmerkende Beroepssituaties, is het een vereiste om een N=1 verslag, ook bekend als de gevalsbeschrijving of jaarcasus, in te dienen. Dit is een uitgebreid diagnostiektraject waarbij er sprake is van complexe problematiek, oftewel diverse factoren die een rol (kunnen) spelen bij het in stand houden van probleemgedrag. Ik ben in april 2023 gestart met mijn N=1 en de afronding komt in zicht. Het specifiek en met aandacht doorlopen van alle stappen van het diagnostisch proces was heel leerzaam. Al kostte het veel tijd (en frustratie) om de probleemanalyse goed op papier te krijgen. Het was een uitdaging om de samenhang tussen alle verschillende factoren bij elkaar te puzzelen en te komen tot een integratief beeld dat recht doet aan de cliënt. Ik ben trots op het eindproduct en blij voor de cliënt en zijn omgeving. Zij begrijpen nu beter waar zijn gedrag en problemen vandaan komen, waardoor ze er – met de nodige handvatten – ook beter mee om kunnen gaan.
Nu kijk ik vooral uit naar de taart en champagne, die mijn collega en medestudent Anna en ik elkaar hebben beloofd, als beloning wanneer het verslag is afgetekend. Soms heb je iets nodig om naar uit te kijken, ook dat heb ik het afgelopen jaar geleerd.
De laatste module van afgelopen jaar stond in het teken van samenwerken en coachen. Met behulp van onder andere de transactionele analyse zijn we meegenomen in technieken om de samenwerking met teams te verbeteren. Voor de eindopdracht heb ik een analyse gemaakt van de interactie tussen mij en een team, waarmee de samenwerking stroef verliep. Ik concludeerde dat er vooral iets gebeurde in de interactie tussen mij en één specifieke begeleider. Wij botsten nog weleens door haar directe benadering en impulsiviteit. Na deze ontdekking werd ik nieuwsgierig naar haar verhaal en achtergrond. En wat bleek? Haar gedrag was goed te verklaren vanuit haar geschiedenis. Na een gesprek van tien minuten kreeg ik meteen veel meer begrip voor haar. Het volgende inhoudelijke overleg verliep soepel en in goede afstemming. De wijze les: momentjes van oprechte interesse in de persoon voor je, maken soms het
grootste verschil. Tien minuten en een extra kopje koffie zijn dan een kleine investering.
tekst: June Bragg
Voor de opleiding orthopedagoog-generalist kun je ook terecht bij:
Ouders mogen zo nodig dag-en-nacht bij hun kind in het ziekenhuis blijven. Er zijn Ronald McDonald Huizen voor gezinnen vlak naast het ziekenhuis. Het past bij de groeiende trend van ‘family-integrated care’ om ouders te betrekken bij medische behandelingen van kinderen. Hoe heeft de pedagogiek een plaats in het ziekenhuis verworven en hoe kind- en gezinsgericht gaat het er werkelijk aan toe?
Lees meer
Een korte film van psychoanalist James Robertson uit 1952, A twoyear-old goes to hospital, volgt Laura tijdens haar opname in het ziekenhuis en toont haar emotionele reacties. De film maakte grote indruk en opende het debat over het belang van de aanwezigheid van ouders bij hun kind in het ziekenhuis, iets wat in die tijd vaak onnodig en storend werd geacht.
Dankzij een breed gedragen discours dat toen ontstond onder psychoanalytici en wetenschappers (waaronder John Bowlby)1 – en mede door de ervaringen van en met verweesde kinderen door de Tweede Wereldoorlog – is er intussen heel wat veranderd. Er wordt veel empirisch onderzoek gedaan naar manieren om medische (be-)handelingen voor kinderen prettiger te laten verlopen. Een innovatief voorbeeld is onderzoek naar de inzet van virtual reality. In een recente studie bleek dat voor het verminderen van pijn en angst bij kinderen rondom een medische procedure met een naald, hypnose via virtual reality net zo effectief is als hypnose uitgevoerd door een zorgprofessional2.
Hoe reduceer je angst, pijn en stress bij kinderen rondom medische (be-)handelingen? Hiermee houden het PROSA-kenniscentrum (procedurele sedatie en analgesie) en de gelijknamige leerstoel bekleed door kinderarts-intensivist Piet Leroy van het Maastricht Universitair Medisch Centrum zich bezig. Hun antwoord: het bieden van procedurele comfortzorg. Oftewel ‘een geïntegreerd en interdisciplinair zorgmodel, dat op de korte termijn comfort tijdens en succes van een medische verrichting beoogt en op de lange termijn het behoud van vertrouwen van kind en ouders in de zorg(-verlener)’3. Bij procedurele comfortzorg hoort in principe geen dwang, maar worden er – voorafgaand aan farmacologische interventies – afleidings- en hypnosetechnieken ingezet. Een veelgebruikte methode bij het behandelen van kinderen is de RAPP-procedure, met aandacht voor Relaxen, Afleiding, Positie (bijvoorbeeld bij de ouder op schoot) en Pijnstilling. Ook zijn er sinds november 2022 internationale richtlijnen, de rights-based standards, voor medische procedures bij kinderen, opgesteld door een groep wetenschappers en zorgprofessionals4.
Algemeen kinderarts Moniek Corcoran heeft de basiscursus procedurele comfortzorg bij kinderen gevolgd bij PROSA en houdt zich actief bezig met het verbeteren van beleid en praktijk op het gebied van angst- en pijnvrij behandelen in het Albert Schweitzer ziekenhuis in Dordrecht. Ze benadrukt het belang van taalgebruik.
“Vermijd woorden als pijn en prik. Laat liever in het midden wat kinderen kunnen ervaren. Zeg bijvoorbeeld: ik ga je nu een medicijn geven. Sommige kinderen voelen daar niets van en andere vinden het een beetje ongemakkelijk of warm aanvoelen. Vertel jij mij straks hoe het voor jou is?”
Ook onderstreept ze het belang van een duidelijke rol voor ouders: “Zij kunnen er zijn om het kind te ondersteunen, vertel ze daarom wat ze kunnen doen en hoe ze kunnen helpen.” Ook wordt steeds meer gewerkt volgens het one-voice principe, waarbij één medewerker het kind en de ouder(s) gaandeweg uitleg geeft bij alle stappen en zorgt voor de afleiding en de andere professionals hun
werk zoveel mogelijk op de achtergrond uitvoeren.
Monieks belangrijkste boodschap: “Je bent zelf als zorgprofessional het belangrijkste instrument, dus doe daar wat mee. En dat hoeft echt niet veel extra tijd te kosten.”
Op een donderdagochtend in februari mag ik meelopen op de kinderdagbehandeling en operatiekamer van een ziekenhuis in Zuid-Holland.
Om met eigen ogen te zien hoe kinderen en ouders begeleid worden voor, tijdens en na een operatieve ingreep.
Op de kinderafdeling heerst rust en zowel de verpleegkundigen als de gangen en behandelkamers maken een (kind-)vriendelijke indruk. Vlak voor de ingreep krijgen ouders en kind – soms met behulp van een knuffelbeest – uitleg over wat er staat te gebeuren en besluiten ze samen welke premedicatie ingezet wordt. Ook op de operatiekamer is er aandacht voor ouder en kind, maar daar heerst tevens een strak tijdschema. Meestal is er geen tijd om uitgebreid stil te staan bij de angsten van een kind.
Het strakke tijdschema en het idee onder zorgprofessionals dat het soms onvermijdelijk is om tegen de wil van kinderen in te gaan, aangezien zij vaak niet het belang van bepaalde medische handelingen kunnen inzien, lijken tegengesteld aan eerdergenoemde procedurele comfortzorg. Rianne van Geldere, medisch-pedagogisch medewerker in het Albert Schweitzer ziekenhuis, vertelt dat het enorm helpt als ouders hun kind goed kunnen voorbereiden op een bezoek aan het ziekenhuis. Bijvoorbeeld met behulp van de app Hospital Hero, recent genomineerd voor de Klokhuis Wetenschapsprijs.
Het lijkt erop dat de pedagogiek vandaag de dag een steeds belangrijkere, maar nog enigszins ondergeschikte rol heeft binnen het ziekenhuis. Sensitief werken met kinderen in de medische gezondheidszorg bestaat echter uit het constant zoeken naar een balans tussen beschermen en genezen, wat uiteraard uitdagingen met zich meebrengt. Leuker kunnen we een bezoek aan het ziekenhuis niet echt maken voor kinderen, maar wel makkelijker, en gelukkig is er steeds meer aandacht voor wat een procedure voor kinderen kan betekenen en hoe we deze zo angst- en pijnvrij mogelijk kunnen inrichten.
tekst: Sanne de Vet
beeld: iStock
1 Van der Horst, F. C. P., & Van der Veer, R. (2009). Changing attitudes towards the care of children in hospital: A new assessment of the influence of the work of Bowlby and Robertson in the UK, 1940 – 1970. Attachment & Human Development, 11 (2), 119-142. doi:10.1080/14616730802503655
2 Van den Berg, S., Hoogeveen, M. O, Van Winden, T. M. S., Chegary, M., Genco, M. S., & Jonkman, N. H. (2023). Virtual reality hypnosis for needle-related procedural pain and fear management in children: A non-inferiority randomized trial. European Journal of Pediatrics, 182, 4421 – 4430. doi:10.1007/s00431-023-05116-8
3 Leroy, P. L., Costa, L. R., Emmanouil, D., Van Beukering, A., & Franck, L. S. (2016). Beyond the drugs: Nonpharmacologic strategies to optimize procedural care in children. Current Opinion in Anesthesiology, 29, 1-13. doi:10.1097/ACO.0000000000000312
4 Bray, L. et al. (2023). Developing rights-based standards for children having tests, treatments, examinations and interventions: Using a collaborative, multi-phased, multi-method and multi-stakeholder approach to build consensus. European Journal of Pediatrics, 182, 4707 – 4721. doi:10.1007/ s00431-023-05131-9
Meer lezen & kijken
Er zijn verschillende initiatieven om zogenaamde thuiszitters te bereiken en weer naar school te krijgen. Een daarvan is Stronk, pedagogische jeugdwerkplaats in Dongen. Hoewel ze niet gestart zijn met het oog op thuiszitters, krijgt Stronk die wel steeds meer binnen. Jongeren, ouders en gemeente zijn enthousiast over de manier van werken.
Lees meer
Wat doet Stronk om aansluiting te krijgen bij deze middelbare scholieren en hun ouders? Ik ga op bezoek bij de initiatiefnemers, dertigers Jorus Rompa en Mark Jonkers. Lisette Bastiaansen – vrijwilliger bij Stronk en gepromoveerd op het onderwerp aandachtige betrokkenheid in het onderwijs1 – is toevallig ook aanwezig, en praat met ons mee.
Jorus is pedagoog, Mark ingenieur. Ze kennen elkaar al hun hele leven en zijn vanuit hun diepgaande vriendschap en gemeenschappelijk mensbeeld Stronk gestart. Menszijn staat centraal, in alles wat ze doen. Echt contact, geraakt worden en aangeraakt worden. En deze waarden vasthouden en voorleven in elke rol die ze hebben en in elke keuze die gemaakt moet worden.
Stronk is een echte werkplaats. Jorus en Mark maken er samen met de jongeren onder andere meubels en decorstukken en ze repareren spullen. Dat doen ze op eigen initiatief of in opdracht van bedrijven en particulieren. Ze werken met hout, metaal, elektronica, mechanica; maar vooral met elkaar.
Een duidelijke visie op pedagogiek en op de existentiële dimensie van voorwerpen maken, komen hier bij elkaar. “Door samen van begin tot eind aan de slag te gaan, ontdekken jongeren wat ze kunnen en zijn ze bezig met hun ontwikkeling”, leggen Jorus en Mark uit. “Pedagogiek gaat over perspectief en groei, over het handelen van volwassenen om die groei bij jongeren te stimuleren, en om bij te dragen aan de veerkrachtige identiteitsvorming van jongeren.”
Door voorwerpen te maken, leren jongeren om te gaan met de eigenschappen van materiaal, en leren ze het idee in hun hoofd omzetten naar een concreet voorwerp. Volgens de initiatiefnemers kunnen jongeren zich verschuilen in het praktisch bezig zijn, maar als de tijd rijp is kunnen ze ook tevoorschijn komen. Het materiaal en het bezig zijn, geeft hen de mogelijkheid om te laten zien wat zich in hun binnenwereld afspeelt, wat ze kunnen en willen ontwikkelen. Ze leren door te doen en Stronk legt daarmee de focus op talentontwikkeling.
Denken en doen zijn bij Stronk aanvullend, en worden daardoor ‘pedagogisch doen’. Jongeren krijgen de ruimte om invloed uit te oefenen op en vorm te geven aan de wereld om hen heen (‘agency’) en dit draagt bij aan hun psychisch welbevinden. Jongeren worden serieus genomen en kunnen actief participeren binnen Stronk, waarbij verwachtingen uitgesproken worden en ze verantwoordelijkheden krijgen. Alles op maat en passend bij wat ze op dat moment aankunnen.
De naam Stronk is een metafoor voor wat hier gebeurt: de jongeren een voedingsbodem geven om te groeien, te zorgen voor stevige wortels (een vertrouwensbasis). Vanuit die wortels kunnen ze groeien door gefaseerd steeds meer verantwoordelijkheid te dragen om uiteindelijk buiten Stronk door te groeien.
Jorus en Mark praten bezield over hun levenswerk. Ze blijven trouw aan de oorspronkelijke waarden, en maken keuzes die hierbij passen. Zo kiezen ze er bewust voor om niet in capaciteit te groeien en vier tot maximaal zes jongeren per dag te ontvangen.
Ook is Stronk twee dagen per week ‘dicht’, zodat ze tijd hebben om contacten te onderhouden met ouders en anderen uit het systeem om de jongeren heen, hierin te coördineren en regie te pakken als
dat nodig is.
Omdat er niet veel jongeren tegelijk komen, ‘moeten’ Jorus en Mark ook echt iets met hen. Ze kunnen niet om elkaar heen. Het echte menselijke contact, oprecht en authentiek, is de basis, waarbij ze jongeren meenemen in de alledaagsheid van het leven. Zo lunchen ze samen en lopen de ouders van Jorus en Mark regelmatig binnen voor een praatje.
Jorus en Mark zijn zichzelf, zijn echt mens. Daarnaast hebben ze natuurlijk hun professionele rol, die ze waar nodig expliciteren. Ze zien de jongeren die thuis zijn komen te zitten niet als thuiszitters of als probleemgeval, maar als mensen die een nieuwe route willen zoeken. De jongere is al een mens, een persoon. Dit mensbeeld en deze manier van leven raakt jongeren en hun ouders, en Jorus en Mark worden op hun beurt ook geraakt en aangeraakt in het contact met de jongeren. Ieder is mens met zijn eigen tekortkomingen of beperkingen, en elk mens is heel in het niet-heel zijn. Door dit voor te leven, creëren ze een gemeenschap op zich, waar iedereen anders is en mag zijn.
Lisette noemt Stronk een plek om op adem te komen, om opnieuw te beginnen; een tussenruimte die geen onderwijs is en ook geen vrije tijd maar iets daartussenin. Mark vergelijkt het met een pedagogische vrijplaats, waar ruimte kan ontstaan voor meer wezenlijke inzichten en ervaringen, juist omdat er buiten de kaders van onderwijs en jeugdhulp gewerkt wordt. Ze zoeken zelf de schuring op, door de grenzen van het onderwijssysteem en systeem van jeugdhulp op te zoeken en maken dus gebruik van hun discretionaire ruimte. Tegelijkertijd dagen ze jongeren uit dat ook te doen. Wat als ik het anders doe? Wat gebeurt er dan? En durf ik dat dan?
Ik ben onder de indruk van Stronk en hoe Mark en Jorus praten over hun jeugdwerkplaats. Het is een plek waar pedagogische begrippen als verbinding, present zijn, werken vanuit de relatie, sensitief zijn,
de mens achter het gedrag zien, echt vorm krijgen. Een plek waar professionele nabijheid en elkaar als mens oprecht ontmoeten samenvallen. Iets wat makkelijker gezegd dan gedaan is, en wat door wet- en regelgeving en bestaande narratieven in de systeemwereld van onderwijs en jeugdhulp steeds lastiger lijkt te worden.
tekst: Marleen Baeten
beeld: Stichting Stronk
1 Proefschrift Aandachtige betrokkenheid als pedagogische grondhouding (2022) van Lisette Bastiaansen: research.uvh.nl/ws/portalfiles/portal/19903820/
PROEFSCHRIFT_LISETTE_BASTIAANSEN_DEFINITIEF.pdf Stronk: www.stronkmaakt.nl
Afgelopen februari promoveerde orthopedagoog Marloes Thalen op onderzoek naar de ondersteuningsbehoeften van ouderen met een verstandelijke beperking en hoe Belevingsgerichte Zorg in die behoeften kan voorzien. Mensen met een verstandelijke beperking worden steeds ouder door verbeterde levensomstandigheden en betere medische zorg. Dat heeft gevolgen voor de dagelijkse zorgpraktijk.
Lees meer
Marloes Thalen
2022-heden
Ontwikkel- en implementatiemanager ouder wordende cliënt, Stichting Philadelphia Zorg
2015-2023
Science-practitioner, Academische Werkplaats Leven met een verstandelijke beperking, Tranzo, Tilburg University
2015-2023
Promovendus-onderzoeker, Stichting Philadelphia Zorg
2010-2015
Coördinerend begeleider MVG, Stichting Philadelphia Zorg
2010-2011
Master Forensische orthopedagogie, Universiteit van Amsterdam
2009-2010
Master Pedagogische wetenschappen, Universiteit van Amsterdam
2004-2008
Bachelor Pedagogische wetenschappen, Universiteit van Amsterdam
Het idee voor het promotieonderzoek kwam van de werkgever van Marloes Thalen, Philadelphia in Amersfoort, de zorginstelling die mensen met een beperking op verschillende manieren ondersteunt. Marloes: “Er kwamen steeds meer signalen uit de praktijk van begeleiders die aangaven dat ze – nu cliënten steeds ouder worden – worstelen met de begeleiding. Toen heeft Philadelphia mij gevraagd onderzoek te doen naar de ondersteuningsbehoeften van cliënten en naar Belevingsgerichte Zorg als methodiek om in die behoefte te voorzien. Ik ben vanuit Philadelphia gedetacheerd bij de Academische Werkplaats Leven met een verstandelijke beperking van de Tilburg University om mijn promotieonderzoek te doen. Petri Embregts en Karin Volkers hebben mij hierin begeleid.”
Kun je schetsen hoe het leven van de steeds ouder wordende cliënt met een verstandelijke beperking eruitziet?
“Laat ik voorop stellen dat ouder worden natuurlijk een individueel proces is. Maar als je voor de hele groep spreekt, dan zie je dat deze mensen steeds ouder worden – soms net zo oud als mensen zonder beperking. Je ziet ook dat mensen met een verstandelijke beperking éérder oud worden en dat ze vaker te maken hebben met meerdere gezondheidsproblemen. Dat kan complexe situaties opleveren, waarbij de fysieke problemen snel in het oog lopen. Als iemand niet goed ter been is, dan zie je dat meteen. Maar het psychosociale deel van het verhaal is minder zichtbaar. Ik hoop dat mijn onderzoek bijdraagt aan het vergroten van de aandacht daarvoor.”
Hoe heb je het onderzoek aangepakt?
“In de eerste fase hebben we gekeken naar wat de ondersteuningsbehoeften op de verschillende domeinen van kwaliteit van leven zijn. We zijn in gesprek gegaan met experts die ruime ervaring hebben met ouderen met een verstandelijke beperking, zoals psychologen en orthopedagogen. Daarnaast hebben we ouderen met een verstandelijke beperking geïnterviewd en gevraagd wat zij belangrijk vinden in het dagelijks leven, welke hulp ze hebben en hoe ze die hulp ervaren. Daar kwam duidelijk uit naar voren dat er naast behoefte op het gebied van fysiek welbevinden ook behoeften zijn op het psychosociale vlak. Denk aan emotioneel welbevinden, persoonlijke relaties en existentieel welbevinden. Vervolgens ben ik gaan onderzoeken welke interventies er op dat gebied zijn. Dat bleken er nog maar weinig, waarbij de rol van de begeleider ook nog eens vrij klein was. Tot slot heb ik gekeken of Belevingsgerichte Zorg in die behoefte kan voorzien en hoe je die zorg als professional kunt toepassen.”
De titel van je proefschrift luidt Welcome to my world. Hoe ben je op die titel gekomen?
“Dat raakt de kern van het verhaal, namelijk dat je als begeleider in staat moet zijn om je te verplaatsen in de belevingswereld van de ouder wordende cliënt. Tegelijkertijd is het belangrijk dat je je ook bewust bent van je eigen belevingswereld, want die kan best verschillen van die van de cliënt. Je kunt de titel dus zien als een wederzijdse uitnodiging om elkaars wereld beter te leren kennen. Je gaat het gesprek aan met elkaar, met de familie en andere naasten van de cliënt en je probeert het levensverhaal echt scherp te krijgen. Dan leg je in feite de basis voor het traceren van de juiste ondersteuningsbehoeften.”
Voor het concept van Belevingsgerichte Zorg is Philadelphia terechtgekomen bij verpleegkundig onderzoeker Cora van der Kooij, die de grondslag heeft gelegd voor zogeheten belevingsgerichte professionaliteit in de ouderenzorg. Jij hebt onderzocht of je dit principe ook zou kunnen toepassen in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking. Hoe zou je Belevingsgerichte Zorg omschrijven?
“Als een vorm van persoonsgerichte zorg, een methodiek die begeleiders kan helpen om écht de verbinding te maken met de ouder wordende cliënt, en ook aan te sluiten bij de belevingswereld van die
cliënt, waardoor je in staat bent om iemands wensen en behoeften te achterhalen en daarbij aan te sluiten. Belangrijk aspect is dat je het als begeleider iedere dag opnieuw toepast en iedere dag weer opnieuw kijkt naar hoe het gaat. Want juist bij deze groep mensen kan het verouderingsproces opeens snel gaan – wat je deze week nog kunt, kun je volgende week misschien niet meer. Er kan heel veel aan de hand zijn. Hun gehoor en zicht worden bijvoorbeeld steeds minder, maar ook hun smaak verandert. Daarom is het zo belangrijk om iedere dag weer met een frisse blik naar hen te kijken.
Dan weet je wat iemand nog wel of niet wil. Is dagbesteding of een werkomgeving nog zinvol of is het beter om ermee te stoppen? Wil iemand nog nieuwe dingen leren, zoals werken op een tablet? Dan kun je daarop inzetten. Het is maar een kleine greep uit de onderwerpen die voorbij komen.”
Je vertelde eerder dat het belangrijk is dat begeleiders zich ook bewust zijn van hun eigen belevingswereld. Waarom is dat zo belangrijk?
“Een heel eenvoudig voorbeeld. Stel dat je het als begeleider fijn vindt om op zondag met je gezin te ontbijten met een gekookt eitje. Puur vanuit een goede intentie ga je dat ook voor cliënten doen, maar in feite projecteer je je eigen belevingswereld dan op die van de cliënt, terwijl je helemaal niet weet of die er wel op zit te wachten.”
Kun je een voorbeeld geven van hoe Belevingsgerichte Zorg op een positieve manier kan uitpakken in de praktijk?
“Dan denk ik meteen aan een cliënt die al zijn hele leven erg netjes gekleed gaat. Op een gegeven moment werd het voor hem lastig om op tijd de knoop en rits van zijn broek los te maken als hij naar
het toilet moest, waardoor hij soms te laat was. Heel vervelend dus. In eerste instantie was het idee dat hij voortaan een joggingbroek zou kunnen dragen, maar de cliënt voelde zich er niet prettig in en ook de familie had er moeite mee – dit was niet hoe zij hem kenden. Dus toen is besloten om een nette broek met een elastieken boord te laten maken, waardoor hij er net zo netjes uitziet als altijd én nog steeds zelfstandig naar het toilet kan. Het is een voorbeeld waaruit blijkt hoe ontzettend belangrijk het netwerk van een cliënt is.”
Hoe reageren de medewerkers van Philadelphia op deze nieuwe manier van werken?
“Eigenlijk heel enthousiast. We hebben een training ontwikkeld waarbij ze leren hoe ze met de methodiek moeten werken, denk aan het optekenen van het ‘levensverhaal’. Wat ik terugkrijg is dat ze nu handvatten hebben om beter te begrijpen wie de cliënt in essentie is.”
Hoe kunnen orthopedagogen bijdragen aan een goede implementatie van Belevingsgerichte Zorg?
“Het is allereerst belangrijk dat ook orthopedagogen getraind worden om te begrijpen hoe Belevingsgerichte Zorg werkt. Dan begrijpen ze ook welke afwegingen soms worden gemaakt, dat er bijvoorbeeld iets blijft liggen omdat iets anders belangrijker was in het belang van de cliënt. Of dat het tempo wat lager ligt omdat je je aanpast aan de belevingswereld van de cliënt. De training Belevingsgerichte Zorg, onder andere gebaseerd op de uitkomsten van mijn proefschrift, wordt op dit moment alleen aangeboden aan alle locaties binnen Philadelphia die met ouderen met een verstandelijke beperking werken, nog niet extern.”
“Verder zie ik de orthopedagoog vooral als degene die de focus breed houdt. Soms kun je als begeleider behoorlijk in beslag worden genomen door fysieke zaken en dan bestaat het gevaar dat de focus toch weer te veel op het medische aspect komt te liggen. De orthopedagoog bewaakt dan de andere domeinen, die kan bijvoorbeeld vragen of er wel genoeg contactmomenten met de familie zijn.”
tekst: Raymond Krul
Proefschrift Welcome to my world
Quint komt alleen naar de intake. Zenuwachtig frommelt hij aan zijn hoodie, zijn gezicht verstopt in zijn capuchon. Zijn gezicht is bleek en gevlekt door de jeugdpuistjes. ‘Mijn moeder komt er zo vast aan hoor’, zegt hij. ‘Ze is met de bus, maar ze weet de weg vaak niet zo goed.’
Lees meer
Zijn jullie niet samen gekomen?”, vraag ik hem.
“Nee, zij komt uit Capelle, maar ik woon in Hoogvliet, op de groep.”
“Wat knap dat je alleen hier heen komt en dat je zelf met ons in gesprek durft. Weet je waar dit gesprek voor is?”
“Ja, dat ik weer naar school kan.”
“Zou je dat graag willen?”
“Ja, ik wil graag naar school en weer bij mama wonen.”
“Lukt dat nu niet?”
“Nee, ik ben vaak boos.”
“Zo, nou, ik merk dat je eigenlijk al meteen goed over jezelf kan praten. Dat is hartstikke fijn en knap. Dat gaat je hier zeker helpen. Ik ga nu een heleboel vragen aan je stellen. Vind je dat goed? En ondertussen wachten we op je moeder. Hoe oud ben je eigenlijk?”
“Dertien”, antwoordt hij. “Ik ben vandaag jarig.”
Quint is aangemeld bij een jeugdinstelling voor behandeling en onderwijs, waar ik samen met een begeleider de intake doe. De jeugdreclasseerder zit erbij omdat Quint mee heeft gedaan met een groepsdelict op straat.
“Kun je me iets meer vertellen over hoe het op school ging?”, vraag ik na een tijdje.
Quints moeder is nog niet aangekomen en hij kijkt regelmatig in zijn WhatsApp.
“Wel goed, maar ik had altijd ruzie met de kinderen uit de klas. De leraren waren wel aardig hoor. Maar ik mocht op school geen telefoon en die heb ik echt nodig. Dus eh… ik wil effe weten of ik hem hier mag houden in de klas. Wat gaan we hier eigenlijk allemaal doen?”
“Goede vragen zeg! Mag ik vragen waar je je telefoon echt voor nodig hebt?”
“Nou gewoon, voor m’n moeder, enne… om te zeggen tegen iemand als ie zijn bek moet houden.”
“Hoe bedoel je, Quint?”
“Nou gewoon, in de klas praat iedereen tegen me en als ik wil dat het stopt, moet ik effe appen. Dan zeg ik: Hou effe je bek en dan luisteren ze wel. Anders luisteren ze niet.”
“Dus, begrijp ik het goed dat je ‘in het echt’ niet kan zeggen dat je het niet leuk vindt als iemand iets doet, maar dat je dat wel via de app kan?”
“Ja, man. Of eh, sorry, u bent een vrouw.”
“Zou dat dan iets zijn, om hier te leren?”
“Ik weet het niet.”
“En ik hoorde je ook vertellen dat je graag weer thuis wil wonen. Klopt dat?”
“Ja, maar wel als ik dan langer mag douchen, want bij mama mag het maar een minuut. Anders lekt het naar beneden en wordt de bank weer nat. Dus op de groep is de douche wel chill. Maar, eh… kan ik nog effe mijn moeder bellen?”
tekst: Elena Carmona van Loon, orthopedagoog-generalist, trainer en behandelaar. Auteur van diverse boeken over regieversterkend handelen in het onderwijs.
Quint heet in werkelijkheid anders.
Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord V(S)O biedt vier groepsarrangementen aan voor leerlingen in het voortgezet onderwijs met een extra ondersteuningsbehoefte. Deze arrangementen bieden leerlingen een goede kans om hun schoolloopbaan succesvol te doorlopen op het regulier onderwijs, concludeert het Kohnstamm Instituut. We spreken erover met Yolanda Klomp en Barbara Vonck van het samenwerkingsverband.
Lees meer
Yolanda Klomp (rechts) en Barbara Vonck begeleiden vanuit het samenwerkingsverband scholen op gebieden waar extra hulp nodig is. Yolanda (orthopedagoog) is daarnaast teamcoördinator, met verantwoordelijkheid voor verschillende projecten en doelen in het jaar- en ondersteuningsplan.
“Wat goed is voor één leerling, is vaak ook goed voor de rest”, zegt Barbara Vonck halverwege het gesprek. Het is illustratief voor de beweging die samenwerkingsverbanden in het hele land maken: waar de dienstverlening zich voorheen met name richtte op het helpen van individuele leerlingen, zoomen ze nu vaker uit.
Bij het Samenwerkingsverband Nieuwe Waterweg Noord V(S)O (Schiedam, Vlaardingen, Maassluis en Maasland), is deze ontwikkeling volgens Yolanda Klomp al wat langer gaande.
“We combineren praktijk en beleid en dat maakt het werk ontzettend boeiend. Als scholen ergens tegenaan lopen, worden we vaak gevraagd om mee te denken. We praten met ondersteuningscoördinatoren, met teamleiders, we observeren groepen waar het lastig gaat en geven workshops en trainingen. Op die manier kunnen we samen met scholen hun basis versterken, waardoor je problemen in een later stadium kunt voorkomen. En met de groepsarrangementen zijn we eigenlijk al jaren bezig, daarmee lopen we als samenwerkingsverband best voorop.”
De kern van het groepsarrangement is dat de hulp voor een bepaalde groep leerlingen geclusterd is. Dat hoeft overigens niet per definitie te betekenen dat de leerlingen ook fysiek bij elkaar in de klas zitten.
Barbara: “Het arrangement VSO in VO is bijvoorbeeld bedoeld om leerlingen die in aanmerking komen voor het speciaal onderwijs, tóch op het reguliere onderwijs te houden. De eerste scholen zijn begonnen met een aparte klas, maar omdat er niet altijd meteen een klas te vormen was, zijn scholen deze leerlingen ook in reguliere klassen gaan plaatsen. Dat werkte eigenlijk zo goed dat we inmiddels geen losse groepen meer hebben.”
Het samenwerkingsverband liet de vier groepsarrangementen (zie kader) onderzoeken door het Kohnstamm Instituut. Belangrijkste conclusie: de arrangementen bieden leerlingen met extra ondersteuningsbehoeften een goede kans om hun schoolloopbaan succesvol te doorlopen in het reguliere onderwijs. Uit interviews blijkt dat leerlingen zich gezien voelen, meer motivatie en meer vertrouwen in hun diplomakansen hebben en dat zij op persoonlijk vlak groeien. Dit komt volgens de ouders en leerlingen door de groepsarrangementen.
Barbara: “Het zijn echt resultaten om trots op te zijn. Door deze arrangementen kunnen we voorkomen dat leerlingen uitstromen naar het speciaal onderwijs en ervoor zorgen dat ze de ondersteuning krijgen die ze nodig hebben, zodat ze in hun eigen buurt onderwijs kunnen blijven volgen. Daarnaast is het mooi om van ouders en leerlingen te horen dat ze het fijn hebben op school en goed in hun vel zitten.”
Het Kohnstamm Instituut kwam ook met enkele verbeterpunten. Bijvoorbeeld met betrekking tot de overgang van onder- naar bovenbouw, de informatievoorziening vooraf aan ouders en het gebruik van inclusief taalgebruik. Yolanda: “We kregen van de scholen terug dat een naam als ‘VSO in VO’ niet helpend is en kan bijdragen aan het in stand houden van bepaalde vooroordelen. Wij gaan over het bieden van de juiste ondersteuning en niet over diagnoses, dus je wilt zoveel mogelijk wegblijven van labels. Tegelijkertijd wil je wel duidelijk maken dat het om vrij zware ondersteuning gaat. Dus dat is iets waar we goed en zorgvuldig over willen nadenken.”
Voor het slagen van de arrangementen is goede en intensieve begeleiding volgens Yolanda onontbeerlijk. “Hoe je die begeleiding als school invult, is vaak een kwestie van maatwerk en hangt af van de inrichting en kwaliteiten van de school. Soms is het een uitgebreid mentoraat, soms wordt een coach van buiten ingehuurd.”
De orthopedagoog/onderwijs-ondersteuningsspecialist denkt mee op casusniveau; hoe kan de ondersteuning in deze school voor deze leerling eruit zien? Vaak sluiten ze aan bij ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) gesprekken. Yolanda: “We coachen en denken mee met docenten, mentoren en coaches die uitvoerend met de leerlingen werken. We denken mee over het proces binnen de school, vaak met de ondersteuningscoördinator, maar ook met andere partijen zoals teamleiders en leerling-coördinatoren. Dit loopt van aanmelding tot en met examens; ‘Waar moeten we rekening mee houden?’, ‘Hoe heeft het arrangement een plek in de school?’ en ‘Hoe neem je het team daarin mee?’. We kunnen daarin ook uitvoerend iets betekenen, denk aan het organiseren van een workshop of meedenk-sessie, of intervisiegroepen en leergemeenschappen waarin mensen van verschillende scholen samenkomen.”
Orthopedagogen op andere scholen/samenwerkingsverbanden die met deze arrangementen zouden willen werken raadt Yolanda aan uit te gaan van het Three-tiered model1, dat kan helpen om de ondersteuning in de school vorm te geven.
“Daaraan refereren op verschillende niveaus en zo een kader schetsen, is iets wat orthopedagogen kunnen initiëren. Ook is het belangrijk om de voorwaarden waaraan voldaan moet worden om zo’n arrangement te starten helder te hebben. Uiteindelijk moet een school het zelf echt willen en doen, er klaar voor zijn en weten waar krachten – en grenzen – liggen. Kortom de basis moet op orde zijn en daarin hebben wij als orthopedagoog vanzelfsprekend een rol binnen het onderwijs.”
tekst: Raymond Krul
1 Het Three-tiered ondersteuningsmodel is een soort piramide. In de onderste, brede laag wordt goed onderwijs gegeven aan álle leerlingen. Ingebed in het klassenmanagement en met gebruik van effectief gebleken instructievormen. Hiervan profiteert 80% van de leerlingen. De middelste laag van de piramide bestaat uit leerlingen met risicogedrag: 15%. Op dit niveau voert de leraar programmatische interventies uit in de klas. De toplaag geeft de 5% van alle kinderen aan met ernstig probleemgedrag. Voor deze leerlingen zijn er individuele interventies op maat.
Bekijk hier de resultaten van het onderzoek door het Kohnstam Instituut
Ga constructief met je kinderen in gesprek over social media en maak in een vroeg stadium afspraken over schermtijd. Dat zijn effectieve maatregelen om mediaverslaving te voorkomen, zegt Ina Koning, hoofddocent Orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ze vindt dat er nog weinig wetenschappelijk kennis is over effectieve interventies voor ouders en professionals. ‘We moeten nog een miljoen vragen beantwoorden.’
Lees meer
Ina Koning is universitair hoofddocent Orthopedagogiek aan de Vrij Universiteit Amsterdam. Ze heeft veel onderzoek gedaan naar risicogedrag bij jongeren. ‘Een mediaverslaving is een gedragsverslaving en in die zin het beste te vergelijken met een gokverslaving.
Er komen geen middelen aan te pas, zoals bij alcohol of drugs.’
Als we Ina Koning online spreken, is ze niet op haar werkplek bij de Vrije Universiteit. Ze werkt thuis omdat haar jongste dochter ziek is. Geluk bij een ongeluk: we zien achter haar een A4’tje aan de muur hangen met de telefoonregels van het gezin. Er staat bijvoorbeeld op dat de mobiele telefoon niet mee naar boven gaat, dat de telefoon tijdens het eten niet wordt gebruikt en dat persoonlijk contact belangrijker is dan de telefoon.
“We hebben die regels samen opgesteld en dat is ontzettend belangrijk: je kinderen betrekken bij het opstellen van regels over telefoongebruik.”
Ina Koning heeft drie dochters, van acht, twaalf en dertien jaar. Ze maakt dankbaar gebruik van de mogelijkheid om haar wetenschappelijke bevindingen te toetsen in huiselijke kring. “Als ik iets vraag, zeggen ze soms: wil je dit weten als moeder of voor je onderzoek? Eigenlijk allebei, zeg ik dan. Gelukkig zijn ze bereid om veel met me te delen.”
Ina Koning houdt zich sinds een jaar of acht bezig met problematisch gebruik van social media. Daarvoor deed ze onder meer onderzoek naar alcoholgebruik onder jongeren. “Mijn interesse richt zich op het risicogedrag: welke jongeren zijn gevoelig voor verslaving en welke niet? En op welke manier kunnen ouders hun kinderen daarbij ondersteunen?”
Veel wetenschappelijke kennis is er nog niet als het gaat om mediaverslaving, wat gezien de relatief jonge historie van de smartphone
niet verwonderlijk is. Wat we volgens haar wél weten, is dat het van wezenlijk belang is om met je kinderen in gesprek te zijn en te blijven. “Mijn jongste dochter heeft nog geen mobiele telefoon, maar ze kijkt af en toe mee met vriendinnen. Soms komt ze thuis en vertelt ze dat ze nare dingen heeft gezien. Het is goed dat ze daarover praat, want zoiets kan echt onder je huid gaan zitten als je dat niet doet. Het is belangrijk dat je interesse toont, niet meteen oordeelt als je een schreeuwerig YouTube-filmpje ziet, maar dat je over hun voorkeuren en online gedrag in gesprek gaat.”
Van alcoholverslaving weten we dat het stellen van duidelijke regels ervoor zorgt dat jongeren gemiddeld genomen later beginnen met drinken. Geldt dit ook voor social media?
“In principe wel, alleen zien we bij social media lang niet zo’n sterk effect als bij alcohol. De verklaring daarvoor ligt deels in het feit dat kinderen soms al social media gebruiken op het moment dat deze afspraken worden gemaakt. En dan wordt het heel lastig om hun gedrag nog te veranderen. Daarom is het belangrijk om afspraken te maken vóór ze actief worden op social media, dus echt op behoorlijk jonge leeftijd.”
Voor ouders is het soms ook wel prettig als de kinderen even zoet zijn met een tablet of telefoon.
“Zeker en dat maakt het ook zo’n complex onderwerp. Ouders hebben er soms belang bij dat hun kind even online is, dan is het scherm je oppas. Er is een groep ouders die dat soms ook echt even nodig heeft, bijvoorbeeld omdat ze alleenstaand zijn en net een lange werkdag achter de rug hebben. Ik veroordeel dat niet, maar het is wel belangrijk dat ook deze ouders zich bewust zijn van het gemak waarmee ze het scherm kunnen inzetten en de mogelijke effecten hiervan. Zodat ze goed nadenken over de keuzes die ze maken over wanneer ze hun kind achter een scherm laten.”
Ook veel volwassenen kunnen niet van hun smartphone afblijven. Is het belangrijk dat zij het goede voorbeeld geven?
“Ja, dat is belangrijk. Kijk, iedereen is onderdeel van de digitale wereld. Mijn dochter is vandaag ziek, dus ik moet haar afmelden in een online systeem en daarvoor heb ik mijn telefoon nodig.
Als ik spreek op ouderavonden, dan poneer ik altijd een stelling over dit onderwerp, in de trant van: ‘Ik mag wel op mijn telefoon want ik moet belangrijke zaken regelen’. Een flink deel van de ouders is het eens met die stelling. Dan zeg ik: voor jou is het regelen van je bankzaken misschien belangrijk, maar voor je kind is het nét zo belangrijk om nog even dat ene berichtje te sturen, of om te zien wat er in de groepsapp gebeurt. Daarom is het belangrijk dat jij als ouder ook je telefoon weglegt en dat je je bankzaken op een ander moment regelt.
Daar komt nog bij dat we als wetenschap steeds scherper krijgen dat het schadelijk is wanneer je als ouder op je telefoon kijkt terwijl je in interactie bent met je kind. Een kind kan zich daardoor afgewezen voelen en denken: die telefoon is belangrijker dan ik.”
Welke kinderen en jongeren zijn met name gevoelig voor mediaverslaving?
“Kort gezegd gaat het vooral over kwetsbare jongeren en dan iets meer meisjes dan jongens. Denk aan jongeren met een lagere sociale competentie, jongeren die niet tevreden zijn over hun leven of jongeren die opgroeien in gezinnen waar al de nodige problemen spelen. Je kunt je voorstellen dat ze dan op zoek gaan naar erkenning en waardering en die vinden ze op social media, waar het algoritme er ook nog eens voor zorgt dat je steeds weer wordt bevredigd in die behoefte en dat je niet zo makkelijk kunt stoppen.”
beeld: Shutterstock
Je hebt weinig vertrouwen in de grote techbedrijven. In een opiniestuk in de Volkskrant1 schreef je, samen met collega-orthopedagoog Helen Vossen, dat de maatregelen die zij nemen om verslaving tegen te gaan niet serieus te nemen zijn.
“In dat stuk omschreven wij de maatregelen die deze bedrijven nemen als screenwashing. Ze zouden wel iets kunnen doen, zoals het instellen van een timer, maar dat zet nauwelijks zoden aan de dijk. Logisch, want het verdienmodel van die bedrijven is erop gericht om jou zo lang mogelijk online te houden. De essentie van de technologie is dat het beloningssysteem van je hersenen steeds opnieuw wordt gestimuleerd, wat voor het verslavende karakter zorgt. Om die reden, en omdat er nogal wat tijd overheen gaat voordat er goede regelgeving vanuit de overheid is, is de rol van ouders zo belangrijk. Het is belangrijk om ouders nu al bewust te maken van wat zij kunnen doen.”
Hoe kunnen orthopedagogen en andere hulpverleners ouders daarbij ondersteunen?
“Ze kunnen in ieder geval ouders stimuleren om hierover in gesprek te gaan met hun kinderen, maar verder weten we nog ontzettend weinig. Ik geef op dit moment veel presentaties bij scholen, zorgprofessionals en preventiemedewerkers en dan vertel ik dat we eigenlijk nog nauwelijks kennis hebben over effectieve interventies. Daarom vind ik dat we veel meer onderzoek moeten doen naar evidencebased interventies. Neem het ‘smartphoneverbod’ dat sinds kort op veel scholen is ingesteld. Op zichzelf is het een goede maatregel, maar het is vrij bot ingezet. Iedere school hanteert het ook nog eens op zijn eigen manier, dus eigenlijk doen we maar wat. Liever had ik een pilot gezien waarbij we echt goed hadden onderzocht wat wel en niet werkt.”
Er is dus veel behoefte aan kennis.
“Zeker, er zijn een miljoen vragen die nog beantwoord moeten worden. Er is bijvoorbeeld vooral onderzoek gedaan in de normatieve groep jongeren, terwijl we er steeds meer achter komen dat voor neurodivergente jongeren, denk aan jongeren met autisme, ADHD of een licht-verstandelijke beperking, social media een andere rol kunnen spelen. Aan de ene kant zijn de risico’s groter, maar aan de andere kant kunnen deze jongeren ook voordelen hebben van social media. We gaan daarom beginnen met een onderzoek naar hoe we media-interventies beter kunnen afstemmen op de behoeften van gezinnen met een kind met neurodivergentie.
Laatst kwam een ouder van een kind met autisme naar mij toe. Ze vertelde hoe lastig ze het vond dat hij zoveel op zijn scherm zat te turen, maar dat hij daar wel enorm gelukkig van wordt. Ik heb gezegd dat we nog niet veel weten uit onderzoek, maar dat deze ouder goed moest kijken of het schermgebruik ten koste gaat van andere domeinen, zoals school of persoonlijke verzorging. Als dat het geval is, dan moet je je zorgen gaan maken.”
We moeten dus toe naar een genuanceerder beeld over social media-gebruik. Dat kan door meer onderzoek te doen. Kan de overheid daar nog een rol bij spelen?
“Het is cruciaal dat we de kennis van ouders en professionals vergroten. Meerdere wetenschappelijke disciplines zijn betrokken bij dit onderwerp en het is goed dat we veel meer gaan samenwerken en kennis delen. De overheid zou een rol kunnen spelen om die disciplines bij elkaar te brengen – ook in financiële zin. Er lopen nu veel losse studies. Als we die bundelen, kunnen we veel meer impact hebben.”
tekst: Raymond Krul
1 www.volkskrant.nl/columns-opinie/opinie-de-overheid-moet-nu-ingrijpen-om-socialemediaverslaving-tegen-te-gaan~bf8599b3/?referrer=https://www.google.com/
Als ik naar het theater ga en daar gegrepen word, wil ik dat graag delen. Deze rubriek leent zich daar natuurlijk voor, maar ook weer niet… Tegen de tijd dat de Pedagoog uitkomt, worden de voorstellingen meestal niet meer gespeeld. Afgelopen jaar zag ik echter een voorstelling die me zo gegrepen heeft dat ik jullie zelfs de anderhalve minuut toewens die op YouTube te zien is.
Lees meer
Als het anders loopt van Het Houten Huis, in samenwerking met dansgezelschappen Plan d- en Club Guy & Roni, kreeg lovende recensies in onder andere Het Parool en de Volkskrant, won een Zilveren Krekel voor meest indrukwekkende jeugdtheaterproductie, de Jonge Zwaan voor de meest indrukwekkende jeugddansproductie en de Podiumkids publieksprijs.
In een decor met hoge bewegende wanden duiken verschillende personages op. Jonas met het syndroom van Down, die verwonderd heen en weer loopt terwijl zijn vader met een stapel dossiers rondloopt die zo hoog is dat hij er niet overheen kan kijken en Jonas telkens uit het oog verliest. Een vrouw in een rolstoel, een man zonder onderarmen en -benen, een vrouw met een reusachtig ingezwachteld hoofd en een meisje.
We zien de muren, we horen piepjes en bliepjes, de muren bewegen en twee handen in blauwe latex handschoenen verschijnen uit een loket. Twee anonieme handen uit een loket dat zo hoog zit dat het onbereikbaar is. De vrouw in de rolstoel probeert door te dringen tot degene die haar te woord staat; Ja ze heeft overgewicht, ja ze heeft psychische problemen en ja ze zit in een rolstoel, tóch kan ze gewoon praten en zeggen waar ze behoefte aan heeft. En – surprise! – ze kan ook opstaan uit de rolstoel, maar ze heeft ‘m wel nodig!
De man zonder rolstoel en zonder handen en voeten, kan ook zonder die handen en voeten uitleggen dat hij geen rolstoel nodig heeft. Hij kan ook heel goed vertellen en laten zien waarom een Segway handiger is voor hem. Maar helaas, alleen de rolstoel wordt vergoed. De kosten van een rolstoel inzetten voor de goedkopere Segway? Je raadt het al: computer says no.
Terwijl iedereen op het podium maar doordraaft en -danst, de frustratie stijgt en de verwondering doorgaat, ligt het meisje in bed. Er wordt over haar gepraat, diagnoses worden opgeschreven en het meisje zakt weg. Letterlijk. Uit het bed, op de vloer en ze danst een ongrijpbare dans tot ze uiteindelijk (heb ik het er later bij verzonnen of is het echt gebeurd?) toch gegrepen wordt, door de blauwe handen en in het loket verdwijnt.
Het duurt nog even, maar de voorstelling wordt begin 2025 hernomen! Het is de tweede uit een drieluik over de zorg. De derde voorstelling, Zorgmonster, is gepland voor 2026/2027. Dus hou het in de gaten; jeugdtheatergezelschappen zoals Het Houten Huis bewijzen ons vakgebied een grote dienst.
tekst: Bart van Gent
beeld: Het Houten Huis
Het Houten Huis: www.hethoutenhuis.org
De anderhalve minuut op YouTube: www.youtube.com/watch?v=VYENeRqXQYE
Paarden en Nel Koekkoek – NVO-lid en orthopedagoog-generalist – gaan al een leven lang samen. Toen ze op haar vijfenveertigste het boek ‘Ruiter tussen twee werelden’ van Linda Kohanov las, besefte ze dat ze het paard ook in kon zetten binnen haar werk als orthopedagoog. Nu, vijftien jaar later, is het paard niet meer weg te denken als co-therapeut binnen haar praktijk Koekkoek & Co. Voor de Pedagoog beschrijft ze haar ervaringen.
Lees meer
Mijn reden om te gaan werken met paarden binnen de jeugd-ggz is dat ik een laagdrempelige context wilde ontwikkelen, waarbinnen je vanuit ontspanning, speelsheid en veiligheid kunt werken met kinderen, jongeren én hun gezinnen. Het mag leuk zijn, niet alleen maar spannend en moeilijk, om samen met je gezin te werken aan de symptomen die er spelen. Jongeren denken vaak: ‘Zie je wel, er is iets mis met mij, daarom zit ik hier’. Dat is een blokkerende gedachte, die de hulpverlening belemmert en soms helemaal laat stagneren.
De werkzame factor binnen onze trajecten is het ontwapenende karakter van het werken met de paarden, gecombineerd met leeftijdgenoten én met het gezinssysteem. Het paard laat je keer op keer ervaren dat je oké bent, je er altijd weer bij mag en steeds een nieuwe kans krijgt. De jeugdigen en ook de gezinsleden, worden zich bewuster van hun emoties in contact met zichzelf en elkaar.
Het reflectievermogen wordt groter en er worden nieuwe betekenissen gegeven aan gedrag. Hierdoor ontstaat er een andere ruimte voor interactieprocessen onderling en is verandering mogelijk. Uiteindelijk ga je echt geloven dat je goed bent zoals je bent. Deze combinatie bevordert openstaan voor het verwerken van pijn en trauma en het aangaan van nieuwe verbindingen. Het samen plezier beleven, helpt mee in het ontstaan van trots en bewondering.
Binnen de wereld van Animal Assisted Interventions (AAI, zie kader) bevindt onze praktijk zich op het gebied van Animal Assisted Therapie (AAT, zie kader), en nog specifieker equitherapie, omdat wij werken met paarden. In onze praktijk geven we binnen onze jeugd-ggz een vorm van equitherapie die je beter kunt omschrijven als contextuele paardentherapie, CPT (Selbeck, 2020). CPT is een behandelvorm die twee psychotherapeutische methodieken in zich verenigt: paardentherapie en systeemtherapie. De paardentherapie richt zich op de emotionele beleving van de cliënt en/of het cliëntsysteem. Samen met de therapeut wordt er gekeken naar de wisselwerking tussen paard en cliënt en betekenis gegeven aan wat gezien en waargenomen wordt in het lichaam.
We werken met name in de context van een groep. Dit kan een gezin zijn maar ook een groep kinderen of jongeren van dezelfde leeftijd. Deze groepsbijeenkomsten zijn onderdeel van een contextueel behandeltraject. Een groep bestaat uit vijf tot acht kinderen of jongeren, die vijf weken achter elkaar wekelijks één tot anderhalf uur werken met de paarden.
De begeleiding is in handen van twee therapeuten, een gz-psycholoog, orthopedagoog of (toegepast) psycholoog. De behandeling vindt plaats in een alleen voor deze gelegenheid afgehuurde ruimte, zodat de privacy gegarandeerd is. De groepsbehandeling is een onderdeel van het gehele traject, naast het werk met het gezin en/of de ouders.
Sinds 2020 bestaat in Nederland het AAI-kwaliteitsregister (AKR) waarin mensen die dieren inzetten in hun werk zich kunnen registreren. Het register biedt kwaliteitseisen voor interventies, bewaking van het welzijn van mens en dier, (her)certificering van gekwalificeerde AAI-professionals, accreditering van kwalitatieve AAI-opleidingen en zichtbaarheid voor cliënten, zorginstellingen en gemeenten.
bron: https://aairegister.nl
Academisch centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie Karakter doet onderzoek naar Animal Assisted Therapy (AAT). AAT is een doelgerichte interventie die wordt gegeven door een gediplomeerde en geregistreerde professional. Hierbij wordt een dier als integraal onderdeel van het zorgtraject in de behandeling opgenomen. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de inzet van een dier een kalmerende werking heeft op het fysiologisch stresssysteem, emotionele verbinding bevordert en contact tussen patiënt en therapeut faciliteert.
bron: www.karakter.com/nieuws/therapie-met-dieren
Het werken met de kinderen laat mooie resultaten zien. Onze ‘oude’ training, zonder de inzet van paarden, bestond uit twaalf tot veertien bijeenkomsten, met maximaal twaalf kinderen, onder begeleiding van twee therapeuten. Er namen kinderen deel met symptomen die volgens de DSM als stoornis geclassificeerd konden worden. Ze kwamen om de week anderhalf uur. In de training die wij vervolgens met de paarden ontwikkelden, zaten kinderen met dezelfde zorgzwaarte. Deze training was teruggebracht naar vijf bijeenkomsten van anderhalf uur, met maximaal acht kinderen en twee therapeuten.
De resultaten van deze veel kortere training met paarden zijn net zo goed als bij de langere trajecten zonder paarden. Dat laten zelfevaluaties zien van 117 kinderen en jongeren die deze training bij ons gevolgd hebben in de afgelopen jaren. Er is gescoord op stemming, op school, thuis en bij vrienden, voor en na de interventie met de paarden in de groep. Inmiddels durven wij voorzichtig te concluderen dat het gebruik van paarden nieuwe kansen biedt voor kortere trajecten binnen de GGZ, ondanks de toegenomen complexiteit van de hulpvraag. Verder onderzoek naar deze effecten blijft van belang en wij blijven de data hiervoor verzamelen.
tekst & beeld: Nel Koekkoek
www.koekkoekenco.nl
literatuur
Gezinnen waar het hechtingsproces en de verbinding onder druk is komen te staan, worden regelmatig aangemeld in onze praktijk. Deze cliënten hebben als aanmeldklacht geclassificeerde DSM-symptomen. Zoals Sam (10), die met angst en depressieve klachten bij ons komt.
Sam trekt zich al een half jaar veel terug en laat somberheid zien en horen (klinische scores op de schalen Depressie en Terugtrekken bij CBCL en TRF1). Tegenover zijn moeder doet hij suïcidale uitspraken en er is sprake van hardnekkige schoolweigering.
Zijn ouders weten niet meer hoe hem naar school te krijgen. Sam klaagt over buikpijn en misselijkheid en moeder wil, in tegenstelling tot vader, niet dat hij daarmee naar school gaat. Gesprekken over deze verschillen in inzicht verlopen steeds emotioneel, vader loopt meestal boos weg en moeder trekt zich terug. De spanning blijft nog enkele dagen voelbaar in het gezin. Sam houdt buikpijn en misselijkheid en deze situatie herhaalt zich steeds vaker.
Zijn school trekt aan de bel en Sam komt bij ons terecht. Hij kan goed leren en er is geen sprake van een ontwikkelingsstoornis of een leerstoornis. Medisch zijn er geen afwijkingen en de huisarts noemt de aanhoudende buikpijn en misselijkheid een stressreactie.
Tijdens de eerste intake met beide ouders zegt Sams moeder te hopen op verandering en meer zelfvertrouwen en weerbaarheid bij haar zoon. Vader is eerst terughoudend. Maar aan het eind van de tweede intake vraagt hij: “Wat kunnen wij doen om Sam te helpen weer naar school te gaan?” Sam zelf heeft last van zijn somberheid, zegt hij. Hij wil zich prettiger voelen en meer gezelligheid thuis. Hij wil wel aan de slag met de paarden, is nieuwgierig en houdt van dieren.
In de periode dat Sam de training met de paarden volgt, is er ook een aparte sessie met het hele gezin; met vader, moeder, Sam en zijn zusje Noa (8 jaar). Het gedrag van het paard kan mogelijk duidelijk maken welke verbinding onder spanning staat in het gezin en wat de balans kan herstellen.
Voorafgaand is er een derde gesprek geweest met de ouders. Hun wens is nu duidelijk: ze willen graag dat iedereen in het gezin zich meer leert uitspreken over hun gevoelens en gedachten. Vader heeft weinig emotionele steun ervaren in zijn gezin van herkomst. Hij vindt het spannend om zich kwetsbaar op te stellen. Bij onzekerheid, angst of verdriet wordt hij boos en Sam wordt dan bang. Moeder gaat de kinderen vervolgens beschermen.
Tijdens de sessie met het paard, kiezen alle gezinsleden een eigen plekje in de paardenbak waarbinnen we werken. Vader, zoon en dochter staan in een soort driehoek en moeder kiest instinctief een plekje in het midden, tussen dochter en vader in. Dan vraagt de therapeut: “Wat verdient aandacht in jullie gezin?” Alle gezinsleden geven antwoord, het paard loopt ondertussen onrustig op en neer tussen vader en dochter.
De therapeut vraagt: “Wat valt je op aan het paard?” Noa zegt: “Ik zie dat mama en Sam geen aandacht krijgen.” “En wat maakt het paard zo onrustig?” “Misschien is het paard bang voor de boosheid van papa”, zegt Noa. De onrust die ze zelf voelt in die situaties, ziet ze ook bij het paard.
Vader vraagt vervolgens of hij iets mag uitproberen en gaat naast zijn dochter staan. Zo zorgt hij ervoor dat moeder niet meer tussen hem en de kinderen in staat, maar alle gezinsleden in een driehoek staan, in balans en in verbinding. Het paard stopt met op en neer lopen en blijft stilstaan naast het gezin. De beweging van de vader naar zijn dochter heeft een moeilijk thema bespreekbaar gemaakt. Er is rust en verbinding in de ‘kudde’ gekomen en kippenvel bij de gezinsleden en ons als therapeuten. Daarna was het tijd voor ontspanning en erkenning voor elkaars dapperheid.
Tijdens de evaluatie blijkt dat er veel is veranderd. Vader en moeder hebben meer momenten van ‘samen’ gecreëerd in het gezin. Sams moeder is zich bewuster van haar plek en probeert wat bij vader hoort daar te laten.
Sams vader heeft na de gezinssessie een gesprek gehad met de therapeut, samen met zijn vrouw. Hij heeft verteld over zijn achtergrond en begrijpt nu beter wat hem zo machteloos maakte in het contact met zijn vrouw. Zijn vader overleed onverwacht toen hij tien was en hij moest gaan zorgen voor zijn moeder. Zijn boosheid hielp hem om zijn verdriet niet te hoeven voelen. Hij gaat daarover nu in therapie bij ons. Die drempel was niet zo groot.
De stemming van Sam is verbeterd en hij is niet meer van school thuisgebleven. Dit geeft vader ook vertrouwen in zijn eigen proces.
1 Child Behavior Checklist en Teacher’s Report Form.
* De namen in deze casus zijn gefingeerd.
Leren is leuk! En het kan soms ook een uitdaging zijn. Bijvoorbeeld voor professionals zoals logopedisten die kinderen helpen met vloeiend lezen of hen motiveren voor zinsbouw.
Lees meer
Bij Game Tailors lossen we deze uitdagingen op door met ons team educatieve games te ontwikkelen, in samenwerking met vakspecialisten. Graag introduceer ik twee van onze spellen, KlankKr8 en Bouke Bouwt, die hun effectiviteit danken aan uitgebreid wetenschappelijk onderzoek. Ook benutten ze de kracht van spelenderwijs leren. Ik hoop dat ze inspireren tot meer gebruik van serious games in het leerproces.
KlankKr8 hebben we ontwikkeld in opdracht van het RID, een organisatie die zich inzet voor het verbeteren van taal- en rekenvaardigheid. Het spel helpt kinderen bij het leren van klank-tekenkoppelingen. Je ziet de letter, je hoort de klank en je ziet de mondbeweging. De speler moet die zaken letterlijk met elkaar verbinden. Het is ontstaan uit onderzoek naar dyslexie en de ontdekking dat het automatiseren van letterkennis lang kan duren en soms flink wordt onderschat. KlankKr8 is zó leuk, dat kinderen vaak willen oefenen.
Het gaat om het leren van de klanktekenkoppeling, de vloeiendheid van de klanken en dus niet alleen het herkennen. Ook passen we overlearning toe. Dat is het langdurig oefenen van bekende stof om het dieper in het geheugen te verankeren, waardoor het impliciete brein het overneemt.
Deze game is ontworpen voor kleuters, maar is nu ook populair bij NT2-leerlingen. Met instructies in achttien talen en aanpassingen om de instructies minder talig te maken, is KlankKr8 nu toegankelijk voor een breed publiek. We combineren visuele en auditieve informatie om een meeslepende leerervaring te bieden.
KlankKr8 legt de nadruk op het leren zelf, in plaats van op extrinsieke motivatoren zoals punten of ranglijsten. Ik heb de effectiviteit van het spel direct ervaren toen mijn nichtje van zes jaar na twee maanden spelen haar leesachterstand had ingelopen. KlankKr8 is in 2023 onderscheiden met een Dutch Game Award.
Bouke Bouwt is een spel gemaakt vóór en dóór logopedisten, voor kinderen tussen de zeven en tien jaar met een taalontwikkelingsstoornis (TOS). Je kunt het gebruiken als voorbereiding op de MetaTaal-methode. In deze game ruimen aliens de aarde op in ruil voor taallessen. Kinderen bouwen zinnen zodat de aliens plastic verwijderen, bomen planten en windmolens repareren.
Het spel helpt kinderen met een TOS bij het herkennen en bouwen van zinsstructuren. De spelers zien gekleurde machines die verschillende woordsoorten vertegenwoordigen. Een rode machine, met draaiende tandwielen, verbeeldt bijvoorbeeld een werkwoord. Kinderen met TOS pikken de taalregels niet impliciet op. Ze hebben daarom veel baat bij een metalinguïstische ontwikkeling, waarbij taalregels expliciet worden aangeleerd.
Er is een gratis en een abonnementsversie. Aanvullend is er fysiek materiaal beschikbaar. Het spel is een samenwerking tussen Hogeschool Utrecht Lectoraat Logopedie, project ZINnig, subsidieorgaan RAAK en Game Tailors.
tekst: Bowie Derwort, mede-eigenaar Game Tailors
Wil je een game op maat of verder praten over spelenderwijs leren? Neem contact op met: www.gametailors.com.
Welkom bij de rubriek “Boeken &zo”, waar we de nieuwste en meest inspirerende literatuur bespreken. In deze editie hebben we een gevarieerde selectie boeken die je helpen om je kennis te verdiepen, je praktijk te verrijken en je te laten inspireren door nieuwe inzichten. Of je nu op zoek bent naar theoretische verdieping, praktische handleidingen of verhalen die aanzetten tot reflectie, je vindt het hier. Duik in onze aanbevelingen en ontdek welke titels jouw professionele bibliotheek kunnen versterken.
Lees meer
JASPER is een op spel gebaseerde interventie om jonge kinderen sociaal-communicatieve vaardigheden aan te leren. Het is een praktische methode voor het bevorderen van gedeelde aandacht, symbolisch spel, betrokkenheid en regulatie. De methodiek is ontwikkeld voor kinderen van een tot acht jaar met autisme, maar kun je ook inzetten bij andere vormen van ontwikkelings- of regulatieproblematiek.
Connie Kasari, een Amerikaanse expert in autisme en ontwikkeling van het jonge kind, heeft de JASPER-methodiek opgezet op basis van ervaring in de praktijk en uitgebreid onderzoek. Het boek is helder geschreven, goed vertaald en overzichtelijk. JASPER lijkt een flexibele methodiek, waarbij maatwerk mogelijk is. Het vaardighedenprofiel van een kind kun je in kaart brengen via de Short Play and Communication Evalation (SPACE). Ook is er aandacht voor het selecteren van geschikt spelmateriaal en ondersteuningsstrategieën kun je afstemmen op elke behoefte.
Om de methodiek en zijn mogelijkheden optimaal te benutten, lijkt het lezen van het boek mij niet voldoende. De auteurs raden het volgen van een training dan ook aan. Het is jammer dat deze training op dit moment niet aangeboden lijkt te worden in Nederland. Ik hoop dat ambassadeurs van JASPER een manier vinden om trainingen te organiseren en de methode meer te laten integreren in het huidige Nederlandse behandelaanbod. JASPER is een prettig en duidelijk geschreven, wetenschappelijk onderbouwde methodiek die via spel
aansluit bij de natuurlijke motivatie en leefwereld van jonge kinderen.
tekst: Rianne van Kesteren
JASPER. Een praktische methode voor het bevorderen van gedeelde aandacht, symbolisch spel, betrokkenheid en regulatie bij kinderen met autisme (2023) van Connie Kasari is een uitgave van Hogrefe.
Boek cadeau
Van uitgeverij Hogrefe mogen we drie exemplaren van JASPER weggeven. Belangstelling? Stuur voor 3 mei een mail met je motivatie naar redactie@nvo.nl. Inzenders met de mooiste motivatie krijgen het boek toegestuurd.
Journalist Nicole Terborg werd op haar dertiende een ‘kweekje’, een vorm van informele pleegzorg die gebruikelijk is in de Afro-Surinaamse gemeenschap. Van de ene op de andere dag moest ze verhuizen van haar ouderlijk huis in
het Brabantse Cuijk naar haar tante Sonja in Amsterdam. Haar moeder, Jetty Mathurin, net gescheiden, begon in diezelfde tijd in Amsterdam aan haar carrière als actrice. Nicole zag haar moeder wel, maar mocht geen sleutel van
haar huis. Ze voelde zich eenzaam en afgewezen.
In de zesdelige podcastserie Kweekje onderzoekt Nicole Terborg haar eigen ‘kweekverhaal’ en duikt ze in de geschiedenis van Nederland en Suriname. Ze gaat de confrontatie aan met haar moeder. Waarom moest juist zij weg en bleven haar tweelingbroer Luc en oudere zus Glynis bij hun vader? Gaandeweg de podcast blijkt dat haar moeder daar een goede reden voor had. En tante Sonja was toch “gewoon je vierde moeder”?
Nicole Terborg praat met haar eigen familie, met andere ‘kweekjes’ en met wetenschappers zoals antropoloog Gloria Wekker. Waar komt de traditie van het tijdelijk onderbrengen/opvangen van kinderen bij/door familieleden
vandaan? Wekker zoekt de oorsprong in het slavernijverleden. “Het gesloten kerngezin was een luxe die wij ons niet konden permitteren.” De zorg voor kinderen delen, was een overlevingsstrategie. Vaders werden niet erkend, moeders konden verkocht worden of vermoord, vaders ook. Dan is zo’n uitgebreide familie een vangnet.
tekst: Annemiek Haalboom
Kweekje, mi kwekipikin (2023) van Nicole Terborg is een podcast van de VPRO, vpro.nl/kweekje.
Samen Sterk, met als medeauteur NVO-lid Romke van den Nouweland-van Baars, kun je gebruiken als werkboek bij de gelijknamige oudercursus, maar is ook los daarvan goed te lezen. De intentie is dat je je kind kunt ondersteunen bij somberheid en depressie. Die nuance, somberheid of depressie, is meteen
al prettig. Ook zonder diagnose kun je het boek ter hand nemen als je kind somber is en je je zorgen maakt, of handvatten nodig hebt. Tegelijkertijd schuwt het boek geen moeilijke onderwerpen, zo is er een hoofdstuk over suïcidaliteit en zelfbeschadiging.
Kenmerkend is de ondersteunende toonzetting, je voelt je als lezer gekend in de enorme opgave van het opvoeden van een somber of depressief kind. Het boek zet aan tot kleine, haalbare, veranderingen en blijft uitzicht geven op licht aan het eind van de tunnel. Hoe lang en zwaar de weg ook is, de boodschap luidt: heb vertrouwen, veruit de meeste kinderen komen er weer uit. Met een duidelijk wetenschappelijke grondslag, prettig geschreven en met heldere opdrachten is dit boek geschikt voor ouders, maar ook een zeer welkome bron voor orthopedagogen om ouders te ondersteunen en wellicht zover te krijgen de cursus te volgen.
De verkoop van het boek komt ten goede aan ouders die de cursus willen volgen maar niet kunnen betalen. Voor wie de cursus Samen Sterk zélf wil geven, is er een tweedaagse training, zie www.sterksamen.nl
tekst: Bart van Gent
Samen Sterk. Krachtig je kind ondersteunen bij somberheid en depressie (2023) van Carine Kielstra-van der Schalk, Romke van den Nouweland-van Baars e.a. is een uitgave van Samen Sterk.
De ongewone reisgids voor het gewone leven is een inspirerend boek dat uitdaagt tot anders denken en anders doen. Het maakt duidelijk wat de waarde is van het normale leven en hoeveel winst er nog te behalen valt in het versterken hiervan voor kinderen, gezinnen, scholen en de samenleving. Het boek bevat creatieve en simpele ideeën over hoe je hier aan bij kunt dragen.
De metafoor van een reis richting het gewone leven is in het hele boek doorgetrokken, onder andere met een originele wereldkaart, aandacht voor reisgenoten en het schrijven van reisverslagen. De reisfoto’s, beeldspraak en het relatief eenvoudige taalgebruik, maken dat het boek plezierig leest. Er zijn tips voor interessante podcasts, boeken en documentaires. Ook is er aandacht voor initiatieven die focussen op het normale leven en de context, zoals De Nieuwe ggz, Buurtwijs en de Doorbraakmethode.
Door de vele informatie, kan het een uitdaging zijn om deze te filteren en te gebruiken in de praktijk. Tegelijkertijd is het bijna onmogelijk om niet met extra waardering naar het normale leven en inclusie te gaan kijken. Classificaties, individuele interventies of specialistische behandelingen zijn soms nodig, maar heel vaak ook niet. Dit boek helpt om anders te praten over en te kijken naar uitdagingen en lastig gedrag. Het is een prachtig pleidooi voor onze gezamenlijke verantwoordelijkheid daarin. Wat mij betreft een must-read voor iedereen die met jonge mensen en hun omgeving werkt óf daartoe in opleiding is.
tekst: Rianne van Kesteren
De ongewone reisgids voor het gewone leven (2023) van Astrid Greven is een uitgave van Gompel&Svacina.
Hoewel Helma Koomen onlangs als hoogleraar met emeritaat ging, ontmoet ik haar gewoon op de Universiteit van Amsterdam. Daar bekleedt zij sinds 1 juli 2021 de Kohnstammleerstoel. Ik leg mijn boeken van haar op tafel. Zij voegt daar haar oratie van anderhalf jaar geleden aan toe. Een mooi beginpunt voor een gesprek, daar op de achtste verdieping. Niet over mooie vergezichten, maar heel concreet over het hier en nu.
Lees meer
Helma Koomen
Gisteren was ik op een SBO-school, vertel ik haar. Daar hield de directeur een gloedvol betoog over ‘een warm hart voor thuiszitters’. Dat warme hart kom ik ook tegen in de titel van haar oratie ‘Professionele pedagogische relaties vragen meer dan een warm hart’.
Is een warm hart niet voldoende dan?
“Dat warme hart, die betrokkenheid bij leerlingen, is natuurlijk belangrijk. En je mag verwachten dat dat warme hart niet alleen bij de directeur klopt, maar ook bij de leerkracht, de intern begeleider en de orthopedagoog. Het opbouwen van affectieve relaties tussen leerkrachten en leerlingen gaat echter niet vanzelf. Het is een vak, het vraagt expertise. Leerkrachten leren van alles over instructie geven, over didactiek en over klassenmanagement. Terwijl de relatie vaak als een algemeen menselijke vaardigheid wordt gezien. Maar ook dit vraagt professionele ontwikkeling. Voor de leerkracht zelf is het vormen van goede relaties overigens ook een essentiële behoefte. Het is een belangrijke motivatie om voor dit beroep te kiezen, al is dat beroep hartstikke zwaar. Het vormen van goede relaties, daar kunnen leerkrachten ondersteuning bij gebruiken.”
“Wat ik heb gemerkt is dat veel orthopedagogen het moeilijk vinden om een genormeerd instrument zoals de LLRV1 of de SPARTS2 te gebruiken. Ze zijn gewend om bij een kind dat wordt aangemeld de gedragsproblemen in kaart te brengen. De boodschap hoe moeilijk een leerling is, is gemakkelijker met een leerkracht te bespreken dan haar (of zijn) relatie met die leerling. Dat vraagt op zijn beurt om een veilige relatie tussen orthopedagoog en leerkracht. Het ter sprake brengen van de relatie tussen leerkracht en leerling biedt de leerkracht een kans om te groeien. In de zorg om de leerkracht heen moet het normaal zijn om het over die relaties te hebben, daarin is de leerkracht tenslotte de professional.”
Ik herinner me mijn eigen lieve juf in de tweede klas, groep 4 zouden we tegenwoordig zeggen. Zij stond in groot contrast met de juf van een jaar eerder. Daar was ik een beetje bang voor. Soms heb je als kind geluk met een leerkracht, soms heb je pech. Maar een affectieve relatie, is dat niet een beetje al te soft? Het kan toch niet altijd leuk zijn op school? Of wel?
“Met het begrip affectieve relatie focussen we op het emotioneel geladen deel van de relatie. Aan de ene kant heb je het dan over veiligheid: dat je een veilige haven kunt zijn voor een leerling die stress ervaart op school of thuis. Of dat je een veilige basis kunt bieden van waaruit een kind kan exploreren, geheel vanuit de gehechtheidstheorie gedacht. En aan de andere kant dat een kind zich gezien voelt, als individuele persoon.”
“Ik las over een leerkracht in het voortgezet onderwijs, die er vooral op gericht was om goed orde te houden. Hij had de strategie dat hij net genoeg namen kende, vooral van jongens, om alles in goede banen te leiden. Door ook andere leerlingen individuele aandacht te schenken, gesprekjes met hen te voeren en hun namen te kennen, merkte hij dat zijn klassenmanagement alleen maar beter werd. Werken aan relaties levert je ook iets op. Een goede relatie ligt aan de basis van hulp durven vragen en tot leren kunnen komen.”
Toch gaat het ook wel eens mis met die relatie. Soms kom ik nog wel eens een leerkracht tegen die ik zie denken: ‘Hij eruit of ik eruit’. Wat zou u tegen die leerkracht zeggen?
“Ik zou met die leerkracht in gesprek gaan om erachter te komen wat precies het probleem is. Wij hebben een geaccrediteerde interventie ontwikkeld, LLInC3 die is ondergebracht bij Bureau Mind van Mirella van Minderhout, die de licentie heeft om orthopedagogen en schoolpsychologen in dit programma te trainen. Het is een methode voor als een leerkracht is vastgelopen met een individuele leerling.
De interventie begint met een interview met de leerkracht. Je probeert te vangen wat er daadwerkelijk en recent gebeurde, niet wat de leerkracht in algemene zin denkt over die leerling. Het interview wordt gescoord en levert een profiel op over de gevoelens van de leerkracht over diens relatie met de leerling en over diens sensitieve handelen. Dat is de basis is voor het vervolggesprek.
Je wilt met deze interventie iets veranderen in de mindset van de leerkracht. Dit kan in vier sessies, en soms zelfs in twee. Overigens zijn de genoemde meetinstrumenten, evenals interventies en lopende onderzoeksprojecten, voor alle onderwijsprofessionals en andere geïnteresseerden terug te vinden op onze website.” 4
Wat kenmerkt eigenlijk een goede leerkracht-leerlingrelatie?
“Dat er voldoende nabijheid is, een open communicatie, vertrouwen van beide kanten en aandacht voor de leerling. En ook het gevoel dat je effectief bent in het omgaan met de leerling. Dat je in die interactie ook dingen kunt aangeven die misschien niet helemaal goed gaan. Daarnaast ook weinig conflict, weinig wantrouwen, weinig negativiteit en weinig het gevoel van uitgeput raken na een dag met die leerling. In principe ook relatief weinig leeftijdsinadequate afhankelijkheid.”
In hoeverre zijn die relationele vaardigheden bij te leren?
“In beroepen in het onderwijs en in de zorg zul je voortdurend bij moeten leren in je persoonlijke ontwikkeling. Je brengt jezelf mee in dergelijke beroepen, maar als professional heb je een verantwoordelijkheid om daaraan te werken. Ook op dit gebied zul je soms aan de bak moeten, je kunt niet denken: ‘Ik ben gewoon zo’. Leerkrachten kunnen nog wel eens denken ‘een kind komt op school om te leren’ en het belang van een goede affectieve relatie onderschatten.”
Is de relatie met de leerkracht voor elk kind even belangrijk?
“Ieder kind heeft de basisbehoefte om gezien te worden, maar voor zorgleerlingen komt het er veel meer op aan. Voor zorgleerlingen, met gedragsproblemen, een onveilige thuissituatie of uit achterstandsmilieus, is de invloed van de affectieve relatie groter, zowel in negatieve zin als in positieve zin. Daarbij maakt het niet uit of het om jongens of meisjes gaat, of dat het jongere of oudere kinderen betreft. Voor die kinderen maakt de relatie met de leerkracht echt het verschil.”
tekst: Andries Kamminga
beeld: Kirsten van Santen
Pedagoog Anneke Vinke vindt dat het begrip ‘pedagogische permanentie’ aandacht verdient in de discussie over het wel of niet uit huis plaatsen van kinderen. Volgens haar zijn kinderen vooral gebaat bij een veilige, vaste plek. Die vinden ze niet altijd bij hun eigen ouders.
Lees meer
Anneke Vinke
De Richtlijn Uithuisplaatsing en terugplaatsing pleit voor zo min mogelijk uithuisplaatsingen1. De Beweging van 0 gaat een stap verder en streeft naar helemaal geen uithuisplaatsingen meer2. Is dat wel realistisch en verantwoord? Ik vraag het aan Anneke Vinke, NVO-lid, orthopedagoog-generalist en gz-psycholoog, gespecialiseerd in adoptie, pleegzorg, hechting en trauma.
“Er zijn ouders die hun kinderen niet kunnen, niet willen en soms niet mogen opvoeden”, zegt Anneke Vinke in haar praktijk in Bilthoven.
“Daar kijken we als maatschappij liever van weg. Het is een heilig huisje. We vinden – ik in principe ook – dat ouders en kinderen bij elkaar horen. Maar soms gaat dat niet. Bijvoorbeeld als er sprake is van mishandeling, misbruik of verwaarlozing. Of ernstige problematiek bij ouders of kind. Het is de vraag of het dan wijs is om ouders en kind bij elkaar te laten. Dat moeten we wel altijd proberen. Maar op een gegeven moment moeten we zeggen: ‘voor jullie is een andere weg nodig’. Waarbij ouders wel een rol hebben en houden in het leven van hun kind.”
Is het niet ook een heilig huisje dat alle problemen op te lossen zijn met hulp aan het gezin?
Anneke Vinke vindt van wel. “Een kind zit 24/7 in het gezin, één uur per week therapie voor dat kind zet niet altijd genoeg zoden aan de dijk. Hetzelfde geldt voor opvoedingsondersteuning. Als de gemeente een traject van een jaar heeft ingekocht, moeten ouders het opvoeden in een jaar leren. Bij een zorgintensief kind of een ouder met de nodige bagage, ben je niet in een jaar klaar.”
Het is belangrijk om de problematiek van het gezin goed te analyseren en ze hulp te bieden. “Maar het heeft ook prioriteit om te zeggen ‘we werken er twee jaar aan en daarna kijken we hoe het gaat’. En als het niet gaat, slaan we een andere weg in. Dan zoeken we een plek in het netwerk van het gezin of in een pleeggezin. Niet elk kind is beter af in een opvoedingssituatie met zijn eigen ouders.”
Dat is wel het idee van de Beweging van 0: elk kind groeit op bij zijn eigen ouders. Hoe ziet zij dat?
“Ons uiteindelijke doel is hetzelfde: zoveel mogelijk kinderen laten opgroeien in een veilige situatie. Interessant is de podcast over ‘nul uithuisplaatsingen’, waarin voortrekker van de Beweging Peter Dijkshoorn in gesprek gaat met jeugdhulpexperts Adri van Montfoort, René Peters en Mariska van der Steege3. Op het eind van de podcast vinden ze elkaar in het streven om kind en ouders bij elkaar te houden. Maar, stellen ze, daar is grondige analyse voor nodig, een realistische inschatting en goede hulpverlening.”
Ze juicht het toe als de Beweging van 0 dat kan bevorderen. “Hopelijk kunnen we dan voorkomen dat kinderen onterecht uit huis worden geplaatst, zoals soms bij de toeslagenaffaire gebeurde. Maar er is meer. Er zijn ook ouders die het écht niet kunnen. Ik denk aan een gezin dat ik ooit tegenkwam, waarvan de vader zei: ‘Voor ons soort mensen is opvoeden gewoon te moeilijk’. Dat was voor mij een eyeopener.”
Wat vindt ze van het streven naar nul uithuisplaatsingen?
“Nul uithuisplaatsingen is voor de Beweging van 0 de stip aan de horizon. Als je veranderingen wilt, is het goed om die te zetten. Ook al kunnen we het einddoel misschien niet in tien of twintig jaar bereiken. Aan de andere kant, het is een stip die gezet is door ons soort professionals die deze nuancering begrijpen. Als die stip aan de horizon in handen komt van beleidsmakers of de politiek, krijg je wellicht een andere dynamiek. Daar maak ik me zorgen over. Iederéén wil nul uithuisplaatsingen. Maar als het niet gaat, moeten we dan blijven aanmodderen omdat we naar dat plaatje streven? Dat is kwalijk en schaadt kinderen.”
Anneke Vinke wil er iets tegenoverstellen. “Ik ben ook voor nul, namelijk voor nul kinderen zonder pedagogische permanentie. Daarmee ben ik niet voor nul uithuisplaatsingen. Sommige kinderen kunnen alleen een permanente pedagogische plek krijgen op een andere plek dan waar ze geboren zijn. Dat kan in een pleeggezin zijn, bij grootouders, in een adoptiegezin of gezinshuis. Als het maar een plek is waar niet aan getornd wordt. Zo’n permanente plek is een basisbehoefte van de mens.”
“Ergens bij mogen horen, daar gaat het om. Niet elk jaar hoeven vragen ‘vier ik Kerst nog bij jullie?’ of ‘mag ik wel blijven?’. De cijfers van het aantal overplaatsingen zijn dramatisch, soms zo’n acht tot tien keer na een uithuisplaatsing. Als een kind op een goede plek zit, moeten we samen kunnen besluiten dat het daar voorgoed mag opgroeien. In verbinding met zijn oorspronkelijke gezin. Dat is pedagogische permanentie4.”
Anneke Vinke pleit voor 'normaal' contact, waarbij de moeder bijvoorbeeld een kop thee gaat drinken bij het pleeggezin en een spelletje meespeelt.
Daar kun je al vroeg op inspelen, vindt Anneke Vinke. “Als het bij de start van de hulpverlening niet duidelijk is of de ouders het gaan redden, zou je eigenlijk al een plan B moeten hebben. Wat ze in Engeland concurrent planning noemen, een parallel plan. Als het thuis toch niet meer gaat, kun je daarop terugvallen.”
Volgens Anneke Vinke is de rouw van ouders een ondergeschoven kindje in de hulpverlening.
“Als ouders hun kind niet kunnen of mogen opvoeden, is dat een vorm van levend verlies. Voor de verwerking daarvan is betere hulpverlening nodig. Zodat er ruimte bij de ouders komt om een rol te blijven spelen in het leven van hun kind. Dat ze het aankunnen om contact te houden met hun kind. En dan bedoel ik zo normaal mogelijk contact. Niet zulke begeleide bezoeken, in een kantoorruimte met te weinig speelgoed. Een moeder zei daar ooit over: ‘Er zit iemand mee te kijken, alsof ik m’n kind wat ga aandoen’. Ik bedoel normaal contact, waarbij de ouder bijvoorbeeld een kop thee gaat drinken bij het pleeggezin of betrokken is bij activiteiten van het kind.”
Voor een kind is een netwerk van gehechtheidsrelaties belangrijk als vangnet, weten we uit onderzoek5. Kinderen zijn meestal gehecht aan een handvol vaste opvoeders en verzorgers. Ze moeten erop kunnen rekenen dat ze het contact met die vertrouwde gehechtheidsfiguren behouden. ‘Met ouders in contact blijven’, past in het bouwen van een gehechtheidsnetwerk rond een kind, stelt Anneke Vinke.
“Een kind hecht zich aan de ouders bij wie hij opgroeit en is ook gehecht aan de ouders bij wie hij geboren is. Geef ouders een rol en zorg dat ouders en pleegouders naast elkaar staan en niet tegenover elkaar. Als er gevoelens van rivaliteit ontstaan, wordt het ingewikkeld. Daar zou de begeleiding zich dan op moeten richten. Kun jij het als ouder verdragen dat iemand anders je kind opvoedt, terwijl jij ook een rol speelt in zijn leven?”
Ze geeft een voorbeeld uit haar praktijk. “Het begon met een heel stroeve relatie tussen de ouders en het gezinshuis waar hun kind woonde. Na veel tijd en begeleiding zijn die ouders uiteindelijk in de buurt van het gezinshuis gaan wonen. Nu spelen ze een grote rol in het dagelijks leven van hun kind. Niet wat betreft de opvoeding, de grenzen en regels, zoals wanneer het mobieltje aan mag. Maar ze zijn wel betrokken bij spelletjes op woensdagmiddag of bij de zwemles.”
Voor Anneke Vinke betekent pedagogische permanentie ook dat pleegouders en kinderen leren omgaan met wisselingen en verschillen. “Het is een fact of life: een pleegkind heeft déze ouders en groeit op in dít pleeggezin. Wie weet gaat het kind in het weekend de stad in met haar moeder en komt ze terug met een naveltruitje en make-up. Iets wat ze in het pleeggezin niet zo op prijs stellen. Twee werelden, twee culturen. Het is onze taak als hulpverlener om een kind te helpen met die twee werelden om te gaan, zodat het zich thuis durft te voelen in allebei.”
Ze herinnert zich een pleegmoeder die dat goed oppakte. “Toen haar pleegdochter zei: ‘Dat mag ik wel van m’n moeder’, reageerde zij met: ‘Good for you, wanneer ga je weer?’. We hoeven niet alles glad te strijken. Je mag als pleegkind loyaal zijn naar twee werelden. Wellicht voorkomt dat ook latere identiteitsproblemen.”
tekst: Femmie Juffer
beeld: Féline Woolderink (10 jaar)
Carina is pedagoog en heeft afgesproken met de ouders van Max (9 jaar) dat bij het diagnostisch onderzoek beeldopnamen worden gemaakt. Ze wil deze alleen gebruiken voor het opstellen van de rapportage en zal ze meteen vernietigen als deze gereed is. Nadat de vader van Max de concept rapportage heeft ontvangen, vraagt hij inzage en een kopie van de beeldopnamen.
Lees meer
Conform artikel 28 van de NVO-beroepscode heeft Carina toestemming gevraagd en gekregen voor het maken van beeldopnamen tijdens het onderzoek. Opnames die enkel gemaakt worden als tijdelijke geheugensteun, voor bijvoorbeeld het maken van een rapportage, worden vernietigd zodra deze gereed is. De beeldopnamen zijn in deze zin vergelijkbaar met werkaantekeningen, deze vormen geen onderdeel van het dossier en worden conform artikel 31 van de NVO-beroepscode vernietigd zodra een rapportage gereed is. Dat de opnamen in dit geval nog niet zijn vernietigd, is logisch aangezien de rapportage nog niet definitief is.
Het recht van inzage en afschrift van een cliënt of wettelijke vertegenwoordigers geldt in beginsel niet voor werkaantekeningen. Carina kan dit uitleggen en inzage weigeren. Soms kan dit echter zeer nadelig uitpakken voor de vertrouwensrelatie, in dit geval met vader. Carina kan daarom overwegen om toch inzage te geven. Hierbij moet zij ook rekening houden met de belangen van Max. Het inzagerecht van ouders in het dossier kan in bijzondere omstandigheden worden beperkt, dit geldt ook voor beeldopnamen.1
Als Carina besluit tot inzage door vader over te gaan, is het van belang om hem duidelijk de consequenties uit te leggen. Als werkaantekeningen – in dit geval beeldopnamen – worden gedeeld met anderen, worden ze onderdeel van het dossier. De bewaartermijn van het dossier geldt dan ook voor de beeldopnamen. Houdt de vader vervolgens toch vast aan de wens van inzage, dan kan Carina overwegen om die te verlenen.
Na inzage vraagt de vader om een kopie van de beeldopnamen. Op de beeldopnamen is niet alleen Max te zien en te horen, ook Carina zelf komt enkele keren in beeld en is te horen terwijl ze een test afneemt. Kan ze weigeren een kopie te verstrekken?
Een beeldopname is echt iets anders dan bijvoorbeeld een geluidsopname.2 Een beeldopname is veel privacygevoeliger en daarom gelden extra eisen. In dit geval kan Carina het afgeven van een kopie van de beeldopnamen weigeren om twee redenen:
Carina kan dus weigeren een kopie van de beeldopnamen te verstrekken aan vader.
tekst: Mirthe Maessen
Mr. Mirthe Maessen is juriste gespecialiseerd in gezondheidsrecht. Zij verzorgt op maandag en donderdag het Spreekuur Beroepsethiek bij de NVO.
Twee orthopedagogen over hun eerste ervaringen in het werkveld. Kayla Goedbloed (28) werkt drie dagen per week bij Haviq – Stichting Hart voor IQ – en heeft daarnaast haar eigen praktijk Nona Senang. Eva Goossens (24) werkt vier dagen per week bij miSenso – basis en specialistische (jeugd-)ggz – en start binnenkort met de gz-opleiding.
Lees meer
Kayla Goedbloed (links) en Eva Goosens.
We spreken elkaar op de Erasmus Universiteit waar Kayla en Eva allebei gestudeerd hebben. De afspraak is dat zij met elkaar in gesprek gaan en ik vooral luister. Het zal niet verbazen dat ze hun gesprektechnieken goed beheersen; parafraseren, doorvragen, openingen bieden, het lijkt een tweede natuur. Maar wat vooral opvalt: de oprechte interesse en de ontwapenende openheid naar elkaar.
Eva heeft zich nauwelijks voorgesteld of Kayla zit al vol met vragen. Ze houdt zich in en vertelt eerst wat over zichzelf. Dat ze net als Eva bij haar stage-instelling kon gaan werken, afwisselend in loondienst en als zzp-er heeft gewerkt en dat nu combineert. Maar ook dat ze tijdens haar master dusdanige mentale klachten kreeg dat ze een periode in therapie is geweest, waardoor er op het gebied van hulpverlening een nieuwe wereld voor haar openging. Kayla ging zich meer afvragen: ‘Wat heb ik te bieden, wat vind ik interessant, waarvan ga ík aan?’ Haar eigen bedrijf geeft haar de vrijheid om dat zelfonderzoek voort te zetten.
“Hoe het was om cliënt te zijn?”, vraagt Eva. Er volgt een gesprek over de verrijking die dat geboden heeft; hoe werkt de therapeutische relatie, wat werkt voor de een en wat werkt voor de ander? Kayla had erg weinig aan cognitieve gedragstherapie omdat ze al te veel in haar hoofd zat en ontdekte dat lichaamsgerichte therapie haar dichter bij haarzelf bracht. Eva heeft die ervaring als cliënt niet, maar kijkt er wel naar uit om zichzelf tegen te komen tijdens de gz-opleiding en de supervisie die ze daar gaat krijgen.
Kayla vraagt zich af hoe Eva het vindt om na de gz-opleiding zo jong al als regiebehandelaar en werkbegeleider aan het werk te gaan. Eva ziet het vooral als een groot leerdoel en een manier om indirect cliënten te begeleiden. Ze krijgt wel echt de mogelijkheid om te groeien in haar rol binnen de praktijk waar ze werkt.
Kayla kijkt met bewondering naar de snelle schreden die Eva in het werkveld zet, maar Eva had na het bekijken van Kayla’s website toch even het gevoel nog niet zoveel te hebben bereikt.
Ze spreken over het opzetten van Kayla’s praktijk Nona Senang. Voor Kayla heeft het een belangrijke rol gespeeld in haar eigen ontwikkeling. Het geeft een vorm van vrijheid en de mogelijkheid je eigen verhaal te vertellen en te ontdekken hoe zich dat verhoudt tot de opleiding en de meer wetenschappelijke insteek.
Kayla merkte ook dat het haar hielp om te onderkennen dat niet zozeer de problematiek waar mensen mee kampen, maar meer de persoon die je voor je hebt, leidend is in hoe goed je iemand kan helpen. Eva blijft het knap vinden dat Kayla naast haar werk een eigen praktijk oprichtte, voor Kayla was het meer een manier om een buffer om zichzelf heen te plaatsen en het helpt haar nu om haar grenzen te bewaken.
Dat grenzen bewaken lastig is, ervaren ze allebei. En niet alleen bij zichzelf, ze zien het ook bij collega’s, jong en oud.
Eva ziet zes cliënten per dag, vier dagen per week. Die staan er gewoon elke keer en het kan moeilijk zijn om daar ruimte te creëren, ook pauze nemen lukt niet altijd. Grenzen aangeven kán wel, maar je voelt je toch snel schuldig als je een keer een afspraak moet afzeggen of een week moet overslaan. Ze merkt ook dat ze de verhalen van cliënten mee naar huis neemt, eraan denkt als ze iets leest, kijkt, of een verhaal van een vriendin hoort dat raakt aan wat een cliënt meemaakt.
Kayla heeft veel aan de technieken die ze geleerd heeft om meer uit haar hoofd en in haar lijf te komen, ze kan nu ook echt haar eigen tijd afbakenen en loskoppelen van werk.
Een grappig moment ontstaat als ze erachter komen dat ze allebei gebruik maken van verschillende tools bij overprikkeling. Niet voor hun cliënten, maar voor zichzelf.
Kayla heeft baat bij zwaarte om zich heen, voelen wat de grens is tussen je eigen lijf en de buitenwereld. Ze vertelt over de Shantimat, een prikkelmatje.
Eva vond zo’n matje jaren geleden bij de ouders van haar vriend. Ze gebruikt ‘m vaak om even bij te komen. En het diepst slaapt ze onder een verzwaringsdeken op de bank, maar afgelopen nacht had ze haar vriend zover dat hij er ook onder kroop. Kayla heeft háár vriend een verzwaringsdeken voor Kerst gevraagd. Ze herkennen bij elkaar de zoektocht naar het combineren van het cognitieve en lichaamsgerichte, zowel voor zichzelf als voor hun cliënten.
Je ontwikkelen als mens is voor allebei belangrijk, een goede basis voor het werk. ‘De nieuwe generatie’, kun je denken, maar een volgende generatie staat ook achter Eva en Kayla al klaar. Ze zien hoe jongeren van nu alweer meer dan zij uitgenodigd worden om naar zichzelf te kijken, hulpverlener of niet. Hoe voel ik me vandaag? Heb ik een trauma of ADHD?
Starters willen ze meegeven dat het goed is om te onderzoeken wat je tegenkomt in jezelf als mens achter de professional. En als het een keer fout loopt, verwijt dat dan niet jezelf, maar zie het als leermoment dat je mee mag nemen in een gesprek met je regiebehandelaar, collega’s of leidinggevende. En natuurlijk ook om in gesprek te gaan met elkaar, bijvoorbeeld met Eva in het NVO-netwerk Studenten en Starters of met Kayla, die ook collega-hulpverleners begeleidt binnen haar praktijk Nona Senang.
Ons gesprek gaat verder dan deze twee pagina’s in de Pedagoog. Over de werkwijze van de praktijk waar ze werken, wat ze geleerd hebben op de universiteit en hoe mooi het is om de bevlogen docenten ook in verschillende gremia van de NVO tegen te komen. We sluiten af met een foto bij het beeld van Erasmus. En dan vertrekken ze weer. Kayla heeft een afspraak met een cliënt en Eva fietst vrolijk haar vrije vrijdagmiddag tegemoet. Dat het voorlopig één van de laatsten zal zijn, daar lijkt ze zich niet druk om te maken.
tekst & foto: Bart van Gent
Welkom bij de rubriek “Ledennieuws”, waar we je informeren over het laatste nieuws en ontwikkelingen binnen onze vereniging. Deze editie bevat weer de vertrouwde column van Judy Hoffer, waarin ze haar inzichten en ervaringen deelt. Daarnaast vind je hier interessante advertenties en belangrijke berichten vanuit de ledenadministratie.
Lees meer
Mijn eerste column voor de Pedagoog brengt wat bij me teweeg. Ik ben
geen (ortho)pedagoog, maar mijn dagelijks werk bestaat wel uit het
behartigen van de belangen van onze beroepsgroep. Ik zou iets kunnen
schrijven over wat er zich allemaal afspeelt op de werkvloer, wat we nu
weer op ons bord geschoven krijgen van een samenwerkingspartner, welke bijzondere (lees: absurde) uitspraken de politiek doet en waar wij in allerijl op moeten reageren. Of over mijn master bestuurskunde, waar ik in het staartje zit. Hoe kun je vanuit de bestuurskundige kant kijken naar de NVO?
Pedagogiek en bestuurskunde hebben interessante overeenkomsten.
Bestuurskundigen kijken namelijk ook naar de context, niet naar het individu.
Naast het ontwikkelen van beleid, bestudeer je de cultuur van de organisatie,
welke elementen daarin van belang zijn. Zoals ‘verhalen van leden’, en ja, ik
heb zeker al boeiende en inspirerende verhalen gehoord. Of het hebben van
artefacten, objecten met een symbolische waarde. Hoewel ik nog druk bezig
ben met kennismaken, ook met de ledenraad, alle commissies en netwerken,
wil ik graag in de volgende column terugkomen op het verhaal van de NVO.
Wat is de cultuur van de NVO? Welke boeiende en inspirerende verhalen zijn
erover te vertellen. Wapenfeiten helpen daar erg bij. En hebben we ook artefacten? Als deze er niet zijn, moeten we die dan niet ontwikkelen?
Judy Hoffer
directeur NVO
links: Tineke Kegel, rechts: Tara Sarhaddi. foto: Sander van der Wel
NVO-lid Tineke Kegel (36) werkt ruim vijf jaar bij Klinisch Centrum Nootdorp. “Een unieke kliniek, dankzij de samenwerking tussen gehandicaptenzorg (Ipse de Bruggen) en ggz (Parnassia). Iedere cliënt met een lvb en psychiatrische problematiek kan bij ons terecht. Met een Wlz-indicatie of op basis van de zorgverzekeringswet. Wij kijken niet naar de indicatie of financieringsstroom, maar naar wat een cliënt nodig heeft.”
Een multidisciplinair team biedt stabilisatie, diagnostiek, behandeling en nazorg aan deze doelgroep. “Dat doen we via sociotherapie – generalisatie naar het dagelijks leven is essentieel! -, groepsbehandeling, individuele psychologische behandeling, farmacotherapie, klinische- en psychodiagnostiek.”
Na haar diplomering als orthopedagoog, ging Tineke aan de slag als behandelcoördinator. Inmiddels is ze gz-psycholoog en naast behandelaar ook manager zorg.
“De diversiteit in mijn takenpakket geeft me veel energie. Ook mijn rol als werkbegeleider van ‘ons’ aanstormend talent Tara Sarhaddi (28). Zij loopt sinds september vorig jaar stage vanuit de opleiding orthopedagogiek bij de Universiteit Utrecht. Het eigen maken van professionele vaardigheden, ontwikkelen van een eigen stijl en groeien in de rol als orthopedagoog – zeker in een multidisciplinaire setting – is een boeiend proces om te mogen begeleiden.”